WeRead Powered by ReaderPub
Nederland en de Islâm cover

Nederland en de Islâm

Chapter 54: Geloften.
Open in WeRead

About This Book

The author presents a series of lectures on how a Western colonial state should relate to its Muslim subjects, advocating an ethical policy that fosters the gradual association of indigenous society with the colonizer's civilization rather than exploitative extraction. He argues that long-term stability and retention of overseas territories depend on elevating local populations under steady guidance, criticizes selfish colonial practices as destabilizing, and calls for a shared practical line across political and religious factions. The text examines tensions between missionary aims and administrative realities and offers pragmatic recommendations for governing Muslim communities.

II.

KENSCHETSING VAN HET STELSEL VAN DEN ISLÂM.

Aanpassing van den Islâm aan de cultuur der door hem veroverde volken.

In mijne vorige voordracht gewaagde ik meer dan eens van het stelsel van den Islâm, dat ongeveer drie eeuwen na Mohammed zijn definitieven vorm had verkregen, en wees ik erop, dat het heel andere dingen bevatte dan waarvan men in Mohammeds dagen ook maar een flauw voorgevoel kon hebben. Dit sprak in verband met de ontzagwekkende gebiedsuitbreiding van het Mohammedanisme geheel van zelf.

Het schijnt ons reeds een wonder, dat die halfbarbaarsche Arabieren als in een ommezien niet slechts de volken van Zuid-Spanje tot de Westelijke grens van China wisten te onderwerpen, maar tevens aan de meesten hunner, waaronder naties met eene oude, hooge cultuur, hunnen nuchteren, nieuwen godsdienst wisten op te dringen, de Arabische taal in de plaats wisten te stellen van de talen der veroverde landen of althans haar den voorrang daarboven te verzekeren, de afstamming van de zonen der woestijn te doen erkennen als de hoogste aristocratie. Maar zonder eene groote mate van aanpassing zou dit alles toch geheel onmogelijk zijn geweest.

Voor de regeling van het staatsbestuur in die oude cultuurlanden, van grondbezit, handel en verkeer in zulk een wereldrijk, om niet meer te noemen, waren de sobere, naieve wetgevende gedeelten der Qoerânische openbaring volstrekt ontoereikend. Nu had echter in de oudste gemeente deze overtuiging diep wortel geschoten, dat alle levensverhoudingen, groot of klein, zonder uitzondering geregeld moesten worden door Allahs woord, toegelicht door Allahs gezant. Zoo was het geweest te Medina zoolang Mohammed als levend orgaan der openbaring in het midden der zijnen had verkeerd, en zoo behoorde het te blijven na zijn dood in het door hem gestichte rijk.

De vreemde elementen met behulp van fictie bij de voorschriften van den Profeet ingelijfd.

Hoe nu de geheel andere eischen der practijk in overeenstemming te brengen met die als eene levensvoorwaarde van den Islâm beschouwde beperking der bron van alle wijsheid tot eenige uitspraken, bestemd om in de vrij primitieve maatschappij van Medina de gewenschte orde te handhaven of te herstellen? Waar het voor heiligschennis gold, te meenen, dat de woorden van Allah en Zijnen Gezant aanvulling behoefden, schoot er niet veel anders over dan door vrome fictie aan Mohammed in den mond te leggen, hetgeen hij vermoedelijk gezegd zou hebben, indien hem een blik in de toekomst gegund ware geweest. Elke vraag, die rees gedurende en na de groote verovering der landen, gaf aanleiding tot het ontstaan van eene of meer overleveringen over iets, dat de profeet had gezegd of gedaan, en waaraan men voor het gegeven geval licht kon ontleenen. Later werd die steeds aangroeiende massa van tradities door schifting in omvang beperkt, door ordelijke rangschikking handelbaar gemaakt, en zoo verkreeg men de kanonieke traditie-verzamelingen. Zij vormden niet een zoo streng afgesloten geheel als de verzameling der woorden Gods in den Qoerân, zij lieten veel meer plaats voor aanvulling en verschillende uitlegging, maar eene verdere ontwikkeling der wetgeving, die naar ons spraakgebruik dien naam zou verdienen, maakten zij dan toch zoo goed als onmogelijk.

Goed- of kwaadschiks moest de Islâm in de eerste twee eeuwen van zijn bestaan de grootste plooibaarheid ontwikkelen, waartoe hij in staat was: langs verschillende wegen nam hij instellingen en denkbeelden in zich op, die ons op ondubbelzinnige wijze hunne herkomst uit Griekenland, Rome, Perzië en Hindostan openbaren, al hebben zij zich gehuld in het monotone, grauwe kleed van profetische traditie. Zonder deze veelsoortige toespijzen en sterke kruiden zou de digestie van de gulzig opgezwolgen landen en volken hem te machtig zijn geworden. Maar toen was dan ook de grens zijner spankracht bereikt; ongeveer duizend jaren geleden was dus de geschiktheid van den Islâm om zich aan te passen aan andere tijden dan de dusver doorleefde, aan andere plaatsen dan de dusver ingenomene zoo goed als geheel verbruikt.


De leer van de onfeilbaarheid der Moslimsche gemeente.

Het stelsel, zooals het toen reeds tot in kleine détails was uitgewerkt, werd afgesloten door de leer van de onfeilbaarheid der Moslimsche gemeente als geheel, vertegenwoordigd door hare schriftgeleerden. Omtrent den Qoerân en zijne uitlegging, de kanonieke overleving en hare verklaring, de uit die bronnen af te leiden theologie en wet, was dus al hetgeen, waarover de schriftgeleerden tot eenstemmigheid waren geraakt, boven verdere discussie verheven. Stevig zaten die resultaten van drie eeuwen geestelijken arbeid vast in de vesting der onfeilbaarheid. Die vastheid van het systeem was echter tevens de oorzaak van zijn kwijning; hoe langer hoe meer verloor het den samenhang met het leven.

Dit bezwaar zou belangrijk verminderen, wanneer gezaghebbende schriftgeleerden die leer van den onfeilbaren consensus gebruikten als middel juist om door hen wenschelijk geachte hervormingen in te voeren. In de laatste jaren is dit, vooral in Egypte, en ook wel in Turkije, door kundige oelamâ beproefd. Zij gelden echter bij de groote meerderheid nog als gevaarlijke modernisten, en het is zeer de vraag, of het hun gelukken zal, op den duur een zoo grooten kring van moeqallids (erkenners van hun gezag) te vormen, dat hunne opinies voor de vaststelling van den consensus gaan medetellen.

Belangrijke ontwikkeling van het stelsel na de derde eeuw der Hidjrah zeer moeielijk.

Immers hetgeen daar voor duizend jaren werd vastgelegd, dat was niet een geheel van beginselen, maar een stel van op goddelijk en profetisch gezag berustende voorschriften, die tot in het kleine en bijzondere het staatkundige, maatschappelijke en individueele leven der geloovigen bonden voor alle gevallen, waarop men bedacht was geweest. Nu hebben sinds dien tijd de verschillende Mohammedaansche landen in menig opzicht onafhankelijk van elkander ieder hun eigen leven geleid, daar de politieke, economische en andere toestanden vaak hemelsbreed verschilden; maar hetgeen hen onderling bleef verbinden, dat was juist, behalve eenige geloofsformules, de gemeenschappelijke erkenning van het goddelijk karakter dier wet, die in elk van hare deelen hare Arabische geboorte en hare opvoeding in het Westen van Azië gedurende de zevende, achtste en negende eeuw verried. Al mag men gedurende de tien eeuwen, die daarna volgden, kunnen wijzen op concessies der wet aan behoeften, die zich algemeen deden gelden, de moeite, die het kostte, ze erkend te krijgen, bewijst beter dan iets anders, hoe stroef het systeem van den Islâm geworden was.

Wie toch eene zekere mate van plooibaarheid aan dit stelsel wil toekennen, wijst terecht op het gewicht, dat vele schriftgeleerde autoriteiten toekennen aan het belang der geloovigen als motief voor wettelijke bepalingen, of aan den drang der omstandigheden, die volgens Moslimsche autoriteiten gedeelten der heilige wet buiten werking kan stellen, maar zulk beroep komt bij de meest gezaghebbende schriftgeleerden slechts voor om den loop van de ontwikkeling der wet in het verleden of ook uitzonderingen van tijdelijken aard te rechtvaardigen, daarentegen zelden om wegen te openen voor eene toekomstige ontwikkeling, die het vroeger met onfeilbaar gezag vastgestelde zou wijzigen. De door de schriftgeleerden der eerste eeuwen na eenige aarzeling aanvaarde, maar binnen enge perken gehouden redeneering bij analogie kan evenmin als hervormend beginsel werken: zij mag alleen dienen om uit de bestaande bepalingen voor dusver onbekende gevallen nieuwe deducties te maken.

Hoe men de zaak ook beschouwe, elke poging om de wet in het bijzondere te verbeteren bedreigt het heele, eeuwenoude gebouw met ineenstorting, en ieder streven naar fundamenteele herziening brengt hem, die ermee voor den dag komt, in verdenking van ongeloof. Tegen het een zoowel als tegen het ander kan men gewoonlijk rekenen op den fellen tegenstand van de meerderheid der schriftgeleerden, gesteund door de instinctief bij haar zich aansluitende massa des volks.


De stroefheid van den Islâm, die in zijne eerste periode eene wijle voor den onweerstaanbaren drang der omstandigheden week, werd dan van de derde eeuw der Hidjrah af een zijner sprekendste karaktertrekken. Een “positieve” openbaringsgodsdienst, die uit den Hemel voorschriften verlangt over alle détails van het leven, kan op den duur dit lot niet ontgaan.

Het stelsel splitst zich in geloofsleer en wet.

Ik sprak meermalen van het stelsel van den Islâm, en inderdaad was het in den beginne formeel één geheel, werden alle levensvragen door ééne en dezelfde klasse van deskundigen behandeld en opgelost. Weldra verdeelde zich de stof in twee hoofddeelen, de geloofsquaesties, de dogmatische vragen, die door theologen in den engeren zin, en de vragen betreffende de plichten, die door wetgeleerden behandeld werden. Beide vakken bleven met elkaar in innig verband, maar zij onderscheidden zich toch van elkaar in doel, in middelen, in methode.

Over de dogmatiek kunnen wij hier kort zijn. Eene geloofsleer wordt uit strijd over de ontwikkeling van het dogma geboren, en tracht in scherp belijnde formules de bovendrijvende stellingen voor altijd te bevestigen. Voor zoover men haar onfeilbaar of toch boven revisie verheven acht, komt zij in een volgend tijdperk der ontwikkeling van het menschelijke denken noodwendig in strijd met de begrippen van een deel dergenen, die zij onder hare vleugelen wil houden. Deze verwijdering kan echter zonder belangrijke practische gevolgen intreden, wanneer ten minste de geloofsleer zich binnen hare eigene grenzen houdt en niet te zeer ingrijpt in het gebied van het handelen. Zoo is het in den Islâm gegaan. Toen de hitte van den strijd der eerste drie eeuwen over geloofsformules afgekoeld en het resultaat in den vorm eener rechtzinnige dogmatiek bezonken was, nam de belangstelling voor deze dingen buiten de enge vakkringen af.

De dogmatiek na hare vaststelling van ondergeschikt belang voor de practijk.

De vragen, waarover men getwist en elkander verketterd had, vertoonden veel overeenkomst met die, welke in de Christelijke kerk de gemoederen hadden bewogen. De praedestinatie, tegenover de aanhangers der leer van den vrijen wil tot een hoofddogma verheven, werd in den Islâm niet fatalistischer opgevat dan elders. De streng gehandhaafde eenheid Gods werd met de veelheid Zijner in den Qoerân genoemde eigenschappen in een verband gebracht, dat het middelmatige verstand zoowel als het populaire openbaringsgeloof bevredigde. De leer van de eeuwigheid der hellestraf voor ongeloovigen in verband met die der eindelijke zaligheid aller geloovigen verscherpte in den geest der middeleeuwen de grenslijn tusschen Mohammedanen en niet-Mohammedanen. Het dogma der zaligmaking door het geloof alleen—geloof opgevat in den zin van eerbiedige erkenning der almacht van den door Mohammed gepredikten Allah, ongeveer zoo als een willig onderdaan zijnen vorst erkent, waarbij de werken dienen om dat geloof schooner en volkomener te maken en den geloovige meer aanspraak te geven op spoedige toelating in het Paradijs—, dit dogma was dienstig om de zwakken niet af te schrikken en de propaganda te bevorderen. Er zou veel meer te noemen zijn, maar voor de practijk van het leven, die ons hier bovenal belang inboezemt, is het eene van niet veel meer gewicht dan het andere.

Al was het stelsel óók ten aanzien van dit schema der geloofsleer in de laatste duizend jaren stroef en afkeerig van alle pogingen tot herziening, het denken der Islâmbelijders werd daardoor niet ernstig belemmerd. De in hooge sferen zich bewegende geesten gingen erboven uit of begaven zich op zijwegen; het vulgus bleef met allen eerbied voor de theologische leuzen aan zijn, slechts in vorm ietwat gewijzigde, oude bijgeloof hangen. Wie bij al die afwijkingen geene uitdagende houding aannam, had zelden veel te vreezen.

Alleen enkele eschatologische voorstellingen verwekken soms beroering.

Eén hoofdstuk der dogmatiek vraagt soms de aandacht ook van hen, die voor de bespiegeling over leerstukken zonder direct practisch gevolg weinig belangstelling hebben: het is de eschatologie. De messiaansche verwachtingen, die in de Moslimsche leer ingang gevonden hebben, met name de verwachting, tegen het einde der dagen, van eenen mahdî (eenen met Allahs bijzondere leiding begunstigden opperbestuurder), die het stelsel van den Islâm opnieuw tot eere brengen en de ongeloovigen verdelgen zal, verontrusten de gemoederen der minst ontwikkelde Mohammedanen, zoo dikwijls als het aan opruiers gelukt, eene bevolking te doen gelooven, dat de opstanding nabij is, of haar in een bepaald persoon den mahdî of een van diens wegbereiders te doen zien. De stemming jegens andersdenkenden wordt in zulke gevallen hatelijk, en soms komt het tot fanatieke daden. Maar hiermede is dan ook alles gezegd.

Al wordt dus de rechtzinnige geloofsleer op de pĕsantrèns van Java en op dergelijke scholen (de soerau’s van Soematra enz.) in de buitenbezittingen veel, soms zelfs met overdreven voorliefde beoefend, toch mogen wij bij de beschouwing van het stelsel in zijne werking in het algemeen zoowel als op de Indonesiërs in het bijzonder, dit gedeelte verder ter zijde laten. De wet verlangt in veel hooger mate onze aandacht.


Het staatsgezag en de uitlegging der wet bleven niet lang in ééne hand.

Wij leerden haar daarstraks kennen als, wel veel meer later ingedrongen elementen van vreemden oorsprong bevattend dan zijzelve ons wil doen gelooven, maar sedert hare volgroeidheid bijzonder stroef. De keerzijde van die stroefheid was, dat het werkelijke leven in vele opzichten buiten haar om zijn eigen weg ging. Deze voor de wet ongunstige verhouding werd ook door andere oorzaken zeer in de hand gewerkt, voornamelijk doordien reeds enkele tientallen jaren na Mohammeds dood de machthebbers in den Islâm en de uitleggers der wet niet meer samenwerkten, maar twee jegens elkander meestal wantrouwende en naijverige groepen vormden. Dat is sedert aldus gebleven: de bezitters van het gezag waren even ongeneigd om zich in alles onder de vaak lastige controle van de wetgeleerden te stellen als dezen om zich door de vorsten der wereld den critischen mond te laten snoeren. Des te vrijer konden die juristen zich aan hunne casuïstische liefhebberijen overgeven, en daar zij, gelijk wij vroeger zagen, op de onwetende schare minachtend neerzagen, waren zij allerminst doordrongen van het besef, dat hunne uitlegging der onfeilbare wet rekening diende te houden met de practische eischen der maatschappij.

De wet theoretisch erkend, practisch veelszins terzijde gesteld.

De samenhang van theorie en practijk liet reeds zeer veel te wenschen over in de eerste drie eeuwen van wording van het systeem, en in de landen zelve, waar die groei tot stand kwam; hoeveel te meer in later eeuwen en in landen, die van dat oorspronkelijke centraalgebied ver af gelegen waren. Gewoonterecht en willekeur der bestuurders deden alom ten aanzien van menig hoofdstuk der wet bijna vergeten, dat het eene andere bestemming had dan die van bestudeerd te worden. Het qâdhî-ambt, ingesteld ter beslechting van alle geschillen volgens de wet Gods, ontaardde weldra, deels omdat het meegesleept werd in de algemeene corruptie der staatsambten, deels omdat het in de vrijheid zijner functie belemmerd werd door zijne afhankelijkheid van het bestuur. Om hunne gemoedsrust te kunnen bewaren bij het onloochenbare feit, dat Allahs geboden op elk gebied veronachtzaamd werden, namen de schriftgeleerden aan, dat deze wereld te slecht was voor eene zoo volmaakte wet, die hare volle kracht slechts kon ontwikkelen in het gulden verleden van Mohammed en zijne eerste opvolgers en in het toekomstige messiaansche tijdperk, wanneer de mahdî, de door Allah geleide, aan het hoofd der gemeente zou staan en de wereld zou vervullen met gerechtigheid gelijk zij thans vervuld was met onrecht. Dat het zoo gaan zou, werd zelfs in den vorm eener voorspelling aan Mohammed in den mond gelegd.

Onderscheid in waardeering van de verschillende deelen der wet.

Theoretische erkenning hebben de wetgeleerden aan hun werk in de geheele Mohammedaansche wereld weten te verzekeren; wie de verbindbaarheid ook maar van een enkel door den onfeilbaren consensus der gemeente gestempeld wettelijk voorschrift in twijfel trok, werd daardoor een rebel tegen den Almachtige, wie haar loochende, een kâfir.

Juist hierom mogen wij dus toch weer van bijna geen deel der wet zeggen, dat het ontbloot is van alle beteekenis voor het leven der Mohammedanen; wel kan men naar het verschil in graad van de waarde voor de practijk verschillende bestanddeelen dier wet onderscheiden.


De zuiver godsdienstige bestanddeelen.

De vijf hoofdplichten der geloovigen jegens Allah, de zoogenaamde vijf zuilen van den Islâm, met welker behandeling ieder leerboek der wet begint, hebben groote beteekenis voor het individueele godsdienstige leven, in onzen tijd zelfs meer dan in de middeleeuwen, toen nog vaak de vervulling dier voorschriften door bestuur en politie bevorderd werd. Thans wordt die ook in landen onder Mohammedaansch bestuur meestal aan den eigen aandrang der Moslims overgelaten, zoodat men duidelijker dan voorheen kan onderscheiden, welke soort van godsdienstige verrichtingen in eene bepaalde streek de hoogste waardeering geniet. Voor de vraag, of men eene bevolking al of niet bij de Mohammedanen zal indeelen, heeft, gelijk ons bleek, die relatieve waardeering evenwel geen groot belang.

In den Indischen Archipel loopt die waardeering plaatselijk ver uiteen. In Atjèh wordt de çalât lang niet met denzelfden ijver waargenomen als in Bantĕn; het vastengebod wordt op Midden-Java door een groot deel der bevolking veronachtzaamd. Op West-Java daarentegen overschat men dikwijls deze verplichting door haar getrouwer na te komen dan die der ritueele godsdienstoefening. Aan het zakâtvoorschrift houden zich de Soendaneezen veel strenger dan de andere bewoners van Java, terwijl de ijver voor de bedevaart naar Mekka in de meeste eilanden van den Archipel in vergelijking met andere landen overdreven wordt.


Voor de practijk weinig beduidende bestanddeelen.

Onder de overige hoofdstukken der wet, die de verhouding der menschen onderling als onderdanen van den staat, als leden van maatschappij en gezin regelen, zijn er verscheidene, die onze belangstelling slechts in zoover verdienen als zij kunnen bijdragen tot de kenschetsing van den geest van het geheel of omdat zij den historicus van den Islâm in staat stellen na te gaan, uit wat voor vreemde bronnen de oudste bewerkers der Mohammedaansche wet de magere Arabische stof aangevuld hebben. Overigens bezitten die hoofdstukken, daar zij zoo goed als nergens op den duur kracht van wet hebben gehad, alleen paedagogische waarde voor de betrekkelijk kleine kringen, die van de geheele wet studie maken en wier ideaal van een vroom leven mede daardoor wordt bepaald.

Dit geldt bijv., behoudens uitzonderingen, van de leer der contracten, van het strafrecht en van zoo menig ander onderdeel, dat door de casuïsten tot in de uiterste consequenties is uitgewerkt, als ware het heil der menschheid ermee gemoeid.


Bepalingen die als moreele voorschriften werken.

Er zijn echter ook een aantal onderwerpen, waaromtrent bepalingen in de goddelijke wet voorkomen, die in wijde kringen bekend zijn en welker overtreding de geloovige zich als zonde aanrekent. Meestal zijn het verbodsbepalingen, en wel liefst zulke, die op eene ondubbelzinnige uitspraak van Allahs eigen woord berusten. Deze soort heeft dus voor de Mohammedanen veel hoogere moreele waarde dan de laatst genoemde categorie.

Geen Moslim heeft gemoedsbezwaar tegen het sluiten van koop- en huurcontracten volgens andere regelen en in andere vormen dan die de goddelijke wet daarvoor aangeeft; maar wanneer hij zich laat vinden tot het aangaan eener overeenkomst, waarbij rentebeding in een of anderen vorm te pas komt, dan voelt hij zich schuldig tegenover Allah, en wanneer hij eene assurantie sluit, is zijn geweten niet veel geruster. Dat komt omdat het leenen tegen rente in den Qoerân streng verboden en met de zwaarste straffen in de andere wereld bedreigd wordt, terwijl de Mohammedaansche schriftgeleerden verzekeringsovereenkomsten als hasardcontracten beschouwen, en het hasardspel in Allahs woord tot het werk van den Duivel gerekend wordt.

Van een koopcontract, waarbij de voorschriften der heilige wet niet in acht genomen zijn, kan men uit het oogpunt van het kanonieke recht de geldigheid betwisten; maar, indien beide partijen zich erdoor gebonden achten, meer nog indien eene besturende macht die opvatting deelt en waar noodig handhaaft, dan heeft die afwijking voor geen der betrokkenen schadelijke gevolgen noch van materieelen, noch van moreelen aard. Anders staat het met rechtshandelingen, die Allah verboden en strafbaar gesteld heeft. Het sluiten van een contract met rentebeding bijv. is uit een godsdienstig-zedelijk oogpunt te vergelijken met het drinken van wijn of het plegen van ontucht.

Eene als onfeilbaar geldende wet, die zonder beperking van tijd of plaats rechtshandelingen verbiedt welke, voor eene normale ontwikkeling van menschelijken handel en verkeer op den duur onmisbaar zijn, dwingt de menschen, zich op de eene of andere wijze van haar te emancipeeren. Dit kan gebeuren door overtreding, die dan door hare algemeenheid en frequentie ten slotte haar afschrikwekkend karakter verliest, of door ontduiking, waarbij de schijn van gehoorzaamheid aan het voorschrift wordt bewaard. Beide wijzen van doen ondermijnen den waren eerbied voor de wet. Dat de Moslimsche wet dagelijks aldus door de geloovige Mohammedanen behandeld wordt, moet geweten worden aan het principieele euvel, waarmee die wet reeds behebt was, toen zij van Arabië uit haren tocht door de wereld begon, het voor alle tijden gelijkstellen van hetgeen de tijd noodwendig verandert.

Ontduiking van voorschriften bewijst niet, dat zij kracht van wet hadden.

Een natuurlijk gevolg van dezen loop der zaken is het weer, dat de wetgeleerden zelve het niet slechts hunne taak achten, de bepalingen uit te leggen en uit te werken, maar ook de wegen te wijzen, waarlangs men de in den tijd niet passende voorschriften kan ontduiken.

Een Duitsch vergelijkend rechtsgeleerde heeft gemeend, uit die gewoonte der Mohammedaansche wetgeleerden de gevolgtrekking te mogen maken, dat het recht van den Islâm werkelijk het leven heeft beheerscht; volgens hem moeten die wetten wel in volle kracht gewerkt hebben, wanneer men het noodig achtte, ze op omslachtige wijze te ontduiken. Hij vergat, dat die noodzakelijkheid zich evenzeer opdringt, waar men te doen heeft met eene gedétailleerde kanonieke wet, die met de eischen van het leven telkens in conflict komt, maar waaraan men goddelijken oorsprong toeschrijft, ja dat die ontduikingsmiddelen evenzeer gezocht worden ten aanzien eener onveranderlijke moraal, die uit voorschriften in plaats van uit beginselen bestaat. Ook als de historie ons niet op elke bladzijde getuigen maakte van de botsingen van het leven der Mohammedanen met de door hen theoretisch als onfeilbaar erkende wet, dan nog zou de vergelijkende rechtswetenschap hare bevoegdheid te buiten gaan door uit de wijze, waarop die wet in de school behandeld werd, conclusies te trekken ten aanzien harer verhouding tot de practijk.


Werkelijk geldende hoofdstukken der wet.

De vierde categorie van onderdeelen der wet, die wij van ons gezichtspunt te onderscheiden hebben, behandelt onderwerpen, waarvan men om deze of gene reden altijd van oordeel is gebleven, dat zij geheel door het goddelijke recht geregeld moesten zijn, ook in het lange tijdperk na de gouden dertig jaren der rechtzinnige chaliefen en vóór het aanbreken der messiaansche periode van den mahdî.

Personen-, huwelijks-, familie- en erfrecht.

Hiertoe behoort in de eerste plaats het personen-, huwelijks-, familie- en erfrecht. Geen Mohammedaansch besturend hoofd heeft er ooit aan gedacht, de beslissing van geschillen, die daarop betrekking hebben, aan de jurisdictie van den qâdhî te onttrekken. De voorwaarden en de grondslagen van een huwelijkscontract kunnen de twee betrokken partijen reeds daarom niet naar eigen goedvinden regelen, omdat Allah elke moedwillige afwijking van de door hem daarvoor gestelde regelen tot ontucht gestempeld en met de zwaarste straffen in dit leven en in het namaals bedreigd heeft. Maar ook afgezien hiervan, het huisgezin is wel in elke op godsdienstige grondslagen berustende maatschappij als een onaantastbaar heiligdom beschouwd, welks inrichting niet aan den invloed van menschelijke willekeur onderworpen mocht zijn. In den Islâm met zijne ons bekende neiging tot détailregeling, die zelfs de bijzonderheden van kleeding en toilet, van beleefdheidsvormen en uitingen van gemoedsaandoening wilde binden aan van tijd en plaats onafhankelijke voorschriften, in den Islâm sprak het van zelf, dat de familie over zijn geheele gebied hetzelfde type moest vertoonen en dat hij ten aanzien hiervan voor transactie met de ethnische eigenaardigheden zijner belijders ontoegankelijk was.

Naast deze, voor alle Mohammedanen verreweg belangrijkste kapittels der heilige wet, hebben wij in dit verband nog te letten op een aantal andere, waarmede uit den aard der zaak lang niet ieder practisch te doen krijgt, maar die toch dit met de voorschriften betreffende personen-, huwelijks-, familie- en erfrecht gemeen hebben, dat zij de daarin behandelde onderwerpen ook feitelijk beheerschen.

Vrome stichtingen.

Niet ieder verkeert in de gelukkige omstandigheden, vrome stichtingen ten behoeve van eeredienst, onderwijs of andere zaken van algemeen nut in het aanzijn te kunnen roepen; maar wie dat doen kan en wil, denkt er natuurlijk niet aan, het op eene andere wijze te doen dan die in Allahs wet daarvoor is aangegeven. Hij zou immers daardoor het voornaamste resultaat, dat men zichzelf van zulke vrijgevigheid belooft: de verwerving van Allahs genade in het namaals, in gevaar brengen. Al is het dus mogelijk en zelfs zeer waarschijnlijk, dat de wet betreffende de waqfgoederen in den tijd der aanpassing van den Islâm onder sterken invloed van het recht der veroverde landen haar beslag heeft gekregen, zóó als zij daar nu in het voltooide systeem voor ons ligt, vertoont zij zich aan de geloovigen als afkomstig uit dezelfde onfeilbare bronnen, waaruit de met historisch recht aan Mohammed toegeschreven inzettingen gevloeid zijn, en geen Moslim wijkt er willens en wetens van af, wanneer hij zijn credit in Allahs grootboek wenscht te vermeerderen door een deel van zijn eigendom in de doode hand te brengen.

Geloften.

Hetzelfde kan men tot op zekere hoogte zeggen van de geloften, waarbij de geloovige, al of niet onder de voorwaarde van het plaatsgrijpen eener door hem gewenschte gebeurtenis, aan Allah eene of andere prestatie in den vorm van een Hem welgevallig werk belooft. Echter is op dit gebied de heerschappij der geopenbaarde wet niet zoo onbeperkt als ten aanzien der eerst genoemde onderwerpen. Terwijl men met de stichting van een waqf in de eerste plaats eene verhooging van zijnen rang in de andere wereld op het oog heeft, wil men door geloften meestal aardsche doeleinden bereiken: de meest gewoone voorwaarden, waaraan de vervulling eener gelofte gebonden wordt, zijn genezing van zieken, erlanging van den huwelijkszegen, van geluk in den handel of in de ambtelijke loopbaan, en wat dies meer zij. Daar nu de geïslamiseerde volken ook vóór hunne bekeering allerlei magische middelen tot verkrijging van zulke wenschen plachten aan te wenden en de paedagogische werking van den Islâm nergens sterk genoeg geweest is om zulk volksgeloof uit te roeien, dingen hier nog altijd de oude beproefde recepten van heidenschen oorsprong met de in streng monotheïstischen zin gereinigde der officieele leer om den voorrang, en dan winnen de eerste het meestal bij de ongeletterde massa.

Voorschriften over de rechtspraak.

De bepalingen over de rechtspraak, die de Mohammedaansche wet bevat, hebben werkelijk ingang gevonden en hare werking behouden, voor zoover die rechtspraak zelve niet door eene andere, wereldlijke is verdrongen. Dat wil dus zeggen, dat bij de beslechting van al zulke geschillen, welker behandeling de besturende autoriteiten niet aan zich getrokken hebben, dus alweer bovenal in zaken betreffende personen-, huwelijks-, familie-, en erfrecht, de procedure volgens de regelen der heilige wet geschiedt, de door haar aangegeven bewijsmiddelen alleen in aanmerking komen, dat getuigen en partijen daarbij zonder eenigen dwang het woord moeten voeren, dat het getuigenis van vrouwen weinig, dat van niet-Mohammedanen volstrekt geene waarde heeft, dat de eed alleen aan partijen en niet aan getuigen kan worden opgelegd, dat aan het schriftelijk bewijs geene waarde toegekend mag worden. Alles geheel anders dus dan bij de berechting der vele zaken, die in den loop der tijden aan de qâdhîs onttrokken en naar gewoonterecht of willekeur door de bestuurders behandeld werden.

Bepalingen over de verhouding tot niet-Mohammedanen.

De wettelijke voorschriften, die bestemd zijn om de verhouding van den Moslimschen staat tegenover het “gebied van den oorlog”, van de belijders van den Islâm tegenover ongeloovigen te bepalen, hebben eeuwenlang de werkelijkheid beheerscht, zij het ook vaak met eene zekere vrijheid in het bijzondere, die zich vanzelf verklaart wanneer men bedenkt, dat de uitvoering lag in de handen der vorsten en hunner dienaren, niet der schriftgeleerden. Ook toen de staatkundige roem van den Islâm al geweldig getaand was, hield men nog lang vast aan zulke middeleeuwsche beginselen als dat een Moslimsch staatshoofd nooit duurzamen vrede met een niet-Moslimsch land mocht sluiten, ja zelfs een wapenstilstand niet langer dan tien jaren mocht duren.

Nog in onze dagen, kan men, gelijk ons reeds bleek, de leer van den heiligen oorlog en hetgeen daarmee verband houdt niet als voor de practijk onverschillig beschouwen, al is hare werking van geheel anderen aard dan die van in eigenlijken zin nageleefde wetten zooals de huwelijkswet.


De ontwikkelingsgeschiedenis der wet verzet zich tegen codificatie.

Dit overzicht zal voldoende zijn ter bevordering eener klare voorstelling der beteekenis, die het stelsel van den Islâm gehad heeft en die het nog bezit voor het leven zijner belijders. Toch zou onze schets aan duidelijkheid te wenschen overlaten, indien wij er niet iets aan toevoegden over den aard der bronnen, waaruit dat systeem, inzonderheid in zijne legislatieve bestanddeelen, gekend wordt. Het kan daarbij niet de bedoeling zijn, de in den laatsten tijd meermalen door mij gegeven uiteenzetting van de wordingsgeschiedenis der Mohammedaansche wet nogmaals te herhalen, maar wel om scherp te doen uitkomen, dat het bij deze wet nooit gekomen is tot eene eigenlijke codificatie, en dat, naar het schijnt, ook in de toekomst elke poging om daartoe te geraken van te voren als mislukt moet worden aangemerkt.

Qoerân en Soennah.

In den allereersten tijd hebben de leiders der Mohammedaansche gemeente getracht, de geheele wet te beschouwen als berustend op de eigen woorden van Allah, zich daarvoor o.a. beroepende op het Qoerânvers (VI : 38): “Wij hebben in het Boek niets veronachtzaamd”, openbaringswoorden, die blijkens het verband iets geheel anders wilden zeggen. Men was huiverig voor het stellen van menschelijk gezag als ongeveer gelijkwaardig naast dat van God.

Niet lang kon men echter blind blijven voor de waarheid, dat de Qoerân van het eerste begin af doorgaans de verklaring en aanvulling zijner sobere wetgevende uitspraken door woord en voorbeeld van den Gezant Gods onderstelt. De Soennah, de wijze van doen, van Mohammed, werd derhalve als tweede bron van wetgeving naast den Qoerân erkend. Deze Soennah had boven den weldra na Mohammeds dood voor altijd schriftelijk vastgestelden Qoerân eene zekere rekbaarheid voor, waarvan bij de vroeger genoemde aanpassing der wet aan de onafwijsbare behoeften der veroverde landen een ruim gebruik gemaakt werd. De overlevering (hadîth) omtrent den inhoud der Soennah bleef gedurende een paar eeuwen vloeiend, en zoo vond men gelegenheid om de meeste vreemde elementen, die de Moslimsche wet niet missen kon, door tradities over Mohammeds woorden en daden te sanctionneeren.

De Overlevering, al hield ook hare rekbaarheid na ongeveer drie eeuwen op, heeft nooit zoo vasten vorm verkregen als de Openbaring. Uit het ontelbaar aantal tradities, die elk een of ander klein détail der wet tot onderwerp hadden, kozen gezaghebbende geleerden, ieder volgens zijne eigene critische beginselen, de “echte” uit, en zij rangschikten die in hunne verzamelwerken min of meer naar den inhoud of naar de herkomst. Ofschoon nu sommige van die verzamelingen eene soort van kanonieke waarde hebben verkregen, bleef toch de weg altijd open voor verschillende relatieve waardeering der enkele tradities, die daarin eene plaats gevonden hadden, en tevens voor gelijke waardeering van andere, die in die collecties niet waren opgenomen. De uitlegging van al die overleveringen was natuurlijk voor latere geslachten vooral niet minder aan discussie onderhevig dan die van Allahs eigen woord.


Losmaking der wet van hare bronnen.

De wettelijke bepalingen, die men uit deze bronnen kon afleiden, werden vervolgens stelselmatig en met weglating van het betoog, door de schriftgeleerden (faqîhs) geordend en aldus verwerkt tot hetgeen men zou kunnen noemen handboeken der plichtenleer, leerboeken, waarin de geheele wet voor de weetgierigen werd uiteengezet met zooveel gezag als de naam van ieder auteur vertegenwoordigde. Het verschil in opvatting, dat bij die behandeling der stof aan den dag kwam, betrof meestal dingen, die wij bijzaken zouden noemen, en het verminderde bovendien nog met den tijd. Toch werd volkomen eenstemmigheid ten aanzien van geen enkel hoofdstuk der wet bereikt, zelfs niet binnen de grenzen van eene der rechtsscholen, waarvan thans nog vier—de Hanafitische, de Malikitische, de Sjafi’itische en de Hanbalitische—over zijn, die dat meeningsverschil vertegenwoordigen. Dit doet geen afbreuk aan de katholiciteit van het systeem van den Islâm, daar het totaal van de resultaten der legislatieve werkzaamheid van de eerste eeuwen als onaantastbaar gewaarborgd wordt door de onfeilbaarheid der gemeente, die dat alles, de verschillen incluis, voor hare rekening heeft genomen.

De onfeilbare gemeente heeft geen vast orgaan.

Deze loop der zaken, men begrijpt het licht, verzet zich tegen het denkbeeld eener algemeen aanvaarde codificatie, zelfs van hetgeen in ééne en dezelfde school op dit gebied als waarheid geldt. Zij zou niet kunnen geschieden zonder dat daarbij telkens van verschillende, gelijkwaardige inzichten enkele voor goed ter zijde werden gesteld. Ook heeft de onfeilbaarheid van den consensus van oudsher alleen zóó gewerkt, dat eene volgende generatie op bepaalde resultaten der werkzaamheid eener vorige het stempel harer goedkeuring drukte, maar er is nooit een lichaam of eene vergadering geweest, die zich bevoegd achtte, op een gegeven oogenblik over bepaalde quaesties in naam der onfeilbare gemeente uitspraak te doen. Eene commissie van geleerden eener rechtsschool (maḍhab) te belasten met de codificatie van de Moslimsche wet, zou dus, afgezien van de moeilijkheid harer samenstelling in verband met de verspreiding der aanhangers van zulk eene school over den aardbodem, een absoluut novum zijn, en men weet hoe vijandig bovenal de wetgeleerdheid tegen nieuwigheden is, gedachtig aan de uitspraak, die op naam van den Profeet overgeleverd wordt: “hoedt u voor nieuwe dingen: want elke nieuwe zaak is eene ketterij, elke ketterij eene dwaling, en elke dwaling behoort in het helsche vuur”.

Gesteld eens, dat men de waarlijk niet geringe bezwaren, die ik al noemde, ter zijde wist te stellen, dan nog zou de aanvaarding van de meest zorgvuldige codificatie op haast onoverkomelijke gemoedsbezwaren stuiten. Men zou in den codex niet veel anders mogen zien dan een nieuw leerboek naast de vele bestaande, niet een wetboek. Al hebben feitelijk de handboeken der verschillende scholen de bronnen der wet verdrongen, zoodat het niemand meer vrijstaat, die bronnen onafhankelijk van de rechtsscholen te gebruiken, terwijl ook het recht der geleerde critiek op de uitspraken van gezaghebbende handboeken uiterst beperkt is, toch ziet men in ieder dier met autoriteit bekleede auteurs slechts iemand, die op gezag alweer van oudere voorgangers den inhoud van Qoerân en Overlevering verklaart, zonder zijn werk voor die gewijde bronnen in de plaats te stellen. Geen Mohammedaansch concilie—gesteld eens dat het mogelijk ware, er een samen te stellen—zou het wagen, voor zijn werk op zulk eene plaats aanspraak te maken.


Poging tot codificatie in Algerië.

In Algiers wil de Regeering het beproeven. De Délégation financière des Colons sprak in hare zitting van 18 Maart 1904 de wenschelijkheid eener codificatie van het in de kolonie geldende Mohammedaansche recht uit, dewijl het ontbreken van eenen voor Europeesch gebruik geschikten codex tot allerlei moeielijkheden aanleiding gaf, en vooral het totstandkomen eener dergelijke regeling der grondrechten belemmerde. De Gouverneur-Generaal gaf aan dien wensch gehoor door bij besluit van 22 Maart 1905 eene commissie in te stellen bestaande uit 11 leden, waarvan 5 Inlandsche en 6 Fransche ambtenaren, afgevaardigden en geleerden, met het doel om te bestudeeren “eene codificatie der bepalingen van het Mohammedaansch recht, die op de Moslimsche inboorlingen van Algerië toepasselijk zijn”. Daaronder vallen, zooals nader blijkt, het personen- en familierecht, het erfrecht en de bepalingen betreffende vrome stichtingen, het zakelijke recht betreffende onroerend goed, de bewijsleer.

De koloniale regeering van Algerië zoowel als de commissie hebben op voorbeeldige wijze zorg gedragen, dat de voorbereidende werkzaamheden bij het volste daglicht door iedereen gezien en beoordeeld konden worden. Onder den algemeenen titel “Projet de codification du droit musulman” verschenen van 1906 tot 1909 vijf deeltjes, waarin een getrouw verslag wordt gegeven van de ongunstige zoowel als van de gunstige adviezen van tal van Fransche en Inlandsche deskundigen, waarin verder de notulen van de vergaderingen der commissie en de door een harer leden uitgewerkte wetsontwerpen met de door anderen daarop voorgestelde verbeteringen worden medegedeeld. Hoogst belangrijk blijft die verzameling documenten, zelfs al moest de poging tot codificatie ten slotte op niets uitloopen. Dan toch zou, duidelijker dan een betoog a priori dit vermag, bewezen zijn, dat ook de samenwerking van hoogst bekwame mannen niet in staat is, de hinderpalen tegen de uitvoering van zulk een plan weg te nemen.

De adviezen zijn minder gunstig dan zij schijnen.

Voor mij, ik zeide het reeds, is de uitslag niet twijfelachtig. De overtuiging, die ik altijd heb gekoesterd, dat het Moslimsche recht geene codificeering toelaat, wordt zelfs versterkt door den inhoud der zooeven genoemde publicaties der commissie van Algiers, ofschoon de leden dier commissie zelve nog volharden bij hun optimisme.

De drang tot codificatie kwam geheel en uitsluitend van Europeesche zijde. Fransche rechters, die zich soms belast zien met de beslechting in eerste of tweede instantie van geschillen, waarbij het Mohammedaansche recht geldt, weten in de Arabische handboeken den sleutel tot de oplossing vaak niet te vinden en snakken naar eene samenvatting der bepalingen naar de methode en in den vorm, waaraan zij in hun eigen recht gewoon zijn. Europeesche kolonisten verlangen eene vaststelling der rechten van Inlanders op onroerend goed, die hen bij hun verkeer met Inlandsche grondbezitters voor onzekerheid behoedt.

De Europeesche adviseurs zijn over de mogelijkheid van het voldoen aan deze wenschen zeer verdeeld. Onder de Inlandsche autoriteiten, die adviezen gaven, zijn een belangrijk aantal besliste tegenstanders van de codificatie, en dit aantal zou ongetwijfeld toenemen, als men ook adviezen inwon van ambtelooze schriftgeleerden, die in zaken van dezen aard in veel hooger mate de vox populi vertegenwoordigen dan zij, die door ambtelijke banden aan de Regeering gebonden zijn. Van de Inlandsche adviezen die door de commissie onder de gunstige gerangschikt zijn, maken vele het voorbehoud, dat de codificatie zich strikt beperken zal tot eene voor Europeanen meer bruikbare rangschikking van den inhoud der algemeene gebruikelijke Arabische handboeken, zonder aan geest of letter van dien inhoud te raken. De onvoorwaardelijke voorstanders onder de Inlanders zijn blijkbaar alleen zulken, die onder Europeeschen invloed van de tradities van hun volk min of meer los geworden zijn, en wier advies derhalve in eene zoo delikate quaestie als deze met groote behoedzaamheid gebruikt dient te worden.

Ten onrechte beroept men zich op voorgangers.

De voorbeelden, waarop de commissie zich beroept om de rechtmatigheid van haar plan te betoogen, namelijk hetgeen in deze richting in Turkije, in Egypte en in Tunesië tot stand gebracht is, kunnen den verlangden dienst niet bewijzen, zoolang niet is aangetoond—en die aantooning zou niet licht gelukken—dat de officieele verzamelingen van beginselen en bepalingen der Moslimsche wet, die op last van de Turksche en Egyptische regeeringen uitgegeven zijn, in de practijk der rechtspraak dier landen de handboeken en fetwa’s, die van ouds door de rechters als grondslag voor hunne beslissingen gebruikt werden, verdrongen hebben, en wat Tunesië aangaat, dat men daar met het codificatiewerk, wat de belangrijkste hoofdstukken van het Moslimsche recht betreft, verder gekomen is dan tot projecten.

Codificatie onder niet-Mohammedaansche leiding bovendien verdacht.

En dan moet men nog twee zaken bedenken, die de uitvoering van het plan voor eene niet-Mohammedaansche regeering als de Fransche heel wat bezwaarlijker zouden maken dan voor Mohammedaansche als de Turksche en Egyptische. In alle opzichten, maar vooral waar het aankomt op de behandeling der heilige wet, heeft de minst aanzienlijke Mohammedaansche bestuurder voor eene bevolking, die dien godsdienst belijdt, een gezag, waarmee dat van den machtigsten niet-Moslimschen staat nooit kan wedijveren. Ging de Gouverneur-Generaal van Algiers er inderdaad toe over, bij decreet verbindende kracht toe te kennen aan eenen codex van het Mohammedaansche recht, die door eene commissie van eenige Fransche deskundigen en eenige Mohammedaansche ambtenaren van de Fransche regeering was samengesteld, dan zou zulk eene wet reeds om haren oorsprong in de oogen van alle vrome Moslims verdacht zijn. Kwam daar nog bij, dat bij die codificatie gestreefd was, uit de leerstellingen der verschillende rechtsscholen van den Islâm datgene bijeen te lezen, wat zich het best leende voor aanpassing aan moderne rechtsbegrippen—en hiernaar streeft inderdaad de commissie van Algiers—dan zou de gehoorzame aanvaarding van zulk eenen codex door eene Moslimsche bevolking eenvoudig bewijzen, dat de Fransche Regeering over haar een zoo onbeperkt gezag had, dat zij bijna even gemakkelijk het geheele Mohammedaansche recht door een ander had kunnen vervangen.

De toepassing der wet volgt methoden, die van de Westersche

afwijken.

Het tweede, niet minder ernstige bezwaar is hierin gelegen dat het recht niet alleen zijn eigen inhoud heeft, dien men volgens de meening der Mohammedanen alleen door steeds vernieuwde raadpleging der door den consensus gewaarmerkte handboeken mag leeren kennen, kennen, maar dat bovendien rechters en moefti’s (gezaghebbende uitleggers der wet) bij de toepassing en verklaring dier wet gebonden zijn aan methoden, die ver afwijken van die der Europeesche juristen. Een door een Europeesch rechter geveld vonnis kan door hem op volkomen logische wijze zijn gebaseerd op een artikel van zijnen Mohammedaanschen codex en toch rechtmatige ergernis geven aan Mohammedanen, die tegen den inhoud van het artikel zelfs geen enkel bezwaar hebben.

Sommige Fransche adviseurs achten codificatie daarenboven ongewenscht.

Eenige Fransche adviseurs der Regeering van Algiers, die evenals ik eene bevredigende codificatie van het Moslimsche recht niet mogelijk achten, spreken zich daarenboven tegen de wenschelijkheid van zulk een vastleggen van bepalingen dier wet uit. Zij wijzen erop, dat de Fransche Regeering zoo doende aan inzettingen, die zij niet goedkeurt, maar alleen om historische redenen ter wille van eene groep harer onderdanen tolereert, een langduriger bestaan verzekeren zou dan deze, aan zichzelve overgelaten in den strijd tegen de moderne levensopvatting, zouden bereiken. Wel verre van in het ontbreken van eenen codex eene lastige leemte te zien, beschouwen zij dat veeleer als een groot voordeel, daar Fransche rechters en bestuurders nu bij allerlei gelegenheden hunnen invloed kunnen aanwenden om de practijk der Mohammedanen geleidelijk met nieuwere beginselen in overeenstemming te brengen, hetgeen zij zeer dikwijls met succes gedaan hebben. De codex, dien men bezig is te ontwerpen, zou daarom voor een deel reeds bij zijne geboorte verouderd zijn, en voor het overige de zoo gewenschte ontwikkeling der Moslimsche maatschappij uit hare middeleeuwsche windselen zeer bemoeilijken.


Ook in Nederlandsch-Indië werd de wensch naar codificatie vernomen.

In Nederlandsch-Indië zijn meer dan eens stemmen opgegaan voor eene codificatie van die gedeelten der Mohammedaansche wet, die voor de rechtspraak over Inlanders van practisch belang zijn. Onze wetgeving heeft den omvang hiervan nergens zoo nauwkeurig bepaald als dit in Algerië geschied is, maar de natuurlijke loop der zaken heeft dien feitelijk hier tot dezelfde onderwerpen beperkt als daar; het huwelijks-, familie-, personen- en het erfrecht staan bovenaan, de waqf-instellingen worden uit den aard der zaak volgens de heilige wet behandeld, en de Moslimsche leer van het bewijs, die in zoo menig opzicht van moderne opvattingen afwijkt, is de eenige, welke de handhaver der wet van den Islâm bij zijn onderzoek mag volgen.

Degenen, die ten onzent op codificatie aandrongen, behoorden ongeveer tot dezelfde groepen, die in Algerië zulk eenen mijns inziens onvervulbaren wensch uitten: vooral rechterlijke ambtenaren, die inzagen, dat de Regeering zich op den duur niet mag onttrekken aan alle toezicht op de Inlandsch-Mohammedaansche rechtspraak, en dat zulk toezicht niet beperkt kan blijven tot de wettige samenstelling der rechtbanken en tot de quaestie der competentie, maar zich ook behoort uit te strekken tot den inhoud der vonnissen, daar anders de justitiabelen overgeleverd worden aan de willekeur van niet of slecht bezoldigde rechters, die toch door de Regeering worden aangesteld. Die Europeesche juristen achtten evenwel de doelmatige uitoefening van zulk toezicht niet mogelijk, wanneer zij daarvoor niet beschikten over een codex, die voor hen, bruikbaar en tevens met onbetwist gezag bekleed was.

Bij de overige bedenkingen komen nog gemoedsbezwaren.

De principieele bezwaren tegen dit desideratum behoeven wij na al hetgeen naar aanleiding der in Algiers op touw gezette codificatie werd opgemerkt niet meer te herhalen. Kon men—wat ik ontken—die algemeene hinderpalen overwinnen, dan nog zou, naar ik vermoed, onze Regeering, die zich terecht verplicht acht, de volksinstellingen der door Haar bestuurde Oosterlingen, vooral wanneer zij eenen godsdienstigen grondslag hebben, te tolereeren, in hooger mate dan die van Algiers door gemoedsbezwaren weerhouden worden van het door officieele codificatie min of meer consacreeren van instellingen als de polygamie met hetgeen daaruit voortvloeit, om niet meer te noemen.

Codificatie zou den invloed van volksrecht verminderen.

Ook zou eene codificatie van het Moslimsche recht, om te voldoen aan de eischen der meest deskundige Mohammedaansche Inlanders, verschillende instellingen, die in het inheemsche volksrecht gegrond zijn en waarmede vele rechters naar den Islâm rekening plegen te houden, moeten negeeren en zoo hare afschaffing voorbereiden, terwijl juist hare handhaving aanbeveling verdient. Ik noem slechts het op nagenoeg geheel Java en Madoera geldende instituut der voorwaardelijke verstooting na elk huwelijk, waardoor de positie der gehuwde vrouw belangrijk sterker wordt dan door eenvoudige toepassing der Mohammedaansche wet het geval zou zijn; verder de in een groot deel dier eilanden gebruikelijke verdeeling der staande het huwelijk verworven goederen tusschen de echtgenooten bij ontbinding van den echt.

Een der meest gezaghebbende Mohammedaansche schriftgeleerden in Nederlandsch-Indië, Sajjid Oethmân bin Jaḥja te Batavia, heeft door de samenstelling van zijnen verdienstelijken gids voor de priesterraden (onder den titel: al-Qawânîn as-Sjar’ijjah) zijdelings de onmogelijkheid eener codificatie aangetoond. Hij wist uit rijke ervaring van vele jaren, welke quaesties aan die geestelijke rechtbanken op Java en Madoera plegen te worden voorgelegd; zijn streven was, uit de beste werken der doctores van het Sjafi’itische recht bijeen te lezen, hetgeen de leden van die rechtbanken anders in eene bibliotheek van handboeken zouden moeten zoeken. Inderdaad gaf hij al wat iemand, die met de materie vertrouwd is, billijkerwijze verwachten kon: geene codificatie dus, maar een nieuw, voor bijzondere behoeften berekend leerboek, dat evenwel telkens den gebruiker noodzaakt, voor een te behandelen geval zijn licht te ontsteken bij een anderen auteur. Van volksrecht, dat niet met de kanonieke wet overeenstemde, nam hij natuurlijk alleen notitie om het met alle kracht te bestrijden.


Beteekenis der mystiek in den Islâm.

Onze vluchtige karakterschets van het systeem van den Islâm zou al te onvolledig zijn, als we de mystiek geheel stilzwijgend voorbijgingen. Voor hem, die den Islâm van alle zijden wil bezien, is dit zelfs juist een onderwerp, dat verleidt om er lang bij stil te staan, want in de mystiek heeft het Mohammedanisme het middel gevonden om zich te verheffen tot eene hoogte, van waar hij boven zijn eigen, eng begrensden horizon uit kon zien.

Die geesten onder de Moslims, voor welke het keurslijf der wettelijke voorschriften en der dogmata van den Islâm te eng was, hebben in de periode, waarin hij zich aan de door hem veroverde wereld aanpaste, aan denkbeelden van eene andere orde binnen zijne grenzen een zeker burgerrecht weten te verzekeren. In hunnen kring werkten ascese en wijsgeerige diepzinnigheid van Griekschen, Perzischen en Indischen oorsprong samen om de wet en de dogmatiek te vervluchtigen tot de eerste, meest elementaire middelen om te geraken tot vereeniging van mensch en God. Soms ging die vervluchtiging zoo ver, dat er van de specifieke voorschriften en leerstellingen van den Islâm niet veel meer overbleef. Natuurlijk begon dan van de andere zijde de ketterjacht, en daarom vermeden vele mystieken het dan ook, de ondergeschiktheid van wet en geloofsleer aan hoogere doeleinden tot de consequentie van opheffing dezer beide uit te werken. Dit alles behoort echter meer tot het terrein van godsdienst en wijsbegeerte, dat ons hier slechts in zooverre bezighoudt als het voor de practijk belangrijke directe gevolgen heeft.

Hervorming van het stelsel is van de mystiek niet te verwachten.

In één opzicht raakt de mystiek toch onze tegenwoordige sfeer van belangstelling. Overal, en ook in den Islâm, onderscheidt zij zich door neiging om den godsdienst boven zijne vormen te verheffen, dus ook door verdraagzaamheid; zij heeft, als ik het zoo eens noemen mag, iets interreligionaals. Nu hebben sommigen daarom de Mohammedaansche mystiek beschouwd als bestemd om den Islâm uit zijn geestelijk isolement te verlossen en hem de gewenschte verzoening met de moderne cultuur mogelijk te maken. Als deze verwachting gegrond was, dan zou zij voor de Mohammedanen van den Indischen Archipel bijzondere beteekenis hebben, want daar heeft vooral in den aanvang der Islamiseering de mystieke opvatting diepe wortels geschoten. De bodem was daartoe met name op Java, maar ook elders, door het vroeger heerschende Hindoeïsme uitnemend voorbereid, en de eerste predikers van den Islâm waren zelf weer geïslamiseerde Hindoes, die veel van den ouden zuurdeesem behouden hadden.

Voor het proces der inlijving van Javanen en Maleiers bij de moderne beschaving is deze omstandigheid zonder twijfel gunstig, althans daar, waar niet in lateren tijd de invloed van West- en Zuid-Arabië, van Mekka en Ḥadhramaut, met succes tegen te zwakke waardeering van wet en leer gereageerd hebben. Maar dan toch alleen in dezen zin, dat die Indonesiërs daardoor minder dan vele andere Islâmbelijders zich tegen de inwerking van vreemden geestelijken invloed zullen verzetten; niet zoo, dat zij kans hebben om meegesleept te worden in eene algemeene hervorming van den Islâm in de richting der mystiek.

De verwachting van zulk eene beweging laat zich namelijk op redelijke gronden niet rechtvaardigen. De mystiek van den Islâm heeft nooit propaganda onder het volk gemaakt, zij bleef steeds beperkt tot enkele kringen, die zich als geestelijk bevoorrechten beschouwden en nog dieper haast dan de schriftgeleerden en de dogmatici op de schare neerzagen. De mystieken werden door de massa beschouwd òf als ketters òf als godsmannen, die wonderen deden, maar wier denken en doen gewone menschen zich niet tot voorbeeld mochten nemen. Hunne beschouwing van wereld en leven mist dus al hetgeen zou kunnen dienen om de menigte te boeien of aan te trekken.

De mystieke broederschappen.

Wel is er ook eene populaire soort van mystiek ontstaan, die in de zoogenaamde geestelijke broederschappen, de ṭarîqah’s, haren vasten vorm heeft gevonden, maar van deze verwacht wel niemand hervormende kracht, want zij heeft zelve hare kracht gezocht in streeling van de vulgaire behoefte aan menschenvereering en allerlei bijgeloof. Noch de vaak verheven, maar meestal hoovaardige denkheiligheid der mystieke leer van den Islâm, noch de op de lagere neigingen der menschen speculeerende ṭarîqah’s kunnen aan het Mohammedanisme de geestelijke emancipatie brengen, die het geschikt moet maken voor het internationale geestelijke verkeer.