WeRead Powered by ReaderPub
Nederlandsche dames en heeren: Novellen cover

Nederlandsche dames en heeren: Novellen

Chapter 7: IV.
Open in WeRead

About This Book

A collection of short narratives examines social manners, private feelings, and small domestic dramas through closely observed scenes that alternate between intimate parlors and voyages at sea. A cast of characters of different ages and circumstances reveal loyalties, regrets, and petty vanities by means of conversations, revealing gestures, and decisive incidents; some stories unfold quietly within families, others turn on striking events aboard ship. The pieces favor character sketches and moral nuance, contrasting public decorum with inner life and using irony and detailed description to expose social codes and personal contradictions.

The Project Gutenberg eBook of Nederlandsche dames en heeren: Novellen

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Nederlandsche dames en heeren: Novellen

Author: Jan ten Brink

Release date: March 5, 2013 [eBook #42269]
Most recently updated: October 23, 2024

Language: Dutch

Credits: E-text prepared by the Online Distributed Proofreading Team (http://www.pgdp.net)

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK NEDERLANDSCHE DAMES EN HEEREN: NOVELLEN ***

The Project Gutenberg eBook, Nederlandsche dames en heeren, by Jan ten Brink

 

Opmerkingen van de bewerker

De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.

Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.
De voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van het hoofdstuk.

Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een dunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.
Variaties in spelling (met/zonder accent, met/zonder koppelteken, met/zonder spatie) zijn behouden.

Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan het eind van dit bestand.

 


 

 

NEDERLANDSCHE DAMES EN HEEREN.

NEDERLANDSCHE
DAMES EN HEEREN.

NOVELLEN.

DOOR

DR. JAN TEN BRINK.

Vierde Druk.

LEIDEN.—A. W. SIJTHOFF.

Eene begrafenis in den Zuid-Atlantischen Oceaan.


„Ach Gott, wie Einem die Tage
Langweilig hier vergehn!
Nur wenn sie Einen begraben,
Bekommen wir Etwas zu sehn.”
HEINRICH HEINE.

I.

De zuid-oost-passaat blies in de volle zeilen. Het fregat Ajax stoof lustig vooruit door den blauwen plas. Er was vroolijke beweging en leven op het dek. De zonnetent was uitgespannen. In de schaduw verzamelde zich een groot aantal der passagiers en der equipage. Ieder toonde dien morgen bijna een vroolijk lachend gezicht. De Kaapsche stormen waren gelukkig voorbij met al hun windgebulder, hooge zeeën, slingeringen en verdere ellenden. De kapitein stond op de kampanje, en keek vergenoegd naar de breede kringen van zilverwit schuim, die zich gestaag in het kielwater vertoonden. De stuurman van de wacht verwonderde zich niet over de rustige vroolijkheid des gezagvoerders, hij stak eene extra-sigaar op, en dacht aan Amsterdam, aan thuis en aan Lize. De zeilenmaker zat met zijne maats onder de zonnetent bij den grooten mast en zong onder 't werk soms een luchtig en los matrozendeuntje. Zelfs de kleine scheepsjongen, die dagelijks zoo knorrig met een veel te zwaren last borden kwam aanzwoegen, volbracht ditmaal zijne reis van de kerk naar de kombuis met een opmerkelijk tevreden gelaat. En Janmaat was op de voorplecht rondom den fokkemast bezig, om kippen- en ganzenhokken schoon te maken, om kwinkslagen te smeden, en verlangend uit te zien naar den derden stuurman met de steenen jeneverkruik en het kleine blikken bekertje.

Het grootste deel der passagiers liep aangenaam koutend aan stuurboordszijde tusschen den grooten mast en den bezaansmast op en neer. Eene dame van rijperen leeftijd en een bleek jongmensch zijn in druk gesprek. Men klaagt over den langen duur der reis en het reeds geleden gevaar. Men verheugt zich, dat het schip thans zulk eene goede vaart maakt. Men spreekt van de aankomst in Nederland. Mevrouw Muntingh had zich nooit voorgesteld alleen naar Nederland terug te keeren met hare kinderen. Had niet eene hevige tropische ziekte haar man plotseling gedood, dan zoude ze eerst twee jaren later met hem voor goed naar 't vaderland zijn teruggekomen, om in zijne welverdiende rust na zwaren arbeid te deelen. De jonge Schalcken had nooit durven hopen, zoo spoedig zijn vaderland te zullen terugzien, maar eene leverziekte had hem krachtig geholpen, om het gewenscht verlof van de regeering te verkrijgen.

Beide wandelaars hebben dit gesprek reeds ettelijke malen gevoerd—'t was al zoo lang geleden, dat ze de reede van Batavia verlaten hadden—en niet altijd vinden ze nieuwe stof tot een gesprek. Zwijgende beschouwen ze eene groep, die dicht naast hen luid lachend en schertsend op een ledig kippenhok bijeenzit. Die groep is hunne aandacht overwaardig. 't Zijn vijf levenslustige, frissche kinderen en een oud-Indisch soldaat.

De soldaat knutselde schuitjes en figuurtjes uit wit papier, om de twee jongste meisjes te vermaken. De drie oudste kinderen, een meisje van elf en twee jongens van negen en acht jaren, zouden ook wel gaarne een schuitje hebben, maar ze zijn toch te groot, om het te durven vragen. Allen staren met blinkende oogen naar den kunstenaar, en volgen iedere zijner bewegingen met ingespannen aandacht. De soldaat is een man van middelbare jaren, en toch is zijn gelaat gerimpeld en getaand als van een grijsaard. De groote knevel is bijna geheel wit. De onbevallige kapotjas, gevlekt en versleten, wordt buitengewoon eerwaardig en deftig door het ridderkruis der Militaire Willems-Orde.

Aan zijne kniëen staan de twee jongste kinderen, luchtig in 't wit gekleed, blank, rozenrood, met fijn krullende, blonde hairen. Het oudste meisje zit op een hoek van 't kippenhok, de nog wat magere armen over den breeden witten boezelaar gekruist. Haar gezichtje schittert van die doorschijnende, smettelooze blankheid, welke zelfs de tropische zon eerbiedigt. De diepe, blauwe oogen zien naar de handen van den soldaat, alsof ze hem het geheim zijner kunst wilden ontfutselen, doch tevens verbergt er zich maar zeer onvolkomen eene groote mate van genegenheid en belangstelling in voor den grijzen kunstenaar, die met bevende vingeren zijne taak voltooit.

De kinderen van mevrouw Muntingh hadden in den vriendelijken sergeant Van Laar een gewenschten speelmakker gevonden. Van den eersten dag reeds af hadden Frits en Willem met hem gesproken, hem gevraagd of 't schip ook omslaan kon, als 't hard woei, hem verteld, dat ze te Batavia in zoo'n mooi huis gewoond hadden, en dat ze ieder zoo'n aardig zwart paardje hadden bezeten. Van Laar had op alles geantwoord naar zijne korte, flinke, eenvoudige wijze, en niet lang duurde het, of al de kinderen waren met hem verbroederd, en dagelijks zochten ze zijn gezelschap. Van Laar had een uitmuntenden trant om met kinderen om te gaan, hun iets te vertellen, of zoodanig hen bezig te houden, dat ze zich vermaakten. Hij kende eene groote menigte kleine kunstgrepen, die een kind gelukkig kunnen maken, hij knipte en knutselde alles uit hout en papier, wat hunne jeugdige verbeelding zich maar voorstellen konde: huizen, klapperboomen, paarden, schepen en matrozen.

Ditmaal hebben ze allen eene geruime poos gezwegen. Ieder is vol belangstelling in den ondernomen arbeid, en wacht vol inspanning, dat een groot schip met drie masten en volle zeilen van stapel zal loopen.

„Ziedaar, Jetje!”—zegt hij eindelijk tot een der jongste meisjes—„daar heb je nu een schip als onze Ajax. Een rare naam, jongens, he? Het schip, waarmee ik uit Holland ben gekomen, heette: de Zeemeeuw!”

„Is dat al lang geleden, Van Laar?”—vraagt Marie, de oudste.

„Al meer dan vijf en twintig jaren, jongejuffrouw! Ik was toen een wild, jong ventje van zeventien jaar, een rakker, een deugniet, een slecht mensch!”

„Och kom, Van Laar! dat meen je niet!”

„Toch waar, jongejuffrouw! Ik ben een Amsterdamsche jongen—je weet wel, Amsterdam, die groote, rijke, brave stad in Holland!”

„Ja zeker!”—valt Frits in—„daar gaan we allen te zaam met Mama heen, als we in Holland zijn!”

„Nu, zie je, jongelui! ik ben in Amsterdam geboren; mijne moeder—kasian die brave vrouw!—zat met een stalletje bij de Eenhoornsluis, en we woonden in een kelder op den Haarlemmerdijk, want mijn vader was kruier of zoo iets. Ik kreeg slaag genoeg van mijn vader, maar ik maakte het er ook naar. Later liep ik de deur uit en verkocht ik zwavelstokken, maar eigenlijk deed ik niets dan ondeugendheden. Toen ik het al te bont gemaakt had, ging ik als scheepsjongen varen, en zoo ben ik voor 't eerst in Indië gekomen!”

„En hoe ging het toen verder, Van Laar?”

„Och, slecht! Ik maakte een paar reizen, en eindelijk joeg de kapitein mij weg. Ik wist dadelijk, wat ik doen zou, en nam dienst naar Oost-Indië. Het waren harde jaren, die volgden. Ik gedroeg me slecht, en viel van de eene zware straf in de andere. Eindelijk kwam er eene expeditie. Bij iedere schermutseling met de blauwen vocht ik als een razende, want ik gaf in dien tijd geen duit voor mijn leven. Op het laatst, toen onze compagnie eene benting moest bestormen, vloog ik zelf het eerst met gevelde bajonet in de bres. Ik stak als een duivel onder de blauwen rond, die met klewangs en goloks me wel honderd keer hadden kunnen van kant maken, maar mijne kameraden kwamen er ook bij, en zoo brachten we dat troepje spoedig tot zwijgen. Ik pakte zoo'n blauwen Prins, die ons al veel kwaad had gedaan, en bracht hem levend bij mijn kapitein. En zie je, jongens! daarom heeft onze geëerbiedigde Koning Willem III mij dit kruis gegeven!”

Van Laar was bij de laatste woorden opgestaan, en maakte langzaam het militair saluut.

„Dat was heerlijk, Van Laar!”—riep Marie uit, wier oogen van geestdrift fonkelden.—„Wat zal je moeder toen blij geweest zijn!”

„De arme ziel! God weet, of ze het ooit gehoord heeft!”

„Heb je haar dan geen brief gestuurd?”

Van Laar legde peinzend papier en schaar weg. Zachtjes het hoofd schuddend stond hij op, en liep schielijk naar de voorplecht.


II.

De passagiers van de Ajax klaagden soms over de eentonigheid der zeereis. Op zekeren morgen—'t was vier dagen na onze eerste kennismaking—kwam er eene gewichtige tijding tot hen, die den geheelen dag stof tot spreken gaf. Vraag het maar aan de kleine meisjes van mevrouw Muntingh, die met een half ernstig, half lachend gezicht u aanstonds zullen toeroepen: „Van Laar is dood!”

Van Laar was dood. Plotseling was hij ongesteld geworden, snel had eene zware ziekte het ondermijnd en uitgeput gestel ten grave gesleept. Marie Muntingh had elken morgen en avond den scheepsdokter uitgehoord, Frits en Willem telkenmaal gevraagd, of ze niet eens bij Van Laar mochten komen, maar de scheepsdokter had het hoofd geschud, en zich druk beziggehouden met het bereiden van een nieuwen drank. 't Was een uitmuntend jongmensch, die scheepsdokter, knapper en vaardiger dan meest al zijne ambtgenooten, maar tegen zoo'n zware ziekte, als Van Laar trof, was geen kruid in zijne medicijnkist bestand.

Den volgenden dag maakte de kapitein bij 't ontbijt bekend, dat Van Laar te één uur zou begraven worden. Hierop volgde ruggespraak tusschen den bleeken Schalcken en een gepensionneerden, dikken majoor der Oost-Indische infanterie. Daar beide heeren met mevrouw Muntingh het voltallige korps der passagiers van de Ajax uitmaakten, achtten ze het oorbaar beiden bij de begrafenis aanwezig te zijn. Schalcken gaf daarbij te kennen, dat hij een zwarten rok en eene witte das zou aandoen, terwijl de majoor van zijne zijde de verzekering gaf in uniform te zullen verschijnen. Frits en Willem kregen van hunne moeder vergunning, om de nieuwe zwarte buisjes „voor Holland” te mogen dragen, en mee te gaan, als de heeren Van Laar gingen begraven. En Marie vroeg ook, om mee te gaan, en telkens weer, maar mevrouw Muntingh zei, dat het niet voegde, dat er geen meisjes op begrafenissen kwamen, enz. Zoo spoedig Marie dit begrepen had, legde ze het hoofd tegen den rug der sofa in de kajuit en weende den heelen morgen bitterlijk.


't Sloeg juist twee glazen. De heeren stonden op de kampanje, en zagen op hun uurwerk. Daarop knikte Schalcken, die met zijne witte das er nog bleeker dan gewoonlijk uitzag, tegen den majoor, en fluisterde: „Een uur!” Beiden klommen langzaam de kampanjetrap af en stapten deftig naar voren. Daar vonden ze den kapitein met een eerwaardigen, langen zwarten jas en een officieel gezicht, Frits en Willem Muntingh, die elkaar bij de hand vasthielden, en doodsbleek samen fluisterden, eindelijk den scheepsdokter, die met de handen in den zak het dek op en neer liep.

't Was een dag zonder zonneschijn. De tent was niet uitgerold en het matte, bleeke licht viel loodrecht op het dek. De passaat blies nog met volle kracht in de bolle zeilen. De Ajax stampte zeer voelbaar. Buiten bruisten de blauwe baren met hare kronen van zilverschuim. 't Was of ze heden vreemder en geheimzinniger lied zongen, dan ooit te voren. Eene omstandigheid alleen verried de dingen, die komen zouden. Bij de valreep was de rand der verschansing weggenomen—evenals bij gelukkige aankomst in 't vaderland, wanneer een trap in die opening bevestigd wordt, en de passagiers naar wal gaan. Heden was er maar één in 't vaderland aangekomen!

De kapitein geeft een wenk. De heeren en de beide knapen scharen zich om hem heen. Bij den grooten mast komt een eenvoudige optocht te voorschijn. 't Is het lijk van den ontslapene, in de Nederlandsche driekleur gewikkeld, op eene plank gedragen door Janmaat. De tweede stuurman plaatst zich bij de scheepsklok, en klept statig den doodenmarsch. Driemaal trekt de trein van den grooten mast tot halfweg den bezaansmast langs stuurboord en bakboord. De Ajax stampt duchtig op en neer, de forsche matrozen veranderen er hun langzamen, eerbiedigen tred niet om. In 't eind staat men stil bij de valreep. De plank wordt in de opening der verschansing gelegd. Met drie tusschenpoozen wordt ze naar buiten geschoven, daarna heft men haar op en.... pijlsnel verdwijnt het lijk in de golven.

Er heerschte eene doodelijke stilte in 't ronde. De kapitein ziet de heeren zeer officiëel aan, en verwondert zich, dat de majoor niet gesproken heeft. De heeren zien elkaar zeer deftig aan, en knikken, alsof ze zeggen wilden, dat het hoog tijd werd rok en uniform zoo spoedig mogelijk af te leggen. Frits en Willem Muntingh houden elkaar nog altijd bij de hand vast, terwijl groote tranen in stilte langs hunne wangen rollen.

En daarbuiten stoof en bruiste en rees en daalde en woelde en klaagde de zee. Zij alleen zong een treurlied over den doode.

Twintig jaren had hij het vaderland trouw gediend, de wilde Amsterdamsche jongen, twintig jaren had hij voor diezelfde dierbare kleuren gestreden, die hem thans ten lijkwade zijn geschonken. Zie, de baren rijzen hooger en ploffen over elkaar heen, of ze haast hadden om het den geheelen oceaan te verkondigen, dat ze een koel en ongenaakbaar graf hebben toebereid voor den gestorven strijder.

't Is een buitengewoon klein stofdeel in de groote menschenmaatschappij: één Indisch soldaat! Er vallen zoovelen op 't slagveld en in 't hospitaal! Maar deze had door uitstekende dapperheid zich een naam verworven in 't Indische leger—daarenboven hij had den boozen geest in zich zelven overwonnen, en was als voorbeeldig soldaat geprezen door het heele bataljon. Hij had de liefde gewonnen van de kleinen, waarmee hij huiswaarts dacht te keeren naar 't vaderland—en thans zijn hunne tranen liefelijker grafrede, dan ooit door die mannen zou zijn uitgesproken, welke bij zijne uitvaart stonden en zwegen.

En daarbuiten stoof en bruiste en rees en daalde en woelde en klaagde de zee!


III.

Een uur later was er op het dek een zonderling tafereel waar te nemen. De eerste stuurman had de nagelaten bezittingen van den overleden sergeant Van Laar naar boven doen brengen, en aangekondigd, dat men tot den verkoop der goederen in 't belang der betrekkingen van den gestorvene zou overgaan.

Janmaat schaarde zich in een breeden kring om de kisten en den stuurman, in de hoop voor eene kleinigheid een goeden koop te doen. Mevrouw Muntingh stond met hare kinderen op een kleinen afstand. Marie zag zeer bleek en ernstig, en sprak zachtjes met Frits en Willem. Schalcken en de majoor stonden er ook bij, daar de verkoop de dagelijksche eentonigheid wat kwam afbreken.

Weldra opende de stuurman eene kist, en begon men Van Laars nalatenschap aan den meestbiedende te verkoopen. De matrozen kenden dit gebruik, en begrepen het doel er van. 't Was of ze wisten, dat de opbrengst voor Van Laar's moeder bestemd was, zoo ijverig boden ze tegen elkaar op, en zoo koopgraag betoonden ze zich tot aan het einde. Ze vormden eene flinke groep, die matrozen van de Ajax. Er waren voortreffelijke exemplaren van den echt Nederlandschen Janmaat onder. Zie dien bootsmansmaat, eene reusachtige stoere gestalte—het gelaat is door een zwarten, breed krullenden baard overdekt, maar de lichtblauwe oogen zien zoo opgeruimd en tevreden in 't rond, dat ge gaarne uwe hand in zijne breede met teer en eelt bedekte vuist zoudt leggen. Merk dien lichtmatroos op, die zoo fier het blonde hoofd uit den roodwollen hemdskraag opheft—straalt er van dat zorgeloos wezen niet een zweem dier koninklijke bewustheid van vrijheid en moed, welke alleen de zee na lang verkeer aan hare uitverkoren zonen pleegt te schenken? Maar let ook op gindschen, schalken knaap, die den ouden, gevlakten stroohoed zoo ver mogelijk op 't achterhoofd geschoven heeft en met de handen in 't krullende lichtroode hair de grappigste gezichten vertoont, zoo ras de stuurman een nieuw voorwerp uit de kist te voorschijn brengt. 't Is de clown van de Ajax, een oprecht Amsterdamsche jongen alweer, door ieder bemind om zijn geestig snijdend woord, maar gezien bovenal om de rapheid en snelheid, waarmee hij 't eerst van allen in het want klautert, al giert ook de stormwind met onweerstaanbaar geweld langs raas en stengen.

O, als ge soms met wrevel op het gepeupel onzer groote steden neerziet, als ge het grauw Zondagsnachts onder rauw gegil uwe woning hoort voorbijhollen, als ge op Christelijke feestdagen vooral de heffe des gemeens met de manschappen van 't garnizoen ziet verbroederen, om de stuitendste tafereelen van ongebondenheid en laagheid op de openbare straat in den lieven zonneschijn ten toon te spreiden, veracht het volk dan nog niet al te snel, en bedenk, dat Janmaat, uit datzelfde volk gesproten, ginds op de wijde wateren nog altijd dienzelfden Oud-Hollandschen moed en diezelfde oud-Hollandsche degelijkheid in woord en daad aan den dag legt, welke gij allicht onder de sprookjes en overleveringen eener vorige eeuw pleegt te rangschikken. En daarom sluiten wij de ooren en willen we er niets van begrijpen, als de gezagvoerder der Ajax ons argloos meedeelt, dat de beste matrozen—waarop we u zoo even wezen—Denen en Noorwegers zijn.

Intusschen wordt Van Laar's nalatenschap stuk voor stuk verkocht, zijne pijp, zijne kapotjassen, zijn scheerriem, zijne schoenen, zijne flesschen met geconfijte tamarinden, alles wordt tegen vrij hoogen prijs aan den man gebracht. Daar vertoont de stuurman wederom een nieuw voorwerp: een lint waaraan het kruis der Militaire Willems-Orde gedragen was—want het kruis zelf was door den kapitein in bewaring genomen, om het bij de aankomst in 't vaderland aan den Koning terug te zenden. Marie Muntingh treedt snel twee schreden voorwaarts. Een hoogroode blos overstroomt haar gelaat en hals. Zij grijpt den bleeken Schalcken bij den arm, en zegt met gesmoorde stem:

„Koop mij dat lint, meneer Schalcken, voor Van Laar's moeder, gauw!”

Janmaat had geen enkel bod gedaan. De stuurman ziet besluitloos in 't ronde.

„Een gulden!”—roept de bleeke Schalcken, en weldra keert Marie met nog hooger blos en het lint in de hand naar mevrouw Muntingh terug. Er spreekt uit die daad zooveel ongekunsteld gevoel, zulk eene naïeve verontwaardiging, dat ieder met welgevallen naar de gelukkige koopster omziet, die uit verlegenheid over haar eigen moed zich dicht bij hare moeder aansluit, en het gezichtje nauw durft opheffen.

De garde-robe en de snuisterijen van den overleden sergeant zijn welhaast uitverkocht. Onder op den bodem der kist lag een oud bijbeltje. Weleer was het goud op snee, nu was de omslag versleten. Veelvuldig gebruik had de bladzijden geel getint en van onderen doen opkrullen. Aandoenlijke getuige van het stille gemoedsleven des ruwen soldaats, misschien een geschenk zijner moeder bij een eerste vertrek naar zee, sprak dat onoogelijke boekje met luider stemme van strijd en beproeving, van troost en bemoediging, van eenvoudig Christelijk geloof en hoop.

„Marie, willen we Van Laar's bijbeltje koopen?”—vroeg mevrouw Muntingh zacht, toen ze bemerkte dat haar dochtertje met afgewenden blik in diep nadenken was verzonken. Snel zag het meisje op, in een oogwenk had zij het gewicht der zaak begrepen. Driftig trok ze hare moeder vooruit, en pas had de stuurman het boekje in de hoogte geheven, of ze waagde zelve met nauw hoorbare stem te bieden. Luid wordt het bod door den stuurman herhaald. De clown van de Ajax biedt eenige stuivers hooger. Marie verdubbelt dadelijk haar eerste bod, en ziet zich na een oogenblik van angstig wachten, eigenares van het bijbeltje.


IV.

Reeds lang was de Ajax te Brouwershaven aangekomen. De passagiers hadden zich naar alle zijden des lands verspreid, en elkaar reeds lang vergeten. Mevrouw Muntingh had zich te Amsterdam gevestigd. Toen de verrassing over al het vreemde en nieuwe in de hoofdstad wat bekoeld was, begon Marie aan Van Laar's moeder te denken. Zij wilde der oude het lint en den bijbel brengen, zoo het mogelijk ware haar te vinden. Eenmaal met deze gedachte bezield, rustte zij niet, voordat een oud vriend der familie, een achtenswaardig en welgegoed Amsterdamsch burger, haar beloofd had in persoon naar de oude vrouw onderzoek te doen.

De uitkomst van dit onderzoek was alleszins voldoende. De weduwe Van Laar leefde rustig in een hofje, welvarend, opgeruimd, gedienstig en vriendelijk voor ieder, die dagelijks met haar omging. Nauw had Marie dit nieuws vernomen, of ze stond eensklaps voor hare moeder met hoed en mantel, het bijbeltje van Van Laar in de hand, vast besloten, oogenblikkelijk naar het hofje te gaan. Maar ook Frits en Willem wilden haar vergezellen, en, na inlichtingen en waarschuwingen trok het drietal onder geleide van Karel den huisknecht naar het hofje.

Een hoogst eenvoudig vertrek, met de allernoodigste meubelen, was alles wat de weduwe Van Laar het hare mocht noemen. Maar welk eene netheid en gewetensnauwe zindelijkheid had bij het ordenen van dat vertrek voorgezeten! Geen enkel stofje is er aan de weinige meubelen te bespeuren. Voor het venster waren eenige bloempotten geplaatst, en 't scheen of rozen en goudsbloemen al haar best deden, om dat kleine kamertje zoo vroolijk mogelijk met kleur en geur te versieren. De stilte van het hofje, de vriendelijke zonnestralen, die heel het vertrek kwamen vergulden met licht en gloed—alles werkte saam, om het daarbinnen zoo genoeglijk en fraai te maken, dat niemand de deur kon voorbijkomen zonder even in te gaan en met „moeder” Van Laar eene poos te keuvelen. Zij zelve zit bij 't venster, ijverig breiende. Haar voorkomen is zeer alledaagsch—de diepe rimpels van voorhoofd en wang, de zachte uitdrukking der nog levendige bruine oogen alleen schenken het iets eerwaardigs en aangenaams, dat u aanstonds tot vertrouwen en genegenheid stemt.

Langzaam en voorzichtig wordt de deur geopend. Marie, Frits en Willem treden binnen. De oude staat op, en ziet de kinderen vragend aan.

„We wilden vrouw Van Laar even spreken!”—zegt Frits, die het meest verlegen is, en op den drempel blijft staan.

„Dan ben je terecht, jongeheer! Kom binnen, ga zitten, jongejuffrouw!”

Marie weet niet hoe ze beginnen zal.

„Wij komen uit Batavia!”—valt Willem in—„heeft u daar geene familie, vrouw Van Laar?”

Bij het hooren van dit woord ziet het besje de drie kinderen scherp in de oogen. Allen worden hoe langer hoe meer verlegen. Langzaam keert de oude naar haar stoel terug, schudt voortdurend het hoofd, en legt de gevouwen handen in den schoot.

„Of ik familie in Batavia heb”—begint ze—„ik weet het niet, ik heb er nooit van gehoord. Al mijne familie is al lang dood. Mijn man is dood en mijn zoon ook.... 't Is al meer dan twintig jaar geleden, dat ik niets van mijn jongen gehoord heb—hij is als soldaat naar de Oost gegaan—hij zou me wel geschreven hebben, als hij nog leefde. Want hij hield veel van zijne moeder, al was hij de ondeugendste jongen van de buurt. Hij heeft me veel verdriet gedaan, maar ik had hem toch zielslief. Mijn goeie man heeft den jongen den duivel in 't lijf geslagen, en toen is hij weggeloopen naar zee, en nooit heb ik hem teruggezien, dien armen, besten, braven Hein. Een matroos heeft me later verteld, dat hij soldaat geworden is, en nu is hij al lang gestorven, al lang!”

Vrouw Van Laar heeft de oogen gesloten—zij schijnt de kinderen geheel te vergeten en zich met weemoedig welgevallen in het verleden te verdiepen. Maar nu is het de beurt aan Marie, om te spreken. Zij plaatst zich naast den stoel van het besje, en begint langzaam haar de geschiedenis van haren zoon te verhalen. Vrouw Van Laar heeft de oogen wijd geopend, en volgt de vriendelijke spreekster met de uiterste belangstelling.

„Wij hebben hem allen gekend”—zegt ze in 't eind—„hij was zoo goed, zoo zacht, zoo hartelijk voor ons. We hebben met hem gespeeld en gepraat, dagen achtereen, en allen hielden we zooveel van hem, dat we niet tevreden waren, als hij niet bij ons was....”

„En ziet u”—ging ze voort, de hand der oude grijpend— „hij was een braaf en dapper soldaat, de Koning heeft hem een kruis gegeven, en ieder prees hem. Ze hebben aan boord zijn goed verkocht, en zullen u het geld brengen—maar hier is zijn bijbeltje en het lint van zijn kruis, dat heb ik voor u meegenomen!”

Marie had de laatste woorden zoo snel mogelijk uitgesproken: ze voelde de stramme hand in de hare beven. Zonder een woord te spreken neemt vrouw Van Laar het bijbeltje en het lint. Ze tast haastig naar haar knijpbril, en opent het boek. Op de eerste bladzijde stond het nog met verbleekte maar duidelijk zichtbare letteren: „Aan mijne lieve soon Hendrik van Laar op sijn geboortendag 2 Maart 1839.”

Langzaam daalde het hoofd der oude op de borst, een weldadige tranenstroom kwam het diep geschokt gemoed lucht geven. Zwijgend geven de kinderen elkaar een wenk—snel en onhoorbaar verlaten zij het kamertje.


Sinds dien dag werd er tusschen de Muntinghs en vrouw Van Laar eene nieuwe vriendschap aangeknoopt. Telken Donderdag komen ze naar 't hofje, en drinken ze saam thee. Het lint der Militaire Willems-Orde is met toepasselijk bijschrift achter lijst en glas gezet. De oude vrouw schijnt kalmer en blijmoediger dan ooit te voren. Ze heeft haar grooten bijbel met pauweveeren en prentjes ter zijde gelegd—zij leest alleen in het versleten bijbeltje van haar zoon.


TER KOPEREN BRUILOFT
VAN DEN WELEDELGEB. HEER
CASPAR JANSSEN VAN DER COMME,
AANNEMER VAN PUBLIEKE WERKEN.


Eene bijdrage tot de geschiedenis der zeden en usantiën van de Amsterdamsche Burgermaatschappij uit de tweede helft der XIXde eeuw.

„Och, Amsterdam, jij goeije stad!
'k Wou, dat je meer courage hadt,
Ja meer courage hadt!”
Liedeke van PIET BOCHELJOEN.

EERSTE HOOFDSTUK.

Waarin de Thesaurier der Rederijkerkamer: Sic itur ad astra, op zeer toevallige wijze een ouden vriend ontmoet—waarin rekenschap wordt gegeven van alle de bewoners der kapitale heerenhuizing, gelegen op de Heerengracht, Buurt U. U. No. 103—waarin eindelijk een waarachtig en gemoedelijk geschiedverhaal wordt ingevlochten nopens het verleden en de toekomst van een veel belovend jonkman.

I.

Langzaam, zeer langzaam, stapte een jongmensch van een bijzonder fatsoenlijk voorkomen langs de huizen der Heerengracht te Amsterdam. Van tijd tot tijd keek hij naar de namen op de deurposten, en glimlachte soms even, met een flauw zweempje van bitterheid in de uitdrukking zijner opene, helderbruine oogen. Dat hij een vreemdeling was, maar toch niet geheel onbekend in de hoofdstad, was hem terstond aan te zien. Voor een volbloed Amsterdammer liep hij veel te verstrooid en te rustig, zag hij veel te vaak om en naast en vóór zich, lette hij veel te nauwkeurig op de voorbijgangers, op de dames, die vóór de ramen zaten te geeuwen, op de kornetjes, die boodschappen ontvingen, of de hoffelijkheden eens slagersknechts met passende minachting afwezen.

Dat hij geen Amsterdammer was, bleek tevens eenigermate uit zijn voorkomen. Zijn hoed was niet zoo netjes afgeborsteld, dat men er zich in spiegelen kon, al stond hij toch met genoeg zwier op 't krullend blonde hair, om zijn eigenaar van alle opzettelijke slordigheid vrij te pleiten. Daarvoor getuigden ook de breede, omgeslagen halsboorden, het nette, zwarte jasje, de grijze pantalon, de lichtbruine glacé-handschoenen—een zekere tint van frischheid en zwier over zijne heele kleeding en houding.

Maar bovenal bleek zijn vreemdelingschap uit zijn gezicht. Op zijne wangen zetelde een frissche blos—zelfs scheen eene fellere zon dan de Amsterdamsche zijn geheele wezen een weinig te hebben verbrand. Uit zijn oog sprak moed en geestkracht. De wat strenge en trotsche trek, die soms langs den fijnen neus en om den fraaien mond mocht spelen, was merkelijk getemperd door een grooten, blonden, krullenden knevel—en zelfs deze bracht er het zijne toe bij, om dat gelaat iets opmerkelijks en boeiends te leenen, 't welk reeds bij den eersten blik tot aandacht trok, en nooit in gebreke bleef zich vast in de herinnering te dringen.

Toch was hij geen volkomen vreemdeling in de hoofdstad. Daar was te veel beteekenis in zijn oogopslag, als hij sommige huizen voorbijtrad, te veel aandoening in den blijden lach, waarmee hij enkele plekjes, straten of grachten begroette—en zachtjes in zich zelven sprekend, stilstond, om rond te zien en waar te nemen.

Juist naderde hem een klein heertje met een oudachtig voorkomen, een gouden bril, een fonkelnieuwen hoed en een zwaren, gouden horlogeketting met reusachtig gouden medaillon.

„Zie ik wel?”—riep hij uit, den jonkman gemeenzaam op den schouder kloppend—„Jij weer in de stad, Vechters?”

„Ah! meneer Van der Comme.... als ik me niet vergis!”

„Wel zeker! Je kent Van der Comme toch nog? Jasper Jodocus Van der Comme, makelaar in effecten, thesaurier der Rederijkerkamer: Sic itur ad astra, Voorzitter van verschillende liefdadige en philanthropische vereenigingen, enz. enz.—je hebt me nog niet vergeten, he?”

„Hoe zou 't mogelijk zijn! Uwe familie heeft me als knaap en jongeling zoo dikwijls en zoo hartelijk ontvangen! En toen.... ja toen had ik soms ontzaglijk veel plezier!”

„Niet waar? M'n broer Caspar heeft slag van die zaken. Als er iemand is van m'n kennissen, die een familiefeest, eene zilveren bruiloft of zoo iets wil vieren, dan zeg ik altijd: Ga naar m'n broer Caspar! Dat is een man voor feesten! Hij zal je inlichting en raad geven. En royaal, vat je, royaal....”

„En u zelf, meneer Van der Comme? Nog altijd de onvermoeide, wakkere ceremoniemeester van vroeger?”

„Dank je! Dat gaat zoo zachtjes op dezelfde wijze voort. Sakkerloot, daar valt me een kostelijk idee in. Over acht dagen viert Caspar zijne koperen bruiloft. Hij geeft een groot, prachtig souper—'t spreekt van zelf! Hij zei me gisteren nog: Jasper, kerel denk er om, dat ik morgen over acht dagen een feest geef! Wil je weer ceremoniemeester zijn? Zeg ja—ik kan me met die zaken niet wel bemoeien! Ik heb 't aangenomen, vat je—en 't zal goed zijn—prachtig, vat je! Een bal, een souper—enfin eene partij, als Caspar alleen kan geven. En jij, Vechters! moet onze gast zijn, dat spreekt van zelf!”

Het kleine heertje lachte zeer vergenoegd. Zijne kleine oogen blonken door de glazen van zijn bril, en zijn kleinen arm om Vechters arm klemmend, wandelde hij driftig voort zonder eenige zorg, of zijn vriend denzelfden weg moest volgen.

„U weet”—had Vechters geantwoord—„dat ik nog maar een paar dagen in het vaderland terug ben....”

„Geene tegenspraak! Je komt op het feest! We hebben jou noodig. Je brengt leven en vroolijkheid aan. Je spreekt als de beste advocaat. Ik heb nooit toosten hooren voordragen, als jij het kunt—vol vuur, geestig, duidelijk en met zoo'n flinke stem. Je komt—dat blijft afgesproken. En nu van wat anders. Is het je ginder goed bevallen in Italië en Duitschland? Sakkerloot, je ziet er goed uit, hoor!”

„Ik heb drie zeer aangename jaren doorgebracht en hard gewerkt. Italië is een heerlijk land!”

„Zoo. Ik hoor altijd, dat er zoo'n massa bandieten op de groote wegen zwerven, dat de wijn razend duur en het kalfsvleesch ellendig is!”

„Iedere stad is schatrijk aan de heerlijkste stukken van de groote meesters. Ik heb er meer geleerd en gestudeerd in drie jaren, dan in de twaalf, die ik vroeger hier op m'n atelier doorbracht!

„Sakkerloot! Wat is dat? Ben je gedecoreerd?”—En het kleine manneke bleef stokstijf staan, op een klein zilverwit lintje wijzende, dat maar even en zoo zedig mogelijk uit Vechters knoopsgat naar buiten kwam gluren.

„Dat heb ik in Munchen verdiend met eene goed gelukte schilderij!”

„'k Feliciteer je man! Je hebt je ferm gehouden, hoor! 't Doet me waarachtig plezier van je.... O! hier ben ik juist, waar ik wezen moet. Neem me niet kwalijk.... Je komt aanstaanden Donderdag? Goed. Ik zal je nog een officiëelen brief zenden, reken er op!”


II.

En even met de hand wuivend vloog de thesaurier der Rederijkerkamer: Sic itur ad astra de stoep van een aanzienlijk huis op, en schelde driftig.

Daar woonde zijn broeder, de WelEdelgeb. Heer Caspar Janssen van der Comme, Aannemer van Publieke Werken, een man van grooten invloed en buitengewone bekendheid om.... zijn geld. Als de heer Caspar van der Comme in 't publiek verscheen, ontving hij meestal eene kleine hulde—daar was hij aan gewoon. Ter Beurze glimlachte menigeen zeer welwillend, als hij zijn hoed voor den rijken aannemer mocht afnemen—in 't Park stond een wolk van netjes afgeschuierde heeren om de stoel van mevrouw Van der Comme—in Artis namen de knechts zoo eerbiedig mogelijk hunne petten af, en als hij maar even opzag, kwamen er vijf of zes aanhollen, om zijne bevelen diep buigend op te vangen.

Dat was niet altijd zoo geweest. Caspar Janssen had een tijd gekend, toen niemand den hoed voor hem afnam, toen nog geen enkel fraai gedoste Parkpronker zijne vrouw kwam begroeten, toen niet één knecht in Artis zijn pet voor hem afnam—eenvoudig, omdat hij onbekend en arm was, en dus geen lid van eene dier hoogst fatsoenlijke sociëteiten. Er was een tijd geweest, toen Caspar Janssen in eene akelige achterbuurt woonde—toen zijn hoed zoo lange jaren dienst deed, dat de rand er wanhopig van werd, en dreigde te sterven aan verval van kracht—toen mevrouw Van der Comme zich met één loopmeisje behielp en zelve de uitvoerigste redeneeringen hield met Hein den groenman, om een bosje wortelen of asperges machtig te worden—als 't seizoen voorbij was, en de groenten goedkoop werden.

Toen, onverwacht en buiten alle hoop, had Caspar op zekeren dag de blijde tijding ontvangen, dat hij erfgenaam geworden was van een zedig sommetje, hem door een verren, onbekenden neef in Indië nagelaten. Dit legaat was de eerste stap tot zijn fortuin. Langzaam en zeer voorzichtig had hij verbeteringen in den meer dan armoedigen vorm van zijn dagelijksch leven gebracht. Voorzichtig ook waagde hij het nu en dan eene inschrijving te doen bij aanbestedingen—reeds werd zijn naam wat minder onbekend en vergeten—soms zelfs kwamen ambtgenooten hem raadplegen en aanmoedigen, om met vereende kracht eenig werk te ondernemen.

Want Caspar was wel arm en weinig geëerd geweest, maar nooit had iemand durven volhouden, dat het hem aan fijne loosheid of practisch overleg schortte. Langs een tal van trappen klom hij, voorzichtig steeds omziende, naar boven, en eer men het vermoedde, stond hij plotseling aan 't hoofd eener aanzienlijke onderneming—laagste inschrijver voor een groot stadsgebouw, tot welks oprichting men bij tonnen gouds cijferde. Zoo was Caspar, na tien jaren van onverpoosden arbeid, door zijne schranderheid en zijn beleid rijk geworden en—merkwaardig wonder!—niemand had ooit eene boosaardige tong hooren fluisteren, dat de oorsprong van zijn fortuin in een geheimzinnig, ongenaakbaar duister verborgen lag.

Wat Caspar veel moeite en hoofdbrekens kostte, was de juiste harmonie te treffen tusschen zijn huiselijk en openbaar leven, en den steeds stijgenden bloei zijner kas. Caspar Janssen was uit eene zeer eenvoudige burgerfamilie gesproten, en droeg er dagelijks alle overleveringen van met zich om. Zijne hoogste glorie bestond in de hoop om eenmaal tot aanzienlijke kringen te worden toegelaten, mannen van rang en naam de hand te drukken, lid te worden van den Gemeenteraad, en wie weet wat meer, als alles eens eene gelukkige wending ging nemen—doch, schoon hij deze zoete verwachting, naar hij waande, in 't innigst geheim zijns harten verborgen hield, was er bijna geen woord of daad, waarmee hij haar niet telkens onwillig deed doorschemeren.

Vandaar, dat zijn huis beroemd was, om de talrijke feesten en maaltijden, welke hij onbekrompen en gaarne ontwierp, zoo dikwijls er zich maar de geringste aanleiding toe voordeed. Maar hij miste tact en smaak, om zijne gasten met waardigheid te ontvangen. Daar was een groot verschil tusschen de prachtige meubelen en den platburgerlijken gastheer, tusschen den fijnen wijn en den vormloozen, ploertigen toon van het onderhoud. Want Caspar was en bleef een parvenu, en wel een der zoodanigen, die gevatheid, en schranderheid te over hebben in de maatschappelijke betrekking, welke hen tot rijkdom verhief, maar geen zweempje beschaving of vernuft, om het gezellig leven met die tint van bevalligheid en sierlijkheid te kleuren, waarvan het geheim alleen door fijne en wel verzorgde ontwikkeling wordt verkregen.

Treed de stoep zijner weidsche woning op, en ga binnen, om er u van te overtuigen. Wat denkt ge van het salon en de aangrenzende vertrekken? Zeker, het is den bewoner volkomen gelukt u een juist denkbeeld omtrent zijne welgegoedheid in te boezemen. Al wat moderne weelde kostbaars en prachtigs kan aanbieden is er vereenigd, en hier en daar—ge merkt het met blijdschap op—zijn sporen van goeden smaak. Het kwistig gebruik van verguldsel en marmer wordt door den stillen zilvergrijzen toon van behang en gordijnen aangenaam getemperd. Gravures naar de meesterwerken der Nederlandsche schilderschool doen kleine, bonte knutselarijen van onbekende grootheden en eenige zeer belachlijk geschilderde familieportretten in 't niet verdwijnen. Er is strijd wederom bij die prachtige voorwerpen tusschen sierlijkheid en platheid—welk deel komt hiervan den eigenaar toe?

Enkel bij feestelijke gelegenheden zult ge hem, in eigen schatrijken persoon, ter dezer plaatse aantreffen. Anders sluit hij zich met zijne cijfers in een klein kantoortje op, dat zoo eenvoudig en gemakkelijk mogelijk is ingericht. Caspar Janssen is een veertiger van kloeken bouw, met een wat gebogen rug en een kaal hoofd. Zijn gelaat vertoont meest eene ernstige, peinzende uitdrukking of een onverschilligen, botten glimlach, die geen den minsten indruk maakt. Zijne grijze oogen liggen diep verborgen in de kassen, de benedenste helft van zijn gelaat is verweerd en verbruind als van een zeeman.

Zoo spoedig Caspar zijn salon binnentreedt, sluipt hij stil naar een hoek, verbergt zijne grove, knobbelige, roode handen onder zijne rokspanden of in zijne zakken, en staat of zit dan rustig, totdat een zijner gasten hem komt begroeten. Zonderling is de schuwheid, waarmee hij zijn eigen kostbaar tapijt betreedt, en voet voor voet zich beweegt, als vreesde hij te zullen uitglijden. Zonderling is de voorzichtigheid, waarmee hij op zijne eigene prachtige stoelen plaats neemt, en let er op, hij kiest nooit den een of ander der met blauw fluweel bekleede leunstoelen. Zoo spoedig er iemand binnenkomt, waarvan het slechts in de verte zou kunnen blijken, dat hij in betrekking stond met de voorname wereld zijner hoop, vermeerderen deze zonderlingheden tot belachelijk wordens toe, en geeft hij zich ongelooflijke moeite, om, terwijl hij zich zooveel mogelijk verschuilt, eene zeer deftige en gewichtige uitdrukking op zijn gelaat te voorschijn te roepen.

Mevrouw Van der Comme pleegt met vrij wat meer drukte in hare receptiezalen te verschijnen. Terwijl haar schroomvallige man zijn uiterste best doet, om zacht en zoetelijk te spreken, klinkt hare diepe altstem driftig en luid door het vertrek, zoodat niemand behoeft te vragen, waar ze zich bevindt. Zij is eene kleine, levendige dame met roodblond hair en nog fraaie blauwe oogen. De kleur van haar gelaat en handen is echter niet zoo zuiver blank, als men wellicht bij den eersten oogopslag mocht vermoeden. Voor wie in de geheimen van haar toilet was ingewijd, kon het niet verborgen blijven, dat ze er in hare binnenkamer des morgens onbehaaglijk geel placht uit te zien, en al wie smaak had, kon dikwerf eene neiging tot schaterlachen niet bedwingen, zoodra hij de reusachtige zeegroene linten van hare allerzonderlingste muts en de zwartfluweelen arabesken van haren steenrooden zijden japon had in 't oog gekregen.

Tot de familie Van der Comme behoorde nog een knaap van tien jaren en twee meisjes van acht en vijf. De knaap heette naar Oom Jasper, was even smakeloos, ruw en brutaal, maar ruim zoo lastig en ondeugend als deze. De beide meisjes waren zachte, gehoorzame kinderen, niet bevallig en aangenaam van uiterlijk, maar frisch en sterk, schoon grof van trekken en geel van wezen. De opvoeding van deze beiden was toevertrouwd aan Mlle de Tourzel, eene Zwitsersche van aanzienlijke geboorte, opmerkelijke schoonheid en uitstekende talenten, door familierampen verplicht in afhankelijken staat te leven. Indien er iets smaakvols te bewonderen was in het huis der Van der Commes, zoo mocht men zich overtuigd houden, dat zij er de oorzaak van was.


III.

De „officiëele brief” van Jasper Jodocus lag op de schrijftafel van Koenraad Vechters, den onlangs uit Italië en Duitschland met een lintje teruggekeerden schilder. De inhoud was zoo stijf mogelijk. Mijnheer en mevrouw Caspar Janssen van der Comme wenschen hunne twaalf-en-een-halfjarige echtvereeniging met eene feestviering te herdenken, waartoe de heer Koenraad Vechters wordt uitgenoodigd. Er wordt gunstig antwoord verwacht met vijf letters van gelijkluidende Fransche woorden, enz. enz.

Vechters had gunstig geantwoord, en thans, nu de feestdag was aangebroken, vindt men hem diep mijmerend in 't kleine vertrekje, 't welk zijne goede moeder zijne „studeerkamer” pleegt te noemen. En wel niet volkomen onjuist, want Vechters wijdt zich met kloeken ijver aan veel ernstiger studie, dan menigeen zijner broeders in de kunst dit noodig zou achten, schoon hij hier toch het meest komt, om zich eenvoudiglijk een oogenblik te verpoozen van ingespannen arbeid op zijn atelier. Heden inzonderheid wilde zijn werk hem niet vlotten, zijne gedachten zwierven telkens af, zijn penseel maakte gedurig eene doellooze kennis met al de kleuren van zijn palet. Zuchtend had hij den ezel verlaten, en, toen hij zijn leescelletje binnentrad, plooide er zich dieper rimpel in zijn voorhoofd, sprak er feller smarte uit de saamgeknepen lippen, dan dat het vooruitzicht der koperen bruiloft des heeren Van der Comme er ooit de eenige oorzaak van zijn konde.

Toch kwelde en pijnigde hem de gedachte aan dat feest. Men zal een rasschen blik op zijn verleden moeten slaan, om die bekommering recht te doen. Koenraad Vechters was de oudste zoon van een braaf hoofdofficier. 't Was dezen wel gelukt door verdienste en beleid eene aardige verzameling ridderkruisen te winnen, maar, toen zijne wankelende gezondheid hem minder bruikbaar maakte voor den dienst, had men den in elk opzicht uitmuntenden krijgsman, nauwelijks vijftiger, op pensioen gesteld en zedelijk gedood. Toen hij een jaar later stierf, liet hij eene weduwe en vier kinderen achter, zonder eenige middelen van bestaan, dan een sober jaargeld, persoonlijk eigendom zijner echtgenoote. Koenraad was de oudste, en de eenige zoon. Majoor Vechters had hem lust voor den krijgsdienst pogen in te boezemen. 't Was volkomen mislukt. Lang worstelde de natuurlijke aanleg des zoons tegen den vasten wil des vaders. Eindelijk had Majoor Vechters toegegeven, Koenraad mocht schilderen zooveel hem gelustte: zelfs werd er voor zijn onderwijs en ontwikkeling groote zorg gedragen.

Toen zijn vader overleed, had Koenraad zijn achttiende jaar bereikt. Reeds was hij algemeen bekend door zijn duidelijk sprekenden aanleg, en werden sommige zijner stukken bijzonder geprezen. Thans kwam eene zware taak op zijne schouders rusten. Hij moest zijne moeder en drie zusters moediglijk steunen in den zwaren strijd des levens. Hij doorzag in een oogwenk den toestand zijner familie. Ridderlijk trad hij voorwaarts, en nam hij op zich het verweesde gezin bij te staan met al zijne kracht, met al zijn talent en al zijn tijd. Lessen geven in de muziek en teekenen werd zijne daaglijksche taak, en alleen steelsgewijze sloop hij naar zijn atelier, om er de kwalijk verdrongen, maar heimlijk gloeiende liefde voor zijne kunst eenige oogenblikken naar hartewensch te boeten.

In dit tijdperk bezocht hij van tijd tot tijd de schitterende feesten van Caspar Janssen. Hij werd er algemeen bemind om zekere onuitputtelijke, vroolijke luim, om de geestdrift, waarmee hij elks feestelijke stemming wist aan te vuren, om de onvermoeide welbespraaktheid, waarmee hij ieder wist te onderhouden, te boeien, te vermaken. Op zekeren avond bevond zich daar eene gast, eene blondine, half verborgen onder de schitterende, bont gedoste menigte—maar aanstonds opgemerkt door Vechters. Argeloos had de jonge kunstenaar haar bespied, argeloos haar gesproken en bewonderd, toen hij zich plotseling betrapte op heeterdaad van verliefdheid, als de fraaie wereld het noemt, van vurige vereering en geheele wijding des harten, als hij het bij zich zelven heette.

Pauline van Someren was de dochter van een zeer vermogend rentenier, die weleer op Java door geluk en vlijt en.... eenige welbestierde suikerfabrieken zich vrij aanzienlijken rijkdom verworven had. Van tijd tot tijd zag Vechters haar weer. Zwijgen en wanhopen lag niet in eene krachtige, voortvarende natuur als de zijne. Dat Pauline zijne eerbiedige, zijne teedere en schuchtere hulde aangenomen had, dat zij den wensch van zijn hart kende, goedkeurde en aanmoedigde, was hem zekerheid uit ieder woord, iedere daad, iederen blik—zoodra hij aan hare zijde stond, en haar met onuitsprekelijke bewondering mocht aanstaren.

Kloek en vastberaden meldde Vechters zich op eens bij den heer Van Someren aan. 't Zou der moeite waard geweest zijn, u bij het onderhoud tusschen den jongen, verliefden, openhartigen, talentvollen kunstenaar en den bejaarden, trotschen, koudbloedigen, zelfzuchtigen oud-gast tegenwoordig te doen zijn. Thans slechts dit. De heer Van Someren luisterde met een gezicht zonder uitdrukking naar het lange verhaal, dat Vechters zich verplicht waande den vader zijner Pauline omtrent zijne familie, zijne maatschappelijke betrekking en zijne vooruitzichten mee te deelen. Toen deze daarna zich van zijn zetel ophief, en grof glimlachend, zijne verwondering te kennen gaf over den moed, welken de jonge muziek- en teekenonderwijzer in zijne tegenwoordigheid had aan den dag gelegd—toen hij met een enkel brutaal woord en een enkel even brutaal gebaar den jonkman alle hoop op zijne goedkeuring en toestemming had ontzegd—toen hij eindelijk schouderophalend den verslagen en hoogblozenden kunstenaar geraden had, later wat beter na te denken, en hem zonder groet den rug had toegewend, toen kroop er een bittere wrok in Vechters' diep gekrenkt gemoed, en ving er een zware strijd aan tusschen de oprechte, reine liefde, die zijne ziel met jubel en zonnegloed had vervuld, en de pijnigende herinnering aan de onbeschofte beleediging, die hem tranen van verkropte spijt en woede had doen weenen.

Vechters had een fieren ridderlijken aard. Onverdiende krenking griefde hem bitter, maar allerbitterst viel het hem de laatdunkende minachting van zijn persoon, zijn stand, zijn talent te dragen. Van dit oogenblik af besloot hij Pauline van Someren nimmer weder te zien. Hij hield woord. Wel openbaarde zich het inwendig lijden door zichtbare teekenen in zijn uiterlijk, maar hij verdubbelde in vlijt en werkzaamheid, maar hij wijdde zich met koortsachtigen ijver aan zijne kunst, aan haar alleen—en de zorgende, liefderijke genegenheid zijner moeder meewerkende, kwam hij allengs tot kalmer stemming, tot berusting en weemoedige tevredenheid.

Eensklaps werd hij nu door het blijde bericht verrast, dat zijn jongste schilderwerk, zonder groote verwachting ter tentoonstelling gebracht, met de gouden rijksmedaille was bekroond. Dit feit hief den gedrukte werkelijk omhoog. Lang reeds had men zijne geestige teekening geprezen, maar nu men eene frissche, aantrekkelijke en geheel oorspronkelijke kleur hoe langer hoe meer als een hoogst opmerkelijk kenteeken van zijn talent moest waardeeren, nu vielen hem alle kunstrechters toe, en aarzelde de Jury niet den veelbelovenden jonkman het eermetaal aan te bieden. 't Was of hij thans voor goed zijne wijding tot kunstenaar ontvangen had, met dubbelen ijver keerde hij tot zijn atelier terug, en alras begon zijn penseel op betere wijze in de behoefte van zijne familie te voorzien, dan zijn moedig les geven ooit had kunnen doen.

Dagelijks blonk het talent van Vechters op schitterender wijze uit. Niemand twijfelde meer, hem als uitstekend schilder te huldigen, zijne kunstbroeders onderkenden in hem een machtigen mededinger, zijne beschermers en bewonderaars eene star van de eerste grootte. Weldra had men hem fondsen toegeschikt, tot het doen eener kunstreis naar Italië—en welk gebruik hij van deze heerlijke gelegenheid gemaakt had, kon het ordelint getuigen, hem door den smaakvollen Koning van Beieren gegeven. Bij zijne terugkomst was hij allerwege met open armen ontvangen, ieder had hem om strijd geprezen en gelukgewenscht. Meer en meer had hij nu met onbekrompenheid zich kunnen kwijten van zijne plichten als dankbaar zoon en liefhebbend broeder. Alles lachte hem aan in de toekomst, toen eensklaps de doodonschuldige uitnoodiging tot de koperen bruiloft des heeren Van der Comme hem het verleden op 't pijnlijkst herinnerd had. Want nog was de wonde niet geheeld, en dikwerf nog huiverde hij van weedom bij 't herdenken van dien eersten smaad en die eerste liefde. En nu, op den morgen van het feest, nu bedacht hij bij zich zelven wat er geschieden kon, zoo hij zijns ondanks zich plotseling geplaatst vond in de tegenwoordigheid van Pauline van Someren.


TWEEDE HOOFDSTUK.

Waarin de ongelukken van den thesaurier der Rederijkerkamer: Sic itur ad astra een aanvang nemen—waarin eene zeer knappe gouvernante eene belangrijke rol begint te spelen—waarin verscheidene achtenswaardige Amsterdammers ten tooneele verschijnen, en alles overtroffen wordt door een zeer plechtstatigen optocht van de koperen Bruid en Bruigom en de zeer onverwachte koppigheid van den jongeheer Jasper Jun.

I.

Er heerschte buitengewone drukte in al de rijk gemeubelde vertrekken van Caspar Janssen. De feestavond was gekomen. Alles zag er recht opwekkend en aanlokkend uit. Zoo spoedig we de breede vestibule binnentreden, vinden we links eene kamer tot berging van sjaals en hoeden, met een reusachtigen spiegel voor al wie nog een laatsten oogopslag aan 't misschien wat gekreukt feestkleed wil wijden. Deze kamer is het uitsluitend eigendom van drie luidbabbelende kornetjes, zoo prachtig gedost, of 't haar eigen feest ware, en zoo hoogrood van kleur, of ze reeds bloosden over de uitbundige, luidklinkende zegewenschen, haar heer en meester toegebracht.

Rechts treden we de receptiezalen binnen, welke we al vroeger in stilte hebben waargenomen. 't Is nog geen tijd, en niemand der gasten is gekomen. Twee rijen stoelen zijn zeer houterig op kleinen afstand van de wanden geplaatst. Aan 't eind der tweede kamer is eene sofa, met blauw fluweel bekleed, onder voorbedachten rade wat vooruitgeschoven en door prachtige bloemen omringd. Let even op die bloemen! Met welken smaak zijn ze gerangschikt, 't is of ze eene fraaie gedachte willen uitdrukken, die donkerroode camelia's, die vruchtdragende oranjeboomen, die veelkleurige geraniums, alle zoo zorgvuldig en geestig naast andere rijkbloeiende kasplanten geplaatst, dat ge uwe nieuwsgierigheid niet kunt onderdrukken, en telkens vraagt, wie ze zoo uitmuntend heeft saamgeschikt!

Het ruischen van een zijden kleed wekt u uit uwe mijmering. Het is Mlle de Tourzel, de Zwitsersche. Met een fijnen glimlach staart ze haar werk aan, en tegelijk schittert er kwalijk verholen spot uit de diepe, donkerbruine oogen, als ze de kamer overziet, en de twee rijen stoelen opmerkt. Er spreekt uit hare figuur zooveel ongezochte sierlijkheid en smaak, dat men onverwijld aan 't zonderling verschil denkt, 't welk de arme, betaalde gouvernante binnen weinige oogenblikken met de bont getooide, feestvierende parvenus-familie en de misschien nog bonter getooide gasten zal vormen.

Mlle de Tourzel nam reeds door hare verschijning ieder voor zich in. Haar oogopslag en uiterst bekoorlijke glimlach schenen bestemd om ieder hart stormenderhand te veroveren. Welk een eenvoud, welk eene gratie in de keuze van haar feestkleed. De laaguitgesneden, zwartzijden japon, de zwart kanten pelerine daarover hoog aan den hals met eene enkele diamanten speld vastgehecht, de witte camelia als eenig kapsel, alles zoo onopgesmukt en zoo welgekozen—waarborgden haar reeds vooraf den schoonsten triumf over hare omgeving, den triumf van den goeden smaak en den fijnbeschaafden geest.

„Zoo, heb je er die bloemen toch naar toe gesleept, juffrouw Tourzel! Laat ze nu maar staan! 't Is maar om de plaats, die ze innemen, vat je!”

De spreker was Jasper Jodocus van der Comme, makelaar enz. enz. Zie hem eene seconde aan, uit iederen trek van zijn gezicht, uit iedere bijzonderheid van zijn kostuum spreekt de hooglijk met zijne eigene heerlijkheid ingenomen ceremoniemeester. Hij heeft een reusachtigen strik uit zijne rotsharde witte das weten saam te knutselen van zoo groote symmetrie, dat hij het hoofd nauw durft te bewegen, uit vreeze iets te bederven. In zijn knoopsgat zwelt eene kokarde van vuurrood en wit satijn lint, aan den ketting van zijn uurwerk zijn eenige buitengewone fraaiigheden en medaillons aangebracht.

Mlle de Tourzel had schielijk opgezien, toen ze zijne stem vernam, en daarna den blik afgewend, en haar fijnen, kanten zakdoek even aan den mond gebracht.

„Ik weet niet, of je al op de hoogte van de zaken bent, juffrouw Tourzel!”—ging Jasper voort.—„Als al de gasten zitten, de dames namelijk, de heeren kunnen tusschen den muur en de stoelen der dames staan....”

Permettez! Maar wie zal de gasten ontvangen?”

„O! dat komt van zelf in orde.... u, bij voorbeeld, juffrouw!”

„De grâce, dat zou niet passend zijn! Me dunkt, een ceremoniemeester, zoo vindingrijk, zoo adroit, als u, meneer Van der Comme, moest zichzelven die taak hebben toegewezen!”

Jasper lachte goedkeurend. Mlle de Tourzel hield even de fijne, witte, wonderfraaie hand aan de lippen.

„Nu, we zullen zien.... Maar, zooals ik zeide, als al de gasten gekomen zijn, ga ik Caspar, Mina en de kinderen waarschuwen. Ik keer hier terug, en bericht den menschen, wat er komen zal, vat je! Ik deel de gedichten-verzameling rond, voor deze gelegenheid door de leden der Rederijkerkamer: Sic itur ad astra expresselijk vervaardigd.....”

„Hebben al die heeren zich in onkosten van verzen gestoken. 't Ontbreekt hier waarlijk niet aan dichters te Amsterdam!”

„Daarop laat ik de muzikanten komen, om de wijs te spelen van 't eerste gezang: Marlborough s'en va-t-en guerre, vat je? Dan kan de trein binnentreden. Eerst ga ik zelf, dan kleine Mina en Jet, dan de koperen Bruidegom en Bruid, dan kleine Jasper, en eindelijk de zes orde-commissarissen. Als men goed en wel gezeten is, geef ik kleinen Jasper het woord, om zijn zegenwensch uit te spreken, welken ik zelf voor hem heb gesteld. Heeft hij dien reeds voor u opgezegd, juffrouw Tourzel?”

„Ik ben gouvernante der beide meisjes, meneer Van der Comme!”

„Ja, maar je hadt beloofd, mij zooveel mogelijk te helpen, om het ondeugend manneke zijne les te leeren!”

„O! quant à ça, ik heb hem eens gevraagd hoe het met de aanspraak van oom Jasper stond en toen heeft hij zulk een afschuwelijk gezicht gezet, dat ik hem rustig zijn weg liet gaan. U weet, dat ik den jongeheer Jasper geheel aan 't bestuur zijner private onderwijzers overlaat, en ik vermoedde, dat hij onder uwe leiding vooral wonderen zou doen!”

„We willen het hopen. Nu, na zijne aanspraak zullen Jet en kleine Mina hare liedjes zingen.... Sakkerloot, dat heeft je toch zeker genoegen gedaan, juffrouw Tourzel, ik heb het juist zoo beschikt, om je élèves eens te doen uitkomen!”

Merci, monsieur! Ze kunnen het perfect opzeggen, en zingen het zoo goed het wil. De woorden zijn kostelijk en het air—neen het air is charmant: Du bist der beste Bruder auch nicht!”

Een lichte blos vloog over het voorhoofd der bevallige Zwitsersche. Ze keek oplettend naar 't veelkleurig Smyrnaasch tapijt, en sloot de oogen met een flauw zweempje van toorn.

„Och! het een is zoo goed als het ander! Als je een lied wilt maken, moet je natuurlijk eene wijs hebben. Nu neem ik altijd die wijs, welke mij 't eerst invalt. 't Doet me plezier, dat het je bevalt!”

„En daarmee zal wel het eerste bedrijf van de feestelijkheid gesloten zijn?”

„Nog niet. Na het liedje van de kinderen, kies ik er een ander uit de verzameling van feestzangen voor deze gelegenheid door de leden der Rederijkerkamer: Sic itur ad astra expresselijk.... Sakkerloot! daar komt een rijtuig aanrollen, ik ga de commissarissen van orde waarschuwen!”


II.

De drukte in de vestibule neemt hoe langer hoe meer toe. Eene lange rij van vigilantes rangschikt zich daarbuiten op de Heerengracht. Telkens stapt een nieuw paar feestelijk gekleede gasten naar het domein der drie kornetjes. Daar is een luid gefladder van veelkleurige linten, een ruischen van zijden en gazen balkleedjes, een gemengde geur van allerlei double-extraits en Rimmel-bouquets te genieten, daar wordt schielijk eene speld gevraagd aan Leentje, Koosje of Klaartje, dan wordt het gezicht recht vroolijk en prettig geplooid, dan trekt men uiterst voorzichtig een paar nieuwe witte balhandschoenen aan, en grijpt men den arm van den eersten heer, die zich vertoont.... of gaat men alleen, zoo er zich geen aanbiedt.

Want, schoon dit de taak der orde-commissarissen is, schijnen dezen er zich luttel om te kreunen, of ze naar eisch vervuld wordt. 't Zijn een zestal jongelui, die orde-commissarissen, met bleeke troniën, kleine, zeer zorgvuldig opgemaakte kneveltjes en half gesloten oogen. Daar is eene dame van middelbare jaren alleen naar binnengekomen. 't Is waar, haar voorkomen is wat ouderwetsch—er is wat al te eenvoudigs in hare kleeding—wat onbevalligs in haar gelaat, en daarom heeft mejuffrouw Anna Geertruida van der Comme, eigen nicht van den feestvierenden gastheer, zich geheel alleen naar de receptiezaal moeten begeven, waar niemand naar haar omziet. Want ze is arm en afhankelijk.—„Een lastpost voor de familie, vat je!”—pleegt Jasper Jodocus te zeggen, terwijl hij luide met zijn horlogeketting rammelt.

Let op welk een ijver zich eensklaps bij de heeren orde-commissarissen ontwikkelt, nu een vijftal jongedames en een bejaard heer met een gouden bril binnentreden. 't Is de heer Zilverlink, een zeer gegoed makelaar in edele metalen, en zijne vijf zeer knappe dochters. Al deze dames zijn uiterst prachtvol in wit gaas getooid met kersroode, hemelsblauw of saffraangele linten, allen hebben een heuveltje van witte en andere rozen boven op de roetzwarte vlechten of krullen. De commissarissen lachen en buigen en bieden den arm aan, alles met de volkomenste onbevalligheid en de volmaakste smakeloosheid.

Het salon en de aangrenzende vertrekken zijn nu bijna gevuld. De dames hebben de rijen stoelen ingenomen. De heeren houden zich bij den ingang van de laatste suite bijeen, of ze ernstig beraadslaagden over gewichtige staatszaken. Maar ze spraken zeer weinig, en glimlachen gedurig zoo welwillend tegen elkander, of ze het volkomen eens waren over alle mogelijke zaken. De dames fluisteren saam, of nemen elkaar van ter zijde op. Mevrouw Berghuysen heeft zeer veel aan mejuffrouw Rotsenaer te zeggen. Ze vindt het al heel mal, dat de twee leelijke dochters van den rijken wijnkooper Van Menghelen gevraagd zijn, dat de vijf dames Zilverlink en de twee Van Noorts gekomen zijn. Onder de roos wil ze mejuffrouw Rotsenaer wel meedeelen, hoe Berghuysen er eerst zeer tegen was, dat Agathe en Anne zouden gaan, want er was altijd zoo iets raars bij de Van der Commes, en dan, zulke late partijen deugden niet voor jonge meisjes—ze was maar blij, dat men Mathilde en Elize niet gevraagd had, die ondeugende kinderen zouden om alles gelachen hebben. Mejuffrouw Rotsenaer stemt mevrouw Berghuysen alles gaaf toe. Ja er was iets raars bij de Van der Commes. Als Papa haar niet gedwongen had, zou ze, heusch! veel liever thuis gebleven zijn—toen ze aankwam had geen der zes orde-commissarissen haar den arm geboden.

Niemand heeft het getroffen, dat gastheer en gastvrouw afwezig zijn. Mlle de Tourzel heeft aanvankelijk de eerste gasten verwelkomd, maar spoedig bemerkend, dat men haar goedig toeknikte, zonder op hare beleefde woorden acht te geven, trok ze zich diepbuigend terug, en was uit de zalen verdwenen. Jasper Jodocus had zich nu en dan vertoond, den een en ander terloops aangesproken, en zeer geheimzinnig wenken gegeven over het begin der feesten. Ook de zes orde-commissarissen verscholen zich van tijd tot tijd achter de groep der heeren, en hadden het schijnbaar zeer druk met rond te gluren naar de jongedames, en innemende gezichten te zetten.

Juist trad Koenraad Vechters binnen. Hij draagt den afschuwelijken, zwarten rok met zekere vrijheid, die het gemaakte en stijve van het danskostuum bijna geheel uitvaagt. Zijn blond krullend hair is wat beter geordend dan in de studie-uren op zijn atelier—een klein kruis aan een zilverwit lint prijkt in zijn knoopsgat. Hij loopt haastig vooruit door het salon en de suite, en stuit eindelijk op de ledige sofa en de bloemen. Verrast ziet hij rondom zich heen, maar niemand ontwarende, loopt hij glimlachend en langzaam terug.

Op eens ontdekt hij mejuffrouw Anna Geertruida van der Comme, met een vrij ontstemd gezicht onder de oudere dames zich verbergende.

„Vergun me”—begon Vechters, na korte begroeting—„daar ik niemand der feestvierende huisgenooten hier tegenwoordig vind, om u geluk te wenschen met dezen heuglijken dag.”

't Is waar, Vechters woorden behelsden niet veel meer, dan eene zeer alledaagsche gemeenplaats, maar ze werden toch op zoo rondborstigen, hartelijken toon uitgesproken, dat ze beter ontvangst verdiend hadden, dan het vinnige:

„Dank u, meneer! Ik had het bijna vergeten, dat het vandaag 'n feestdag was. Niemand van de familie heeft naar me omgezien. Ik heb nog niemand gesproken. Ik moest heel alleen naar binnen gaan, en ik ben eene eigen nicht van Caspar....”

„Ik hoop toch, dat onze gastheer niet door ongesteldheid verhinderd wordt hier te zijn?”

„Ik heb er niets van gehoord, want niemand neemt de moeite om eens naar mij te komen kijken. Maar ik geloof het niet, anders zou de partij afgezegd zijn. 't Is zeker eene verrassing van neef Jasper, die me al vijfmaal voorbijgeloopen is, zonder te groeten. M'n goeie vader placht altoos te zeggen: Anne-Trui! reken nooit op de neven. Als Caspar noten eet, steekt Jasper de schillen in z'n zak!”

„Weet u ook wie die heer is met eene viool in de hand en zoo'n zonderlingen, grooten strik in zijne das. Hij komt daar juist binnen. Ha, daar komen nog zes andere virtuozen!”

„'t Is meneer Quastman, de dansmeester, die het bal zal dirigeeren. Wat kan mij een bal schelen! De jongelui zijn allemaal lomp genoeg, om me te laten zitten, en m'n familie laat me aan m'n lot over. Neen! als Caspar me ooit weer inviteert, bedank ik—'t is van avond voor 't laatst geweest!”

„Zoudt u zoo goed willen zijn, meneer! achter de stoelen der dames eene plaats te zoeken!”

Deze vraag werd tot Vechters door een der ordecommissarissen gericht, die hem diepbuigend op alle andere heeren wees, reeds geruimen tijd achter de dames in gelid geschaard. Daar de jonge kunstenaar steeds meer en meer begon te verlangen, om het gesprek met Anna Geertruida af te breken, boog hij zich even voor de vergramde oude vrijster, en haastte hij zich eene toevlucht achter de dameszetels te vinden. Dezelfde commissaris van orde, mijnheer Proost, een doodsbleek jonkman, met blauwe cirkelbogen onder de oogleden, naderde hem daarop andermaal, en bracht hem een net gebonden boekske, koperrood van omslag en verguld op snee. 't Was de verzameling van feestliederen, door de leden der Rederijkerkamer: Sic itur ad astra voor deze gelegenheid expresselijk vervaardigd. De heer Vechters werd beleefdelijk uitgenoodigd, om, zoo spoedig de plechtstatige optocht van den koperen Bruidegom en Bruid zich mocht vertoonen, het eerste lied uit den bundel te willen aanheffen op, de wijze van: Marlborough s'en va-t-en guerre.