WeRead Powered by ReaderPub
Nederlandsche Volkskunde cover

Nederlandsche Volkskunde

Chapter 17: Het Privaatleven.
Open in WeRead

About This Book

The text surveys traditional beliefs, legends, customs and material practices that compose popular culture across regional and social layers, and considers how these expressions reflect collective life. It distinguishes folklore from broader Volkskunde, discusses methodological limits and critiques overbroad approaches, and outlines subjects for study such as rituals, language, crafts and communal institutions. Warning that industrialization and modern uniformity threaten vernacular forms, the author urges systematic documentation and public interest to preserve local traditions, to clarify cultural origins, and to foster understanding between educated circles and the general populace.

Het Privaatleven.

I. Geboorte, doop, kindsheid.

De geboorte van het kind is met gulden sprookjesdraden omsponnen. De ooievaar brengt ze, de heilige vogel, die volgens zijn naam zelf “met geluk komt”, de heil-över, zooals hij in den Achterhoek heet. Hij haalt ze met zijn snavel uit den vijver, evenals op de weilanden de spartelende kikkertjes uit de slooten:

Eibert, eibert, langebeen,

Waarom is je poot zoo kleen?

Waarom is je bek zoo lang?—

Omdat ʼk altied kikkers vang.

Daar bij zijn komst in het land de groei- en teelkracht in de natuur zich openbaren, verwacht men dan ook de geboorte van het jonge menschenleven:

Ooievaar,

Lepelaar,

Takkedief,

Ooievaar heeft de kindertjes lief.

Te Kuilenburg zingt men:

Ooievare klep,

Met je langen bek,

Met je lange pooten

Ga je over slooten,

Ga je over ʼt huis:

Breng me een broertje of een zusje thuis.

De ooievaar brengt heil en zegen. Waar hij op het huis zetelt, woont geluk; wie een ooievaarsnest op zijn dak heeft, wordt benijd en een misdaad is het, zulk een nest uit te halen. Niet alleen in Westfalen en de Rijnprovincie, ook in Nederland is hij populair, is hij haast een nationale vogel geworden, vooral in het waterrijke Noorden. Hij brengt voor broertjes en zusjes de “muisjes” mee. Vergel, bl. 85.

Maar de kinderen komen ook uit bronnen, putten, vijvers of uit den watermolen, en wel volgens een Oudgermaansche opvatting, dat nl. het leven uit de bronnen komt en na den dood ook weer tot bronnen en vijvers terugkeert. Wij ontmoeten hier den bronnenkultus, zoo populair bij de Franken, Saksen en Friezen; hij verklaart tevens de verhouding, waarin Holda als godin der geboorte en des doods tot de bronnen staat. In zijn diepste wezen berust hij op wijding en symboliseering der animale vruchtbaarheid en levenskracht. Te Deventer komen de kleinen uit den Hoenderput, te Almeloo uit den Kloosterput, in de stad Groningen uit de Woalpudde, de pomp in ʼt wijde van de Heerestraat; in de Zaansche dorpen uit de watermolens, in het Oldambt van Groningen uit den Dollard. Elders vinden wij sporen van het oude volksgeloof, dat de bewoners van het zielenrijk over water in een schip het land der levenden bereiken. Zoo komen in sommige deelen van Friesland de kinderen uit de Wouden, en de kraamvrouw doet een Woudreis om ze te halen in een scheepje met een wit zeiltje en een paar witte zwaantjes er voor. Te Amsterdam komen zij overgevaren uit de Volewijk, in de Beemster worden zij met een schuitje uit den rietschoot gehaald. Te Hekelgem (Z.B.) gaan de kinderen kijken in het Kluizeputteken van O.L. Vrouw-ter-kluis om te zien, of er geen kindje in ligt. Of wel ze leggen zich met het oor op den rand van den put en denken dan soms kindergeschrei te hooren.

Eindelijk, ook de vegetatie openbaart jeugdige levenskracht, en daarom komen de kinderen uit holle boomen, groeien in de boomen, komen uit de kool en andere planten. In de Friesche Wouden en vooral ook in Noord-Holland groeien zij in de boomen als appelen en roepen dan:

Pluk mijn! pluk mijn!

ʼk Zal alle dagen zoet zijn.

De holle boomen zijn kinderen-telend in sommige gedeelten van Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Overijssel, Groningen en Friesland. Te Utrecht werden de kinderen uit den Munnekenboom geschud, een zeer ouden lindenboom in den tuin van het vroegere Karthuizerklooster aan de Vecht buiten de Weerdpoort. In België laat het volksgeloof ze veelal groeien aan rosmarijnstruiken. Waarom juist aan rosmarijnstruiken? Zeker is het niet toevallig, dat het jeugdige echtpaar bij voorkeur met rosmarijn is getooid en dat “de slag met de levensroede”, die, zooals wij zagen, vruchtbaarheid beoogt, veelal met rozemarijnstengels wordt toegediend.—Wellicht moeten de holle boomen echter anders beoordeeld worden dan de gewone boomen, en zag men in hen slechts een toegang tot de geheimzinnige onderaardsche wereld.

Laat ik hier ten slotte aan toevoegen, dat de kinderen ook door dokter of vroedvrouw gebracht worden, of door de ouders worden gekocht, b.v. in missielanden. Zie hierover vooral Boekenoogen, Volkskunde XXII, bl. 18, 143, 193; XXIII, bl. 29; Knappert, Folklore, bl. 188 vlg.; Utrechtsche Volksalmanak, 1853, bl. 2 vlg.

Vrouwen in gezegenden staat ondervinden een bijzondere oplettendheid van den kant der buurvrouwen en vriendinnen. Zij mogen geen leelijke of vreemde dingen zien en moeten den aanblik van kreupelen en roodharigen vermijden. Wordt het kind geboren met hazenlip of ander gebrek, dan is dit hoofdzakelijk te wijten aan de onvoorzichtigheid der moeder tijdens haar zwangerschap. Tot haar omgeving staat zij in sympathetisch verband: een boom, die voor het eerst vruchten draagt, zal overvloediger dragen, als een vrouw in den tijd der verwachting van de vruchten eet. Verder is het een algemeen verbreide meening, dat het zeer verkeerd is gedurende de zwangerschap waschgoed op te hangen, onder een drooglijn door te loopen, met de armen boven het hoofd te slapen. Over deze en dergelijke volksopvattingen zie vooral M. A. van Andel, Volksgeneeskunde in Nederland (Utrecht 1909), bl. 105 vlg.

De vertraging der geboorte en het verstrijken van den barenstijd, naar berekening, wordt veelal toegeschreven aan den invloed der maan: “Zij zal de nieuwe maan, het eerste kwartier afwachten”, ineenen de buurvrouwen.

Wordt het kind met een stuk der vliezen over het hoofd geboren, met “den helm”, dan is het beeldwit (blijkbaar een verbastering van het Middelnederl. belewitte, zie bl. 67): zoo iemand kan voorspellingen doen omtrent sterfgevallen, branden en het vergaan van schepen. Sommigen, die met den helm geboren zijn, moeten ʼs nachts opstaan, om de hekken te openen voor een lijkwagen. De helm en navelstreng spelen ook als toovermiddel in onze landen zoowel als elders een niet onbeduidende rol in het volksgeloof; zie vooral M. Sabbe in Volkskunde XXIII, bl. 91 vlg.; en R. Meringer in Wörter und Sachen, V, bl. 43 vlg. Ook Zondags- en Kerstkinderen kunnen in de toekomst zien; het zijn gelukskinderen, evenals de Woensdagskinderen; Vrijdagskinderen sterven spoedig. Kinderen met een dubbele kruin worden knap of koppig. De roodharigen zijn “van God geteekend” en staan aan plagerij en bespotting bloot: “Rood haar en elzenhout groeien op slechten grond”, meent het volk. Zie Prof. J. W. Muller, Volkskunde XIX, bl. 8; Prof. Verdam, Handel. en Mededeel. v. d. Maatschappij der Nederl. Letterkunde te Leiden 1897—98; H. Heuvel, Driem. Bladen II, bl. 8.

Terstond na de geboorte ontvangt in katholieke streken het kind den vaderlijken zegen. De baker geeft het eerste bad en met dit badwater worden in Duitschland jonge boompjes begoten: zóo, als het boompje groeit, zal ook het kind groeien en gedijen. Dit hangt samen met de opvatting, dat het leven van den mensch als het ware een dubbelganger heeft in het vegetatieve leven van een boom, die al zijn lotsbeschikkingen deelt of zelfs bepaalt: een opvatting, die stoelt op de animistische voorstelling eener wezenlijke overeenkomst tusschen de plant en den mensch. Vandaar het planten van den levensboom bij de geboorte, een gebruik, vooral bij de Zuid-Slaven in zwang en door Fr. Krauss in zijn Volksglaube und religiöser Brauch der Südslaven (Munster 1890), bl. 32 vlg. zoo treffend geschetst. Ook bij de huwelijksgebruiken speelt deze levensboom een rol. In het Limburgsche is dit veelal een eik, beuk of vruchtboom, al dreigt het gebruik thans uit te sterven; en ook in menig Vlaamsch dorp kent men nog het geboorteboompje, doorgaans door den vader in den tuin geplant, als zijn vrouw hem een telg schenkt: dit boompje zal mèt het kind, als zijn evenbeeld, opgroeien en bloeien, om eenmaal te verdorren. Voor jongens kiest men een noten- of appelboom, voor meisjes een pereboom. Is het een goed noten- of appeljaar, dan worden veel jongens geboren; zijn de peren overvloedig, dan komen veel meisjes ter wereld. Ik herinner nog aan de treffende spreekwijze: “zijn levensboom verdort.” Zie Is. Teirlinck, De Plant—een levend, bezield, handelend wezen (Gent 1892); Bloeiende Reuzen (Rousselare 1886). De vroedvrouw (wiezemoêr, wiesvrouiv), die den geneesheer vervangt, is ook meestal zeer bedreven in de lotsvoorspelling van den pas geborene. De baker laat het kind kijken en strijkt daarvoor de gebruikelijke fooien op.—En nu, voorzichtig! De kleine mag niet op de linker zij worden gelegd, anders wordt hij linksch; men mag niet over de wieg heen reiken, waar hij slaapt; men mag niet met een ledige wieg wiegen, dat verijdelt de nachtrust, òf het kind sterft. Het mag niet gemeten worden, anders meet men zijn doodkistje. Houdt het zijn vuistjes gesloten, dan wordt het gierig; houdt het ze open, dan wordt het vrijgevig. Van een stuurschen, onwilligen jongen zegt men in Limburg; “hij is overkops gewiegd”. Ook moet de moeder de nagels van den jonggeborene afbijten, anders leert hij stelen. Het afknippen der nagels en der haren, het baden, enz., hetgeen bij de natuurvolken dikwijls als ritueele handeling beschouwd wordt, behoort tot de zoogenaamde scheidingsgebruiken, die ten doel hebben, ook een inwendige scheiding te bewerkstelligen; zie hierover vooral A. Van Gennep, Les rites de passage (Paris 1909), passim; Paul Sartori, Sitte und Brauch 1 (Leipzig 1910), bl. 18. De scheidingsgebruiken vormen mèt de opname-gebruiken in hoofdzaak de groep der overgangsgebruiken, die den overgang van den eenen toestand tot den anderen, van de eene sociale groep tot de andere, plegen te kenmerken; bij de volken met lagere kultuur zijn zij meestal in magisch-religieuze vormen gehuld.

Wanneer ik nu zeg, dat tot onze opname-gebruiken in de allereerste plaats het doopsel en de naamgeving behooren, bedoel ik allerminst, hierin een criterium voor lagere kultuur te ontdekken. Integendeel! Immers het lagere ligt niet in het religieuze, maar in het magico-religieuze,—het lagere, zonder dat hierdoor iets ten gunste van de prioriteit dezer kultuurlaag wordt beslist. Peter en meter worden doorgaans genomen uit de naaste bloedverwanten. Veelal geeft de peter aan het kind zijn naam en beschouwt dit als zijn recht; geeft men het kind den naam der ouders, dan sterft het vóor de ouders. Het erft de hoedanigheden van peter en meter; ook neemt de doodstrijd van iemand, wiens meter nog leeft, geen einde, zoolang deze niet aan het ziekbed verschijnt. Bij den doop van den eersten zoon is gewoonlijk de mansvader peter, bij den doop van het eerste meisje de vrouwsmoeder meter.

Ongedoopte kinderen zwerven na hun dood als dwaaltochten rond boven de moerassen of vormen een deel van de Wilde Jacht. Kinderen, die, gedoopt zijnde, sterven, worden engeltjes: in Duitschland kent men den Engelgarten, de begraafplaats van gedoopte kinderen.

Kinderzegen beschouwt men in Groot-Nederland, althans op het platte land, grootendeels nog als geluk en als eere, al is het treffende Boheemsche spreekwoord onbekend: “Zooveel kinderen de vrouw heeft, zooveel sporten komt zij den hemel nader”.

Het doopkleed wordt in vele families zorgvuldig bewaard. Nog bestaan kanten doopkleeden van groote waarde in sommige families, waarin vijf geslachten ten doop gedragen werden. Peter en meter plachten eertijds aan hun petekind een pillegift te schenken, een woord, dat nog voortleeft in het Westvlaamsche villegift: een gouden penning, zilveren lepel, of iets dergelijks.

Natuurlijk gaan geboorte en doopsel ook met de noodige feestelijkheden gepaard, “ʼt Kind verdrinken”, noemde men voorheen het feest voor de buurvrouwen. Ook het doopmaal was vast gebruik. In België wordt na den doop de noodige kindersuiker gekocht, om deze aan de buurtjeugd uit te deelen; en ook in Noord-Nederland worden buren, vrienden, magen, die “het kindje komen kijken”, plaatselijk nog op suikerdebol onthaald. Te Weert eet men een soort wittebroodsbollen, lommerten genaamd. “Het kindje gaan zien” is op menig Limburgsch dorp synomien geworden van: een glaasje gaan drinken in een herberg zonder vergunning. Het gewoon onthaal bestaat echter in koffie, wittebrood en beschuit, bestrooid met suikerkorrels: sòkerkörkes of muisjes, wit en rood, wat nog met de sekse in verband wordt gebracht. De Friesche term is poppebak, en men vertelt, dat de lytse pop (het kraamkind) zulke bakken heeft meegebracht. Of wij hierin een overleefsel van offergaven moeten zien, durf ik niet uitmaken.

Een ander gebruik is dit, dat gedurende negen dagen, die de bevalling volgen en waarin de kraamvrouw het bed moet houden, de buurvrouwen en vriendinnen, veelal gezamenlijk, haar komen bezoeken en het een of ander ten geschenke meebrengen; dit heet in Limburg: met den eierschoot gaan, in Noord-Brabant: met den krommen arm of de kromme slip gaan. Ook in het noordelijk gebied kent men kraamschudden; het geschenk bestaat gewoonlijk in krentebrood. Te Brugge heet dit gebruik prijken, elders paanderen, ook te paanderinge of te pronkinge gaan.

Na een bepaalden dag houdt dan de moeder den kerkgang, en wel in navolging van Maria, die het voorschrift der Joodsche wet nakwam, waarvolgens de vrouwen, veertig dagen na de geboorte van een zoon, zich tempelwaarts moesten begeven ter reiniging en om het kind aan den Heer op te dragen. De kraamvrouw wordt op dezen gang door de buurvrouwen vergezeld; na afloop van de plechtigheid heeft in katholieke streken dan voorgoed de traktatie op koffie en stoete, en brandewijn met rozijnen of kraamanijs plaats, die den naam van kindjeskermis of kindjeskoffie draagt, en beantwoordt aan het Drentsche wievemoal en de Friesche wievedei. De Westvlamingen heeten dit de koffiebale. Met jonge vrouwen, nog niet moeder, wordt bij die gelegenheid wel eens wat gesold; men geeft ze schijnbaar een eereplaats en zij krijgt den kleine op den schoot. In Friesland nam dit gekscheren enkele malen een ruwen vorm aan; zie Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 222. Deze traktatie wordt ook wel kinderbier genoemd; hierin heeft bier natuurlijk een algemeene beteekenis, die wij nog herhaaldelijk zullen ontmoeten.

De ziekten van het kind gedurende de eerste levensjaren worden vaak aan beheksen toegeschreven: stuipen, mazelen, kinkhoest, Oude Man (rachitis) enz. Maar het volk weet raad en heeft voor al die kwalen geneesmiddelen, waarop ik bij de behandeling der Volksgeneeskunde terug kom. Over het algemeen maakt men een veelvuldig gebruik van amuletten, b.v. een snoer pioenzaden, een rozenkoortje (rood katoenen koordje), een kettinkje van lijsterbessen enz. tegen stuipen en moeilijke doorbraak der tanden. Eigenaardig is in België de vereering van Sint Jan den Grijzer of Krijter (Sint Jan in den Olie) en van O.L. Vrouwe ter Ruste tegen het schreien en woelen der kinderen (sympathie).

Een heuglijke gebeurtenis is het doorbreken van den eersten tand. Op meer gevorderden leeftijd werpt het kind doorbrekende melktanden of ook andere tanden over het hoofd en zingt daarbij:

Zuid-Holland:

Onze Lieve Heertje,

Daar hebt U een oude tand,

Geef me weer een nieuwe tand,

Die er vaster in staat,

En er niet meer uit gaat.

Sluis:

Vleremuis

Kom ʼt avond tʼhuis,

Breng mijn nieuwen tand tʼhuis.

Mijn oude is versleten,

Mijn moeder mag ʼt niet weten,

Mijn vader heeft geen geld,

Heeft het al op hoopen gesteld.

Tiel:

Muis, muis, gimme een tand,

Die der noot meer uit kan.

Vlaanderen:

Muize—muize—manneken,

Geef mij een ander tanneken,

Liever ʼnen tand van been,

Als eenen van steen.

Dat de muis, het knaagdier, hier als sympathetisch tooverdier geldt, is duidelijk. Als merkwaardigheid zij vermeld, dat soortgelijke formules, waarin de muis voorkomt, in gebruik zijn in Brandenburg, de Rijnprovincie, Tirol, Würtemberg, Hessen, Baden, Pruisen, Bohemen, Galicië, Bukowina en Rusland. Zie Van Andel, Volksgeneeskunst, bl. 142 vlg.

Nu meene men echter niet, dat alleen tooverij en bijgeloof hun schepter zwaaien over de prille dagen der kindsheid. Het is waar, geen tijdperk wellicht in het menschelijk leven wordt zóo door traditioneele vormen en leefregels beheerscht, die wortelen in het meest primitieve volksgeloof. Maar den boventoon voert toch koesterende moederliefde en blijde vadertrots, aldoor geprikkeld en gevoed door de hulpbehoevendheid van den kleinen lieveling. Wie in deze eerste dagen de gezellige huiskamer met haar gulden innigheid, haar guitig wiegje, welhaast haar drukken kinderstoel, van zonneglans en zonnewarmte doet tintelen,—het is de kleine dwingeland in het hagelwitte linnen, waarin hij reeds zoo lang werd verbeid en dat de Hollandsche en de Vlaamsche moeder in de blijde dagen harer verwachting met moederweelde en vreugde-kloppend hart heeft toebereid. Hoe teekenend en hoe innig, hoe berekend voor de luistergrage oortjes, die naïeve wiegeliedjes, met hun beperkte notenbeweging en hun rijkdom aan klankgehalte, waarin de rythmische wiegbeweging, maar ook moederlijke bezorgdheid en liefde zoo duidelijk hoorbaar doorklinken:

Slaap, kindje, slaap!

Daar buiten loopt een schaap,

Het heeft vier witte voetjes,

Het drinkt zijn melk zoo zoetjes,

Slaap, kindje slaap!

Of:

Het heeft zooʼn witte wol

En ʼt drinkt zijn buikje vol.

Dit ver verspreid wiegeliedje vinden wij met talrijke varianten in de verschillende dialekten; zoo b.v. in het Limburgsch:

Sloap, kieneke, sloap!

Die vader heuit et schoap,

Dien moder heuit de bonte koe,

Kieneke, maak dien eugskes toe,

Sloap, kieneke, sloap!

Een enkel maal behelst het een ontboezeming:

Suja, poppedeine,

ʼt Kindje is nog kleine,

ʼk Wou, dat ʼt kindje grooter was,

Dat kwam moeder wel te pas.

Een in Twente en op de Veluwe zeer bekend deuntje luidt:

Suja, suja, kindje,

ʼt Papje steet in ʼt spintjen,

Melkje van de bonte koe,

Kindje, doe je oogjes toe.

Hoeveel naïeve moederzorg ligt niet in ʼt Twentsche:

Suja, suja, lutke wicht,

Sloape zeute, eugskes dicht.

Hunnewiêve, ʼk zal diê sloan,

Kumst du biê de huja stoan.

Tot de meest gewone Vlaamsche wiegeliedjes behoort wel:

Do, do, kinneken, do,

Slaap en doet uw oogskes toe,

Hebde geen vaak, ge moet nie slapen,

Hebde geen honger, ge moet nie gapen,

Do, do, kinneken, do.

Maar de wiegeliedjes zullen spoedig verdwijnen, nu de bovenkultuur het wiegen onhygiënisch verklaart. En zal het met de groeiende beschaving ook niet spoedig verdwijnen, het heerlijk-innige, over geheel West-Europa verspreide, kindergebed?

ʼs Avonds als ik slapen ga,

Volgen mij veertien engeltjes na:

Twee aan mijn hoofdeind,

Twee aan mijn voeteneind,

Twee aan mijn linkerzij,

Twee aan mijn rechterzij,

Twee die mij dekken,

Twee die mij wekken,

Twee die mij wijzen

Naar ʼs hemels paradijzen.

In een spreukenverzameling uit de XVe eeuw wordt het reeds als oud gebed betiteld; zie hierover o.a. Karl Wehrhan, Kinderlied und Kinderspiel (Leipzig 1907), bl. 72.

De moeder leert aldra het kind loopen en spreken. De leiband is, evenals de loopwagen of loopkorf, in de laatste jaren in onbruik geraakt. Wat het leeren spreken betreft, dient opgemerkt, dat dit voor een groot deel onbewust geschiedt, maar ten deele toch ook opzettelijk en volgens bepaalde beginselen: het vaak laten herhalen van dezelfde klanken of lettergrepen, het vermijden van moeilijke woorden of klankgroepen, het opzettelijk vervormen van woorden, het zich aanpassen aan den lettervoorraad van het kind, enz. Zoo kan men spreken van een voedstertaal, die de volwassenen vormen in navolging der stamelwoorden van de kinderen. De eigenlijke kindertaal is psychologisch hoogst belangrijk en heeft het tijdstip van de ontplooiing der verstandelijke vermogens als grens. Reeds de taal der kinderkamer is zeer merkwaardig en vormt een opmerkelijke groeptaal, al is de sociale groep der kinderen op dien leeftijd nog betrekkelijk onvast. Van bijzonder belang zijn de stamelwoorden, oorspronkelijk zonder beteekenis, maar waaraan door de volwassenen uit de omgeving een beteekenis wordt gehecht, als ada, tata, toetoe enz., meestal geredupliceerde vormen, alsmede de bestanddeelen der algemeene taal, die in den kindermond een eigenaardige verandering ondergaan: opoe, botam, (boterham), mek (melk). Buitenmate rijk is deze periode tot het maken van opmerkingen van psychologisch-maatschappelijke aard. Het meest treffend is wel, dat de kinderen het best en het vlugst van elkander leeren. Zie mijn rede over de Sociale klassieke Taalkunde (Amsterdam 1912), bl. 14, 15. De kinderrijmpjes bespreek ik afzonderlijk in het Vijfde Hoofdstuk.

Wordt het kindje grooter, dan neemt moeder het op haar schoot, en nu mag de kleine huppelen en hossen op de maat van het schootliedje:

Hop, Marianneke

Pop, Marianneke

[of: Stroop in het kanneke]

Laat de poppekes dansen,

Een goeie man,

Een brave man,

Een man van complaisance.

Hij roert de pap, hij wiegt het kind

En laat zijn vrouwke [hondje] dansen.

En dan, welk verrukkelijk genot, paardje te mogen rijden op vaders of grootvaders knie; in het vlugge rythme hoort men het galoppeeren van het paard:

Húp páardje óp een dráf

Mórgen ís het Zóndág.

Dán kómen de héerén,

Mét de bónte kléerén,

Dán kómen de vróuwén,

Mét de bónte móuwén,

Dán kómt de ákkermán

Mét zijn páardje áchterán.

Elders luidt het:

Hup, paardje, meulen,

De koster zit op ʼt veulen,

Pastoor zit op de bonte koe,

Die rijden naar de meulen toe,

Om een zakje haver,

Wat zal dat paardje draven,

Om een zakje mikken,

Wat zal dat paardje slikken,

Ja, ja, paardje, draf,

Morgen is het Zondag.

Vaak ook bezoekt men te paard de plaatsen in den omtrek; men lette op de afwisseling van drie en vier heffingen:

Jóe, jóe, jóe,

Naar Hóorn óm een kóe,

Naar Álkmaar óm een várkén.

Zoo ríjden wíj naar Márkén,

Naar Márken óm een wágén.

Zoo ríjden wíj naar Schágén,

Naar Schágen óm een sjées.

Zoo ríjden wij náar de Bée(t)s,

Ván de Bée(t)s naar Ákkerslóot,

Óm een schóotje wíttebróod.

Nu vergelijke hiermee het Vlaamsche:

Juite, ko, mijn peerdje,

Naar Iper om e steertje,

Wilt da peerdje nie zeeʼder loopen,

ʼk Zal ʼt e vatje met haver koopen;

Is er tʼ Iper geene,

ʼk Ga van da na Meene;

Is ze te Meene goeie koop,

ʼk Koope der tien of twaalf stoop.

Rupelmonde:

Juttekave ronde!

Van Gent noar Derremonde,

Van Derremonde noar Bevere,

Om e vat jenevere;

Van Bevere noar Kalloo,

Doar eten de pêrekens hoo(i).

Zie De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust IV, bl. 229 (Wiegeliedjes), 250 (Paai- en Koozeliedjes), 291 (Kniedeuntjes); Dr. Boekenoogen, Onze Rijmen, bl. 35 vlg., Dr. J. Van Vloten, Nederlandsche Baker- en Kinderrijmen (Leiden 1894), bl. 12 vlg.

Thans begint het eerste onderricht: voorwerpen der naaste omgeving, personen, lichaamsdeelen vooral krijgen de beurt, en schertsend heet het:

Kinnetje knap,

Mondje hap,

Neusje snuit.

Maar vooral wordt aanschouwelijk en verhalend gewezen op het onderscheid der verschillende vingers:

Duimeling heeft een koe gekocht,

Fikflak heeft hem thuis gebracht,

Langeman heeft hem geslacht,

Ringeling heeft de worst gemaakt,

En Klein Schelmpje [met tallooze varianten]

heeft alles opgegeten!

Te Ieperen kent men den korteren vorm:

Dumeloot,

Kattepoot,

Langerake,

Korteknape,

Klein petietje.

Soms wordt de volgorde omgekeerd; aldus in het Hollandsche:

Pinkie,

Goûrinkie,

Langeliereboom,

Potteschrapper,

Ketellapper.

Zie hierover Volkskunde XVII, bl. 88 vlg.

Het kindje wordt grooter, de gezichtskring verruimt zich, het verstand ontluikt, naar alle richtingen steekt het zijn voelhoorns uit, de sociale groep wordt omvangrijker en bestendiger, en uit den dreumes groeit een jongen of een meisje. Het onderwijs op school wordt voortgezet,—machtige, nu eens voortstuwende, dan weer stremmende faktor in de volksontwikkeling van het kind. De taal is in hooge mate aan de inwerking van dien faktor bloot gesteld, zij worden tweetalig, terwijl hun kaste-geest zich treffend in de vele geheime taaltjes en alfabetten openbaart. Ook de speeldrift komt in haar algeheele volheid tot uiting in kinderspel en kinderlust.

Een enkel woord over het kinderspeeltuig der eerste periode. Natuurlijk verandert dit volgens de landstreek en zijn b.v. molentjes, scheepjes en boeiers in het noordelijk volksgebied heel wat veelvuldiger. Maar meer nog houdt het speelgoed gelijken tred met sociale en ekonomische ontwikkeling, met dit gevolg, dat het goedkoope, eenvoudige speelgoed van vroeger door steeds duurder—maar niet duurzamer!—en ingewikkelder speelgoed vervangen wordt, waarbij dan tevens de gedachte voorzit, vooral leerzaam speelgoed te bieden. Men zou haast kunnen zeggen, dat de kinderen vroeger meer speelden om te spelen, thans meer spelen om te leeren. Poppen en bouwdoozen hebben zich doorgaans weten te handhaven, maar vertoonen toch meer raffinement; poppen in nationale kleederdracht worden zeldzamer. Den boventoon voeren, althans in de steden, miniatuurspoortreinen, stoommachines, autoʼs, luchtschepen enz. Tollen, ballen en hoepels behooren tot de kinderspelen der tweede periode, tot de jongens- en meisjesspelen. De 183 nummers speelgoed in het Museum van Folklore te Antwerpen (Catalogus, bl. 23 vlg.) zijn in dit opzicht zeer belangrijk en leerzaam.

Het heeft den schijn, alsof in de eerste periode meer met het kind gespeeld wordt, dan dat het zelf speelt. Deze opvatting is onjuist: het kind speelt intensief lang vóor het niet alleen hoepel en tol, maar zelfs pop en hobbelpaard heeft leeren kennen. Daar bestaat een periode van het hoorspel, waarin de kleine in de wieg luistergraag let op den rammelaar, op het kloppen, tikken, spreken, fluiten, zingen, rammelen van sleutels enz. Spoedig begint dan het kakelen en schreeuwen, een schreeuwen zonder smartgevoel, alleen om den speellust te bevredigen. Ook brengt het kind geluiden voort met papier, sleutels, klapt in de handjes, werpt alle voorwerpen op den grond om het speelgenot, ze te hooren rollen. Later maakt dit pleizier in geraas en getier voor welbehagen aan welluidendheid, voor een fijner hoorspel plaats. Daarnaast het gezichtspel. Behalve het “licht”—en laat de moeder haar kind niet allereerst naar de “lichtjes” zien?—neemt het slechts bewegingen waar. Daarna speelt het met den slinger van de klok, met den damp, die opwalmt uit den ketel, met den kronkelenden rook der sigaar, met de hoekige arm- en beenbewegingen van den hansworst; en al spoedig wordt dit passieve spel in een aktief omgezet. Eindelijk het gevoelspel, dat men ook bewegingsspel zou kunnen noemen. Lachen, schreeuwen, kakelen schenkt den kleine een behaaglijk gevoel, terwijl de organen worden geoefend en in het bijzonder de spraakwerktuigen smijdig worden gemaakt. Allerlei voorwerpen worden betast en beknabbeld, als pennehouders, gummi, rammelaars. Hiertoe behoort ook het trappen op- en afklimmen, kruipen, glijden enz.

Aldus uit en ontwikkelt zich de vroeg ontwaakte, spoedig werkzame, zich-zelf vormende en leidende speeldrift. Zij verwekt gevoelens van lust en welbehagen, die de volwassene met zijn nuchter verstand niet meer koesteren, zelfs veelal niet meer bevatten kan. Het kind leeft als in een droomwereld, in een tooverland van fantasie, waarin ook het stugste en meest bekrompen kind een rijkdom van begrippen, van spraakvormen, van mimiek en pantomimiek vertoont, die vaak verwondering wekken. Een groote faktor is de navolgingslust, die de geheele maatschappij, in het klein, in miniatuurvorm, tracht weer te geven: soldaatjespelen, schoolspelen, moedertjespelen—waarbij dikwijls zulke fijnzinnige verschuiving der voorstellingen plaats vindt—ja zelfs begrafenisspelen behoort tot de geliefkoosde themaʼs (zie beneden). De voornaamste spelen zijn van socialen aard en worden door de gemeenschap uitgevoerd, die al vrij dikwijls òf de jongens, òf de meisjes afscheidt: zoo vindt ook reeds in het spel de neiging tot differentiatie haar uiting, en met name de tegenstelling der beide geslachten wordt met het jaar scherper.

De grootste tijdsruimte der jeugd wordt ingenomen door het spel. Het is veelsoortig, omdat ook de latere menschelijke werkzaamheid zoo veelsoortig is. Het spelen van het kind is reeds berekend op het handelen van den man: het is een voorschool van het leven.

Over den oorsprong van de spelen kan ik kort zijn. Men heeft dien in Indië, in Griekenland, te Rome en waar al niet gezocht. Het bikkelspel vindt men vermeld bij Homerus (Ilias XXIII, 88); het kiskassen,—waarbij gladde, platte steentjes, tusschen duim en voorsten vinger gevat, beurtelings strijkend en opspringend over een watervlakte vliegen—wordt merkwaardig overeenstemmend beschreven in het Onomasticon van Julius Pollux en in den Octavius van Minucius Felix. Maar hier is geen sprake van navolging of gemeenschap van oorsprong, tenzij men als zoodanig de algemeene kinderlijke speeldrift wenscht te beschouwen. Dit neemt niet weg, dat enkele kinderspelen van elders komen, of op eigen bodem, gedurende eeuwen, van geslacht op geslacht zijn overgegaan, zoodat zij nog maatschappelijke vormen bewaren, welke de maatschappij der volwassenen reeds lang heeft afgelegd. Ook in de bijbehoorende rijmpjes kan menig overleefsel besloten liggen. Zoo is in vele aftelrijmen sprake van “Engelland”, “naar Engelland varen”: hiermee wordt bedoeld het zielenrijk, het Oudgermaansche hemelsche lichtland.

Niemand heeft grondiger en vollediger, en tevens met meer toewijding de kinderspelen onderzocht dan De Cock en Teirtinck in hun standaardwerk: Kinderspel en Kinderlust, 8 dl. (Gent 1902–1908); zie verder Ter Gouw, De Volksvermaken, bl. 28 vlg.; Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 412 vlg.; Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 225 vlg. Kinderspelen, die met speelliedjes gepaard gaan, bespreek ik in het Vijfde Hoofdstuk.

Men heeft dikwijls de meening geuit, dat de verschillende spelen geregeld en op gezette tijden in de verschillende jaargetijden terugkeeren. Dit blijkt slechts ten deele juist. Een groot aantal spelen is noch aan maanden, noch aan jaargetijden gebonden. Met de auteurs van Kinderspel en Kinderlust nemen wij bij de rangschikking als grondslag den aard van het spel zelf. En zoo onderscheiden wij, vrijwel in overeenstemming met hun indeeling: loopspelen, springspelen, dansspelen, werpspelen, ambachtspelen, raadspelen, schommelspelen, knikkerspelen, tolspelen, hoepel- en vliegerspelen, sneeuw- en ijsspelen.

Loopspelen. Het steltloopen was reeds bij de Grieken en Romeinen bekend. Vroeger hadden op verscheidene plaatsen gevechten op stelten plaats; thans verbindt men hier of daar nog het soldaatjespelen met het stelten loopen. In Vlaanderen spreekt men van schaatsen en krikken.—Zeer algemeen is het krijgertje-spelen, op de eilanden van Zuid-Holland ook wel Jaagje-spelen, elders haarvaartje-spelen, Limb. naloopertje-spelen, België meestal katje-jagen geheeten.—Overoud is het boompje-verwisselen of stuivertje-wisselen, in België meestal vierhoeken genoemd. Van de vijf spelers houden vier een hoek, een boom, een paal b.v. bezet, terwijl bij het wisselen de vijfde moet trachten, een der vrij komende plaatsen in te nemen. Te Zaandijk roept men, als men met een ander van plaats wil verwisselen: “Wip hem, soldaatje.” In Limburg: “Eeder van zien alt-alt iêzer aaf.” Vergelijk hiermee het Brunswijksche: “Isermänneken, hat kein stänneken, kann kein stänneken finnen.” Laat ik verder noemen het haasje- en blindemannetje-spelen, wat dikwijls met rijmpjes gepaard gaat. Overal bekend, en een echt jongensspel is het baarspel; de speelplaats is door twee lijnen of baren in twee kampen, met een gevechtsterrein daartusschen in, verdeeld. Wie geraakt (getakt) wordt, is krijgsgevangene; hij moet op de baar staan, maar kan door zijn partijgenooten verlost worden. Het verstoppertje-spelen heeft tallooze varianten; ik vermeld slechts het Limburgsch bergermuuske-speulen, het Zaansche honk-uit, het Geldersche piepverstoppen. De honk is de vrijplaats, die bij deze spelen gewoonlijk wordt afgebakend of aangewezen. Een mythologischen ondergrond meent Dr. Boekenoogen (Navorscher 1891, bl. 107 vlg.) te kunnen waarnemen bij het spel van den wolf en liet schaaf, in Friesland de zwarte leider of de ruige wolven genoemd. Aan de Zaan luidt de tweespraak tusschen den leider en den wolf als volgt:

Wolf.—Herder, laat je schaapjes gaan!

Herder.—Ik durf niet.

Wolf.—Waarom niet?

Herder.—Van den ruigen wolf niet.

Wolf.—De ruige wolf is gevangen

Tusschen twee ijzeren tangen,

Tusschen zon en maan,

Herder laat je schaapjes gaan!

De dikke, ruige wolf, gevangen tusschen zon en maan, zou Fenrir, de zoon van Loki zijn, die in wolfsgestalte de Asen vervolgde en eindelijk gevangen en tusschen twee rotsen werd vastgeklemd. Waarschijnlijker gaat dit spel rechtstreeks op een sprookje terug; maar heeft dit sprookje zelf geen mythologischen grondslag?

Springspelen. Bij het haasje-over springen tracht elk speler op beurt over al de andere, die voorovergebogen staan met de handen op de knie, heen te springen; bij het bok-sta-vast staat een jongen met den rug tegen een muur, een tweede legt het hoofd in diens gevouwen handen in gebogen houding en een derde, een vierde enz. staan, den rug biedend, tegen hem aan. De beste springer wipt nu over hem heen, zoo ver hij kan, dan volgen de anderen. Het hinkspel wordt meer door meisjes dan door jongens gespeeld. Op den grond trekt men een bepaalde figuur met verscheidene vakken en de speler moeten nu het hinkhout van het eene vak naar het andere voortschoppen. Het voorlaatste vak heet in België meestal helle of halve hemel, het laatste hemel; in Baden heet het voorlaatste Ruhe, het laatste Himmel.

Dansspelen. Zoowel bij het eenvoudige dansen, als bij het ronde-dansen, het reidansen en het touwtjespringen wordt een groote verscheidenheid van speelliedjes gezongen, te behandelen in het Vijfde Hoofdstuk.

Werpspelen. Het kiskassen kwam reeds ter sprake; andere benamingen zijn: stipstappen, botjes-schieten, briezelen, dopperen, keilen, kietelen, schiffelen (schievelen) enz. Insgelijk zeer oud schijnt het boeren (boer-pas-op), waarbij een kleine steen, de boer, volgens bepaalde regels, van een grooteren moet afgeworpen worden. Het Friesche tipelen geschiedt niet een kort stokje, dat aldus op een steen wordt gelegd, dat men het kan doen opspringen, door er met een langer stok op te slaan. Of wel, het korte stokje wordt over een kuiltje gelegd en met den langen weggeslingerd; de tegenpartij tracht dan het vliegend stokje op te vangen. Ook in Groningen kent men dit spel, zie Driem. Bladen IX, bl. 63. Aan de Zaan heet het puntelen of priegelen, in Hollandsch en Belgisch Limburg pinkelen, terwijl de algemeene Belgische benaming anjelus-spelen is. Veel varianten biedt ook het op-de-streep-gooien met centen of knoopen, van de meet af naar een andere lijn, de schreef; België: overschieten, Limburg: steken, Zaan: botten, Friesland: opsmijten, Gelderland: pleien. Maar merkwaardiger is het overal bekende kruis-of-munt-spelen, vooral wegens de verschillende benamingen der beide zijden van het muntstuk; zoo b.v. Zuid-Limburg: haan of plaat; Antwerpen en Vlaanderen: kop of letter; Leeuwarden: kop of luw; Gelderland: menneken of letterken; Vriezenveen: meunte of misse; enz. Het Vlaamsche teppeke-schieten heet in Limburg stöpke-schieten, en aan de Zaan tukkelen.

Balspelen. De kaatsbal is in Noord-Brabant onder den naam van kwatsbal, in Hollandsch Limburg onder dien van prikkebal, in de Kempen als pakkebal bekend. Bij het gewone kaatsspel staan gemeenlijk vijf spelers in elk kamp; de bal wordt opgeslagen en de tegenpartij tracht hem te keeren.—Ook maakt men vaak zooveel kuiltjes als er spelers zijn. Elk speler tracht een bal in een der kuiltjes te werpen; en nu is het de taak van den speler, in wiens putje de bal terecht komt, den bal te grijpen en een der wegvluchtende spelers te treffen. Hij, die geraakt wordt, krijgt een steentje in zijn kuiltje, en eveneens als de achtervolgende speler met werpen mist. In plaats van kuiltjes bezigt men dikwijls een hoed of pet, hetgeen invloed heeft op de benaming. De gewone straf is, dat men door de roffel (de brits, de spitsroe, de kordons, de stommeling) loopen moet.—Een zeer aangenaam spel, met veel afwisseling, maar dat zelden meer gespeeld wordt, is het beerhoeden, waarbij een der spelers een grooten bal in het grootste kuiltje tracht te drijven, hetgeen de andere spelers, die hun kleiner kuiltjes hoeden, met hun stok trachten te beletten. In Noord-Brabant noemt men dit balspel killen, in België doorgaans zogdrijven of zogspelen, zoo ook plaatselijk in het Oosten van ons land en in Limburg, b.v. te Doenrade, waar evenals in België de zogput bekend is. Raket- en kolfspel zijn voldoende bekend.

In het bikkel- of pikkelspel kan men twee spelen onderscheiden: een meisjesspel, het eigenlijke bikkelen, en een jongensspel, ook wel kooten geheeten. Het speeltuig verschilt insgelijks: dat der meisjes is de schaapskoot, terwijl de jongens bij hun spel de kooten der koeien gebruiken. Er bestaat een groot aantal benamingen, en wel voor den bikkel zelf, alsmede voor de vier verschillende zijden. Terwijl nu bij het meisjesspel tijdens het opspringen van den stuiter of bal de bikkels moeten omgekeerd of opgenomen worden, wordt bij het kooten—een specifiek Noord-Hollandsch spel—door de spelers met een koot (of klauw) naar een rij knikkers gegooid; zie Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal, sub verbo; Terwey, Taal en Letteren III, bl. 47.

Al deze spelen dreigen verdrongen te worden door het uitheemsche voetbal-, korfbal-, lawn-tennis-, cricket- en croquetspel.

Balspelen. Het bekende kegelen noemt Ter Gouw “den aanval op een bataillon carré, met den bevelhebber in ʼt midden, wien men voorkeur poogt te treffen.” Vroeger was het ook in Holland vrij algemeen; thans wordt het meestal in Vlaanderen, Noord- en Zuid-Brabant en Zuid-Limburg gespeeld. De koning heet te Brussel de dame, elders de paap, de pee, de zot enz. Het beugelspel is in Noord-Brabant en Noord-Limburg inheemsch, een zeer hygiënische oefening, die bij goede spelers heel wat vaardigheid en kombinatiegave vereischt. Soms dagen enkele beugelbazen de spelers van een ander dorp uit. Na bepaald te hebben, wie de strijders zijn, en hoeveel partijen zullen gespeeld worden, begint de wedstrijd. Winnen de uitdagers, dan worden de slagers der tegenpartij meegenomen en men spreekt af, wanneer de verliezers revanche zullen nemen.

De ambachtspelen berusten hoofdzakelijk op den besproken socialen lust ter navolging of nabootsing. Ik vermeld het bakker-, kleermaker-, schoenmaker-, weverspelen; paardenbeslaan- en koetsierspelen; kruiwagen-rijen; huisjes en ovens bouwen in het zand; tuintjes-aanleggen; zage-zage-menneke, met bijbehoorend speelliedje; botermelk-verkoopen; winkeltje-spelen; schoolspelen; altaarprocessie- en kerkhofspelen; soldaatje-, muzikant-, rechtbank-spelen. Dikwijls zijn verscheidene bedrijven in éen spel verbonden en spreekt uit handeling en dialoog heel wat dramatische kracht. Meisjes spelen graag moedertje met de pop; over het bruidje-spelen zie ʼt Daghet in den Oosten XIX, bl. 42. Zeer typisch is ook de neiging om gebreken na te doen, vooral scheel-kijken en mankepoot-spelen.

Raadspelen. De eenvoudigste vorm is deze, dat een kind éen of meer knikkers (centen enz.) in de dichtgeknepen hand houdt, deze vooruit steekt en laat raden: paar of onpaar? Raadt men juist, dan zijn knikkers of centen verbeurd; anders ontvangt het kind evenveel van zijn speelgenoot. In West-Vlaanderen vraagt men: effen of ontjes (oneffentjes); in Friesland: even of on; Amstelland: onkes of evekes; Zaanstreek: onk of eef; Limburg: paar of omp; Gelderland en Overijssel: paar of ompert. Als algemeen Nederlandsch geldt: even of oneven. Het omsteken is meer algemeen, n.l. door het vooruitsteken van de hand en het raden naar den inhoud bepalen, wie van de twee spelers iets hebben zal, wie met iets beginnen mag enz.

Van andere spelen vormt het raden een belangrijk bestanddeel, b.v. van Hansje-mijn-knecht (Groningen, Deventer, Friesland), dat vrijwel met het Vlaamsche goud-verkoopen en koleuren-geven overeenkomt. Eén fungeert als heer, verkooper enz., éen of twee zijn dienstbaar (knecht, engel enz.), de andere kinderen krijgen een bepaalde kleur, of verbeelden een voorwerp, als: gouden halsband, zilveren kurk, juweelen ring. De dienaar moet kleur of voorwerp raden en mag het kind dan meenemen. Zijn er twee dienaren, dan vormen zich twee kampen, en het spel eindigt met lijntrekken, dat ook bij andere spelen als finale dient: de partij, die over de lijn getrokken wordt, verliest. Het Vlaamsche kleurenspel is typisch dramatisch; het beeldt uit den strijd om de ziel tusschen engel en duivel in het Laatste Oordeel.

Van de zoekspelen is het slofje-onder wel het meest bekend. Hierbij wordt een slof onder de kniëen van de spelers doorgeschoven, die in een kring op den grond zitten. Te Zaandijk roept degene, die de slof heeft, terwijl hij daarmee op den grond klopt, om den zoeker (die “er aan” is) te waarschuwen:

Herrie, herrie, herrie!

Slof-slof-slof.

Elders heet het schoentje-schuiven, te Antwerpen schoentje-lap; in het buitenland is dit spel eveneens zeer verspreid (jeu de la savate. Pantoffel sunchen).

Ook de orakelspelen kunnen bij deze groep gerangschikt worden. Zal ik trouwen en met wie? Dat wordt op een strengetje koralen afgeteld: edelman—bedelman—dokter—burgemeester—koning—generaal enz.—Hoe ben ik in het bezit van jas of vest gekomen? Dat wordt op de knoopen afgeteld: geholen—gestolen—gevonden— gekocht (Limburg); gekocht—gevonden—gestolen—gʼhad (Vlaanderen); enz.—Waar zal ik na den dood belanden? Weer doen de knoopen dienst: hemel—hel—vagevuur.

Schommelspelen. De eenvoudigste schommel is een boomtak, bij voorkeur een buigzame wilgetak. De knaap tracht hem te grijpen, laat er zich aan hangen en een makker brengt hem in een schommelende beweging. Een andere natuurlijke schommel is de wipplank; het spel heet in de Kempen kwikkwakken, in het Geldersch-Overijsselsche wibbelen, op de Veluwe wipperwappen, algemeen wippen. Het eigenlijke schommelspel veronderstelt een koord, met of zonder zitplank. De Noord-Brabantsche benaming, die ten deele ook voor Antwerpen en Brabant geldt, is sturen; in Limburg heet het spel schokken, schokkelen, sjokkelen, joekelen (Kessel), varen (Venloo); elders bijzen (Geeraardsbergen enz.), rennen (Brugge), rijtakken (Kempen), roesjen (Ninove enz.), ruilen (Deventer), talteren en tiltalteren (Noord-Nederland) enz. Maar hierover nader bij de speelliedjes.

Knikkerspelen behooren tot de meest geliefde jongensspelen. Men heeft drie soorten van knikkers: 1. De gewone zuiver-ronde, grijs-blauwe knikker, uit een soort kalksteen vervaardigd: knikker, marbel (België), estrik (Overijssel), huuf (Zuid-Limburg), kuls (Noord-Limburg), knar (Zaanstreek). 2. De “knikker” (in Noord-Nederland maakt men geen verschil) uit gebakken potaarde en geelbruin van kleur; hiervoor is de gewone Belgische benaming knikker, verder: klits (Zuid-Limburg), gepotsiemelde (Venloo enz.), pottebakker (Noord-Nederland). 3. De grootere, schoonere knikker, insgelijks gebakken en zeer hard: de stuiter of stuitknikker; met tallooze plaatselijke benamingen, b.v. bolket, bonket (Vlaanderen), kalebas, alikas (Westzaan, Assendelft, Waterland, Vlaardingen), lavoor (Aalst) enz.

Het knikkerspel is niet alleen in Europa, maar over de geheele wereld verspreid. In het Oosten is het algemeen. Men mag het ook als praehistorisch beschouwen, daar men de kleine, bontgeverfde steentjes, in de Oostfriesche urnen gevonden, gereedelijk als knikkers beschouwen kan; zie R. Andree, Ethnographische Paralellen und Vergleiche (N.F. Leipzig 1889), bl. 92 vlg.

Men heeft vooreerst knikkerspelen, waarin geschoten wordt. Het schieten is niet iedermans werk. Een goed schieter klemt den knikker tusschen den top van den wijsvinger en het eerste lid van den duim, terwijl slechte schieters hem tusschen den nagel van den duim en het derde lid van den wijsvinger klemmen. Ook mag men de hand niet vooruitsteken op het oogenblik, dat men den knikker wil loslaten: een goed schieter houdt de hand onbeweeglijk, en alleen de duim ageert. In vele spelen moet de knikker van den speler den anderen raken; in andere niet: dan wint de speler, als hij den afstand tusschen de twee knikkers kan overspannen of overpalmen. Het schieten gebeurt of wel achtereen, of men schiet ingezette knikkers uit een kring; of er wordt kuiltje-geschoten (putje, poet).—In een andere groep van spelen wordt geworpen: de speler werpt met éen knikker, meestal een stuiter; ook wordt deze wel eens langs den grond voortgerold.—In een derde soort wordt met de knikkers tegen een muur gestuit, gebot of gebotst: de knikker van den tweeden speler moet, na den muur geraakt te hebben, den knikker van den eersten speler raken of zoo dicht bij hem liggen, dat hij hem kan spannen. Verder worden de knikkers soms gerold: het bekende kuiltje-rollen. Rolt de speler een paar getal in het kuiltje, dan zijn de knikkers zijn eigendom, anders zijn zij de winst van de tegenpartij. De knikkers worden ook veelal in het kuiltje gestuikt. Voor het overgroot aantal benamingen en alle verdere bijzonderheden verwijs ik nogmaals naar het werk van De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust; over dialektische uitdrukkingen in het Venloosche knikkerspel, zie Limburgʼs Jaarboekje XX, bl. 161.

Tolspelen. De meest gebruikelijk Hollandsche benaming is tol, België top, een woord, dat ook in Holland, Drente en Friesland gevonden wordt. Hiernaast komt voor: priktol in Nederland, pindop in België, dop in Nederland en België. Het woord drieftol vindt men in Nederland benoorden het Noordlimburgsche Afferden; de Zuidlimburgsche benaming voor den drijftol is kokerel, met talrijke varianten. De gewone wijze van tollen met den werptol is deze: de speler neemt den tol in de linkerhand, legt het dunnere uiteinde der koord eerst om de pin, draait dan de koord spiraalvormig om het hout, klemt het dikkere uiteinde tusschen pink en ringvinger, heft de hand boven het hoofd en trekt af. De tol komt op den grond terecht en draait om zijn as; men kan hem nu op de hand wippen en laten doordraaien. De drijftol wordt aan het draaien gebracht of gehouden door een zweep. Van de verschillende samengestelde tol-spelen vermeld ik het potje-tollen, Friesch: top-dikeljen, Belgisch: oken-kappen. Men trekt op de speelplaats een kring. Een der spelers zet uit, d.i. laat zijn tol binnen den kring ronddraaien. Nu tracht een ander dezen tol met den zijnen zoo te treffen, dat beide ver weg spatten. Gelukt dit, en geraakt daarbij de treffer van het gaan af, dan is de eigenaar verplicht, zijn tol binnen den kring te leggen. Deze wordt nu het mikpunt van alle anderen en alle tollen, die hierbij van het gaan af raken, moeten binnen den kring gelegd worden. Zie Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 234.

Hoepel- en vliegerspelen. De hoepel is van hout of van ijzer en wordt door middel van een stok voortgedreven. Hij heet bandel van af het Noordlimburgsche Afferden tot in Gelderland en Overijssel, bendel in Noord-Brabant, reep in Antwerpen, Noord- en Zuid-Brabant en Oost-Vlaanderen, reip in Hollandsch en Belgisch Limburg, band in Oost- en West-Vlaanderen.

De vlieger moet meer lang dan breed zijn, b.v. 70 centim. lengte op 40 centim. breedte; ook dienen de twee vleugels even zwaar te wegen. Eerst maakt men het geraamte: lat en stokje, met koord bespannen en met papier overtrokken. Dan bevestigt men het lange touw, waarmee de vlieger wordt opgelaten, en hecht aan het onderste deel van den vlieger den staart. Dan gaat het naar buiten, waar het waait, maar niet te hevig mag de wind zijn. Men ontrolt een deel van het touw en loopt terzelfder tijd tegen den wind in. Dan zweeft de vlieger omhoog, als een vogel, zegt men in Hollandsch en Belgisch Limburg, als een draak, meent men in Friesland en Vlaanderen, als een ballon, heet het in Kempen. Men kan hem een brief nasturen, door op het koord doorboorde papierschijfjes te steken: deze worden dan door den wind omhoog gevoerd.

Sneeuw- en ijsspelen. Het glijden is een geliefkoosd winterspel: baantje-slieren, zegt men in het Land van Waas, rijzen in Brabant, slabrikken, slidderen, slibberen in Hollandsch en Belgisch Limburg en in Antwerpen. Hierbij kan men den eenen voet achter den anderen zetten, of beiden naast elkaar; ook kan men zich onder het glijden op de hurken zetten of andere kunststukjes vertoonen. Het schaatsenrijden is veeleer mannen-, dan kinderspel. Het Vlaamsche woord voor schaats is schaverdijne, het Brabantsche (en ten deele Belgisch Limburgsche) schrikschoen, d.i. loopschoen, vlg. het Middelnederl. scricken “met groote passen loopen”, schrikkeljaar “springjaar”. Zooals bekend, onderscheidt men hard- en kunstrijders. Op éen been rijden en ʼt lichaam naar die zijde sterk doen overhellen, heet de buitensnee trekken of buitenbeens rijden; beurtelings de beenen overeen leggen, noemt men overleggen. Het voornaamste voertuig op het ijs is de slede. De gewone slee wordt voortgetrokken, terwijl de prikslee met prikstokken wordt voortgestooten en beantwoordt aan den Belgischen ijsstoel. Tot de groep der baksleeën behoort de Venloosche boonebak.—Van de sneeuwspelen noem ik nog het met sneeuwballen werpen en het sneeuwmannen maken. Dit laatste werd eertijds zelfs door de kunstbroeders van St. Lukas beoefend.

Toevoegsel. 1. De laatst besproken spelen behooren tot die groep, welke een nadere betrekking aanduidt van het kind tot de natuur. Hiertoe behoort ook een eigenaardig vuurspelletje, waaraan ik ten slotte een enkel woord wil wijden. Weinig spelletjes zijn zoo algemeen verspreid als ons Lutje (Jutje) leeft nog: een glimmende lucifer of spaan gaat van hand tot hand; hij, in wiens hand de laatste vonk uitsterft, verliest, en moet pand geven of “op Lutjes welvaart drinken”. In België heet het spel: Djilleke leeft nog, of Gilleke leeft nog, te Denderbelle Zielke leeft langst, in Limburg Vonkje leeft nog, vgl. het Duitsche Der kleine lebt noch of Stirbt der Fuchs, so gilt der Balg. Het Brunswijksche Lütche funke lêwet noch herinnert aan de Noordnederlandsche uitdrukking. In het Fransch luidt de spreuk: Petit bonhomme vit encore, in het Provençaalsch Monnet-viou: zie Mélusine I, bl. 170; II, bl. 429. Het spel is ook in Spanje en in Engeland bekend, ja heeft een variant in Siberië: daar gaat een brandend hout van hand tot hand; wie het laat uitgaan, moet als boete voor de anderen een dans uitvoeren.

2. In hun spelen en spelend met elkaar omgaan bezigen de kinderen niet zelden formules en spreekwijzen, die herinneren aan oude, uitgestorven rechtsbegrippen en rechtshandelingen; Gaidoz en Rolland noemen dit: “le folklore juridique des enfants”. Het vindingsrecht is bij hen nog volop in zwang. Te Hamme (Z.-B.) vraagt de vinder:

Wie is er iets verloren

Van achter op den toren?

Wie is er iets kwijt

Van achter op den dijk?

En antwoordt een der kinderen “ik”, dan dient hij het voorwerp wel degelijk nauwkeurig te beschrijven, om het verlorene terug te krijgen. Wordt het niet opgeëischt, dan grondt de vinder zijn recht op de spreuk:

Die vindt, die houdt.

Vinden twee kinderen een voorwerp te gelijk, dan is het zaak, het eerst de geijkte formule uit te spreken, om het eigendomsrecht te erlangen; ook dient de formule onder het oprapen te worden uitgesproken.—

Het schenkingsrecht heeft als hoofdbeginsel: “eens gegeven, blijft gegeven”. Ook het ruilrecht doet zich gelden, in zoover elke ruilhandeling vergezeld gaat van een rijmpje of formulier, dat ze bekrachtigt en onherroepelijk maakt. De ruiler wordt met de hel bedreigd, als hij zijn woord breekt:

Kuutje-buutje [ruilen] snel,

Dreimoal deur de hel;

Op trap, trap neer,

Elk zien ijgen goud [goed] weer.

Aldus in de Groningsche volkstaal: Molema, Wörterbuch der Groningschen Mundart (Norden u. Leipzig 1888), bl. 232. Zie verder De Cock, Volkskunde XV, bl. 193; XVI, 54, 151, waar nog uitvoerig de kindereed besproken wordt: “Mijn kop af”; enz.

De eerste schooldag is een gewichtig moment in het leven van het kind. De kinderen verheugen zich op dezen dag, want in en buiten school wordt hun de eerste schrede op den weg der kennis en wetenschap niet zelden in den letterlijken zin des woords verzoet. Over de schoolfeesten, met name over den Gregoriusdag en het feest der Onnoozele Kinderen, werd reeds gesproken. Feestdag was voorheen, en wellicht nog hier of daar te platten lande, de verjaardag van “Mijnheer”; maar de dagen, waarop bij die gelegenheid een schoolklucht gegeven werd met menigen raken zet, behooren overal reeds lang tot het verleden.

Over het algemeen heeft het gemoedelijke der oude scholen, toen de meester meer vaderlijk met de kinderen omging, voor het meer saai-officieele de plaats geruimd; dit hangt natuurlijk met den vooruitgang der maatschappelijke en wetenschappelijke ontwikkeling, maar toch ook wel met begripswijziging over de vorming van het kind samen. Prijsuitdeelingen, waar ouders en kinderen zich in plechtgewaad heen begaven, zijn nog slechts uitzonderingen. De nieuwjaarsbrief wordt veelal nog op school opgesteld.

Aan het slot dezer periode (van 6–12) stond nog kort geleden de plechtige eerste-Kommuniedag voor de katholieken; in het noordelijk volksgebied spreekt men meestal van het aannemen, overeenkomstig de uitdrukkingen, gebezigd in de protestantsche kerken. Het aangenomen worden, lidmaat worden of belijdenis doen bij de protestanten, een toelating tot het genot van het heilige avondmaal en besluit van het katechetisch onderwijs, heeft echter in den regel eerst op den leeftijd van om en bij de twintig jaar plaats. In katholieke streken was de Eerste-Kommuniedag een familiefeest in den goeden zin van het woord. Eenige dagen te voren ging in de Oostvlaamsche dorpen de “eerste-kommunikant” aan peter en meter een “kruisken vragen”; en algemeen was de gewoonte, onmiddellijk vóor de plechtigheid de ouders om hun zegen te vragen en om vergiffenis. In feeststoet togen dan de kinderen, de jongens in stemmig zwart, de meisjes als bruidjes in het wit en met een bloemkrans getooid, onder de begeleidende tonen der muziek kerkwaarts. Op enkele plaatsen in Limburg, b.v. te Venloo, droegen de kommuniekinderen pelmkes, d.i. oleander-, laurier- of hulsttakjes, met goud- of zilverblad belegd, al naar gelang de sekse. Meestal had ieder zijn paar. Een familiemaal, afzonderlijk of “paarsgewijze” gehouden, besloot dezen merkwaardigen dag, voor de meesten een blijde herinneringsdag.

Nu zijn jongens en meisjes kind-af; immers “zij hebben de kinderschoenen uitgetrokken en aan de kerkdeur laten staan”.