WeRead Powered by ReaderPub
Nederlandsche Volkskunde cover

Nederlandsche Volkskunde

Chapter 48: III. Het volkslied.
Open in WeRead

About This Book

The text surveys traditional beliefs, legends, customs and material practices that compose popular culture across regional and social layers, and considers how these expressions reflect collective life. It distinguishes folklore from broader Volkskunde, discusses methodological limits and critiques overbroad approaches, and outlines subjects for study such as rituals, language, crafts and communal institutions. Warning that industrialization and modern uniformity threaten vernacular forms, the author urges systematic documentation and public interest to preserve local traditions, to clarify cultural origins, and to foster understanding between educated circles and the general populace.

III. Het volkslied.

“Zij worden heel niet gemaakt, zij groeien, zij vallen uit de lucht, zij vliegen als herfstdraden over land, nu hier, dan daar heen; op duizenden plaatsen tegelijk worden ze gezongen ...” Zóo teekent Th. Storm de liederen, die opbloeien uit den volksgeest, die meeleven het leven des volks ...

Een rijken schat van poëzie legt het volk in zijn gebruiken. Wanneer de landman het zaad hoog opgooit, dat het welig opschiete; wanneer de Westvlaamsche “boeier” het paard ʼs avonds te voren in het oor fluistert, dat het den volgenden morgen een doode moet vervoeren; als de Limburgsche bruid zorgvuldig het zelfvervaardigde bruidshemd bewaart, dat haar eens als doodsmantel zal dienen,—dan is dit hooggestemde volksdichting, al zijn het “Lieder ohne Worte”. Maar stelt die aandoening zich in klankbeweging en wordt deze gevoelsverklanking geschakeerd door rythmische en melodische stembuigingen, dan wordt geboren het volkslied.

Het woord “lied” heeft geen betrekking op het getoonzette of gezongene, maar op het uitermate zingbare. Het lied is de eenvoudigste uitdrukking van een stemmingsgeheel, het versnippert de gemoedsstemming niet, om er de ontwikkeling van voor oogen te stellen, maar zingt een éenvormige, zich-gelijkblijvende, boven de begrippen der woorden zwevende stemming uit, het beweegt zich in korte strofen, meest van vier tot acht regels, die de natuurlijke maat van vier, of drie en vier versvoeten hebben. Maar elke strofe bevat de geheele stemming, wier aroma zich als bloemengeur verbreidt.

Het melodische lied is dus uiteraard welluidend en eenvoudig. Teeder als een zucht en toch weelderig van rythme en bloeiend van klank. En nu bereikt het zangerige juist in de volkskunst een hoogtepunt, daar erlangt de eenheid van rythme en mimiek bij spel, bij arbeid en dans zulk een volmaaktheid, dat zij de hoogste norm schijnt te naderen.

“Het volkslied een uiting der volksziel”: een uitspraak als deze dient natuurlijk niet verstaan te worden in den geest der vroegere romantiek, alsof wij met een niet te benaderen, anoniemen, scheppenden volksgenius te doen hadden. Niet het kollektieve volk, neen, de man-uit-het-volk is de auteur. Maar juist òmdat hij uit-het-volk is, omdat hij het volk begrijpt en het volk hem, omdat hij deel heeft aan den aard van het volk, dat werkelijk dichter is in zijn gebruiken, zijn beelden en uitdrukkingen en niet het minst in zijn stemmings- en gevoelsuitingen,—juist dáarom is hij in staat een volksgedicht te scheppen.

Volgens Otto Böckel, Psychologie der Volksdichtung (Leipzig 1906) is de roep de kern van het volkslied. Alles wat de mensch aan lief en leed ondervindt, wat hem schokt en schrijnt, hem verheugt of prikkelt of afschrikt, ontlokt hem gezangvormige klanken. Deze klanken nu zijn vatbaar voor ontwikkeling. Zij kunnen groeien in omvang en melodie; veelal wordt hun klankgehalte versterkt door het stafrijm. De vreugderoep is de bevoorrechte gevoelsuitdrukking in den bloeitijd des levens, is verklanking van liefde en lust; men denke slechts aan refreinen als:

Hei ʼt was in de Mei, Mei, Mei,

Hei ʼt was in de Mei.

De smartroep handhaaft zich voornamelijk bij de lijkklacht. Maar het arbeidslied bovenal wijst op de ontwikkeling van de volkslyriek uit de gevoelstonen. Hier immers voegt zich bij de klanken een voor de poëzie onmisbaar bestanddeel: het rythme. Gevoelsuitingen en muziek gingen aanvankelijk steeds gepaard; het rythme kwam van elders. En nu is het de groote verdienste van Karl Bücher, er ons op gewezen te hebben, hoe deze onmisbare faktor zich ontwikkelde uit den rythmischen vorm, dien het volk aan een inspannenden arbeid ter afwisseling gaf. Het rythme gewerd de volkspoëzie dus vooral uit het arbeidslied, waartoe het danslied in hoofdzaak moet worden teruggebracht. Hoe ouder de arbeidsgezangen zijn, des te enger schijnen zij met de arbeidsverrichting samen te hangen.

Zoo is dan het volkslied een dichtzang, die organisch uit het volk in zijn gevoelen en verrichten is gegroeid; het is onmiddellijk ontsprongen aan het gevoel der natuurvolken en, van de kultuurvolken, in zooverre hun gewaarwordingen en uitingen behooren tot het domein der onderkultuur. In en door het zingen plant het zich voort. De dichter is meest onbekend, omdat op den bodem der onderkultuur, der naïeve volkskunst, dichterlijke individualiteit kwalijk gedijt. Het lied is alles, op den zanger wordt weinig acht geslagen. Het lied wordt beschouwd als gemeengoed, omdat het uiting geeft aan de gevoelswereld, welke aan alle volksgenooten gemeenzaam is. Ging het ook niet aldus met de grootsche scheppingen der Middeleeuwsche bouwkunst? Gelijk het volk deze als zijn eigendom beschouwde, door er voortdurend aan te wijzigen en aan bij te bouwen naar willekeur, zoo heeft ook het volkslied nimmer een authentieken vorm, is het als ʼt ware steeds in vlottenden toestand, staat het aan allerlei veranderingen, verkortingen en toevoegsels bloot. De aanhef van het lied openbaart echter meestal zijn afkomst.

Het volkslied deelt dus het lot van het sprookje; en evenals van sprookjes-motieven, zoo mag men ook van liederen-motieven spreken. Trouwens volkslied en sprookje bestaan elkander in den bloede door hun gemeenschappelijk sterk-algemeen karakter, óok dan, wanneer zij niet geheel samenvloeien, zooals in het sprookjeslied. Bijzonderheden worden verwaarloosd, tijd en plaats zelden vermeld. Veelal wordt de hoorder in eens midden in de handeling verplaatst. Ook moraliseert het volkslied evenmin als het sprookje.

Toch verraden de motieven doorgaans hun herkomst, en wel niet alleen de sociale groep, waarin zij geboren werden, maar ook den landaard en het klimaat van hun geboortegrond. In laaglanden als de onze is een Hoogduitsche Juchzer ondenkbaar. Weidevelden geven iets eentonigs en zwaarmoedigs. Maar de zee schenkt opgewektheid en kleurigheid van toon. “Friesland zingt niet”: die uitspraak is overdreven, maar geenszins van waarheid ontbloot. De innigheid van het Saksische halle-huis vergoedt veel van het trage en monotone in taaleigen en landschap. In het land der Franken, met den Keltischen ondergrond, voelt het volkslied zich het behaaglijkst.

Wat is nu het verschil tusschen volkslied en kunstlied? Laat ik vooreerst opmerken, dat ik de benaming “kunstlied”, wanneer zij moet dienen, een tegenstelling te vormen met volkslied, niet aanvaard. Is het volkslied dan géen kunst? Tegenover het volkslied staat niet het kunstlied, maar het kultuurlied, evenals tegenover de volkstaal staat de kultuurtaal: “kultuur” heeft hier natuurlijk de waarde van “bovenkultuur”. Welnu, een wezenlijk verschil zie ik tusschen beide niet. Kan het anders? Er bestaat immers geen wezenlijk, maar slechts een gradueel onderscheid tusschen onder- en bovenkultuur. Het kultuurlied geeft slechts veredelde, of somwijlen zoogenaamd veredelde volkskunst. De vorm is meer verfijnd, de auteur is zich ook bewust, een kunstprodukt te scheppen. Verder is hij meestal bekend en zorgt voor de rechten van zijn vaderschap. Maar hij kan putten uit de volksschatkamers, en zóo kan het volkslied vaak tot kultuurlied worden, om straks wellicht weer in den volksmond tot volkslied te worden vervormd: maar dán zal het de afgesleten vorm zijn! Steeds dient de kultuurdichter echter met het volk voeling te houden; en laat ik het woord van Poelhekke hier bij voegen, dat de verfijnde kunst der hooger ontwikkelden, van de meerderen in de techniek, “nooit de bron waaruit zij is ontsproten mag vergeten, op gevaar af aan bloedarmoede te gaan lijden”: Woordkunst, bl. 122; vgl. De Beiaard I, 1, bl. 43 vlg. Verder: Karl Bücher, Arbeit und Rhythmus. Abhandl. der Philolog.-histor. Classe der königl. Sächsischen Gesellschaft der Wissenschaften (Leipzig 1896) XVII, V, vooral hoofdstuk 4, bl. 74: Der Ursprung der Poesie und Musik; Otto Schell, Das Volkslied (Leipzig 1908); Otto Bremer, Zum Versbau der Schnaderhüpfel, in het Festschrift Karl Weinhold gewidmet (Strassburg 1896); Gustav Meyer, Essays und Studien I, bl. 289–408: Zur Kenntniss des Volksliedes; Schrijnen, Essays en Studien bl. 258 vlg.: Litausche Volkszangen; Dr. N. Geerts, Oorsprong en wezen van het volkslied, in de Handelingen van het zevende Nederl. Filologenkongres, bl. 109 vlg.

Het Nederlandsche volkslied heeft lang gewacht op de waardeering, die het toekwam. Ik bedoel hier niet de historische waardeering, die het profane en geestelijke lied ruimschoots gewerd door den voortreffelijken arbeid van Kalff, Moll, Acquoy, De Vooys, Knuttel en anderen. Maar eerst in 1907 was Groot-Nederland in het bezit van een verzameling van volksliederen, die de vergelijking b.v. met de Duitsche soortgelijke werken van Böhme en Erk kon doorstaan: ik bedoel de drie deelen van Flor. van Duyseʼs Oude Nederlandsche Volksliederen (Den Haag 1900–1907). Ook kunnen wij niet ontkennen, dat het Hoffmann von Fallersleben is, dus een Duitscher, die hier te lande de belangstelling in onze eigen vaderlandsche liederen heeft gaande gemaakt. Sedert dien kunnen wij wijzen op de gedeeltelijke verzamelingen van Snellaert, J. F. Willems, De Cousemaker, Carton, Lootens en Feys, Jan Bols, Van Vloten, J. en L. Alberdingk Thijm en Blyau en Tasseel. Oud en nieuw, volkslied en kultuurlied, oude, bewerkte en nieuwe melodieën vindt men vergaderd in Coersʼ Liederboek van Groot-Nederland. Zie vooral Dr. F. Scheurleur, Nederlandsche Liedboeken (ʼs Gravenhage 1912).

Behoudens haar vergelijkende waarde zijn al deze verzamelingen voor de volkskunde slechts van belang, in zooverre zij liederen zeer onlangs uit den volksmond opteekenden. Want, ik kan het niet vaak genoeg herhalen, de volkskunde is de kennis en het wetenschappelijk onderzoek van het heden, is de ethnologie der thans levende kultuurvolken. Ik geef dus van elk der verschillende soorten volksliederen slechts die stalen, waarvan ik ofwel persoonlijk kennis nam, of van wier voortleven ik mij anderszins kon vergewissen. Sommige liederen berusten, wat den tekst betreft, op schriftelijke overlevering, welke uitsluitend ten doel heeft, het geheugen ter hulp te komen. Eenige families houden er zelfs lijvige geschreven liederboeken op na. In dit geval is de schriftelijke traditie gelijkwaardig met de mondelinge.

Een enkel woord ook over de muziek van het volkslied. Zij berust voor een groot deel op de volksmuziek der Middeleeuwen, die zelf gesproten is uit de Oudchristelijke Latijnsche kerkmuziek. Wanneer wij nu weten, dat deze kerkmuziek in hoofdzaak niets anders is dan gekerstende Grieksche en Grieksch-Romeinsche muziek, zooals door Fr. A. Gevaert en A. Möhler uitvoerig is aangetoond, dan komen wij tot het verrassende resultaat, dat in de brokstukken van het hedendaagsche volkslied de muziek der heidensche klassieke oudheid nog voortleeft.

Inderdaad doorloopt het volkslied der Middeleeuwen de Aeolische, Dorische, Iastische en Hypolydische toonladders, door het Roomsche Antiphonarium aan de oude muziek ontleend. En wanneer het ons heden voorkomt, of een volkslied sterk op een kerkelijke hymne of eenig ander Gregoriaansch kerkgezang lijkt, dan is dit geen verbeelding, maar werkelijkheid; en de overeenstemming berust niet op toeval, maar op genetischen samenhang. Zoo is de melodie van het bekende lied van Halewijn, dat nog op vele plaatsen en met vele varianten in den volksmond leeft, niets anders, dan die van het Credo uit de Missa in duplicibus; en die van de Koninginne van Elf Jaren berust op het Veni Creator. Voor verdere beschouwingen verwijs ik naar Fl. van Duyse, Het oude Nederlandsche Lied I, Inleiding, bl. XVI vlg., en vooral naar zijn uitvoerige verhandelingen: Het eenstemmig Fransch en Nederlandsch wereldlijke Lied in de Belgische gewesten (Brussel 1896) en De Melodie van het Nederlandsche Lied in hare Rhythmische vormen (Brussel 1902).

Allereerst dus, met het oog op de geboorte van het volkslied in het algemeen, volge hier het arbeidslied. De melodie hiervan is zonder twijfel oorspronkelijker en zelfstandiger dan die der verhalende, erotische, geestelijke e.a. liederen, daar zij het nauwst met den inhoud samenhangt.

Niet alleen in Nederland, maar van den Brennerpas tot aan de Noordzee klinken hei-liedjes in den trant van ons

Hoog op een! een, twee,

een, twee, drie!

hoog op vier! vijf, een meer!

hoog op zes! fiks op, enz.

Gegroeid in melodie en in vorm klinkt het lied:

Haal op je hei!

Hij is gewassen

Al in de klei,

Al in den grond

Daar staat hij prompt,

Zóo staat hij beter, enz.

Overeenkomstig de sociale groepeering van het volk zal het arbeidslied zich verder moeten splitsen in dorschlied, smidslied, visscherslied enz., en vooral aan die bedrijven dienen te beantwoorden, waarin rythmische beweging het werk begeleidt. Men denke ook aan het liedje, dat bij het snijden der meifluitjes gezongen wordt, terwijl de jongens rythmisch met het hecht van het mes op de wilgenbast kloppen (I, bl. 191).

Een Zeeuwsch karnliedje luidt aldus:

Kêrne, kêrne beuter,

Drie pond in een scheutel,

Drie pond in een kannetje,

ʼt Is van moeder Jannetje.

Uit Friesland:

Tsiis, tsiis, tsjerne!

Bûter komt fer reamme [room],

It gearret sa wol, it gearret sa wol,

Mei eltse stiet in amerfol.

Spinlied uit Ochten:

1.

Spin, spin, mʼn lieve dochter,

Dan krijgde gij een hoed!

Ja, ja, mijne moeder,

Die staat mij zoo goed.

Refrein:

ʼk Kan lappen en spinnen,

Een zweer aan den vinger

Doet mij er zoo zeer.

2.

Spin, spin, mʼn lieve dochter,

Dan krijgde gij een jak!

Ja, ja, mijne moeder,

Dat staat mij zoo knap.

Refrein:

ʼk Kan lappen, enz.

(Driem. Bladen III, bl. 42).

Uit Zeeland:

Draaie, draaie wieltje,

Morgen komt Machieltje,

Als Machieltje nièt en komt,

Dan komt Jacob Janssen,

Die zal je leeren dansen,

Hier een stoel en daar een stoel,

Op ieder stoel een kussen.

Ten slotte een strofe van een Vlaamsch spinliedje, dat het midden houdt tusschen arbeidslied en sprookjeslied:

Al onder den weg van Maldegem,

Malle-Malle-Malle-Malle-Maldegem,

Al onder den weg van Maldegem,

Daar zat een wijf dat spon.

Dat wijf dat zat en spon,

Gielegon,

Al op een houten wieleken,

Wiele-wiele-wiele-wiele-wieleken,

Al op een houten wieleken,

Daar was geen draaiing aan! (bis).

Oogstlied uit Woubrechteghem (Oost-Vl.):

Het laatste voer is op de baan,

Dat in den boer zijn schuur moet gaan,

De luie boeren alleen hebben nog staan.

Ik vermeldde dit liedje reeds I, bl. 281, en daarvóor het rhythmische Noordhollandsche oogstlied, dat inzet met de regels:

De wumpel, de strumpel, de kanne met bier,

Die hebben we hier op ons plezier!

Ook enkele dorschliedjes gaf ik reeds op bl. 284. In zijn geheel luidt het Friesche liedje als volgt:

It klitst, it klatst

ʼt Giet juwn toa gest,

Op tzies in brea

Mey ʼt heale gea.

As wij houndert krye

Wy zilt neat zwye,

Dan jouwt dy frouw

Uws spek in strouw

Goe bjear dar by

Is aeck uws fly.

Dr. H. Blink vertaalt deze stroofjes:

Het klitst en klatst

Het gaat van avond te gast

Op kaas en brood

Met het heele dorp.

Als wij honderd [zakken] krijgen,

Wij zullen het niet verzwijgen

Dan bakt de vrouw

Voor ons spekpannekoeken

En goed bier daarbij

Dat voegt ons wel.

Op wisselmaat berust verder het vlasslijterslied, het visscherslied, het maaierslied, het smidslied, het touwslagerslied, het kuiperslied, het molenaarslied. Op maatbeweging gaat ook het soldatenlied terug, daar dit toch hoofdzakelijk een marschlied is. Ook het jagerslied is in den grond een marschlied. Sterk-rhythmisch is verder het schippers- en roeilied, en ook het matrozenlied, dat men hoort in de havensteden; dit ontstond bij het anker lichten of bij het hijschen der zeilen. Zie ook Dr. De Vooys, Volkskunde XXIV, bl. 154 vlg.

Ten slotte nog een weversliedje, ons door de Graafschapsbode van 16 Maart 1907 medegedeeld [vgl. Driem. Bladen VII, bl. 627]:

“Hungel de bungel de boeze,

Achter onzen hoeze

Daor steet ʼnen grooten nöttenboom,

Daor zat ʼnen wêver op ʼnen toog,

He wos nich, watte etten zol,

Zoere, zoere kernemelk

Met gerstebrood,

Sloat den luien wêver dood!

Loat em nog en betjen lêven,

Dan zal e wal better wêven;

Zet em op ʼt spiendvat,

Sloat em met de panne veur ʼt gat,

Hè, boer, wat plêrt dat”.

Het hoog-poëtische liefdeleven klinkt bijzonder zuiver door in het bruiloftslied. Oorspronkelijk omvat dit lied zoowel de klacht bij het verlaten van het ouderlijk huis, als het jolige vreugdelied bij het overschrijden van den drempel der nieuwe woning. Maar men vindt het nog slechts in bloei bij volken met hoogst eenvoudige en sobere levenswijze, zoo b.v. bij de Lithauërs. In de Nederlandsche gewesten is het vrijwel uitgestorven. Het lieve stroofje van Cremer in Bruur Joapik:

Hier ʼen reuske, en doar ʼen flikske,

Weer ʼen tekske en weer ʼen strikske;

Bluumpkes moar

Bij mekoar

Rood en gruun veur ʼt jonge paar

zal wel een kultuurdichtje in den volkstoon zijn. Laat ik echter wijzen op het Bathmensch bruiloftslied, dat wij vinden in de Driem. Bladen II, bl. 60, 61:

Algemeen Bathmensch Bruiloftslied.

Willen wij er eens ommegaan,

En zien of ik ze niet vinden kan?

Ja, hier heb ik ze gevonden,

Ja, met haar bruin haar.

ʼt Is gevonden, ik zal haar kiezen,

Al voor een draai.

Zij is mager al om te geven.

En geef niet over in dezen stond,

Of geef haar een zoentje voor haren mond,

Al zoo nat,

Al zoo glad.

Onder mijne voeten,

Uitverloren,

Uitverkoren,

Waar zal ik het zoeken?

Onder deze lesse besse,

Mooie meisjes samen!

Mooi meisje met je blauwe rok,

Mag ik eens met u ganen?

Neen, neen, dat ziet zoo niet!

Ja, ja, dat ziet zoo wel!

Keer u eens om en ik meen je wel!

Keer je nog eens omme,

Nog eens weder omme!

Ik heb den heelen dag geloopen,

Mijn geld is door de keel gekropen (geloopen)

O, en zie zoo,

En bij ons gaat alles zoo!

En allo!

Met het bruiloftslied hangt ten nauwste het danslied samen, en de schakel vormt het bruiloftsdanslied, oorspronkelijk wel op de deel uitgevoerd. Zoo b.v.:

Ik heb mijn geld

Op hoopen gesteld,

Gestapeld op elkander.

Ik heb mijn liefje trouw beloofd,

Een trouw van diamanten.

Ziedaar, schoone jonkheer,

Daar heb-je mijn hand van eer.

Ziedaar, schoone jonkvrouw,

Daar heb-je mijn hand van trouw,

En daarop zoen ik jou.

Het oude danslied vindt men vooral nog terug in het kinderlied. Wij zagen herhaaldelijk, hoe een oud gebruik overal elders werd uitgeschakeld, om in onzen tijd bij de kinderen terecht te komen; zoo b.v. het Paasch- en St. Maartensvuur, de ommegang met de Pinksterbloem en de Luilak, het kaarsje-dansen met Driekoningen, het raadselopgeven, het pandverbeuren enz. Dezen weg zijn vooral vele reidansen gegaan. Hier en daar, op bruiloften en boerenkermissen, wisten zij zich nog op het platteland staande te houden, maar zij verdwijnen meer en meer. En evenzoo ging het met allerlei drinkliedjes en pandspelletjes. “Reien als het ,Patertje langs den kantʼ ,de Zevensprongʼ en ,Haal open de poortʼ geven ons te zien, hoe onze voorouders dansten, voordat de uit den vreemde ingevoerde draaiende wals en polka de oude slepende reidansen verdrongen”: Boekenoogen, Onze Rijmen, bl. 16.

Bij deze reidansen schrijden de kinderen langzaam hand aan hand voort op de maat van het gezang, terwijl zij nu eens een kring vormen en dan weer een ketting, die zich onder een poort van armen voortbeweegt. Wij hebben hier een rest van den Oudgermaanschen dans. Het “Patertje langs den kant,” waarvan ik de eerste strofe met de melodie laat volgen, was echter geen bruiloftsdanslied, maar een Meidanslied; vgl. I. bl. 190.

Daar ging een pa-ter-tje langs den kant,

Hei, ʼtwas in de Mei, hij vat-te zijn zoe-te-lief

bij de hand, Hei, ʼt was in de

Mei zoo blij, Hei, ʼtwas in de Mei!

Nog een enkel woord over de waarde van het kinderlied. Het vertoont de resten van nog zoovele andere oude volksgebruiken. In een rommelpotliedje, waarvan ik I, bl. 165 melding maakte, wordt gesproken van “een stroobant”, welks beteekenis mij niet helder leek. Intusschen geloof ik, dat wij hier een aanduiding mogen zien van het oude gebruik, stroo onder het lijk in de kist te leggen, wat vooral kan blijken uit de vergelijking met de volgende regels uit een XVe eeuwsch handschrift:

Ende een wilghen kiste ende een stroen bant,

Hiermede word ik sent int ander lant.

In den kindermond wordt de “strooband” in Drente wel eens tot “strop”, waarbij dan gevoegd wordt de houtsoort van de kist; het resultaat luidt: “mit ʼn eiken strop an.” Zulke veranderingen in den kindermond zijn zeer veelvuldig en, hoe verbijsterend somtijds ook, steeds psychologisch uiterst leerzaam. Zie hierover b.v. Dr. J. Bergsma, Drentsche Volksalman. 1902, bl. 50 vlg.

Natuurlijk vinden wij ook heel wat survivals van oude geloofsvoorstellingen, die ik in het Eerste Deel besproken heb. Toch moet men in dit opzicht voorzichtig zijn. Wanneer bij het neerdwarrelen der sneeuwvlokken de kinderen te Assche jubelen:

See-se-ken schudt zijn bed-de-ken uit, en

laat de pluim-kes vlie-gen!

vgl. te Brugge: “O.L. Heertje schudt zijn beddeken uit en al de pluimtjes vliegen deruit”, terwijl dit elders de Engeltjes of, zooals in Noord-Brabant, Maria doet,—dan kan men wel zeggen, dat dit liedje eigenlijk op de Germaansche Godin Holda betrekking heeft, en onmogelijk is dit ook niet. Maar het kan óok zijn, dat wij hier eenvoudig met een animistische opvatting (in ruimeren zin) te doen hebben, die eertijds tot een faze van de Holda-mythe aanleiding gaf. Men moet terdege onderscheid maken tusschen hoogere en lagere mythologie.—Ook is de meening, dat Engeland=Engelland het zielenrijk zijn zou, tegenwoordig vrij wel verouderd.

Wanneer ik nu nog gewezen heb op de oude en dialektische taalvormen, die zich in menig kinderliedje gered hebben, dan hoop ik den lezer althans eenigermate van het groote belang van het kinderlied te hebben overtuigd.

Het kinderdanslied komt meestal voor bij het touwtjespringen, het rondedansen en het reidansen. Bij het touwtjespringen is het rhythme natuurlijk weer hoofdzaak: en hierin ligt de verklaring van het feit, dat den volwassenen wel eens raadselachtig voorkomt, hoe n.l. de kinderen uren en uren, en weer dag aan dag met dezelfde springspelletjes kunnen bezig blijven. De oplossing ligt in het meeslepende, in de onbedwingbare lust van het rhythme. Twee meisjes draaien het touw met gewonen tragen slag en zingen daarbij, terwijl een derde in de koord danst:

Ik heb een jas-ken ge-kocht, Naar de

naai-ster ge-bracht. Zoo ge-zeid, zoo ge-daan, Om naar

huis toe te gaan, In, spin, springt bij den boer maar

in, Uit, spruit, springt bij den boer maar uit.

Bij de woorden “in, spin” krijgt de touwtjesspringster een mededanseres naast zich, en bij de woorden “uit, spruit” loopt de eerste weg. En zoo gaat het steeds door, met evenveel ijver en opgewektheid.—In Friesland hoort men:

Ik heb een jasje gekocht,

Naar de lommert gebrocht,

en de finale luidt daar:

Van inspin,

Spring er dan maar in,

Van uitspruit,

Spring er dan maar uit.

Dit spel biedt wel eenige verscheidenheid, en veel is ook over gelaten aan de willekeur der draaisters. Maar oneindig meer afwisseling vertoont toch het rondedansen, waarbij de kinderen nu eens gewoon luchtig op- en neerspringen op het maatgeluid van hun lied, dan weer plotseling neerhurken, dan andermaal het dansen begeleiden met handgeklap en allerlei nabootsende gebaren. Een der meest bekende kinderliedjes, dat als danslied en wiegelied tevens dienst doet, is het bekende “Klein, klein kleutertje”, in Vlaanderen ook: “Klein, klein Marieken”.

Te Herdersen leeft deze variant:

Klein, klein Jee-se-ken, He-je gij zul-ke

kou? Komt in mijn her-te-ken wo-nen En

maakt u daar een schouw.

We zullen een vierke stoken;

We zullen een pappeken koken;

En brengt uw liefste moederken mee,

Dan zullen we zijn tevree.

Maar een der merkwaardigste dansliedjes is wel het reuzenlied. De kinderen scheppen er ontzaglijk veel genot in, vooral in België, waar de reuzen nog bestaan en dansen uitvoeren, als te Brussel, Geerardtsbergen, Hasselt, Antwerpen en Wetteren. Merkwaardig is het, dat de melodie vrij wel overeenkomstig is met die van den kerkelijken hymnus Creator alme siderum.

“Het Reuzenlied” zegt Maurits Sabbe, “herinnert ons de schilderachtige volksoptochten met de reuzenfamilies, het ros Beiaard en allerlei allegorische voorstellingen, die vroeger in bijna al onze Vlaamsche steden en stedekens geliefkoosde nummers voor het kermisprogramma waren en thans nog slechts in enkele steden van tijd tot tijd de feestelijkheden opluisteren”.

Moe-der, zet de pap op ʼt vier, de pap op

ʼt vier, De reus is hier, Keert u eens

om, reus-ken, reus-ken, Keert u eens

om, Reu-ze-gom.

Moeder, stopt algauw het vat, algauw het vat,

De reus is zat,

Keert u eens om, reusken, reusken,

Keert u eens om,

Reuzegom.

In heel wat vlugger tempo bewegen zich de dansliedjes: “ʼkHeb een rood, rood spiegeltje gevonden”;—“Trijntje, Trijntje, Trijntje, je hebt er water bij gedaan”;—“In Holland staat een huis” e.a. Tot de nabootsende dansliedjes behoort dat van den Klepperman: “Elf uren slaat de klok”; bij de woorden “klip-klip-klip” en “klop-klop-klop” houden de danseressen een oogenblik stil en klappen driemaal in de handen of trappen driemaal met den voet.

Maar ik mag van deze dansliedjes geen afscheid nemen, zonder althans vermeld te hebben het merkwaardige:

Kleinʼ An-na zat op ma-jes-teit, ma-jes-teit ma-jes-

teit, Kleinʼ An-na zat op ma-jes-teit ma-jes-teit.

Daar zat zij nu te weenen,

Weenen, weenen,

Daar zat zij nu te weenen,

Weenen.

Dit wordt gezongen door kinderen, die in een kring rondloopen, terwijl in het midden een meisje zit neergehurkt, met het hoofd in de handen. Het spel is drama geworden en vertolkt een ballade. Want na het zingen van de tweede strofe, treedt een tweede meisje in den kring en nu vervolgt het koor:

Daar kwam haar lieve moeder aan, enz.

Deze vraagt:

Zeg kind toch, waarom weent gij zoo? enz.

Waarop het meisje antwoordt:

Omdat ik morgen sterven moet, enz.

Nu treedt een derde den kring binnen en het koor zingt:

Daar kwam de booze Fredrik aan, enz.

Op de maat slaat Frederik het meisje nu op den rug:

Die zal haar nu den dood aandoen, enz.

Ten slotte wordt Anna door Frederik en de moeder opgenomen en gejonast, en allen zingen:

Nu wordt zij in het kistje gelegd, enz.

Dit liedje is o.a. te Voorburg, Varsseveld, Nijmegen, Zeeland bekend en hoogst waarschijnlijk uit Duitschland afkomstig. Het woord “Majesteit” ontstond wellicht uit “Breitenstein”; zie Marie Ramondt, Volkskunde XXIII, bl. 237; Karl Wehrhahn, Kinderlied und Kinderspiel, bl. 110 vlg.

Bij het reidansen staan een of meer meisjes tegenover een heelen rei, terwijl beide partijen beurtelings naderen en weer achteruit gaan. Een der merkwaardigste is het liedje van Brunelle-gezelle, waarbij een meisje tegenover een heele reeks van speelgenootjes staat. Deze beginnen te zingen, terwijl zij elkaar bij de hand vasthouden en met rhythmische stappen tot elkaar naderen:

Van waar kom-de gij ge-dre-ven, Bru-

nel-le ge-zelle? Van waar kom-de gij ge-

dre-ven, Brun-ne-le-ken?

Vr. Ik kom van onder de aarde,

Brunneleken mijn;

Enz., enz.

En het lied vervolgt:

R. Wat heb-de daar weest halen?

Br. Een mandeken met aarde.

R. Aan wie zul-de da geven?

Br. Aan mijn beste neve [nicht].

R. Wie is uw beste neve?

Br. Ik zal het u gaan toonen

Daarop kiest zij een meisje uit en keert er mee op haar plaats terug. Dit dansliedje treft men vooral in Vlaanderen, maar met varianten ook wel in Limburg en Gelderland aan.

Zie verder vooral Van Duyse, Het Oude Nederl. Lied II, bl. 1237 vlg.; De Cock-Teirlinck, Kinderlust en Kinderspel II, Dansspelen; Van Ginneken, Handboek der Nederlandsche Taal, bl. 383–404; Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 93 vlg.; Waling Dijkstra, Uit Frieslands Volksleven I, bl. 247.

Maar behalve het danslied zijn er nog zoovele andere speelliedjes, van rhytmische speelbewegingen begeleid. Hiertoe behooren de rommelpotliedjes, waarover ik in het Eerste Deel, bl. 157 vlg. gesproken heb; de loopspelliedjes, met het diepzinnige spel van de Koningsdochter. Zie hier, hoe dit te Venloo gespeeld wordt. Een meisje ligt op de knieën. Alle meespelende kinderen houden den zoom van haar omgeslagen kleedje vast, behalve éen die tot het geknielde meisje vragen richt.

Vr. Wie zit er in den hoogen toren?

A. De schoonste koningsdochter.

Vr. Van wie zijn al die kindertjes?

A. Van mij.

Vr. Mag ik er een van nemen?

A. Neen!

Vr. Mag ik er een van stelen?

A. Neen.

Dan vervolgt de vraagster:

ʼK Zal eens naar den diender gaan

De diender zal u de kop afslaan.

Entrez, entrez,

Laat ʼt meisje maar achter meê gaan.

Alle volgende meisjes herhalen nu op hare beurt hetzelfde totdat zij alle, elkaar bij het kleedje vasthoudend, achter de vraagster zijn geplaatst. Deze vraagt dan aan de koningsdochter:

Vr. Zal ik het lampje aansteken!

A. Ja!

Vr. Zal ik u uit den toren laten?

A. Ja!

Waarop allen roepen:

Jenneke de tooverheks, Jenneke de tooverheks!—

Ook elders in Limburg, in de Zaanstreek, niet het minst in Vlaanderen is dit spel bekend; hier is het werkelijk een loopspel, want door het loopen wordt op de een of andere wijze uitgedrukt, dat de koningsdochter door haar minnaar wordt geschaakt. Mogelijk heeft dit spel een mythologischen, waarschijnlijk een historischen, in alle geval een belangrijken kultuurhistorischen achtergrond. Zie Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 115; Lootens en Feijs, Chants populaires, no. 160; De Cock-Teirlink, Kinderspel en Kinderlust I, bl. 160 vlg.

Een loopspel is ook het zakdoekje-leggen, waarbij te Maarssen gezongen wordt:

Zákdoekje léggen,

Níemand zéggen,

Kúkelukú, zoo róept de háan,

Híj heeft twée paar schóentjes aan,

Eén van zij en één van leer,

Híer leg ík mijn zákdoekje néer.

Men vergelijke hiermee het jagen van den rooden hoan op de spinningen in zuidoostelijk Brabant, I, bl. 273.

Van de aftelliedjes, voor wier beteekenis en belang ik verwijs naar Kalff, Het lied in de Middeleeuwen, bl. 547, vermeld ik er hier twee, behoorende tot de meest gebruikelijke typen. Overvloedige varianten vindt men bij De Cock-Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VIII, bl. 231 vlg. en Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 153 vlg.

Type: Onder de groene boomen.

Den Haag:

Al onder de uileboomen

Daar ligt een Engelsch schip;

De Franschen zijn gekomen,

Zij zijn zoo rijk als ik.

Zij dragen hoeden met pluimen,

En ook van perkament,

Wie zou er niet om huilen,

Al om zooʼn leelijken vent.

Type: Rommel, rommel in de pot.

Venloo:

Rȯmmel, rȯmmel in de pot,

Woa is Piet, woa is Kloas?

Kloas is in et stelke.

Waat duit hê doa?

Hé sniet de koe de kop aat.

Riem, tiem, twintig, dertig enz.

Hoe eenvoudig, hoe ongekunsteld, en toch hoe zuiver rhythmisch en klanktooverend doen verder ook onze balspelliedjes, zoo ruim verspreid. Uit Zwolle werden mij deze twee typen meegedeeld:

1. Kaatsebal

Ik heb u al,

In éene hand,

In tweeë hand,

Van klapperdeklap

Met voetjesgestap,

Van rolledebol (-bom)

Zoo draai ik me om.

2. Zwart Willemijntje

Zat achter ʼt gordijntje;

Wat deed ze daar?

Zij kamde het haar,

Zij poetste de tandjes,

Zij waschte de handjes,

Zij stak ze in de zij,

Zij knielde er bij,

Zij stond weer op,

In éene galop.

Hoe keurig zijn hier de verschillende speelbewegingen uitgedrukt en in beeld gebracht!

Eindelijk de schommelliedjes, waar bij elke beklemtoonde lettergreep de hand naar voren of naar achteren gezwaaid wordt, bieden een bonte verscheidenheid. In vele wordt gewag gemaakt van Paschen en Pinksteren, van het bim-bommen der klokken, van Sint Katherijne, van varen over de zee, van haantje-kraantje en een eitje dat barst, van den knaap, die op school den meester half dood slaat. Dit laatste motief is niets anders dan een bewerking van eene in de Middeleeuwen zeer bekende overlevering omtrent Jezusʼ jeugd, welke verhaalt, hoe de kleine Jezus de hand van zijn meester deed verdorren, omdat hij die tegen hem op hief, om hem wegens het niet beantwoorden zijner vragen te straffen.

Maar deze liedjes stonden meer dan de andere aan vervorming bloot, omdat zij eigenlijk meer opgedreund dan gezongen werden. Zie De Cock-Teirlink, Kinderspel en Kinderlust III, bl. 87, IV, 167 vlg.; verder Boekenoogen, Onze Rijmen, bl. 11 vlg.; Waling Dijkstra, Uit Frieslands Volksleven I, bl. 247; Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 129 vlg.

De wiegeliedjes en knieliedjes besprak ik reeds in het Eerste Deel, bl. 219 vlg. Niet alleen rhythmisch zijn zij van belang, maar ook, omdat zij een bijzonder soort van kinderliedjes vertegenwoordigen, nl. in kindertoon gehouden volkspoëzie: in kindertoon, wat betreft tekst en melodie, zooals moge blijken uit het lieve eenvoudige

Roe! roe! kind-je, hoe ben je toch zoo stout!

Heb je pijn in ʼt buik-je, of zijn je voet-jes

koud! We zul-len een vuur-tje sto-ken,

en een pap-je ko-ken; ʼt Wieg-je dat gaat

zwik, zwak, voor den klei-nen dik-zak.

Het minnelied zingt van persoonlijke liefde, maar ook van de liefde in het algemeen. In ons oude Nederlandsche lied beslaat deze groep een groote plaatsruimte. Maar in het hedendaagsche lied zijn de minneliederen meestal met speelliederen samengevallen of anderszins vervormd.

Tot de liedjes die, ofschoon reeds oud, nog altijd in den smaak vallen, behoort o.a. “Ik ben er de groene straatjes”, waarvan onlangs nog gewag werd gemaakt in de Vragen en Mededeelingen 1910, bl. 151.

De aanvangsstrofe luidt:

Ik ben er de groe-ne straat-jes zoo

dik-wijls ten ein-de ge-gaan! Daar

moest ik mijn lief-je ver-la-ten, dat

heb-ben mijn vrien-den ge-daan.

(Enkhuizen).

Tot de meest bekende liederen in Vlaanderen behoorde het Cecilia-lied, dat nog steeds, plaatselijk jammerlijk geparodieerd, voortleeft. Maar getuigt niet juist de parodie voor de groote populariteit? Ofschoon van vreemden oorsprong, heeft de melodie, volgens Van Duyse, onder den invloed van den Nederlandschen volkszang, hare eigen wendingen en een eigen voorkomen verkregen, en mag zij onder de fraaiste zangwijzen worden gerekend.

Ik zag Ce-ci-lia ko-men langs ee-nen wa-ter-

kant, Ik zag Ce-ci-lia ko-men met

bloe-me-kens in haar hand Zij zag naar ha-ren

her-der, den her-der Flo-ri-aan, die

ook zijn schaap-jes wei-de langs de zelf-de

baan. Ce-ci-li-a ging zin-gen; haar

hert docht haar ʼt ont-sprin-gen. Dit hoor-de ha-ren

her-der; hij kwam bij haar ter-stond en

kus-te zijn Ce-ci-li-a aan ha-ren roo-den mond.

Tot deze groep behooren ook de afscheidsliederen in den trant van:

Vaarwel, vaarwel, mijn zoetelief,

Niet langer kan ik blijven enz.,

en de wachterliederen, wier allerberoemdste: “Het daget in den Oosten”, om den verhalenden vorm bij den aanvang der derde strofe echter ook tot de balladen kan gerekend worden.

Vooral in onze noordelijke provinciën krijgt het minnelied vaak een spottenden bijtoon. Zoo b.v. in Het meisje van Sardam:

Het meisje van Sardam

Met hare bruine oogen

Heeft menig jongen kwant

Tot wedermin bewogen.

Zij is geen stuursche maagd

Gelijk zoo vele binnen,

Hij die haar blosjes kent

Moet haar op ʼt meest beminnen.

Dit type vormt een schakel tusschen het minnelied en het spotlied, waaraan nauw verwant het gezelschapslied. Het spotlied is echter somtijds ook, zooals wij boven zagen, de direkte parodie van het minnelied. Teekenend lijkt mij de verzuchting:

Ik wou wel om een gulden,

Dat mijn haartje krulde.

Ik wou wel om een daalder,

Dat ik was wat schraalder

Ik wou wel om een dukaton,

Dat een vrijer naast mij ston(d).

Zie Boekenoogen, Onze Rijmen 69.—Nu nog een paar andere spotliedjes, die ik bij Van Ginneken, Handboek der Nederl. Taal I, bl. 359, 419 vind.

Bergen op Zoom:

Der wàs éens een vrouw

Die kóeken bakken wóu

En het méel dat wóu niet rijzen

En de pán viél om

En de kóeken wáren króm

En de mán híet Jan van Gíjzen.

Bergen op Zoom:

De vlám sloeg in de lantêre

De vónken slóegen der úit,

De mêskes lústen zoo gêre

ʼn Kop kóffie mét een beschúit.

Nijmegen en Oud-Gastel:

Klikspaan! boterspaan!

Je durft niet door ʼt straatje te gaan.

Het hondje zal je bijten,

Het katje zal je krappen,

Dat komt van al je klappen.

Menig spotlied biedt ons ook de waardevolle verzameling van Jan Bols: Honderd Oude Vlaamsche Liederen, bl. 155—214; zoo b.v. De Scheresliep; De Luiaard; Van Slordig Kaatje; De Kwade Man:

“Man en gij moet naar huis toe gaan:

Uw vrouw die is ziek!”—

“Is zij ziek, dan is zij ziek!

En daarmee ben ik uit het verdriet!

Naar huis en ga ik niet!” enz.

Het is vooral de toon van scherts en van jolijt, die het spotlied met het gezelschapslied verbindt. Naai- of kleermakerswinkel, spinnerij, potvertering,—dáar voelt het gezelschapslied zich thuis, al is het maar onder een vorm als: “Wie in Januari geboren is”. Een leuk potverteerdersliedje geeft de Groningsche Volksalman. 1897, bl. 92 vlg. Men lette op de kerkelijke melodie.

Hai-te boaln mit koa-le bot-tr smôekt ver-gif-tig

lek-r As mooi wich-ter trau-wen wiln den trau-wen ze mitʼn bak-r.

En het lied vervolgt:

Bakkersvrauwm dei hebm ʼt nait goud,

Dei moutn häör tid verbüln,

Ik was laivr ʼn schoumôekrsvrauw

En drôegn gladde müln.

Schoumôekrsvrauwm, dei hebm ʼt nait goud,

Dei moutn haör tîd vrpótsn,

Ik was laivr ʼn weevrsvrauw

En dröegn gladde linn.

Weevrsvrauwm, dei hebm ʼt nait goud,

Dei moutn haör tîd vrspouln,

Ik was laivr ʼn speulmansvrauw

En dansen väör fîouln.

Speulmansvrauwm, dei hebm ʼt nait goud,

Dei moutn häör tid vrdansn,

Ik was laivr ʼn boernvrauw

En eetn vette ganzn.

Boernvrauwm, dei hebm ʼt nait goud,

Dei moutn häör tîd vrleezn,

Ik heb laivr ʼn schipprtje,

Zooʼn schipprtje mout tr weezn.

Dat schipprtje, dat wipprtje,

Dat heb ik aal zoo laif,

Veul laivr heb ʼk ain schippertje,

As zoo ain boernslaif.

Een typisch gezelschapslied is ook het bekende lied Van pastoor zijn koe. In Nederland en Neder-Duitschland heeft het een verspreidingsgebied van belangrijke uitgestrektheid.

Liederen als deze romancen; oorspronkelijk gedanste droeve romancen of balladen met hun in het lyrische haast opgaande episch element; minneliederen in beschrijvenden vorm en nog zoovele andere vormen de omvangrijke groep van het verhalende lied.

Tot de oudste van deze soort behoort stellig het Halewijnlied; wellicht dagteekent het uit de XIVe eeuw en was de oorspronkelijke inhoud der sage een liefdesbetrekking tusschen watergeest en sterveling. In België wordt het rond Leuven nog gehoord, en in Volkskunde XVIII verscheen een variante uit Mater, bij Oudenaarde, die tot titel voert: “Van Halewijns rijk Hof”. Een andere variante vindt men in den Hasseltschen Banier van 1906, en, naar verluidt, wordt de ballade ook nog gezongen te Weert in Hollandsch Limburg.

Verder moet dit lied populair zijn geweest in ʼt Land van Aalst. “In mijn geboortedorp (Herdersem)”, schrijft De Cock, “werd het in mijn jeugd nog door menige vrouw opgedreund. Als 15- à 16-jarige knaap zong ik aldaar op het doksaal, en ik herinner mij opperbest dat, telkens als wanneer de pastoor, die een goed muziekkenner was en steeds den vereischten toon in acht nam, het

Cre-do in u-num Deu-m.

van de Missa in duplicibus aanhief, een ietwat oudere zanger alsdan zeide: “Hoort, de voois van Erodewijk”. Hierdoor werd dan bedoeld Halewijn, die elders ook als “de stoute Roland” bekend staat. Zie verder Van Duyse, Het Oude Nederl. Lied I, bl. 1 vlg.

Laat ik nu nog vermelden: De drie Koningsdochters, met zijn vele varianten; b.v,:

Daar waren drie dochterkens fijn (bis),

Die wilden alle drie zalig zijn, enz.

of:

En daar vlogen drij vogelkens over den Rijn,

En daar stierven drij dochterkens fijn, enz.

Dan het Jagerslied: Daar ging een jager uit jagen, Zoo ver al in het woud, enz.; De Hertog van Brunswijk; Genoveva van Brabant; Het Weesmeisje:

Aan den oever van een snellen vliet,

Een treurig meisje zat;

Zij weende tranen van verdriet

En schreide haar oogjes nat.

of:

Zij weende en schreide van verdriet

Op ʼt gras van tranen nat.

Ook ons lied van De drie Ruitertjes kan op hoogen ouderdom en ruime verspreiding bogen. Onze aanvangsstrofe luidt vrijwel aldus:

Toen ik op Neerlands bergen stond,

Keek ik het zeegat in.

Daar zag ik een scheepje zeilen,

Daar zaten drie ruitertjes in,

Een van de drie was naar mijn zin.

Het lied ontstond echter waarschijnlijk niet in “de landen bider see”, maar in het Opperduitsche bergland. Immers de oudste ons bekende tekst vangt aan met de regels:

Ic stont op hoghe berghen,

Ic sach daer so diepen dal, enz.

Zie ook Driem. Bladen X, bl. 54; Volkskunde XXIII, bl. 15. Eindelijk laat ik hier den tekst volgen van de Twee Koningskinderen, zooals men dien thans nog hier te lande aantreft: van het diepst-tragische en wellicht meest nationale onzer oude volksliederen, al berustte het ook op de Fransche kultuurbewerking van een Grieksche sagenstof. Ik ontleen aan Driem. Bladen XI, bl. 46:

De twee Koningskinderen.

Het waren twee koningskindʼren,

Die hadden malkander zoo lief,

Zij konden bij malkander niet komen,

Zij schreven malkander een brief.

ʼt Was des nachts twaalf uren,

Het meisje lag in een droom,—

Haar zoetelief was verdronken—

Al in een waterstroom.

Het meisje sprak tegen haar moeder:

“Wat doet mijn hoofdje mij zeer,

Mag ik een klein half uurtje

Gaan wandelen langs het meer?”

De moeder sprak tegen het meisje:

“Alleen kunt gij niet gaan,

Neem dan uw jongste broertje,

Dan kunt gij wel henengaan.”

Het meisje sprak tegen haar moeder:

“Mijn broertje is veel te klein,

Die verjaagt mij al de vogeltjes,

Die aan den meerkant zijn.”

De moeder ging naar de kerk,

En het meisje ging haar gang,

Zij wandelde, ja zij wandelde,

Tot zij bij een visscher kwam.

Het meisje sprak tegen den visscher:

“Wilt gij verdienen uw loon,

Werp dan je net in het water

En visch mij dien Koningszoon.”

Het eerste wat of hij vischte,

Dat was een Koningszoon,

Zij kuste zijn roode lippen,

Zij kuste zijn rooden mond.

Zij nam hem op haar armen,

En droeg hem aan den kant van de zee,

Zij zegt: “Adieu, nu willen wij varen,

En ʼk vaar altoos met je mee”.

(Leek en omstreken.)

In deze, en ook in andere balladen, trilt een sprookjes-motief na. Een aanzienlijke groep echter, die van het sprookjeslied, bevat enkel berijmde en getoonzette sprookjes, die dan juist door rhythme en melodie een zekere vastheid verkrijgen. Vertoont het lied van De kwade Stiefmoeder niet zoo echt den typischen sprookjesaard?

Er was een kwade stiefmoeder, zij verkocht haar kind,

Voor negentien penningen en een gouden ring.

En dat mooie meisje teer,

En dat mooie maagdetje!

De zeven knechten namen elk eenʼ roed,

Zij sloegen Antonnettetje zijn lichaam in bloed.

Zij leiden Antonnettetje op eenen blok,

Zij kapten Antonnettetje zijn hoofdje of.

Uw dochter Antonnettetje is wel bewaard,

Want zij speelt er achter in den boomgaard.

De vader reed den boomgaard wel driemaal rond,

Om te zien of hij Antonnettetje niet en vond.

Op dʼeerste lelie stond er geschreven,

Als dat haar stiefmoeder haar hadde verkocht.

Op de tweede lelie stond er geschreven,

Als dat de zeven knechten haar hadden geslegen.

Op de derde lelie stond er geschreven,

Als dat de zeven knechten haar hadden vermoord.

De vader heeft de strate met messen doen beslaan,

Om die zeven knechten er over te doen gaan.

En dat mooie meisje teer,

En dat mooie maagdetje!

Zie Van Duyse, het Oude Nederl. Lied I, bl. 222; Lootens en Feys, Chants populaires flamands no. 43.—Ook het dierensprookje is rijk vertegenwoordigd; zoo b.v. De Koekoek in den Mei; Den Uil die op den Pereboom zat, zie Volkskunde IX, bl. 185 vlg; vooral ook het leuke Sterven van den Beer, Volkskunde XIII, bl. 237, vgl. De Navorscher V, bl. 88:

De beer die vond er hem zeer krank

Van eene zware koorts (bis),

De zeug die vond heur in bedwang,

Den dokter te ontbieden

Met nog veel wijze lieden,

En het beestjen die had er de koorts, koorts, koorts,

En het beestjen die had er de koorts; enz.

De minste dichterlijke waarde heeft het historische lied, natuurlijk duisterder, naarmate het verder van het historische feit afstaat, dat het vermeldt of verheerlijkt. Het liedje:

Mijnheer van Son is een brave kapitein,

Hij regeert er zijn volkje zoo groot als klein

heeft betrekking op een Amsterdamsch kapitein, n.l. Zeger van Son, die op 6 Sept. 1748 bij de parade ter eere van den stadhouder Willem IV behalve de gewone troepen ook eene “compagnie jongeheertjes” deed exerceeren. Hij regeerde dus werkelijk groot en klein. Zie hierover Boekenoogen, Onze Rijmen, 6 vlg., waar de aandacht gevestigd wordt op de historische kern van nog menig ander tot kinderrijm vervormd volksliedje; zoo b.v.:

De Bisschop van Munster

Met honderdduizend man,

Voor Groningen, voor Groningen eens kwam.

De Bisschop van Munster, al weer van voren af an.

Vooral de Fransche tijd heeft op ons volk een diepen indruk gemaakt, waarvan wij de reflex vinden in het volkslied. Wie kent niet het kinderrijmpje:

Rataplan, rataplan, rataplan!

Daar komen die drommelsche Franschen weer an,

Ze hebben geen kousen en schoenen meer an,

Rataplan, rataplan, rataplan!

Heel wat waardevoller in historisch, nationaal en artistiek opzicht is het pittige, jubelende volksliedje, dat dagteekent uit het jaar 1650:

Al is er ons Prinsje nog zoo klein

en hoezee! bis

Alével zal hij stadhouder zijn;

Vivat Oranje, hoezee! (bis).

In België leven insgelijks de herinneringen aan den Franschen tijd in het volkslied nog voort; ook aan de Spanjaarden en, althans tot voor kort nog, aan Jacob van Artevelde, en aan het beleg van Yperen in 1383; zie Van Duyse, het Oude Nederl. Lied II, bl. 1525–1825; Dr. J. van Vloten, Nederlandsche Geschiedzangen.

Tot welk een dorren, prozaïschen stijl het historische lied zinken kan, toont ons het volgende:

Napoleon, waar zijt gij gebleven,

Napoleon, waar is uwe tijd,

Eertijds was ge keizer van Genève,

Daar ge nu op een eiland zijt (bis); enz.

Zie voor den volledige tekst de Graafschapsbode 16 Maart 1907; Driem. Bladen VII, bl. 62.

Maar nog dient gewezen op de groote rubriek van het feestlied, dat het geheele natuurlijke en kerkelijke jaar doorloopt, en van af Sint Maarten (11 November) tot Sint Maarten de feestgetijden met blijden jubel of droeve klage begeleidt. Ik heb deze liederen reeds besproken in het hoofdstuk over de Volksfeesten (I, bl. 99–209) en wensch dus nog slechts aan het volgende te herinneren. Al de zoogenaamde natuurliederen, winterliederen, zomerliederen, meiliederen enz. zijn feestliederen in den waren zin des woords en geven de stemming op het natuurfeest weer. Wel bewegen zich deze liederen somtijds in een bijzondere richting; zoo zijn b.v. de meiliederen dikwijls òf minneliederen òf geestelijke liederen ter eere van Maria (I, bl. 190).

Hiermee heb ik tevens mijn meening geuit omtrent den aard van het geestelijke lied, de laatste groep van het volkslied. De kerstliederen, nieuwjaarsliederen, Driekoningenliederen, passieliederen, paasch- en pinksterliederen enz., en voor een overgroot deel de Marialiederen en de liederen ter eere van andere heiligen, zijn feestliederen. En deze feestliederen, wier kader heel wat ruimheid bood—men denke aan de reeks geestelijke liederen, die de Vlucht naar Egypte behandelen, eigenlijk kerstliederen—waren of wel zuiver lyrisch, of episch-dramatisch. Men ziet het: een strenge afscheiding van het wereldlijke lied is niet door te zetten. Ook wat de melodieën betreft, schijnt er wisselwerking geweest te zijn; het geestelijk lied leende zijn wijzen en ontleende die ook weer op zijn beurt aan het wereldlijke. Trouwens hierin vond men niets stootends of oneerbiedigs, omdat in die dagen de tegenstelling van gewijd en profaan niet bestond, als tegenwoordig veelal het geval is. Hetzelfde geldt voor het kerkelijke lied, doorgaans feesthymne, maar toch ook volkslied, in zoover het daadwerkelijk uit het volk, of althans uit den volksgeest is voortgesproten. Imposante kerkelijke liederen als het Dies Irae en het Stabat Mater stoelen beslist op den volksgeest en behooren tot de schoonste loten van de Middeleeuwsche volkspoëzie.

Maar het geestelijk lied kan ook uiting geven aan het gevoel van een enkeling, kan uitzingen diens lof en dank, of vertolken diens hoop en berouw: en zoo ontstaan de roerende liederen der “Minnende ziel”, de “Zieleklachten” enz., die zich wellicht hebben ontwikkeld uit geestelijke verzuchtingen als deze:

Maria, Gods Moeder, reine Maagd,

Al onze nood zij U geklaagd.

Deze individuëele liederen kunnen echter ook zijn van paraenetischen aard, en dus beschouwingen behelzen over de Vier Uitertersten e.d.

Zijn dramatisch element ontleent het geestelijk lied meestal aan het feit, dat het stoelt op de dramatische vertooningen in de kerken, met name tusschen Kerstmis en Driekoningen; zie hierover vooral de beschouwingen van Knuttel in zijn uitnemend werk over het Geestelijk Lied enz., bl. 88 vlg.; Kronenburg, Mariaʼs heerlijkheid V, bl. 434 vlg.

Hier volge een Kerstlied en een Driekoningenlied, schaarsche resten van vroegere weelde en overvloed.

Wilt uit u-wen slaap op-sprin-gen, En ver-

blij-den ons al-len ge-lijk. Hier is ons een kin-de-ken ge-

bo-ren Van Ma-ri—a, die uit-ver-ko-ren. Brengt de

bood-schap in ʼt o-pen-baar Al met de-zen nieu-we-jaar.


Op ee-nen Drij-ko-nin-gen a-vond En op

ee-nen Drij-ko-nin-gen dag, Dan von-den wij Ma-

ri-a Mag-da-le-na Al op Heer Je-zusʼ graf.

Sta-get op, Ma-ri-a Mag-da-le-na, Sta-get

op van de bit-te-re dood, Uw zon-de-kens zijn

al-le ver-ge-ven Al wa-ren zij nog zoo groot.

Een overoud passielied, in Hollandsch Limburg en in België bekend, begint met deze strofe:

Hier is ʼt begin van ʼt bitter lijden

Van Onzen Heer Gebenedijde,

Die ons van zonden heeft verlost,

Dat heeft Zijn dierbaar bloed gekost.

Het oude paaschlied: “Christus is opghestanden, Al van der martelijen allen” enz. heeft menige verandering ondergaan. In het Spaansch leger vóor Haarlem (1573) werd het geparodieerd als:

Christus is opgestanden,

te Haarlem is een buit voorhanden;

terwijl van het paaschvuur gezongen werd:

Christus is opgestanden,

tʼ avond zullen wij vuren branden.

Als hedendaagschen vorm geven de Driem. Bladen XIII, bl. 51:

Christus is opgestanden

Al van de Joden hun handen,

Dus willen we allen vroolijk zijn,

Christus zal onze Verlosser zijn, Halleluja!

Was Christus niet verrezen

Alom met Zijn goddelijk Wezen

Wij waren gebleven in grooten nood,

Wij moesten allen sterven den eeuwigen dood, Halleluja!

Christus voer ter hellen

Om daarin vrede te stellen,

Die in de duisternisse zeer lagen bezwaard,

God heeft ze met Zijn eeuwige licht verklaard, Halleluja! enz.

Een afzonderlijke vermelding verdienen nog de bedevaartliedjes, die buiten het feestjaar staan en ten deele verhalend, ten deele lyrisch van aard zijn. Het refrein van een algemeen verspreid bedevaartsliedje luidt:

En zouden wij dan niet vroolijk zijn,

De hemel is de onze,

En was de hemel de onze niet,

Dan waren wij zoo vroolijk niet,

De hemel is de onze.

Ten slotte volge hier het Lied van den Boom, dat door sommigen als een danslied beschouwd wordt, omdat men het wel eens in een rondedans om een boom zingt.

Men vindt dit lied in Holland, Friesland, Limburg, Vlaanderen, echter met tallooze varianten, vooral aan het einde, waartoe de eigenaardige vorm en gang van het lied zonder twijfel aanleiding gaf. Ik geef hier de lezing van Heist-op-den-Berg, die ik voor de meest oorspronkelijke houd.

In mijnen hof daar staat eenen boom

Zooʼn schoonen boom,

Zooʼn liefelijken boom.

Refrein:

De boom staat in zijne eerde,

Vol van weerde,

En hij groeit zoo schoon!

Aan dezen boom daar komt er eenen tak,

Zooʼn schoonen tak,

Zooʼn liefelij ken tak.

De tak komt van den boom.

Refr. De boom staat, enz.

Aan dezen tak daar komt er dan een blad,

Zooʼn schoonen blad,

Zooʼn liefelijken blad.

Het blad komt van den tak,

De tak komt van den boom.

Refr. De boom staat, enz.

En aan dat blad daar komt er dan een bloem.

Zooʼn schoone bloem,

Zooʼn liefelijke bloem.

De bloem komt van het blad,

Het blad komt van den tak,

De tak komt van den boom.

Refr. De boom staat, enz.

En aan die bloem daar komt er eene vrucht.

Zooʼn schoone vrucht,

Zooʼn liefelijke vrucht.

De vrucht komt van de bloem,

Enz., enz.

Refr. De boom staat, enz.

Ik beschouw dit lied als een kerstlied. Waartoe hier met Van Duyse e.a. allerlei Germaansche boschvereering te hulp roepen, waartoe vooral met Pol de Mont (Nederlandsch Museum III, 2, bl. 217 vlg.) den wereldboom Ygdrasil uit de Noorsche mythologie er bij halen, wanneer de verklaring toch voor de hand ligt? En die is, dat wij hier met den boom van Jesse te doen hebben. Zelfs luidt te Deerlijk en elders het slot—dat ik echter niet voor oorspronkelijk houd—:

En op dien tak daar staat een nest, enz.

En in dien nest daar lag een ei, enz.

En in dat ei daar zat een kind,

Een goddelijk kind,

Een kind dat ons verlossen zal,

Dat ons verlossen zal.

Werd Christus niet aangeduid als de spruit en de bloem uit den wortel van Jesse? En zingt Venantius Fortunatus niet in zijn kersthymne: “De wortel van Jesse heeft gebloeid en de spruit heeft vrucht gedragen?” Het was immers een lievelingsbeeld der geestelijke poëzie in de Middeleeuwen, Maria en Christus voor te stellen als de bloem en de vrucht uit den wortel van Jesse. En mocht iemand dit alles onvoldoende lijken, dan verwijs ik nog naar de veelvuldige ikonografische voorstellingen: een boom schiet op uit den slapenden Jesse, met reuzenbloemen aan de twijgen. Op en in die bloemen zitten rechts en links koningen en op den top troont Maria met het Jezuskind.

Op weinig uitzonderingen na wordt door het volk tegenwoordig weinig meer gedicht en gezongen. De zanglust, die vroeger levensbehoefte scheen, is verslapt. Hoe kan in dezen tijd het volk ook zingen? Nu de poëzie hoe langer hoe meer uit het volksleven terugwijkt, nu de ziellooze machine vervaardigt het eertijds bezielde werk, waarin de man-uit-het-volk een stuk van zijn ziel, zijn gemoedsleven, een stuk van zijn eigen-ik legde? Slechts daar, waar gemeenschappelijke handarbeid de menschen nog vereenigt, klinkt het rhytmische volkslied als eertijds: bij het maaien, het bezembinden, het stroovlechten, het tabaksbewerken, het steenhouwen, het kuipersbedrijf. Vooral echter, waar stille huiselijkheid en gezelligheid woont, hoort men des avonds bij het knappende haardvuur of op de bank vóor de woning of onder de dorpslinde nog het aloude gezang. Ook het volksfeest, voor zoover de moderne kultuur dit niet door en door verdorven heeft, de bruiloft en de kermisviering worden nog wel door het lied opgevroolijkt.

Daar zijn tijden geweest, waarin het karakter van het geheele volk zich weerspiegelde in het volkslied; en ons Nederlandsche volkslied kan de vergelijking doorstaan. Het kende niet de hartstochtelijkheid der Italiaansche, de waardigheid van de Spaansche, de sierlijke gratie van de Fransche liederen; maar in diepte van gevoel werd het nauwelijks geëvenaard. Natuurlijk kwamen ook hier de rasverschillen tot uiting, en kwam het b.v. door den beweeglijken, meer emotioneelen Keltisch-Frankischen geest beter tot zijn recht.

Maar nu....de bovenkultuur heeft de kunst grootendeels aan het volk ontnomen en voor een élite van begenadigde kunstenaars gemonopoliseerd. De middelklasse wordt meer en meer uitgeschakeld, en waar in onze landen de kultuur het hoogst stijgt, wordt de klove tusschen hoogere en lagere standen steeds dieper. Daar zingt het volk geen volkslied meer, maar bauwt in drenzige deunen de aan flarden gescheurde opera-melodieën na met schunnige variaties. En al mag nu de tegenwoordige toestand in wat te schrille kleur geteekend zijn in H. F. Wirthʼs dissertatie: Der Untergang des Niederländischen Volksliedes (Haag 1911), het in-droevige van den toestand kunnen wij ons niet ontveinzen.

Dankbaar zeer zeker zijn wij de hedendaagsche dichters in den volkstoon: Heve, Dautzenberg, René de Clerq, Rodenbach; dankbaar aan degenen, die werkten tot herleving, althans der waardeering van wereldlijk of geestelijk lied: Hofmann V. Fallersleben, Van Duyse, Bols, Kalff, Knuttel, Coers, Roes, en aan de vele andere wakkere voormannen, die door woord en aktie,—ik denk aan het volksorgel—den gezonden volkszang trachten te bevorderen. Maar toch vrees ik, dat deze kunstmatige poging op den duur den ondergang van het volkslied niet zal tegenhouden. Wij leven te ver van de natuur. Wereld en menschen zijn anders geworden, daarom moet het volkslied sterven. Als een schichtig ree van uit het struikgewas tuurt nog hier of daar een kind der volksmuze met zijn sprookjesoogen in een wonderlijk-vervormde kultuurwereld, vol rook, rumoer en onrust. Het volkslied vlucht voor de schrille stoomfluit, als de elven voor het gelui der klokken.