IV. Plantlore.
Hoog-poëtisch kiest het volk de bloem als zinnebeeld van tal van afgetrokken begrippen en verplant ze naar de lustwarande der symboliek. Symboliek is kunst, geen wetenschap; maar de plantensymboliek heeft het volk opgebouwd op zijn natuurbeschouwing, en daarom vindt zij hier een plaats.
Of is het symbool niets anders dan een rudimentaire vorm van idolatrie of fetissisme? Zeer zeker, de plant-fetis kàn symbool worden, en niet zelden is uit den fetis, zooals Tiele zegt, “door de macht der poëzie en der beeldende kunsten een rijke symboliek ontloken”. Maar evenmin als ik inzie, waarom onze Driekleur het fetissisme als noodwendig uitgangspunt of doorgangsstadium moet gehad hebben, evenmin kan ik in onze bloementaal slechts veredeld animisme zien. Stokrozen en zonnebloemen ranken òp langs de muren als de zinnebeelden der vruchtbaarheid; de onverwelkbare driedistel (Carlina vulgaris) prijkt in onze duinen als het beeld van trouw en vriendschap; de maagdepalm (Vinca minor) beeldt uit de onsterfelijkheid, omdat de leerachtige bladeren vele jaren leven: men plant haar dan ook gaarne op de graven, mèt de witte roos, opgegroeid uit de tranen van Maria Magdalena,—symboliek en legende gaan hier hand in hand. Rouwboomen zijn de taxis en de cypres, dewijl de winter haar nimmer ontbladert. Een wereldtaal spreken de roos, de lelie, de narcis, het viooltje, de mirt, de laurier, de goudsbloem: met haar wit, geel, groen, rood, en blauw zeggen zij uit de taal van het eenvoudige menschenhart, vertolken zij zuiverheid, liefde, trouw, hoop en zegepraal. Een wereldtaal spreekt ook het Edelweiss, maar voor den Nederlander is toch vooral de mooie inheemsche brem (Sarothanmus vulgaris) met haar groote goudgele bloemen het zinnebeeld van trouw en vriendschap.
Voor de schilderachtige volksnamen der planten is meestal de uitwendige vorm maatgevend; bij de vergelijking worden natuurlijk volksgebruiken en opvattingen betrokken. Aldus werden gedoopt de koningskaars, toortsplant of hemelbrand (Verbascum Thapsus), de voornaamste plant van den ruiker, die op Maria Hemelvaart wordt gewijd (I, bl. 205); de gouden regen (Cytisus Laburnum) en de blauwe regen (Glycine sinensis) met haar sierlijke, hangende bloemtrossen; de monnikskap (Aconitum Napellus), ook wel stormhoed genoemd; de Judaspenning (Lunaria biennis), omreden van de cirkelronde, heider-glanzende witte tusschenschotten van de hauwtjes; de Jacobsladder (Polemonium coeruleum), in de tuinen gekweekt, maar toch ook hier en daar in het wild bloeiend; het drakenbloed (Dracaena Draco) om het roode hars, dat uit den stam vloeit. Benamingen als pijpbloem (Aristolochia Clematitis), lepeltje-heide (Vaccinium macrocarpon), sneeuwbal (Viburnum Opulus), kardinaalsmuts (Evonymus europaeus), pantoffelplant (Calceolaria), rozenkransje (Gnaphalium dioicum) zijn zonder meer duidelijk. “Vogelnest” is een der benamingen van de gewone peen (Daucus Carota), wier scherm tijdens den vruchttijd eenigermate vogelnestachtig is verdiept; schilderachtig is nog de term waterkruik voor de witte waterlelie (Nymphaea alba), “de koningin onzer waterplanten, de Victoria regia van Nederland” (F. W. van Eeden).
Natuurlijk zijn zulke benamingen veelal ook zuiver plaatselijk. Zoo heeten b.v. de rooskleurige orchideeën (Orchis maculata) op de Veluwe “kinderhandjes”, naar den vorm van haar hand- of vingervormige wortelknollen; in Vlaanderen noemt men ze naar den bloemvorm “gaapmuilkes”.
Een diernaam draagt de plant ofwel van wege de gelijkenis met het een of ander lichaamsdeel, of omdat men gelooft, dat het dier zich met die plant voedt. Dit is het geval b.v. met de namen hertshooi, hertstong;—hanekam, hanepoot;—bereklauw, berenoor;—koekoeksbloem, koekoeksklaver, Vlaamsch: koekoeksjakker of koekoekszuring (Oxalis stricta);—muggepoot;—muizegerst; —eiberbek, eiberbloem;—wolfsklaver, wolfspoot;— ganzetong, ganzedistel en ganzerik: de Potentilla anserina, wier gevinde, zilverwitte bladen zoo treffend aan ganzevoeten herinneren. Dat de gans een voorname rol speelt in de botanische volksnamen, kan ons niet verwonderen, wanneer wij letten op de plaats, die zij in het volksleven inneemt; zij was immers een Saksisch stamdier (I, bl. 115). Laat ik verder nog vermelden de namen: boksbaard, kraaienpooten, lammetjesooren, lijsterbes, hazengerwe, katteklauwen;—adderstong, ossetong, zwaluwtong;—paardestaart, kattestaart, vossestaart, visschestaart;—paddegras, nachtegaalskruid, rupsklaver, vogelkers;—Vlaamsch: schaapmuilkes (Linaria vulgaris), schapenbloem, schapenoor. Deze laatste plant draagt ook den naam van limoenkruid (Statice Limonium); van haar is gezegd, dat zij, groeiend op den jeugdigen, uit zee opgerezen grond, het schoonste beeld is van den nationalen geest van ons volk; daarom moge ieder rechtgeaard Nederlander haar als zoodanig liefhebben. Ook het adelaarsvaren (Pteris aquilina) groeit veel op onze veenachtige heide- en boschgronden en hangt in sierlijke bochten over het water. Snijdt men den bladsteel aan den voet schuin door, dan vormen de doorsneden der vaatbundels een teekening, die aan een dubbelen adelaar herinnert.
De margriet (Chrysanthemum Leucanthemum) noemt men in Vlaanderen plaatselijk “paardenoogen”, getroffen als het volk is door de gelijkenis van de bloem met de groote oogen van het paard; zie Volkskunde XXIV, bl. 205. De naam “paddenstoel” is eigenlijk een uitzondering. Maar in Zuid- en Midden-Limburg wordt deze zwam weer als voedsel beschouwd, al is het niet van een dier: men spreekt daar nl. van tatervleisch of joedevleisch, terwijl de aan “paddenstoel” beantwoordende uitdrukking kroddelstool slechts zelden wordt gehoord. Tatervleisch blijft het gewone. Wanneer de jongens met knikkers spelen in het ootje of met centen op de streep, zonder dat er verloren of gewonnen wordt, als het dus voor niets gaat, dan drukken ze dat uit door te zeggen: “ʼt Geit ȯm tatervleisch”.—Waarom het Echium den naam van slangenkruid draagt, is niet geheel helder; sommigen zien de gelijkenis in de vrucht, anderen aan den wortel, weer anderen aan de bloem zelf.
Sprekend en veelvuldig wordt de bloem vergeleken met een klok. De Campanula rotundifolia is in Noord-Nederland als grasklokje—in Vlaanderen kloksken of belleken—, andere soorten als weideklokje, bekerklokje enz. bekend. En is hij niet verrukkelijk de naam, dien het volk aan de knollige steenbreek (Saxifraga granulata) geeft, een der fraaiste plantjes, die in het voorjaar de omstreken der Spaarnestad, maar vooral den Hout, sieren met haar groote, witte bloemen,—de naam van “Haarlems klokkespel”? De benaming “steenbreek” wijst op de hardheid van het zaad, of op hare vermeende geneeskracht bij blaassteen, wellicht ook op het feit, dat zij veelal groeit op steenharden bodem.
Een plant, nauw verwant aan het lelietje-van-dalen, is het salomonszegel (Polygonatum officinale), rond Haarlem ook wel kankerwortel genoemd. De vleezige worteltak draagt aan de bovenzijde de litteekens van in vroegere jaren afgestorven stengels, die eenigszins op zegelafdrukken gelijken.—Andere bloemen noemt men naar den bloeitijd, b.v. de pinksterbloem, terwijl de wilde narcis den naam van tijloos draagt, daar zij vroeg in het voorjaar met haar groote, gele trompetbloem zich blijkbaar niet aan den gewonen bloeitijd stoort.5 Zij heet ook sporkelle, wat wel met den ouden naam van Februari “Sporkelmaand” samenhangt. Eindelijk, naar haar waarde noemt het volk de Erythraea Centaureum het duizendguldenkruid, een term die echter op onjuiste woordafleiding steunt. Koningskaars, monnikskap, sneeuwbal, rozenkrans, hanekam, berenoor, eiberbek, addertong, vossestaart, klokkespel—ziedaar doorgaans de plantensystematiek van het volk.
Ook hier ontbreekt het komisch, ja sarkastisch element niet. “Slofhak”, d.i. slordig wijf heet te Markeloo het Anthoxanthum Puelii, een nieuwe aankomeling uit zuidelijker streken, dat al spoedig op de roggevelden een lastig onkruid is geworden. “Mannentrouw” is de naam van een distel, Cirsium eriophorum, wier slappe, onvaste stengel in den herfst eindelijk doorbreekt, zoodat het bloemhoofdje ten speelbal der winden wordt. Spijtige wrok spreekt uit “woerthaak” en “prangwortel”, waarmee de landlieden de Ononis spinosa aanduiden, de plant die met haar wijdvertakte wortel het ploegen belemmert. Tegen deze kantige en zinrijke benaming steekt het onbeduidende “stalkruid” der kultuurtaal ongunstig af.
Het geloof in de tooverkracht der kruiden is voor een groot deel reeds bij de volksgeneeskunde besproken. Zij verdrijven den ziektegeest veelal door sympathetische werking. Vandaar dat b.v. het Sint Janskruid (Hypericum perforatum) ook Jaag den Duivel genoemd wordt. Vóor zonsopgang geplukt, behoedt het tegen den bliksem en wordt het aangewend tegen branden en kwalen. Ook van den vlierstruik weten wij, dat hij de heksen afweert en daarom gebezigd wordt, als de melk onvoldoende is of niet wil boteren en eveneens tegen verscheidene kwalen. Hangt het Duitsche Hollunder met Vrouw Holle samen en heeft eenzelfde volksgeloof, dat Holda tot meesteresse maakte over leven en dood, haar den vlierboom gewijd? Immers, de levensroede (I, bl. 116) is eveneens meestal van vlierhout en wordt vooral buiten onze grenzen herhaaldelijk in verband gebracht met leven en dood. Wat hiervan zij, ik acht het volksgeloof, dat met den vlierstruik is samengegroeid, te intens om sekondair, d.i. slechts heidensch bezinksel te zijn. Hij is ook bij uitstek een huisboom, welks herkomst in een geheimzinnig duister ligt. In het wild vindt men hem nergens dan juist in de nabijheid van menschelijke woningen. Maar ook: nauwelijks heeft de landman ergens een huis gebouwd, of de vlier staat op het erf. Ja, men stelt er prijs op, met name in de Woudstreken, dat hij vlak tegen den gevel van het huis groeit, aan een hoek of tusschen de ramen.
Wonderbare eigenschappen heeft ook het elzenhout. De bast in wijn gekookt geldt als een uitstekend middel tegen de werking van liefdedranken; takjes er van, in den grond gestoken, verdrijven de mollen; de bladeren, nog nat van den dauw in de kamer gestrooid, dooden de insekten. Toch is de els geen volkslieveling; daarvoor is zijn bast te zwart en zijn de bladeren te donker van tint. Lichte, ja schrille kleuren zijn het volk lief; wij zagen het bij het dekoratief der volkswoning. Vandaar, dat het valkruid (Arnica montana) zoo zeer in gunste staat, het sieraad onzer flora, vooral van de Zuid-Limburgsche heuvelstreek, met zijn stralende oranjebloemen. Het volk noemt deze plant ook wondkruid, heilige Vrouwenkruid en wolverlei, een raadselachtig woord. Het Duitsche Wohlverleih is een niet onaardige volksetymologische vervorming. Daarentegen schijnen de Oostfriezen in hun Wulfsblöme vrijwel het oorspronkelijke, n.l. een betrekking van de bloem tot den wolf, bewaard te hebben, waarop ook de latinizeering wolfilegia wijst; zie ook F. Söhns, Unsere Pflanzen (Leipzig 1899), bl. 123. Vermelden wij ten slotte het ijzerkruid of ijzerhard (Verbena). De naam wortelt in het volksgeloof, dat dit kruid uitermate geschikt is tot het harden van ijzer. Ook beveiligt het tegen beten van slangen en dolle honden, en in den nacht van Sint George (23sten April) wijst het schatten aan.
Volksnamen en volksgeloof in de plantlore hebben in belangrijke mate den invloed ondergaan van het Christendom. Na al hetgeen ik in het Eerste Deel, bl. 70 en elders, heb betoogd: hoe bij de invoering van het Christendom de volksverbeelding attributen van goden en godinnen op Christus en de heiligen overdroeg; hoe menige heidensche overlevering op den satan is overgedragen; hoe wij herhaaldelijk in het hedendaagsche folklore stooten op Christelijk-getinte overblijfsels van het geloof aan Wôdan en zijn kring,—na dit alles behoeft het lot van het aanzienlijk aantal planten, voorheen aan Wôdan, Donar, Frija e.a. gewijd, wel geen nadere toelichting. Het geldt hier de vermenging der historisch-heidensche laag met Christelijke bestanddeelen. Dat wij ook met Christelijke, van de Germaansche mythologie onafhankelijke formaties te doen hebben, bewijzen benamingen als Judaspenning, Jacobsladder enz., maar ook zoo menige specifiek-Christelijke legende. Nochtans in de meeste gevallen konstateeren wij kerstening.
Op oude muren bij Maastricht groeit het Venushaar (Adiantum capillus Veneris), door het volk Vrouwehaar, in het buitenland Mariahaar genoemd; naar men weet beantwoordde de Germaansche godin Frija-Frigg aan de Romeinsche Venus, men denke ook aan de Venusbergen (I, bl. 91). Het Frigjargras werd Vrouwegras, en elders Mariagras, het aan Frija als godin der geboorte heilige Asperula odorata kreeg, zooals gezegd, den naam van Onze Lieve Vrouwe-bedstroo, zoogenaamd omdat Maria haar kind er op nedervlijde. Het Labrum Veneris kreeg den naam van Onzer-Vrouwedistel en Mariadistel, het Cypripedium, de schoen der Venus Cypria, heette voortaan Onzer-Vrouweschoentje, en zoo volgde Maria in de volksverbeelding herhaalde malen de Germaansche godin Frija op. In de benamingen Maria-, Onzer-Vrouwe-, O.L. Vrouwe-, Vrouwe- ligt geen verschil, aangezien Vrouwe hier zonder twijfel de beteekenis van “meesteres” heeft. Volgens de legende waren de bladeren van de Mariadistel oorspronkelijk groen en kregen zij hun melkwitte kleur, doordat de plant een droppel van Mariaʼs moedermelk opving. De O.L. Vrouwemantel (Alchemilla vulgaris) met haar zacht-geplooide, ronde, gelobde bladen, als een geplooide pelerine met franje, herinnert volgens W. F. van Eeden aan het manteltje van Nehalennia. Meer overeenkomst vind ik in de mantelvormig saamgeplooide blaren met den mantel van Maria, dien zij om haar beschermelingen heenslaat, zooals dit vaak in de Middeleeuwsche kunst is voorgesteld.
Hiermee is echter Mariaʼs bloemenkleeding niet voltooid. Het volk kent nog Onzer-Vrouwenhandschoen (Aquilegia vulgaris), en in Vlaanderen: Onzer-Vrouwekouseband, Onzer-Vrouwesnoeren, Onzer-Vrouwevoorschoot, Onzer-Vrouwevingerhoed, Onzer-Vrouwekam, Onzer-Vrouwesleutelbos, Onzer-Vrouwespiegel enz., waarover Teirlinck, Vlaamsche Kunstbode XXXVI (1906), bl. 390 vlg. De benaming zonnedauw (Drosera) wijst, zooals wij zagen (bl. 299), op de druppels helder vocht, die de blaadjes omzoomen en ook bij zonneschijn niet uitdrogen. Dit geheimzinnige vocht, dat de klierharen afscheiden, heeft de natuuronderzoekers van voorheen heel wat hoofdbrekens gekost. De alchimisten zochten daarin de grondstof van hun goudtinktuur en van den drank, die de eeuwige jeugd verleent. In heidensche tijden hield men het voor de tranen, door Frija geweend over het vertrek van haar gemaal, en de Christelijke volksfantasie heeft deze in Mariatranen herdoopt. Maar de benamingen Mariasleutel (Primula veris), O.L. Vrouwehandeke (Orchis), Onzer-Vrouwemelkkruid of Onzer-Vrouwespeen (Pulmonaria), evenals Onzer-Vrouwevlas, O.L. Vrouweoogen, O.L. Vrouweglazeken, Mariaklokje, Mariakaars, Mariaʼs-kussen, Mariaʼs-zegel, Mariaʼs-goud, Mariazwaard, Mariaʼs-bosch en vele andere beschouw ik als zuivere Christianismen, zonder substraat in het heidendom.
Specifiek-Christelijk is ook de volkssymboliek, op fantastische natuurbeschouwing gegrondvest, die in de onderscheiden plantdeelen der Passiebloem (Passiflora coerulea) de martelwerktuigen des Heeren ziet: de nagelen, doornenkroon, kelk, lans, geeselriemen. De Lychnis coronaria heet in Vlaanderen plaatselijk Christusoogen; de Capsella bursa pastoris O.L. Heerenageltjes; de Orchis O.L. Heereteentjes. Verrukkelijk is de Antwerpsche benaming der witte haagwinde (Convolvulus sepium): Onze-Heerenhemdeken, of Hemdeken-zonder-Naad.
De herinnering aan Donar, den Jupiter der Germanen, bewaart ons donderkruid (Sempervivum tectorum), voorheen ook Barba Jovis geheeten, in Zwitserland nog Joubarbe, bij ons donderbaard. Naar men weet, is het woord Donder ook voor den satan in gebruik. Den naam duivelsnaaigaren dragen een drietal planten, vooral echter het warkruid (Cuscuta). Neemt men echter in aanmerking, dat deze plant dikwijls een zeer schadelijk onkruid is op de vlaslanden, dan kan deze benaming evengoed als een zuiver Christianisme worden beschouwd. Hetzelfde geldt voor de duivelsbeet (Succisa pratensis), maar lijkt bedenkelijk voor den duivelsklauw (Valeriana), het heksenkruid bij uitstek.
Met zijn donkergroene, groote, teedere bladeren en witachtige bloemen in slanke trosjes prijkt het Stevenskruid (Circaea lutetiana) in de oudste bosschen van Holland, prijkte het eertijds in het thans uitgeroeide Beekbergerwoud bij Apeldoorn, een van de oorspronkelijkste bosschen van Nederland. Deze naam “Stevenskruid”— Circaea hangt natuurlijk met de nimf Circe samen—is daarom zoo merkwaardig, dewijl Sint Stefanus, beschermheilige der paarden, ook enkele trekken van den een of anderen Germaanschen god heeft overgenomen; zie hierover I, bl. 134. Stellig beschouwde men deze plant vroeger als een tooverkruid. Of de benaming “Satans-(pijp)zwam” (Boletus Satanas) in het heidendom wortelt, zou ik echter weer betwijfelen; het lijkt mij veeleer een dichterlijke vertolking der duivelsche schoonheid van dezen zeer giftigen paddenstoel, met zijn gloeiend rooden hoed, aan het bovenvlak venijnig zilverwit.
In de Limburgsche bosschen vindt men het Kristoffelkruid (Actaea spicata). Het verschaft toegang tot onderaardsche schatten en wapent tegen allerlei booze invloeden. Het volksgeloof wijdde de plant aan Sint Kristoffel, wiens legende veel overeenkomst vertoont met het Noorsche verhaal, hoe Loki door Thor over de reuzenrivier gedragen werd, welke het doodenrijk omgeeft. Want het doodenrijk is het rijk der schatten. Maar de koningin der tooverkruiden is de alruin (Mandragora), ook heksen- en tooverkruid en, met volksetymologische vervorming, mandragerskruid genoemd. Nog wordt door het Duitsche zuraunen geheimzinnig fluisteren verstaan. De alruin nu bloeit in den heiligen en mysterievollen Kerstnacht.
Ook het Visciim album, de mistletoe der Engelschen, de “sacred bush” van Tennyson, vertoont sporen van kerstening; het is immers de heilige plant van het Kerstfeest, reden, waarom zij in België plaatselijk (b.v. te Pepingen) “kesthout”, d.i. kersthout genoemd wordt. In Nederland vindt men de plant uitsluitend in Limburg, woekerend op appel- en pereboomen, eiken en populieren. Bij de Druïden, die haar telken jare, des winters, met een gouden sikkel van den heiligen boom afsneden, stond zij hoog in eere; den Noorschen lichtgod Balder strekte zij ten verderve. De gewone naam bij ons is vogellijm of marentak, vgl. I, bl. 76. Vanwaar deze benaming? Het Zuidduitsche Mar des Baums zou kunnen wijzen op een drukken van den boom, evenals de mare den mensch drukt. Toch komt deze verklaring voor de algemeene benaming mij te gekunsteld voor. En vanwaar de naam “mistel”, het Oudhoogduitsche mistil? Raadselachtig, evenals de herkomst der plant raadselachtig was voor de Oude Romeinen, die dachten, dat zij geteeld werd zonder zaad, en zonder zaad werd voortgeplant, gelijk Vergilius getuigt. In de Middeleeuwen gold zij als het symbool van den Messias: de bloem, uit den hemel neergedaald en vrucht dragend op den kruisboom; zie Mannhardt, Baumkultus, bl. 249; Is. Teirlinck, Plantenkultus, in de Vlaamsche Kunstbode XXXIV (1904), bl. 69, vlg.
Ten slotte wensch ik nog de aandacht te vestigen op het feit, dat de planten, die heiligennamen dragen, alle tot een volksheilige in betrekking staan; ik noem slechts: Sint Janskruid, -varen, -kers, -brood (waarmee Johannes de Dooper zich in de woestijn zou gevoed hebben), -peren enz.; Sint Jozefskruid; Sint Pietersbloem, -kruid, -pluimken, -lelie, -hout enz.; Sint Jakobskruid, -lelie; Sint Katrijnsbloem; Sint Kristoffelkruid; Sint Teunisbloem; Sint Joriskruid; Sint Michaëlsbloem; Sint Luciakers. Zoo dit noodig ware, zou deze bijzonderheid voldoende zijn om te bewijzen, dat het doopen en herdoopen der planten inderdaad door het Christelijke volk is geschied.
Onze flora is het trouwe beeld van de voortbrengselen van onzen Nederlandschen volksaard.
Had de plant een nationaal karakter uit zich zelve, dan zou Nederland geen eigen flora hebben, want er groeit in ons land zoo goed als geen soort, die niet ook in andere landen gevonden wordt; maar bodem en standplaats hebben een nuanceering en groepeering gekweekt, die onzen plantengroei een beslist-nationaal karakter geeft. En zoo verschillen ook onze Nederlandsche volksgebruiken, gewoonten, feesten, opvattingen, zegswijzen, liederen en verhalen niet wezenlijk van die van andere volken, met name van die onzer Germaansche stamgenooten: noch in het intieme heiligdom der huiselijkheid, noch in het bonte gemeenschapsleven met zijn grillige verscheidenheden treffen wij diepgaande verschillen, en slechts zelden stoot men op een verrassende nieuwvorming. Ja, in tal van gevallen kunnen wij het exotische leengoed aanwijzen, en den weg vervolgen, dien liederenmotief, melodie, sagenstof of volksgebruik hebben afgelegd. Berust een onzer schoonste volksliederen, dat van de Twee Koningskinderen, niet op een “vreemde” kultuurbewerking eener “vreemde” sagenstof?
Maar rasvermenging tot een bepaalde verhouding, en meer nog gemeenschapsgevoelens van historischen, religieuzen, politieken en socialen aard, gemeenschappelijke invloed van traditioneele levenswijze, klimaat en gesteldheid des bodems,—dit alles schiep een milieu, dat op ons volkswezen een geheel eigenaardig kenmerk drukte en het stempelt tot het volkswezen van Groot-Nederland. Laat ik slechts wijzen op onze schilderachtige kleederdracht, onze karakteristieke huistypen, op de eigenaardige tint onzer volksfeesten met hun voorliefde voor opgewektheid zonder vertoon, op een gezinsleven, dat gemoedelijkheid en rust ademt, maar een rust, die niet roest, op de ongezochte sierlijkheid van onze dekoratieve kunst, op den nuchteren, moraliseerenden trek in volkslied en volksverhaal, op den grooten eenvoud en hoogen ernst onzer sagen, op het humoristische van talrijke sprookjes, op den praktischen zin onzer spreekwoorden, op het typische van ons volkstooneel. Zeer zeker, tot volledige samensmelting, tot volstrekte eenvormigheid van kleur en toon is het niet gekomen; maar wij treffen toch geen toon aan, die niet opgaat in de eenheid van het akkoord. Ook binnen onze grenzen, in den boezem van ons volkswezen, blijven rassenverschil, klimaat en sociologische struktuur nog steeds differentiëerend werkzaam; maar dit belet niet, zooals uit de bovenstaande gegevens moge blijken, dat het volkswezen van Nederland door groepeering en selektie en vooral door een zeer bijzondere lokale kleur een geheel vormt, dat het in voldoende mate van naburige volken onderscheidt, om van een specifiek-Nederlandschen volksaard te spreken, en den drager van dien volksaard zijn nationale zelfstandigheid te waarborgen, wanneer hij zich van zijn eigenwaarde in voldoende mate bewust blijft.
De natie is als een stroom, die het water van vele beken en rivieren opvangt en in zijn benedenloop vereenigt tot éen geheel; als een gewas, uit verschillende heterogene bestanddeelen saamgegroeid. Haar voortbestaan staat en valt met den wil vereenigd te blijven, die wortelt en zijn sappen trekt uit het gevoel van samenhoorigheid meer nog door eigen aard, dan door oorsprong. De groote vijandin van eigen aard en zede, de gladstrijkende, nivelleerende, internationale albeschaving, is dus ook de machtigste belaagster der nationale zelfstandigheid. Het is den mensch eigen en den mensch waardig, door het voltooien der behoeften en betrekkingen zijner natuur zich op te werken van de onderkultuur tot de bovenkultuur; maar dit veredelen mag geen verbasteren worden in den geest van de “veredeling” van het drie-kleurige viooltje tot de wanstaltige pensées onzer tuinen. Slechts dàn heeft deze veredeling waarde, wanneer zij de reeds bestaande vormen en eigenschappen in gelijke verhouding versterkt. De veredeling van het volksleven volge den aard der rozen in de natuur, der “wilde” rozen, die een aanleg hebben, om gevulde bloemen voort te brengen in tallooze verscheidenheid. “Zoolang in de hollandsche bosschen nog de sporen van den natuurlijken plantengroei gevonden worden”, schrijft Van Eeden, “zoolang wanhopen wij niet aan het behoud onzer nationaliteit en van het oude Hollandsche volkskarakter.” Mocht echter de veredeling en beschaving in ons dierbaar Nederland—wat God verhoede!—niet blijven wortelen in de vruchtbare moederaarde der onderkultuur, maar de vormen nastreven der hedendaagsche internationale, eenkleurige of liever kleurlooze, albeschaving, dan delft zij het graf voor het Nederlandsche nationaliteitsbewustzijn en ontketent het wezenlijkste gevaar voor de ongereptheid van ons volksbestaan.
In deze benarde tijden kan vaderlandsliefde minder dan ooit voor hersenschimmig gelden en voelen wij dieper dan ooit de waarde van eigen aard en eigen haard, de waarde van ons nationale zelfbestaan, van ons in doorsnede zoo kalm en nuchter, maar ook zoo waardig, degelijk en onbevangen Nederlandsch karakter; en steeds sterker groeit de wil, ons-zelf en vereenigd te blijven, niet in een andere natie op te gaan, niet prijs te geven een volksbestaan en een volksaard, die ons dierbaar werd als de bron van onnoembaar veel goeds; steeds grooter wordt de drang, te blijven vormen de in haar diepste wezen uninationale bevolking van Groot-Nederland, vereenigd in dagen van beproeving. Wij beseffen het: niet slechts de taal, maar de volkskultuur is heel het volk, De Volkskultuur is de Ziel der Natie. Blijft deze in wezen en, ongeacht het ruwe van vele harer bestanddeelen, kerngezond en krachtig genoeg om aan de hoogere beschaving steeds nieuw voedsel te schenken, dan blijft het nationale organisme ook krachtig genoeg, om voldoende weerstand te bieden aan de aanlokselen eener vreemde landskultuur, die moet voeren tot het verlies van eigen zelfstandigheid. Vreemd kultuurgoed is smet noch schande, maar de eigen beschaving moet krachtig genoeg blijven, om dat vreemde kultuurgoed aan zich te assimileeren en om te smelten, en daarom moet zij voeling blijven houden met de voorvaderlijke onderkultuur, heilig erfdeel, vast en onschatbaar onderpand onzer nationale onafhankelijkheid.
Hou zee, mijn Nederland, blijf vroom en veilig varen met God!