WeRead Powered by ReaderPub
Nieuw Utopia cover

Nieuw Utopia

Chapter 26: XXIV.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een bijna zeventigjarige hoogleraar, gedwongen zijn ambt neer te leggen, ondergaat experimentele transplantatie van dierlijke klieren in de hoop jeugd te herstellen en raakt in een buitengewoon langdurige narcose. Hoewel hartslag en ademhaling normaal blijven, keert zijn bewustzijn niet terug en lijken zijn gelaatstrekken en lichamelijke gesteldheid geleidelijk te verjongen, tot verbijstering van de medische staf. De vertelling gebruikt dit wonderlijke medische geval als aanleiding voor filosofische bespiegelingen over waarheid, ziel en verstand en als kritiek op materialistische opvattingen van de wetenschap. Naast de medische gebeurtenissen onderzoekt het werk de sociale en ethische gevolgen van streven naar eeuwige jeugd en vraagt het naar de ware betekenis van menselijk bestaan.

[Inhoud]

XXIV.

Toen begon een vreemde ziekte in het „Rijk der Harmonischen” te heerschen. Het geheugen, het vermogen van den mensch om gebeurtenissen uit het verleden te bewaren, scheidde zich van het vermogen om die gebeurtenissen met oordeel des onderscheids te rangschikken en aan nieuwe gebeurtenissen te toetsen. Deze ziekte kwam over alle bewoners te gelijk op dezelfde manier. Men was alleen nog in staat, dat te doen wat men intuïtief kon volbrengen. Zoo kon men niet verder en in geen andere richting loopen, dan vader en moeder hadden geloopen. Men kon geen andere bewegingen meer maken, dan vader en moeder hadden verricht. Men verloor het gevoel der persoonlijkheid en men moest het woord „ik” gaan vervangen door „wij”, omdat men het besef van het begrip „ik” niet meer had. Alle enkelvoudsvormen verdwenen uit de taal en men sprak nog alleen in meervoudsvorm. Daarna volgde de onmogelijkheid om alleen iets te doen of te ondernemen—zelfs niet te eten of te drinken. Als ze op ’t land werkten, hielden allen op een zeker oogenblik tegelijk op en gingen gezamenlijk drinken, hielden tegelijk weder met drinken op en werkten [201]weder gelijkelijk. Men trouwde zonder liefde, zonder genegenheid, zonder voorkeur. Daartoe geleken allen te veel op elkaar, innerlijk en uiterlijk. De kinderen der gezinnen konden verwisseld worden, zonder dat de moeders het merkten. Men werd steeds spaarzamer met woorden, daar ieder al te voren van den ander wist, wat hij zou zeggen of opmerken, zooals dat voor 1950 wel eens bij de leden van zeer oude huwelijksparen het geval was geweest, die in harmonie leefden en niet door kijfpartijen elkaars vitaliteit opwekten!

Daar de vrouwen allen gelijkelijk tot de uiterste vrouwelijkheid waren ontwikkeld, ontbrak tusschen de vrouwen onderling de persoonlijkheid ontwikkelende wedijver, zoodat alle meisjes en vrouwen van dezelfde onderworpen, passieve, weeke zachtaardigheid waren geworden en den man geen prikkel tot verovering gaven noch de voldoening eener overwinning schonken. Daar de mannen allen gelijkelijk tot de uiterste mannelijkheid waren ontwikkeld, was er geen wederzijdsche, slechts gemeenschappelijke oefening van geest en lichaam mogelijk geworden. En wijl de vrouw geen belooning was voor uitnemendheid of ongewone krachtsinspanning, bleven de mannen allen gelijkmatig en phlegmatiek.

Omdat alle persoonlijkheid was gaan ontbreken, ontbraken ook alle daden uit de persoonlijkheid voortkomend. Niemand zondigde persoonlijk, maar [202]niemand deed ook persoonlijk iets goeds. Men had slechts communeele deugden. Thans bleek waarom, wat vroeger onverklaarbaar was geweest, aan Satan op aarde zooveel macht was gegeven. Alleen door een persoonlijken strijd tegen Satan, kon zich de mensch immers van uit de vele geroepenen tot een der weinige uitverkorenen opwerken. Zonder persoonlijke zonde en de persoonlijke bestrijding daarvan, geen persoonlijke deugd. Hooger leven kan zich slechts ontwikkelen door persoonlijk de verzoeking te weerstaan en alleen in de worsteling met Satan, kan de hoogere mensch geboren worden, de individueele mensch, die de zwakken met zijn kracht dan kan steunen en voorthelpen, zelfs zoo die zwakken zich in wanbegrip communeel tegen hem vereenigen. De held, de kruisdrager voor de zwakheid en zonde der anderen, de Verlosser en daardoor de Zaligmaker, het offer, het lam Gods, bleek noodzakelijk voor het voortbestaan en zich verheffen van den individueelen mensch.

De menschen werden in het Harmonische Rijk allen telepathen, daar de communeele ziel de lichamelijke scheidingen, had overbrugd.

Toen kwamen er geslachten, die slechts eensylbige woorden gingen spreken. Daarna geslachten, die slechts weinige klanken uitten. Ten laatste geslachten, die evenals de boomen en de planten, geluidloos leefden en doofstom werden. Men begreep elkaar voldoende door het aanvoelen en den blik der groote, open, [203]klare, eenvoudige, argelooze, maar verwezen oogen. Het besef van den dood ging verdwijnen. Men stierf zooals men ademhaalde, mechanisch, zonder vrees of verlangen. Niet anders dan zooals een mier sterft in een mierenhoop.

Als gezinnen uitstierven, bleven de huizen onbewoond, want de jongeren trokken volgens de verstarde traditie, altijd verder en bouwden nieuwe woningen, ontgonnen nieuw land, legden nieuwe boomgaarden aan, die precies op de vorige geleken.

En de leege huizen namen steeds in aantal toe, werden eerst aan de uiterste grenzen, toen telkens meer binnenwaarts, in beslag genomen door de ratten, de ratten, die de voorraden opvraten, zich vermeerderden, ongedierte en ziekten medebrachten.

De Harmonischen wisten geen middel om ze te verdrijven. Ze trokken er zelfs niet voor terug. Want zij hadden vergeten, hoe het sluipgas moest gebruikt worden, zooals zij alles vergeten hadden, wat niet door hun voorvaderen was onthouden.

En steeds meer trokken de nieuwe geslachten verder oostwaarts, het westen aan de zich altijd meer vermeerderende ratten overlatend, die grooter werden van stuk, gevaarlijker, driester.…

Altijd maar meer ratten, groote, griezelige ratten, die opkropen tegen de teenen, langs het lichaam, met kleine, snelle treedjes der roze, genagelde pootjes en dan met snuffelende neusjes tot de keel kwamen, [204]de bekken met de fijne tandjes openden, zich in de keel der menschen vastbeten en dan bloed begonnen te zuigen, zoet menschenbloed, dat een vreemde geur had van vruchten, specerijen, en narcotica.… [205]