WeRead Powered by ReaderPub
Nieuw Utopia cover

Nieuw Utopia

Chapter 27: Besluit.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een bijna zeventigjarige hoogleraar, gedwongen zijn ambt neer te leggen, ondergaat experimentele transplantatie van dierlijke klieren in de hoop jeugd te herstellen en raakt in een buitengewoon langdurige narcose. Hoewel hartslag en ademhaling normaal blijven, keert zijn bewustzijn niet terug en lijken zijn gelaatstrekken en lichamelijke gesteldheid geleidelijk te verjongen, tot verbijstering van de medische staf. De vertelling gebruikt dit wonderlijke medische geval als aanleiding voor filosofische bespiegelingen over waarheid, ziel en verstand en als kritiek op materialistische opvattingen van de wetenschap. Naast de medische gebeurtenissen onderzoekt het werk de sociale en ethische gevolgen van streven naar eeuwige jeugd en vraagt het naar de ware betekenis van menselijk bestaan.

[Inhoud]

Besluit.

Het eerste wat professor Leyden, toen hij de oogen opende bemerkte, waren de zusters Maria en Martha, dezelfde brave, trouwe verpleegsters, die samen al de vele dagen van zijn bewusteloosheid aan zijn ziekbed bij hem hadden gewaakt en voor hem gezorgd.

Hij sloot de oogen vermoeid, opende ze na een poosje en een zachte glimlach gleed streelend langs zijn mond, een zachte glimlach van geluk en herkenning.

Want voor zijn bed stonden drie zijner collega’s.… zijn collega’s, zijn echte, echte collega’s, professoren van de faculteit der medische wetenschappen van de universiteit der stad Leiden.

„Hij heeft ons herkend en geglimlacht!” riep de oudste collega verheugd. Het was de collega, die de apenklieren in zijn lichaam had geplaatst.

„Hij is behouden!” zeide de tweede collega, die hem gedurende den langen narcose toestand had geobserveerd en behandeld.

„Hij zal een „otium cum dignitate” kunnen genieten, mijn dappere, humane en geleerde voorganger,” zeide de derde collega, die op het denkbeeld [206]was gekomen, de apenklieren weer uit het lichaam van zijn collega te verwijderen, waarna de ziel van professor Leyden, het lichaam bevrijd vindend van de levende, dierlijke psyche, weder in het lichaam tot bewustheid was kunnen geraken, wat het terugkeeren tot het bewustzijn, het ontwaken uit de narcose, ten gevolge had gehad. Deze derde collega was te Amsterdam tot professor benoemd, met één stem meerderheid, die van den edelachtbaren heer P. Utjesschepper, tot lid van den gemeenteraad gekozen met het hoogste aantal stemmen. Thans hoopte hij op een welverdiende promotie naar Leiden, ter vervulling van de vacature ontstaan wegens het bereiken van den 70 jarigen leeftijd door prof. Leyden.


Want de juridische faculteit als gewoonlijk, won haar pleit. Prof. Leyden herstelde langzaam, maar hij herstelde. Toen men hem mededeelde, dat hij slechts eenige dagen en nachten achtereen onder narcose was gebleven, verwonderde hij zich eerst, maar hij had te veel in zijn narcose-toestand vernomen omtrent de zonderlinge mogelijkheden van veranderd tijdsbesef en tijdsbewustzijn, dan dat die verwondering lang duurde.

Zijn eervol ontslag was vergezeld van zijn benoeming tot ridder in de orde van den Nederlandschen Leeuw en een pensioen, waarmee zelfs een opperman als loon zou tevreden zijn geweest en welks bedrag hij zich eerst [207]liet aanleunen, nadat door den Minister aan professor persoonlijk was medegedeeld, dat ook de Rekenkamer er vrede mede had, daar men hem als een opper-man der medische wetenschap had wenschen te beschouwen. Nu gevoelde prof. Leyden zich gelukkig gestemd. En als alle gelukkige menschen, het goede betrachtend naar beste weten, besloot hij mèt het afstand doen van zijn professoraat, als medicus zijn animositeit tegen de juridische faculteit te laten varen.

En zijn verdere levensjaren te wijden aan het eenige, dat hij meende met een goed geweten te kunnen doen, ten einde hier op aarde als mensch zijn menschelijke plicht te vervullen.…

Te trachten, in zijn particuliere praktijk te komen tot het jubileum-getal, de formule der formules:

200000
behandelde
patiënten

Want dit was de overtuiging, die prof. Leyden uit zijn ervaringen in het rijk van de narcose had verkregen, dat elke menschenmaatschappij op zichzelve volmaakt is, waarin ieder mensch persoonlijk naar beste krachten tot zijn einde, in dienende liefde arbeidend, zijn plicht vervult als een roeping! [208]