I
De reeksen van zonderlinge gebeurtenissen, welke wij thans in dit boek gaan verhalen, berusten op abstracte waarheid. Vandaar, dat zij veel bestrijding zullen vinden van de zijde dergenen, die alleen in staat zijn een concrete waarheid te begrijpen. Maar daardoor wordt aan de waarheid op zichzelve geen schade toegebracht. „Wat is waarheid?” vroeg eens Pilatus. Hij toonde daardoor, dat hij behoorde tot de, zeker niet zeldzame soort van lieden, die altoos bereid zijn te vragen: „wat is dit?” en „wat is dat?” ten einde voor zichzelf te verbergen, dat zij geen ziel bezitten en daardoor geen antwoord in zichzelf vinden op de vraag „Wat Is?”. Want daar wij zijn, is er een Is. Voor lieden, die niet zijn, daar zij in stede van een ziel, slechts verstand, dat armelijke surrogaat, bezitten, luidt het antwoord op: [6]„Wat Is?” niet „Ik ben”, maar „Ik ben geweest”. Mochten toch al deze lieden zonder zijn, zonder wezen, er voor goed geweest zijn. De menschenwereld zou dan verder gelukkiger kunnen worden, verlost van het vergankelijke verstand en opnieuw vervuld van de eeuwige Ziel.
Professor Godefroy Leyden, den leeftijd van zeventig jaren bijna bereikt hebbende en daardoor volgens de Nederlandsche wet, gedwongen zijn ambt neer te leggen, voelde zich zeer bedroefd, dat hij zich voortaan van het geven van onderricht aan zijn leerlingen zou moeten onthouden. Want hij had in den loop der jaren de ondervinding opgedaan, dat hij nooit zelf meer leerde, dan wanneer hij den studenten onderricht gaf. Daarom besloot hij op het laatste college, dat hij had te geven en dat beëindigd zou worden door een proef, zichzelf aan die proef te onderwerpen. In die dagen, kort na het beëindigen van de kleine botsing tusschen eenige volken, welke die volken zelf daarna, zonder eenig besef van de overdrijving, de schier tragi-komische overdrijving, waaraan zij zich schuldig maakten, „den grooten wereldoorlog” (sic!) noemden, beweerde een geleerde, dat het voor den mensch mogelijk zou zijn, de eeuwige jeugd te verwerven, door de transplantatie van eenige dierlijke klieren in het eigen lichaam. Dit lag zoo in de richting van de wetenschap dier dagen, welke materialistisch en dierlijk, soms gedoceerd door lieden, wien zelfs elk [7]besef van hoogere menschelijkheid, dat is de vreeze des Heeren, het beginsel der wijsheid, ontbrak, door dierlijkheid tot goddelijkheid meende te kunnen komen. Laat ons hen deswege niet veroordeelen, maar bedenken, dat ook dit een der wegen van de Godheid was om ons in Hare Richting meer te doen ontwikkelen. Niet voor de stroom zijn laagste beddingen heeft gevonden, kan hij zijn einddoel, de monding in de groote Zee, bereiken.
Inderdaad ging professor Leyden op zijn laatste college er toe over, in de hoop, dat dit laatste college weder zou worden zijn eerste en hij de eeuwige jeugd zou kunnen beërven, zich door zijn assistenten te doen opereeren en op eenige plaatsen in zijn lichaam klieren van apen te doen aanbrengen. Wel werd er van wege de juridische faculteit sterk tegen deze handelwijze geprotesteerd, daar een dergelijke wijze van handelen als wetsontduiking werd geduid. De medische faculteit stoorde zich daar echter niet aan, immers gewend er aan, dat de juridische faculteit, den vorm van de wet tegen den geest van de wet in bescherming neemt. Helaas, de wet dwong den professor op 70 jarigen leeftijd tot het neerleggen van zijn ambt, omdat de wetgever den mensch na zijn zeventigste jaar geestelijk en lichamelijk niet krachtig genoeg meer acht, den jongeren onderricht te geven. Gelukte het nu, door een zekere behandeling, een mensch van zeventig jaren weder de krachten van een mensch van dertig jaren [8]te geven, dan verloor, zeker voor dien verjongden mensch, de wet haar eigenlijke bedoeling. Maar juristen hebben een afkeer van de eigenlijke bedoeling der wetten. Rechter en advocaat zijn altijd met elkaar in strijd ten aanzien van de ware bedoeling der wet en bij elke rechtzaak is er ten slotte slechts één persoon, die diep in zichzelf de ware bedoeling van de wet ervaart, dat is degeen, die tot de lijdende partij behoort. Want in zijn ziel ervaart hij, en hij alléén, waar de wet des menschen faalt en de wet Gods niet.
De operatie van de overplanting der klieren gelukte uitstekend en toen professor Leyden uit de operatie-zaal naar het bed op de ziekenzaal werd gebracht en daar ter ruste gelegd, totdat hij uit de narcose zou ontwaken, twijfelde geen der aanwezige medici en aspirant medici, (onder welke laatsten er velen waren, die nooit medicus zouden worden, zelfs voorzien van een tasch vol bullen, waarop gedrukt stond dat ze het waren,) of zij zouden hun hooggeschatten en moedigen professor in het leven èn als hoogleeraar behouden.
Zelfs toen tegen den avond professor Leyden nog altijd niet uit de narcose ontwaakt was, maakten de collega’s, die hem behandelden, zich niet ongerust. Want pols- en hartslag waren bevredigend, de ademhaling was, de omstandigheden in aanmerking genomen, normaal te noemen en er bestond dus geen vrees dat de operatie, in stede van de [9]eeuwige jeugd, den eeuwigen dood zou brengen.
Toen in den nacht professor Leyden nog altijd bewusteloos bleef, vonden de collega’s het toch geraden een onderzoek in te stellen bij den dokter, die den professor had gechloroformiseerd. Maar deze uitnemende specialiteit had alle voorzorgen genomen, welke de wetenschap slechts kon eischen en zelfs in aanmerking genomen, dat hij een man van bijna zeventig jaren onder narcose bracht. En het was op bevel van professor Leyden zelf geweest, dat afgezien was van locale anaesthesie, daar professor Leyden zich er te goed bewust van was geweest, dat hij, zoo hij bij kennis de operatie op ’t eigen lichaam had bijgewoond, niet de gewenschte passiviteit zou hebben kunnen betoonen en daardoor de operateurs afgeleid of wellicht nerveus gemaakt.
Den volgenden morgen bleek professor Leyden nog altijd niet tot het bewustzijn teruggekeerd te zijn. De verdooving hield aan en bleef aanhouden, tot groote ontsteltenis van de collega’s, de pleegzusters en vele van professors patiënten, welke laatste van zijn beterschap hun beterschap verwachtten.
De medische wetenschap stond hier, als zoo vaak bij de toepassing van nieuwe methoden, voor een geheel nieuw feit, waarvan voorloopig geen werkelijk wetenschappelijke verklaring was te geven. Polsslag, hartslag, ademhaling en bloedsomloop waren bij den patiënt normaal. Er werd geenerlei verzwakking geconstateerd, hoewel de bijna zeventigjarige patiënt [10]vast noch vloeibaar voedsel gedurende al dien tijd genoten had. Maar het bewustzijn keerde niet terug.
Thans ging men er toe over, eenige wetenschappelijke kunstbewerkingen toe te passen ten einde den patiënt weder te doen ontwaken. Doch alle middelen faalden, ether noch ammoniak, wasschingen noch injecties, rhythmische tongoefeningen, zuurstof, kamfer en electriseertoestel noch lavementen hadden eenigerlei gunstig gevolg.
De patiënt bleef rustig in zijn bedwelming voortslapen, zonder eenig kenteeken van verzwakking te toonen. Integendeel, hij lag rustig en kalm, als iemand die in een diepen maar gezonden slaap is verzonken en zijn waardig gelaat werd verhelderd door een uitdrukking van schier bovenaardsche tevredenheid. En tot verwondering van de medische faculteit, scheen het proces der verjonging zijn gang te gaan. In stede dat professor Leyden, die toch geenerlei voedsel tot zich nam, steeds meer vermagerde en verzwakte, schenen de ingeplante klieren haar werking te doen en zag men den slapenden grijsaard als het ware langzamerhand jonger worden. De rimpels van zijn gelaat slonken weg. Hij kreeg een gezonde, jeugdige tint. De ademhaling werd krachtiger, de polsslag sneller. De patiënt maakte geen ziekelijken indruk. En als de pleegzuster nu en dan het ooglid optilde, was het blauwe oog van den professor helder en [11]scheen te blikken naar een ver visioen, dat hem verbaasde en verrukte tegelijkertijd.
En zoo was professor Leyden zelf de meest interessante patiënt van zijn zoo beroemde kliniek geworden, werd hij het middelpunt en het studie-object van de meest vooraanstaanden onder zijn collega’s.
Slechts de juridische faculteit bleef met groote verontwaardiging het ziekte-proces volgen, bereid om zoodra dit proces ten einde was, den ontwaakten professor tot slachtoffer van een juridisch proces te maken, daar hij zich aan den vorm van het recht vergrepen had.
Een dergelijke handelwijze vervolgt de juridische faculteit altijd met groote hardnekkigheid en zij rust niet voor het vergrijp tegen den vorm der wet, gewraakt en gewroken is. Dit behoedt haar er voor, gedwongen te worden studie te maken van den geest der wetgeving. [12]