WeRead Powered by ReaderPub
Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen cover

Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen

Chapter 19: Valhalla.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The collection retells the principal Norse myths and sagas, presenting cosmogony, the deeds and personalities of key deities such as Odin, Thor, Frey, and Freya, and the roles of figures like Loki, the Valkyries, and the Norns. It explores supernatural races—giants, dwarfs, elves—and recounts heroic narratives including the Sigurd and Frithiof legends, concluding with the gods' twilight and comparative remarks on classical myth. Chapters are organized around deities, beings, and episodes, combining narrative summary with thematic commentary and many illustrative plates that accompany the ancient poems and prose traditions.

Hoofdstuk I: Het Begin.

Scheppingsmythen.

Ofschoon de Arische bewoners van Noord-Europa, overeenkomstig de vooronderstelling van eenige gezaghebbende geleerden, oorspronkelijk van de hoogvlakte van Iran, in het hart van Azië, afkomstig zijn, hadden het klimaat en de omgeving van de landen, waar zij zich ten slotte vestigden, grooten invloed op de vorming van hun vroegere godsdienstige opvattingen, alsook op de verandering van hun levenswijze.

De grootsche en ruwe landschappen van Noord-Europa, de middernachtzon, de schitterende stralen van den noordelijken dageraad, de oceaan die zich voortdurend tot woede opzweept tegen de groote klippen en ijsbergen van den Poolcirkel, moest de bevolking niet minder levendig aandoen dan de bijna wonderbare plantengroei, het voortdurende licht, en de blauwe zeeën en luchten van hun korten zomertijd. Het is daarom niet heel vreemd dat de IJslanders b.v., aan wie wij de meest volledige herinneringen aan dit geloof te danken hebben, als zij rondom zich zagen, zich verbeeldden dat de wereld oorspronkelijk was geschapen uit een zonderling mengsel van vuur en ijs.

De Noordelijke mythologie is grootsch en tragisch. Haar voornaamste thema is de voortdurende worsteling van de weldadige natuurkrachten tegen de schadelijke, en dus is zij niet bekoorlijk en idyllisch als de godsdienst van het zonnige zuiden, waar de bevolking zich kan koesteren in een voortdurenden zonneschijn, en de vruchten der aarde opgroeiden zoodat men ze slechts te plukken had.

Het was heel natuurlijk, dat de gevaren, waaraan men bloot stond op jacht en bij het visschen onder dezen onbarmhartigen hemel, en het lijden dat werd opgelegd door de lange, koude winters, als de zon nooit schijnt, onze voorvaderen koude en ijs deden beschouwen als boosaardige geesten; en het was om dezelfde reden, dat zij met bijzondere voorliefde aanriepen den weldadigen invloed van warmte en licht.

De Reus met het vlammende Zwaard

J. C. Dollman.

Wanneer men hen vraagde naar de schepping der wereld, antwoordden de Noorsche skalden of dichters, wier zangen in de Edda’s en Saga’s zijn bewaard, dat in het begin, toen er nog geen aarde was, noch zee, noch lucht, toen duisternis op alles rustte, er een machtig wezen bestond, genaamd Alvader, dien zij vaag beseften als ongeschapen en onzienlijk, en dat, wat hij wilde, gebeuren moest.

In het midden der ruimte was, bij den aanvang van den tijd, een groote afgrond Ginnunga-gap, de kloof der kloven, de gapende golf, welker diepten geen oog kon peilen, daar zij in voortdurende schemering was gehuld. Benoorden deze plek was een ruimte of wereld, bekend als Niflheim, de woonplaats van mist en donker, en in het hart daarvan vloeide de onuitputtelijke bron Hvergelmir, de ziedende ketel, welks wateren twaalf groote stroomen voedden: de Elivagar. Daar het water van deze stroomen snel wegliep van zijn bron en de koude winden van de gapende golf ontmoette, verhardde het weldra tot groote blokken ijs, die neerrolden in de onmetelijke diepten van den grooten afgrond met een voortdurend gedruisch als van donder.

Bezuiden deze donkere kloof, en vlak tegenover Niflheim, het mistgebied, was een andere wereld, met name Muspells-heim, de woonplaats van het oorspronkelijke vuur, waar alles warmte en licht was, en welks grenzen steeds bewaakt werden door Surtr, den vlammenreus. Deze reus zwaaide trotsch zijn blinkend zwaard en zond voortdurend groote stroomen vonken uit, die met een sissend geluid op de ijsblokken vielen in den bodem van den afgrond, en ze ten deele door hitte deden smelten.

Door Surtr, met zijn brandend zwaard

Werd zuid’lijk Muspels poort bewaard,

In stroom van meer dan aardschen gloed

Vloeid’ uit de kracht die leven doet.

Valhalla (J. C. Jones).

Ymir en Audhumla.

Toen de damp tot wolken rees, ontmoette hij de heerschende koude en werd veranderd in rijm of rijp, die, laag op laag, de groote centrale ruimte vulde. Zoo door de voortdurende werking van koude en hitte, en waarschijnlijk ook door den wil van den ongeschapene en ongeziene, ontstond tusschen de ijsblokken van den afgrond een reusachtig wezen Ymir of Orgelmir (ziedende klei), de verpersoonlijking van den bevroren oceaan, en daar dit wezen uit rijm geboren was, werd hij Hrim-thurs of IJsreus genoemd.

In vroegen tijd

Toen Ymir leefde,

Was zand, noch zee

Geen golf die koelt;

Geen aard’ omlaag,

Geen lucht omhoog;

Eén chaos ’t al

En nergens gras.

Saemunds Edda.

Rondtastend in het donker op zoek naar wat voedsel, bemerkte Ymir een reusachtige koe, Audhumla (de voedster), die door dezelfde kracht als hij zelf was geschapen en uit dezelfde grondstoffen. Toen hij zich naar haar toe spoedde, merkte Ymir met vreugde op dat uit haar uier vier groote stroomen melk vloeiden, die in ruime mate voedsel verstrekken zouden.

Aan al zijn behoeften was dus voldaan; maar de koe, rondziende naar voedsel op haar beurt, begon met haar ruwe tong het zout af te likken van een ijsblok in de buurt. Hiermee ging zij voort totdat het haar van een god verscheen en dan het gansche hoofd opdook uit zijn ijzig omhulsel, totdat langzamerhand Buri (de voortbrenger) vrij ten voeten uit te voorschijn stapte.

Terwijl de koe dus bezig was geweest, was Ymir in slaap gevallen, en terwijl hij sliep werden een zoon en dochter geboren uit de uitwaseming onder zijn oksel, en zijn voeten brachten den zeshoofdigen reus Thrudgelmir voort, die, kort na zijn geboorte, op zijn beurt het leven schonk aan den reus Bergelmir van wien al de booze vorstreuzen afstammen.

Men zegt van Hrim-thurs,

Dat uit z’n oksel voort

Een knaap, een meisje kwam,

Dien wijzen Jötun

Heeft voet met voet verwekt

Zeshoofdigen zoon.

Saemunds Edda.

Odin, Vili en Ve.

Toen deze reuzen het bestaan ontdekten van den god Buri en van zijn zoon Börr (geboren), dien hij onmiddellijk ter wereld had gebracht, begonnen zij krijg tegen hen te voeren, want daar de goden en reuzen vertegenwoordigden de tegengestelde machten van goed en kwaad, kon niet verwacht worden dat zij met elkander in vrede zouden leven. De strijd duurde blijkbaar eeuwen, terwijl geen van beide partijen een beslist voordeel behaalde, totdat Börr de reuzin Bestla huwde, dochter van Bolthorn (doorn des kwaads), die hem drie geweldige zonen baarde, Odin (geest), Vili (wil) en Ve (heilig). Deze drie zonen hielpen hun vader onmiddellijk in zijn strijd tegen de vijandige vorstreuzen, en slaagden er eindelijk in hun meest doodelijken vijand, den grooten Ymir, te verslaan. Toen hij levenloos te aarde zonk, gutste het bloed uit zijn wonden in zulke stroomen, dat het een grooten zondvloed teweeg bracht, waarin zijn geheele geslacht omkwam, behalve Bergelmir, die in een boot ontsnapte en met zijn vrouw naar de grenzen der wereld ging.

Gij deedt verdrinken Ymirs gansch geslacht,

Slechts niet Bergelmir, hij ontvlood te scheep

Uw zondvloed, uit hem ’t reuzenvolk ontsprong.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Hier vestigde hij zich en noemde de plaats Jötun-heim (het huis der reuzen) en hier verwekte hij een nieuw ras van vorstreuzen die zijn antipathieën erfden, den strijd voortzetten en steeds bereid waren toe te snellen uit hun verlaten land en het gebied der goden te verwoesten.

De goden, in de Noorsche mythologie Aesir (pilaren en dragers van de wereld) genoemd, begonnen, toen zij zoo getriomfeerd hadden over hunne vijanden, en niet langer in voortdurenden strijd waren verwikkeld, rondom zich te zien met het voornemen den desolaten aanblik der dingen te verbeteren en een bewoonbare wereld te vormen. Na behoorlijk overleg rolden Börr’s zonen het groote lijk van Ymir in den gapenden afgrond, en begonnen de wereld te scheppen uit zijn verschillende samenstellende deelen.

De schepping van de aarde.

Uit het vleesch vormden zij Midgard (middentuin), zooals de aarde werd genoemd. Deze werd geplaatst precies in het centrum van de groote ruimte, en geheel in het rond omtuind met Ymirs wenkbrauwen als bolwerken of wallen. De vaste massa van Midgard werd omgeven met het bloed of zweet van den reus, dat den oceaan vormde, terwijl zijn beenderen de heuvelen uitmaakten, zijn vlakke tanden de klippen en zijn gekruld haar de boomen en allen plantengroei.

Zeer tevreden over den uitslag van hun eerste pogingen in zake de schepping, namen de goden nu den loggen schedel van den reus en hingen hem behendig als hemelgewelf boven aarde en zee; daarna verstrooiden zij zijn hersenen door de ruimte er onder en vormden er de bevallige wolken uit.

Uit Ymirs vleesch

Werd d’aard geschapen,

Uit zijn bloed de zee,

Uit zijn beend’ren de heuvels,

Uit zijn haar boom en plant,

Uit zijn schedel de hemelen,

En uit zijn brauwen

Schiepen de goden

Midgard, het menschenkind ter woon;

Maar uit zijn brein

Werden de wolken zwaar

Alle geschapen.

Noorsche Mythologie.

Ten einde het hemelgewelf te steunen, plaatsten de goden de sterke dwergen, Nordri, Sudri, Austri, Westri, op zijn vier hoeken, met het bevel het op hun schouders te houden, en aan hen ontleenden de vier punten van het kompas hun tegenwoordige namen: Noord, Zuid, Oost en West. Om aan de dus geschapen wereld licht te geven versierden de goden het hemelgewelf met vonken, afkomstig uit Muspells-heim, lichtpunten die gestadig schenen door het donker als schitterende sterren. De levendigste van deze vonken echter werden bewaard tot de vervaardiging van de zon en de maan, die in mooie gouden wagens werden gezet.

En uit het vlammenland, waar Muspel heerscht,

Zondt gij en haaldet vuur, en schiept gij ’t licht

Van zon en maan en star, gij hingt ze aan ’t zwerk.

Deelend de paden dus van nacht en dag.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Toen al deze toebereidselen gereed waren en de rossen Arvakr (de vroege ontwaker) en Alsvin (de snelle looper) gespannen waren voor de zonnekar, plaatsten de goden, bang dat de dieren zouden te lijden hebben als zij in de buurt van de brandende sfeer kwamen, onder hun schoudergewrichten groote vliezen, gevuld met lucht of met eene of andere verkoelende stof. Ook vormden zij het schild Svalin (de verkoeler), en plaatsten het voor den wagen om hen te behoeden voor de rechte stralen der zon, die anders hen en de aarde tot asch zouden hebben verbrand. Eveneens was de maanwagen voorzien van een snel ros, Alsvider (de al-sterke) geheeten; maar er was geen schild noodig om het te beschermen voor de milde stralen der maan.

Mani en Sol.

De wagens waren klaar, de paarden ingespannen en ongeduldig om hun dagelijksche ronde te beginnen, maar wie zou hen langs den rechten weg sturen? De goden keken om zich heen, en hun aandacht werd getrokken door de twee schoone spruiten van den reus Mundilfari. Hij was heel trotsch op zijn kinderen en had hen naar de pas geschapen bollen Mani (de maan) en Sol (de zon) genoemd. Sol, de Zonnemaagd, was de vrouw van Glaur (gloed) die blijkbaar een van Surtr’s zonen was.

De namen bleken gelukkig gekozen, toen aan broeder en zuster de besturing van de paarden hunner twee naamgenooten waren toevertrouwd. Nadat zij goeden raad hadden gekregen van de goden, werden zij naar de lucht gebracht, en vervulden dagelijks de hun opgelegde plichten en stuurden hun rossen langs de hemelpaden.

Weet dat Mundilfari genoemd

Vader wordt van maan en zon;

Eeuwen, eeuwen gaan voorbij

En zij duiden maand en dag.

Hávamál.

Vervolgens riepen de goden Nott (nacht), een dochter van Norvi, een van de reuzen, en vertrouwden haar de zorg over een donkere kar, getrokken door een zwart paard Hrim-faxi (vorst-maan), uit wiens golvende manen dauw en rijp op aarde vielen.

Hrim-faxi is het zwarte ros

Dat van ’t oosten brengt den nacht,

Zwaar van liefdevreugd die stroomt

Bijt hij op ’t beschuimd gebit,

Dan drupt weer de dauw en siert

Rondgestrooid der aarde land.

Vafthrudni’s-mal.

De godin van den nacht was driemaal getrouwd geweest, en bij haren eersten man Naglfari, had zij een zoon die Aud heette, bij haar tweeden, Annar, een dochter Jörd; en bij haar derden, den god Dellinger (dageraad) werd haar nu een andere zoon, van stralende schoonheid, geboren, en hij ontving den naam Dag.

De Wolven vervolgen Sol en Mani

J. C. Dollman.

Zoodra de goden dit prachtige wezen zagen, rustten zij ook voor hem een wagen uit, getrokken door het schitterende witte ros Skin-faxi (die blinkende manen heeft) en van zijn manen schenen felle lichtstralen van alle kanten, de wereld verlichtend en glans en vreugde brengend aan iedereen.

Voort van het oost, naar ’s hemels toppunt toe,

Dreef Dag zijn ros welks manen schitterden.

Balder Dood (Matthew Arnold).

De wolven Sköll en Hati.

Maar daar het kwaad het goede altijd op de hielen volgt, in de hoop het te vernietigen, stelden de oude bewoners van de Noordelijke landen zich voor, dat beiden, Zon en Maan, voortdurend vervolgd werden door de woeste wolven Sköll (verzet) en Hati (haat), wier eenig doel was de schitterende wezens vóór hen in te halen en op te eten, opdat de wereld weer in haar oorspronkelijke duisternis mocht worden gehuld.

Sköll heet de wolf

Die de godin, de prachtige,

Naar de zee toedrijft;

Een andere, Hati genoemd

Is Hrodvitnir’s zoon;

Hij zal voorgaan het hemelkind schoon.

Saemunds Edda.

Nu en dan vertelde men, haalden de wolven hun prooi in en trachtten ze op te eten, brachten zoo een verduistering van de stralende hemellichamen te weeg. Dan hief het verschrikte volk een zoo oorverdoovend rumoer aan, dat de wolven, door het getier verschrikt, ze direct loslieten. Dus bevrijd vervolgden Zon en Maan hun weg en ijlden sneller dan te voren, terwijl de hongerige monsters voortstormden in hun zog, snakkend naar den tijd wanneer hun pogingen zouden slagen en het einde der wereld zou komen. Want de noordelijke volken geloofden dat, daar hun goden ontsprongen waren aan een vereeniging van het goddelijke element (Börr) en het sterfelijke element (Bestla), zij eindig waren, en gedoemd onder te gaan met de wereld die zij hadden gewrocht.

Maar toen zelfs in dien vroegsten tijd

Was zwak geduid de dageraad

Van woesten strijd, van schok des doods,

Als alles endt in Ragnarok;

Als goed en kwaad, als niet en zijn

Beginnend nu, enden hun kamp.

Valhalla.

Mani werd ook vergezeld door Hiuki, de wassende, en Bil, de afnemende maan, twee kinderen die hij had weggerukt van de aarde, waar een wreed vader hen noopte iederen nacht water te dragen. Onze voorouders verbeeldden zich dat zij deze kinderen, de oorspronkelijke, “Jack en Jill” met hun emmer, in vage omtrekken op de maan zagen.

De goden stelden niet alleen Zon, Maan, Dag en Nacht aan om den voortgang van het jaar aan te geven, maar riepen ook Avond, Middernacht, Morgen, Voormiddag, Middag en Namiddag om hun plichten te deelen, terwijl zij Zomer en Winter tot de beheerschers der jaargetijden maakten. Zomer, een rechtstreeksche afstammeling van Svasud (de milde en lieflijke), erfde den vriendelijken aard van zijn vader, en werd door allen bemind behalve door Winter, zijn doodelijken vijand, den zoon van Vindsual, zelf weer een zoon van den onvriendelijken god, de verpersoonlijking van den ijskouden wind.

Vindsual is de naam van hem

Die heeft verwekt den wintergod;

Zomer was Suasuthers kind;

Beiden zullen gaan hun pad,

Tot der goden schemering.

Vafthrudni’s-mal.

De koude winden zweepten voortdurend neer van het noorden, en verstijfden de aarde, en de Noormannen verbeeldden zich dat deze in beweging waren gezet door den grooten reus Hraesvelgr (lijken-zwelger), die, gedost in arendsvederen, aan den meest noordelijken top van den hemel zat, en dat wanneer hij zijn armen of vleugelen ophief de koude stormen uitschoten en onbarmhartig zwiepten over het gelaat der aarde, alle dingen verwoestend met hun ijzigen ademtocht.

Hrae-svelger is de naam van hem

Die zit voorbij der hemelen end,

En spreidt zijn arendsvleug’len uit,

Zoodat de storm te voorschijn schiet.

Vafthrudni’s-mal.

Dwergen en elfen.

Terwijl de goden bezig waren met het scheppen van de aarde en voor hare verlichting zorgden, was er een gansche schare op wormen gelijkende schepselen uitgebroed in Ymirs vleesch. Deze zonderlinge wezens trokken nu de aandacht der goden. Zij riepen hen tot zich en gaven hun eerst gestalten en voorzagen hen met bovenmenschelijk verstand en verdeelden hen vervolgens in twee groote klassen. Die welke donker, verraderlijk en sluw van nature waren, werden verbannen naar Svart-alfa-heim, de woning der zwarte dwergen, gelegen onder den grond, van waar zij nooit naar buiten mochten komen over dag, op straffe dat zij in steen zouden worden veranderd. Zij werden Dwergen, Trolls, Gnomen of Kobolden genoemd en besteedden al hun tijd en kracht aan het doorvorschen van de geheime schuilhoeken der aarde. Zij verzamelden zilver, goud en kostbare steenen, die zij wegstopten in geheime spleten, waar zij ze, als zij wilden, konden uithalen. De overige dezer kleine schepselen, allen die goed, schoon en nuttig waren, noemden de goden Feeën en Elfen, en zij lieten hen wonen in het luchtgebied Alfheim (huis der lichtelfen), gelegen tusschen hemel en aarde, van waar zij konden neerzweven als zij wilden, om bij de planten en bloemen te zijn, te spelen met de vogels en vlinders, of te dansen in het zilverachtige maanlicht op het groen.

Odin die de leidende geest was geweest in al deze ondernemingen, gebood nu den goden, zijn afstammelingen, hem te volgen naar de breede vlakte, Idavold geheeten, ver boven de aarde, aan de andere zijde van den grooten stroom Ifing, welks wateren nimmer bevroren.

Ifings diep’ en donk’re vloed

Scheidt der aarde kind’ren nu

Van de plek, der goden woon;

Open ligt het water, dat

Nimmer ijskorst stremmen zal

Wijl het wiel der eeuwen vliegt.

Vafthrudni’s-mal.

In het midden van de heilige ruimte, die van het begin der wereld gereserveerd was tot hun eigen verblijf en Asgard (huis der goden) heette, kwamen al de twaalf Aesir (goden) en vier-en-twintig Asynjur (godinnen) samen op Odins bevel. Toen werd een groote bijeenkomst gehouden, waarop werd vastgesteld dat geen bloed binnen de perken van hun gebied of vredeplaats zou vergoten worden, maar dat er harmonie zou heerschen voor altijd. Als een verdere uitkomst der bespreking richtten de goden een smidse op waar zij al hun wapenen maakten en de gereedschappen, noodig tot het bouwen van de prachtige paleizen van kostbare metalen waarin zij lange jaren woonden in zulk een gelukkigen toestand dat deze periode de Gouden Eeuw is genoemd.

De schepping van den mensch.

Ofschoon de goden van den beginne Midgard, of Mana-heim hadden aangewezen tot woning van den mensch, waren er eerst geen menschelijke schepsels om er in te wonen. Op zekeren dag trokken Odin, Vili en Ve, volgens sommigen, of Odin, Hoenir (de schitterende) en Lodur of Loki (vuur) er samen op uit en wandelden langs de zeekust toen zij vonden òf twee boomen, den esch, Ask, en den olm Embla, òf twee blokken hout, gehouwen in de ruwe gelijkenis van de menschelijke gestalte. De goden staarden eerst op het levenlooze hout in stille verbazing; toen, merkende wat er van gemaakt kon worden, gaf Odin dezen blokken zielen, Hoenir verschafte beweging en zintuigen, en Lodur verleende bloed en bloeiende kleur.

Zoo begiftigd met taal en gedachte en met het vermogen om lief te hebben en te hopen en te werken, en met leven en dood, mochten de pas geschapen man en vrouw Midgard beheerschen zooals zij wilden. Zij bevolkten het gaandeweg met hunne nakomelingen terwijl de goden, zich herinnerend dat zij hen in het leven hadden geroepen, een bijzonder belang stelden in al wat zij deden, over hen waakten en hun dikwijls hulp en bescherming verleenden.

De boom Yggdrasil.

Alvader schiep vervolgens een forschen esch, Yggdrasil, den boom van het heelal, van den tijd of van het leven, die de heele wereld vulde, daar hij niet enkel wortel schoot in de verst verwijderde diepten van Niflheim, waar de bron Hvergelmir vloeide, maar ook in Midgard, bij Mimirs bron (den oceaan), en in Asgard, bij de Urdas-fontein.

Door zijn drie groote wortels verkreeg de boom een zoo wonderbare hoogte dat zijn opperste tak, Lerad, (de vredegever) Odins hal overschaduwde, terwijl de andere wijd zich uitspreidende twijgen over de andere werelden staken. Een adelaar zat vastgeroest op den tak Lerad, en tusschen zijn oogen de valk Vedfolnir, die zijn doordringende blikken in den hemel zond en op de aarde en naar Niflheim, en vertelde al wat hij zag.

Daar de boom Yggdrasil altijd groen was en zijn bladeren nooit verdorden, diende hij als weide, niet enkel voor Odins geit Heidrun, die de hemelsche mee, den drank der goden, verstrekte, maar ook voor de herten Dain, Dvalin, Duneyer en Durathor, van welker hoornen honigdauw op aarde druppelde en dat water voor alle rivieren in de wereld verstrekt.

In den ziedenden ketel Hvergelmir, dicht bij den grooten boom, knaagde een verschrikkelijke draak, Nidhug, voortdurend aan de wortels, en werd in zijn vernielingswerk bijgestaan door tallooze wormen, welker doel was den boom te dooden, daar zij wisten dat zijn dood het teeken zou zijn van der goden val.

En altijd roofziek werkt een macht baldadig,

De wreede Nidhung uit des wereld diep,

Hij haat het asa-licht welks glans weldadig

Op heldenhoofd en zwaard zijn weerschijn schiep.

Viking-verhalen uit het noorden. (R. B. Anderson).

Onophoudelijk de takken en den stam van den boom op en afvliegend, sleet het eekhoorntje Ratatosk (takboorder), de typische woelwater en babbelaar, zijn tijd met aan den draak beneden de opmerkingen van den adelaar boven te vertellen en omgekeerd, in de hoop twist tusschen hen te verwekken.

De brug Bifröst.

Het lag, natuurlijk, in de rede, dat de boom Yggdrasil in volkomen staat werd gehouden, en dit was de plicht der Nornen of Schikgodinnen, die hem elken dag besprenkelden met de heilige wateren van de Urdar-fontein. Als dit water naar de aarde druppelde door de takken en de bladeren, voorzag het de bijen van honig.

Aan weerskanten van Niflheim, hoog zich verheffend boven Midgard, rees de heilige brug Bifröst (Asabru, de regenboog) op, gebouwd uit vuur, water, en lucht, welker beweeglijke en wisselende tinten zij behield, en waarover de goden heen en weer naar de aarde trokken of naar de Urdar-bron, aan den voet van den esch Yggdrasil, waar zij dagelijks vergaderden.

“De goden stonden op

Namen hun paarden, vingen aan hun rit

Over de Bifröst, brug die Heimdall hoedt,

Naar Yggdrasil, den esch, naar ’t Idavold,

Thor kwam te voet, maar heel de rest te paard.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Van al de goden ging alleen Thor, de dondergod, nooit over de brug, uit vrees dat zijn zware tred of de hitte van zijn bliksem ze zou vernielen. De god Heimdall hield er dag en nacht de wacht. Hij was gewapend met een scherp zwaard, en droeg een trompet, Giallar-hoorn genaamd, waarop hij gewoonlijk een zachten toon blies om de komst of het vertrek der goden aan te geven, maar waarop hevig zou geblazen worden als Ragnarok zou komen, en de vorstreuzen en Surtr samenspanden om de wereld te verwoesten.

Surtr van het zuiden komt

Met flikk’rende vlam;

Blinkt van zijn zwaard

Niet Val-gods zon?

De rotsen worden saam gesloopt.

De reuzenbergen wank’len;

De menschen gaan het pad der hel,

De hemel is gespleten.

Saemunds Edda.

De Vana’s.

Ofschoon nu de oorspronkelijke bewoners van den hemel de Aesir waren, waren zij niet de eenige godheden van de noordelijke rassen, die ook de macht erkenden van de zee- en windgoden, de Vana’s, wonend in Vana-heim en regeerend naar hun willekeur. In vervlogen tijden, eer de gouden paleizen in Asgard gebouwd waren, ontstond een twist tusschen de Aesir en Vana’s, en zij grepen naar de wapenen, terwijl zij rotsen, bergen en ijsschotsen gebruikten als werptuigen in het gevecht. Maar toen zij weldra ontdekten dat in eenheid hun kracht lag, legden zij hunne geschillen bij en sloten vrede, en om het verbond te bekrachtigen wisselden zij gijzelaars uit.

Zoo gebeurde het dat de Van, Niörd, kwam wonen in Asgard, met zijn twee kinderen, Frey en Freya, terwijl de Asa, Hoenir, Odins eigen broeder, zijn tenten opsloeg in Vana-heim.

Hoofdstuk II: Odin.

Odin vader van goden en menschen.

Odin, Wuotan, of Wodan, was de hoogste en heiligste god van de noordelijke rassen. Hij was de alles doordringende geest van het heelal, de verpersoonlijking van de lucht, de god van universeele wijsheid en overwinning, en de leider en beschermer van vorsten en helden. Daar men veronderstelde dat al de goden van hem afstamden, had hij den bijnaam Alvader, en als oudste en opperste onder hen bezette hij den hoogsten zetel in Asgard. Bekend onder den naam Hlidskialf, was deze stoel niet enkel een verheven troon, maar ook een geweldige wachttoren, van waar hij de heele wereld kon overzien en met een enkelen blik in oogenschouw nemen alles wat er gebeurde onder goden, reuzen, elfen, dwergen en menschen.

En uit de hal des hemels toog hij weg

Naar Lidskialf, en zat er op zijn troon,

Den berg, van waar zijn oog de wereld ziet.

En uit den hemel sloeg hij lichten blik

En zag naar Midgard, d’ aard’ en ’t menschenvolk.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Odins persoonlijke verschijning.

Niemand dan Odin en zijn vrouw en koningin Frigga mochten dezen zetel gebruiken, en als zij er op zaten keken zij meestal naar het Zuiden en het Westen, het wit van alle verwachtingen en tochten der noordelijke volken. Odin werd meestal voorgesteld als een groot, sterk man, ongeveer vijftig jaar oud, hetzij met donker krullend haar of met een langen grijzen baard en kaal hoofd. Hij was gekleed in een grijs gewaad, met een blauwe kap, en zijn gespierd lichaam was gehuld in een wijden blauwen mantel met grijze spikkels—een beeld van de lucht met haar wollige wolken. In zijn hand had Odin doorgaans de speer Gungnir die altijd trof en die zoo heilig was dat een eed, bij haar punt gezworen, nooit kon gebroken worden, en aan zijn vinger of arm droeg hij den wonderbaren ring, Draupnir, het zinnebeeld van vruchtbaarheid, boven vergelijking waardevol. Als hij op zijn troon zat of tot het gevecht was gewapend—want dikwijls daalde hij naar de aarde af om daaraan deel te nemen—dan droeg Odin zijn adelaarshelm; maar als hij vreedzaam over de aarde ging in menschelijke gestalte om te zien wat men uitvoerde, dan droeg hij doorgaans een breedgeranden hoed, laag over zijn voorhoofd getrokken, ten einde het feit te verbergen dat hij maar één oog had.

Odin

Sir E. Burne-Jones.

Twee raven, Hugin (gedachte) en Munin (geheugen) zaten op zijn schouders als hij op zijn troon zetelde, en deze zond hij elken morgen de wijde wereld in, met spanning wachtend op hun terugkeer tegen den avond, wanneer zij hem in het oor fluisterden alles wat zij gezien hadden en gehoord. Zoo werd hij goed op de hoogte gehouden van alles wat op aarde gebeurde.

Hugin en Munin

Vliegen elken dag

Over de wijde wereld.

Ik vrees voor Hugin

Dat hij niet weerkomt,

Maar nog meer in angst ben ik voor Munin.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Aan zijn voeten hurkten twee wolven of jachthonden, Geri en Freki, dieren die daarom als heilig beschouwd werden en als goede voorteekenen wanneer men hen op weg tegenkwam. Odin voederde deze wolven altijd met eigen hand en met vleesch dat voor hen was neergezet. Hij wilde zelf geen voedsel en proefde zelden van iets behalve van de heilige mee.

Geri en Freki

De krijger voedt,

Der benden machtige heer;

Maar van wijn enkel

Bestaat de sterke

Odin, hoogberoemd.

Lied van Grimnir.

Als hij in staatsie op zijn troon zat, deed Odin zijn voeten rusten op een voetbank van goud, het werk der goden wier meubelen en werktuigen alle gemaakt waren òf van dat kostbare metaal òf van zilver.

Behalve de prachtige hal Gladsheim, waar de twaalf zetels stonden waarop de goden zaten wanneer zij vergaderden, en Valaskialf, waar zijn troon, Hlidskialf, was geplaatst, had Odin een derde paleis in Asgard, gelegen in het midden van het wondervolle bosch Glasir, welks glanzende bladeren waren van rood goud.

Valhalla.

Dit paleis, Valhalla geheeten (de hal der uitgelezen verslagenen) had vijfhonderd veertig deuren, breed genoeg om achthonderd krijgslieden naast elkander door te laten, en boven den hoofdingang waren een zwijnskop en een adelaar welks scherpe blik doordrong tot de verste hoeken van de wereld. De muren van dit wondervolle gebouw waren gemaakt van schitterende speren, zoo sterk gepolijst dat zij de hal verlichtten. Het dak was van gouden schilden, en de banken waren versierd met schoone rustingen, de geschenken van den god aan zijn gasten. Hier boden lange tafels ruimschoots gerief aan de Einheriar, soldaten gevallen in den slag, die in het bijzonder door Odin begunstigd werden.

Gemakkelijk wordt herkend,

Door hen die tot Odin gaan,

Het verblijf als men het ziet,

Zijn dak met speren belegd,

Zijn hal met schilden bedekt,

Met wapenen elke bank versierd.

Grimnirs Lied.

De oudste Noorsche natiën, die den oorlog voor het meest eervolle bedrijf hielden, en moed als de grootste deugd beschouwden, vereerden Odin vooral als god van strijd en zegepraal. Zij geloofden dat, zoo dikwijls er een gevecht op handen was, hij zijn bijzondere dienaressen, de schild-, strijd- of wenschmaagden, Valkyren (kiezers der gesneuvelden) geheeten, uitzond, die uit de doode krijgers het halve aantal kozen en ze droegen op haar snelle rossen over de sidderende regenboogbrug, Bifröst, in het Valhalla. Welkom geheeten door Odins zonen, Hermod en Bragi, werden de helden geleid naar den voet van Odins troon, waar zij den prijs ontvingen die hun moed toekwam. Als een of andere uitverkorene van den god dus in Asgard werd gebracht, stond Valvader (vader der gesneuvelden) zooals Odin heette wanneer hij het voorzitterschap bekleedde over de krijgers, soms van zijn troon op en heette hem in persoon welkom aan de groote ingangspoort.

Het feest van de helden.

Behalve den roem van zulk een onderscheiding en het genot van Odins geliefde tegenwoordigheid dag op dag, wachtten nog andere stoffelijke genietingen de krijgers in het Valhalla. Een onbekrompen onthaal werd hun bereid aan lange tafels, waar de schoone maagden met hare blanke armen, de Valkyren, hen met nauwgezetten ijver dienden, nadat zij hare wapenrusting hadden afgelegd en zij zich in zuivere, witte kleederen hadden gedoscht. Deze maagden, negen in getal, volgens sommige bronnen, brachten den helden groote horens met heerlijke mêe gevuld, en zetten hun enorme porties wild-zwijnenvleesch voor, waarvan zij lekker smulden. De gewone Noorsche drank was bier of ale, maar onze voorvaderen vonden dit drinken te gemeen voor de hemelsche sfeer. Zij verbeeldden zich dus dat Valvader zijn tafel ruim voorzien had van mee of honigwijn die dagelijks in groote hoeveelheid door zijn geit Heidrun werd geleverd. Deze geit graasde voortdurend de teere bladeren en twijgen op Lerad, den hoogsten top van den Yggdrasil.

Veel strijd, gevaarvol vechten was hun leus;

Ontijdig en met purpren wonden vol,

Was harde dood hun keus; hij bracht hun aan

Een recht op feest en drinken dat nooit eindt

In Odins hal, welks ruim weerklinken deed

’t Vroolijk rumoer der schimmen, eens geveld

In woest gevecht of door gedurfden slag.

Vrijheid (James Thomson).

De spijs die de Einheriar aten was het vleesch van het goddelijke everzwijn Saehrimnir, een wonderbaar dier, dat dagelijks geslacht werd door den kok Andhrimnir, en gekookt in den grooten ketel Eldhrimnir; maar ofschoon de gasten van Odin echten noorschen eetlust hadden en tot verzadigings toe aten, was er altijd vleesch genoeg voor allen.

Andhrimnir kookt

In Eldhrimnir

Saehrimnir;

’t Is ’t beste vleesch;

Geen schier kent

Der Einherjen spijs.

Grimnirs lied.

Bovendien was de voorraad onuitputtelijk, want het wilde zwijn kwam altijd weer in het leven terug vóór het uur van den volgenden maaltijd. De wonderbare vernieuwing van voorraad in de provisiekamer was niet de eenige miraculeuse gebeurtenis in Valhalla, want men zegt dat de krijgers na tot verzadigd wordens toe gegeten en gedronken te hebben, altijd naar hun wapenen vroegen, zich uitrustten en naar het groote hofplein reden, waar zij tegen elkander vochten en de wapenfeiten herhaalden, waardoor zij beroemd waren geworden op aarde, en dat zij elkander roekeloos vreeslijke wonden toebrachten, die echter op wonderdadige wijze totaal waren genezen zoodra de etenshoren klonk.

Odins uitverkoren gasten

Spelen daag’lijks ’t oorlogsspel;

Van het feestlijk kampgebied

Rijden zij in glinstrend staal;

En vroolijk, aan der goden disch,

Zwelgt men den kroes met fonklend bier,

En eet Saehrimni’s roemrijk vleesch.

Vafthrudni’s-mal.

Ongedeerd en gelukkig als de horen klonk, en zonder elkander wrok toe te dragen om de harde stooten die men had gegeven of ontvangen, reden de Einheriar opgewekt naar Valhalla terug om in Odins lieflijk bijzijn hun feesten weer te beginnen, terwijl de Valkyren met hare witte armen en wuivend haar bevallig rondzweefden en telkens weer haar horens of haar geliefkoosde drinkschalen, de schedels harer vijanden, vulden, terwijl de skalden zongen van oorlog en van ontroerende Vikingtochten.

Zij krijgen stoot en houw den ganschen dag

Bij stof en kreet en bloed en lid, verminkt;

Maar keeren ’s avonds weer naar Odins hal

Gezond en frisch; zoo is hun hemelsch lot.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Terwijl zij dus vochten en feestvierden brachten de helden hun dagen in volkomen geluk door, terwijl Odin genoegen had in hun kracht en aantal, dat echter, dit voorzag hij, zijn val niet zou kunnen voorkomen als de dag van het laatste gevecht aanbreken zou.

Een Vikingtocht

J. C. Dollman.

Daar zulke genietingen de hoogste waren die de verbeelding van een noordelijken krijger kon schilderen, was het zeer natuurlijk dat alle krijgslieden Odin moesten liefhebben en vroeg in hun leven zich moesten wijden aan zijn dienst. Zij beloofden dat zij, zoo mogelijk, zouden sterven met de wapenen in de hand, en verwondden zelfs met hun eigen speren zich zelven als de dood naderde, wanneer zij ongelukkig genoeg waren geweest den dood op het oorlogsveld te ontgaan en bedreigd werden met “een strooien dood”, zooals zij overlijden aan ouderdom of ziekte noemden.

Aan Odin trouw verpand

Kerft hij zich runen,

Dood-runen heel diep op zijn arm en zijn borst.

Viking-verhalen van het Noorden (R. B. Anderson).

Tot loon voor deze toewijding waakte Odin met bijzondere zorg over zijn gunstelingen, gaf hun geschenken, een tooverzwaard, een speer of een paard en maakte hen onoverwinnelijk totdat hun laatste uur gekomen was, als hij zelf verscheen om op te eischen of te vernietigen de giften die hij had geschonken, en de Valkyren de helden naar Valhalla droegen.

Hij gaf aan Hermod

Een helm en pantser,

Van hem ontving ook

Siegmund een zwaard.

Hyndla-lied.

Sleipnir.

Als Odin een werkzaam aandeel had in den oorlog, bereed hij meestal zijn acht-pootig grijs paard, Sleipnir, en droeg een wit schild. Zijn schitterende speer over de hoofden der strijdenden geslingerd, was het teeken dat het gevecht zou beginnen, en hij stormde dan in het midden van de gelederen en schreeuwde zijn oorlogskreet: “Odin heeft U allen”.

En Odin doste

Zich uit met rusting blinkend, helm van goud,

En voerde Sleipnir voort.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Soms gebruikte hij zijn tooverboog waarvan hij tien pijlen tegelijk kon schieten, en elk velde zonder missen een vijand neer. Ook veronderstelde men dat Odin zijn begunstigden krijgers de beroemde Berserkerwoede (Berserker-naakthemd) ingaf, die hen in staat stelde, ofschoon naakt, zonder wapenen en geheel omsingeld, ongehoorde daden van moed en kracht te verrichten, en als door tooverkracht te ontwijken.

Evenals Odins eigenschappen, gelijk de allesdoordringende elementen, veelvuldig waren, zoo ook zijn namen; hij had er niet minder dan tweehonderd, die bijna alle een vorm van zijn werken aanduidden. Men beschouwde hem als den ouden god van de zeelui en van den wind.

“Machtig’ Odin,

Noren smeeken: U zij d’ eer!

Stuur ons schip, o sterke Wodan,

Veilig over d’ Oostzee weer”.

Vail.

De wilde jacht.

Odin, in zijn hoedanigheid van windgod, werd afgebeeld als midden door de lucht ijlend op zijn achtpootig paard, waarvan het oudste Noorsche raadsel afkomstig is, dat aldus luidt: “Wie rijden er samen naar het gevecht? Zij hebben drie oogen, tien voeten, één staart: en zwerven zoo de landen door”. En daar men meende dat de zielen van de dooden werden weggedreven op de vleugelen van den storm, werd Odin vereerd als de leider van alle zielen die het lichaam hadden verloren. In deze rol was hij het meest algemeen bekend als de Wilde Jager, en als de menschen het geruisch en gebulder van den wind hoorden, schreeuwden zij luid in bijgeloovige vrees en verbeeldden zich dat zij hem zagen voorbij rijden met zijn stoet, allen gezeten op snuivende paarden, en vergezeld van blaffende honden. En men beschouwde het voorbijgaan van de Wilde Jacht, bekend als Wodan’s Jacht, de Razende Menigte, Gabriels Honden of Asgardreia, ook als een voorteeken van onheil als b.v. oorlog of pest.

De Rijn vloeit klaar, maar een dof gebrom

Van kamp hoort straks zijn bed,

En van speren galmt het land rondom

En er schreeuwt ginds een trompet,

En de dapp’re ligt in zijn bloed, geveld,

Want de Wilde Jager is langs gesneld.

De Wilde Jager (Mevr. Hemans).

Verder dacht men dat wanneer iemand zoo oneerbiedig was dat hij in scherts mee deed aan het wild hallo, hij direct zou worden gegrepen en met de verdwijnende schare meegevoerd, terwijl diegenen die aan het hallo deelnamen met onvoorwaardelijk goed geloof, beloond zouden worden met het plotselinge geschenk van een paardepoot, van boven hun toegeworpen, en dat deze, als zij hem zorgvuldig bewaarden tot den volgenden morgen, veranderd zou worden in een klomp goud.

Zelfs na de invoering van het Christendom was het onontwikkelde Noorsche volk nog bang voor den opkomenden storm en beweerde dat het de Wilde Jacht was die voortjoeg door de lucht.

“Hem schrikt gerucht,

Want boven hem is Gabriels hondenstoet,

Die met hun slechten heer steeds jagen moet

Het vliedend hert in hooge streek der lucht”.

Sonnet (Wordsworth).

Soms liet zij een kleinen zwarten hond achter, die hinkend en jankend op een nabijzijnden haard, een heel jaar lang bewaard en zorgvuldig opgepast moest worden, indien hij niet kon worden uitgedreven of weggeschrikt. Het gewone voorschrift was, precies als voor de onttoovering van vondelingen, bier te brouwen in eierschalen, en men meende dat dit bedrijf den spookhond zulk een schrik zou aanjagen, dat hij zou wegvluchten met zijn staart tusschen de beenen, uitroepend, dat, ofschoon zoo oud als het Bohemer bosch, hij nooit eerder zoo iets doms gezien had.

Ik ben oud

Als ’t Bohemer woud,

En heb van mijn leven

Zulk gebrouw niet gezien.

Oud gezegde.

Het voorwerp van deze schimmenjacht was zeer afwisselend, en was òf een denkbeeldig wild zwijn òf wild paard, meisjes met blanke borsten die gevangen werden en weggevoerd slechts eens in de zeven jaren, of de boschnimfen, mosmeisjes genoemd, van wie men dacht dat zij de herfstbladen voorstelden, van de boomen afgescheurd en weggewaaid door den winterstorm.

In de middeleeuwen, toen het geloof in de oude heidensche godheden ten deele vergeten was, was de aanvoerder van de Wilde Jacht niet langer Odin, maar Karel de Groote, Frederik Barbarossa, koning Arthur, of deze of gene Sabbatschender, zooals de Heer van Rodenstein of Hans von Hackelberg, die, tot straf voor zijn zonden, veroordeeld was voor goed te jagen door de lucht.

Men meende, dat, daar de winden het hevigst bliezen in herfst en winter, Odin het liefst in dat seizoen op jacht ging, vooral in den tijd tusschen Kerstmis en Driekoningen, en de boeren zorgden er altijd voor de laatste schoof of maat graan op de velden achter te laten als voedsel voor zijn ros.

Deze jacht was natuurlijk onder verschillende namen bekend in de onderscheiden landen van Noordelijk Europa; maar daar de verhalen, er van verteld, overal gelijk zijn, hadden zij blijkbaar hun oorsprong in hetzelfde oude heidensche geloof, en tot dezen dag denken onontwikkelde menschen met een noorsche fantasie, dat het gehuil van een hond in een stormachtigen nacht een onbedriegelijk voorteeken is van dood.

En ijlen zal de sombre jacht

Tot tijd volend is in zijn duur,

Des daags in holle aardeschacht,

Komt zij er uit in ’t nachtlijk uur,

Dit zijn de horen, hond en paard

Die ’s avonds soms verneemt de boer,

Dan slaat hij ’t kruis, door vrees vervaard,

Als hij bemerkt het wild rumoer.

De wakk’re priester treurt dan stil

Om ’s menschen trots en ’s menschen wee,

Als bij zijn nachtmis dringt een gil,

De helsche roep van “holla hé”.

Sir Walter Scott.

De Wilde Jacht, of de Razende Schaar van Duitschland, heette in Engeland Herlathing, naar den mythischen koning Herla, den vermeenden aanvoerder; in noordelijk Frankrijk droeg zij den naam van Mesnée d’Hellequin, naar Hell, de godin van den dood; en in de middeleeuwen was zij bekend als Cains Jacht of Herodes’ Jacht. Deze laatste namen kreeg zij, omdat men geloofde dat de aanvoerders geen rust konden vinden wegens de schandelijke moorden op Abel, op Johannes den Dooper en op de Heilige Onschuldigen.

In midden-Frankrijk heet de Wilde Jager, dien wij in andere landen al hebben leeren kennen als Odin, Karel den Groote, Barbarossa, Rodenstein, von Hackelberg, Koning Arthur, Hel, een van de Zweedsche koningen, Gabriel, Cain of Herodes, ook wel de Groote Jager van Fontainebleau (le Grand Veneur de Fontainebleau), en men beweert dat men den avond van den moord op Hendrik IV en ook precies voor het uitbreken van de groote Fransche Omwenteling, zijn geschreeuw duidelijk kon hooren toen hij ijlde door de lucht.

Algemeen geloofde men onder de Noorsche volken dat de ziel ontsnapte uit het lichaam in de gedaante van een muis, die uit den mond van een lijk kroop en wegliep, en die ook zou kruipen in en uit de monden van menschen die in somnambule-toestand verkeerden. Terwijl de ziel afwezig was, kon geen poging of middel den patiënt tot het leven terugroepen; maar zoodra zij weerom was, kwam de bezieldheid terug.

De Rattenvanger.

Daar Odin de aanvoerder was van al de schimmen, werd hij in de middeleeuwen vereenzelvigd met den Rattenvanger van Hamelin. Volgens middeleeuwsche legenden werd Hamelin zoo door ratten gekweld dat het leven ondragelijk werd, en een groote belooning werd aangeboden aan dengene, die de stad van deze knagers bevrijden zou. Een fluitspeler, in veelkleurige kleederen, wilde het werk op zich nemen, en toen men de voorwaarden had vastgesteld, begon hij door de straten te spelen zóó, dat al de ratten uit haar gaten werden gelokt totdat zij een aaneengesloten stoet vormden. Er was iets in de melodie dat haar dwong mee te gaan, totdat eindelijk de rivier de Weser bereikt was en allen in haar wateren verdronken.

En eer de fluit drie tonen deed gaan

Scheen ’t of een leger kwam murmelend aan;

En het murmelen werd tot een dof gerommel,

En het rommelen werd tot een luider brommen,

En uit ieder huis kwamen ratten in drommen.

Groote, kleine, lenige, vleezige,

Bruine en zwarte, dikke en pezige,

Grijze, halfgele, deftige, vlugge,

Vaders, moeders, oomes en neven,

Snorren gepunt, staarten boven de ruggen,

Familiën in massa, hoe groot is om ’t even,

Broeder en zuster, heer en mevrouw,

Volgden den vreemden Pijper getrouw,

Van straat tot straat blies hij doordringend,

En stap voor stap volgden zij springend,

Tot zij kwamen aan de rivier de Weser,

Waar allen in vielen en verdronken.

Robert Browning.

Toen de ratten allen dood waren en er geen kans was dat zij zouden terugkeeren om hen te plagen, weigerden de menschen van Hamelin de belooning te betalen, en zij zeiden dat de fluitspeler maar zien moest wat hij kon. Hij hield hen bij hun woord, en eenige oogenblikken later klonken de vreemde melodieën van de tooverfluit opnieuw, en dezen keer waren het de kinderen die in troepen uit de huizen kwamen en vroolijk den fluitspeler volgden.

Toen kon men ontwaren de woelige maren

Van vroolijke scharen in hevig misbaren,

Van voetjes die trappen en klompjes die stappen,

Van handjes die klappen en mondjes die snappen,

En als vogels op zaad, dat de hong’rigen happen,

Renden aan al de kinderen, meisjes en knapen,

Met wangetjes rood en goud haar om de slapen,

En tanden en oogjes tot schitt’ren geschapen,

Tripp’lend en hipp’lend in vroolijken stoet,

Den wonderen speelman gevolgd op den voet,

Robert Browning.

De burgers waren niet bij machte het treurspel te voorkomen, en toen zij als door tooverkracht verlamd stonden, voerde de speelman de kinderen uit de stad naar den Koppelberg, een heuvel aan de grenzen van de stad, die miraculeus openging om den stoet te ontvangen en zich niet eerder weer sloot dan toen het laatste kind buiten het gezicht was. Deze legende deed blijkbaar de zegswijze ontstaan “den speelman betalen”. Sedert heeft men in Hamelin de kinderen nooit teruggezien, en tot herinnering aan dit algemeene onheil zijn sedert alle officieele besluiten gedateerd zoovele jaren na het bezoek van den Rattenvanger.

Zij maakten een wet dat juristen nimmer

Moesten meenen hun stukken goed gesteld,

Als na den dag van de maand en het jaar

Niet stond te lezen, duid’lijk en klaar;

“En zoo lang na dat wat gebeurd is daar,

Op twee en twintig Juli, net geteld,

Van dertien honderd en zes en zeventig”;

Om het feit te houden voortdurend levendig,

En de plek, waar de kinderen het laatst men zag,

Noemden zij de Rattenvangerstraat sinds dien dag,

En als iemand er voortaan blies op een fluit

Ging hij ongetwijfeld zijn baantje uit.

Robert Browning.

In deze mythe is Odin de speelman, de schrille tonen van de fluit zijn zinnebeelden van den fluitenden wind, de ratten vertegenwoordigen de zielen van de dooden, die hem vroolijk volgen, en de holle berg waarin hij de kinderen voert, verbeeldt het graf.

Bisschop Hatto.

Een andere Germaansche legende, die harer oorsprong dankt aan dit geloof, is het verhaal van Bisschop Hatto, den ongelukkigen prelaat, die, geërgerd door het gezucht der armen tijdens een hongersnood, hen allen levend verbrand had in een verlaten schuur, evenals de ratten, waarop zij, volgens zijn zeggen geleken en hun niets had willen meedeelen van het kostelijke graan dat hij voor zich zelf had vergaard.

“O Zie, ’t is een heerlijk vreugdevuur” zei

De bisschop, “het land heeft verplichting aan mij,

Want ik heb het gered, in dagen van nood,

Van ratten die enkel verteren het brood.”

Robert Southey.

Kort nadat deze verschrikkelijke misdaad was bedreven, berichtten de hoorigen van den bisschop de komst van een groote menigte ratten. Deze waren, naar het schijnt, de zielen van de vermoorde boeren, die de gedaante van de ratten hadden aangenomen, waarmede de bisschop hen vergeleken had. Zijn pogingen tot ontvluchten waren vergeefsch, en de ratten vervolgden hem zelfs tot midden in den Rijn, naar een steenen toren waarin hij trachtte te ontkomen aan hun tanden. Zij zwommen naar den toren, knaagden zich een weg door de steenen muren, stortten zich er van alle kanten tegelijk binnen, vonden den bisschop en verslonden hem levend.

En in door de vensters en in door de poort,

En dwars door den vloer gaat het stormende voort,

En af van den zolder, geen muur die ze stoort,

Van rechts en van links, van zuid en van noord,

Van binnen en buiten, van hier en van daar,

Dringt af op de bisschop de ijlende schaar,

Gewet zijn hun tanden vooraf aan het steen,

Zij bijten den kerkvorst tot diep op het been,

Zij rukten zijn vleesch van het lichaam hem af,

Want dit was hun taak: hem te brengen zijn straf.

Robert Southey.

Men meent dat de roode gloed van den zonsondergang, boven den muizentoren bij Bingen aan den Rijn de spiegeling is van het helsche vuur waarin de slechte bisschop langzaam wordt geroosterd als straf voor zijn gruwelijke misdaad.

De Rattenvanger van Hameln

H. Kaulbach.

Irmin.

In sommige streken van Duitschland hield men Odin voor denzelfden als den Saksischen god Irmin, wiens beeld, de Irminzuil, bij Paderborn, door Karel den Groote in 772 werd vernield. Men vertelde dat Irmin een grooten koperen wagen had waarop hij door de lucht reed langs het pad dat wij kennen als den Melkweg, maar dat de oude Germanen aanduidden als Irmins weg. De wagen, welks geratel soms voor menschenooren verneembaar was als donder, verliet nooit de lucht, waar men hem nog kan zien in het sterrenbeeld van den Grooten Beer, in het Noorden ook bekend als Odins of Karels wagen.

“De Wagen, die rijdt door de hemel

Immer zijn cirk’lenden weg, en blijft in de buurt van Orion,

Eenige ster aan de lucht die nooit zich baadt in de golven.

Homerus Ilias.

Mimirs bron.

Ten einde de groote wijsheid te krijgen waardoor hij zoo beroemd is, bezocht Odin, in het begin der tijden, Mimirs (Memor, herinnering) bron, “de fontein van alle wetenschap en wijsheid”, in welker heldere diepten zelfs de toekomst klaar gespiegeld werd, en verzocht den ouden man, die ze bewaakte, hem een teug te gunnen. Maar Mimir, die heel goed de waarde van zulk een gunst kende (want zijn bron gold als de bron of hoofdstroom der herinnering), weigerde de gift tenzij Odin toestond een van zijn oogen in ruil te geven.

De god aarzelde niet, zoo hoog schatte hij de teug, maar rukte onmiddellijk een van zijn oogen uit, dat Mimir te pand hield en liet zinken diep in zijn fontein, waar het scheen met milden glans. Odin bleef met één oog over, wat men als een beeld van de zon beschouwt.

Wij zoeken heel ons leven naar de zon;

Dat brandend voorhoofd is het oog van Odin.

Zijn tweede oog, de maan, schijnt niet zoo hel;

Hij gaf ’t aan Mimir, in zijn bron, te pand,

Dat hij er hale water, ’t welk geneest,

Dit oog tot sterking, ied’ren nieuwen dag.

Oehlenschläger.

Toen Odin diep dronk uit Mimirs bron, verkreeg hij de kennis, die hij verlangde, en hij beklaagde zich nooit over het offer dat hij had gebracht, maar tot verdere herinnering aan dien dag brak hij een tak van den heiligen boom Yggdrasil, die de bron overschaduwde, en vormde er van zijn geliefde speer Gungnir.

Een moedig god

Ging om een teug naar de bron,

Waar hij liet in ruiling

Gaarne het licht van een oog.

Van d’ Yggdrasil

Rukt’ eer hij ging Wotan een tak

En hij spleet het hout

Met heftige kracht van den stam.

Godenschemering, Wagner.

Maar ofschoon Odin nu alwijs was, was hij bedroefd en gedrukt, want hij had een blik gekregen in de toekomst en had de vergankelijke natuur van alle dingen bemerkt, en zelfs het lot der goden, die allen tot ondergang waren gedoemd. Deze wetenschap deed hem zóó aan, dat hij naderhand er steeds melancholiek en peinzend uitzag.

Om de waarde van de wijsheid, die hij dus had gekregen, te beproeven, ging Odin den geleerdste van al de reuzen, Vafthrudnir, bezoeken, en begon met hem een spiegelgevecht in scherpzinnigheid, waarbij de inzet niet minder was dan het hoofd van den verliezer.

Odin spoedde zich en ging

Tot een kamp in wetenschap

Met den Jute, wijs en sterk;

Naar Vafthrudnirs hooge hal

Kwam de groote runenvorst.

Vafthrudnirs-mal.

Odin en Vafthrudnir.

Bij deze gelegenheid had Odin zich vermomd als een zwerver, op raad van Frigga, en toen hem zijn naam werd gevraagd, zij hij dat die naam Gangrad was. De strijd begon onmiddellijk, want Vafthrudnir vroeg zijn gast naar de paarden die Dag en Nacht door de lucht trokken, naar de rivier Ifing die Jötun-heim van Asgard scheidde, en ook naar Vigrid, het veld waar het laatste gevecht moest worden geleverd.

Al deze vragen werden nauwkeurig beantwoord door Odin, die, toen Vafthrudnir klaar was, op zijn beurt begon te vragen, en even uitvoerige antwoorden kreeg aangaande den oorsprong van hemel en aarde, de schepping van de goden, hun strijd met de Vana’s, de bezigheden van de helden in Valhalla, de plichten van de Nornen, en de heerschers die de Aesir moesten vervangen als dezen waren ondergegaan met de wereld die zij hadden geschapen. Maar toen ten slotte Odin zich bij den reus boog en zacht de woorden vroeg die Alvader fluisterde tot zijn dooden zoon Balder, als hij lag op zijn brandstapel, herkende Vafthrudnir plotseling zijn goddelijken bezoeker. Hij deinsde teleurgesteld terug en zei dat alleen Odin die vraag kon beantwoorden, en dat het hem nu volkomen duidelijk was dat hij dwaaslijk een strijd had aangegaan in scherpzinnigheid en wetenschap met den koning der goden, en ten volle de boete verdiende omdat hij verloren had, n.l. het verlies van zijn hoofd.

Niet de mensch van sterflijk ras

Weet het woord, door u gesproken,

Tot uw zoon in ouden tijd.

Ik hoor den tred van dood die komt;

Hij rukt der runen wijsheid weg,

En ’t weten van der goden worden

Uit d’ ongelukkige ziel die streed

Met Odin zelf den geesteskamp,

Met hem die wijs is boven elk;

De prijs was ’t leven, en gij wont.

Vafthrudnirs-mal.

Zooals het met vele Noorsche mythen het geval is, die vaak fragmentair en duister zijn, eindigt deze hier, en geen der dichters vertelt ons of Odin werkelijk zijn tegenstander versloeg, noch ook wat het antwoord was op zijn laatste vraag; maar mythologen hebben het vermoeden gewaagd dat het woord, door Odin in Balders oor gefluisterd om hem over zijn ontijdigen dood te troosten “opstanding” moet zijn geweest.

Vinding van de Runen.

Behalve god der wijsheid was Odin god en uitvinder van de runen, het oudste alphabet in gebruik bij de noordelijke natiën, welke karakters, die geheimenis beteekenen, eerst voor waarzegging werden gebruikt, ofschoon zij later dienden voor inschriften en documenten. Evenals men de wijsheid slechts kon verkrijgen ten koste van offers, vertelt Odin zelf dat hij negen dagen en nachten hing aan den heiligen boom Yggdrasil, starende in de onmetelijke diepten van Niflheim, verzonken in diepe gedachten, en door eigen speer gewond, eer hij de kennis kreeg die hij zocht.

Ik weet dat ik hing

Aan een zwiependen tak

Negen nachten lang,

Door een speer verwond,

En aan Odin gewijd,

Ik zelf aan mij zelven;

Aan dien boom

Waarvan niemand weet

Waar zijn wortel is.

Odins Runenzang.

Toen hij deze wetenschap volledig meester was, sneed Odin tooverrunen op zijn speer Gungnir, op de tanden van zijn paard Sleipnir, op de klauwen van den beer, en op tallooze andere bezielde en onbezielde dingen. En omdat hij dus had gehangen over den afgrond een zoo langen tijd, beschouwde men hem later altijd als den beschermgod van allen die veroordeeld waren om opgehangen te worden of die door den strop omkwamen.

Nadat hij de gave der wijsheid en der runen verkregen had, die hem heerschappij gaf over alle dingen, wilde Odin ook de gave der welsprekendheid en der poëzie, die hij verwierf op een wijze waarvan wij zullen vertellen in een volgend hoofdstuk.

Geirrod en Agnar.

Odin, zooals reeds is gezegd, stelde veel belang in de zaken der menschen, en men vertelt dat hij in het bijzonder gaarne zorgde voor de aardige zoontjes van Koning Hrauding, Geirrod en Agnar, toen zij respectievelijk ongeveer acht en tien jaar oud waren. Op zekeren dag gingen deze kleine jongens visschen, en plotseling kwam een storm op, die hun boot in zee dreef, totdat zij tenslotte op een eiland strandden, waar een schijnbaar oud paar woonde, dat in werkelijkheid Odin en Frigga waren, dus vermomd. Zij hadden deze gedaanten aangenomen om toe te geven aan een plotselinge begeerte om bij hun beschermelingen dicht in de buurt zijn. De kinderen werden hartelijk verwelkomd en vriendelijk bejegend; Odin koos Geirrod tot zijn gunsteling en leerde hem de wapenen gebruiken, terwijl Frigga den kleinen Agnar vertroetelde en verwende. De jongens bleven op het eiland met hun vriendelijke beschermers gedurende het lange koude winterseizoen; maar toen de lente kwam en de luchten blauw waren, en de zee kalm, scheepten zij zich in op een boot waarvoor Odin zorgde, en vertrokken naar hun vaderland. Begunstigd door zachte koelten werden zij spoedig daarheen gedreven; maar toen de boot het strand naderde sprong Geirrod er vlug uit en stiet ze ver weg in het water, terwijl hij zijn broeder verwenschte in de macht van den boozen geest. Op datzelfde oogenblik draaide de wind en Agnar werd inderdaad weggevoerd, terwijl zijn broeder zich naar zijns vaders paleis spoedde met een leugenachtig verhaal over hetgeen met zijn broer gebeurd was. Hij werd met vreugde ontvangen als een uit den doode herrezene, en te zijner tijd volgde hij zijn vader op den troon op.

Jaren gingen voorbij, waarin de aandacht van Odin door andere gewichtige overwegingen werd bezig gehouden, toen op zekeren dag, terwijl het goddelijk paar zat op den troon Hlidskialf, Odin zich plotseling het winterverblijf op het onbewoond eiland herinnerde, en hij zijn vrouw zeide, dat zij moest zien hoe machtig zijn pleegkind was geworden, en haar beschimpte omdat haar gunsteling Agnar een reuzin had gehuwd en arm was gebleven en niet vooruit was gekomen. Frigga antwoordde kalm dat het beter was arm te zijn dan hardvochtig, en beschuldigde Geirrod van gebrek aan gastvrijheid—een van de ergste zonden in de oogen van een Noorman. Zij ging zelfs zoo ver te beweren dat hij trots al zijn rijkdom zijn gasten dikwijls slecht behandelde.

Toen Odin deze beschuldiging hoorde verklaarde hij dat hij de valschheid der aantijging zou bewijzen door de vermomming van een Zwerver aan te nemen en Geirrods edelmoedigheid op de proef te stellen. Gewikkeld in zijn wolkkleurig kleed, met slappen hoed en pelgrimsstaf,—

Zwerver noemt mij de wereld.

Ver zijn mijn voeten gegaan;

Op der aarde rug

Toog ik eindeloos ver.

Wagner.

vertrok Odin onmiddellijk langs een omweg, terwijl Frigga, om hem na te gaan, dadelijk een snellen bode zond ten einde Geirrod te waarschuwen voor een man in een wijden mantel en met breedgeranden hoed, daar deze een booze toovenaar was die hem kwaad zou doen.

Toen Odin zich dus voor het paleis van den koning vertoonde werd hij voor Geirrod gesleept en ruw ondervraagd. Hij gaf als zijn naam op Grimnir, maar weigerde te zeggen vanwaar hij kwam of wat hij wilde, zoodat daar deze geslotenheid de achterdocht versterkte die Geirrod was bijgebracht, hij zijn wreeden zin vrij spel liet en beval dat de vreemdeling zou worden gebonden tusschen twee vuren, op zulk een wijze dat de vlammen om hem heenspeelden zonder hem heelemaal te raken, en hij bleef in dien toestand acht dagen en acht nachten, in standvastig zwijgen, zonder voedsel. Nu was Agnar heimelijk teruggekeerd naar het paleis van zijn broeder, waar hij een dienstbare betrekking had gekregen en op zekeren dag, toen alles stil was, bood hij den ongelukkigen gevangene een beker ale. Maar nu wilde Odin niets te drinken hebben, het ergste van alles wat de god had uit te staan.

Op het einde van den achtsten dag, terwijl Geirrod, op zijn troon gezeten, op de marteling van zijn gevangene staarde, begon Odin te zingen—eerst zacht, dan luider en luider totdat de hal weergalmde van zijn jubelende tonen—een profetie dat de koning die zoo lang de gunst van den god genoten had, weldra zou omkomen door zijn eigen zwaard.

Gevallen door ’t zwaard

Heeft Ygy u dan;

Uw leven is ten eind:

Boos op u zijn de Dîsir;

Odin zult ge nu zien:

Kom naderbij als ge kunt.

Saemunds Edda.

Toen de laatste tonen wegstierven vielen de ketenen van zijn handen, vlammen flikkerden en gingen uit, en Odin stond midden in de hal, niet langer in menschelijke gedaante maar in al de macht en schoonheid van een god.

Toen Geirrod de onheilspellende profetie hoorde trok hij haastig zijn zwaard, met het plan den onbeschaamden zanger neer te slaan; maar toen hij de plotselinge gedaanteverwisseling zag, deinsde hij bevreesd terug, struikelde, viel op het scherpe lemmet en kwam om, zooals Odin juist had voorspeld. Toen wendde Odin zich tot Agnar (die, volgens sommige verhalen ’s konings zoon en niet zijn broeder was, want deze oude geschiedenissen zijn soms wonderlijk verward) en liet hem den troon bestijgen tot loon voor zijn menschlievend gedrag, en beloofde hem verder te beloonen voor de teug ale die juist van pas kwam, hem te zegenen met allerlei voorspoed.

Bij een andere gelegenheid ging Odin naar de aarde en was zoo lang afwezig dat de goden begonnen te denken dat zij hem in Asgard niet weer zouden terugzien. Dit gaf zijn broeders Vili en Ve, die enkele mythologen als andere verpersoonlijkingen van hem zelf beschouwen, den moed zich zijn macht en zijn troon toe te eigenen, en zelfs, zooals men zegt, zijn vrouw Frigga te huwen.

Wees nu stil maar, Frigg!

Gij zijt Fiorgyns dochter

En waart op mannen steeds verzot,

Daar Ve en Villi, naar men zegt,

Gij, Vidrir’s vrouw, hebt

Allebei omarmd.

Saemunds Edda.

Mei-dag feesten.

Maar toen Odin terugkeerde verdwenen de geweldenaren voor goed; en ter herinnering aan het verdwijnen van den valschen Odin, die zeven maanden had geregeerd en enkel ellende in de wereld had gebracht en aan de wederkomst van den goeden god, vierden de heidensche Noormannen vroeger jaarlijksche feesten, die lang bleven bestaan als Mei-dag feesten. Tot in heel laten tijd was er dien dag steeds een groote optocht in Zweden, bekend als de Meirit, waarin een met bloemen bedekte Meikoning (Odin) den in bont gehulden Winter (zijn valschen dubbelganger) met bloesems wierp, totdat hij hem op de vlucht dreef. In Engeland werd ook de eerste Mei gevierd als een feestelijke gelegenheid waarbij Meiboomdansen, Meikoningen, Maid Marian en Jack in the Green een grooten rol speelden.

Als verpersoonlijking van den hemel was Odin natuurlijk de minnaar en echtgenoot van de aarde, en daar de aarde hun drieërlei aanblik vertoonde, stelden de Noren hem als polygaam voor en kenden hem verschillende vrouwen toe. De eerste onder deze was Jörd (Erda), de primitieve aarde, dochter van Nacht of van de godin Fiorgyn. Zij schonk hem zijn beroemden zoon Thor, den god van den donder. De tweede en voornaamste vrouw was Frigga, een verpersoonlijking van de beschaafde wereld. Zij schonk hem Balder den lieflijken lentegod, Hermod, en, volgens sommigen, Tyr. De derde vrouw was Rinda, een personifieering van de harde en bevroren aarde, die met tegenzin toegeeft aan zijn warme omhelzing, maar eindelijk het leven schenkt aan Vali, zinnebeeld van den plantengroei.

Ook heet het dat Odin Saga of Laga heeft gehuwd, de godin der geschiedenis (vandaar het engelsche werkwoord “to say”), en dat hij haar dagelijks bezocht heeft in de kristallen hal Sokvabek, onder een koele, altijd vloeiende rivier, om haar wateren te drinken en naar hare liederen over oude tijden en verdwenen geslachten te luisteren.

Sokvabek heet de vierde woning,

Over haar vloeien koele golven;

Odin drinkt er blij met Saga

Elken dag uit gouden kroes.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Zijn andere vrouwen waren Grid, de moeder van Vidar; Gunlod, de moeder van Bragi; Skadi; en de negen reuzinnen die tegelijk Heimdall baarden—allen spelen een meer of minder belangrijke rol in de verschillende mythen van het Noorden.

De historische Odin.

Behalve dezen ouden Odin was er een meer moderne, half-historische personage die denzelfden naam droeg, aan wien al die deugden, macht en avonturen van zijn voorganger zijn toegekend. Hij was het opperhoofd der Aesir, bewoners van Klein Azië, die, sterk door de Romeinen onderdrukt en met uitroeiing of slavernij bedreigd, hun geboorteland ongeveer 70 v. Chr. verlieten en naar Europa verhuisden. Men zegt dat deze Odin Rusland, Duitschland, Denemarken, Noorwegen en Zweden heeft veroverd en een zoon heeft achtergelaten op den troon van elk overwonnen land. Ook bouwde hij de stad Odensö. Hij werd verwelkomd in Zweden door Gylfi, den koning, die hem een deel van de streek gaf, en hem toestond de stad Sigtuna te stichten, waar hij een tempel bouwde en een nieuwe godsvereering invoerde. Verder vertelt de overlevering dat, toen zijn einde naderde, deze mythische Odin zijn volgelingen verzamelde, zich voor aller oogen negenmaal met zijn speer in de borst sneed,—een ceremonie die men “het kerven van Geir-wonden” noemde—en hun vertelde dat hij terug ging naar zijn land Asgard, zijn oud verblijf, waar hij hun komst zou afwachten, opdat zij met hem zouden deelnemen aan een leven van feestvieren, drinken en vechten.

Odin

B. E. Fogelberg.

Volgens een ander verhaal reisde Gylfi, toen hij van de macht der Aesir, de bewoners van Asgard, had gehoord, en daar hij zich wilde overtuigen of deze berichten waar waren, naar het Zuiden. Te zijner tijd kwam hij aan Odin’s paleis, waar hij werd verwacht, en waar hij misleid werd door het visioen van Har, Iafn-har en Thridi, drie godheden, die boven elkander troonden. De poortwachter Gangler beantwoordde al zijn vragen en gaf hem een lange uiteenzetting van de Noorsche mythologie, die in de Jongere Edda wordt meegedeeld, en dan, na zijn onderricht te hebben geëindigd, verdween hij plotseling met het paleis onder een oorverdoovend geraas.

Volgens andere heel oude gedichten werden Odin’s zonen, Weldegg, Beldegg, Sigi, Skiold, Seaming en Yngvi, koningen van Oost-Saksen, West-Saksen, Franconia, Denemarken, Noorwegen en Zweden, en van dezen stammen de Saksers, Hengist en Horso, en de koninklijke familiën van de Noordelijke landen af. Nog een andere overlevering verhaalt dat Odin en Frigga zeven zonen hadden, die de Anglo-Saksische heptarchie stichtten. In verloop van tijd werd deze geheimzinnige koning verward met den Odin wiens eeredienst hij invoerde, en al zijn daden werden toegekend aan den god.

Odin werd vereerd in tallooze tempels, maar vooral in het groote heiligdom te Upsala, waar de plechtigste feesten werden gevierd en waar offers werden gebracht. Het offer was meestal een paard, maar in tijden van nijpenden nood bracht men menschenoffers, ja zelfs werd eens de koning geofferd om een hongersnood af te wenden.

Upsala’s tempel waar men schouwt

Valhalla’s hal op aard als beeld herbouwd.

Viking verhalen van het Noorden (R. B. Anderson).

De eerste dronk bij ieder feest hier werd op hem ingesteld, en behalve den eersten Mei, was hem één dag in elke week gewijd, en van zijn Saksischen naam Woden, heette deze Woden’s-dag, vanwaar het Hollandsche woord “Woensdag” afkomt. Het volk had de gewoonte in zijn heiligdom bijeen te komen bij feestelijke gelegenheden, de zangen der skalden te hooren, die voor hun spel beloond werden met gouden braceletten of armbanden, die aan hun einden opkrulden en “Odin’s slangen” heetten.

Er zijn slechts weinige overblijfselen van oude Noorsche kunst, en ofschoon ruwe beelden van Odin eens zeer algemeen waren, zijn allen verdwenen, daar zij van hout waren gemaakt—een vergankelijke stof, die onder de handen van de zendelingen, en vooral van Olaf den Heiligen, den noordelijken beeldstormer, spoedig tot asch waren verteerd.

Daar in den tempel stond in hout

Het beeld van Odin, fier en stout.

Sage van koning Olaf (Longfellow).

Men veronderstelt dat Odin zijn volk een wetboek heeft gegeven waarnaar zij hun gedrag hebben te richten, in een gedicht, Hávamál, of het Hooglied, dat een deel van de Edda uitmaakt. In dit lied leerde hij de zwakheid van den mensch, de noodzakelijkheid van moed, matigheid, onafhankelijkheid en oprechtheid, eerbied voor den ouderdom, gastvrijheid, ontferming en tevredenheid, en gaf voorschriften voor het begraven der dooden.

Te huis laat een mensch zijn blijde

En jegens een gast milddadig;

Een wijs gedrag moet hij hebben,

Een goed geheugen, een vlotte taal;

Als hij veel kennis verlangt,

Dan spreke hij van het goede veel.

Hávamál.

Frigga spint de wolken

J. C. Dollman.