WeRead Powered by ReaderPub
Noorsche Volksvertellingen cover

Noorsche Volksvertellingen

Chapter 14: EENE TOOVERHEKS.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A curated collection of traditional folk tales and legends that evokes rural and coastal life through vivid descriptions of landscape, seasonal labor, and hearthside storytelling. Narratives range from uncanny encounters with hidden folk and shape‑shifting witches to sea‑related episodes, local sagas, and moral parables, often framed by atmospheric sketches and brief editorial remarks on origins and parallels. The volume balances eerie supernatural incidents with homely anecdotes, tracing themes of nature, fate, and communal belief while retaining the oral cadence and regional color of the source tradition.

OP DE VOGELJACHT IN HOLLEIA.

Op een’ der eerste dagen van Mei, lang voor de jachtwet werd ingevoerd, togen wij van Tyristrand ’t gebergte in, om den volgenden morgen boschhoenders te schieten op den Skjaersjöheuvel, waar deze jacht ’t voordeeligst beloofde te zijn. We waren met ons vieren, mijn vriend, de kapitein, ik, een oude jager, met name Per Sandaker uit het Sognedal, en een vlugge knaap, die twee koppels honden met zich voerde; na de vogeljacht wilden we op de hazenjacht gaan. Beneden in ’t vlek was ’t reeds lente; maar toen we de berghellingen beklommen, vonden we overal dikke sneeuw in de spleten en kloven. Toch hadden we een’ milden avond en de vogels zongen hun voorjaarslied in het bosch. In de nabijheid van Ask-saeter, waar wij den nacht meenden door te brengen, beklommen wij den heuvel, bij alle jagers, die in deze bosschen rondzwerven, welbekend, om te hooren, waar de vogels dien nacht hunne slaapsteê hadden opgeslagen. Toen wij den top bereikt en een ruim verschiet gewonnen hadden, neeg de zon ter kim, maar schoot nog hare gulden stralen in vollen luister langs den helderen westelijken hemel. Geen vroolijk en vriendelijk landschap echter bescheen ze: donkere, eindelooze bosschen en bergvlakten, slechts afgebroken door bevrozen meertjes en groote moerasvelden, breidden zich naar alle kanten tot den horizon uit.

Nog slechts eene korte poos was de zon ondergegaan of we hoorden een sterk gesuis door de lucht en de zware vleugelslagen van een’ vogel, die zijne rustplaats opzocht.

„Dat was geen oude vogel,” zei de kapitein, toen het dier zich, zonder eenig geluid te geven, op een’ tak nederzette.

Weldra kwamen nog twee vogels suizend aangevlogen; ook deze zwegen stil. Maar nu hoorden we nog zwaarder vleugelslag, en nauwelijks had de vogel zijn’ tak opgezocht, of we hoorden hem met den snavel klepperen.

„Die kerel is niet van gisteren. Die speelt de tweede viool,” zei Per Sandaker, „zoo ’t de oude zelf niet is; en dat zou ik haast meenen.”

Daar kwamen nog drie vogels, en voor elk, die den boom opzocht, klepperde de oude met den snavel. Twee van de drie gaven geen geluid, maar de derde antwoordde op dezelfde wijs.

„Dat was een vreempje,” merkte Per op; „hij kende den oude niet, anders had hij den snavel wel toegehouden. Morgen ochtend zal ’t hem rouwen, want, geloof me, de oude weet hem wel te vinden, en hij is niet malsch, als hij recht op zijn dreef is. Ik heb eens gezien, hoe hij een’ stumper toetakelde, die ’t gewaagd had hem tegen te klepperen.”

Terwijl hij dit zeide, schoot er over het open, verweerd gelaat van den jager een zeer eigenaardige glimlach, die scheen te zinspelen op eene of andere geheimzinnige historie. Want volgens de korte mededeeling, die de kapitein mij omtrent hem had gedaan, toen Per Sandaker op onzen tocht een ommezien achtergebleven was, moest hij zeer sterk zijn in vertellingen van heksevogels en aardgeesten, en mocht hij graag tot in de minste bijzonderheden vertellen van de achttien beren, die hij van zijn leven had geveld. Daarentegen zweeg hij liefst van ’t even groote aantal, dat hij, naar booze tongen zeiden, had laten ontkomen.

„Maar, wat is dat voor een’ oude, daar ge van spreekt?” vroeg ik.

„Dat zal ik u zeggen,” viel de kapitein haastig in, terwijl wij den weg naar den saeter insloegen. Klaarblijkelijk vreesde hij, dat mijne overijlde en ontijdige vraag, na zoo korte kennismaking, Per wantrouwend zou maken en hem een slot op den mond leggen. „Dat zal ik u zeggen,” herhaalde hij. „Daar is een oude boschhaan in deze buurt, die bij alle jagers uit den omtrek als een toovervogel bekend staat. Ze noemen hem den „blater”; want in plaats van zich rustig op een’ tak neer te zetten, vliegt hij dikwijls rond tusschen de boomtoppen, blatende als eene geit. Eerst wanneer hij deze manoeuvre heeft uitgevoerd, zet hij zich neder om te klepperen en te slijpen. Maar daardoor ook mist elk het rechte oogenblik om hem onder schot te krijgen. Hij gebruikt intusschen nog een’ tweeden kunstgreep, die veel erger is. Soms zit hij vreedzaam te klepperen, maar als men denkt dat hij zal gaan slijpen, vliegt hij op eens naar een’ anderen boom. En brandt men eindelijk los, dan wil ’t schot nooit treffen. De oude Per heeft met zout en zilver op hem geschoten, maar, stoven hem ook de veeren, hij sloeg er even weinig acht op, als op een saluutschot. Den volgenden morgen zong hij even snel en even valsch.”

„Ge zoudt even goed op een’ steen kunnen mikken,” zeide Per op den toon der volste overtuiging. „Eens trof ik hem aan in den paartijd, op de vlakten ginds bij Kloppen, midden op den weg, die naar Skoug leidt; daar zat hij met eene gansche schaar hennen om zich: ik telde er wel zeven, en nog veel meer zaten er in het bosch; achter iederen struik hoorde men ze kakelen. En de zeven vlogen om hem heen en rekten den hals naar hem uit en deden alle moeite om hem te lokken; maar hij bleef statig zitten, zoo trotsch als een spaansche graaf. Eensklaps steekt hij den staart op, keert zich om, laat de vleugels om de pooten sleepen, en springt wel drie voet van den grond. Ik wist toen nog niet, dat het de oude was, anders had ik hem dadelijk zijn deel gegeven; nu had ik er plezier in naar hem te kijken. Nauwelijks heeft hij zijne hen uitgekozen, of daar komt een andere boschhaan—niet half zoo groot—neerstrijken en werpt zich op hem. Toen ving de grap aan! De oude stak den staart in de lucht, zijne kam stond rechtop als eene torenspits, en hij klepperde met den snavel, dat het overal weerklonk, en de ander antwoordde hem niet minder krachtig—die was ook voor geen kleintje vervaard! De oude vloog hem in de veeren, en snavels en vleugels sloegen tegen elkaar, dat het een’ aard had. Plotseling sprongen ze beide op en tegen elkander in, en staken met den snavel en scheurden met de pooten en sloegen met de vleugels en maakten ’t zoo bont, dat geen van tweeën meer wist, waar hem de kop zat; makkelijk had ik ze met de handen kunnen grijpen. Maar ten slotte kreeg de oude de overhand; hij sloeg en havende zijn’ vijand, tot deze het uitgierde van pijn. ’t Was zonde van ’t wakkere hoen; de oude wist het onder te krijgen en drukte het tegen den grond, tot het beest half dood vlak voor mijne voeten kwam rollen. Ik legde aan en ’t hoen lag geveld; maar de oude bleef bedaard zitten en verroerde zelfs de vleugels niet. Ja, zoo, dacht ik, ben-je zoo zeker van je zaak, dan zal ik je gauw anders leeren. Ik laadde op nieuw, legde aan, maar op eens vloog hij op en was verdwenen—maar ’k zal nooit een’ enkelen vogel meer schieten, als hij verder dan tien schreden van mij af was geweest! Een andermaal was ik weer hier op den berg en hoorde hem ’s avonds zijne slaapsteê opzoeken. Op een’ tak van eene oude spar zette hij zich neder. Ik ging er in ’t holste van den nacht heen, lang vóór een enkele vogel in het bosch ontwaakt was. En toen hij nu begon te balderen, ontbrak er geklepper noch geslijp aan, en rustig bleef hij zitten. Toen hij voor de vierde maal zich deed hooren, naderde ik—hij zat een eindweegs in het bosch. Nu zul-je mijn worden, dacht ik, want ik had een zilveren tweeschellingstuk half doorgesneden en daarmee mijn geweer geladen. Maar ja wel, toch was ’t mis. Toen ik losgebrand had, zag ik hem nog even snel wegvliegen, schoon de veeren er afvlogen. Daar is niets, dat vat heeft op dien kerel!”

„Toch zullen we hem morgen zoeken beet te nemen, Per; we weten nu, waar hij zit,” zei de kapitein met een spottend lachje.

„Ja, als er niet één vogel meer in ’t bosch was,” antwoordde Per, half boos. „Wil de kapitein hem naloopen, best—maar ik verspil geen korrel kruit meer aan hem. Want één ding staat vast,” ging hij trouwhartig voort, „zulk balderen heeft nooit iemand meer gehoord. En dan zoo’n vogel! Kijk, ’t is het wonderlijkste dier, dat ik ooit zag. Hij is niet eens geschapen als een ordentelijke boschhaan, want hij is stellig anderhalf maal zoo groot, ja, dat is hij zeker.”

„Ge hebt gelijk, Per, ’t is een oude bedrieger, die geen schot kruit waard is,” zei de kapitein. „En zijn vleesch is wis zoo taai en droog als de dennetak waarop hij zit te balderen. Intusschen zou ’k hem toch met plezier zien neertuimelen; dan kwam er een eind aan dat wonderlijk geklepper, waardoor hij ons zoo vaak bij den neus heeft gehad. Ik ben hem dikwijls achtervolgd, zonder dat ik iets van zijne manoeuvres begreep. En een paar malen heb ik zelfs op hem geschoten, maar op zoo grooten afstand, dat ik hem onmogelijk kon treffen. ’t Is inderdaad, zooals Per zegt, een wonderbare vogel,” voer hij voort; „maar,” voegde hij er bij, met een’ wenk, dien ik alleen kon opvangen en die zijn streven verried om Per aan ’t vertellen te krijgen, „als we op den saeter zijn, zal ik een geval vertellen, dat ik gehad heb met een betooverd haas, dat nog veel krommer sprongen maakte dan onze boschhaan.”

Weldra hadden wij de eenzame saeterhut bereikt, waar de knaap, die ons vergezelde, reeds vroeger was aangekomen. Op last van den kapitein had hij voor luchtverversching gezorgd en een flink vuur op den haard aangelegd. Toen we onze geweren hadden neergezet, de weitasschen afgelegd, en ons te goed gedaan aan de voortreffelijke proviand van den kapitein, begon deze met zooveel ernst in uiterlijk en toon als hem mogelijk was te vertellen van het betooverde haas.

„Toen ik nog luitenant was, had ik in zekeren zomer exercitie op Toten. Ik had honden bij mij om op de jacht te kunnen gaan. Eens op een’ achtermiddag stond ik in de keuken gereed om te gaan jagen, toen een der knechts binnentrad.”

„Zijn er veel hazen hier in den omtrek?” vroeg ik.

„Dat gaat wel,” antwoordde de knecht. „Maar op de vlakte van Sukkestad loopt een oude schelm; al heel wat honden en jagers hebben hem nagezeten, maar ’t baat niet, want hij is niet te vangen!”

En bedenkelijk schudde hij het hoofd.

„Is hij niet te vangen? Wat is dat voor geleuter? Er zal hier wis niet één ordentelijke hond zijn. Als mijne hazewinden maar de lucht van hem krijgen, dan zullen we eens zien,” zei ik en klopte mijne beesten op den rug, die vol jachtlust aan het zeel trokken.

„Ja wel! We zullen zien,” zei de knecht met een’ ongeloovigen grijnslach.

Onmiddellijk toog ik naar de vlakte van Sukkestad, en nauwelijks had ik de honden losgelaten, of het haas kwam voor den dag. Nu ging ’t er op los; maar elk oogenblik was het verdwenen, en de honden noch ik konden er vat op krijgen. Een tijd lang duurde dit spel; eindelijk verschool het zich in het kreupelhout. Ik zocht overal—daar verscheen ’t weer; ik schoot en schoot, maar ’t baatte niets. Nu zette ’t zich bij eene jonge spar neder, tachtig schreden van mij af. Weer brandde ik los, ik trof en liep heen om het op te rapen; maar toen ik bij de spar kwam, was er geen haas te zien: ik vond niets dan een’ stok en eene huid. Toen ik den volgenden dag mijn geweer reinigde, kwam de knecht op mij toe.

„Hoe is het gegaan met het haas, luitenant?” vroeg hij, terwijl hij een’ spottenden glimlach niet kon weerhouden.

Ik vertelde hem het geval.

„Al heel wat honden en jagers hebben hem nageloopen; maar hij is niet te vangen, geloof mij,” zei hij op nieuw op geheimzinnigen toon. „Gij maakt uw geweer schoon, maar ’t zal u niet baten, zou ik meenen; hij weet zijn lijf wel te bergen.”

„Maar voor den drommel, wat steekt er dan achter met dat haas; heeft kruit noch lood er dan vat op?” vroeg ik.

„Wel mogelijk,” antwoordde hij; „laat me u zeggen, dat het een betooverd haas is; maar wat gij gisteren gezien hebt, was slechts zijn dubbelganger; want zelf verschuilt het zich nooit. Wil ik u een’ goeden raad geven? Neem een’ worm—ik zal er wel een voor u zoeken—doe dien in den loop van uw geweer en schiet het af, dan kunnen we probeeren, of kruit en lood vat op het haas kunnen krijgen.”

Ik volgde zijn’ raad; hij bezorgde mij een’ levenden worm, dien ik in den loop wierp; ik legde aan op den wand, en—daar was niets te zien dan eene vochtige plek.

Eenige dagen daarna zwierf ik over de vlakte van Sukkestad. ’t Was vroeg in den morgen. Pas had ik mijne hazewinden losgelaten, of daar verscheen weer het haas. Ditmaal gaven de honden niet het minste geluid; in volle vaart vlogen ze het haas na, en nog geen half uur was er verloopen, of daar kwam ’t over de vlakte huppelend recht op mij af. Ik lei aan en schoot. ’t Viel dood op de plek neer en bleek een groote oude rammelaar, vol litteekens en schrammen; de helft van ’t eene oor was het kwijt.”—

„Van zulk een haas heb ik ook eens hooren vertellen,” zeide Per, die met de grootste opmerkzaamheid het verhaal van den kapitein had gevolgd. „Het hield zich hier in Holleia op, naar den kant van Granbo; men vertelde mij, dat het bijna pikzwart zag. Menigeen had het nagezeten en er op geschoten, maar niemand wist er raad voor, behalve Sara-Anders. Hij velde het; maar—hij is ook een kerel uit duizend!”

„Dat geloof ik wel,” zei de kapitein, terwijl hij den knevel opstreek. „Hij staat overal voor een stout jager te boek. Maar, zeg eens, Per, was hij ’t ook, die dat betooverde haas bij Christiania schoot, waarvan ge vroeger verteld hebt?”

„O, ja, dat ’s waar ook! Neen, dat was een jager, daar uit den omtrek; Brandte-Lars, heette hij. Gij zult hem wel kennen,” voegde hij er bij, zich tot mij wendende.

Neen, ik kende hem niet.

„Hé, kent gij hem niet? Hij woont toch in een hutje aan den voet van den berg, vlak bij Greffen. Ik heb hem eens aangetroffen in Halland, terwijl hij met een stuk of wat groote heeren uit de stad op de jacht was. ’t Was een rare sijs, maar een kerel van een’ jager. Op een haas miste hij zelden of nooit, en een’ vogel schoot hij in de vlucht, zoo goed als de kapitein. Maar we praatten daar over een haas. Dat geval heeft hij me verteld, en nog veel meer.

„Eens moest ik, zoo verhaalde hij, met de honden van den ouden Simensen, op de Kleine Markt, uit, om wild te bezorgen. Hij had drie honden; de eene heette Rapp; dat was er een, waar de aardgeesten hoegenaamd geene macht over hebben, want zijn haar was rood; nu, de andere twee waren ook brave honden, waarachtig! ’t Was op een’ Hemelvaartsdag, ’s morgens; ik sloeg den weg in naar Linderud-saeter. Eensklaps stoof Rapp heen; hij maakte een leven, dat iemand hooren en zien verging. Ik vatte post op eene hoogte. ’t Duurde niet lang, of daar vluchtte een haas vlak langs mij heen. Ik schoot, maar ’t was mis, en Rapp stoof het weer na. Na eene korte poos vloog het me weer voorbij; ik zag dat het over den rug pikzwart was, en op nieuw schoot ik mis.

„Maar, voor den duivel, wat beduidt dat, waarom doen de andere honden niet mee?” zeide ik; want Rapp alleen vervolgde het haas. ’t Zit niet richtig hier. Maar nog eens geprobeerd. En voor de derde maal schoot ik, en voor de derde maal was ’t mis, en de beide andere honden stonden er bij, maar ze verroerden geen’ poot. Maar toen heb ik den haan en het lood gezegend,” zeide hij.

„Hoe deed hij dat?” vroeg ik.

„Vertel het maar, Per,” zei de kapitein.

„Ja, hij wou er eerst niet voor uitkomen,” antwoordde Per, „maar toen ik hem een paar borrels en eene rol tabak had gegeven, vertelde hij het.”

„Dan neemt ge een stuk bast van een’ sorbeboom,” zeide hij, „dat legt ge tegen den haan, en dan schraapt ge drie spaantjes zilver van een’ schelling; maar ’t moet een erfstuk zijn, een van de echte oude munten, die mee geweest zijn in den oorlog; dan schraapt ge driemaal den nagel van uw linker pink af, neemt daarna drie gerstekorrels, of, hebt ge die niet, drie broodkruimels, en stopt dat alles in uw geweer, dan moet alles dood, wat ge onder schot krijgt, al ware ’t de duivel zelf,” zeide hij. „Dat deed ik ook dien keer bij Linderud-saeter,” zei hij, „en toen het haas voor de vierde maal verscheen, schoot ik en—daar tuimelde het waarachtig neer,” zei hij. „En wat was het? Een klein, mager beestje, zwart van ouderdom. Ik nam het op en hing het bij de achterpooten aan een’ berk en begon het villen, maar de Heere bewaar’ me,” zeide hij, „het bloedde als een jonge os, en mijne hazewinden lekten het bloed van den grond. Ik nam het mee, maar hoe ik liep, telkens liep ik verkeerd, en altijd bloedde het beest; tweemaal kwam ik weer bij denzelfden berk te land. ’t Is of daar de drommel mee speelt, dacht ik”—zei hij—„ben ik hier dan niet zoo goed bekend als thuis? Maar, als ’t eenmaal tegenloopt, dan loopt alles tegen. Ik dacht bij mezelven: ik zal de honden den weg laten vinden, en dat deed ik; maar, zooals ik een’ hoek omsla, daar zie ik bestemoer staan! Waarachtig, daar stond ze bij een’ kleinen berk, bovenop een’ heuvel, met eene huif op het hoofd, een jak en een’ zwarten rok aan ’t lijf; ze leunde op een’ stok en zag er precies uit als elke andere vrouw.”

„Lars,” sprak ze, „ge hebt heel wat hazen van me gekregen, want ik mocht je wel lijden. Maar mijn saeterhaas had-je nu moeten laten loopen. Had-je rooden Rapp niet gehad, je zoudt het ook niet hebben gevangen.”

„Ik gaf taal noch teeken weerom,” zei Lars, „maar toog over het marschland van Maerre naar Bamsebraaten. Daar liet ik de honden los. Blaffend vloog Rapp heen en de andere hem na; ik luisterde een oogenblik, of ook zij zouden blaffen, want ’t ging weer naar Linderud-saeter en ik was niet op mijn gemak. En ja wel, daar hoorde ik ze alle drie; nu wist ik, dat ze een echt haas nazaten. ’t Duurde eene heele poos, maar eindelijk kwam het haas toch aanzetten. ’t Stampte over den heuvel als een jong veulen, en toen ik ’t in het oog kreeg, leek het wel zoo groot als een geitebok. Ik schoot en trof. Nu ging ik zuidwaarts naar ’t Alunmeer. Daar vlogen mijne beesten weer heen, en in dollen ren ging het op nieuw naar Linderud-saeter. Want daar moesten ze nu eenmaal wezen. Eindelijk—’t duurde lang—kwamen ze terug. Weer trof ik. Nu had ik er drie en dacht: beste Lars, zoo is ’t genoeg voor vandaag, en ik ging naar huis en hing ze op in den kelder van Simensen. Maar ’k mag zelf zwart worden, als dat kleine zwarte ding geen drie dagen lang bloedde, zoodat de kelder half vol bloed stond.”

„Ge zeidet straks, dat hier in Holleia een tooverhaas moet zijn geweest,—’t gerucht wil ook, dat er een groote schat aan edel metaal hier in de bergen steekt. ’t Zou niet kwaad zijn, daar wat van machtig te worden, wel, Per?” zei de kapitein, die nog meer vertellingen los wou krijgen.

„Kom, wat zou de kapitein daarmee doen?” antwoordde Per hoofdschuddend. „Ge hebt geld genoeg. Een’ armen stakker zou ’t goed komen; maar geloof me, men mag er gerust afblijven.”

„Ik vind ’t toch vreemd, dat ge er nooit naar gezocht hebt,” ging de kapitein voort.

„Och, wat zou dat gebaat hebben?” vroeg Per. „Om in de bergen te wroeten en te spitten, zooals oude Jon Haugen door heel Holleia deed, daar houd ik niet van.”

„Daar zijn andere middelen om rijk te worden,” sprak de kapitein met een’ geheimzinnigen wenk. „Als ge eens goede vrinden werdt met de bergwijven? Je waart in je jonge jaren waarachtig geen onknap kerel, Per Sandaker! Wie weet, waar je geluk had gelegen.”

„Ha, ha, ha!” lachte Per, kennelijk ingenomen met den lof, schertsend door den kapitein aan zijn uiterlijk gegeven. „’k Heb er nooit wat van geloofd, want ik heb nooit berggeesten of Huldren gezien.”

„Maar er heeft toch in den ouden tijd een bergwijf in Holleia gehuisd,” zei de kapitein.

„Bah, niets dan kinderpraat. Men heeft ’t mij ook meermalen verteld, maar een zot, die ’t gelooft,” antwoordde Per.

„Ja, maar gij kunt ons dan toch wel op de hoogte daarvan brengen; ge hebt hier toch zoolang rondgezworven. Vertel ons eens, wat ge daarvan weet; deze stadsman is verzot op zulke histories.”

„Zoo? Nu, ik kan ’t wel vertellen, maar gelooven doe ik het niet,” verzekerde Per nogmaals en begon:

„Ten zuiden van den Hollei-top—ze noemen ’t tegenwoordig Holleia, tusschen Tyristrand en het Sognedal,” merkte hij op tot onderricht voor mij—„zijn er twee bergspitsen, de Groote Spits en de Kleine Spits; hier, waar ge zit, kunt ge nog even den hoogsten top om het bosch heen zien. En daar zit zooveel goud en zilver in die bergen, dat er geen eind aan komt, zooals men zegt. Maar niemand durft er aankomen, want er huist een oud bergwijf in. Alle schatten zijn haar eigendom en zij bewaakt ze als een draak, zeggen de lui. Nog veel rijker is zij dan de koning van den Kongsberg; want eens, toen er heel veel zilver uit den Kongsberg was gehaald, kwam de koning naar buiten en zei tegen de gravers:

„Neen, nu kan ik jelui niet langer beneden dulden, want als je zoo voortgaat, houd ik niets over. Je plundert me geheel uit. Gaat nu maar naar mijne zuster, Guri Knutan in Holleia, die is tienmaal rijker dan ik.”

„Dus is Guri Knutan ook de zuster van den Egeberg-koning,” merkte ik op.

„Den Egeberg-koning? Wat is dat voor een? Is die misschien uit Christiania?” vroeg Per.

Ik vertelde hem nu de sage omtrent den koning van den Egeberg en zijn’ uittocht in 1814.

„Ja, zoo; ja, die was dan een broer van ’t wijf, daar ik van sprak,” zei Per trouwhartig.

„Ik heb ook wel hooren vertellen van een’,” ging hij voort, „die zijne bergwoning verliet, omdat hij het schieten en geraas niet kon uitstaan. Maar die hoorde in dezen omtrek thuis. Of dat nu de man van deze Guri was of een ander, dat weet ik niet, maar ’t moet ook een van de lui zijn geweest, die in de bergen huizen en daar hunne schatten hebben opgestapeld. Dat ging zóó toe. In den tijd, toen men de eerste groeven ontgon in Skoug-marken, woonde er eene vrouw bij de Langesjö-beek, die tusschen ’t Sognedal en Tyristrand stroomt. Die vrouw heette Rönnau en daarom noemde men haar Rönnau Skougen. Omstreeks St. Jan, ’s morgens in de vroegte, wiesch ze kleeren in de beek en zag op eens een verbazenden hoop zilveren voorwerpen, borden en schotels, lepels en vorken en allerlei keukengeraad; al die dingen lagen op den bodem der beek en blonken en schitterden in de zon onder het water. Op ’t gezicht van al dien rijkdom werd ze als betooverd; ze ijlde naar huis, om eene mand te halen, ten einde daar alles in te bergen. Maar toen ze terugkwam, was alle pracht en pronk verdwenen. Zelfs geen blanke zilverschelling was overgebleven; ze bespeurde niets dan het heldere water, dat met zilveren weerschijn over de steenen huppelde. Eene poos later begon men daar in Skoug-marken de kopergroeven te ontginnen; toen was er voortdurend zulk een verschrikkelijk geklop en gehamer, zulk een vervaarlijk leven, dat iemand hooren en zien verging. Op zekeren avond, laat, ging Rönnau van de beek naar huis. Daar ontmoette ze een’ stevig man op een groot, zwart paard. Voor hem uit gingen karren met allerlei goederen en kudden zwijnen en ander vee.

„Goeden avond, Rönnau,” zeide de man, „ik ga weg.”

„Dat zie ik, vader, maar waarom?” vroeg Rönnau.

„Och, ze houden zoo vreeselijk huis in de groeven, dat mij ’t hoofd er schier van berst. Ik kan ’t niet langer uitstaan; daarom trek ik naar mijn’ broeder in Thelemarken. Maar hoor eens, Rönnau,” zeide hij, „waarom woudt ge juist al mijn keukengeraad hebben, toen ge zooveel zilver op den bodem der beek zaagt liggen? Hadt ge u tevreden gesteld met zooveel als ge in uw’ schoot kondt bergen, dan ware ’t u niet ontgaan!”

„Sinds dien tijd,” zeide Per, „heb ik, noch iemand, iets dergelijks gehoord of gezien, ’t zij ze inderdaad zijn gevlucht of zich schuil houden. Want ze durven zich niet meer vertoonen, nu de menschen niet meer aan hunne duivelskunsten gelooven.”

„Daar zegt ge eene grooter waarheid, dan gij zelf vermoedt, beste Per,” viel de kapitein uit. „Menschen, die voor wijzer doorgaan dan gij of ik, zeggen precies ’t zelfde. Intusschen moogt ge er wel wat van vertellen.”

Op herhaald aandringen van den kapitein kortte Per ons den ganschen nacht den tijd met sagen, sprookjes en jachtvertellingen. Af en toe gaf ook de kapitein een jachtavontuur ten beste, waarin meestal eene vrij duidelijke zinspeling voorkwam op Per’s ongelukkige berenjachten; deze zette dan zijn gezicht in de onnoozelste plooi en krabde zich achter het oor. Soms ook kneep hij schalks het eene oog toe en zeide: „Die was voor jou, Per Sandaker, steek hem in den zak.”

Tegen middernacht legden we ons op een paar banken aan den haard ter rust en genoten een’ korten sluimer. Toen wij ontwaakten, zeide Per, dat het tijd was te vertrekken. ’t Was tamelijk koud; de sneeuw was door de vorst hard geworden en kraakte onder onze voeten. De lucht was donkerblauw en zoo helder, als men op een’ voorjaarsdag slechts verlangen kon; eenige witgekleurde wolken, die zachtkens uit het zuiden kwamen aandrijven, spelden de kilheid des nachts een spoedig einde.

De maan stond dicht aan de kim. In stede van ons pad te verlichten op den nachtelijken tocht, wierp zij slechts haar’ vriendelijk schijnsel op de toppen der bergen en boomen in ’t verschiet; tusschen de sparren heerschte een geheimzinnig half-donker, dat de schaduwen tot in ’t oneindige verlengde, allerlei fantastische vormen schiep tusschen de stammen, en het bosch dubbel verlaten, eenzaam en huiveringwekkend deed zijn.

Alleen het roodborstje brak met zijne zachte tonen de doodsche stilte des wouds.

„Daar zingt de vogel, die ’s morgens ’t eerst ontwaakt,” zeide Per. „Nu zal ’t niet lang meer duren, of er komt leven in het bosch; we mogen ons wel wat haasten.”

„We hebben nog tijds genoeg, beste Per,” sprak de kapitein; „het bosschhoen paart het liefst op de hoogten tusschen ons en het Löndal-moeras, en ik denk, dat er niet veel van ’t minnespel zal komen; het is te koud.”

„Straks wordt het zachter,” antwoordde Per op stelligen toon. „De wind loopt zuidelijk en ’t paren zal te drokker gaan, naarmate de vorige nachten kouder zijn geweest. We krijgen nog een’ heerlijken zonneschijn. Hoor maar, hoe vroolijk de houtsnip kweelt! Zij verwacht mooi weer. En daar hoor ik de watersnip. Ja, wis wordt het goed weer,” besloot hij op den toon der overtuiging.

Wij vernamen nu het eigenaardig geluid der houtsnip, niet ongelijk aan ’t herhaald gekwaak van een’ kikvorsch, gevolgd door een scherp, snijdend gefluit, en zagen bij de zwakke stralen der ondergaande maan de eene schaduw na de andere over de boomtoppen glijden. Wij hoorden het onaangenaam geblaat van de watersnip of het bokje, nu eens nabij, dan weer ver weg, nu eens hoog in de lucht, dan weder vlak boven ons, nu plotseling, naar ’t scheen, aan ons oor, dan van allen kant, zonder dat we den vogel zelf echter in ’t oog konden krijgen. Op eens overstemde de wilde, doordringende kreet van den reiger alle andere vogelen. ’t Was of een schrik allen beving, want eensklaps zwegen ze en de plotselinge stilte deed ons zijn geschreeuw nog onaangenamer in de ooren klinken. Daar hief de leeuwerik zijn helder, vroolijk morgenlied aan, dat in den nachtelijken schemer aan ’t rijzende daglicht deed denken en een blij contrast vormde met de spookachtige vlucht en ’t krijschend geluid der nachtvogels.

„Daar luidt reeds de klok voor de boschhoenders,” sprak de kapitein; „als de leeuwerik zijn lied aanheft, begint de boschhaan zijn’ morgenpsalm te zingen op den tak. Laat ons hier nu een weinig toeven; we zijn niet ver meer van de vogels, die gisteren ’t laatst zijn aangekomen. Als we dichterbij kwamen, zouden wij ze licht verjagen.”

Nadat er luttel minuten waren verloopen, hoorden wij een’ vogel op een paar honderd schreden van ons af.

„’t Zou me verwonderen, als dat niet de kerel was, waar ’k van sprak,” zeide Per. „Stellig zal hij boeten; de oude pleegt niet kort van memorie te zijn.”

De kapitein liet mij de keus, of ik naar den kant wilde gaan vanwaar wij ’t geluid hoorden, of meer noordop, waar hij onderstelde, dat jonge vogels genesteld waren. Ik koos het eerste. De kapitein trok noordwaarts. Per en ik slopen zachtkens in de richting, waar wij ’t geluid hadden vernomen, en zochten met de uiterste behoedzaamheid de sneeuw en de krakende takken te vermijden. Toen wij voor ’t eerst weer het eigenaardig geslijp hoorden, hielden we ons een ommezien stil, maar onder elk volgend slijpen, onmiddellijk na het geratel, kwamen wij twee, drie schreden nader. Onder het ratelen zelf stonden we natuurlijk onbewegelijk. Nadat we zoo den boom, waarin de boschhaan zat, tot op veertig of vijftig schreden waren genaderd, hoorden wij, dat een vogel met veel geraas daarheen vloog en zich op een’ tak neerzette. ’t Klepperen der snavels en ’t slaan met de vleugels verkondigde, dat de oude het voorspelde vijandelijk bezoek bij zijn’ vreemden medeminnaar aflegde. Onder den strijd sprongen wij eenige passen vooruit; krachtige vleugelslagen bewezen ons spoedig, dat de oude eene gemakkelijke zege behaald en den vreemden indringer op de vlucht had gejaagd. Een ommezien was ’t stil; daar kakelde een wijfje en dadelijk begon de boschhaan te balderen; hij klepperde en gorgelde, maar nauwelijks hadden we den voet opgelicht om naderbij te springen, of hij sloeg de vleugels uit en vloog naar een’ anderen boom, waar zijn hernieuwd gebalder ons scheen uit te lachen.

„Ik wist het wel,” zeide Per wrevelig. „De oude is weer bezig. ’t Baat niets ter wereld, hem te vervolgen; men zou even goed jacht kunnen maken op eene wolk bij stormweer. Laat ons verder noordop gaan, daar zitten verscheiden vogels; licht is er één onder, die den bek durft opendoen, schoon ze alle bang zijn voor dat ondier, dat de duivel hale!”

„Weet ge, waar de oude pleegt te paren?” vroeg ik.

„Ja, dat weet ik wel,” antwoordde Per. „Hij paart altijd in eene spar op een’ kleinen heuvel, hier beneden ons; maar ge krijgt hem daar toch niet onder schot, want de spar is veel te hoog.”

„Daar moeten we heen,” zeide ik; „maar we kunnen eerst wel wat noordwaarts gaan.”

We trokken een eindweegs in de voorgenomen richting, voorbij een’ reusachtigen steen, dien Per Mjölne-Ragnhild noemde, langs den zuidelijken zoom van ’t Löndal-moeras. Doch we hoorden geen’ enkelen vogel. Per Sandaker begreep volstrekt niet, waar ze mochten gestoven zijn, maar kwam eindelijk op het vermoeden, dat het gevecht van den oude met het vreemde hoen ze alle had verjaagd. Reeds begon ’t te dagen, toen wij een schot hoorden in het noorden op den Sandtjaernberg, waar Per vertelde, dat de kapitein en hij hun aas plachten neer te leggen, wanneer ze op de berenjacht waren en vanwaar men spoedig ’s mans saeter en zijne woonplaats in ’t Sognedal kon bereiken. Een oogenblik later hoorden wij een tweede schot, dat, naar Per verzekerde, evenals het vorige uit de buks van den kapitein kwam. Terwijl wij over ’t moerasland naar de aangewezen spar gingen, waarheen Per mij met tegenzin volgde, kon hij niet langer zijne ergernis over onze ongelukkige jacht verkroppen, maar mompelde bij zich zelven: „Alles kruit verspillen—neen, neen—de kapitein—dat ’s eerst een kerel—hij heeft er al een—twee misschien—Sara-Anders was het niet—neen, stellig kwam ’t van den kapitein.”

„Troost je, Per,” sprak ik. „Als ’t ons eens lukte, den oude te schieten? Die is meer waard dan alle andere te zamen.”

„Dan moest ge een duizendkunstenaar zijn,” antwoordde Per. „Maar hij is te slim en geen kruit kan hem deren, geloof mij.”

Toen wij, het bevroren moeras over, den heuvel hadden beklommen, deed ik, met ’t oog op de moeite, die ’t kon inhebben, den vogel te treffen, wanneer hij naar alle waarschijnlijkheid zich in den top der spar nederzette, de hagelkorrels uit mijne buks en laadde op nieuw met een hagelpatroon, van ijzerdraad omwoeld. Per ontging dit niet, maar hij schudde het hoofd en merkte twijfelend op:

„Ge meent zeker, dat dit helpen zal!”

„We zullen zien,” antwoordde ik even kortaf.

De heuvel, waarop wij ons bevonden, lag als een eilandje midden in het uitgestrekte moeras. Op den top verhief zich de spar, een ontzettend hooge mastboom, vol knoesten van afgehouwen takken. Aan den oostkant stond eene andere, die wis even reusachtig was geweest, maar zich thans over ’t moerasland heen kromde; de stormen hadden zijn’ top vernield, slechts de onderste, bijna naakte takken waren overgebleven en strekten zich als forsch gespierde reuzenarmen naar den helderen hemel uit. De zon was opgekomen; zij verguldde de bergruggen en wierp haar’ glans op de donkere pijnbosschen. Maar nog lag ’t Skjaersjö-moeras, dat zich naar ’t zuiden uitstrekte, zoover het oog kon reiken, in donkere schaduwen gehuld. De houtsnip, het bokje en alle nachtvogels waren ter rust gegaan; de vroolijke boschzangers daarentegen deden in den klaren morgenstond hunne jubeltonen weerklinken, de sparrevink liet zijn’ eentonigen slag hooren, beukvinken en winterkoninkjes kweelden boven ons hoofd, de boschhanen balderden lustig, de lijster zong uit volle borst spotliedjes op al zijne makkers, doch viel soms ook plotseling in ’t sentimenteele en kweelde zacht en zoetelijk eenige weemoedige strofen. Aan gene zijde van ’t moeras zat een boschhaan uit alle macht in een’ boomtop te balderen. Eenige hennen trachtten hem al kakelend tot zich te lokken en deden een heesch neusgeluid hooren, dat den woudgangers even liefelijk in ’t oor moest klinken, alsof bestemoer ons de jonge liefde en de teedere aandoeningen harer kleindochter wilde vertolken.

Wij stonden in ’t dichte kreupelhout op den kleinen heuvel verborgen en verwachtten elk oogenblik den vermaarden boschhaan. Maar de oude verliet noode zijn’ harem. Eindelijk, toen de zonnestralen den top der spar beschenen, kondigde het gesuis van zware vleugelslagen zijne komst aan, doch hij zette zich niet, zooals we hadden vermoed, in den hoogen boom boven ons hoofd, maar in de toplooze spar, die over ’t moerasland helde. ’t Was inderdaad een prachtige vogel, een stout kampioen, zooals hij daar op den naakten tak zat, met zijne glinsterende, lichtgroene borst, schitterend in den zonneschijn. Eene hen vloog hem na en zette zich in den top boven ons. Op ’tzelfde oogenblik maakte de oude zich tot het spel gereed, hief de keelvederen omhoog, liet de vleugels over de pooten vallen, deed onder golvende bewegingen met den hals statig eenige schreden voorwaarts op den tak en begon te balderen, waarbij hij den breeden staart uitsloeg als een rad. Ik stond met den vinger tegen den haan en wachtte gespannen het beslissend oogenblik, dat hij zijne vleugels ter vlucht zou uitspreiden; de groote vlakte, die zich voor ons uitstrekte, schonk mij voortreffelijk gelegenheid tot een zeker schot. Maar onder ’t gekakel der hen balderde de oude lustig door en was reeds op nieuw met zijn geratel begonnen, toen er een tak kraakte onder mijn’ voet. De hen stiet een scherp, waarschuwend geluid uit; maar de oude was thans zoozeer in vervoering, dat hij den welmeenenden raad in den wind sloeg en voortging met slijpen, tot zijne trouwe minnares hare rustplaats verliet, hem te gemoet vloog en hem van den tak naar beneden scheen te willen stooten. Opmerkzaam geworden op hare waarschuwing, bereidde nu ook hij zich ter vlucht. Maar mijne buks was gericht en, met den kop omlaag, stortte de trotsche vogel neder op ’t moerasland. Zijn doodstrijd was licht; slechts een paar malen bewoog hij de vleugels.

Per sprong heen en nam den vogel op; over zijn gelaat vloog eene schaduw van ontzetting, die echter spoedig plaats maakte voor een’ blijden glimlach van bewondering. Hij schudde met het hoofd en zeide:

„Neen, dat zou ’k niet geloofd hebben, al had de kapitein zelf ’t gezeid, want ’t is wel de rechte. Ik ken hem aan den bek: zoo’n gelen, krommen, mooien snavel heeft geen enkele vogel in den ganschen omtrek. Zie eens, hoe groen zijne borst is; hoe ze glinstert en glanst! En wat is hij stevig en zwaar!” voer hij voort, terwijl hij onder bijna kinderachtige uitbarstingen van blijdschap den vogel op de handen woog. „Ik lieg niet, als ik zeg, dat hij dertig marken weegt. Drommels, dat was een schot! Wat zal de kapitein in zijn schik zijn! Ho! ho, hierheen!” schreeuwde hij, dat ’t overal tusschen de bergen weerklonk. Weldra verscheen de kapitein op ’t marschland, gevolgd door den knaap, die zich met de honden bij hem had gevoegd. Zij droegen elk een boschhoen. Zegepralend hief Per onzen buit omhoog en riep reeds van verre:

„Daar hebben we den ouden schelm, kapitein!”

„Wat zeg-je, kerel?” riep deze en kwam vol drift naar ons toe. „Is dat de oude? Dat is een prachtig schot geweest; daar kan een hartige dronk op staan.”

„Vivant alle vogel-republieken, pereant de tirannen!” riep hij uit, toen hij de veldflesch en een’ zilveren beker uit zijne weitasch had gehaald en ons eene teug bood.

„Nu, heb ik niet gezegd, dat de kapitein schik zou hebben?” zeide Per lachend en grijnzend, terwijl hij, met de oogen knippend, eene stevige teug nam uit den beker, die hem werd gereikt. „Nu kan de jacht eerst goed worden, nu we dat duivelskind kwijt zijn.”

Nadat wij van weerszijden onze ontmoetingen hadden verhaald, werden de honden losgelaten. Vroolijk jachtgeroep weergalmde door ’t woud. Weldra hadden wij dit bereikt, en nu ging ’t voorwaarts met verlangen en lust. Duizendvoudig deed de echo het hondgeblaf weerklinken door ’t gebergte, en ’t hart zwol van vreugde bij de genotvolle jacht in den zonnigen morgenstond.

EENE TOOVERHEKS.

Een eind van den straatweg, midden in het Gudbrandsdal, lag voor eenige jaren op eene hoogte eene hut. Misschien ligt zij er nog. ’t Was een zachte Aprildag; de sneeuw begon te smelten; de beken stroomden bruisend door de dalen; de velden werden zichtbaar; de lijsters sprongen van den eenen tak op den ander; alle bosschen waren vol van het gekweel der vogels: kortom, alles gaf hoop op eene voorspoedige lente. In den reusachtigen beuk en de hooge sorbeboomen, wier naakte takken zich boven ’t dak der hut uitstrekken, hadden eenige meezen het verbazend druk, en een beukvink zat in den top van den beuk uit volle borst te zingen. Maar binnen in de berookte hut zag het er somber en armoedig uit. Eene boerin van middelbaren leeftijd, die er zeer gewoon en dom uitzag, was bezig het vuur aan te blazen, dat bestond uit eenige takken en ruwe stukken brandhout, die onder den koffiepot op den haard lagen opgestapeld. Toen haar dit zoo goed als gelukt was, stond zij op, wreef zich de rook en asch uit de oogen en sprak:

„De lui zeggen, dat lood smelten niet baat, want het kind, zeggen ze, heeft de engelsche ziekte niet; het is een wisselkind. We hadden hier dezer dagen een’ leerlooier, die dat ook zeide, want toen hij nog een jongen was, had hij in Ringebu eens zoo’n kind gezien, en dat was even mager en gebrekkig als dit.”

Terwijl ze dit zeide, las men op haar gelaat eene uitdrukking van bekommernis, die bewees, welk een’ indruk de uitspraak van den leerlooier op haar’ bijgeloovigen geest had gemaakt.

De vrouw, tot wie zij ’t woord richtte, mag omtrent zestig jaar zijn geweest en was grof van lijf en leden. Zij was buitengewoon groot van stal, maar terwijl ze zat, scheen ze eer klein dan middelmatig van lengte, en aan deze eigenschap had zij ’t te danken, dat men bij haren naam Gubjör den scheldnaam Langpoot had gevoegd. Grijze haren kwamen onder hare muts vandaan, die een donker gelaat omlijstte met borstelige wenkbrauwen en een lange aan de spits sterk gekromde neus. De bekrompenheid van geest, die sprak uit het lage voorhoofd en het breede aangezicht, stond in lijnrechte tegenstelling met den onmiskenbaar listigen blik harer kleine, scherpe oogen en de terugstootende valsche trekken van haar rimpelig gelaat. Uit hare kleeding bleek, dat zij uit eene noordelijker streek afkomstig was; haar gezicht en geheel haar doen verrieden de tooverheks, of ten minste de landloopster, die, naar omstandigheden, nu eens stout en onbeschaamd, dan weer vleiend en kruipend kon zijn. Terwijl de boerin sprak en met het bereiden der koffie bezig was, hield Gubjör eene soort van hangmat, waarin een wicht van ziekelijk voorkomen lag, in beweging, door er nu en dan met de hand een’ stoot aan te geven.

Met vaste stem en op een’ toon van gezag beantwoordde zij de opmerking der boerin, schoon hare fonkelende oogen en de trillende spieren om den mond bewezen, dat ze alles behalve ingenomen was met de verklaring van den leerlooier. „De menschen,” zei ze, „kallen zoo dikwijls over dingen, die zij niet verstaan, beste Marit Rognehaugen; ze praten over al, wat los en vast is; en de leerlooier weet misschien veel van schapenleer, maar van engelsche ziekte en wisselwichten weet hij niemendal—dat zeg ik, en daar blijf ik bij. Ik zou meenen, dat ik wel weet, hoe wisselkinderen er uit zien, ’k heb ze vaak genoeg onder handen gehad. Dat kind, waar hij van praatte, was zeker het kind van Brit Briskebraaten van Fron, want die bezat er zoo een en....ja, ’t zal wel zoo wezen—daar had de leerlooier ’t over. Zij kreeg ’t spoedig na haar trouwen, want eerst had ze een heel lief kind; maar dat werd verruild met een heksenkind, zoo leelijk en woest als de duivel zelf. Nooit kon men ’t een woord uit de keel krijgen; ’t deed niets dan eten en schreeuwen. Toch dorst Brit het niet slaan, of het ook maar ’t geringste leed doen; maar de een of ander, wie weet ik niet, leerde haar eenige middeltjes, die van krachtige uitwerking moesten zijn, en werkelijk bereikte zij hiermee haar doel. Zij dreigde het kind, dat de reus het naar de hel zou sleepen, noemde het een hellewicht en een’ heksenjongen, wenschte het waar het vandaan was gekomen, ja, waagde ’t eindelijk het duchtig met den bezemsteel om de ooren te slaan. Maar terwijl ze dit deed, werd de deur wijdwagen opengesmeten en binnen vloog—ja, ze zag niets—maar toch kwam er een binnen en pakte ’t wisselkind mee en wierp haar eigen kind zoo onzacht op den vloer, dat het kreet van pijn.

„Of misschien was ’t het kind van Siri Strömhugget? Dat was zoo mager als een tachtiger; ’t mocht ook kreupel zijn, maar op uw kind leek ’t evenmin als op mijne oude muts. Ik herinner ’t mij zoo goed als de dag van gisteren; toen ik nog bij den klokkemaker diende heb ik ’t meer dan eens gezien, en mij heugt ook nog heel goed, hoe ze er aan kwam en hoe ze ’t kwijt raakte. Ieder had er den mond vol van; want Siri kwam uit den vreemde. Toen zij nog eene deerne was, diende zij op Kvam, en ’t heugt me nog klaar, hoe ze dan naar Gaupeskjelplads ging, waar hare ouders woonden. Sedert kwam zij op Strömhugget in dienst en trouwde met Ola, den zoon van den meester der hoeve.

„Toen ze de eerste maal in ’t kinderbed lag, kwam er een vreemd wijf het vertrek binnen, nam het kind weg—dat pas een paar dagen oud was—en lei er een ander voor in de plaats. Siri wilde ’t bed uit om haar kind te redden; ze spande alle krachten in, maar te vergeefs: zij kon zich niet verroeren, want ze was behekst. Zij wilde hare schoonmoeder, die buiten was, te hulp roepen, maar de woorden bleven haar in de keel steken en zoo benauwd werd ze, of men haar het mes op de keel had gezet. ’t Schepseltje, dat ’t wijf had achtergelaten, was een wisselkind, dat bleek zoo klaar als de dag. Want het was gansch anders als gewone kinderen: het deed niets dan schreeuwen en krijten, of men ’t met messen stak, en het schopte en sloeg om zich heen als eene Hulderkat. ’t Was een recht duivelskind. Eten weigerde ’t hardnekkig. En de arme moeder wist volstrekt geen raad om het van den hals te krijgen. Maar nu deed men haar eene vrouw aan de hand, die in zulke zaken ervaren was. Die ried haar, het wicht op den mesthoop te leggen en ’t dan met een’ dikken berketak duchtig te rossen. Dat moest ze drie donderdagavonden aaneen doen. Ze deed het ook en ziet—den derden donderdagavond kwam er een wijf over het dak aanvliegen; het smeet een kind op den mesthoop en scheurde haar eigen daar af. Maar op ’t zelfde oogenblik sloeg zij Siri op de vingers, dat deze er nog litteekens van draagt; en die litteekens heb ik met mijne eigen oogen gezien,” voegde Gubjör er bij tot bevestiging van haar verhaal. „Neen, dit kind heeft net zooveel van een wisselwicht als ik zelf;—en hoe zou het ook mogelijk zijn geweest het te ruilen?” vroeg zij.

„Ja, dat zou ’k evenmin weten,” zei de boerin trouwhartig, „want ik heb bevergeil in de wieg gehad; ik heb er vuur boven gebrand; ik heb er ’t teeken des kruises over gemaakt; ik heb eene gesp in het hemd van mijn kind genaaid, en dat mes, daar, heeft boven de deur gezeten. Zoodat ik niet weet, hoe ’t zou kunnen gestolen zijn.”

„Wel neen, dan zijn ze machteloos; bij mijne ziel, geloof me,” voer de tooverheks voor, „ik weet dat wel. Ik had voorheen eene goede kennis op een dorp bij Christiania. Die had ook een kind, dat ze door allerlei middelen zocht te beveiligen: zij sloeg een kruis boven de wieg, lei er vuur boven aan, deed bevergeil er in—alles naar haar beste weten, want men hoorde vaak van tooverij en duivelskunsten daar in den omtrek. Op zekeren nacht lag ze met het kind vóór zich te bed; haar man lag tegen den wand der bedsteê. Pas zijn ze ingeslapen, of de man ontwaakt en ziet een’ rooden schijn in ’t vertrek, juist of er iemand met de asschop het vuur samenrakelde. En daar was er ook werkelijk een aan het vuurrakelen; want toen de man een’ blik op den haard sloeg, zag hij een oud man zitten, zóó leelijk, als hij nog nooit iemand had gezien, met een’ baard, die hem tot op de knieën hing. Toen het vuur helder opflikkerde, begon de oude de armen naar het kind uit te strekken, maar wat hij deed, hij kon ’t niet bereiken, en van zijn stoel rijzen kon hij evenmin. Zijne armen werden zóó lang, zóó lang, dat ze tot midden in het vertrek reikten; maar van zijne plaats kwam hij niet. Dat duurde eene heele poos; de man lag stom van schrik en wist geen raad. Nu hoorde hij aan het venster tikken.

„Kom dan, Per,” sprak eene stem.

„Houd den bek!” zei de oude, die aan den haard zat.

„Ze hebben het kind gezegend; daardoor kan ik het niet krijgen.”

„Kom dan maar mee!” klonk het weer buiten. Dat was ’t wijf van den oude, die het wicht zou rooven.

„Neen, kijk me dat lieve schaap eens aan!” zei de tooverheks vleiend, terwijl ze het kind, dat ontwaakt was, uit de wieg nam. ’t Knaapje scheen intusschen niet zeer ingenomen met hare liefkoozingen, want het toonde zich zeer weerbarstig en begon te krijten, als ze ’t onder een akelig gegrijns wilde streelen. „Het is zoo blank en mooi als een engeltje; een beetje mager is ’t wel—dat moet gezegd worden—maar wie het een wisselwicht noemt, is voor zijne eerste logen niet opgehangen! Neen, moeder, de engelsche ziekte is het,” zei ze met den klem der overtuiging, terwijl ze zich tot de moeder keerde; „’t is de engelsche ziekte, anders niet.”

„Stil, stil! hoor ’k daar geen geklop tegen den wand? De hemel sta me bij, als dat Truls eens ware!” riep de boerin op eens, terwijl ze beefde van schrik op ’t denkbeeld, dat haar man haar mocht verrassen onder het koffiepraatje met de tooverheks. IJlings sprong ze op de deur toe, opende die en keek naar buiten; maar er was niemand, dan de cypersche kat, die op de jacht was geweest in de vochtige elzenstruiken en nu de natte pootjes afdroogde. Truls was ’t dus niet; maar tegen den zonnekant van ’t huis zat eene specht te tikken, om de insekten uit haar winterslaap te wekken. Elk oogenblik draaide zij den kop om, of ze naar iemand keek, maar ze wachtte slechts op eene regenbui.

„Is er iemand? vroeg de tooverheks. „Zoo,” ging ze voort, toen er een ontkennend antwoord was gevolgd, „laat dan de deur openstaan en kom hier zitten; dan kunnen we uw’ man zien aankomen; ge wacht hem immers van dezen kant?”

„Hij is met de slee uit om blaren te halen voor de geiten,” antwoordde de boerin. „Maar ik ben zoo bang, dat hij ons zal overvallen. Onlangs merkte hij, dat gij hier geweest waart; er was toen geen huis met hem te houden, zoo stoof hij op. Hij vroeg me, of ik dan geen’ schelling meer in den zak had om naar den dokter te gaan, en zwoer, dat hij van zulke kwakzalverij en bovennatuurlijke kunsten nooit meer wou hooren; want hij gelooft aan niets meer, sedert hij met den schoolmeester van ’t dorp heeft omgegaan.”

„Naar den dokter gaan? Bah!” zei de tooverheks met een verachtelijk gebaar. „’t Baat ook wat, als de armoê den dokter haalt. Kan men niet diep in de beurs tasten, dan wordt men behandeld als een hond, maar niet als een mensch! Hoe ging ’t, toen Geertruid Kostebakken met den dood op de kaken lag, nadat ze reeds twee etmalen lang in arbeid was geweest? De dokter vierde het kerstfeest bij den secretaris, en naar de arme ziel keek hij niet om, voor men dreigde hem te zullen aanklagen bij den bisschop en den schout. Hij had wel heelemaal weg kunnen blijven, want toen hij kwam, was ze reeds dood. Naar den dokter gaan, als ’t kind de engelsche ziekte heeft; ge kunt er evengoed den duivel bijroepen. Neen, God beware me”, ging ze spottend voort, „ik houd u niet tegen—ga er gerust heen! Maar als hij u, zie zóóveel helpt—dan mag ik geen enkel mensch meer gezond maken in mijn leven. Och, ze weten niets van de engelsche ziekte, want daar staat niets van in de boeken; voor die kwaal is geen kruid gewassen, dat weten ze wel, en daarom geven ze er dan ook geen poeiers of drankjes of zulk duivelsgoed tegen. Neen, geen andere raad is er voor dan lood smelten, maar die kunst verstaat geen dokter.

„Zet dus den lepel maar op ’t vuur, moedertje,” begon ze op een’ gansch anderen toon, „want de zon staat reeds dicht bij ’t zuiden. Tweemaal hebben we ’t reeds gedaan, laat ons nu voor de derdemaal beginnen, anders zou ’t verkeerd afloopen. ’t Kind heeft de engelsche ziekte, maar daar zijn negen soorten van die kwaal. Ja, ja, ik heb ’t u gezegd en ge hebt ’t zelf gezien, dat ’t kind reeds verlost is van de nikkerkwaal en de waterkwaal. Den eersten donderdag werd ’t een man met twee groote horens en een’ langen staart. Dat was de nikkerkwaal. Later werd het eene meermin. Zaagt ge ’t niet zoo duidelijk, of het geschilderd was? Dat was de waterkwaal. Maar nu is ’t weer donderdag, en thans zal de vraag zijn, wat er van komt, zoo we opnieuw aan ’t smelten gaan. Op den derden keer komt het vooral aan, moet ge weten. Daar hebt gij ’t kind,” zei ze en reikte het de vrouw over.

„Schenk me eerst nog een teugje koffie; dan beginnen we.”

Toen de koffie gedronken en de blinkende spoelkom weggezet was, ging ze met bedachtzamen tred naar den haard en haalde eene snuifdoos voor den dag.

„Sinds verleden donderdag,” zei ze „ben ik in zeven kerspelen geweest om te middernacht lood te schrapen van de kerkramen, want mijn voorraad was uitgeput. ’t Is een geneesmiddel voor lijf en ziel,” mompelde zij voor zich heen, terwijl ze eene kleine hoeveelheid van ’t met zooveel moeite verzamelde lood in den lepel stortte.

„Ge hebt toch wel in ’t holst van den nacht water gehaald, dat naar ’t noorden stroomde?” vroeg zij verder.

„Ja, ik ben gisteren nacht naar de molenbeek geweest; dat is ’t eenige water, dat, uren ver in den omtrek, naar ’t noorden vloeit,” antwoordde de boerin en haalde eene goed gesloten nap te voorschijn, waaruit zij water schepte in eene bierkroes. Hierover legde zij eene snee gerstebrood, waarin met eene stopnaald een gat was gemaakt. Nadat het lood was gesmolten, ging Gubjör in de deur staan, zag naar de zon, nam daarop den lepel en goot het gesmolten metaal door de opening langzaam in het water, onder het mompelen der volgende woorden:

Zoo drijf ik de duivelsche kwaal uit het wicht,

Ik drijf haar naar buiten, tot ze eindelijk zwicht;

Ik drijf haar door weer en ik drijf haar door wind;

Ik drijf haar steeds verder, tot ze eindlijk verzwindt;

Ik drijf haar naar ’t zuiden; ik drijf haar naar ’t noord;

Ik drijf naar het oosten en westen haar voort;

Ik drijf haar den grond in; ik drijf haar naar ’t strand;

Ik drijf haar den berg in; ik drijf haar in ’t zand;

Ik drijf haar, waar de elzenstruik wortelt in de aard;

Ik drijf in den poot haar van ’t moedige paard;

Ik drijf haar ter helle naar d’eeuwigen gloed;

Ik drijf naar den stroom haar, die noordwaarts zich spoedt;

Daar moog’ zij knagen en daar moog’ zij teren,

Maar ’t vriendelijke kind zal zij nimmer er deren.

Zooals natuurlijk was, siste en spatte het gloeiende lood, toen ’t in ’t water kwam.

„Hoor, nu verdwijnt de betoovering,” zei de tooverheks tot de boerin, die met eene mengeling van angst en eerbied op ’t gelaat luisterde en toezag, terwijl ze haar jongske op den arm hield. Toen de snede was weggenomen, vertoonden zich in het water een paar figuren, door het gesmolten metaal gevormd. De tooverheks bekeek ze lang en aandachtig; daarop knikte zij en sprak:

„De lijkkwaal, de lijkkwaal!—eerst de nikkerkwaal, toen de waterkwaal, nu de lijkkwaal.—Eéne van drieën ware reeds meer dan genoeg geweest,” voegde zij er hoofdschuddend bij.—„Ja, nu zie ik, hoe ’t is toegegaan,” voer ze luider voort, terwijl zij zich tot de boerin wendde: „Eerst zijt ge door een bosch en voorbij een’ berg gegaan, waarin de nikkers huisden; toen hebt ge den naam Jezus uitgesproken. Daarna moest ge eene rivier over; weer hebt ge den knaap beveiligd, door den naam van Jezus over hem uit te spreken; maar toen ge voorbij het kerkhof kwaamt, nog vóór het hanengekraai, hebt gij ’t vergeten, en toen is het kind door de lijkkwaal bevangen.”

„In Jezus’ naam, hoe kunt ge dat weten?” borst de boerin, bleek van schrik en verbazing uit. „Elk woord, dat gij zegt, is waar! Toen wij den saeter verlieten, liepen er eenige schapen weg; daardoor werden wij opgehouden. De duisternis overviel ons, terwijl we nog den berg niet waren afgedaald, en toen scheen ’t mij op eens, dat ik een licht zag in ’t bosch en een geluid hoorde, of er eene poort werd geopend. Ik schrok hevig, want men zegt, dat er berggeesten huizen, en ik riep uit: „In Jezus’ naam, behoed mijn kind!” En toen wij de rivier overtrokken, hoorde ik een’ kreet, zoo afgrijselijk, dat ik weer riep: „In Jezus’ naam, mijn kind!” Maar de anderen zeiden, dat het een zeeduiker was, die om onweer riep.”

„En al ware ’t een zeeduiker geweest,” sprak de tooverheks, „wanneer die tegen een kind schreeuwt, krijgt het de engelsche ziekte.”

„Dat heeft men mij ook verteld; ik meende toen, dat het ergste voorbij was,” voer de ander voort. „Maar toen wij voorbij het kerkhof kwamen, scheen ’t op eens of onze stier razend werd, en de koeien van de lui daar begonnen ook uit alle macht te schreeuwen, en we kregen zooveel met de kudde te stellen, dat ik geheel vergat het kind te zegenen.”

„Daar hebt gij ’t, moedertje; toen heeft ’t kind de lijkkwaal gekregen. Zie zelf maar in de kroes: daar staat eene kist, en hier een kerktoren, en in de kist ligt een lijk, met de vingers uitgespreid,” sprak de tooverheks op zalvenden toon, terwijl ze de zonderlinge gedaanten, door ’t gesmolten lood gevormd, verklaarde.

„Hm, hm, hm, dat zou kunnen helpen!” mompelde zij een ommezien later, maar luid genoeg, dat de ander het kon verstaan.

„Wat zou kunnen helpen?” vroeg de boerin blij en nieuwsgierig.

„’k Zeg niet, dat het zal helpen—maar ’t valt te probeeren,” zei de tooverheks. „Ik zal een bakerkindje maken, en dat op ’t kerkhof begraven; dan wanen de dooden, dat zij ’t wicht hebben gewonnen, en God verhoede, dat ze ooit merken, wie hen bij den neus heeft gehad! Maar daarvoor heb ik zilver van doen. Hebt gij oud zilver?”

„Ja, ik heb nog een paar oude zilveren munten van mijn’ vader geërfd; nooit heb ik ze willen aanroeren, maar nu het leven van mijn kind er mee gemoeid is....” zei de vrouw en was reeds bezig om in de lâ eener ouderwetsche kist te gaan zoeken.

„Eén stuk zal ik in den berg stoppen, het tweede in ’t water werpen, en het derde op ’t kerkhof begraven;—drie moet ik er dus hebben,” zei het wijf, „en dan wat oude plunje, om het kind na te bootsen.”

Wat zij verlangde; werd haar gebracht. Eenige doeken waren spoedig samengenaaid, tot ze eene pop vormden. De tooverheks stond nu op, nam een en ander mee en zeide:

„Nu ga ik naar het kerkhof, om het te begraven. Vandaag over drie weken kom ik terug—dan zullen wij zien, of ’t middel heeft geholpen. Blijft het leven, dan ziet ge uw beeld in den oogappel van uw kind, maar moet het sterven, eer de blâren vallen, dan ziet gij slechts den donkeren appel en niets dan dezen. Dan ga ik naar ’t noorden, naar Joramo. Daar ben ik sinds lang niet geweest; maar men heeft er mij geroepen bij een knaapje, dat de nikkerkwaal heeft: dat heeft dus niet veel te beduiden. Ik zal het kind tegen de zon in laten loopen met eene graszoo boven zich, dan zal ’t wel gezond worden.”

„Wat ge zegt, wat ge zegt!” riep de boerin vol bewondering uit. Joramo? dat ligt immers in Lesje? Hemel, zoo ver weg?”

„Ja, ’t is een heel eind ver; maar ik ben er geboren en getogen,” antwoordde de tooverheks. „Ik heb veel gezworven, maar weinig verworven, sedert ik van daar ben gegaan. Toen waren ’t beter tijden voor Gubjör,” zei ze met een zucht, terwijl ze zich weer op eene bank liet vallen. „Maar daar op Joramo was wel een wisselwicht,” ging ze voort, terwijl een verhaal uit den ouden tijd haar te binnen schoot, nu ze harer jonkheid gedacht.

„Mijne overgrootmoeder, die op Joramo in Lesje woonde, had een wisselkind. Ik heb het nooit gezien, want zij was dood en ’t kind weg, lang vóór ’k werd geboren, maar vaak heeft mijne moeder het mij verteld. De jongen zag er uit als een verschrompelde tachtiger. Zijne oogen zagen zoo rood als karmijn en gloeiden in het duister als de oogen eener katuil. Hij had een hoofd, zoo lang als een paardekop en zoo dik als eene kool; maar zijne beenen waren zoo mager als schapepootjes en zijn gansche lichaam zag er uit als pekelvleesch van twee jaar oud. Nooit deed hij anders dan huilen en krijten en schreeuwen, en kreeg hij iets in de hand, dan wierp hij ’t de moeder vierkant in ’t gezicht. En hongerig was hij als een stadshond; al wat hij zag, wou hij eten, en niemand in huis at zooveel als hij. Hoe ouder hij werd, des te onhandelbaarder werd hij ook; niemand wist hem te regeeren, en nooit kon men hem het minste woord uit de keel krijgen, schoon hij oud genoeg was om te kunnen praten. Het was het afschuwelijkste hellewicht, dat men ooit heeft gezien en nacht noch dag liet hij iemand met rust. Iedereen vroeg men om raad, maar niets baatte. Hem frisch afrossen dorst de moeder niet, zonder volkomen zeker te zijn, dat het een wisselwicht was. Maar op zekeren dag gaf iemand haar dezen raad. Zij moest den jongen zeggen, dat de Koning zou komen; dan moest zij een groot vuur aanleggen en een ei stuk slaan. De schaal moest ze op ’t vuur zetten. Zoo deed ze, en toen de jongen het zag, ging hij rechtop in de wieg zitten en keek er oplettend naar. De vrouw verliet het vertrek en keek door het sleutelgat. En de jongen kroop op de handen uit de wieg, maar de beenen bleven er in, en hij rekte zich uit en werd zóó lang, dat zijn lichaam tot aan den haard reikte.

„Neen,” zeide hij „nu heb ik al zevenmaal het hout zien vellen in het bosch van Lesje, maar nog nooit zag ik zoo’n grooten lepel in zoo’n kleine pan.”

„Toen de moeder dit alles zag en hoorde, was zij overtuigd. Ze wist thans, dat het een wisselwicht was. Nauwelijks had ze de klink opgelicht, of de jongen kroop weg in de wieg als een worm. Zijne beste dagen waren nu uit; op een’ donderdagavond sleurde de vrouw hem naar den mesthoop en ranselde hem duchtig af; maar ze hoorde een geknetter en geknap in ’t rond van belang. Den volgenden donderdag ging het evenzoo, maar toen de vrouw vond, dat hij genoeg had, hoorde zij eene stem naast haar—de stem van haar eigen kind—zeggen:

„Telkenmaal, als gij Tjöstul Gautstigen slaat, krijg ik dubbel in den berg.”

„Maar den derden donderdag sneed de vrouw hem van ’tzelfde laken een pak. Daar kwam een oud wijf met een jongske aanvliegen, of ze uit den brand was gevlucht.

„Geef Tjöstul hier, daar hebt gij uw’ jongen terug!” riep ze en wierp haar het kind voor de voeten. De vrouw strekte de hand uit om het op te vangen en greep ook het eene been. Maar van de rest heeft ze nooit iets gezien, zoo hard had het bergwijf het kind neergesmeten.”—

Onder deze vertelling had men op ’t gelaat der boerin de onmiskenbaarste teekenen van angst kunnen lezen. Tegen het einde vielen zij zoo duidelijk in het oog, dat de vertelster, die weggesleept scheen door hare eigen woorden, ze opmerkte.

„Wat schort u?” vroeg ze. „O, uw man komt zeker,” ging ze voort, terwijl ze een’ blik naar de deur wierp, en besloot met nadruk: „’t Is niet geraden voor Gubjör dat ze uw’ man in den weg loopt; maar wees niet bezorgd, moedertje: ik zal beneden het kerkhof omgaan, dan ziet hij me niet.”