TER ZEE.
I.
DE AALSCHOLVERS VAN UDRÖST.
Op de thuisreis gebeurt het niet zelden den Nordlandschen visschers, dat zij tarwestroo vinden aan het roer of gerstekorrels in de maag der visschen. Dan heet het, dat zij over Udröst zijn heengevaren of over een ander der Hulderlanden, waarvan de sage weet te verhalen. Deze onderzeesche streken vertoonen zich enkel aan vrome of profetische visschers, die op zee zich in levensgevaar bevinden, en zij duiken op, waar anders volstrekt geen land te zien is. De aardgeesten, die daar wonen, beoefenen akkerbouw en veeteelt als andere menschen; maar hier schijnt de zon over heerlijker grasvelden en vruchtbaarder akkers dan ergens elders in Nordland, en gelukkig hij, die een dezer eilanden, door den rijksten zomerglans beschenen, te zien krijgt; „hij is geborgen”, zeggen de Nordlanders. Een oud liedje bevat eene volledige schilderij van een eiland, in de nabijheid van Helgoland, „het Zand” geheeten, met vischrijke kusten en overvloed van wild. Zoo moet zich ook in het Westfjord van tijd tot tijd eene groote vlakte vertoonen, die intusschen nooit hooger komt, dan dat de aren zich even boven het zeevlak kunnen verheffen; en buiten Röst, aan de zuidpunt der Lofoten, vertelt men van een dergelijk Hulderland met groene heuvels en goudgele akkers: men noemt het Udröst. De eigenaar van dit land heeft zijn jacht zoo goed als de andere boeren in Nordland; visschers en schippers ontmoeten hem somwijlen met het zeil in top, maar op ’t oogenblik, als ze meenen dat zij tegen hem aan zullen varen, is hij eensklaps verdwenen.
Op Vaer-eiland, in de onmiddellijke nabijheid van Röst, woonde eens een arme visscher, die Izaak heette; al wat hij bezat, was eene boot en een paar geiten, die zijne vrouw in het leven hield met wat afval van visch en het gras, dat zij op de bergen in den omtrek inzamelde; daarentegen had zij eene hut vol hongerige kinderen. Toch was de visscher tevreden met het lot, dat hem was toebedeeld. ’t Eenige, waar hij over tobde, was, dat hij altijd in onmin leefde met zijn’ naasten buur. Dit was een rijk man, die zich in ’t hoofd had gezet, dat hij alles beter moest hebben dan de arme Izaak, en die daarom wilde dat Izaak zou verhuizen; dan kon hij de haven krijgen, die bij de hut van den arme lag.
Op zekeren dag, terwijl Izaak een paar mijlen ver in zee was om te visschen, werd de hemel eensklaps door zwarte wolken bedekt en stak er zulk een hevige storm op, dat hij al zijne visch over boord moest werpen, om de boot te verlichten en het lijf te bergen. Met inspanning van alle krachten stuurde hij de boot tusschen en over de stortzeeën heen, die elk oogenblik kwamen aanrollen om hem in den afgrond te werpen. Nadat hij zoo vijf of zes uur had gevaren, meende hij niet ver van de kust meer te zijn. Maar hoe hij tuurde, het land bleef weg en de storm en de duisternis namen steeds toe. Nu overviel hem de vrees, dat de wind gedraaid was en hij zich al verder van de kust verwijderde, en ten slotte begon hij te begrijpen dat zijne vrees werkelijkheid was; want hoe snel hij zeilde, het land naderde niet. Daar hoorde hij op eens een’ akeligen schreeuw aan den steven en hij dacht niet anders, of ’t was een watergeest, die zijn’ lijkzang zong. Hij bad den Heer voor vrouw en kinderen, want hij meende stellig, dat zijn laatste uur geslagen was. Terwijl hij zoo zat te bidden, zag hij eene zwarte schim, die al dichter bijkwam; maar ’t bleken drie aalscholvers, die op een stuk drijfhout zaten; in een oogwenk was hij hen voorbij. Zoo verliep het eene uur na het andere; de arme man werd zoo dorstig en hongerig en vermoeid, dat hij geen’ raad wist; hij zat met de roerpen in de hand, tot de oogen hem toevielen. Maar op ’t zelfde oogenblik schuurde de boot tegen ’t strand en bleef vastzitten. Verschrikt sloeg Izaak de oogen op. De zon brak door de wolken en verlichtte een heerlijk land: heuvels en bergen waren groen tot den top, akkers en weiden bedekten de hellingen, en er stroomde een geur van bloemen en gras hem te gemoet, als hij nog nooit had geroken.
„Goddank, nu ben ik gered; dat is Udröst,” zeide Izaak bij zich zelven. Vlak vóór hem lag een gerstakker met aren, zóó vol en zwaar, als hij ze nog nooit had gezien, en door den akker heen liep een smal pad den heuvel op naar een frisch groen weivlak, en op den top graasde eene witte geit met horens van goud en uiers zoo groot als de grootste koe. En aan den voet des heuvels zat een klein mannetje met een blauw kleed aan op een’ stoel zonder rug uit een kort pijpje te rooken; hij had een’ baard, zóó lang, dat hij tot ver over de borst hing.
„Welkom op Udröst, Izaak,” zei het mannetje.
„Den zegen van Boven,” antwoordde Izaak. „Kent gij mij?”
„Wel mogelijk,” sprak het mannetje, „ge komt hier zeker nachtverblijf zoeken?”
„Ge zoudt er wel aan doen, mij dat te verschaffen, vader,” zeide Izaak.
„’t Is het slimste met mijne zonen; die kunnen de lucht van christenmenschen niet verdragen,” zeide het mannetje. „Hebt gij ze niet ontmoet?”
„Neen, ik ben niemand tegengekomen dan drie aalscholvers, die zaten te schreeuwen op een drijfhout,” antwoordde Izaak.
„Juist, dat waren mijne zonen,” viel het mannetje in; hij klopte zijn pijpje uit en ging voort: „ge kunt wel zoo lang naar binnen gaan; eene volle maag zal u zeker niet plagen.”
„Toch niet,” antwoordde Izaak.
Maar nauwelijks had het kleine mannetje de deur geopend, of Izaak stond stom van verbazing. Zoo iets had hij nooit gezien. De tafel was bedekt met de heerlijkste gerechten: schotels met roompap en visch en wild en leverbrood met stroop en kaas, Bergsche krakelingen bij hoopen, brandewijn en bier en mee en al wat maar lekker smaakt.
Izaak at naar hartelust, en toch werd de schotel niet leeger, en hoeveel hij ook dronk, zijn glas bleef even vol. De oude man at niet veel en sprak nog minder; toen hij buiten hoorde schreeuwen en aan de deur rammelen, verliet hij ’t vertrek. Na eenige oogenblikken kwam hij weer binnen met zijne drie zoons bij zich. Izaak was maar weinig in zijn schik, toen hij ze zag binnenstappen; doch naar ’t scheen, had de oude man hun’ afkeer van christenmenschen weten te overwinnen, want ze waren heel vriendelijk en voorkomend.
Toen Izaak van de tafel opstond en verklaarde dat hij verzadigd was, wilden zij, dat hij zou blijven zitten en eens met hen drinken. Izaak schikte zich zoo goed mogelijk in de omstandigheden, en nu dronken en klonken ze met elkander en lieten zich het bier en de mee wel smaken. En ze werden heel goede vrienden, en de drie jongelingen drongen er op aan, dat Izaak een paar tochten met hen zou doen, om ook wat mede naar huis te kunnen nemen. Op den eersten tocht, dien ze samen deden, overviel hun een vreeselijke storm. Een der drie jongelingen zat aan ’t roer, de ander stond voorop, de derde hield zich op ’t middeldek, en Izaak stond aan de groote pomp en werkte, dat hem ’t zweet van ’t voorhoofd gudste. Ze vlogen over de golven, of ze bezeten waren; aan reven dachten ze niet, en als de boot vol water stond, stuurden ze haar tegen eene hooge baar op, zoodat het water schuimend en bruisend over den achtersteven heenvloog. Zoo mochten ze een uur hebben gevaren, toen het weder bedaarde en ze aan het visschen konden gaan. En zooveel visch vonden ze, dat de bodem der zee er geheel door bedekt was en de loodjes der vischnetten op de bergen van visch bleven liggen. De jongelingen van Udröst haalden slag op slag een net vol op; maar Izaak, schoon hij zijn handwerk verstond als de beste, kreeg geen graatje; telkens als hij zijne netten—’t was zijn eigen tuig—ophaalde, waren de visschen verdwenen. Toen ze de boot vol hadden, keerden ze naar Udröst terug; de jongelingen hingen hun’ buit in ’t drooghuis op, maar Izaak beklaagde zich bij den ouden man, dat het zoo slecht met zijne vangst was gegaan.
De oude verzekerde hem, dat het eene volgende maal beter zou lukken en gaf hem een paar netten, en toen ze weer uit visschen gingen haalde Izaak evenveel op als de anderen, en bij het verdeelen der visch kreeg hij wel drie droogschuren vol visch.
Nu begon Izaak naar huis te verlangen, en toen hij zou vertrekken, schonk hem de oude man eene nieuwe visschersboot met tuig en klaverdoek en andere nuttige dingen. Izaak dankte hem voor zijne goede gaven, en de oude zeide, dat hij maar terug moest komen, als het jacht onder zeil ging; het zou een reisje maken naar Bergen, en dan kon Izaak meegaan en zelf zijne visch verkoopen. Nu, dat wou Izaak graag doen; daarom vroeg hij, welken koers hij moest houden, als hij weer naar Udröst wilde komen. „Volg den aalscholver, wanneer hij zeewaarts vliegt, dan zeilt ge vlak op Udröst aan,” zei de oude. „Goede reis!”
Maar toen Izaak in de boot was geklommen en eens omkeek, zag hij niets meer van Udröst; wijd en zijd was niets te bespeuren dan de zee.
Toen de bepaalde tijd om was, voer Izaak op nieuw naar Udröst, om met het jacht naar Bergen te gaan. Maar zulk een jacht had men nooit gezien: ’t was zoo lang, dat de stuurman, die op den uitkijk stond aan den voorsteven, onmogelijk den kerel te roer kon beroepen; daarom had men midden op ’t vaartuig nog een’ man gezet, vlak bij de mast, die de bevelen van den stuurman naar den achtersteven overbracht, en nog moesten beiden uit alle macht schreeuwen, wilden ze zich doen verstaan.
De visch van Izaak was voorin gelegd; zelf haalde hij ze van de speten, maar,—hoe ’t kwam, daar begreep hij niets van,—zoo snel kon hij ze er niet aftrekken, of telkens kwamen er weer andere visschen voor in de plaats, en toen hij ophield, waren de speten even vol als toen hij begon. Te Bergen aangekomen, verkocht hij zijne visch en zooveel geld kreeg hij er voor, dat hij zich een nieuw jacht kocht met zeil en treil en lading en al; zoo had de oude man hem geraden. Eer hij onder zeil ging, ’s avonds laat, kwam de oude bij hem aan boord en drukte hem op ’t hart, dat hij de kinderen van zijn’ buurman niet zou vergeten, want de buurman zelf was gestorven, naar hij zeide, en hij spelde Izaak zegen en voorspoed met het jacht.
„Al wat in den wind staat, is goed en zal ’t wel uithouden,” zeide hij, en daarmede bedoelde hij, dat er één aan boord was, dien niemand zag, maar die met den rug de mast steunde in storm en noodweer. Sinds dien tijd was ’t geluk altijd met Izaak. Hij wist wel waar dit vandaan kwam en vergat nimmer wat af te zonderen voor hem, die de wacht hield, als hij in ’t najaar met het jacht was thuis gekomen. En elken kerstavond zag men licht in het schip, en werd er de veêl gestreken en gedanst en hoorde men gelach en gescherts in het ruim van het jacht.
II.
DE NIKKERS OP HET „ZAND.”
Een eind zee in, tegenover het eiland Helgoland, ligt een kleine zandbank het „Zand” geheeten; ’t is eene beste plek voor de vischvangst, maar ze is moeilijk te vinden, want ze verandert gedurig van plaats. Maar, wien ’t geluk wil dienen en wie haar vindt, is zeker van eene goede vangst, en buigt hij zich over den rand zijner boot heen, dan ziet hij bij stil, helder weder, eene kleine inzinking van den zeebodem, niet ongelijk aan het spoor, dat een groot, Nordlandsch jacht op de vaart achter zich laat, en eene groote rotsklomp in den vorm van eene droogschuur. Deze zandbank heeft niet altijd op den bodem der zee gelegen. In den ouden tijd was zij een eiland, dat aan een’ rijken Helgolandschen boer toebehoorde; deze had er, tot eene schuilplaats onder het visschen bij opkomend onweer, eene hut gebouwd, grooter en beter dan de meeste elders. Sommige menschen meenen, dat deze zandbank zich somwijlen boven het zeevlak verheft als een vriendelijk eiland. Wat hiervan zij, zeker is ’t, dat het in ouden tijd niet richtig was op dit onbewoonde eiland. Visschers en zeelui verzekerden, dat zij vaak onder ’t voorbijvaren gelach en scherts, muziek en dans hadden gehoord en een geklop en getik, of er een jacht op stapel stond. Daarom bleven ze liefst op een’ afstand, en zoo was er niemand, die er ooit eene levende ziel had aanschouwd.
De rijke boer, waar ik van sprak, had twee zoons, die den naam droegen van Hans Nikolai en Luk-Andries. De oudste was een knaap, uit wien men moeielijk wijs kon worden. Daar was bijna niemand, die behoorlijk met hem over weg kon komen, schoon hij, op ’t punt van geld verdienen, handiger was dan de meeste Nordlanders, die anders in dit opzicht voor niemand behoeven onder te doen.
De ander, Luk-Andries, was driftig en onbezonnen, maar altijd goed geluimd; al liep ’t hem nog zoo tegen, altijd zei hij, dat ’t geluk hem diende. Als hij maar met een arendsjong thuis kwam, deerde ’t hem niet of het bloed hem langs de wangen liep van de wonden, hem door den ouden toegebracht; sloeg zijne boot om, zooals niet zelden gebeurde, en vond men hem op den bodem zitten, doornat en stram van koude, dan antwoordde hij op de vraag, hoe hij ’t had: „Al wel, al wel; het geluk dient me: ik ben gered.”
Toen de vader stierf, waren de broeders reeds volwassen. Op zekeren dag, niet lang daarna, moesten zij naar ’t Zand om eenig vischtuig te halen, dat men er bij den terugkeer van de vischvangst had achtergelaten. Luk-Andries had zijne buks bij zich; die verzelde hem overal, waar hij heenging. ’t Was reeds laat in ’t najaar en geen enkele visscher zwierf meer op zee. Hans Nikolai sprak niet veel onder de vaart, maar hij dacht zooveel te meer. De avond was reeds gevallen, toen zij voor de terugreis gereed waren.
„Wil ik je ’reis wat zeggen, Luk-Andries: ’t wordt noodweer van avond,” sprak Hans Nikolai, terwijl hij zeewaarts tuurde; „ik meen, dat we best zullen doen, hier te blijven tot morgen.”
„Noodweer wordt het niet;” antwoordde Andries, „want de zeven zusters hebben de stormmutsen niet op. ’t Zal wel gaan.”
Maar nu begon de ander te klagen over vermoeidheid, en eindelijk werden zij ’t eens, dat zij den nacht daar zouden overblijven.
Toen Andries ontwaakte, was hij alleen; noch zijn broeder, noch de boot waren ergens te zien; eerst toen hij den top van het eiland had beklommen, bespeurde hij beide heel ver weg; de boot scheen niet grooter dan eene meeuw. Luk-Andries begreep er niets van. De proviandkist was achtergelaten; daarnaast stonden een vat met zure melk, de buks en eenige andere dingen. Andries bekommerde zich niet lang over ’t geval. „Van avond zal hij wel terug komen,” dacht hij en maakte de proviandkist open; „een dwaas, die den moed laat zakken, zoo lang hij nog wat te bikken heeft.” Maar de avond kwam en Hans bleef weg, en Luk-Andries wachtte vergeefs dag aan dag en week aan week. Eindelijk begon hij te vermoeden, dat Hans hem opzettelijk had achtergelaten, om zich zijn erfdeel te kunnen toeëigenen. En zoo was ’t; want toen Hans Nikolai dicht bij huis was gekomen, wist hij ’t zoo aan te leggen, dat de boot omsloeg, en hij vertelde nu, dat Luk-Andries verdronken was.
Maar Andries liet den moed niet zinken; hij zamelde drijfhout op het strand, schoot zeevogels, zocht mosselen en kruiden, maakte zich een vlot van balken en planken en vischte met een’ hengel, dien hij toevallig vond. Op zekeren dag, terwijl hij aan ’t visschen was, bespeurde hij eene kloof of spleet in het zand, alsof daar een groot Nordlandsch jacht had gestaan, en duidelijk ook zag hij sporen van gewonden touwwerk, van de zee tot op den top des heuvels. Zoo, dacht hij bij zich zelven, nu is alle gevaar voorbij; want hij wist thans, dat men geene onwaarheid had gesproken, toen men hem vertelde dat er nikkers op ’t eiland woonden, die er een prachtig jacht op na hielden. „Goddank, dat is goed gezelschap! Ja, ’t is als ik zeg: ’t geluk dient mij,” dacht Andries bij zich zelven; misschien zei hij het ook wel, want hij moest wel behoefte gevoelen nu en dan wat te praten. Zoo leefde hij voort, tot de winter inviel. Eens zag hij eene boot; hij zette eene vlag op een’ stok en zwaaide er mee; maar op ’t zelfde oogenblik liet men het zeil vallen, de bootslui zetten zich aan de riemen en roeiden heen, zoo spoedig ze konden. Ze meenden, dat het nikkers waren, die hen daar met de vlag wenkten.
Op kerstavond hoorde Andries vioolspel en allerlei muziek ver in zee; toen hij naar buiten trad, zag hij een licht schijnen: het bevond zich op een groot Nordlandsch jacht, dat het strand naderde. Maar zulk een jacht had niemand ooit gezien! Het had een reusachtig razeil, zoo glinsterend of het van zijde was; takels en touwen, zoo dun of ze van ijzerdraad waren gemaakt, en zoo was ’t al pracht en heerlijkheid, wat men er aan zag. Het dek stond vol mannetjes en vrouwtjes, met blauwe kleeren aan, en aan het roer zag hij eene vrouw, zoo sierlijk uitgedost als eene bruid of eene koningin; ze droeg eene kroon op het hoofd en had de kostelijkste kleederen aan. Maar één ding zag Andries duidelijk: dat zij een mensch was; want zij was veel grooter en ook veel mooier dan de nikkers; ja, Luk-Andries vond haar mooier dan alle meisjes, die hij van zijn leven had gezien. ’t Jacht zeilde regelrecht op de plek af, waar Andries stond; maar zonder zich lang te bedenken, liep hij naar de hut, rukte het geweer van den wand, kroop boven in het drooghuis, en wist zich hier zoo te verschuilen, dat niemand hem kon bemerken, terwijl hij alles kon waarnemen, wat er voorviel. Weldra was het gansche vertrek gevuld; maar de stroom van bezoekers ging nog altijd voort. Nu begonnen de wanden te kraken, en de hut zette zich uit, en alles begon er van binnen zóó prachtig uit te zien, of men bij den rijksten koopman in huis komt; ’t was er haast zoo mooi, als in het slot van een’ koning. Daar werden tafels aangericht met de kostelijkste spijzen, en borden en schotels, alles was van louter zilver of goud. Na het eten ging men dansen. Toen kroop Luk-Andries door het rookgat, aan den eenen kant van ’t dak, naar buiten en klauterde omlaag. Daarop snelde hij naar ’t jacht, wierp zijn vuurstaal er overheen en sneed er, tot meerdere zekerheid, met zijn zakmes een kruis in. Toen hij terugkeerde, was de dans in vollen gang: zelfs de tafels dansten, en de banken en de stoelen en al wat er in het vertrek was danste mee. De eenige, die niet danste, was de bruid; zij zat stil rond te kijken, en wanneer de bruidegom haar in den kring wilde voeren, stiet ze hem van zich. Maar overigens ontbrak er niets; de speelman hield niet op, om den vedel te stemmen of zoo iets, maar speelde onafgebroken voort en trapte de maat met den voet, tot het zweet hem langs het gelaat gudste en hij door stof en rook zijn eigen veêl niet meer kon zien. Toen Andries voelde, dat ook hij de voeten niet meer stil kon houden, zeide hij bij zich zelven: „Nu dien ik los te branden, anders speelt hij mij ook nog van den grond.” Daarop stak hij het geweer door een vensterraam en schoot het af boven het hoofd der bruid, maar verkeerdom: anders had de kogel hem zelf getroffen. Zoodra het schot werd gehoord, tuimelden alle nikkers over elkander heen en de deur uit, maar toen zij zagen dat het jacht vastlag, begonnen zij vreeselijk te jammeren en kropen in eene opening van den heuvel. Maar al het gouden en zilveren geraad lieten ze achter en de bruid ook; die zat nog altijd op hare plaats, maar scheen langzamerhand tot zich zelve te komen. Zij vertelde nu aan Luk-Andries, dat de nikkers haar in den berg hadden gesleept, toen ze nog een klein kind was.
Eens ging hare moeder uit, om de koeien te melken en nam haar mede. Toen de moeder naar huis moest om iets te halen, was zij alleen op het veld blijven zitten bij eene bessenstruik; daarvan mocht ze zooveel eten als haar lustte, mits ze telkens driemaal achtereen zeide:
„Blauwe bessen eet ik,
Door Jezus’ kruis behoed;
Roode bessen eet ik.
Geverfd door Jezus’ bloed.”
Maar toen moeder weg was, vond zij zooveel bessen, dat zij het rijmpje vergat, en toen verschenen de nikkers, die haar in den berg sleepten. Geen leed hadden ze haar gedaan, dan dat ze haar het laatste lid van de linkerpink afsneden, en ze kon krijgen wat haar hart begeerde; maar toch was ze nooit op haar gemak geweest, zeide ze; ’t was of ze altijd pijn voelde, en vooral was ze geplaagd en gekweld door de genegenheid van den nikker, wiens vrouw ze moest worden. Toen Andries vernam, wie hare moeder was en waar ze thuis hoorde, bemerkte hij dat ze nog familie van hem was, en—„weldra wisten ze ’t met hun beidjes,” als men zegt. Toen mocht Andries met recht zeggen, dat het geluk hem had gediend. En ze gingen naar huis en namen het jacht mede en al het goud en zilver en de kostbaarheden, die in de hut waren achtergebleven, zoodat Andries veel en veel rijker werd dan zijn broeder.
Maar Hans, die wel vermoedde hoe Andries aan al dien rijkdom was gekomen, wou niet minder rijk zijn. Hij wist, dat de heksen en nikkers op kerstavond voor den dag plegen te komen, en daarom trok hij tegen dien tijd naar het Zand. Op den bepaalden avond zag hij dan ook vlammen en licht, maar het leken wel dwaallichtjes. Toen de nikkers naderbij kwamen, hoorde hij geplas in het water en een afschuwelijk gehuil en gebrul, terwijl een kille zeewind hem in het gezicht woei. Verschrikt vloog hij naar de hut, terwijl de nikkers aan land stapten. Ze waren kort en dik als hooiroken, hadden mantels om van vellen en groote wanten aan, die bijna op den grond hingen. In plaats van een hoofd en haren zag men niets dan een bos zeetang. Terwijl zij het strand overliepen, dansten er eene menigte dwaallichtjes achter hen aan, en als ze zich maar even bewogen, spatten er vonken om hen heen. Eer ze nog bij de hut waren gekomen, zat Hans reeds in het drooghuis, evenals zijn broeder had gedaan. De nikkers droegen een’ grooten steen naar binnen en sloegen daarop hunne wanten droog, terwijl ze nu en dan zoo akelig schreeuwden, dat Hans er van huiverde. Daarna begon een van hen vuur aan te maken, terwijl de anderen ruwe stukken drijfhout binnenbrachten, zoo zwaar als lood. Hans kreeg ’t zoo benauwd door den rook en de hitte, dat hij dreigde te stikken; om frissche lucht te krijgen, beproefde hij door het rookgat naar buiten te komen, maar daar hij grover van lijf en leden was dan zijn broeder, bleef hij in de opening vastzitten, zoodat hij op noch neer kon. Nu had hij het nog minder naar zijn’ zin; hij begon te schreeuwen dat het een’ aard had, maar de nikkers schreeuwden nog harder en huilden en dansten en klopten van binnen en van buiten. Maar zoodra de haan begon te kraaien, waren ze verdwenen, en nu raakte Hans ook los. Toen hij van zijn reisje thuis kwam was hij zinneloos geworden, en sinds dien tijd hoorden de menschen hem vaak op zolders of in schuren, waar hij zich alleen bevond, dezelfde akelige, huiveringwekkende kreten slaken, die men in Nordland aan de nikkers toeschrijft. Vóór zijn’ dood kreeg hij nogtans het verstand terug en, naar men zegt, werd hij ook in gewijden grond begraven. Maar na Hans heeft niemand weer een’ voet gezet op ’t Zand. Het zonk weg in de diepte, en de nikkers moeten naar de Lekangeilanden zijn verhuisd. Andries bleef ’t welgaan; geen jacht deed voorspoediger reizen dan het zijne, maar zoodra hij bij de Lekangeilanden kwam, werd het bladstil; dan kwamen de nikkers naar het strand of aan boord met hunne waren. Eene poos later stak er dan altijd een voorspoedige wind op, ’t zij hij naar Bergen of naar huis voer. Hij kreeg een huis vol kinderen, en ze waren allen gezond en sterk, maar allen misten het laatste lid van de linkerpink.