WeRead Powered by ReaderPub
Noorsche Volksvertellingen cover

Noorsche Volksvertellingen

Chapter 5: DE KONING VAN DEN EGEBERG.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A curated collection of traditional folk tales and legends that evokes rural and coastal life through vivid descriptions of landscape, seasonal labor, and hearthside storytelling. Narratives range from uncanny encounters with hidden folk and shape‑shifting witches to sea‑related episodes, local sagas, and moral parables, often framed by atmospheric sketches and brief editorial remarks on origins and parallels. The volume balances eerie supernatural incidents with homely anecdotes, tracing themes of nature, fate, and communal belief while retaining the oral cadence and regional color of the source tradition.

DE KONING VAN DEN EGEBERG.

In mijne jeugd plachten wij—eenige makkers en ik—elken zondagmiddag naar den Egeberg te gaan. De heele week verlangden we met ongeduld naar dien achtermiddag, den eenigen, dien we in de open lucht konden doorbrengen; naar de geurige hagedoorntakken, die we zouden afbreken; naar de wilgen fluitjes, die wij zouden maken; naar de blinkende bergkristallen, die wij zouden vinden, en de zoete aardbeziën, die wij zouden plukken. Toen wij ouder werden, lieten we wel de wilgen vredig staan en ontroofden den heggen haar sieraad niet meer; maar nu en dan herhaalden we toch onze uitstapjes, en op de velden van den Egeberg maakten we vroolijk jacht op den fraaigevleugelden Apollo, of wij snelden de dorre vlakte om den bouwvalligen wachttoren rond, om den ridderlijken Machaon te vangen, die in zijne luchte vaart meermalen ons geduld op eene zware proef stelde. Wat intusschen den Egeberg vooral zoo aantrekkelijk voor mij maakte, waren noch de geurige hagen, noch de purperkleurige Apollo of de zwavelgele Machaon, maar de romantische geheimzinnigheid, die van mijne vroegste jeugd af aan mij in dit oord omzweefde; de wensch, hier ook iets wonderbaars te zien en te hooren; de gedachte aan al de heerlijkheid, die binnen deze ruwe steenklompen was verborgen, aan de geheimzinnige wezens, welke de sage in ’t binnenste van den berg hield opgesloten en waarvan ik niet recht wist, of ze al dan niet bestonden.

De verhalen omtrent den koning van den Egeberg, zijn slot en zijn hof, zijn meer en meer verstomd, maar van ’t geen ik in mijne kindsheid hoorde, leeft nog een en ander in mijne herinnering. In de volgende vertelling heb ik ’t een nieuw leven trachten te schenken.


Een halve eeuw geleden was de Egeberg niet zoo bebouwd als in onzen tijd. Hij was bedekt met bosschen en struiken, en men zag er geene andere woningen dan de oude gebouwen van de Egeberghoeve tegen den top, en eene kleine roode hut nabij den voet, aan de linkerzijde van den weg, waar deze zich rechts naar de hoeve wendt. Die hut heette de Sving. Tegenwoordig ziet men er een veel voornamer gebouw, waar des zomers danspartijen worden gegeven en waarin men ververschingslokalen vindt voor de „jongeheeren”, die in ’t begin van den zomer tegen den avond hierheen trekken „om den koekoek te hooren.”

In die kleine hut woonde in den tijd, waarvan ik sprak, eene oude vrouw, die boodschappen deed voor de menschen en moeite had op die wijze door de wereld te komen. Eens, toen zij water had gehaald, zat er eene groote, dikke padde op den weg, dien zij langs kwam.

„Ga uit den weg voor mij, dan zal ik vroêmoer zijn, als je in ’t kinderbed ligt,” zei ze schertsend tot de padde, en—oogenblikkelijk kroop ’t dier heen, zoo spoedig ’t maar kon.

Eenigen tijd later, toen de oude vrouw ’s avonds uit de stad was gekomen en bij den haard zat te spinnen, kwam er een vreemde man binnen.

„Hoor eens,” zei hij, „mijne vrouw is zwanger en ’t zal gauw haar tijd zijn. Wilt gij haar helpen, zooals ge beloofd hebt, dan zal ’t u niet berouwen.”

„De hemel beware me,” zei de best, „dat kan ik niet; ik weet er niets van.”

„Ja, ge kunt het wel; want gij hebt ’t haar beloofd,” zei de man.

De best kon zich maar niet herinneren, dat zij aan iemand ter wereld beloofd had, vroêmoer te zijn; dat verzekerde zij hem, maar de man hernam:

„Beloofd hebt gij ’t, want de padde, die vóór u op den weg zat, toen ge om water uitwaart, was mijne vrouw. Wilt ge haar helpen,” vervolgde de man, die zij nu begreep, dat niemand anders was dan de koning van den Egeberg, „dan zal ’t u niet rouwen; ik zal u goed betalen, maar gij moogt het geld, dat ik u geef, niet verkwisten; aan niemand moogt gij ’t wegschenken, wie er u ook om vraagt, en gij moogt er in ’t geheel niet van spreken; geen woord moogt gij er u van laten ontvallen, tegen wien ook.”

„Neen, drommels!” zei ze, „zwijgen kan ik zoo goed als de beste; bericht mij maar wanneer ik moet komen, en ik zal haar helpen zoo goed ik kan.”

Daar verliep eenige tijd, totdat de man op zekeren nacht de best vroeg hem te volgen. Zij stond op en maakte zich gereed; hij liep voor haar uit, en eer zij recht wist, waar ze was of waarheen ze ging, was zij binnen in den berg, waar de koningin in barensnood lag. Het vertrek zag er zeer voornaam uit, ’t leek wel de groote zaal van een kasteel, en nooit in haar leven had de oude zooveel pracht gezien.

Maar toen zij goed en wel binnen waren, zette de man zich op een’ stoel en kneep de handen samen over de knieën, en wanneer een man zoo gaat zitten, kan eene vrouw onmogelijk verlost worden; dat wist de oude zeer goed. Daarom beproefden zoowel zij als de koningin hem tot opstaan te bewegen; telkens verzochten zij hem, nu dit, dan dat te gaan halen; maar waar hij zat, daar zat hij en verroerde zich niet. Eindelijk kreeg de vroêmoer een’ inval.

„Ze is gelukkig verlost,” zei ze op eens tot den koning. „Hoe is dat mogelijk?” borst deze uit en sprong vol verbazing op. Op ’t zelfde oogenblik legde de christenvrouw de hand op de koningin, en dadelijk was zij verlost.

Terwijl de man naar buiten ging om waschwater voor ’t wicht te halen, zei de kraamvrouw tot de best:

„Mijn gemaal is u nu zeer erkentelijk, maar, wanneer gij heengaat, zal hij u trachten te dooden, want hij kan zijn aard niet verloochenen; trek daarom snel de deur achter u toe, als gij vertrekt; dan mislukt zijn plan.”

Nadat het kind was gewasschen en gekleed, zond de koningin de oude naar de keuken om eene kruik met zalf te halen, ten einde het de ooren te smeren. Maar van zulk eene keuken en van zulk keukengeraad had zij nog nooit de wedergade gezien! Langs den wand hingen in rekken de prachtigste schotels en borden, en aan den zolder hingen pannen, ketels en potten, alles van louter zilver en zoo blank. dat de wanden er van schitterden.

Maar men kan zich niet voorstellen hoe verbaasd zij stond te kijken, toen zij hier haar eigen dienstmeisje zag staan, die in een’ handmolen koren fijnmaalde. Zij nam eene schaar en knipte een stuk uit het schort der dienstmaagd, zonder dat deze ’t merkte, en verborg dit.

Toen zij zou vertrekken, herinnerde zij zich wat de kraamvrouw had gezegd en smeet de deur achter zich toe. Op ’t zelfde oogenblik wierp de koning haar een’ gloeienden bezemsteel na, waar ’t vuur afvloog.

„Trof ik u?” schreeuwde hij.

„Neen,” riep de best.

„Dat is gelukkig!” klonk het antwoord.

De zon stond reeds hoog aan den hemel, toen de oude thuis kwam, maar het dienstmeisje, dat altijd klaagde over pijn in den rug en vermoeidheid, sliep nog en kreunde in den slaap. Zij wekte haar en vroeg:

„Waar zijt gij van nacht geweest?”

„Ik, vrouw?” zei ’t meisje; „ik ben nergens geweest, zoover ik weet, dan hier in mijn bed.”

„Neen, dat weet ik beter,” hernam de oude vrouw; „dezen lap heb ik van nacht in den berg uit uw schort geknipt; gij ziet, dat hij nauwkeurig past. Maar zoo is tegenwoordig de jonkheid; vroeger lazen de menschen hun avondgebed en zongen een’ psalm, eer zij naar bed gingen: dan hadden de booze geesten geen macht over hen;—en gij moogt onzen Lieven Heer ook wel beter voor oogen houden, want ge begrijpt, dat ge wel zwak en klein moet blijven en pijn in den rug lijden, en dat ik niet veel dienst van u kan hebben, als gij ’s nachts voor hen moet werken.”

Van den dag af, dat de oude vrouw vroêmoer was geweest bij de koningin, vond zij elken morgen een hoop zilvergeld voor hare deur, en ’t ging haar nu zoo goed, dat ze er weldra warmpjes in zat. Maar eens geviel het, dat eene heel arme vrouw haar heur’ nood klaagde.

„Och wat!” zei ze, dat heeft zoo veel niet te beteekenen; als ik maar wilde, dan kostte ’t mij volstrekt geen moeite u te helpen; want die wat doet, die wat wint; dien ik geholpen heb, helpt mij ook weer.” Maar sinds dien dag vond zij geen’ enkelen schelling meer voor hare deur en ’t geld, dat zij bezat, was als weggeblazen. Op nieuw moest zij nu den korf op den rug nemen en naar de stad loopen in zonneschijn en regen.

Niet altijd intusschen ging de koning van den Egeberg uit ter wille van zijne vrouw; soms had hij eigen zaken te verrichten. Dan liep hij de meisjes uit de stad na, wanneer zij op zon- en feestdagen in de kloven en op de velden van den berg zich vermaakten of ’t bosch ingingen om bessen te zoeken. Meestal zag hij er uit als een onoogelijk verschrompeld mannetje met roode oogen, maar als hij fortuin wilde maken, nam hij de gedaante aan van Bernt Ankers en vertoonde zich als een knap bejaard man met eene ster op de borst. Dat was intusschen niets dan gezichtsbedrog; hij was en bleef de oude, leelijke, roodoogige toovenaar, en dit bleek ook wel uit zijn kroost: hij kreeg nooit anders dan de mismaaktste kinderen, echte schreeuwleelijkerds met groote hoofden en roode oogen, die de ouders zoo spoedig mogelijk zochten kwijt te raken en die dan door de berggeesten, de gehoorzame dienaren en onderzaten van dit waardige koninklijke paar, te vondeling werden gelegd.

Te dien tijde stonden namelijk de geesten van den Egeberg in den kwaden roep, dat zij welgemaakte, mooie menschenkinderen stalen van de bewoners van Grönland, Enerhaug en voornamelijk van Gamleby, en dan wisselwichten daarvoor in de plaats legden, en die kinderroof en kinderruil ging zoover, dat ze geen hulp genoeg hadden ze alle op te kweeken; daarom stalen zij ook kindermeiden en vaak hielden ze die altijd bij zich. Maar eens hadden zij een meisje van Gamleby weggevoerd, dat gelukkiger was dan hare zusters. Een jaar lang was zij in den berg geweest en had al dien tijd een lief menschenkind verzorgd, toen zij wist te ontsnappen. Of men de klokken voor haar had geluid, of ze hare schoenen verkeerd om had neergezet; of ze zich had verpraat of eene naald in haar hemd gevonden, dat herinner ik me niet meer; genoeg, zij liep weg en sinds vertelde zij aan Jan en alleman, hoe fraai en ruim ’t in den Egeberg was, hoeveel knappe lui daar woonden, hoe ze hun best hadden gedaan haar daar te houden, en welk een’ lieven jongen zij had opgepast.

Elken morgen, hadden de berggeesten gelast, moest zij de oogen van ’t kind bestrijken met eene zalf, waarvan eene kruik vol in de keuken hing; maar, hadden zij er bijgevoegd, zij moest zich wel wachten de zalf te dicht bij hare eigen oogen te brengen. Zij begreep echter volstrekt niet, waartoe dit moest dienen, want ’t kind bezat de mooiste oogen, die men ooit had gezien, en eens, toen de meesteres niet in de keuken was, had zij daarom wat van de zalf over haar rechter oog gesmeerd.

Een halfjaar nadat zij den berg had verlaten, moest dit meisje een of ander koopen in den winkel van Bjerkenbusch op den hoek van de hoofdstraat en de markt. En zie—daar stond het oude wijf uit den berg, bij wie ze kindermeid was geweest, bij de toonbank en stal rijst uit eene lade, zonder dat iemand haar scheen op te merken.

„Goên dag, moeder, moet ik je hier weer zien?” zei ’t meisje; „hoe gaat het met uw kind?”

„Kun-je mij zien?” vroeg de vrouw verbaasd.

„Wel ja, waarom niet?” antwoordde ’t meisje.

„Met welk oog zie-je me dan?” vroeg het bergwijf.

„Wacht eens—met het rechter,” hernam ’t meisje, terwijl ze met de oogen knipte.

Op eens spuwde ’t wijf haar in ’t oog en van dien tijd af kon ’t meisje haar noch iemand anders daarmee zien; zij was en bleef blind aan ’t rechter oog.

Schoon er in onzen tijd gewis geen gebrek is aan dikhoofdige kinders, in Grönland zoo min als in Gamleby, hoort men toch niet meer van den kinderroof der geesten van den Egeberg. Vooreerst namelijk is de verlichting zoo hoog gestegen, dat men, in plaats van de wisselkinderen drie donderdagavonden achtereen op de vuilnishoop te geeselen of ze met eene gloeiende tang in den neus te knijpen, zooals in vroeger dagen de gewoonte was, nu door moeder Torgersen of eene andere vrouwelijke duivelbanner lood laat smelten boven ’t wicht, om het te vrijwaren tegen de engelsche ziekte of andere hekserij. Of ook, men zendt een van de doeken waarmee ’t gebakerd wordt, naar Stine Bredvolden, die zoo knap is, dat ze daaruit de kwalen, ja de heele toekomst van ’t kind kan lezen en zoo uitspraak doet over leven en dood. En voor ’t overige is de koning van den Egeberg met zijne onderdanen verhuisd; want het onophoudelijk trommelen en schieten in den laatsten oorlog, het rammelen der geschut- en bagagewagens, die met donderend geraas over het dak van ’t paleis rolden en de zilveren vaten langs de wanden deden rinkelen, maakten hem ’t verblijf in den berg moede.

Op zekeren nacht van het jaar ’14 werd hij voor ’t laatst gezien; hij voerde al zijne roerende have en eene groote kudde bonte koeien met zich.

„Hemel, waar moet gij nog zoo laat heen in dezen gevaarlijken tijd met zooveel huisraad en zoo’n groote kudde?” vroeg de man, die hem ontmoette.

„Ik ga verhuizen naar den Kongsberg, bij mijn broeder,” antwoordde de koning; „want ik kan dat schieten en dat geraas niet langer uitstaan,”—en sedert heeft men hem nimmer meer gezien.

VAN „FJELD EN SAETER.”

Ditmaal zult gij mij niet ontkomen, mejuffer. Reeds lang hebt ge beloofd mij uw uitstapje naar den Saeter te verhalen en thans zijt gij er te eer toe gehouden, daar het onze in het water dreigt te vallen.

Een blik uit het venster der pastorie bekrachtigde maar al te zeer deze laatste opmerking. De hemel, die ons in den vroegen morgen het prachtigste weer had voorspeld, bevestigde mijne oude ervaring, dat er alleen op een’ helderen avond te rekenen valt. De eene bui na de andere viel kletterend neer op de hooge boomen, en naar alle waarschijnlijkheid zou de regen den ganschen dag aanhouden, al verzekerde ook de kleine Trine, die gedurig uit- en invloog, dat de lucht, nu eens in ’t oosten en dan weer in ’t westen, opklaarde, en dat we nog wel vóór den middag zouden kunnen uitgaan.

„En daarom, beste juffer,—ik ben louter gehoor.”

„Meent gij dan, dat ik u iets zal vertellen, mijnheer Asbjörnsen? Ik ben er achter gekomen, dat gij u niet, als iedereen, vergenoegt met te luisteren naar wat men u vertelt, maar dat ook opschrijft en ’t laat drukken. Daarom behoef ik mijne belofte niet te houden.”

„Ik zweer u, dat ik, wat ge mij nu zult vertellen, nergens zal laten drukken,” antwoordde ik.

„Buitendien gebeurde er niets bijzonders op dat uitstapje. ’t Was aardig, ’t was verrukkelijk—ziedaar alles. Maar nu spijt ’t mij geducht, dat ik er u ooit van gesproken heb.”

„Uw toestand is zeker deerniswaard genoeg; intusschen, daar ge uw woord hebt gegeven....

„Daarenboven,” viel ze mij in de rede, „wat beteekent eene schrale herinnering, nu gij zelf de hoop koestert zulk een uitstapje te doen; wat is een flauw beeld bij de levende werkelijkheid? ’t Is alsof men, in plaats van een concert te hooren, eene recensie van eene muziekuitvoering leest. En ’t zou mij niet verwonderen, als de nikker, die ons vandaag zulk eene poets speelt, het hoofd uit de proviandkorf stak en ons uitlachte.

Ik slaakte eene zucht over de vasthoudendheid der dames aan een eenmaal opgevat voornemen, terwijl ik heimelijk den overvloed van argumenten moest bewonderen, die haar steeds ten dienste staan en die, zoolang men ten minste tegenover haar zit, overtuigend genoeg zijn.

„Zulke vertellingen,” vervolgde zij, terwijl ze Marat op den hals klopte, die, niet minder mismoedig dan wij, met hangende ooren aan onze voeten lag, „zulke vertellingen behooren buitendien in ’t hoekje van den haard te huis.”

„Maar, lieve hemel, mejuffer, toen ik u verleden winter er om verzocht, beweerdet gij juist, dat zij alleen ’s zomers moesten verhaald worden. Maar, laten wij, in plaats van hierover te kibbelen, ons vereenigen tegen de booze geesten, die ons plagen. Wij willen hen met rust laten en van ons uitstapje afzien, dan zult gij merken, dat ’t weder opklaart, eer wij er aan denken.”

„Ja, en wanneer de regen over is, toch heen gaan, niet waar?” vervolgde zij lachend. „’t Kon werkelijk de moeite waard zijn, uw’ raad te beproeven!—Welnu, ’t zou dwaas van mij zijn, me langer te laten bidden; luister dus, en gij zult hooren, dat uw verlangen naar mijn verhaal kwalijk gerechtvaardigd wordt.”

„Op een’ zomerdag, terwijl ik op den Saeter logeerde, gingen Trine en ik met een der Saetermeisjes naar buiten om braambeziën te zoeken. Het was een heldere dag en geen windje deed zich hooren. ’t Had den vorigen dag geregend en de lucht om den berg was zuiver en klaar. In de kloven en tusschen de steenen wiesen eene menigte planten met groote, witte, welriekende bloemtrossen. Woudhoenders vlogen op voor onze voeten en zochten angstig naar hunne jongen tusschen de wilgen en ’t jonge berkenhout.

„Toen wij bij de marschvlakte kwamen, waar de bessen groeien, zagen wij den grond bedekt met roode en gele vruchten, en aan de kanten en op de heuvels stonden eene menigte bloemen met zulke fraaie kleuren, als ik nog nooit had gezien; zij vervulden de lucht met de heerlijkste geuren. O, ’t was zoo zoet, die lucht in te ademen en de kleine Trine was zoo blij: ze vloog van de eene bloem naar de andere en klapte in de handjes en werd niet moede de bloemen te plukken en te bewonderen. En Brita praatte over hare koeien en geiten en over de rendieren, die zij had gezien, en vertelde eene menigte sprookjes en wonderlijke dingen van fjeld en saeter. Onder hare vertellingen en haar vriendelijk gesnap waren onze korfjes van berkenschors spoedig gevuld met braambessen en bloemen, en weldra begonnen wij aan terugkeeren te denken. Eerst nog zetten we ons wat neder in ’t frissche gras bij een wachttoren op een’ kleinen heuvel. Ter linkerzijde, een weinig achter ons, lag eene groep hooge bergspitsen met glinsterende sneeuw bedekt. Trine zei heel aardig, dat ze precies blauwe zakjes met suiker geleken, met gaten er in om de suiker te laten doorschijnen. Brita vertelde ons, dat het de Rondertoppen waren, en toen ik voorsloeg er heen te gaan, dat ze meer dan eene mijl van ons verwijderd lagen; mij schenen ze nog geen duizend el ver.

Naar ’t westen en noorden stapelde zich bergrug op bergrug, altijd hooger, in allerlei grillige vormen, met blauwe en violette toppen van de meest verschillende gedaante. Brita kende ze alle bij name en vertelde ons, dat ze in Valders, Lom en naar den kant van Sogn lagen. Maar aan onzen voet strekte zich tot op verren afstand een landschap uit van een gansch ander voorkomen: groote, bruine en grauwgroene vlakten, met heidekruid en mos bedekt, verlaten, eentonig, door geen’ enkelen heuvel afgebroken, door geen enkel levend wezen bewoond. Nooit had ik zulk eene grootsche woestenij, zulk eene verheven armoede aanschouwd. Toch stemde mij ’t gezicht daarvan treurig, ja bijna neerslachtig. Een bruin gespikkelde vogel vloog naar den heuvel in onze nabijheid en begon te fluiten. Maar zijne tonen klonken zóó klagend, zóó weemoedig, als of het dier wilde weergeven, wat ik op dat oogenblik gevoelde.

Brita en Trine hadden den heelen tijd te zamen gesnapt. Ik begon nu naar haar gekeuvel te luisteren.

„Hoe heet dit wachthuis, Brita?” vroeg Trine, „noemt men het niet de heksenwacht?”

„Ja, zoo noemen de menschen het gewoonlijk; eenige mannen hebben het gebouwd, omdat zij hier al heel wonderlijke dingen zagen gebeuren.”

„’t Waren Paul Braekke, een boerenknecht bij Sell vandaan en eenige andere arbeiders. De melksters hadden allen, tegen ’t najaar, met het vee den Saeter verlaten en de arbeiders moesten nu mos halen tot wintervoeder. Terwijl ze ’t mos naar de berghelling brachten, kwamen er op eens tal van jonkvrouwen aanzweven, zoo heerlijk uitgedost, dat zij een’ bruidsstoet waanden te zien en de oogen bijna niet dorsten opslaan. Hare lange slepende kleederen glinsterden in de zon, of ze van zijde waren, en op ’t hoofd droegen zij zilveren kronen en andere sieraden. Zoolang de mannen haar stonden aan te staren, stonden ook zij stil of zweefden heen en weer, maar toen zij voortgingen met hun’ arbeid, volgden de jonkvrouwen hun voorbeeld. Of de mannen haar met mos wierpen, daar stoorden ze zich niet aan. En telkens als Paul en zijne makkers de plek naderden, waar zij de jonkvrouwen zagen, waren ze verdwenen, maar als zij dan weer op de plaats waren gekomen, waar ’t mos werd verzameld, dan zagen ze haar op nieuw en zoo duurde dit den ganschen dag.

In ’t voorjaar waren twee dezer mannen met nog een’ derden even benoorden Valfjeld geweest om rijshout te hakken. In ’t middaguur, nadat zij hadden gegeten, vielen twee van hen in slaap, terwijl de derde nog zijn middagmaal zat te gebruiken. Daar hoorden ze op eens zulk een verrukkelijk vioolspel, als ze nog nooit hadden vernomen; zij spraken er met elkander over en hielden zich dus stellig overtuigd, dat ze niet langer sliepen. Meer dan eens klonken hun die heerlijke tonen in het oor en een van hen „neuriede”, naar Brita verzekerde, „nog lang daarna de wijs van ’t lied zoodat men niet aan de werkelijkheid van ’t gebeurde kon twijfelen.”

Nog veel meer wist Brita te verhalen van de aardgeesten en de Huldren, maar in zooverre stond ze reeds onder de macht der zoogenaamde verlichting, dat zij niet gaarne uitkwam voor haar geloof aan deze natuurmachten. Wanneer eene van ons beiden tegenwerpingen maakte, verdroot haar dit; dan beriep ze zich soms op hare eigene ervaring en vertelde daarvan een of ander, maar meestal zweeg ze stil! ’t Was er verre vandaan, dat ik de opgeruimdheid, die hare vertellingen eene frissche levendigheid bijzette, wilde verjagen; daarom gaf ik Trine een wenk met de oogen en zei: „Maar wie zou er twijfelen aan de waarheid van dat alles? Wil ik eens wat vertellen, dat nog veel zonderlinger schijnt? ’t Heugt je wis nog, dat ik voor twee jaar mijn’ oom in ’t Hallingdal heb bezocht? Daar ontmoette ik een oud man van bijna honderd jaar, van wien men verhaalde, dat hij in de macht der Huldren stond. Hij had eene zwakke borst en zag er vervallen en gebrekkig uit. Zijn blik was dof en wezenloos en soms scheen het, dat hem alle bewustzijn ontbrak. In zijne jonge jaren was hij eens bij den aanvang des zomers naar den Saeter getrokken. Nu geviel ’t, dat hij op zekeren dag onder boos weer den berg op moest in plaats van den veehoeder. ’s Avonds kwam de kudde naar den stal terug, maar Ole was verdwenen. Men ging hem zoeken, heinde en ver, men loste schoten en luidde de kerkklok, maar hij kwam niet terug. Hij was door de berggeesten weggevoerd en dezen wilden hem niet loslaten. Vooral eene jonge schoone Hulder hing hem met trouwe liefde aan. Zij was altijd vriendelijk jegens hem, deed alles om hem te behagen en leerde hem op de mondharp spelen. Zoo fraai heeft gewis nimmer iemand op dit eenvoudige instrument gespeeld als de oude Ole. En hij bracht die heerlijke tonen niet, als gewoonlijk, voornamelijk met de vingers voort, maar alleen met den mond. Eens heb ik hem gehoord. Zijn spel herinnerde mij nu eens aan ’t gekweel der vogelen, dan weer aan ’t klagend gefluit van de bergvink of aan de tonen van de herdersfluit op een’ zomeravond, en zoo sterk greep ’t mij aan, dat de tranen mij in de oogen schoten.

Maar Ole meende, dat de mooie Hulder een’ afschuwelijken koestaart had, en daarom wilde hij niet bij haar blijven. Eens borst hij uit: „Wanneer, in Jezus’ naam, zal ik toch weer onder christenmenschen komen?” Toen begon de Hulder te schreien en zei, dat hij nu een’ naam had genoemd, dien zij niet kon uitspreken en ’t haar nu ook onmogelijk was hem langer vast te houden;—„maar houd u wat ter zijde van de deur, als ge heengaat, anders doet vader u kwaad,” voegde zij er bij.

In de blijdschap over zijne verlossing, lette hij daar niet op en terwijl hij zich heenspoedde, werd hem een brandend bos rijshout nageworpen, waar vuur en vonken uitvlogen. Toen was ’t hem, of al zijne leden werden stuk geslagen. En sinds dien dag was hij nimmer meer gezond en was hij ook niet recht bij ’t hoofd. Maar waar hij ging of stond, overal volgde hem ’t mooie Huldermeisje. Wanneer hij ’s avonds alleen bij den haard zat, zag hij haar dikwijls.

„Gyri Arendshoofd, ik zie u wel!” riep hij dan. „Daar is zij, ziet ge haar niet?” vroeg hij den kinderen. Dezen bespeurden niets; maar eene huivering voer hun dan door de leden.

„En nu is ’t uwe beurt, Brita,” zei Trine, die mijn wenk had begrepen. „Gij zult toch ook wel eens de Huldren hebben gezien of gehoord. Vertel ons daar wat van.”

„Ja, dat heb ik,” antwoordde Brita; „ik spreek er liefst niet van, maar u kan ik ’t wel vertellen. Ik was nog bij mijne ouders tehuis en vader was op den molen in ’t gebergte. Ik was eene kleine dreumes en had nog niet eens leeren lezen. Moeder had mij gelast eten naar den molen te brengen. Ik was zoo dartel als een geitje en wanneer ik den berg maar op mocht, al was ’t niet verder dan tot het einde van ’t bosch, dan was ik overgelukkig. Ik vertrok en sprong door de weiden de helling op; ’t was heel warm en toen ik een goed eind weegs had afgelegd, werd ik moede. Ik wierp mij op eene groene plek neder, in de koele schaduw, en had tusschen de boomen door een ruim uitzicht. ’t Was achtermiddag en de zon was bijna achter den berg verdwenen. Op eens werd ik heel slaperig, maar deed mijn best wakker te blijven. Daar hoorde ik een’ hond blaffen en klokjes luiden, zoo helder of ze van zilver waren, en heel in de verte werd op de herdersfluit geblazen, dat ’t weerklonk in ’t bosch en op den berg.

Eene poos daarna zag ik verscheidene lastdieren naderen met ketels, melkvaten, boterkruiken en gereedschappen van allerlei slag op den rug, en daar achter eene kudde grijskleurige ossen en groote bonte koeien, zoo mooi en vet, als ik ze nimmer had gezien. En op de horens droegen zij gouden knoppen en om den hals zilveren bellen en vooraan liep eene groote vrouw met eene herdersfluit in de hand en eene melknap met zilveren banden; zij praatte met de koeien en noemde ze bij den naam. Maar zulke koeienamen had ik van mijn leven nog niet gehoord! Zóó begon ze te zingen:

HULDERLIED.

Toen de kudde voorbij was, stond ik op om te zien, waar zij heen trok, maar ik zag niets dan den herdershond en een meisje, dat juist achter ’t lage sparrehout verdween. ’t Meisje had een blauw kleedje aan, maar daaronder bemerkte ik duidelijk den staart eener koe. Toen begreep ik, dat het eene Hulder was.

De tweede maal, dat ik de Huldren zag, was geruimen tijd later. Ik was toen reeds een volwassen meisje. ’k Was vroolijk van aard en waar de vedel ging, kon men mij altijd vinden. Terwijl ik ’s zomers op den saeter lag, zou er gedanst worden op de bergvlakte. ’k Ging er heen en niet vóór den morgen keerde ik naar de hut terug. Ik ging naar bed en meende een uurtje te slapen. Maar—hoe ’t kwam, weet ik niet—ik versliep mij, zoodat de koeien over haar’ tijd in den stal bleven. Toen ik ontwaakte, stond de zon reeds hoog aan den hemel.—Buiten op ’t veld hoorde ik een vroolijk liedje zingen. Ik sprong het bed uit om te melken en ’t vee naar de weide te brengen, maar zooals ik de deur uitkom, zie ik eene Hulder verdwijnen in het bosch. En over de bergvlakten weerklonk dit

LIEDJE.

Hier eindigen Brita’s vertellingen en tevens ’t verhaal van mijn uitstapje.


Terwijl de juffer vertelde, was ’t weer werkelijk opgeklaard, zonder dat wij er acht op hadden geslagen. De zon scheen met al hare warmte en pracht en nu werd ’t een gejubel en drukte zonder einde. „Naar den Saeter, naar den Saeter!” klonk het en met ’t verrukkelijkst uitstapje werd de dag besloten.

Ik heb mijn woord tegenover de schoone vertelster van dit Huldersprookje niet gehouden en kan er tot heden maar geen spijt over gevoelen.

DE VERTELLINGEN VAN DEN DOODGRAVER.

Een badgast te Eidsvold beeft niet veel meer te doen dan zich voldoende beweging te verschaffen. Reeds den dag na mijne aankomst ging ik daarom Peter, den doodgraver, opzoeken, die in Store Finstad woonde, een kwartier ten zuiden van de rivier. Met groote moeite kwam ik in dit ordelooze nest van dicht opeengebouwde winkel- en woonhuizen, ’s mans verblijf op ’t spoor. In het voorhuis vond ik niemand, maar in een armelijk kamertje zat eene oude vrouw op een’ stoel zonder rug te spinnen. Ik deed haar eenige vragen, waarvan de eerste slechts werd beantwoord met een’ uitvorschenden blik, de tweede en derde met een „Hè?” Toen ik eindelijk voor de vierde maal vroeg, of ze mij ook kon zeggen, waar Peter, de doodgraver, was, antwoordde zij: „O, Graven, ligt hier nog een goed kwartier vandaan.”—„Neen, Peter, de doodgraver,” schreeuwde ik. „Ja Graven ligt naar ’t oosten; ga ’t dal maar door, dan kom-je er van zelf.”—Sedert vernam ik, dat de naaste hoeve „Graven” heette.

„Grootmoeder is wat hardhoorend,” zei eene stem uit den donkeren hoek, waarin ik eerst niets had kunnen onderscheiden. Daar zat een jong meisje met een klein kind op den arm.

„Kun-je mij ook zeggen, waar ik Peter, den doodgraver, kan vinden?” vroeg ik nu aan haar.

„Hij is niet te huis,” kreeg ik ten antwoord.

„Weet-je niet waar hij is?”

„Misschien wel op Styri bij tante.”

„Waar ligt Styri?”

„Aan den oostkant.”

„Is ’t ver weg?” vroeg ik weer.

„Dat weet ik niet.”

„Is er niemand anders te huis?”

„Neen, zij zijn te bruiloft.”

„Hiernaast?”

„Ik weet het niet.”

Hier kreeg ik intusschen de noodige opheldering. Er zat inderdaad niet anders op dan naar Styri te gaan. In ’t voorhuis aldaar vond ik werkelijk de tante, waarvan men mij had gesproken, in de gedaante van eene lange, bejaarde vrouw, met de grijze haren weggestreken onder de zwarte muts. Ze kwam me vriendelijk te gemoet en zeide: „Wees zoo goed binnen te komen.”

Deze ontvangst deed mijne ergernis over de eerste heel wat afnemen; ik vroeg, of Peter, de doodgraver, hier ook was.

„Moet hij misschien een graf maken voor iemand?” vroeg tante.

„Neen, dat niet; maar ik heb gehoord, dat hij zooveel oude sprookjes en vertellingen kent, en daarvan zou ik graag wat hooren,” zei ik.

„Ja, zoo!—Ja, als oude Andries, Peter zijn vader, hier was, ja—dat was eerst een baas in ’t vertellen! Als die begon, kwam er geen einde aan.”

„Maar, lieve hemel, kun-je dan ouden Andries niet hier laten komen?”

„Ja, die kon nog eens vertellen! Maar oude Andries is al twee jaren dood! Peter kent er ook wel; maar hem kan men niet zoo gemakkelijk aan de praat krijgen; hij is heel karig met zijne vertellingen, moet-je weten! Neen, oude Andries, die kende eene hoop histories! En hij liet zich nooit lang bidden! Och ja, ’t zal nu met kerstmis twee jaar worden.

„Maar, dat baat mij niets,” viel ik haar in de rede, gebelgd omdat de hooggeprezen Andries niet meer leefde. „Is Peter hier dan niet?”

„Ja, hij is hier wel geweest, maar hij moest naar den klokkeluider. Daar zult ge hem stellig vinden, en mocht hij daar niet zijn, dan is hij zeker op den heuvel, of in de pastorie, als hij ten minste niet op ’t kerkhof is om een graf te delven, want de oude vrouw Habberstad is gestorven.”

Mijn geduld was zoo goed als uitgeput; maar wijl ’t te voorzien stond, dat ik er tegenover Peter, den doodgraver, nog zeer groote behoefte aan zou gevoelen, besloot ik de rest maar te sparen. Ik wilde vertrekken, maar onder ’t laatste antwoord had de vrouw uit een kastje een niet heel zindelijk glas gehaald, dat zij met brandewijn vulde en mij met een stukje kandijsuiker op een bord aanbood, terwijl zij niet ophield in een’ stroom van uitroepen hare bewondering lucht te geven voor de weergalooze wijze, waarop de oude Andries sprookjes kon vertellen.

„Peter zal stellig bij den klokkeluider zijn, en is hij daar niet, dan is hij op den heuvel of in de pastorie, als hij ten minste niet naar ’t kerkhof is gegaan,” riep ze mij nog na, terwijl ik ’t erf af ging. ’t Klonk me als spotternij in ’t oor, want straks was ik al die plaatsen voorbijgekomen.

Ik besloot intusschen hem ’t eerst op de laatste plaats te gaan zoeken, als de minst waarschijnlijke naar tante’s gevoelen.

’t Was koud, droevig zomerweer, toen ik door de donkere lanen van den tuin der pastorie mijne schreden naar de kerk richtte. De regen had opgehouden, maar met iederen rukwind klaterden de droppels uit de toppen der boomen op de bladeren onder hen. De wolken dreven laag tusschen de boomen door. Mat en grauw viel het licht op de graven en eenvoudige gedenkteekens van het kerkhof; de wind voer klagend door de takken en geen vogel zong in ’t loof. ’t Was of een voorgevoel van ’t najaar alles in dit eenzaam oord deed huiveren; alleen het kerkje wees, als een troostende engel, met zijne torenspits ten hemel.

In den verst verwijderden hoek van ’t kerkhof hoorde ik den klank der spade. De doodgraver was dus bezig een graf te delven. Op een heuveltje in zijne nabijheid stond de groote, prachtige bok van den klokkeluider met zijn’ langen baard en fraaie horens te grazen; ik kende hem reeds van een vroeger bezoek.

Een oogenblik bleef ik staan om den doodgraver op te nemen. Hij was een man op jaren, maar men kon niet zeggen, dat ’t een vriendelijk oud man was. Zijn beroep scheen geen’ verzachtenden of verzoenenden invloed op zijn’ geest te hebben uitgeoefend; hij zag de wereld aan met een’ somberen blik en een norsch gelaat. Zijne trekken kwamen mij bekend voor, later herinnerde ik mij hunne groote gelijkenis met een koppig paard, dat ’t mij eenmaal geducht lastig had gemaakt. Toen hij een ommezien met zijn’ arbeid ophield om uit te rusten, viel zijn oog op mij, dien hij nog niet had bemerkt.

„Goeden avond, doodgraver,” zei ik.

Hij mat mij van ’t hoofd tot de voeten, spuwde in de holle hand en ging voort met spitten.

„Dat is zwaar werk in dit natte weer,” ging ik onverdroten voort.

„Als de zon schijnt, is ’t niet lichter,” antwoordde hij met een’ azijnzuren grimlach, en ging voort met delven.

„Voor wien maakt ge dit graf?” vroeg ik, in de hoop, dat zich wellicht uit deze vraag een gesprek zou kunnen ontspinnen.

„Voor den duivel en de kerk,” antwoordde de doodgraver.—Ik begreep dat niet recht, en vroeg nadere verklaring.

„De duivel krijgt de ziel en de kerk het geld,” antwoordde hij.

„Zoo bedoelde ik het niet, ik meende, voor wien dat graf bestemd is?”

„Voor een oud wijf,” antwoordde de man.

Die brug was afgebroken. Ik begreep, dat ik op deze wijs tot geen bevredigende uitkomst zou geraken. Ongeduldig over den regen, die met vernieuwde hevigheid neerviel, en korzelig, wijl naar alle waarschijnlijkheid mijne expeditie zou mislukken, vertelde ik den doodgraver, dat ik hem had opgezocht om sproken en vertellingen van hem te hooren uit den ouden tijd. Ik zei, dat ik ’t niet voor niemendal verlangde, maar dat ’t hem toch plezier moest doen, nu eens iemand te ontmoeten, die aan deze dingen geloofde, wat zoo zelden meer gebeurde in onze dagen.

Onder deze toespraak keek de doodgraver mij nu en dan met zijn’ hoofdigen paardeblik aan, die al mijne hoop den bodem insloeg.

„Of de lui gelooven, wat ik vertel, of niet, dat is mij om ’t even,” zeide hij. „Maar wat ik heb gehoord en wat ik weet, dat weet ik, en ik wil niet voor zot spelen en zitten vertellen als eene babbelzieke best. Zelfs voor den koning niet,” voegde hij er bij, om de zaak buiten allen twijfel te stellen.

Ik was reeds voornemens heen te gaan, toen hij op nieuw stilstond, half van mij afgekeerd. Na den hoed op één oor te hebben gezet, begon hij eerst in den eenen, toen in den anderen zak van zijn wambuis te zoeken; maar ’t scheen, dat hij niet kon vinden, wat hij zocht, hij was blijkbaar teleurgesteld, vooral toen een nieuw onderzoek even vruchteloos was gebleken.

Ik giste spoedig, dat zijne tabak op was en dacht vergenoegd: „nu is de beurt aan mij.” In mijne botaniseerdoos had ik eene van Tidemand’s beroemde rollen tabak geborgen, en terwijl ik den schijn aannam van naar mijn’ zakdoek te zoeken, wist ik ’t behendig zóó aan te leggen, dat de rol juist op den rand van den grafkuil viel, waarin hij stond. Heel kalm bukte ik mij om de tabak op te rapen, maar ’t zonneschijntje, dat op eens ’t gelaat van den doodgraver deed ophelderen, ontging mij niet. Als in gedachten maakte ik de rol open, lokte mijn’ gehoornden vriend, die dicht bij ’t graf stond, tot mij en liet hem een groot stuk van de rol afbijten.

„Hoe ver is Tönsager hier van daan?” vroeg ik.

De doodgraver mompelde iets over ’t misbruiken van Gods gaven, maar antwoordde toch beleefder dan te voren, dat ’t omstreeks een half uur aan de andere zijde der baai lag.

„En Guldvaerket?” vroeg ik.

„Eene mijl,” zei de doodgraver. „Maar waar komt ge toch vandaan?” voegde hij er bij met het potsierlijkste gezicht ter wereld.

„’t Laatst ben ik in Store Finstad geweest, waar ik naar Peter, den doodgraver, heb gevraagd,” antwoordde ik en borg de rol weer in de doos, na den bok nog een stuk daarvan te hebben gegeven.

Er volgde geen antwoord; Peter begon met nieuwen ijver te delven. Behalve aarde en steenen wierp zijne spade ook vermolmde houtsplinters en halfvergane beenderen naar boven. Onder de laatste rolde ook een vrouwenschedel voor mijne voeten, zoo schoon en volkomen van vorm, dat Retzius hem voor het ideaal der skandinavische type zou hebben aangezien. Ik nam hem op en beschouwde hem opmerkzaam.

„Die schedel is van geen oud wijf afkomstig,” begon de doodgraver op nieuw.

„Dat zie ik,” gaf ik ten antwoord.

„’t Was de vrouw van een’ landbouwer hier in ’t dorp; zij was geacht en geëerd,” merkte hij verder op.

„Zoo.”

Had de doodgraver zich in zijn slecht humeur gelijk kunnen blijven, dan zou hij ongetwijfeld hebben gezwegen, maar reeds de hoop op eene rol tabak heeft een’ verwonderlijken invloed op ’s menschen gemoed.

„Van buiten blank, van binnen krank,” ging hij voort.

Hierop volgde in ’t geheel geen antwoord.

„Dat was beste tabak, die ge daar in die blikken doos hebt.”

„Zoo schijnt onze vriend er ook over te denken,” antwoordde ik, terwijl ik den bok weer naar mij toelokte en mij geliet, of ik hem nog meer wilde geven.

„Neen, als oude Andries, mijn vader, nog leefde,” zei Peter haastig, terwijl hij zijn’ gelukkigen mededinger zocht te beletten, de goede gaven deelachtig te worden, die ik hem had toegedacht, „hij kon nog eens vertellen. Wat ik kan, heeft niet veel om ’t lijf.”

„Nu merk ik, dat gij ook wel een stuk tabak zoudt willen hebben, Peter. Zie, daar hebt gij al wat de bok heeft overgelaten. Waart gij eerst williger geweest, dan hadt ge de heele rol gekregen. Maar vertel mij nu wat.”

„Dat kan ik wel doen, want ik zie, dat ik met een verstandig man te doen heb, en niet met een’ zotskap,” zei Peter, terwijl hij zijne gereedschappen bijeenzocht en uit den kuil steeg. „Vervloekt vee,” riep hij toornig en sloeg naar den bok, „zulke bokken zijn ’t ergste ongedierte, dat ik ken; ze moesten doodgeslagen worden, dat er niet één overbleef.”

Nadat hij door deze ontboezeming zijn gemoed wat had verlicht, zette hij zich op eene zerk neder en begon te verhalen.

„Gij zijt niet de eerste, wien ik ’t vertel,” zoo ving hij aan. „Wilt gij ’t gelooven—goed; gelooft ge ’t niet—laat het dan voor ’t geen het is.—Daar leefde eens in ’t dorp hier een boer, die gehoord had, dat de heksen allerlei spel dreven in de kerk op den avond vóór de feestdagen. Hij geloofde er niets van, maar voelde toch den lust bij zich opkomen, eens te zien of ’t waar was; hij kon dan tevens te weten komen, wie zich met hekserij ophielden. Op Paaschavond zette hij zich neder op de lijkbaar in ’t kerkportaal, en, ja wel, daar verzamelde zich een heele stoet wijven voor de kerkdeur, met een’ grooten zwarten hond aan ’t hoofd. De hond ging op de achterpooten staan, krabde tegen de deur en—open sprong die, schoon ze stevig gesloten was.

„Zaagt gij dat?” zei ’t wijf, dat ’t dichtst achter den hond liep tot een ander;—en dat was deze,” voegde Peter er bij, terwijl hij op den schedel wees.

„Neen, dat had ik niet gedacht, al hadt gij ’t me zelf gezegd,” antwoordde de ander, die naast haar liep en die ook in ’t dorp voor eene brave vrouw doorging. En achter die beiden kwamen er nog zoovelen, dat hij ze bijna niet meer kon tellen. Hij kende ze allen en had nooit gedacht, dat er zooveel heksen in heel Romerike waren als er alleen in ’t kerspel van Eidsvold bleken. Zij sprongen en dansten en maakten allerlei bespottelijke gebaren op den preekstoel en voor het altaar. Toen ze niets meer wisten te bedenken, brachten ze door hekserij eene koe boven in den toren en hingen haar boven den trap op met alle vier de pooten in de lucht. De boer meende in ’t beest eene koe van de pastorie te herkennen, en toen de heksen waren vertrokken en alles weer stil was in de kerk, ging hij naar de pastorie. Daar stond de koe weer in den stal, maar ze trilde nog en ’t schuim stond haar om den bek.

Geruimen tijd daarna geviel ’t, dat dezelfde man, die dit alles op Paaschavond had gezien, als hofmeester was genoodigd op eene bruiloft. En daar was nu ook de vrouw, die vooraan ging in den heksenstoet. Toen men aan tafel wilde gaan, verzocht men haar ’t eerst te gaan zitten; want zij werd door elk geëerd, moet ge weten. Maar zij wilde nu eens de bloode spelen en men kon ’t niet van haar gedaan krijgen. Herhaaldelijk noodigde de hofmeester haar uit zich aan tafel te zetten, maar eindelijk werd hij ’t bidden moê en fluisterde haar in ’t oor:

„Ga maar eerst zitten; ge zijt ’t immers wel gewend. Toen ik u op Paaschavond zag, waart gij niet zoo verlegen; toen waart’ ge de eerste in den dans met Ouden-Erik,1 voor ’t altaar zoowel als op den preekstoel.”

Op die woorden viel de vrouw in zwijm en sinds dat oogenblik heeft ze geen gezond uur meer gehad.”

De doodgraver zweeg en zijn gelaat nam weer de gewone barsche, gemelijke uitdrukking aan; maar ik hield niet op met vragen en vorschen naar heksen, hare reizen en daden, tot ik ten slotte de belofte van hem verkreeg, dat hij mij alles zou vertellen, wat hij daarvan wist.

„Daar waren eens eenige jagers, die op zekeren Paaschnacht uit jagen gingen. Terwijl zij in de jachthut zaten, bij ’t grauwen van den morgen, hoorden zij zulk een geruisch en geraas in de lucht, dat zij niet anders dachten, of er was een heele vlucht groote vogels in aantocht, gereed om in ’t moeras neer te strijken. Maar ’t waren vogelen des duivels! Toen zij boven het bosch kwamen, bleek het een vlucht heksen te zijn. die haar Paaschfeest hadden gevierd. Zij reden op bezemstelen, harken en mestvorken, op bokken en geiten en de zotste dingen, die men kan bedenken. Weldra herkende een der jagers onder haar zijne naaste geburin.

„Maren Myra!” schreeuwde hij. Plotseling viel ze neder op eene spar en brak een scheenbeen; want, wanneer iemand eene heks herkent en haar bij den naam roept, moet zij naar beneden, al is zij nog zoo hoog gestegen. De jagers namen haar op en brachten haar voor den rechter, en deze besliste, dat zij levend verbrand zou worden. Maar eer zij op den brandstapel kwam, verzocht zij nog, dat men even den blinddoek van hare oogen zou nemen. Dat deed men ook, doch eerst plaatste men haar zóó, dat haar oog niet op weide en akker, maar alleen op den berg kon vallen. En dit was goed ook; want op eens was ’t bosch, aan den kant waarheen ze had gezien, geheel zwart geblakerd en verschroeid!

Deze tooverheks liet eene dochter na, die later in huis kwam bij een’ predikant in ’t Gudbrandsdal. Zij mag negen jaar oud zijn geweest, maar ze was reeds geheel verdorven en zat vol heksenstreken. Eens gelastte haar de predikant eenige spaanders, die op ’t erf lagen, naar de keuken te dragen.

„Och,” zei ze, „ik kan ze wel binnen brengen, zonder dat ik ze behoef te dragen.”

„Zoo,” zei de predikant, „laat mij dat eens zien.”

Oogenblikkelijk maakte zij wind en daar vlogen de spaanders de keuken binnen. De predikant vroeg, of ze nog meer dergelijks kon uitrichten. Ja wel: ze kon ook melken, maar deed het liever niet, want ’t was nadeelig voor ’t vee. De predikant drong er echter op aan; ze was noode over te halen, maar eindelijk zou ze ’t doen. Ze stak nu een knipmes in den wand en zette eene melknap daaronder, en nauwelijks raakte zij ’t mes aan of de melk stroomde in de nap. Na eene poos wilde zij ophouden.

„O, neen, melk voort, kind,” zei de predikant.

Eerst weigerde ze, maar de predikant praatte zoolang, tot zij op nieuw begon.

„Nu moet ik ophouden,” zei ze een oogenblik later, anders komt er niets dan bloed.”

„Och, melk maar voort, kind,” zei de predikant, „en stoor je nergens aan.”

Op nieuw weigerde zij, maar gaf ten slotte weer toe en ging voort.

Een ommezien daarna hernam zij: „Ja, houd ik nu niet op, dan valt straks de beste koe op stal dood neder.”

„Melk maar, kind, en stoor je nergens aan,” zeide weer de predikant, want hij wilde zien, waartoe zij in staat was.

Eerst weigerde zij hardnekkig, maar na veel moeite wist de predikant haar toch weer over te halen.

„Daar valt de koe,” riep ze op eens, en toen men den stal binnentrad, lag daar de beste koe, die de predikant bezat, morsdood op hare plaats. En de deerne werd verbrand even als hare moeder.

„Ja, ’t was eene booze heks, waar ik u van vertelde,” voer de doodgraver voort, „maar er was er eene, die mij nog boosaardiger dunkt. Zij tilde op een’ Paaschavond haar’ man uit het bed en reed op zijn rug uit ’t Gudbrandsdal naar de kerk van Bergen, en terwijl zij boven in den toren met de andere heksen en Ouden-Erik het Paaschfeest vierde, moest de man moedernaakt tegen de kerkmuur blijven liggen in den langen, kouden voorjaarsnacht. ’t Was een verschrikkelijk weer; de gure wind drong hem door merg en been en de sneeuwvlokken stoven rond, zoodat de arme man half bewusteloos was van koude. Toen de dageraad aanbrak, trachtte hij op te staan, maar hij was geheel verstijfd en zijne tanden klapperden. Juist kwam er iemand de kerk voorbij.

„Zeg mij toch in Gods naam, waar ik ben?” vroeg de man.

„Wel, gij zijt bij de kerk van Bergen,” antwoordde de voorbijganger; maar toen hij den buikriem bespeurde, dien de man om ’t lijf had, begreep hij, waarom hem die vraag was gedaan;—want de heksen kwamen daar in dien tijd met Kerstmis en Paschen. Hij zeide tot den man:

„Wanneer zij uit de kerk komt, met wie gij hier zijt gekomen, neem dan maar den buikriem en geef haar een duchtig pak op den rug, dan kunt gij op haar naar huis rijden, anders houdt gij ’t onmogelijk uit.”

En toen de heks naar buiten kwam, deed de man zooals hem gezegd was; en zoo reed hij naar huis op haar’ rug, zoo snel als de wind.”

„Had zij geen’ smeerhoren bij zich?” vroeg ik.

„Neen dien had zij niet noodig; zij had zich reeds ’t heele lichaam ingesmeerd, eer zij van huis ging,” zei de doodgraver. „Maar nu gij van smeerhorens praat, schieten mij nog eenige histories te binnen, die hier in den ouden tijd moeten gebeurd zijn.

„Laat hooren,” zei ik.

„Op eene hoeve te Ringebu,” vertelde Peter, „woonde eene heks, die buitengewoon boosaardig was. Maar daar woonde ook iemand, die wist, dat zij hekserij bedreef; hij ging op een’ heiligavond naar de hoeve en vroeg om nachtverblijf en ’t werd hem verleend ook.

„Gij moet niet bang worden, als ik met open oogen lig te slapen,” zeide hij, „ik ben dat gewoon en kan er niets tegen doen.”

O, neen, zij was niet gauw vervaard.

Spoedig lag de knaap te snorken met open oogen, en nauwelijks zag de heks dit, of zij haalde een’ smeerhoren onder den haardsteen vandaan en smeerde den bezemstok in:

„Nu op en dan neer, naar Jönsaas, zei ze en steeg door den schoorsteen op en reed naar Jönsaas, eene groote bergvlakte, waar veel saeters staan.

Onzen knaap docht het nu heel grappig, als hij haar voorbeeld eens volgde om te zien, wat zij uitvoerde, want hij meende, dat zij had gezegd: „nu op en dan neer, naar Mönsaas”2. Hij haalde daarom ook den horen onder den steen vandaan en wreef met den inhoud daarvan een’ stok in.

„Nu op en dan neer, naar Mönsaas,” zei hij toen, en nu voer hij op en neder, altijd tusschen den schoorsteen en de dakvorst, den heelen nacht door, en toen de stok eindelijk stil hield, was hij half dood.

Sedert kwam hij bij de heks in dienst en zat een jaar later ’s avonds eene slede in orde te maken. Toen hij dien arbeid moede werd, legde hij zich op eene bank neder om te slapen en lag eene poos met de oogen open. Weer haalde ’t wijf den horen voor den dag, smeerde den bezemsteel in en voer den schoorsteen uit. De knaap merkte goed op, waar zij den horen borg, en nadat zij vertrokken was, nam hij dien en smeerde een weinig van de zalf aan de slede; maar hij zeide niets. En de slee vloog heen, en niemand heeft ooit meer den knaap noch zijn voertuig gezien. De hoeve, waar dit voorviel heette Kjaestad, en tot op den huidigen dag weet oud en jong te verhalen van den horen van Kjaestad.

Zoo woonde er ook eene heks op eene hoeve in ’t Dovregebergte. Nu geviel ’t op een’ Kerstavond, dat haar dienstmeisje bezig was een’ brouwketel te schuren. Intusschen haalde ’t wijf den horen voor den dag, wreef den bezemsteel in en vloog den schoorsteen uit. Dit leek de dienstmaagd eene prachtige kunst; zij smeerde ook wat zalf om den ketel. En nu was ook zij weldra op reis en vloog zonder ophouden voort naar Blauwkoll. Hier vond zij eene groote schaar heksen en Ouden-Erik zelf, die voor haar zou preeken. Toen allen zich hadden neergezet, ging hij den kring rond, om te zien of er niemand ontbrak. Zoo kwam hij ook bij het meisje, dat in den ketel zat; haar kende hij niet, want zij had zich niet onder zijne dienaressen laten opnemen. Hij vroeg daarom aan ’t wijf, waarmee zij was gekomen, of de dienstmaagd ook haar’ naam in ’t groote boek wilde zetten. De meesteres meende van ja. Oude-Erik gaf nu de maagd het boek en verzocht haar daarin te schrijven, hij bedoelde natuurlijk haar’ naam.

Maar zij schreef, wat de schoolkinderen plegen te schrijven, wanneer zij de pen probeeren: „Die mij voedsel geeft, is God, in Jezus’ naam,” en—nu mocht zij ’t boek houden, want Oude-Erik was niet zóó boud, dat hij ’t dorst terugnemen. Plotseling ontstond er een vreeselijk alarm op den berg. De heksen namen de zweep, en sloegen op hare voertuigen los, en aanstonds vlogen ze heen door weer en wind. Ook ’t meisje nam eene zweep, sloeg daarmede op den ketel en snelde de anderen na. Op eene hooge rots hielden alle heksen stil om een oogenblik uit te rusten. Aan hare voeten lag een breed dal, waardoor zich een breede stroom kronkelde en aan gene zijde daarvan weer eene hooge rots. Toen zij waren uitgerust, vlogen zij naar den overkant. ’t Meisje twijfelde er sterk aan, of zij ook daarheen zou kunnen komen. Eindelijk gaf zij den ketel een’ fikschen slag en kwam behouden aan de overzij.

„Dat was een duivelsch mooie sprong voor een’ ketel,” zei ze; maar op ’t zelfde oogenblik verloor zij ’t boek, viel naar beneden en kon niet verder komen: zij had hem genoemd, wien zij geene gehoorzaamheid had willen beloven. ’t Overige van den weg moest zij door de dikke sneeuw waden, want thans had zij alle hulp verbeurd, schoon zij nog menig uur te gaan had.”

„’t Moet niet onaardig zijn met de heksen op bezemstelen en in ketels te rijden,” merkte ik op. „Maar ’t kan soms nog al gevaarlijk zijn, want de noordenwind is scherp daar boven en men kan den hals breken, eer men ’t weet. Dan gaat het beter met de samenkomsten op de kerktorens; daar kan men ze zien, wanneer men slechts op eene doorgesneden graszode gaat zitten, niet waar, Peter?”

„Niet op eene doorgesneden zoô,” verbeterde de doodgraver; „in elke hand moet men er eene omhoog houden, en de snede moet tegen de zon in zijn getrokken. Wie zoo gaat staan, met een psalmboek op de borst en drie gerstekorrels in den mond—waarvan de eene den Vader, de ander den Zoon en de derde den H. Geest beteekent—tegen dien kan noch Oude-Erik, noch eene tooverheks iets uitrichten. Had zeker man, van wien ik eens hoorde vertellen, hieraan gedacht, dan ware hij er beter afgekomen. Ja, hij kwam er toch wel goed af, maar ’t was „bij ’t kantje langs,” als men zegt.

Men had dien man verteld, dat de heksen op heiligavonden zoo verschrikkelijk huis hielden in den kerktoren. Hij kon nu den lust niet bedwingen daar eens bij te wezen en zoo ging hij er op een’ Kerstavond heen en zette zich in een’ hoek neder. Wel had hij eene groote graszoô bij zich, maar deed niet alles naar behooren, zoo ’t schijnt. Daar kwamen de heksen aangereden; de een na de ander sloop de torengaten binnen, sommige op bezemstokken, andere op harken, enkele op geiten, nog andere op bokken of op allerlei wonderlijke dingen gezeten. Onder haar bevond zich ook eene buurvrouw van hem. Zoodra deze hem zag, liep zij op hem toe, stak hare pink in zijn’ neus en hield hem zoo, als een’ zalm bij de kieuwen, buiten den toren.

„Wilt gij beloven aan niemand te zeggen, dat ge mij hier hebt gezien?” zei ze. „Zoo niet, dan laat ik u vallen.”

„Neen, dat doe ik niet!” antwoordde hij; want ’t was een dwarskop. En toen zij hem werkelijk liet vallen, schreeuwde hij: „hel en duivel, komt mij te hulp!” en dadelijk kwam de duivel in eene slede aanrijden en ving hem zoo knaphandig op, dat hij zelfs de knieschijf niet verstuikte. Nu wou de duivel hem ook naar huis brengen. Maar de man schopte en sloeg en maakte zulk misbaar, dat de duivel ’t bijna te kwaad kreeg. En toen zij bij zijne hoeve gekomen waren, reed hij onvoorziens tegen een watervat aan, zoodat de slede kantelde en de duivel aan de eene zijde, onze man aan den anderen kant van ’t watervat terecht kwam. Ware dit niet gebeurd, dan zou hij niet aan de klauwen des duivels zijn ontkomen; maar nu had deze geen macht meer over hem.

„Loop heen, schelm!” riep de duivel, „had ik vermoed, dat ge mij zoudt bedriegen, dan had ik om uwe ellendige ziel te winnen, zoo’n lange reis niet gemaakt. Toen ge mij riept, was ik twintig mijl benoorden Throndhjem om eene deerne aan te moedigen, die op ’t punt stond haar kind den hals om te draaien.”

Thans beweerde Peter, dat hij geene enkele vertelling van heksen meer kende. Maar wijl hij zoo goed op gang was, meende ik van de gelegenheid gebruik te moeten maken en vroeg hem, of hij dan niets had hooren verhalen van de aardgeesten.

„Hm,” antwoordde hij, „misschien wel; laat eens zien:—mijne grootmoeder heeft mij daarvan wel een en ander verteld.—Toen die een meisje was, diende ze bij den predikant van Modum; Teilmann heette hij, geloof ik.

„’t Gebeurde eens in ’t voorjaar, dat de mest naar ’t land moest gebracht worden. De predikant bezat uitgestrekte akkers en riep van heinde en ver arbeiders te zamen om dit werk te verrichten. Nu diende er bij een’ boer in de nabijheid een jongen, die erg verzot was op uitgaan. Ook hem had men verzocht te komen helpen. De boer gaf hem verlof, mits hij ’t zoo aanlegde, dat hij ’s morgens om acht uur kon vertrekken. Den ganschen nacht look nu de knaap geen oog, en daar de boer geene klok in huis had, stond hij reeds kort na middernacht op, spande de paarden voor de kar en reed naar de pastorie. Maar hier was nog geene levende ziel te bespeuren, en de knaap liep nu wat rond om den tijd te verdrijven. Zoo kwam hij ook op ’t kerkhof, en hier wiesch hij zich den slaap uit de oogen in eene grafkuil, die halfvol water stond, want ’t had pas geregend. Sinds dien tijd bezat hij ’t vermogen de aardgeesten te zien, maar hij had er ook ’t verstand bij ingeboet: hij was simpel geworden. Of hij zijn’ tijd uitdiende of zijn’ dienst verliet, zou ik niet kunnen zeggen, maar later zwierf hij in den omtrek rond, en overal waar gasten gevraagd waren of iets bijzonders te doen viel, bood hij aan de aardgeesten te bannen.

„Eens zou er bruiloft worden gehouden op eene hoeve, die Praesterud heette, en op den zelfden dag was er doopfeest op Komperud. Toen stond hij lang besluiteloos, wat hij zou kiezen, maar ten slotte ging hij naar de bruiloft. Nauwelijks was hij daar gekomen en had eens rondgekeken, of hij ging op den hofmeester los.

„Gij past slecht op uwe zaken,” zeide hij. „Ziet gij niet, dat de aardgeesten uit de bierkan drinken, die gij daar in den hoek hebt gezet? De voorraad neemt onophoudelijk af, maar mag ik hier blijven, zoolang de bruiloft duurt, dan zal ik ze wel ’t hazenpad doen kiezen.”

„Och, dat moogt gij wel! maar hoe zult gij ze verjagen?” vroeg de hofmeester.

„Dat zult gij eens zien,” antwoordde de knaap. Hij nam de kan, zette haar midden op den grond en trok er met krijt een’ wijden kring om heen. „Nu neemt gij een’ knuppel,” zeide hij tot den hofmeester, „en als ik u een’ wenk geef, slaat gij daarmede midden in den kring; let niet op ’t geen ik doe, maar zoodra ik ze alle binnen den kring heb, dan slaat gij er uit alle macht op los.”

Nadat hij dit had gezegd, begon hij om den kring heen te rennen; hij sprong nu hoog, dan laag, en schopte en joeg met inspanning van alle krachten. De hofmeester viel haast om van pret over al de dwaze gebaren, welke de knaap maakte, en allen, die ’t aanzagen, geloofden stellig, dat hij niet bij zijne zinnen was. Maar toen hij den afgesproken wenk had gegeven, bemerkten ze, dat hij niet zóó gek was, als ze meenden; want toen de hofmeester er flink op los sloeg, hoorde men een verschrikkelijk geschrei en gejammer door ’t heele huis, en sommigen, die later ter bruiloft kwamen van den kant van Komperud, verhaalden, dat zij een gedruisch in de lucht hadden gehoord, of er eene groote schaar vogels boven hun hoofd vloog, en stemmen, die riepen: „Naar Komperud, naar ’t doopfeest, naar ’t doopfeest op Komperud!”

Hier eindigde Peter, de doodgraver, zijne vertellingen. Hij verklaarde dien avond volstrekt niets meer te weten en ging heen, nadat hij eerst nog den bok van den klokkeluider het kerkhof had afgejaagd.


1 Zoo wordt de Duivel in Noorwegen genoemd. Vert. 

2 De vorst van het dak, namelijk. Vert.