WeRead Powered by ReaderPub
Onder de koppensnellers op Borneo cover

Onder de koppensnellers op Borneo

Chapter 14: XV. Slot.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Two friends who have long lived abroad undertake hazardous expeditions into Borneo’s western interior, traveling with local guides to collect natural and ethnographic specimens and to prospect for precious stones. The narrative follows their riverine and mountain journeys through dense jungle, encounters with armed and secretive indigenous groups, episodes of betrayal, sudden pursuits and ambushes, and the practical hardships of exploration. Along the way they document customs and landscapes, confront moral and physical tests, and press on through peril toward a final, hard-won return from the wilderness.

XIII. Op zoek naar de diamanten.

Kees en Petinggi zetten zich neer.

»Wat wilde u met mij bespreken, heer? De mannen wachten.”

»De zaak is deze, Petinggi: van de gevangen Sibaoe’s heb ik een en ander gehoord omtrent de Soengei Tekoeng, en tevens omtrent den Maleier Amat, die mij vroeger verraden heeft. Nu wil ik de bala voor korten tijd verlaten, om hier eenige onderzoekingen te doen. Ook wil ik trachten, den verrader op te sporen. Dat kan ik echter alleen niet doen; daarom vraag ik je, om mij een tiental mannen van de bala mee te geven.”

»Dat kan niet, heer! We zijn veel te zwak, om ons nog te splitsen. U weet, dat we van morgen ook nog verliezen geleden hebben. We hebben alle strijdbare mannen hoog noodig.”

»Nu we daar toch over spreken, wil ik je even zeggen, dat ik het onverantwoordelijk acht, met deze kleine bala nog dieper het land in te trekken. Je weet, dat er Sibaoe’s ontsnapt zijn. Weldra zal de geheele stam gewaarschuwd zijn. De Sibaoe’s zullen een bala vormen en dan is er veel kans, dat de Kenjaoe’s verslagen worden.”

»Dat zou wel kunnen, heer. Wat raadt u ons te doen? Tot nu toe hebt u ons altijd goeden raad gegeven.”

»Ik raad aan, nu tevreden te zijn met den behaalden buit. Stel niet alles in de waagschaal door den tocht nog verder uit te strekken.”

»We kunnen nu nog gemakkelijk en ongehinderd naar het gebergte terugkeeren,” zei de Dajak langzaam en nadenkend.

»Juist, het is nu nog tijd.”

»En wat doet u dan, heer?”

»Dat zei ik je al: ik vraag een tiental mannen, om mij te vergezellen. Over een paar dagen vinden we elkaar dan weer bij het rotshol door het gebergte.”

»Ik geloof, dat u gelijk heeft, heer. Ja, de bala moet maar terugkeeren. Onze buit is rijk en de Sibaoe’s zullen nog langen tijd met schrik aan ons denken.... Ik zal er met de mannen over spreken.”

»Goed, Petinggi! Leg het hun duidelijk uit.”

Kees was blij, dat hij den Dajak zoo gemakkelijk had kunnen bepraten.

Korten tijd later keerde deze terug.

»We hebben alles overwogen, heer, en de meeste mannen geven er de voorkeur aan, terug te keeren.”

»Dat is verstandig, Petinggi! Maar zijn er nu ook een tiental mannen tot mijn beschikking?”

»Zeker, heer! Er zijn zelfs veel meer, die met u mee willen. De Kenjaoe’s volgen u gaarne, omdat u hun altijd geluk brengt. Uw antoe’s zijn zeker heel sterk.”

»Ja,” lachte Kees, »mijn antoe’s zijn sterker gebleken dan die van de Sibaoe’s.

»Wilt u vandaag nog vertrekken, heer?”

»Ja, zoo spoedig mogelijk! Waarschuw de mannen maar, die met me meegaan. Nu moeten we nauwkeurig afspreken, waar we elkaar zullen ontmoeten. Het beste lijkt mij, bij de rotsgang.”

»Dat is goed, heer! Wie het eerst aankomt, wacht op de anderen.”

»Afgesproken!” besloot Kees.>

Daarna begaf hij zich naar de gevangenen.

»Wie van jelui weet het beste den weg op de Soengei Tekoeng en wie kan me daarvandaan zoo spoedig mogelijk naar den weg door het gebergte brengen?”

»Ik weet overal in die streken goed den weg, heer,” antwoordde één der mannen.

»Dan neem ik jou mee, om mij als gids te dienen. Als je het er goed afbrengt, zal ik je, vóór ik het gebergte passeer, vrij laten.”

»En de anderen, heer?”

»Die zal ik dan ook vrij laten. Nu gaan ze met de bala mee als gevangenen.”

»Och, heer! laat ons met u meegaan! We zullen u trouw dienen!” jammerden de beide anderen.

»Ik vertrouw de Sibaoe’s niet,” zei Kees kortaf, en ging de mannen tegemoet, die Petinggi Datoek voor hem had aangewezen.

Het kleine gezelschap vertrok terstond.

De pangkalan van Seboedoet was spoedig bereikt. Hier lagen verscheidene goede booten vastgemeerd en de Dajaks hadden er weldra twee uitstekende djaloers uitgezocht.

Met forsche slagen roeiden ze de Soengei Pejang op. Na eenige uren bereikte men de monding van de Tekoeng. Zoo was Kees eindelijk op de rivier, die hij met zooveel moeite gezocht had.

Hij kon niet laten zijn blijdschap te uiten tegen zijn trouwen Marti, die echter als steeds de zaak kalm en ongeloovig opnam.

»U zult het nest wel leeg vinden, heer. De Maleier zal al wel hier geweest zijn.”

»De ellendeling!” riep Kees, plotseling boos wordend.

»Wat doet u, heer, als hetgeen u zoekt, verdwenen is?”

»Dat weet ik niet. Ik heb hoop, dat ik alles op zijn plaats zal aantreffen.”

»Ik vrees het ergste, heer!”

»Dan zullen we verder zien, Marti.”

Intusschen schoten de djaloers stevig tegen de vrij snel stroomende rivier op. De oevers waren niet hoog. Voorloopig had men geen hinder van stroomversnellingen.

Voorzichtig vroeg Kees aan den gids of er geen groote riam in de nabijheid was. De man verklaarde, dat er in de bovenloop veel stroomversnellingen waren. Den volgenden dag zou men die bereiken. Het kwam er nu op aan, de goede te herkennen. En het eenige herkenningsteeken was de groote kawangboom....

Den volgenden dag kwam men inderdaad in het hoogere land en daarmede in de stroomversnellingen. Reeds waren de djaloers enkele riams met meer of minder moeite gepasseerd, toen tegen den middag weer een hindernis van groote rotsbrokken in ’t gezicht kwam. Daar tusschendoor stroomde het water met geweldige kracht. Moesten ze deze passeeren?

Maar neen! Daar zag Kees terzijde van den stroom een machtigen kawangboom, wiens geweldige stam de zware kruin hoog in de lucht beurde.

Kees had al zijn zelfbeheersching noodig, om geen juichkreet te slaken. En ook Marti, die tot dusverre van het heele verhaal niet veel had geloofd, moest zich bedwingen om zijn verrassing niet te laten blijken.

Kees gaf bevel aan te leggen, waaraan onmiddellijk voldaan werd.

Hij liet de Dajaks bij de djaloers en begaf zich met Marti over land naar de plek, waar de groote kawangboom groeide.

Toen hij dezen bereikt had, begon hij den stam te onderzoeken. Daar was het merk, dat zijn vriend Verveer er in gekapt had. Ja, het was de goede boom. Met bonzend hart begon hij het onderzoek aan de wortels. Daar zag hij de kleine holte. Begeerig stak hij zijn hand er in!....

Een smartkreet ontsnapte hem.... het gat was leeg!

Marti had alles met belangstelling waargenomen. Smartelijke teleurstelling maakte zich ook van hem meester.

»Wat nu te doen, heer?”

»Ik weet het nog niet, Marti,” zei Kees somber.

»Laat de Dajaks maar hier komen,” vervolgde hij na eenig nadenken.

Weldra verschenen de djaloers op de rivier tot kort voor de riam. Hier legden de Dajaks de booten vast en voegden zich bij Kees.

Deze zat diep ter neergeslagen aan den voet van den boom en bepeinsde, wat hem te doen stond.

De mannen schaarden zich om hem heen en staarden hem vol verwondering aan. Zij begrepen er niets van, wat de blanke man toch eigenlijk in den zin had.

Begeerig stak hij zijn hand er in!....

Kees begreep, dat hij zich nader moest verklaren.

»Mannen, ik zal jelui iets mededeelen, dat een groot geheim is. Eenigen tijd geleden heeft een Maleier, Amat genaamd, mij een amulet ontstolen, die voor mij van groote waarde is. Voor anderen heeft ze niets te beteekenen en kan ze zelfs gevaarlijk worden. Dat heeft de Maleier, die dief, niet geweten, anders zou hij mij mijn amulet niet hebben ontstolen.”

»En wat wilt u nu van ons, heer?” vroeg een der Dajaks nieuwsgierig.

»Misschien weten jelui raad, daarom vertel ik het,” zei Kees.

»Waarom is u hier heen gegaan, heer?” vroeg een ander.

»Ik had berichten, dat hij naar de Tekoeng was gegaan, om bij dezen grooten kawangboom met de antoe’s te spreken,” loog Kees.

Nauwelijks was dit gezegd, of de bijgeloovige Dajaks sprongen op, alsof ze wilden vluchten.

»Hier blijven!” gebood Kees, die ondanks zijn teleurstelling toch nog moest lachen om de kinderachtige angst van die krijgers.

»Deze antoe’s zijn mij goed gezind. En zoolang jelui mij dient, zullen ze jelui ook geen kwaad doen.”

De Dajaks zetten zich weer neer. Toch voelden ze zich nog niet erg op hun gemak in de nabijheid dier gevreesde antoe’s.

»Nu wil ik hebben, dat gijlieden hier den omtrek afzoekt, om de sporen van den Maleier te vinden. En dan moet ge opletten, waar de dief heen is gegaan.”

»Goed, heer!” De mannen stonden op en waren weldra druk aan ’t speuren.

Kees bleef met Marti en den gevangene bij den boom.

»Is dat dezelfde Maleier, waar u ons naar vroeg, heer?” informeerde de laatste.

»Dezelfde! Weet je iets van hem?”

»Niets dan hetgeen ik u al vertelde, heer.”

»En de Sibaoe uit Metoedjoe, die bij hem was, is die ook niet teruggekeerd?”

»Dat weet ik niet zeker, heer. Gezien heb ik hem niet, maar ik heb hooren vertellen, dat hij al te Metoedjoe terug is.”

»Denk je, dat de Maleier den weg door het gebergte kent?”

»Neen, heer, dien weten alleen de Sibaoe’s.”

»En nu de Kenjaoe’s ook,” lachte Kees.

»Ja heer,” zuchtte de Sibaoe.

»Misschien heeft die man uit Metoedjoe het geheim aan den Maleier verteld,” vooronderstelde Kees.

»Neen, heer, dat zou geen enkele Sibaoe doen.”

»Ook niet voor geld? voor véél geld?”

»Misschien, heer,” zei de man zacht.

Enkele Dajaks kwamen aangeloopen.

»We hebben sporen gevonden, heer!”

»Wat dan?” vroeg Kees opspringend.

»De plaats, waar de boot heeft gelegen en de plek, waar de mannen overnacht hebben.”

»Goed zoo! en wat nog meer?”

»Een spoor, dat het bosch inloopt.”

»Ga dat dan volgen.”

»Er zijn al een paar mannen heen gegaan, heer.”

Kees begaf zich naar de door de Dajaks aangeduide aanlegplaats en overtuigde zich van de waarheid. Nu besloot hij verdere berichten af te wachten.

Eindelijk kwam één der speurders terug en vertelde, dat het spoor door het bosch steeds doorliep. Men had opgemerkt, dat twee mannen in westelijke richting moesten hebben geloopen, en daar overheen liep het spoor van één man in tegenovergestelde richting.

»De Sibaoe heeft hem naar den geheimen weg gebracht en is daarna alleen teruggekeerd!” riep Kees dadelijk.

»Dat is mogelijk, heer,” antwoordde Marti.

»Zeg, Sibaoe,” wendde Kees zich tot den gevangene, »denk je, dat de man uit Metoedjoe hem voor geld den geheimen weg heeft gewezen?”

»Als hij het gedaan heeft, is hij een verrader heer; maar voor geld doen sommige menschen veel.”

»Om van hier naar den geheimen uitgang te komen, moet men toch naar ’t Westen gaan, nietwaar?”

»Ja, heer.”

»Dus dit spoor loopt in de richting van dien weg?”

»Als het zoo blijft loopen, voert het naar het groote ravijn.”

»’t Is genoeg.”

Kees verzamelde de Kenjaoe’s om zich heen en zei:

»Ik heb reden, aan te nemen, dat de Maleier naar den geheimen weg is gevlucht, om door het land der Kenjaoe’s te ontsnappen. We zullen hem volgen, te meer, daar wij toch ook dien kant uit moeten.”

Beladen met levensmiddelen spoedden de mannen zich weldra door het bosch. Met de meeste zorg volgden zij de sporen. Weldra vond men de Kenjaoe’s, die het eerst het bosch waren ingegaan. Deze waren juist van plan terug te keeren, daar de sporen onafgebroken verder voerden.

Nu werd de tocht gezamenlijk voortgezet. De bekwaamste spoorzoekers liepen vooruit. Het was niet moeilijk de kenteekenen te vinden. De mannen, die ze nagelaten hadden, hadden zich een pad gekapt door het struikgewas en niet de minste voorzorg genomen, om hun weg te verbergen.

Plotseling zei Marti tot Kees, die met een ontevreden gezicht voortstapte:

»Maar, heer! indien de Maleier naar den geheimen weg is gegaan, zouden we hem toch ontmoet hebben.”

»Hij kan daar wel eerder dan wij langs gekomen zijn,” meende Kees.

»Dan heeft hij het land der Kenjaoe’s al lang verlaten, heer! en dan komen wij te laat.”

»Zwijg Marti! beneem mij niet mijn laatste hoop.”

Zonder een woord te spreken reisde men verder.

Dien avond bereikte men een plek, waar blijkbaar twee mannen hadden gekookt en geslapen. Het gezicht van deze kenteekenen deed den moed van Kees weer wat herleven. Hij kon de hoop niet laten varen, dat hij de diamanten nog eens in zijn bezit zou krijgen.

Het gezelschap overnachtte op dezelfde plek.

De morgen van den volgenden dag verliep zonder eenige belangrijke gebeurtenis.

Maar in den middag hield een der voorste Dajaks plotseling halt.

»Wat is er?” vroeg Kees.

»Daar ligt een lijk, heer!”

»Ga dan eens kijken!”

»Ik durf niet, heer, voor de antoe’s!” antwoordde de Dajak op benauwden toon.

Kees luisterde al niet meer en snelde er heen, gevolgd door Marti. De Dajaks bleven vol vrees op tamelijk grooten afstand.

Op de aangeduide plaats vond hij de overblijfselen van een mensch. Het waren alleen eenige beenderen en lappen van kleeren; de dieren der wildernis hadden anders niets overgelaten. Met één oogopslag zag hij, dat het hoofd ontbrak.

»Gesneld!” zei hij tegen Marti.

»Ja, heer!” antwoordde deze. Op ’t zelfde oogenblik verkende hij de naaste omgeving.

»Hier is een mutsje, heer!”

»Een Maleier, Marti! dan is het een Maleier!” schreeuwde Kees opgewonden.

Nog een ogenblik zochten ze. Toen vonden ze de vernielde overblijfselen van een gordel.

Kees doorzocht het vod. Plotseling gaf hij een luiden schreeuw. Marti zag, dat Kees een klein zakje in de hand hield.

»De diamanten, heer?” vroeg hij ademloos.

»Misschien!” zei Kees, die met bevende vingers het zakje trachtte te openen.

Daar hield hij in zijn hand een groot aantal onaanzienlijke steentjes, die hij echter dadelijk als ruwe diamanten herkende.

»De diamanten!” zei hij opgetogen.

»Laat de Dajaks het niet merken, heer,” waarschuwde Marti.

Kees keek eens naar de Kenjaoe’s en bemerkte, dat ze hun schroom overwonnen hadden en langzaam naderden.

Hij borg de diamanten gauw in het zakje en stopte dit veilig tusschen zijn kleeren.

Nu gingen de beide mannen naar de Kenjaoe’s, die hen nieuwsgierig aanstaarden.

»Het was Amat, de Maleier, die hier gestorven is,” zei Kees.

»De Sibaoe heeft hem gesneld en is toen teruggekeerd,” vulde Marti aan.

»Alle Sibaoe’s zijn verraders!” zeiden de Kenjaoe’s met wraakzuchtige blikken op den gevangene.

die met bevende vingers het zakje trachtte te openen.

»Dat kan wel zijn,” zei Kees, »maar ik heb het aan dezen Sibaoe te danken, dat ik mijn amulet terug heb.”

»Heeft u die terug, heer?” vroegen de Kenjaoe’s, zichtbaar verheugd.

»Ja, en je ziet nu meteen, dat mijn amulet den Maleier in ’t ongeluk heeft gebracht,” antwoordde Kees.

De Kenjaoe’s kregen langzamerhand een gevoel van bijgeloovige vereering voor den blanken man.

De tocht werd nu voortgezet in Westelijke richting. Het spoor liep niet verder, want de koppensneller was na den moord op Amat langs denzelfden weg teruggekeerd. De gevangen Sibaoe diende nu als gids.

Onder het voortgaan tastte Kees herhaaldelijk naar zijn schat. Telkens vreesde hij, dat hij dien kwijt zou raken. Soms verbeeldde hij zich, dat het zakje met zijn kostbaren inhoud onder zijn kleeren uitgevallen was. Maar als hij zich dan weer overtuigd had, dat het nog veilig en wel aanwezig was, dan gaf hij zich weer over aan schoone toekomstdroomen. Ook Marti werd door prettige gedachten bezig gehouden. Hij wist, dat zijn heer hem rijkelijk beloonen zou voor zijn goede diensten.

Eindelijk bereikte men den voet van het gebergte. Weldra vond men ook de sporen van de teruggekeerde bala der Kenjaoe’s. Toen men ten slotte in het groote ravijn aankwam, was de geheele macht daar reeds gelegerd. Een luid gejuich ging er op, toen Kees met zijn gezelschap in ’t gezicht kwam.

Vóór de bala het rotshol doortrok, liet Kees de gevangen Sibaoe’s voor zich brengen.

»Ge kunt teruggaan naar uw land. Vertel dan aan de andere lieden van uw stam, dat de blanken geen menschen snellen. En als er nu weer een blanke in uw land komt, zorg dan, dat ge hem goed behandelt en hem zooveel mogelijk helpt. Dan hebt ge van de witte menschen niets te vreezen.”

De dankbare Sibaoe’s beloofden dit volgaarne. Toen maakten ze zich zoo snel mogelijk uit de voeten.

Maar de Kenjaoe’s staarden hen spijtig na. Gaarne hadden ze ook deze drie koppen medegenomen als een herinnering aan hun roemvollen tocht in het land der Sibaoe’s.

XIV. De terugkeer der overwinnaars.

Enkele dagen later was de heele bala der Kenjaoe’s weer in het eigen land teruggekeerd. Er heerschte een opgewekte stemming. Kees was in de wolken met zijn schat. Ook begon hij er naar te verlangen, het gevaarlijk leven in de wildernis, dat hij vroeger met zooveel verlangen gezocht had, vaarwel te zeggen. De Dajaks waren in hun schik met hun rijken buit aan koppen; zij verblijdden zich in ’t vooruitzicht der groote feesten, die ze weldra zouden geven.

Eenige boodschappers werden vooruitgezonden. Ze moesten de thuisgeblevenen al vast waarschuwen, om alles voor de festiviteiten in orde te brengen.

»U blijft toch, heer, om onze groote feesten mee te vieren?” vroeg Petinggi Datoek.

»Het was mijn plan, zoo spoedig mogelijk naar de benedenlanden af te zakken en dan naar mijn land terug te keeren,” antwoordde Kees.

»Zooals u wilt, heer!” zei de Dajak teleurgesteld.

»Zouden de Kenjaoe’s gaarne zien, dat ik een paar dagen bleef?” informeerde Kees vriendelijk.

»Ja, heer. Zij vinden, dat u niet alleen de gevaren, maar ook de vreugde met ons moet deelen.”

»Nu dan, het is goed! Ik zal nog eenige dagen in Tapang blijven om de feesten te zien.”

»Dat is goed gesproken, heer!” Verheugd verwijderde de Dajak zich, om de heuglijke tijding aan de anderen mede te deelen.

Eindelijk kwam de bala in Tapang aan.

Kees stond verstomd over de groote toebereidselen, die men voor het feest gemaakt had. Van heinde en ver waren de Kenjaoe’s toegestroomd. Om het eigenlijke dorp waren vele tientallen van afdakjes en hutjes opgebouwd voor de talloos velen, die in het huis zelf geen onderdak meer konden krijgen.

Zoodra de bala in ’t gezicht kwam, snelden al de menschen onder luidruchtig gejuich naar de overwinnaars toe, die met triomfkreten werden binnengehaald.

Weldra nam het feest een aanvang. De hoofden van de gesnelde Sibaoe’s werden op staken gezet. De thuisgeblevenen verzamelden zich om deze lugubere gedenkteekenen van den roem en staarden ze vol bewondering aan.

Men verkeerde in opgewonden stemming. Vrouwen zoowel als mannen dronken groote hoeveelheden toewak. Enorme porties rijst werden gekookt; vele varkens geslacht, om met hun vleesch den feestdisch te verrijken. Want een Dajak, die feest viert, moet in de eerste plaats kunnen eten en drinken.

Een belangrijke plaats vervulden ook de godsdienstige ceremoniën. Men moest de antoe’s beloonen voor hun onwaardeerbare hulp. Tal van kippen werden gedood en het bloed dezer dieren aan de antoe’s geofferd. Ook de koppen der Sibaoe’s, op staken rondgedragen, vervulden bij deze heidensche plechtigheden een gewichtige rol.

Eindelijk was de rijst op en de toewakpotten waren leeg. Toen gingen de menschen uit de andere dorpen weer naar hun woonsteden terug. De gewone toestand heerschte weer in Tapang.

Nu de kalmte weergekeerd was, wilde Kees nog enkele dagen rust nemen, om zich voor te bereiden voor de thuisreis.

»Blijft u toch nog eenigen tijd, heer!” noodde Petinggi Datoek. Hij koesterde groote dankbaarheid voor Kees en zou wel altijd zoo’n goeden raadsman bij zich willen houden.

»Petinggi, je begrijpt wel, dat ik er naar verlang, om mijn eigen land en mijn familie weer te zien.”

»Ja, heer; dat begrijp ik. En als het inderdaad uw vaste voornemen is, om te gaan, dan mogen we u niet weerhouden.”

Het speet den Dajak, maar hij wilde nu niet langer aandringen.

Op zekeren morgen gingen Kees en Marti, vergezeld van een groot aantal Tapangers, op weg naar de pangkalan, ten einde zich daar in te schepen voor de terugreis.

Bij de aanlegplaats gekomen, vonden ze hun djaloer nog in goeden staat. Ze brachten hun zaken in het bootje. Daarna wilden ze afscheid nemen van hun vrienden, die ze nooit weer zouden zien.

Maar de meeste Kenjaoe’s wilden nog geen afscheid nemen.

»Wij zullen u een eindweegs vergezellen, heer!”

Ontroerd door deze hartelijkheid stapten Kees en Marti in hun bootje. De Kenjaoe’s bemanden de andere booten en weldra zette de heele flottielje zich in beweging onder toejuiching van hen, die achter bleven.

Twee dagen begeleidden de trouwe Kenjaoe’s de beide reizigers. Toen verklaarden ze, terug te moeten gaan.

Opnieuw begon het afscheid nemen. Opnieuw voelden Kees en Marti, dat het zwaar viel, van deze ruwe, maar trouwhartige zonen der wildernis te moeten scheiden.

Onder een donderend afscheidsgejuich der Kenjaoe’s roeiden ze eindelijk met hun beiden weg.

Snel voeren ze stroomafwaarts. In weinige minuten hadden ze hun vrienden ver achter zich gelaten. Geruimen tijd zwegen ze, in gepeins verzonken over de vriendelijkheid en de dankbaarheid der Kenjaoe’s.

Marti verbrak het eerst de stilte.

»Het zijn toch bijna menschen, heer!”

»Maar Marti; het zìjn menschen! Brave menschen met heel veel goede eigenschappen.”

»Ja, heer; maar dat koppensnellen bevalt mij toch niet meer.”

»Dat zullen zij ook wel afleeren. Hun hart is goed en trouw. Als ze wat beschaafder worden, gaat die onmenschelijke gewoonte er ook wel uit. Nu weten ze immers nog niet beter.”

»Dat geloof ik ook wel, heer.”

»De Kenjaoe’s zijn heel goed voor ons geweest. Zij hebben ons als hun beste vrienden behandeld.”

»Ja, heer! maar die Sibaoe’s zijn toch nog echte, gemeene moordenaars.”

En deze meening hield Marti.

XV. Slot.

Eenige maanden later woonde Kees rustig en wel in zijn Hollandsch dorpje, waar hij tot zijn groote vreugde zijn ouders nog in leven had gevonden.

Zijn pensioentje, maar vooral de opbrengst der diamanten, stelde hem in staat, onbezorgd en gelukkig te leven in de streek, waar hij zijn zonnige jeugd had doorgebracht.

Vaak was hij het middelpunt van een groep luisterende dorpsgenooten. Maar vooral de jongens luisterden met open mond naar het verhaal van zijn avonturen.

Hoe levendig kon hij vertellen van de oorlogen der Dajaks en van de gevaren, waaraan hij was blootgesteld geweest, toen hij onder de koppensnellers leefde.

De trouwe Marti was op Borneo gebleven. Hij had in de kampong, waar hij vroeger gewoond had, een aardig huisje gekocht voor de rijke belooning, die Kees hem gegeven had. Toen was hij getrouwd en leefde gelukkig, dankbaar gestemd ten opzichte van zijn blanken heer, dien hij nooit weer zou zien. Maar aan zijn buren vertelde hij gaarne sterk overdreven verhalen van diens heldendaden en vooral ook van zijn eigen aandeel daaraan, en van den tijd toen hij nog vertoefde onder de beruchte koppensnellers.