WeRead Powered by ReaderPub
Onder Moeders Vleugels cover

Onder Moeders Vleugels

Chapter 19: Doodsbericht.
Open in WeRead

About This Book

Four sisters raised in a modest household confront scarcity, an absent parent, and social expectations while each developing distinct temperaments and ambitions. Through episodic domestic scenes—holiday plans, schooling, caretaking, creative work, and small conflicts—they face rivalry, humiliation, and loss, and gradually learn compromise, responsibility, and compassion. The narrative traces everyday struggles and moral instruction as familial affection and practical virtue guide their coming-of-age and shape the choices that define their adult identities.

“De Pickwick Portefeuille.”

20 Mei 18—.

Rubriek der Gedichten.

Op een verjaardag.

Welkom, lieve vrienden, welkom,

Op dee’z heugelijken dag!

Nu de Pickwick Club haar jaarfeest

Aan de kim verrijzen zag.

Allen zijn we tegenwoordig;

Allen zijn gezond en blij;

Voelen ons volmaakt gelukkig,

Van verdriet en zorgen vrij.

Onzen ijverigen Pickwick

Brengen wij den eersten groet;

Hem die ’t welgevulde weekblad,

Voorleest met zoo’n warmt’ en gloed.

Schoon hij zware kou gevat heeft,

Schor van keel is, heesch van stem,

Wil hij toch het werk niet staken.

Maar wie vreest dat ook van hem!

Zesvoet lange Stockwall zit daar

Met de gratie van een beer,

En zijn schalksche bruine tronie

Blikt lieftallig op ons neer.

Dichtvuur doet zijn oogen stralen,

“Moedig voorwaarts!” is zijn leus,

Eerzucht zetelt op zijn voorhoofd,

En een inktvlek op zijn neus.

Daarna volgt ons vriendje Tupman,

Zoo teerhartig, lief en goed;

Die om onze aardigheden

Altijd vreeselijk lachen moet.

Tot besluit de kleine Winkle.

’n Aardig ventje, keurig net,

Die, al haat hij ’t handen wasschen,

Keurig is op zijn toilet.

’t Jaar vloog om, wij bleven allen,

Onder pret en lach’ tezaam,

Langs het letterkundig voetpad

Stromplen naar den berg der Faam.

Moog ons blad steeds floriseeren!

Onze Club, dat is mijn beê,

Menig jaarfeest vroolijk vieren!

Lang nog leve de “P.C!”

A. Stockwall

Het Gemaskerde Huwelijk.

Een verhaal uit Venetië.

De eene gondel na de andere naderde de marmeren trappen en zette haar lieven last af, om de statige, schitterend verlichte zalen van den graaf de Adelon met haar gezelschap te vermeerderen. Ridders en edelvrouwen, elfen en pages, monniken en bloemenmeisjes, allen mengden zich vroolijk in den dans. Lieflijke stemmen en welluidende melodieën vervulden de lucht, en zoo had de maskerade plaats onder vroolijke muziek.

“Heeft uwe Hoogheid van avond ook Lady Viola gezien?” vroeg een ridderlijk troubadour aan de elfenkoningin, die aan zijn arm de zaal doorwandelde.

“Ja, is zij niet allerliefst, hoewel zij zoo treurig kijkt! Haar japon is ook zoo goed gekozen, want binnen een week trouwt ze met graaf Antonio, dien zij van ganscher harte haat.”

“Bij mijn ziel, ik benijd hem, daar komt hij aan, gekleed als een bruidegom, het zwarte masker niet medegerekend. Als hij dat heeft afgedaan, kunnen wij zien, hoe hij de schoone maagd aanziet, wier hart hij niet kan winnen, schoon haar strenge vader hem haar hand beloofde,” antwoordde de troubadour.

“Men vertelt dat zij den jongen Engelschen kunstenaar bemint, die haar volgt als haar schaduw, en door haar vader veracht wordt,” zei de dame, terwijl zij zich weer bij de dansers voegde.

Het feest had zijn toppunt bereikt, toen een priester binnentrad en het jonge paar wenkte hem te volgen naar een met purper fluweel behangen nis, waar hij hen verzocht neder te knielen. Diepe stilte heerschte onmiddellijk in de vroolijke vergadering, en geen ander geluid verbrak de stilte, dan het ruischen der fonteinen of het gesuizel in de oranjeboschjes, die in het maanlicht sliepen, toen graaf de Adelon aldus sprak:

“Mijne heeren en dames, vergeeft de list, die ik gebruikte om u hier bijeen te vergaderen en getuigen te zijn van het huwelijk mijner dochter.—Vader, wil met den dienst een aanvang maken.”

Aller oogen wendden zich naar het bruidspaar, en een zacht gemurmel van verbazing liep door de menigte, want noch de bruid noch de bruidegom ontdeden zich van het masker. Nieuwsgierigheid en verwondering vervulden aller hart, maar eerbied hield aller tong in bedwang, totdat de heilige band gelegd was. Toen verzamelden de toeschouwers zich om den graaf en verzochten een verklaring.

“Gaarne zou ik die geven, zoo ik maar kon, maar ik weet alleen, dat het een gril was van mijn bedeesde Viola, en ik gaf toe. Nu, mijne kinderen, laat het spel nu geëindigd zijn. Doet de maskers af, en ontvangt mijn zegen.”

Maar geen van beiden boog de knie, want de jonge bruidegom antwoordde op een toon, die alle toehoorders deed verbleeken, en toen hij het masker liet vallen werd het edel gelaat zichtbaar van Ferdinand Devereux, den kunstenaar-minnaar, terwijl de schoone Viola schitterend van vreugde en aanminnigheid het hoofd liet rusten tegen de borst, waar nu de ster van een Engelschen graaf fonkelde.

“Milord, gij hebt mij hooghártig gezegd, dat ik om de hand uwer dochter mocht vragen, als ik mij beroemen kon op een even gevierden naam en een even groot inkomen als graaf Antonio. Ik kan meer doen dan dat, want zelfs uw eerzuchtige ziel kan voldaan zijn, nu graaf de Devereux en de Vere zijn ouden naam en weêrgaloozen rijkdom in ruil aanbiedt voor de geliefde hand dezer schoone dame, nu mijn vrouw.”

De graaf stond als versteend, en zich naar de verbaasde menigte keerend, voegde Ferdinand er met een vroolijk triomfeerenden glimlach bij: “U, mijn ridderlijke vrienden, kan ik slechts toewenschen, dat uw begeerten even schitterend vervuld mogen worden als de mijne, en dat gij allen een even schoone bruid moogt winnen, als ik door dit gemaskerd huwelijk.”

S. Pickwick


Waarom is de P.C. gelijk aan den toren van Babel?

Zij is vol onordelijke leden.

Geschiedenis van een Meloen.

Op zekeren dag zaaide een hovenier een zaadje in zijn tuin, en na een poosje ontkiemde het en werd een flinke plant en droeg verscheiden meloenen. Op zekeren dag in October, toen ze rijp waren, plukte hij er een af en bracht dien naar de markt. Een kruidenier kocht hem en legde hem in zijn winkel. Dienzelfden morgen ging een klein meisje, met een bruinen hoed, een blauwe jurk en een stompen neus naar den winkel en kocht hem voor haar moeder. Ze bracht hem naar huis, sneed hem open, kookte hem in een grooten pot, en diende een gedeelte er van op met suiker voor het middagmaal; bij het overschietende deed zij een pintje melk, twee eieren, vier lepels suiker, wat nootmuskaat, en een paar beschuiten, deed het in een diepen schotel en bakte het, totdat het lekker bruin was: en den volgenden dag werd het opgegeten door een familie, March geheeten.

T. Tupman.


Aan den heer Pickwick.

Mijnheer,

Ik heb u iets te schrijven over een overtreding, de zondaar dien ik bedoel is een man, Winkle genaamd die heel lastig is in de vergadering, omdat hij lacht en soms geen stukken wil schrijven in dit bewonderde blad en ik hoop, dat u hem zijn zonde wilt vergeven en hem toe wilt staan een Fransche fabel in te zenden, omdat hij niet uit zijn hoofd kan schrijven en omdat hij zooveel lessen moet leeren en er geen hoofd voor heeft. In ’t vervolg zal ik probeeren den tijd bij de horens te vatten en een stukje klaar te maken dat geheel comme la fo zal zijn, ik bedoel heelemaal in orde, ik eindig in haast want het is bijna schooltijd.

Uw dienaar,

N. Winkle.

(Het bovenstaande is een mannelijke en flinke erkenning van vroeger slecht gedrag. Als onze jonge vriend zich eens op de interpunctie wilde toeleggen, zou dat niet kwaad zijn.)


Een Droevig Ongeluk.

Laatstleden Vrijdag werden we opgeschrikt door een hevigen slag in onze benedenste verdieping, gevolgd door een angstig geschreeuw. We vlogen gezamenlijk naar den kelder en ontdekten onzen geachten president languit op den grond, daar hij gestruikeld en gevallen was, toen hij hout wilde krijgen voor huiselijk gebruik. Een waar tooneel van verwoesting ontrolde zich voor onze ontstelde blikken, want de heer Pickwick was met hoofd en schouders in een tobbe water terecht gekomen, had een vaatje groene zeep over zijn kostbaar lichaam gekregen en zijn kleederen erg gehavend. Toen hij uit zijn gevaarlijke positie verlost was, ontdekte men, dat hem geen leed wedervaren was, behalve eenige lichte kneuzingen; we kunnen er tot onze vreugde bijvoegen, dat hij vrij wel is.

Red.

Doodsbericht.

Het is ons een treurige plicht u het plotseling en geheimzinnig verdwijnen mede te deelen van onze geliefde vriendin, mevrouw Witvoet. Deze beminnenswaardige en beminde poes was de lieveling van een grooten kring warme en bewonderende vrienden; haar schoonheid trok aller oogen tot zich, haar bevalligheden en deugden verzekerden haar een plaats in ieders hart, en haar verlies wordt door het geheele gezelschap diep gevoeld.

Ze is het laatst gezien bij het hek, waar ze de kar van den slagersjongen met hare opmerkzaamheid vereerde, en wij vreezen, dat de een of andere ellendeling, verlokt door haar bekoorlijkheden, haar heeft gestolen. Weken zijn voorbijgegaan, maar geen spoor van haar is ontdekt; wij geven alle hoop op, binden een zwart lint om haar mandje, zetten haar schotel ter zijde en beweenen haar als ééne, die ons voor altijd ontvallen is.


Een medegevoelend vriend zendt ons het volgende dicht-kleinood.

Klaaglied op Witvoet

Onze kleine Witvoet

Is helaas niet meer.

Z’s plotseling verdwenen,

En ach, wij treuren zeer.

’t Grafje van haar kleintje

Onder gindschen eik,

Gaan wij trouw bezoeken—

Maar waar rust haar lijk?

Ledig staat het mandje,

Roerloos ligt haar bal.

Kon ik maar vergeten,

Dat ik nooit meer zal

Hooren ’t zacht miauwen,

’t Vriendelijk gespin—

Alsof zij wou zeggen,

“Toe, laat mij er in.”

Ach, een ander katje

Loert op rat en muis,

Maar dat zal nooit worden

Speelpop hier in huis.

Want helaas! haar kopje

Is niet mooi of lief,

En zij mist de gratie

Van mijn hartelief.

En waar vroeger Witvoet

O, zoo rap en vlug!

Vreemde honden wegjoeg—

Blaast met hoogen rug,

Achter veil’ge tralies,

Nel naar ’t vreemd gespuis;

Neen, zij zal nooit worden

’t Sieraad van ons huis.

Z’ is wel goed en nuttig,

En ’t is waar, haar plicht

Wordt heel trouw en ijverig,

Steeds door haar verricht:

Maar zij streelt niet de oogen;

Dus—zóó innig teer,

Als wij u beminden,

Minnen wij nooit weer.

A. S.


Advertenties.

Mejuffrouw Ophelia Pennelikster, de beroemdste geletterde redenaarster, zal haar uitstekend werkje over “de Vrouw en hare Positie” in de Pickwick Club voorlezen, aanstaanden Zaterdag na afloop der gewone werkzaamheden.


Er zal eene wekelijksche bijeenkomst gehouden worden in de “Keukenzaal,” om jonge dames te leeren koken. Hanna Brown zal presideeren; alle leden worden verzocht trouw op te komen.


Naar wij vernemen zal de Stoffervereeniging aanstaanden Woensdag een vergadering houden op de bovenste verdieping der Sociëteit. Alle leden moeten in uniform precies te negen uur, met den stoffer op schouder, verschijnen.


Mejuffrouw Betsy Poppe zal de volgende week haar nieuw magazijn van Poppen-mode-artikelen openen. De laatste Parijsche modes zijn gearriveerd, en alle bestellingen zullen met de grootste zorg worden nagekomen.


Een nieuw stuk zal binnen weinig weken opgevoerd worden in het Schuur-Theater, dat alles belooft te overtreffen, wat tot nog toe op eenig Amerikaansch tooneel gegeven werd.

“De Grieksche Slavin of Constantijn de Wreker,” is de titel van dit roerend drama!!!


Wenken.

Indien S.P. niet zooveel zeep voor zijn handen gebruikte, zou hij ’s morgens niet altijd te laat aan het ontbijt komen. A.S. wordt verzocht niet op straat te fluiten. T.T. vergeet als ’t je belieft Amy’s servet niet. N.W. moet niet mopperen, omdat hij geen negen opnaaisels in zijn jurk heeft.


Weekberichten.

Meta —Goed.
Jo —Slecht.
Betsy —Zeer goed.
Amy —Middelmatig.

Toen de president geëindigd had met het voorlezen van het weekblad (een getrouwe copie van een blad dat eens door werkelijk bestaande meisjes geschreven werd) volgden er luide toejuichingen van alle kanten, en daarna stond de heer Stockwall op om een voorstel in te dienen.

“Mijnheer de president en mijne heeren,” begon hij, een houding en toon aannemende, waarvoor een parlementslid zich niet zou behoeven te schamen. “Ik zou u gaarne de toetreding van een nieuw lid in overweging geven; een vriend die dat ten zeerste verdient, er ten hoogste dankbaar voor zou zijn, en veel zou bijbrengen zoowel tot verhooging van het gehalte onzer Club, als tot de letterkundige waarde van ons blad, en die ontegenzeggelijk heel vroolijk en gezellig zou wezen. Ik stel den heer Theodoor Laurence voor als eerelid van de P.C.—Toe, vindt het maar goed.”

De plotselinge verandering in Jo’s stem maakte de meisjes aan het lachen; maar geen van allen juichte het plan dadelijk toe, of zei een enkel woord, toen Stockwall weer ging zitten.

“Wij zullen het in rondvraag brengen,” zei de president. “Allen, die ten gunste van het voorstel willen stemmen, worden verzocht “ja” te zeggen.”

Een luide uitroep van Stockwall, tot ieders verbazing, gevolgd door een fluisterend “Ja” uit Bets’ mond.

“Die er tegen stemmen worden verzocht hun “neen” uit te spreken.”

Meta en Amy waren er tegen; en de heer Winkle stond op om met groote deftigheid te zeggen: “Wij hebben er liever geen jongens bij; ze maken maar gekheid en zijn zoo wild. Dit is een damesgezelschap, en we willen onder ons blijven.”

“Ik ben bang, dat hij ons weekblad gek vinden en ons achter den rug uitlachen zal,” zei Pickwick en trok aan het krulletje op zijn voorhoofd, zooals hij altijd deed, wanneer hij in het een of ander niet tot een besluit kon komen.

Daar vloog Stockwall vol vuur op, roepende:

“Mijnheer, ik geef u mijn eerewoord, dat Laurie niets van dien aard zal doen. Hij schrijft graag, en hij zou ons blad veel aardiger maken door zijn bijdragen, en begrijp je dan niet, dat wij voor sentimentaliteit bewaard blijven, als hij er bij is? Wij kunnen zoo weinig voor hem doen, en hij doet zooveel voor ons, en ik vind dat we hem hartelijk welkom moeten heeten, als hij komt.

Deze slimme zinspeling op bewezen weldaden, deed Tupman vastbesloten opspringen.

“Ja, we moeten het doen, zelfs al zijn we wat bang. Ik zeg, dat hij komen mag en zijn Grootpapa ook als die wil.”

De flinke uiting van Bets bracht de andere clubleden in stomme verbazing en Jo verliet haar plaats om haar goedkeurend de hand te drukken.

“Nu dan, laat ons opnieuw stemmen. Ieder herinnere zich dat het onzen Laurie geldt, en zegge “ja”!” riep Stockwall opgewonden maar plechtig.

“Ja! Ja!” riepen drie stemmen tegelijk.

“Goed! dank je wel! En daar nu niets beter is dan “den tijd bij de horens te vatten,” zooals Winkle zeer juist heeft opgemerkt, neem ik de vrijheid u het nieuwe lid voor te stellen;” en tot ontsteltenis der overige leden rukte Jo de deur open van een klein kamertje, waar Laurie op een voddenkist zat, met een vuurrood gezicht van het ingehouden lachen.

“Schurk! Verrader! Jo, hoe kon je dát doen?” riepen de drie meisjes, toen Stockwall haar vriend zegevierend naar voren bracht, hem een stoel en een insigne gaf, en onmiddellijk installeerde.

“De onbeschaamdheid van die twee is waarlijk verbazingwekkend,” begon de heer Pickwick en trachtte zijn gelaat in een zeer

ernstige plooi te zetten, hetgeen echter niet gelukte, daar zich slechts een beminlijken glimlach vertoonde. Maar het nieuwe lid bleek tegen den storm opgewassen; hij stond op, maakte een sierlijke buiging en begon op de innemendste wijze: “Mijnheer de president en dames—ik vraag excuus, heeren—vergunt mij mezelf aan u voor te stellen als Sam Weller, de zeer nederige dienaar der club.”

“Goed zoo, goed zoo!” riep Jo en stampte met den steel van de oude beddepan, waarop zij steunde.

“Mijn trouwe vriend en edele beschermheer,” vervolgde Laurie met een bevallig manuaal, “die mij op zoo vleiende wijze heeft voorgesteld, verdient geen berisping over de laaghartige krijgslist van dezen avond. Ik maakte het plan en hij gaf eerst na lang plagen toe.”

“Kom, Laurie, neem nu niet de heele schuld voor jouw rekening; je weet dat ik het kamertje verzonnen heb,” viel Stockwall, die groote pret had, hem in de rede.

“Luister niet, naar wat zij zegt. Ik ben de ellendeling, die het gedaan heeft, mijnheer,” zei het nieuwe lid met een Wellerachtig knikje tegen den heer Pickwick. “Maar ik zal het op mijn eer nooit weer doen, en mij voortaan wijden aan de belangen van deze onsterfelijke club.”

“Hoor! hoor!” riep Jo en sloeg het deksel op den beddewarmer open en dicht, bij wijze van bekkens.

“Ga voort, ga voort!” voegden Winkle en Tupman er bij, terwijl de president welwillend boog.

“Ik wilde alleen nog maar zeggen, dat ik, als een gering blijk van mijn dankbaarheid voor de eer mij aangedaan, en als middel om het vriendschappelijk verkeer tusschen naburige volken te bevorderen, een postkantoor heb opgericht in de heg aan de achterzijde van den tuin; een fraai, ruim gebouw, met sloten op de deur en alle mogelijke gemakken. Het is het oude konijnenhok; maar ik heb de deur dicht en het dak opengemaakt, zoodat het alle soorten van dingen kan bevatten en ons veel kostbaren tijd zal besparen. Brieven, manuscripten, boeken en pakjes kunnen er in; en daar ieder volk een sleutel heeft, zal het bizonder practisch zijn, denk ik. Staat mij toe u den sleutel der club aan te bieden, en met hartelijken dank voor de bewezen gunst mijn plaats weder in te nemen.”

Een luid gejuich volgde, toen de heer Weller een kleinen sleutel op tafel neerlegde en weer ging zitten; de beddepan klapte en zwaaide geweldig, en het duurde een heelen tijd, eer de orde kon hersteld worden. Lange beraadslagingen volgden en allen spraken verwonderlijk goed, want allen deden hun best; het was dus een buitengewoon levendige vergadering, die eerst laat gesloten werd en eindigde met drie luide hoera’s voor het nieuwe lid.

Niemand had ooit berouw over de toelating van Weller; want een getrouwer, fatsoenlijker, en vroolijker lid kon in geen club gevonden worden. Hij bracht bepaald leven in de vergaderingen, en “pit” in het weekblad; zijn redevoeringen deden zijn toehoorders uitbarsten in lachen, en zijn bijdragen waren uitstekend, afwisselend, vaderlandslievend, klassiek, grappig, of treurig, maar nooit sentimenteel. Jo vond ze een Bacon, Milton of Shakespeare waardig en verbeterde er haar eigen opstellen met goed gevolg naar.

Het P.K. was een prachtinstelling en bloeide buitengewoon; want er werden bijna evenveel wonderlijke dingen door verzonden als door een werkelijk postkantoor. Treurspelen en dasjes, gedichten en ingemaakt zuur, bloemzaad en lange brieven, muziek en boeken, gomelastiek, uitnoodigingen, berispingen en katjes. De oude heer had er plezier in, zond aardige pakjes, geheimzinnige boodschappen en grappige telegrammen, en zijn tuinman, getroffen door Hanna’s bekoorlijkheden, zond haar eenmaal een minnebrief onder Jo’s adres. Wat lachten de meisjes toen het geheim uitkwam, niet droomende, dat het kleine postkantoor in vervolg van tijd nog menigen dergelijken brief zou bevatten.

Hoofdstuk XI.

Proefnemingen.

“1 Juni. Nu gaan de Kings morgen naar zee, en ik ben vrij! Drie maanden vacantie! Wat zál ik genieten!” riep Meta op zekeren warmen dag thuiskomend, waar ze Jo, totaal uitgeput, op de sofa vond liggen, terwijl Bets haar de stoffige laarzen uittrok en Amy limonade maakte, tot opfrissching van het heele gezelschap.

“Tante March is vandaag afgereisd, waar ik zielsdankbaar voor ben!” zei Jo. “Ik was zoo bang, dat ze me vragen zou met haar mee te gaan. Als ze het gedaan had, zou ik niet hebben kunnen weigeren, maar Plumfield is, zooals je weet, al even vroolijk als een kerkhof, en ik blijf liever hier. ’t Was me wat, hoor, eer we de oude dame klaar hadden, en de schrik sloeg me om het hart, telkens als ze iets tegen me zei; want in mijn verlangen om weg te komen, werd ik zoo buitengewoon behulpzaam en lief, dat ik nog bang was, dat ze onmogelijk van me zou kunnen scheiden. Ik beefde, tot ze goed en wel in het rijtuig zat, en kreeg nog tot besluit een geweldigen schrik, want toen zij wegreed, stak ze haar hoofd uit het raampje, en riep: “Jose—phine, zou je niet—”. Ik hoorde niets meer, maar keerde me lafhartig om en ging aan den haal. Toen ik den hoek om was gehold, voelde ik me pas veilig.”

“Arme, arme Jo! ze kwam binnenvliegen, alsof ze door beren werd nagezeten,” zei Bets, en wreef Jo’s voeten op moederlijke wijze.

“Tante March is een echte Samfier,” zei Amy en proefde haar mengsel met een critisch gezicht.

“Ze bedoelt Vampier; maar dat komt er zoo nauw niet op aan; het is te warm om op zijn woorden te letten,” zuchtte Jo.

“Wat zijn jullie van plan in de vacantie te doen?” vroeg Amy, behendig van onderwerp veranderend.

Ik blijf ’s morgens lang in bed liggen en doe niets,” antwoordde Meta van uit haar gemakkelijken stoel. “Ik ben er den heelen winter vroeg uitgejaagd, om dag in dag uit voor andere menschen te werken; nu ben ik van plan rust te nemen en eens naar hartelust plezier te maken.”

“Neen”, zei Jo, “dat luieren zou mij niet bevallen. Ik heb een massa boeken opgedaan, en ik ga mijn heerlijke uren gebruiken met lezen op mijn plaatsje in den ouden appelboom, als ik niet aan het h—”.

“Zeg niet herrie maken!” smeekte Amy, in weerwraak over de “sampier”-terechtwijzing.

“Dan zal ik zeggen aan het “hollen” ben met Laurie; dat is een heel gepast woord, daar hij toch soms zoo’n woesteling is.”

“Dan moesten wij nu eens voor een poos ook geen werk doen, maar den heelen dag spelen en rusten, net als de anderen van plan zijn,” zei Amy.

“Dat is goed, als moeder er niets tegen heeft. Ik zou graag wat nieuwe stukjes leeren, en mijn kinderen moeten voor den zomer in orde gebracht worden; ze zijn er treurig aan toe en hebben groot gebrek aan kleeren.”

“Vindt u het goed, Moeder?” vroeg Meta en wendde zich tot mevrouw March, die in “moedershoekje” zat te naaien.

“Je kunt het eens voor een week probeeren en zien, hoe het jullie bevalt. Maar ik denk, dat je Zaterdagavond zult moeten erkennen, dat altijd spelen en niets uitvoeren al even erg is, als altijd werken en nooit spelen.”

“O hemel, neen! het zal heerlijk zijn, daar ben ik zeker van,” zei Meta welbehaaglijk.

“Ik stel een toast voor, zooals mijn “vriendin en collega Sairy Gamp”1 zegt: “Den heelen dag pret en niets geen gezwoeg!” riep Jo opstaande, met het glas in de hand toen de limonade gepresenteerd was.

Allen klonken met een vroolijk hart en begonnen met de proefneming, door het overige van den dag te luieren. Meta verscheen den volgenden morgen eerst om tien uur; haar eenzaam ontbijt smaakte haar niet, en de kamer scheen ongezellig en rommelig, want Jo had de vazen niet gevuld, Bets had geen stof afgenomen, en Amy’s boeken lagen overal verspreid. Niets was netjes en uitlokkend dan “moedershoekje”, dat er als naar gewoonte uitzag; en daar ging ze zitten rusten en lezen, hetgeen echter niet veel anders was dan geeuwen en zich voorstellen welke mooie zomerjaponnetjes ze voor haar salaris koopen zou. Jo bracht den morgen door op de rivier met Laurie, en den namiddag met lezen en schreien over “De Wijde Wijde Wereld” boven in den appelboom. Bets begon alles uit de groote kast overhoop te halen, waar haar kinderen verblijf hielden, maar daar ze moe werd, eer ze halfweg was; liet ze den heelen rommel overhoop liggen en begon piano te spelen, blij dat ze niets behoefde om te wasschen. Amy bracht haar prieel in orde, deed haar beste witte jurk aan, maakte haar krullen netjes op en ging zitten teekenen onder de kamperfoelie, hopende, dat de een of ander haar zou opmerken en vragen, wie dat jonge kunstenaresje toch was.

Daar niemand verscheen behalve een nieuwsgierige hooiwagen, die haar werk met veel belangstelling onderzocht, ging ze wandelen, werd door een regenbui overvallen, en kwam druipnat thuis.

Aan de thee deelde ieder haar lotgevallen mee, en allen kwamen overeen, dat het een heerlijke, maar buitengewoon lange dag was geweest. Meta, die ’s middags haar inkoopen was gaan doen en een “beelderig blauw neteldoekje” had gekocht, merkte, nadat ze de banen had afgeknipt, dat het niet gewasschen kon worden, welk ongeluk haar niet weinig uit haar humeur bracht; Jo had onder het roeien in de felle zon haar neus gevoelig gebrand en zware hoofdpijn opgedaan door te lang lezen. Bets werd gekweld door de wanorde van haar kast, en de onmogelijkheid om drie of vier stukjes tegelijk te leeren, en Amy betreurde diep de schade aan haar jurk, want den volgenden dag gaf Katy Brown een partijtje, en nu had zij, net als Flora Mc. Flimsy, “niets om aan te doen.” Maar dat waren slechts kleinigheden, en ze verzekerden hun moeder, dat de proef uitstekend gelukte. Mevrouw March glimlachte, zei niets en deed met Hanna alles, wat de meisjes verzuimd hadden te doen, maakte “thuis” gezellig, en hield de huishoudelijke machine zachtjes aan den gang. Wonderlijk, hoe ’n vreemde en onaangename staat van zaken te voorschijn geroepen werd door dat leventje van “rust en genot.” De dagen vielen steeds langer, het weer was buitengewoon veranderlijk en de humeuren dito. Een onrustig gevoel maakte zich meester van allen, en de duivel vond voor de ledige handen bezigheid in overvloed. Als toppunt van weelde en gemak, gaf Meta een gedeelte van het naaiwerk buitenshuis, maar vond den tijd toen zoo drukkend lang, dat ze haar kleeren ging veranderen en bederven, in haar pogen om ze te moderniseeren à la Moffat. Jo las, tot haar oogen haar begaven en ze genoeg had van boeken, werd zoo kribbig, dat zelfs de goedhartige Laurie met haar aan het kibbelen raakte en zoo droefgeestig, dat ze hartelijk wenschte, maar mee te zijn gegaan met tante March. Bets maakte het nogal goed, want ze vergat gedurig, dat ze altijd kon spelen en niet hoefde te werken, en verviel nu en dan weer in haar oude gewoonten, maar er scheen iets in de lucht, dat zelfs haar besmette, en meer dan eens werd haar rustig gemoed bewogen; zoo erg zelfs, dat ze bij een zekere gelegenheid de arme, lieve Johanna door elkaar schudde en haar uitmaakte voor “een vogelverschrikker”. Amy kwam er het slechtst af, want zij had weinig om zich mee bezig te houden; en toen haar zusters haar aan haar lot overlieten en ze zich zelf moest amuseeren, vond ze haar begaafd, belangwekkend persoontje een grooten last. Van poppen hield ze niet; sprookjes vond ze kinderachtig en je kon niet altijd teekenen. Visites beteekenden niet veel, evenmin als picnics, tenzij ze heel plezierig waren ingericht. Als je een mooi huis had vol met aardige meisjes, of als je kon gaan reizen, zou de zomer heerlijk zijn; maar thuis te blijven met drie egoïstische zusters en een grooten jongen, was genoeg om “Job zijn geduld te doen verliezen,” klaagde de kleine deftigheid, nadat ze zich verscheiden dagen verveeld had.

Geen van allen wilde toegeven, dat ze genoeg hadden van de proefneming, maar Vrijdagavond erkende ieder voor zichzelf, blij te zijn, dat de week bijna om was. In de hoop hun het lesje dieper in te prenten, besloot mevrouw March, die veel van een grap hield, een waardig slot te maken aan de zaak. Ze gaf Hanna een dag vrijaf om de meisjes eens ten volle de gevolgen van zoo’n speelsysteem te doen gevoelen.

Toen zij Zaterdagmorgen beneden kwamen, was er geen vuur aan in de keuken, geen ontbijt in de eetkamer, en Moeder nergens te zien.

“Lieve hemel! wat is er gebeurd?” riep Jo, verbaasd rondziende.

Meta liep naar boven en kwam al gauw weer terug, gerustgesteld, maar toch verwonderd en een beetje beschaamd.

“Moeder is niet ziek, alleen erg moe, en ze zegt, dat ze den heelen dag rustig op haar kamer blijft en ons alles maar eens zal laten doen, zoo goed en zoo kwaad het gaat. Wel iets vreemds voor haar, ze is heel anders dan gewoonlijk, maar ze zegt, dat het een moeilijke week voor haar geweest is, en we dus niet verdrietig moeten zijn, maar ons zelf redden.”

“Dat is gemakkelijk genoeg, ik vind het wel aardig; ik snak er naar om eens iets te doen te hebben; dat is te zeggen, een nieuw pleziertje,” voegde Jo er haastig bij.

En werkelijk, het was een ware verlichting voor allen, dat ze iets te doen hadden, en ze begonnen vol goeden wil, maar ondervonden weldra de waarheid van Hanna’s gezegde: “Huishouden doen is geen gekheid.” Er was overvloed van eten in provisiekast en kelder, en terwijl Bets en Amy de tafel dekten, maakten Meta en Jo het ontbijt in orde, zich verwonderende, dat dienstboden ooit over zwaar werk klaagden.

“Ik zal maar wat aan Moeder brengen; ze zei anders, dat wij maar niet aan haar moesten denken, want dat ze wel voor zichzelf zou zorgen,” zei Meta, die presideerde en zich heel gewichtig voelde achter den trekpot.

Er werd dus een blaadje in orde gemaakt, voordat de meisjes begonnen te eten, en naar boven gebracht, met de complimenten van de keukenmeid. De gekookte thee was heel bitter, de omelet verbrand en de geroosterde boterham smaakte naar den rook; maar mevrouw March nam haar ontbijt in dank aan, en lachte er hartelijk om, toen Jo weer naar beneden was gegaan.

“Arme stumperds; ik ben bang dat ze ’t vandaag heel moeilijk zullen hebben; maar ze zullen er niet van bederven en het zal hun eene goede les wezen,” zei mevrouw March, terwijl ze de meer eetbare dingen te voorschijn haalde, waarvan zij zich voorzien had, en het slechte ontbijt opruimde, om het gevoel der meisjes niet te kwetsen;—eene kleine, moederlijke list, waar ze haar dankbaar voor waren.

Menige klacht werd beneden gehoord, en groot was het verdriet der keukenprinses, dat alles zoo slecht was uitgevallen. “Wees maar stil, ik zal voor het middageten zorgen en de meid zijn; jij bent mevrouw, houd je handen schoon, ontvang bezoek en geef bevelen,” zei Jo, die nog minder dan Meta ingewijd was in de geheimen der kookkunst.

Dit vriendelijk aanbod werd met vreugde aangenomen, en Meta ging naar de zitkamer, die ze haastig in orde bracht, door allen rommel onder de canapé te schuiven en de jalouzieën te sluiten, hetgeen de moeite van ’t stof afnemen uithaalde.

Jo deed, met vast vertrouwen op eigen krachten en den vurigen wensch weer vrede te sluiten, een briefje in de bus voor Laurie, met een uitnoodiging om te komen eten.

“Je zou beter doen met eerst te zien, wat voor eten je hebt, voordat je aan inviteeren denkt,” zei Meta, toen zij de gastvrije, maar wel wat ondoordachte daad vernam.

“O, er is biefstuk, en overvloed van aardappelen, en ik zal wat asperges en een kreeft zien te krijgen “voor een aardigheidje er bij,” zooals Hanna zegt. We zullen kropsla koopen en kreeftensla maken; ik weet wel niet hoe, maar dat staat wel in het boek. En dan blanc-manger en aardbeien voor dessert en koffie toe, als je ’t graag heel mooi wilt hebben.”

“Probeer niet te veel, Jo, want je kunt niets eetbaars maken als kruidkoekjes en stroopwafeltjes. Ik trek mijn handen af van de partij, en nu jij op eigen gezag Laurie gevraagd hebt, moet jij ook maar voor hem zorgen.”

“Je hoeft niets anders te doen dan aardig tegen hem te zijn, en mij aan de pudding te helpen. Je zult mij toch wel raad willen geven, als ik niet verder kan?” vroeg Jo eenigszins gegriefd.

“Ja, maar ik weet niet veel, behalve over brood en een paar kleinigheden. Je deed beter Moeder te vragen of zij het goed vindt, voor je iets bestelt,” antwoordde Meta voorzichtig.

“Natuurlijk zal ik dat; ik ben ook niet dom,” en Jo ging knorrig heen, omdat er aan haar kundigheden getwijfeld werd.

“Neem wat je wilt, en val mij niet lastig; ik moet van middag uit eten en heb geen tijd, om mij met de dingen te bemoeien,” zei mevrouw March, toen Jo het haar vroeg. “Ik heb nooit veel van huishoudelijk werk gehouden, en neem vandaag eens een vacantiedag. ’k Ben van plan eens heerlijk te lezen, wat te schrijven, een paar visites te maken, en er eens een plezierigen dag van te nemen.”

Het ongewoon schouwspel, dat haar bedrijvige moeder in een gemakkelijken stoel ’s morgens vroeg zat te lezen, gaf Jo een gevoel, alsof er een of ander zeldzaam natuurverschijnsel had plaats gehad, want een zon-eclips, een aardbeving of een vulkanische uitbarsting zou haar niet meer hebben kunnen verbazen.

“Alles is van streek,” zei ze bij zichzelf, toen ze weer naar beneden ging, “Bets zit te schreien—een zeker teeken, dat er iets niet in den haak is. Als Amy lastig wordt, schud ik haar door elkander.”

Zelf mooi uit haar humeur, stormde Jo al naar de zitkamer, en vond Bets schreiend over Pietje, de kanarie, die dood in zijn kooi lag, met zijn klauwtjes uitgestrekt, alsof hij roerend smeekte om het voedsel, dat hem onthouden was en waardoor hij van gebrek had moeten omkomen.

“Het is allemaal mijn eigen schuld—ik heb hem heelemaal vergeten en er is geen zaadje of droppeltje water meer in de bakjes—o Piet! o Piet! hoe kon ik zoo wreed zijn?” riep Bets snikkend, nam het arme diertje in de hand en zocht het weer in ’t leven terug te roepen.

Jo keek in zijn halfgesloten oogjes, voelde aan zijn hartje en toen ze merkte dat hij stijf en koud was, schudde zij het hoofd, en bood het doosje van haar dominospel aan, om tot kist te dienen.

“Leg hem eens in den oven, misschien zal hij dan warm en weer levend worden,” zei Amy hoopvol.

“Hij is van honger gestorven, en hij zal niet gebakken worden, nu hij dood is. Ik zal hem een lijkkleedje maken en hem begraven, en ik wil nooit een ander vogeltje hebben; neen, lieve Piet, nooit weer! want ik ben er veel te slecht voor,” fluisterde Bets, haar lieveling tegen zich aandrukkend.

“De teraardebestelling zal van middag plaats hebben, en we zullen allen achter het lijk gaan. Huil maar niet, Bets, het is jammer, maar niets gaat goed deze week, en Piet is er het slechtst afgekomen. Maak het rouwkleed maar en leg hem in mijn kistje; en na het diner zullen wij een begrafenisje hebben,” zei Jo, met een gevoel, alsof zij heel wat op zich genomen had.

Het verder aan de anderen overlatende om Bets te troosten, ging Jo naar de keuken, die in een staat van treurige verwarring bleek. Ze deed een grooten boezelaar voor, en toog aan het werk, zette alle borden en schotels vast klaar, en merkte toen, dat het vuur uit was.

“Een heerlijk vooruitzicht!” mopperde Jo, rukte het deurtje van het fornuis open, en begon zoo hard zij kon te poken. Toen ze het vuur wat opgerakeld had, dacht ze, dat het niet kwaad zou zijn, als ze naar de markt ging, terwijl het water heet werd. De wandeling verkwikte haar, en blij, dat ze zulke goede inkoopen gedaan had, keerde zij huiswaarts met een piepjonge kreeft, stokoude asperges en twee potjes niet al te rijpe aardbeien. Tegen dat ze alles in orde had gebracht, kwamen de artikelen voor het middagmaal, en was het fornuis gloeiend heet. Hanna had gezegd, dat het brood dien dag gebakken moest worden; Meta had het ’s morgens vroeg gekneed en te rijzen gezet, maar er verder niet meer om gedacht. Ze zat juist heel genoeglijk met Sallie Gardiner te keuvelen, toen de deur openvloog en een verhit, verontwaardigd en bestoven gezicht om de deur kwam en uitdagend vroeg:

“Zeg, is het brood nog niet genoeg gerezen, als de pan overloopt?”

Sallie begon te lachen, maar Meta knikte en trok haar wenkbrauwen zoo hoog mogelijk op, waarna de verschijning verdween, om het ongelukkige brood zonder verder uitstel in den oven te zetten. Mevrouw March ging uit, na hier en daar eens rondgekeken te hebben hoe de zaken stonden, en na een woordje van troost tot Bets, die het lijkkleed zat te naaien, terwijl de geliefde doode in het dominospeldoosje lag. Een vreemd gevoel van hulpeloosheid maakte zich van de meisjes meester, toen de grijze hoed om den hoek der straat verdween, en wanhoop beving hen, toen een paar minuten later juffrouw Crocker verscheen en aankondigde, dat ze graag bleef eten. Juffrouw Crocker was een mager, taankleurig mensen, met een scherpen neus en onderzoekende oogen, die alles opmerkte en alles buitenaf bepraatte. De meisjes hielden niet van haar, maar hadden geleerd vriendelijk tegen haar te zijn, omdat zij arm en oud was en weinig vrienden had. Meta gaf haar dus den gemakkelijken stoel en deed haar best om haar aangenaam bezig te houden, terwijl de bezoekster naar alles vroeg, alles critiseerde, en allerlei dingen vertelde van menschen, die zij kende. Geen pen kan beschrijven hoeveel angst Jo dien morgen uitstond, hoeveel ondervinding ze opdeed, en hoe ze zich moest inspannen, terwijl het maal, dat ze opdischte, haar later altijd werd nagehouden. Daar zij geen verderen raad durfde vragen, tobde ze alleen voort en kwam tot de overtuiging, dat er om keukenmeid te zijn, meer noodig is dan lust en goeden wil. Ze kookte de asperges een uur lang op een heet vuur, en zag tot haar schrik, dat de kopjes er afkookten en de steelen hard en taai werden. Het brood verbrandde, want het klaarmaken der kreeftensla nam zoo haar aandacht in beslag, dat ze al het andere aan haar lot overliet tot ze zag, dat zij het gerecht toch niet eetbaar kon maken. De kreeft was een vuurrood mysterie voor de arme, geagiteerde Jo, maar zij hamerde en prikte er net zoolang op, tot de schaal losliet, en begroef toen den mageren inhoud onder de slablaadjes. De aardappelen moesten haastig gekookt worden, om de asperges niet te laten wachten, en bleken ten slotte toch niet gaar. De blanc-manger zat vol klontjes, en de aardbeien waren niet zoo rijp als ze eerst wel schenen, daar de mooiste zorgvuldig bovenop waren gelegd.

“Dan moeten ze in vrede maar biefstuk met brood en boter eten, als ze honger hebben, maar het is wel sneu, dat ik den heelen morgen bezig ben geweest voor niets,” dacht Jo, toen ze de etensbel een half uur later dan gewoonlijk luidde, en verhit, vermoeid en ontstemd het maal overzag, dat ze Laurie moest opdisschen, die alles zoo mooi en goed gewend was, en aan juffrouw Crocker, wier nieuwsgierige oogen alle gebreken zouden opmerken en wier babbeltong alles heinde en ver zou verspreiden.

De arme Jo zou graag onder de tafel gekropen zijn, toen het eene gerecht voor, het andere na, geproefd en op zij geschoven werd; terwijl Amy giegelde, Meta verslagen keek, juffrouw Crocker veelbeteekenend haar lippen op elkaar klemde, en Laurie uit alle macht praatte en lachte, om het feestmaal op te vroolijken. Jo had al haar hoop gevestigd op de vruchten, want zij had ze goed gesuikerd en een kannetje heerlijken room besteld om er bij te gebruiken. Haar gloeiende wangen koelden wat af, en ze haalde diep adem, toen de mooie kristallen schoteltjes rondgingen, en ieder verheugd keek naar de kleine rose eilandjes, drijvend in een zee van room. Juffrouw Crocker proefde het eerst, trok een afschuwelijk gezicht, en dronk gauw wat water. Jo, die bedankt had, uit vrees dat er niet genoeg zou wezen, keek naar Laurie, maar hij at met mannenmoed door, hoewel hij zijn lippen met moeite in bedwang hield om niet uit te barsten in lachen, en hij strak op zijn bord staarde. Amy, verzot op lekkernijen, nam een flinken hap, stikte er bijna in, verborg haar gezicht in haar servet, en vloog de kamer uit.

“O, wat mankeert er aan?” vroeg Jo bevend.

“Zout in plaats van suiker, en de room is zuur,” antwoordde Meta met een tragisch gebaar.

Jo kreunde en viel achterover in haar stoel, zich herinnerend, dat ze de aardbeien inderhaast nog eens goed bestrooid had uit een van de twee potjes, die op de keukentafel stonden, en dat zij verzuimd had den room in de ijskast te zetten. Met een hoofd als vuur op het punt in tranen uit te barsten, ontmoette ze Laurie’s oogen, die spottend wilden kijken, in weerwil van zijn heldhaftige pogingen; de grappige kant van ’t geval trof haar eensklaps, en zij lachte, lachte, tot de tranen haar langs de wangen rolden. Allen volgden haar voorbeeld, zelfs juffrouw Crocker, en het ongelukkige maal liep vroolijk af met brood en boter, bananen en pret.

“Ik voel me nog niet in staat om nu den boel al te gaan opruimen; we moesten ons liever weer in een kalme stemming brengen door eerst de begrafenis bij te wonen,” zei Jo, toen zij opstonden en juffrouw Crocker zich gereed maakte te vertrekken, om de dwaze historie aan andere vrienden te gaan vertellen.

Allen bedaarden ter wille van Bets; Laurie dolf een grafje tusschen de varens in het boschje; het kleine Pietje werd er onder heete tranen door zijn teerhartige meesteres ingelegd en met mos bedekt, terwijl ze een krans van viooltjes en witte muur om den steen hing, die het grafschrift droeg, door Jo vervaardigd, terwijl ze zich met het eten afsloofde:

Dit is ’t graf van Pietje March,

Die op zeven Juni stierf;

Betreurd door ’t gansche huisgezin,

Daar hij aller gunst verwierf.

Na afloop der plechtigheid trok Bets zich in haar kamer terug, akelig van droefheid en van de kreeft, maar er was geen rust voor haar te vinden, want de bedden waren nog niet opgemaakt, en ze ondervond dat haar verdriet wel iets verminderde onder het opschudden van kussens en het in orde brengen der kamer. Meta hielp Jo de overblijfselen van het feest weg te ruimen, dat den halven namiddag in beslag nam, en haar zoo vermoeide, dat zij overeen kwamen zich tevreden te stellen met thee en geroosterd brood voor het avondeten. Laurie ging wat met Amy rijden, een ware weldaad, want de zure room scheen een slechten invloed uitgeoefend te hebben op haar humeur. Toen Mevrouw March thuis kwam vond ze de drie oudste meisjes nog hard aan het werk, en gaf een blik in de provisiekamer haar eenig begrip van het welslagen van een gedeelte der proefneming.

Voordat de huishoudsters konden gaan rusten, kwamen er verscheiden bezoekers, en hadden ze zich vreeselijk te haasten om klaar te komen, en ze te kunnen ontvangen; toen moest er thee gezet, en waren er een paar boodschappen te doen, daarna nog wat naaiwerk, dat volstrekt af moest, maar tot het laatste oogenblik uitgesteld was. Eindelijk, toen het begon te schemeren en het koel en rustig werd, konden ze in de waranda neervallen, waar de Junirozen zoo heerlijk in knop stonden, en allen zuchtten of steunden, vermoeid en ontstemd.

“Wat is dit een verschrikkelijke dag geweest!” begon Jo, die gewoonlijk het gesprek opende.

“Hij leek mij toch korter toe dan anders, maar wel erg ongezellig,” zei Meta.

“Zoo héél anders dan we gewoon zijn,” voegde Amy er bij.

“Dat wil ik wel gelooven, zonder Moeder en Pietje,” zuchtte Bets, en staarde met betraande oogen naar het ledige kooitje boven haar hoofd.

“Hier is Moeder, kindlief, en je zult morgen een nieuw vogeltje hebben, als je ’t graag wilt.”

Zoo sprekend kwam mevrouw March naar buiten, zette zich bij de meisjes neer, met een gezicht, alsof haar vacantiedag niet veel prettiger was geweest dan die van haar kinderen.

“Wel, meisjes, zijn jullie tevreden over de proefneming, of verlang je nog zoo’n week?” vroeg ze, toen Bets zich tegen haar aan vleide en de anderen zich met opgeklaarde gezichtjes naar haar toekeerden, als bloemen naar de zon.

“Ik stellig niet!” riep Jo beslist.

“Ik ook niet,” herhaalden de anderen.

“Jullie vindt dus, dat het beter is enkele plichten te hebben, en ook wat voor anderen te leven, is ’t niet?”

“Luieren en pretmaken is niet het ware,” merkte Jo hoofdschuddend op. “Ik heb er genoeg van, en ben van plan dadelijk aan ’t werk te gaan met het een of ander.”

“Als jullie eens eenvoudig eten leerde koken, ’t is bepaald noodig dat iedere vrouw dat kan,” zei mevrouw March, hardop lachend, bij de herinnering aan Jo’s maaltijd, want ze had juffrouw Crocker ontmoet, die er haar een verslag van had gegeven.

“Moeder! is u uitgegaan en liet u alles aan zijn lot over, om eens te zien, hoe wij het er af zouden brengen!” riep Meta, die er den heelen dag een voorgevoel van had gehad.

“Ja, ik wou, dat jullie eens zouden ondervinden, hoe de rust en het geluk van allen noodig maken, dat ieder trouw zijn plicht doet. Terwijl Hanna en ik jullie werk deden, ging alles vrij goed, hoewel ik niet geloof dat jullie heel gelukkig of prettig gestemd waren; daarom dacht ik, dat het geen kwaad zou kunnen als ik je eens liet zien, wat er gebeurt wanneer ieder uitsluitend aan zichzelf denkt. Voel jullie niet, dat het plezieriger is elkaar te helpen, dagelijksche plichten te hebben, die den vrijen tijd zoo kostbaar en heerlijk maken, en elkander te verdragen, zoodat ons “thuis” gezellig en prettig kan zijn voor iedereen?”

“Ja, ja, Moeder, wij zien het nu wel in!” riepen de meisjes.

“Nu, dan geef ik jullie den raad je kleine pakken maar weer op te nemen; want al schijnen ze soms zwaar, ze zijn toch goed voor ons, en worden lichter, naarmate we ze leeren dragen. Werken is gezond, en er is genoeg te doen voor alle menschen; ’t komt lichaam en geest ten goede, en geeft ons een gevoel van macht en onafhankelijkheid, dat beter is dan geld.”

“Wij zullen werken als bijen en het prettig vinden ook; let u maar eens op, of het niet waar is!” zei Jo. “Ik stel mij in mijn vacantie tot taak de dagelijksche dingen te leeren koken, en mijn volgend diner zal uitstekend zijn.”

“Ik zal de hemden voor Vader naaien, en het niet weer aan u overlaten, Moeder. Ik kan het best doen en ’t zal beter zijn, dan te zitten knoeien aan mijn eigen kleeren, die eigenlijk goed genoeg zijn, zooals ze zijn,” beloofde Meta.

“Ik zal elken dag mijn lessen leeren en niet zooveel tijd besteden aan mijn muziek en mijn poppen. Ik ben een dom kind en moest liever studeeren in plaats van te spelen,” was Bets’ besluit; terwijl Amy haar voorbeeld volgde, door met heldenmoed te verklaren:

“Ik zal knoopsgaten leeren maken en op mijn taalfouten letten.”

“Heel goed, dan ben ik volmaakt tevreden met den uitslag der proef, en geloof niet, dat wij het nog eens zullen moeten herhalen; maar pas op, dat jullie niet in een ander uiterste vervalt en den heelen dag zwoegt,” waarschuwde mevrouw March glimlachend.

“Vaste uren voor werk en spel maken iederen dag nuttig en prettig. Toont dat je de waarde van den tijd begrijpt door hem verstandig te gebruiken, dan zal jullie leven goed besteed zijn.”

“Wij zullen het onthouden, Moeder!” en ze hielden woord.