[48] Opgebakken rijst.
[49] Ondeugend.
[50] Gladak = al wat bij 't verrigten der heerediensten gebruikt wordt; pop: iets dat slecht, gemeen, afgejakkerd is.
[51] Heer, heerschap.
[52] Oud moedertje.
[53] De Javaan weet zelden hoe oud hij is; somtijds echter herinnert hij zich, bij overlevering, dat zijn vader, ter viering van 's kinds geboorte, dezen-of-genen boom geplant heeft, naar wiens vermoedelijken ouderdom hij dan den zijnen afmeet. Zoo lezen we in 't Maleische werkje, getiteld »Pelajeran Abdallah", van een grijs moedertje, dat, gevraagd zijnde hoe oud ze was, op een ouden klappa wees, welken zij verklaarde de plaatsvervanger te zijn van een anderen, die bij haar geboorte was geplant, doch reeds lang, der dagen zat, gestorven was. Daar nu de klappa 60 en meer jaren oud wordt, zoo zou men uit dit voorbeeld mogen afleiden, dat de Maleijer soms een aartsvaderlijken leeftijd bereiken kan.
[54] 't Sirih-kaauwen kleurt 't speeksel en de lippen vermiljoenrood.
[55] Haarwrong: natuurlijke chignon — zonder gregarinen.
[56] Hoofdbedeksel, in den vorm van een bol- of kegel-segment.
[57] Slamat beteekent: heil, zegen.
[58] Houweel, om den grond meê te bewerken.
[59] Djins en Shètans: twee categoriën van booze geesten. Met 't oog op de gemengde oud-Hindoesche en Musulmansche geloofsbegrippen van den Javaan, nemen we de vrijheid, deze echt Mohammedaansche schepsels der verbeelding met god Siwa in eenzelfde nabuurschap te plaatsen.
[60] Bekkens.
[61] Een vuurroode bloem, die heerlijk afsteekt in de zwarte haren der Javaansche schoonen.
[62] Tjelaka beteekent: ongeluk, ramp, verderf — als tegenstelling van Slamat = heil, zegen.
[63] »Wat overkomt meneer?"
[64] Koekjes, inlandsch gebak.
[65] Een aapsoort.
IV.
Den nacht daarop, droomde ik, als naar gewoonte.
En zie — ik droomde van den berg, wiens heerlijkheid den ganschen dag mijn oog en geest had bezig gehouden.
Weêr zat ik op mijn knokigen Bucephalus; weêr bragt ik mijn heilgroet den Slamat toe. En toen ik mijn »tjelaka, tjelaka!" uitgalmde — toen hield geen domme jongen mijn strijdros in bedwang. — Maar ik vloog voort, als op de wieken van den vogel Rok — met de witte rookzuil tot poolster van mijn vlugt — opwaarts, immer opwaarts!
Ik doorkruiste de bosschen, die zich uitstrekken aan uw voet, o reus van midden-Java; den tijger verstoorde ik in 't verslinden van zijn prooi, den forschen banteng[66] streefde ik voorbij; den neushoorn heb ik bespied, den loggen vorst der wouden, als hij afdaalde langs 't zelfgegraven rotspad, om zijn dorst te stillen aan de koele wateren van 't meer Randjeng[67].
En verder ben ik gegaan. Ik heb de Zandzee doorloopen, die opvoert tot uw spits. — Toen heb ik mij neêrgezet — —
— — En ik zag 't verre land uitgestrekt, zoo diep onder me — groen en nevelig, bijna onzigtbaar. En verder nog, de groote zee, en de groote, witte wolken. — — En 't was me, als kende ik dat alles niet meer. — — 't Land verdween, en de zee, en de wolken. — — Een bonte dwarreling sloot mij de oogen; een zalig suizen, als van verwijderd snarengetokkel: een symphonie van vedels en fluiten en cello's, klonk mij ruischend in de ooren. — — En ik voelde, en ik hoorde, en ik zag — —
— — Ik zag, in rozig schemerlicht, de bloeijende dreven van Mohammed's Paradijs: hoog, hoog boven de blaauwe lucht — tot in de zevenden Hemel, waar Allah troont, die waakt over de Kaäba, en goedig glimlacht over de zaligheid van zijn zalige uitverkorenen. Ik zag de Hoeri's, in den luchtigen tooi van een onschendbare maagdelijkheid, rustend, op purpren avondwolkjes, aan de zijde der gelukzaligen. Ik zag, hoe ze den nooit bedwelmenden wijn schonken, uit nooit ledige kannen; en hoe ze, brandend van kuischen minnegloed, haar nooit vermoeijende kussen drukten op de verjongde lippen der grijs gebaarde Moslem.
— — Toen hoorde ik een lied, vierstemmig, wonderschoon, dat de Cherubjes zongen, rond Allah's troon. En Salomo, de wijze, sloeg de maat, met gouden dirigeerstok. David echter, in herderscostuum, moest den toon aangeven, en den zang begeleiden met zijn onnavolgbaar harpspel.
— — En mij dacht, als verstond ik de woorden van dat lied: als sprak er één stem tot mij, onder al die stemmen: een stem van Israfil[68] — die ik kende — en die mij opriep, mij, den ongeloovigen hond, om in te gaan tot de vreugde der geloovigen.
— — Reeds snuif ik den geur op van muskus en ambergris[69]; reeds breidt me een zoete Hoeri, de schoonste der schoonen, haar mollige armen uit; reeds sluit zich 't donzig wolkenbedje rond mijn leden; ik slorp met volle teugen den eeuwenouden Cypruswijn; — — ik smelt, mijn lippen trillen, onder de warme omhelzing van 't eigen liefje des profeten — —
— — »nonna Flora", riep ik, terwijl ik haar aan mijn boezem
knelde — »nonna Flora, gij hier, onder de schaduwen van den
onverwelkbaren Lotus[70]! Op aarde, in Gang Patjenongan[71], heb ik u te
vergeefs gezocht — zal ik u hier, o zoete Pari-banou, de mijne mogen
noemen! — Kom mét mij, geliefde: we zijn beide nog te jong voor een
paradijs-leven; kom mét mij — laat ons afdalen tot gindsche bloeijende
aarde, en ons een tuiltje plukken in de wilde rozeboschjes van
Simpar[72]! Kom, o kom, veelbeminde nonna — — !"
— — — — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — — — —
Zoo gezegd, zóó gedaan.
De voorgenomen afdaling schijnt echter met zóó groote snelheid, en zóó in strijd met alle natuurwetten te hebben plaats gehad — dat we, niet in de rozeboschjes van Simpar — doch, nonna Flora, ik weet niet waar, en ikzelf, in zeker bed binnen de dessa Boemi-aijoe (Regentschap B... Residentie X...) moet zijn teregt gekomen. Dáár ten minste vond ik mij wakker, met 't angstig gevoel van iemand die een zwaren val heeft gedaan.
Ik keek met verbijsterde blikken rond; en twee-driemalen moest mijn jongen mij de nuchtere mededeeling herhalen: dat 't reeds zeven uur was, en 't ontbijt mij wachtte.
Batavia. Junij, 1866.
[66] Wilde stier.
[67] Een bergmeer, ter hoogte van 4500 voet.
[68] De Engel Israfil, wiens stem zangrijker heet dan van eenig ander schepsel.
[69] Zie over de Hoeri's: Alkoran, Hoofdst. 56.
[70] Zie Alkoran, Hoofdst. 53.
[71] Een laan [of gang] in Batavia.
[72] Te Simpar [Res-Tagal] staat of stond, ter hoogte van ± 4000 voet, een vervallen pasangrahan, geheel omgeven door uitgestrekte boschjes van rozestruiken, die zich daar in 't wild hebben voortgeplant.
MINNEBRIEVEN.
AAN NONNA FLORA.
(GABRIËL'S HULDE- EN MINNEZANG.)
Con fuoco.
Kon ik schilderen met de kleuren van uw gloeijend morgenland, 't heerlijk, zongekroond Sumatra; kon ik mijn pen doen overvloeijen van 't vuur, dat tintelt in uw donkere oogen — hoe zou ik U beschrijven, Flora, nonna Flora, bruin meisje uit 't rijk Menang-kabau[73]!
Hoe zou ik U beschrijven; met welke beelden uw schoonheid prijzen? — Zal ik pantons[74] rijmen ter uwer eer? Zal ik uw lof verkonden, met de minnenamen van Hafiz? — Of, klinkt een toon uit Gabriël's speeltuig U zoeter, dan de lierzang van hem, die Schiraz' tuinen deed sidderen van wellust — ?
Toen men U ontrukte, een teeder spruitje, aan den milden schoot der moederaarde, om U over te planten op den killen bodem van 't vreemde vaderland — toen hebt gij niet getreurd om uw verloren paradijs; geen zucht naar 't land der palmen heeft U doen kwijnen, geen traan van heimwee bedauwde den rozeblos uwer wangen. Gij hebt getierd en gebloeid, geschitterd hebt ge in den Elfenkring uwer blonde zusters — als de hel glorende papaver, die 't hoofd opheft tusschen bleeke korenbloemen.
Wél zijt ge vreemd geworden aan den soekoe[75] uwer moeder. Ge kent de taal niet meer van 't lied, waarmeê Kadidsja U in slaap suste. En de jongelingen van Tanahdatar, als ze U zien mogten, zouden opstaan van hun spel, en vragen: »wie is zij, wier aangezigt blinkt als pisang-maas[76], en wier gang is als van een Koningsdochter?" — En ge hebt 't lief gekregen, 't stormig duinstrand, dat U gastvrij opnam, als een eigen kind. Ze zijn U dierbaar geworden, die uw jonkheid gevormd hebben en geleid; die, waar uw stoute geest te wild vloog, en uw bloed te vurig bruiste — met wijze hand die vaart beteugeld hebben: gelijk de dessaman 't dartel beekje bedwingt, opdat 't, vruchtbaarmakend, de sawah's[77] besproeije, huppelend in duizend takjes, zegenbrengend, en liefelijk voor allen.
Maar toch, Flora, toch heeft de koude mist van 't noorden geen ijs doen vloeijen in uw aderen. Toch zijt ge niet verbasterd van den stam die U voortbragt. En vrijer straalt uw oog, en hooger zwelt uw boezem, als ge 't voelt met iederen polsslag: hoe 't fiere bloed der Padri's warm opwelt uit de reine levensbron, die uw hart doet bonzen, sneller en heviger, dan dat van de blonde speelnooten uwer jeugd.
We staan zamen, in den vroegen morgen. We hebben 't Oog des Daags[78] zien opgaan over de hoogten van Poeloe Panitan[79]. Alles rust nog; de blaauwe wateren sluimeren in de diepte.
Zie — Straat Soenda ligt voor ons open! Hoe prijkt in bonten dos de breede wal van Bantam's heuvelen; hoe trekt 't ons, met toomeloos begeeren, naar 't groen der eilanden, die opdoemen uit de kalme watervlakte, en ons toelagchen, als in Mirza's droom de woningen der eeuwige vreugde! Zóó wenken den matten reiziger de dadelboschjes der oäse; zóó verkwikt ons, na een droeven zwerftogt, de afgebeden aanblik van land, land!
En Noordelijk — ver weg, als nevelbeelden aan den trillenden
horizon — teekenen zich schemerend de graauwe uitlijnen van twee hooge
bergen — : dat zijn de bergen van de Lampongs, dat is Sumatra,
Flora — Sumatra, uw rijk geboorteland!
— — — — — — — — — — — — — — — — —
Hoort ge den klang van boenji-boenji-an[80]; ruischt U heimelijk een
wiegelied tegen, weemoedig zingend, zacht verstervend, in den wijden
blaauwen aether, als een stem uit Wishnou's hemel! — Voelt ge U vleugels
aangebonden: stijgt ge omhoog als een ligte Déwi; jaagt ge vlug door de
zonnige ruimte — — Flora, waarheen? — Over zee en bergen, ver van hier;
over de kruin van Radja-Basa, over de Piek van Indrapoera — tot aan 't
land waar de kamferboom[81] bloeit!
— — — — — — — — — — — — — — — — —
Dáár zoudt ge U neêrlaten, moêgetogen, om te rusten aan den zoom van 't beekje, waarin Kadidsja gebaad heeft — Kadidsja, die uw moeder was — !
Ik wil mét U gaan, Flora — mét U naar Agam's eeuwig groene hooglanden.
Ik weet er een koele vallei, ringsom tusschen steile bergen gelegen. Dáár, onder den geurigen boog der pandan-rampei, in de schaduw der benzoëbosschen — zullen we ons een hutje bouwen. Ik zal uw leger spreiden van melati[82] en blaauwe tjampaka[83]; uw dorst zal ik lesschen met frisschen sherbet; uw honger stillen met de kostelijkste vruchten des wouds.
En als uw oog zal schitteren bij den herkenningsgroet van uw bergen en bosschen; als uw mond zal juichen en uw hart opspringen van verrukking over den Eden dien ik U weêrgeef — — Flora — lesch dan ook den dorst mijner ziele — stil dan ook den honger die mij verteert!
Want zóó bemin ik U, bloem van Indalus — : als ge mij vóórzweeft in al de weelde van uw Oostersch feeënschoon! O, mijne Sultane, mijne Odaliske, zóó bemin ik U — : als ik met U wandel in den droom, aan de boorden van Euphraat en Tigris, in de tooverlustwarand der hemelsche Sheherezade: waar sappige granaten lokken, smachtend neêrgebogen over beddekens van rozen en anjelier; waar kristallen vlietjes murmelen, tusschen kelk en blad van dauwgedrenkte lotos; waar de lucht zwaar is van geur; en Bulbul, in zangerige toonen, zijn leed klaagt aan de volle maan, die stralend opdaagt over Bagdad's gouden transen.
Wie is de man, dien gij bezaligen wilt met een sprekenden blik, uit 't zwart der levende diamanten, die de spiegels zijn van uw gevoel — ?
Wie zal de tressen mogen opbinden van uw golvende haren; of met stouten arm de volheid omspannen van uw fijn gevormde leest — ?
Wie zal roemen op den kus uwer lippen: den eersten, die een zoeten bond bezegelt: den warmen, rijpen, albelovenden kus uwer jonge liefde — ?
Zeg, Flora — zal ik 't zijn? Zeg, mijne Balsora — zal Gabriël uw Abdallah wezen — ?
Hoe zou ik U beschrijven, bruin meisje uit 't morgenland! — En kon ik schilderen met de kleuren van uw gloeijend Oosten; en kon ik mijn pen doen overvloeijen van 't vuur, dat tintelt in uw donkere oogen — — hoe zou ik U beschrijven, U, en mijn liefde voor U — Flora — dochter van de slanke Kadidsja — zoet bruidje mijner droomen!
In Straat Soenda.
Maart, 1866.
[73] Vroeger een magtig rijk in de Padangsche bovenlanden.
[74] Maleische balladen, meestal van erotischen aard.
[75] Stammen, waarin de Maleijers der Padangsche bovenlanden op eigenaardige wijs verdeeld zijn.
[76] Een schoone, goudkleurige banaansoort.
[77] Natte rijstvelden.
[78] Zóó heet in 't Maleisch de Zon.
[79] Prinsen-eiland.
[80] Speeltuig, inlandsche muziek.
[81] De beste kamfer komt uit 't Noorden van Sumatra.
[82] Een zeer welriekende en geliefde Indische jasmijnsoort.
[83] De blaauwe tjampaka: een bloem, die voorondersteld wordt alleen in 't Paradijs te bloeijen, doch die, volgens Marsden, ook op Sumatra gevonden wordt. Zie: Th. Moore. »Paradise and the Peri." Note.
AAN TITANIA.
(ONTBOEZEMING VAN EEN VERLIEFDEN CHEMICUS.)
EEN AANWIJZING TEN DIENSTE DER LEERLINGEN VAN HOOGERE
BURGERSCHOLEN, HOE, OOK OP DE STUDIE DER SCHEIKUNDE,
VAN ALPHEN'S »SPELEND LEEREN" TOE TE PASSEN.
Titania — neen, niet langer kan ik zwijgen! Mijn leven, mijn laboratorium, mijn retorten staan op 't spel: reeds drie quantitatieve analysen heb ik fautief berekend, vier zeldzame vetzuur-verbindingen doen aanbranden, en zeven kilogram cacaoboonen verknoeid aan een mislukte bereiding van theobromine — — alles om U, Titania — om U!
Kalm en doorschijnend was mijn gemoed, rustig en klaar in 't vast bewustzijn onzer wederzijdsche affiniteit — als een pas gefiltreerde oplossing van matig zuur acetas plumbi. Maar een drop stinkend sulphidum hydrogenii is in de reine vloeistof gevallen, en heeft ze getroebeld met 't vuilzwart praecipitaat van een zwavellood-bevattende jalousie!
Want, weet, trouwelooze, dat ik U bespied heb! — Gister, gisteravond toen ik slenterde langs de cingels, peinzend over 't approximatief nickel-gehalte van de hemelligchamen die men meteoren noemt — gisteravond, Titania, heb ik U bespied: wandelend, in 't Delftsch plantsoen, onder de schaduwen van een salicine-houdend popelboschje — wandelend, arm in arm, met een mij onbekenden jongeling: wiens aangezigt blonk in 't maanlicht als kwikzilver, wiens oogen schitterden als phosphorus in zuurstof, wiens haar en knevels zwart waren als oxydum cupri. — Ik heb U bespied met dien jongeling — in meer dan vertrouwelijken kout, in meer dan vriendschappelijke toenadering — — Titania, wat moet ik van U denken — ?
Wat moet ik van U denken? — Zijt ge als 't chamaeleon minerale, heden groen en straks weêr rood? Zijt ge als 't aarzelend oxydum stanni, nu eens zuur, dan weder basisch? Of is uw gehechtheid aan mij als die van zwavelzuur aan metaaloxyden: sterk op zichzelf, doch zwak en vlugtig bij toevoeging van een der koolzure alcaliën — ? Zeg, wreede schoone, is die zwartharige jongeling de magtiger basis, die mij 't zuur uwer liefde heeft onttrokken? Bestaat er sterker keurverwantschap tusschen hem en U, dan tusschen U en mij? — Spreek, onqualificeerbaar zamenstelsel van de meest heterogene vrouwelijke grilligheden! Spreek, onvergelijkelijke combinatie van albumine, fibrine, globuline, biline, creatine, chondrine, en verdere organische en anorganische bestanddeelen, die van uw heerlijk ligchaam de bouwstoffen zijn! Spreek — antwoord — en maak met dat ééne antwoord uw minnaar den gelukkigsten, of den rampzaligsten aller Chemici — !
Titania — gij, die voorzit als heerscheresse over de gezamenlijke massa van de mijn minnend hart vormende atomen en moleculen — gij, wier naam geëtst staat in 't kristal mijner ziele, als met onuitwischbaar schrift van acidum hydro-fluoricum — gij, voor wie ik met vreugde al de bloedbolletjes zou geven, die in mijn serum sanguinis ronddrijven — — Titania, hoor mij aan, en laat mijn tranen uw steenen hart verweeken, als regendroppels 't gebrande sulphas calcis!
Toen ik U voor de eerste maal mijn vlam ontdekte; toen ik U voorsloeg, onze respectievelijke basische en zure eigenschappen tot een onontleedbaar huwelijks-zout te vereenigen — — toen bleekt ge mij niet indifferent. Integendeel — mijn verliefd geleuter deed U blozen, als rhodaankalium 't chloruretum ferri; ja — gelijk 't dimorphe kristal van jodidum hydrargyri bij aanraking met een naald plotseling zijn geele kleur voor een hoogroode verwisselt — zóó deed mijn minverklaring uw blanke koonen gloeijen met den vurigen blos eener gepaste maagdelijke schuchterheid!
Hoe schoon waart ge toen! — Hoe zoet klonk me uw stem, als een toon uit de chemische harmonica! Hoe zacht was me uw adem, geurig en bedwelmend als stikstof-oxydule! Hoe zwom uw oogappel in teeder traankliervocht, als een kristal van sulphas cupri, zwemmend in een met aqua destillata gevuld reageerbuisje — !
En is dat alles nu vergeten? — Of, Titania, hebt ge mij bedrogen: hebt ge mij slechts hoop gegeven, om U te gemakkelijker met hem te kunnen verbinden — en heb ik de rol gespeeld van salpeterzuur in konings-water, welks hulp 't goud wél inroept, doch enkel om zich door zijn bemiddeling met 't chlorium één te maken — ?
Titania, dierbare, zie toe wat ge doet — neem U in acht voor den gistingwekkenden invloed van dien zwartharigen jongeling! — Wél blinkt zijn aangezigt als kwikzilver — maar 't is de valsche, ras verdwijnende glans van koper, met nitras oxyduli hydrargyri besmeerd; wél schitteren zijn oogen als phosphorus in zuurstof — doch 't is de helsche vlam van alverpestend phosphorwaterstofgas; wél is zijn knevel zwart als oxydum cupri — maar 't is 't zwart van 't bedriegelijk, nitras-argenti-houdend verwmiddel, dat looze kappers Melanogène en Eau de Florida bestempelen. — O, neem U voor dien jongeling in acht, vóór zijn vleitaal op U inwerkt als platina-moor op zoeten wijn! Wees hard voor hem en onverbiddelijk: wees onoplosbaar, onsmeedbaar en onsmeltbaar, als 't metaal waaraan ge uw naam ontleent!
Maar voor mij, Titania — — wees oplosbaar voor mij, als ammonia in water — smeedbaar, als goud van Ophir — smeltbaar, als een theelepeltje van Rose's bismuthlegering!
Zie mij aan uw voeten, Titania! — Wat ben ik zonder uw liefde? — : een grove brok graphiet, een ruwe pijp zwavel. Uw liefde moet de kool tot diamant verkeeren; zal, met de ruwe zwavel gemengd, de prachtig roode cinnaber voortbrengen. Ja, gelijk 't goud, dat, uit zijn oplossing door sulphas ferrosus neêrgeploft, slechts een zwart, onooglijk poeder schijnt, doch welhaast, onder de hand des polijsters, alle metalen in heerlijkheid overtreft — zóó zal uw Chemicus wezen, wanneer uw echtelijke hand hem zal gepoetst en geschuurd en gepolijst hebben tot den schoonsten aller mannen.
Reageer dan op de zuiverheid mijner minnetrouw: breng ze, wat ik U bidden mag, in de buitenste blaaspijpvlam! Reageer, beide volgens natten en droogen weg, qualitatief en quantitatief — en zie, of zij die van den zwartharigen jongeling niet verre in gehalte te boven gaat!
En als gij voldaan zult wezen na 't onderzoek waaraan ge mij zult onderworpen hebben — o, Titania — herhaal dan 't mij gegeven jawoord — schrap dien zwartharigen maagdenschenner van de lijst uwer aanbiddende amanuenses — en laat mij, mij slechts met U kuijeren, 's avonds, in 't Delftsch plansoen, onder de schaduwen van 't salicine-houdend popelboschje!
Dan zal ik U beminnen boven mijn kostelijkste platinenkroezen; vereeren zal ik U boven Lavoisier en Liebig. Voor U zal ik arbeiden; ten uwen gevalle wil ik al de 63 + x elementen tot een ongehoorde reuzenverbinding zamensmelten, die ik doopen zal met den naam van onze eerste huwelijksspruit. — Ik zal uw bruidssieradiën smeden uit de weêrbarstigste aller grondstoffen: van osmium zullen uw oorbellen, van rhodium zal uw doekspeld, van iridium zal uw halsketting wezen. En uw armbanden zullen zijn van tallium, van 't raadselachtig, amphybisch tallium, dat ik zelf zal afzonderen uit den residu van twintig zwavelzuur-fabrieken.
Edoch — luister, onvermurwbaar pronkjuweel der bewerktuigde schepping — — : mogt gij ontrouw zijn aan 't gegeven woord; mogt ge wispelturig zijn als 't chemisch kameleon, en vlugtig als 't acidum carbonicum — — dan, Titania — wee U, wee mij, wee den zwartharigen ellendeling.
U zal ik overlaten aan de wroegingen van uw ontrust geweten, die U zullen bijten en verteren — als potassa-hydraat de wratjes op uw vinger.
Hem zal ik een glazen bol naar 't hoofd werpen: een bol, gevuld met 't vreesselijkst aller vergiften — gevuld met 't alvernielend kakodyl.
En mijzelf — — mijzelf wil ik een drank bereiden: uit morphine, uit strychnine, uit brucine, veratrine, atropine, daturine, aconitine, anthiarine, coniïne, nicotine, en al de inen, die daar genoemd staan onder de ijzingwekkende categorie der plantaardige zoutbases — — dát, Titania, dát zal ik — zoowaar Berzelius groot is, en Mulder onfeilbaar!
P. S. Ik schrijf dezen — niet met inkt — niet met mijn bloed — doch met een rozeroode oplossing van sympathetisch chloor-kobalt. Onder een kouden blik, in een koude hand, zal mijn brief stom wezen; — doch legt ge hem aan uw warmen boezem — zoo zullen de woorden verrijzen: blaauw — als 't hemelblaauw uwer oogen!
SUZE.
(AAN EEN ROTTERDAMSCH MODISTJE.)
Haar moeder schijnt wat vinnig;
Maar zij is als de sneeuw zoo wit,
En als een duifje aanminnig.
I.
Andante cantabile.
Van U wil ik zingen, mijn Hollandsch meisje, mijn aardig, vrolijk burgerkind! Van U — zoete Suze, kleine Suze — kleine, zoete, blonde Suze!
Schoon waart ge — : niet als een Venus van Canova, of als een Romanheldin van Bulwer; geen elpenbeen was uw halsje, uw mondje geen koraal; niet fier waart ge als Juno, of rijzig als Diana; ook was uw aangezigtslijn verre van volmaakt, en teekende zich geen Grieksch profiel, als ik, bij kaarslicht, uw silhouetje natrok aan den wand. Maar in uw frissche, jonge, ongekunstelde gratie, waart ge schooner dan preutsche Freules of klassieke marmerbeelden: dartel als een Peri, lief als een Madonna, verleidelijk als een Sirene — toch, zoo innig, hartelijk, eenvoudig, als slechts een burgerkind 't wezen kan.
Zonnetje van mijn jongensjaren, glorie van mijn studententijd — mijn levend, lievend, lagchend godinnetje — Suze, van U wil ik zingen — van U, en van de rijke dagen onzer goddelijk rijke liefde!
II.
Weet ge 't nog — Suze mijn, liefste mijn — ?
Hoe we zamen zoo zoetjes dreven: hand in hand, oog in oog — op dien zaligen Julijavond, in 't bootje uit 't Baarsje — ?[84]
De gulden zomerzon ging langzaam ter ruste over de verre zee; moê van den langen omloop, en van den eigen vorstelijken glans, leek ze een schoone prinses, statig en rijkgesierd, die afdaalt tot 't koelend bad. En óm haar, blozend en schuchter, volgden haar in losse groepjes de rozeroode wolkjes: als een stoet van jonge maagden: kuische, ongerepte hofdames.
Toch, zoet liefje — schooner dan de stralende koningin, schooner dan haar luchtigen maagdenrei — vond ik U, toen 't roode avondlicht met vuriger blos uw zijden wangen overgoot, en uw lagchende oogen deed schitteren van een gloed, die mij dronken maakte — !
Weet ge 't nog, liefste mijn — ?
Daar was een lispelen in de twijgen, als 't kozen van minnende engeltjes; een zacht beven ging ruischend door de hooggepluimde popels — : Zephyr ontwaakte, de loome gast. Den ganschen warmen dag had hij gesluimerd, op de groene bladeren der waterlelie, in schaûw van wuivend oeverriet.
Vergeefs 't zuchten der zweetende menschenzonen — : hij sliep, en droomde van Chloris, zijn reine bruid. — Maar een schuinvallende zonnestraal is door 't loof gedrongen, en heeft hem gewekt. Frisscher dan ooit blaast hij rond: hij schudt de ritselende halmen van zijn biezen beddeken, en strooit bonten mispelbloesem over 't plekje dat hem schuil gaf. Hoe trilt 't vijvervlak onder zijn spelen; hoe jaagt hij rimpeltjes over 't sidderend beeld van wilg en treuresch, die mijmerend zich spiegelden in 't effen diep. Vlugtig kust hij de bloemkens goênacht; hij drinkt den frisschen dauw uit de halfgeloken kelkjes, en avondmaalt met den geur van rozen en jasmijn. — Zóó zweeft hij verder, fluisterend door de boschjes — als hij opstijgt, om der Vorstin zijn hulde te brengen, en heimelijk te stoeijen met zijn makkertjes, de vlugge, rozeroode hofjuffers.
Maar liefelijker dan de koele zephyr, geuriger dan de geur van rozen en jasmijn — was me uw adem, zoet liefje — als uw boezem hijgde van stil verlangen, en ge, 't kopje geleund op mijn schouder, me uw bloemelipjes, uw malsche rozelipjes, hebt te kussen geboôn — !
Weet ge 't nog, liefste mijn — ?
En, om ons heil te volmaken, is 't maantje verrezen — als wist 't goede schepseltje, dat uw blanke koontjes dubbel blank zijn, en uw blauwe oogjes heller flonkeren, bij 't spelen van haar vriendelijk licht.
Ook scheen 't wel, of de vleijende, koppelende Luna, u moed insprak met haar bleeken tooverschijn: want ik voelde, hoe een ronde arm mij naauwer omsloot: en hoe er een kloppen was aan mijn borst, van een ander hartje nog dan 't mijne — — — — — — — — — — — — — — —
Toen had ik den schoonsten droom mijns levens — :
Ik zag twee gelieven, die zoetjes dreven op den zilverspiegelenden plas: kussend en kozend — — en ik was één van die twee. — En ik zag, hoe ze opstegen, die twee gelieven, van uit 't bootje uit 't Baarsje — hoe ze opstegen — als ware deze aarde hun niet goed genoeg — ligna recta, naar 't rijk der planeten: hoe ze opstegen, oog in oog, arm in arm, mond aan mond — hoe ze opstegen, die twee gelieven, en zich verloren in de glanzende spheren der fonkelende avondstar — — — — — — — — — — — —
Weet ge 't nog, liefste mijn — ?
Als we ontwaakten, zoet schatje, stond de maan reeds hooger boven 't schemerend hazelboschje. En er was, in 't opgeblazen gezigt van de lonkende juffer, iets spottends, dat mij niet beviel. En om ons heen, staken de vischjes de glimmende kopjes omhoog, en met de ronde, starre oogjes, keken ze ons schalksch en schuintjes aan. Zelfs klonk er een honend roepen in 't slaan van den koekoek, die ons bespied had, uit de hooge wilgen aan den kant.
En ik vraag: waarom heeft de koekoek gelagchen — wat hadden de vischjes te vertellen — en wat kon de maan zoo vreemd doen kijken — — toen we zoo lang gedreven hadden, gedreven en gedroomd: hand in hand, oog in oog — op dien zaligen Julijavond, in 't bootje uit 't Baarsje — ?
Zeg, liefste mijn, Suze mijn — weet ge 't nog — ?
III.
Suze lief — als we oud zullen worden, eya popeya! Oud en krom, en vroom en dom, eya popeya!
— Dan zult gij een log moedertje wezen, dat psalmen opzeurt, en ter preek gaat bij dominee Onzin. Dan zult ge bruine koffie drinken — liever dan rooden pommier; en een warme stoof zal u beter warmen — dan de gloed van al de kussen die ik u gaf.
En ik — — wat zal ik zijn — ?
Een Resident in ruste — ?
Maar wat ik ook zijn mag — : hoe oud en krom ook, hoe vroom en dom ook,
eya popeya! — —
— — toch, Suze,
toch — zal ik U niet vergeten — : U, Suze, en de hemelsche avondjes: toen we
kuijerden in volle maantjes, en rhijnwijn dronken in geurige, digtgeloofde
prieeltjes! Den joligen tijd: toen ik geld verachtte en geleerdheid, mode
en fatsoen, beschaving en maatschappij, nufjes en conversatie; — toen ik
geen schat kende, geen schat mij wenschte — dan mijn vrijen geest, en mijn
krachtig ligchaam, en mijn bonzend hart — — en U, Suze — en U! Den
onvergeetlijken tijd: toen we jong waren en lustig, moedig en minnend — en
gelukkig, Suze — — zóó gelukkig: dat zelfs de vischjes en de koekoek ons
geluk benijd hebben, als we spelevoeren op den plas — !
Suze, mijn Hollandsch meisje, mijn aardig, vrolijk burgerkind — van U wil ik zingen!
Zonnetje van mijn jongensjaren, glorie van mijn studentetijd — mijn levend, lievend, lagchend godinnetje — Suze, van U wil ik zingen — van U, en van de rijke dagen onzer goddelijk rijke liefde — — zoete Suze, kleine Suze — kleine, zoete, blonde Suze!
September, 1866.