Mijne Heeren!
Het is mij eene levendige voldoening te ontwaren, dat aan de uitnoodiging tot deze vergadering door zoo talrijke instellingen en vereenigingen is gevolg gegeven.
Aan hunne vertegenwoordigers alhier wensch ik een oprecht welkom toe te roepen.
Uw opkomen te dezer vergadering versterkt mijn vertrouwen in het welslagen van den arbeid welke met de oprichting van het Koninklijk Nationaal Steuncomité werd begonnen; een arbeid welke ten doel heeft de bezwaren te overwinnen, die de huidige wereldgebeurtenissen voor breede kringen in ons Vaderland na zich sleepen en die, naar gelang der belangen welke hij behartigt, zich moet vertakken in uiteenloopende richting.
Het is U bekend dat Uwe medewerking wordt gevraagd tot het vergemakkelijken van verkrijgen van crediet voor hen die door den oorlogstoestand hun zaak zagen kwijnen of te niet gaan. Terwijl de heer Treub, Minister van Financiën, straks aan deze vergadering de ontworpen plannen zal toelichten, gevoel Ik mij gedrongen reeds dadelijk met nadruk te zeggen, hoezeer het mij verheugt, dat thans al een begin kan worden gemaakt met eene organisatie, welke eerst na afloop van den oorlogstoestand haar geheele arbeidsveld voor zich zal zien ontsluiten. Niet alleen dat aan hen, voor wie het achterwege blijven van bijstand wissen financieelen ondergang zoude beteekenen, de behulpzame hand kan worden geboden, doch ook de zorgen van de velen, die buiten hun schuld in benarde geldelijke omstandigheden zijn gebracht, zullen door de in uitzicht gestelde verlichting aanmerkelijk kunnen worden verzacht. Ik denk in de eerste plaats aan degenen, die opgeroepen om het Vaderland te dienen, naast huis en haard een bedrijf achterlieten, dat de gevolgen hunner afwezigheid heeft ondervonden; doch daarnevens aan allen die ernstig nadeel leden door de jongste storingen in den economischen toestand.
Eene opwekkende gedachte is het, te kunnen bijdragen tot de vergemakkelijking der bestaansvoorwaarden der door de crisis getroffenen; eene schoone taak tevens daadwerkelijk mede te arbeiden tot herstel en uitdijen der vroegere welvaart, waarin ons dierbaar Vaderland zich mocht verheugen.
Ik noodig U allen uit, gemeenschappelijk Uwe krachten te wijden aan dit bij uitstek nationale doel in nauwe samenwerking met de steunorganisatie en de vereeniging welke de belangen der bij de weermacht dienenden behartigt.
Ik besluit met een woord van warmen dank aan Uwe Excellentie voor de voortvarendheid waarmede U dit plan hebt ontworpen en in staat van behandeling gebracht.
Hiermede open ik deze vergadering en verzoek U thans de leiding dezer beraadslagingen op U te nemen.
De rede, welke ik daarna op uitnoodiging van de Koningin hield, ving ik aldus aan:
Het zij mij vergund aan het openingswoord, zooeven door Uwe Majesteit gesproken, met Uwe toestemming, een korte uiteenzetting toe te voegen van het doel, dat ons samenbrengt.
Alvorens daartoe over te gaan moet mij een woord van eerbiedigen dank van de lippen, dat Uwe Majesteit door Hare tegenwoordigheid hier ter plaatse ook aan deze nationale zaak wijding heeft willen geven. Ik ben overtuigd dat ik met dit woord van dank de gevoelens vertolk niet alleen van de hier aanwezigen, maar van heel Uw volk, dat de beteekenis van Uwer Majesteits aanwezigheid hier in deze bijeenkomst nog beter zal beseffen, als het weet dat de grondgedachte welke tot het bijeenroepen van deze vergadering heeft geleid van Haar afkomstig is; dat Uwe Majesteit de eerste is geweest die uitdrukking heeft gegeven aan het denkbeeld, de instellingen die zich met het crediet voor den kleinen middenstand bezighouden of daarin belangstellen, met het oog op de bijzondere taak welke dat crediet tengevolge van de oorlogscrisis zal hebben te vervullen, in nauwere aanraking met elkander te brengen.
Het is te hopen en te verwachten, dat de erkentelijkheid welke in heel het land zal worden gevoeld voor dit nieuwe initiatief van Uwe Majesteit in het belang dergenen, die den druk der omstandigheden bijzonder zwaar gevoelen, zich zal uiten in eene verhoogde toewijding aan het na te streven doel van de zijde van allen, die tot de bevordering daarvan kunnen bijdragen.
Vervolgens gaf ik eene uiteenzetting van het doel der samenkomst, welke met eenigszins andere woorden in hoofdzaak hetzelfde inhield als het zoo even medegedeelde rapport aan Hare Majesteit en die ik dus niet opneem, om niet in herhalingen te vervallen. Na die uiteenzetting vervolgde ik aldus:
Ten einde aan de zaak het algemeen nationaal karakter te geven, dat voor haar welslagen noodig is, zijn tot deze bijeenkomst ook uitgenoodigd verschillende maatschappijen en vereenigingen, zich bewegend op onderscheiden terreinen van het maatschappelijk leven, die bij groote onderlinge verscheidenheid allen belang hebben bij- of belangstellen in een zoo goed mogelijke voldoening aan de credietbehoeften van den kleinen middenstand.
Doch met hoe goede bedoelingen men ook zou zijn bezield, het zou niet mogelijk zijn die in practische daden om te zetten, indien de Nederlandsche Bank niet bereid was daartoe hare medewerking te verleenen. Ik mag en wil daarom niet nalaten er met erkentelijkheid op te wijzen dat de Nederlandsche Bank, zoodra zij van het plan kennis kreeg, daarmede hare volle sympathie betuigde en bij de uitwerking daarvan hare medewerking met de meeste welwillendheid verleende.
Het enkele feit, dat de uitnoodiging tot deze bijeenkomst mede uitgaat van den president der Nederlandsche Handel-Maatschappij, die tevens voorzitter is van de Vereeniging voor den Geldhandel, waarborgt voorts, dat als het plan in de uitvoering de medewerking van den grooten geldhandel behoeft, daartoe niet te vergeefs zal worden aangeklopt.
Doch ook de tusschenkomst van den Staat kan bij de verwezenlijking van het plan niet worden gemist. Zonder deze tusschenkomst zou het grootendeels bij plannen maken op het papier blijven. Juist omdat het hier in de eerste plaats te doen is om hulp te verleenen aan de kleine en zeer kleine bedrijven, die niet in staat zijn de waarborgen te geven, welke onder normale omstandigheden voor een credietverleening worden verlangd, zou het risico voor de credietinstellingen, die tot medewerking en samenwerking zijn opgeroepen, te groot zijn, indien het Rijk niet bereid was een groot deel van dat risico voor zijne rekening te nemen; zoodanig echter, dat de credietinstellingen zelve niet geheel ophouden, belanghebbenden te zijn zoowel bij een zorgvuldig onderzoek, vóór het crediet verleend wordt, als bij eene goede controle, nadat het is verstrekt.
Ik aarzel niet die onmisbare medewerking van het Rijk in uitzicht te stellen, omdat ik mij overtuigd meen te mogen houden, daarmede geheel in overeenstemming te handelen met de bedoeling van de wetgevende macht, welker instemming met ’s Rijks medewerking tot de steunorganisatie wel niet aan twijfel onderhevig is en die zeker met onverdeelde sympathie ook deze tweelingzuster van die organisatie zal ontvangen.
Hoever de Staat met zijn medewerking in deze zoo belangrijke nationale zaak gaan moet, is moeilijk te bepalen. Ik stel mij voor dat op de wijze, die in de hoofdpunten is aangegeven, het Rijk zich borg zou kunnen stellen tot een gezamenlijk bedrag van bijvoorbeeld 5 millioen gulden. Hoeveel verlies op die borgtochten zal worden geleden en hoeveel het Rijk door het bijspringen bij die voldoening van rente en aflossing zal hebben te betalen, is niet bij benadering te zeggen. Natuurlijk zal het ver blijven beneden het bedrag der credieten waarvoor de Staat mede-aansprakelijkheid heeft aanvaard....
Slechts op één punt wil ik tot slot nog de aandacht vestigen. Onder de voorwaarden die gesteld kunnen worden, is opgenomen de verplichting eene eenvoudige en passende boekhouding te voeren. Waar zoovele kleine handelaars en industrieelen lijden onder het volslagen gemis aan overzicht over hun zaak, met het gevolg dat zij vaak niet weten of daarin werd verdiend of verloren, kan het stellen van deze voorwaarde alleen, mits op de nakoming daarvan voldoende wordt toegezien, voor den kleinen middenstand reeds tot zegen zijn.
Hiermede meen ik de beraadslagingen die wij zoo aanstonds zullen voeren, voldoende te hebben ingeleid, de hoofdlijnen van het plan, waaraan wij onze krachten zullen geven, voldoende te hebben aangeduid. Het was mij een groot voorrecht tot de voorbereiding van het plan het mijne te hebben kunnen bijdragen. Voor de waardeering, welke ik deswegen van Uwe Majesteit mocht ontvangen, breng ik Haar mijn eerbiedigen dank.
Ik eindig met nogmaals ons aller oprechte erkentelijkheid aan Uwe Majesteit uit te spreken voor den eersten stoot, die door Haar werd gegeven aan deze zaak, welke voor den kleinen middenstand zoo zegenrijk zijn kan en welke aan menigen militie- en landweerplichtige gerustheid voor de toekomst brengen zal, en niet minder voor Hare bereidwilligheid door Hare hooge tegenwoordigheid alhier de beteekenis van het werk dat wij ondernemen, tot gansch het volk te doen doordringen.
Daarna nam de heer Bosboom, Minister van Oorlog, het woord. Hij sloot zich aan bij de woorden van dank door mij tot de Koningin gericht, schetste de moeilijkheden die de oorlogstoestand voor gemobiliseerde kleine neringdoenden opleverde, bracht in herinnering wat reeds door het Kon. Nat. Steuncomité ter verzachting daarvan gedaan werd, wees er op, hoe het bewustzijn, dat zij niet langer vrees zouden behoeven te hebben voor ondergang van hun zaakje, het gemoed van menigen gemobiliseerden kleinen middenstander zou verlichten, uitte er zijn vreugde over, dat dit ook gunstig zou werken op den geest van het leger, die bij den langen duur der mobilisatie op zulk een harde proef wordt gesteld en dankte zoowel den president van de Nederlandsche Bank, den president van de Ned. Handel-Maatschappij en den voorzitter van de uitvoerende commissie van het Kon. Nat. Steuncomité voor hun medewerking tot den oproep der vergadering als hen, die daaraan gevolg gegeven hadden, voor hun opkomst.
Nadat de Minister van Oorlog zijne rede geëindigd had, verliet de Koningin de vergadering, uitgeleid door de heeren van wie de oproeping ter vergadering was uitgegaan.
Daarna werden de reeds genoemde hoofdpunten van het plan behandeld. Ik stip daaruit aan, dat de zaak zoodanig werd georganiseerd, dat er tevens een spoorslag werd gegeven aan plaatselijke boerenleenbanken of middenstandsbanken, die zich nog niet bij een centrale organisatie hadden aangesloten, daartoe alsnog over te gaan. Er werd voor gezorgd, dat de aanvragen eerst bij de verschillende plaatselijke credietinstellingen zouden behandeld worden, opdat van het voordeel der beoordeeling van elke aanvraag door personen, die den aanvrager kenden ten volle partij zou worden getrokken. Aan het hoofd der organisatie werd gesteld eene Commissie van Uitvoering. Deze werd, als resultaat van de vergadering samengesteld uit de heeren: J. B. Bosman, Directeur van de Middenstands Credietvereeniging „De Hanzebank” te Utrecht; J. C. M. Brugma, Directeur van de Eerste Haagsche Hulpbank met Winstuitkeering; M. H. G. Th. Fiedeldy Dop, secretaris der Alg. Ned. Centrale Middenstands Crediet bank; C. van Lennep, Secretaris van den Ned. Tuinbouwraad; T. J. Perquin, Secretaris van de Coöp. Centrale Middenstands Credietbank (de Hanzebank) in het Bisdom Haarlem en Mr. J. J. de Waal Malefijt, Voorzitter van den Raad van Beheer van de Coöp. Centrale Spaar- en Voorschotbank „Boaz”. Verschillende adviseurs, die deskundig zijn in bepaalde bedrijfstakken, verleenden welwillend hun medewerking. Tot voorzitter van de Commissie van Uitvoering werd later benoemd Mr. D. Fock, lid van de Tweede Kamer en Oud-Minister van Koloniën.
De aanvragen worden met een rapport van de plaatselijke bank, bij welke zij inkomen, door tusschenkomst van de centrale organisatie, waarbij deze zijn aangesloten, aan de Commissie van Uitvoering toegezonden. Als algemeen maximum voor een te verleenen crediet, behoudens afwijking met goedkeuring van den Minister van Financiën, werd ƒ 1000 aangenomen. In verband met de borgtocht, welke de Staat op zich neemt, behoeft elke toegewezen credietaanvrage de goedkeuring van den Thesaurier-Generaal. Bij de regeling der borgtocht van den Staat werd eenigszins afgeweken van hetgeen ik in mijn rapport aan de Koningin had voorgesteld. Die borgtocht bedraagt ten minste 55% van het op een verleend crediet te lijden verlies, maar wordt percentsgewijze hooger, naar gelang dit kleiner is. Bij een verlies van 10% of minder vergoedt de Staat daarvan 1⁄10e gedeelte.
Ter vergadering waar de hoofdpunten behandeld werden, bleek misverstand omtrent één punt, dat door mij op den voorgrond gesteld en gehouden werd. Ik heb namelijk streng vastgehouden aan den m. i. zeer wezenlijken grondslag, dat de plaatselijke bank zelve een deel van het risico moest blijven dragen. Men vatte dat aldus op, dat zij een deel van het crediet zonder borgstelling en zonder eenig onderpand zou moeten verleenen, en men merkte mij op, dat de statuten der meeste middenstands- en volksbanken dit uitsloten. Dat was echter de bedoeling niet en kon ook de bedoeling niet zijn. Het was er om te doen, dat de plaatselijke bank in zoover risico zou loopen, dat zij belang hield bij de gegoedheid van den borg of bij het voldoende zijn van het onderpand. Ik ben namelijk overtuigd, dat elke organisatie van middenstandscrediet, waarbij er niet van wordt uitgegaan, dat men plaatselijk belang heeft, er op toe te zien, dat het crediet goed besteed wordt en dat de zaak, waarvoor het werd gegeven, behoorlijk wordt gedreven, gedoemd is, op een fiasco uit te loopen. Toen de bedoeling der bepaling van de hoofdpunten, welke dit onderdeel regelt, beter was begrepen, erkende men de juistheid daarvan en liet men zijn aanvankelijk bezwaar vallen.
De credietverleening heeft wel in de eerste plaats ten doel kleine middenstanders te helpen, die door de mobilisatie niet bij hun werk konden blijven en wier zaken dientengevolge achteruit gingen of verliepen. Zij bepaalt zich daartoe echter niet. Ook niet-gemobiliseerde middenstanders, die kunnen aantoonen dat hun bedrijfje ten gevolge van den oorlogstoestand in moeilijkheid kwam, worden door haar geholpen.
De verwachting, welke ik had uitgesproken, dat de Staten-Generaal hunne medewerking niet zouden weigeren, werd vervuld. Het voor de uitvoering der zaak benoodigde begrootingsartikel werd zelfs zonder mondelinge beraadslaging goedgekeurd. De Commissie van Uitvoering behoefde echter daarop met het beginnen harer werkzaamheden niet te wachten. Het Kon. Nat. Steuncomité had zich bereid verklaard, zoolang de medewerking van de Staten-Generaal niet zou zijn verzekerd, zich in plaats van den Staat als borg te stellen en de Nederlandsche Bank had daarmede genoegen genomen. Ook nadat de Staat zelf als borg optreden kon, bleef er een nauwe band tusschen de Commissie van Uitvoering, welke den officieelen naam kreeg van Regeeringscommissie voor het middenstandscrediet, en het Kon. Nat. Steuncomité bestaan. In de uitvoering bleek er namelijk een aantal grensgevallen te zijn, waarin de aanvrager niet in staat was een borg te stellen. Voor die gevallen springt, indien de aanvraag overigens voor inwilliging vatbaar is, het Kon. Nat. Steuncomité als borg in. Ook komt het voor, dat een dezer oorlogsnood-organisaties een bij haar ingekomen aanvraag naar de andere verwijst. Behalve met het Kon. Nat. Steuncomité staat de Regeeringscommissie ook in geregeld contact met de legerautoriteiten, die haar door speciaal daartoe ingerichte kaarten de noodige inlichtingen verschaffen over in dienst zijnde aanvragers.
Zooals uit den geheelen opzet blijkt, is deze tijdelijke en buitengewone organisatie van het crediet voor den kleinen middenstand vooral ingericht op hetgeen zal noodig zijn, als het leger kan worden gedemobiliseerd. De Regeeringscommissie zal dan voor den kleinen middenstand een overeenkomstige taak hebben te vervullen als voor de arbeidsbemiddeling tegenover de arbeiders zal zijn weggelegd. Nu er telkens landweerlichtingen werden vervangen door landstormlichtingen en dus met betrekkelijk korte tusschenpoozen telkens gedeeltelijke demobilisaties plaats hadden, hebben beide organisaties reeds thans een terrein gevonden, waarop zij hoogst nuttig werkzaam zijn. Het aantal behandelde credietaanvragen door de Regeeringscommissie bedraagt reeds meer dan 2800. Daaronder is er een aantal, dat betrekking heeft op de algeheele demobilisatie en voorloopig kon blijven rusten. Afgedaan werden ruim 1400 aanvragen; daarvan moesten bijna 400 worden afgewezen. Op 1 Augustus 1916 waren er 640 credieten verleend en opgenomen tot een bedrag van ƒ 630.000. De commissie heeft reeds heel wat zaakjes op de been kunnen houden of brengen; bij de algemeene demobilisatie zal haar medewerking onmisbaar blijken. Zij zal dan, als voor haar het groote werk aankomt, het voordeel hebben van reeds over heel wat ervaring te kunnen beschikken.
Toen ik als Minister was afgetreden, deed Hare Majesteit mij de eer aan mij als Haar uitdrukkelijken wensch te kennen te geven, dat ik mij persoonlijk met deze aangelegenheid zou blijven bemoeien. Er werd toen, in overleg met den voorzitter, op gevonden, dat ik door den Minister van Financiën tot lid der Regeeringscommissie werd benoemd, in het vertrouwen dat de verschillende vereenigingen en instellingen, die de Algemeene Commissie voor deze credietverleening vormen, daartegen wel geen bezwaar zouden hebben.
§ 3. De Beurswet.
Onder het in herinnering brengen van hetgeen er op financieel gebied al zoo werd gedaan om het crediet te herstellen, heb ik—figuurlijk gesproken—de beurs onwillekeurig dicht gelaten. Dit strookt vrijwel met hetgeen er in werkelijkheid geschiedde. Er werd over hetgeen met de beurs moest gebeuren, heel wat van gedachten gewisseld, zelfs een wet over deze materie kwam tot stand, maar intusschen bleef zij voorloopig gesloten.
Reeds op den 1sten Augustus had er op het Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel een conferentie plaats, waar met mij als vertegenwoordigers van de Regeering aanwezig waren de Ministers van Financiën en van Justitie, en welke werd bijgewoond door den president van de Nederlandsche Bank, het consortium van bankiers, dat spoedig Vereeniging voor den Geldhandel werd, en de voorzitters van de Vereeniging voor den Effectenhandel te Amsterdam, den Provincialen Bond van Effectenhandelaren en de Rotterdamsche Vereeniging voor den Effectenhandel. Op die eerste conferentie kwam men, wat dit punt betreft, niet verder dan dat de Regeering en de verschillende vereenigingen geen stappen zouden doen in verband met de beurscrisis, zonder eerst onderling overleg te hebben gepleegd. Daarmede was alleen tijd gewonnen en ook hier gold het woord van Vondel: „De veldheer wint al veel, al wint hij niet dan tijd”. Het was nu echter zaak, zich den tijd, dien men tot voorziening in het deraillement van de beurs kreeg, zonder verwijl ten nutte te maken. Daartoe werd aan het Departement van Landbouw een wetsontwerp voorbereid op dezen grondslag, dat gedurende den oorlogstijd de beurzen zouden staan onder toezicht van den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel (bij mijn overgang naar het Departement van Financiën, werd dit veranderd in: den Minister van Financiën), dat de Minister gedurende dien tijd zou kunnen beslissen over haar opening en sluiting en dat de noteeringen en de wijze van het doen van zaken op de beurs onder zijn toezicht zouden staan. Voorts werd daarin het executierecht ten aanzien van in onderpand gegeven fondsen, voor het geval de debiteur niet aan zijne verplichtingen voldeed, aan beperkende regelen onderworpen, waarvan de voornaamste was, dat de executant een bod zou moeten doen tot ten minste het bedrag dat de Minister zou bepalen. Door een en ander werd de effectenbeurs gedurende den oorlogstijd sterk aan banden gelegd en werd afdoende tegengegaan, dat hare heropening zou leiden tot „afslachting” van de geldnemers, wier onderpanden onder den oorlogstoestand in waarde sterk waren gedaald.
Toen omtrent de hoofdpunten van dit voorontwerp overeenstemming was verkregen tusschen de Ministers van Financiën, van Justitie en mij, werden de vereenigingen op het gebied van den fondsenhandel en den geldhandel op den avond van den 6den Augustus op nieuw tot een bijeenkomst in het Departement van Landbouw samengeroepen, die ditmaal ook werd bijgewoond door eenige vertegenwoordigers van Kamers van Koophandel en van de verschillende Middenstandsbonden. Dit laatste, omdat het de bedoeling was ook het vraagstuk van het moratorium en hetgeen de Minister van Justitie zich voorstelde, zonder moratorium, in het belang van in het ongereede geraakte debiteuren te doen, ter vergadering ter tafel te brengen.
Het eerst werd het ontwerp-beurswet besproken; daarbij kwam al aanstonds een groot belangenverschil tusschen de primaire geldgevers, vertegenwoordigd door de Vereeniging voor den Geldhandel, en de commissionnairs in effecten, als geldnemers of secundaire geldgevers, aan het licht. De geldgevers en de bankiers wilden wel, dat de Regeering zeggenschap zou krijgen over de opening en de sluiting der beurs, maar niet dat zij zich ook zou bemoeien met de wijze waarop daar zaken worden gedaan en speciaal niet, dat het executierecht zou worden beperkt. Dat verschil gaf aanleiding tot een gedachtenwisseling, die op een gegeven oogenblik zóó scherp werd, dat het de vraag was of het gelukken zou de heeren tot overeenstemming te brengen. De bankiers-geldgevers beriepen zich er op, dat zij niet met hun eigen geld werkten, maar verantwoordelijk waren tegenover hun lastgevers, voor het meerendeel groote handelslichamen, spoorwegmaatschappijen, spaarbanken, cultuurondernemingen enz., die het tijdelijk niet benoodigde deel van hun bedrijfskapitaal in prolongatie hadden gegeven en die thans in groote moeilijkheden waren gekomen, nu zij hun kapitaal tegen hun wil in de handen van anderen vastgelegd zagen. Van de zijde van de commissionnairs werd daartegenover verdedigd, dat ook zij door de beurssluiting hun bedrijf grootendeels zagen stilgezet, maar dat zij als tusschenpersonen, opkomende voor de geldnemers, of als commissionairs-geldnemers voor eigen rekening niet het volle gewicht konden dragen van de calamiteit, die de oorlog over de beurs had gebracht. Voor beide standpunten viel veel aan te voeren en werd veel aangevoerd, maar het was duidelijk dat het verweer van de commissionnairs met den geest van het den heeren voorgelegde ontwerp meer strookte dan het geldgeversstandpunt. Deze zijn mans genoeg om voor zich zelven te zorgen; er was geen gevaar dat zij of hunne klienten zóó in de knel zouden komen, dat zij hunne betalingen zouden moeten staken. Bovendien vonden zij steun bij de pas herboren en voor het eerst werkelijk in het leven getreden Vereeniging voor den Geldhandel. Het algemeen belang dat bij de zaak betrokken was, lag in het gevaar, dat een groot aantal commissionnairs het niet zouden kunnen houden en dat er in dien kring een stroom van faillissementen zou komen, welke veel verder zou reiken dan alleen tot hen, die er direct mee uit hun brood zouden zijn gestooten. Niet voor de grooten, maar voor de kleinen, zoo merkte ik den heeren op, hadden Regeering en wetgever in een zoo ernstige crisis op te komen.
Nadat van de verschillende kanten de meeningen waren verdedigd, zonder er veel doekjes om te winden, klaarde—zooals het na een onweer pleegt te geschieden—de lucht op. Men zocht toen niet meer naar hetgeen nog verder zou uiteendrijven, maar naar hetgeen als brug zou kunnen dienen tot het samenbrengen der verschillende belangen. Het waren vooral de bankiers-geldgevers, die over die brug hadden te komen. Het eerst toonde de heer Van Aalst, die ook hier weer blijk gaf een goed diplomaat op handelsgebied te zijn, neiging tot toenadering. Hij werd spoedig door de andere bankiers gevolgd. De groote moeilijkheid bleek voor de geldgevers te zijn, dat zij hun prolongatiekapitaal niet voor onbepaalden tijd dood konden laten liggen. De gegrondheid van dit bezwaar moest worden erkend. Om het te ondervangen opperde de heer Van Nierop het denkbeeld, dat voor de vastgeraakte prolongatieposten als uitzonderingsmaatregel wettelijke sanctie zou worden gegeven aan de ter beurze reeds veel voorkomende practijk der herbeleening van in prolongatie gegeven onderpanden. Dat denkbeeld werd door mij aangegrepen en na nog eenig heen en weer praten, lieten de bankiers hunne oppositie varen, als het herbeleeningsrecht in het ontwerp zou worden opgenomen. Hoewel door de Regeering, met name door den Minister van Justitie, het juridisch bezwaar van het toekennen van zulk een herbeleeningsrecht sterk werd gevoeld, begrepen wij toch, dat daarover moest worden heengestapt, nu het er om ging, groote onheilen bij de heropening der effectenbeurs te voorkomen, zonder een kapitaal van eenige honderden millioenen voor onbepaalden tijd dood te laten liggen. Het juridisch beginsel, hoezeer het ook in het algemeen door elke Regeering wordt hoog gehouden, moest hier wijken voor de economische noodzakelijkheid.
Nadat het op die wijze gelukt was, de met elkander strijdende belangen alle zooveel mogelijk te bevredigen, werd het ontwerp Beurswet op 23 Augustus ingediend. Het was nu aangevuld met een bepaling betreffende de herbeleening. In de afdeelingen van de Kamer ontmoette het nog al tegenstand en, eigenaardig genoeg, ging de tegenkanting voornamelijk uit van de democratisch gezinden onder de vrijzinnigen. Door de Commissie van Rapporteurs werd ik uitgenoodigd tot mondeling overleg. Daarbij werd mij in de eerste plaats in overweging gegeven, het ontwerp te bepalen tot de artikelen, die aan de Regeering de bevoegdheid gaven voorschriften te geven omtrent de opening en sluiting der beurzen, en den verderen inhoud van het ontwerp over te laten aan een nader te maken wettelijke regeling, waarvan de behandeling rustiger zou kunnen geschieden. Inzonderheid de genoemde democraten wilden mij dringen in de richting, die door de „haute finance” was gewenscht. Dit denkbeeld werd eerst losgelaten, toen ik verklaarde tot overleg op die basis niet bereid te zijn en bij aanneming van een amendement in dien geest de intrekking van het geheele ontwerp te zullen uitlokken. De verdere bespreking liep over den inhoud van het ontwerp zelf en had vruchtbaarder resultaat; het leidde tot verbeteringen, zonder dat aan de hoofdpunten werd geraakt. Evenmin als ik kon toestaan, de wijze van zaken doen op de beurs onder den abnormalen oorlogstoestand geheel vrij te laten, kon ik toegeven aan den aandrang tot het uitsluiten van de mogelijkheid van executie ter beurze gedurende de crisis. Het executierecht moest worden geregeld en beperkt, niet op zij gezet.
Bij de mondelinge behandeling vond het ontwerp heftige bestrijding van den heer Marchant vooral ten aanzien van het herbeleeningsrecht. Deze afgevaardigde toonde zich op dit punt een even onverzoenlijk en onverzettelijk jurist als de heer Rethaan Macaré, die in een brochure en stukken in de pers uiting gaf aan zijn juridische verontwaardiging en die, nadat de beide Kamers zich met het ontwerp vereenigd hadden, zelfs zóóver ging van aan de Koningin te verzoeken daaraan Haar bekrachtiging te onthouden. De heer Marchant eindigde zijn rede met de verklaring dat van hem „geen medewerking te verwachten (zou) zijn aan het tot stand komen van een wet, die het kwaad van het schenden van goede trouw loochent, die onrecht sanctionneert en die als geoorloofd stempelt, wat misdadig is”.
In zijn philippica had hij ook bezwaar gemaakt tegen het compromis dat tusschen de verschillende groepen van belanghebbenden op de door mij zoo even besproken bijeenkomst was gesloten. De Regeering moet regeeren; zij moet geen compromis aangaan,—zoo was zijn bescheid. Bij mijn antwoord, waarvan ik den hoofdinhoud hier weergeef, omdat ik geen voet wil geven aan de sage als zou ik „maling hebben aan de juristerij”—om het gevleugelde woord van den heer Schaper te gebruiken—knoopte ik aan die grief vast: „Nu mag de geachte afgevaardigde uit Deventer zeggen: „maar de Regeering moet regeeren, zij moet geen compromis aangaan” en dan is dat volkomen waar, maar de Regeering gaat ook geen compromis aan, zij heeft alleen als het ware onder haar hoede en onder haar leiding het compromis laten aangaan tusschen de verschillende groepen der belanghebbenden. Toen de Regeering zag, dat op dezen voet een regeling te maken was, heeft zij daaraan haar sanctie gehecht door die regeling als wetsontwerp bij deze Kamer in te dienen. En nu wil ik in de eerste plaats aan den geachten afgevaardigde, maar ook aan de geheele Kamer vragen: zou men wenschen dat bij een dergelijk hoogst moeilijk onderwerp, waarbij honderden millioenen betrokken zijn, de Regeering handelen zou uit haar eigen machtsvolkomenheid zonder voorafgaand overleg met de belanghebbenden? Ik ben overtuigd dat, indien de Regeering zóó te werk ging, men terecht zou aanvoeren, dat zulks in dezen moeilijken tijd niet was een beleidvol optreden, zooals men van een Regeering mocht verwachten. Het is volkomen waar, dat art 6 (het artikel dat het herbeleeningsrecht geeft) een artikel is in het belang van de geldgevers, maar als men een aantal bepalingen maakt tegen hun belang, als men wat onrechtmatig is geschied, bestendigt, als men in hun nadeel een streep haalt door alle andere bepalingen van de Vereeniging voor den Effectenhandel, die in hun belang zijn, en zegt: „nu zult ge u voortaan moeten houden aan hetgeen van regeeringswege wordt bepaald”, en als men daaraan toevoegt: „terwijl gij vroeger hadt het vrije recht van executie, hebt gij dat nu niet, en wanneer gij toch wilt executeeren, moet gij dat doen volgens regelen, door de Regeering gesteld en gij moet een bod doen, zooals de Regeering dat wenscht”, dan vraag ik of men aan die geldgevers kan zeggen: „overigens moet gij maar wachten wat er met uw geld gebeurt, want een executierecht hebt gij niet en gij kunt met uw onderpand niets doen; gij hebt geen recht van herbeleening”.
„Tegenover de voorgestelde strenge bepalingen die hen binden zullen, is van de zijde van de geldgevers gezegd: „indien gij mij daartegenover geeft het recht van herbeleening, dan zal ik nog in het midden laten, in hoeverre ik daarvan gebruik zal maken, maar dan heb ik toch in geval van nood de mogelijkheid door herbeleening—dat zal wel in de eerste plaats zijn bij de Nederlandsche Bank—geld liquide te maken”.... de geldgevers kunnen zich maar niet aan handen en voeten gebonden geven en moesten zekere eischen stellen, omdat men niet moet vergeten, dat zij niet handelen met hun eigen geld, maar met geld, dat hun is toevertrouwd door anderen. En nu zal ik den geachten afgevaardigde uit Deventer niet behoeven te zeggen, hoeveel commercieele en industrieele ondernemingen er zijn, die geld op prolongatie hebben uitstaan door bemiddeling van die groote geldgevers en die dat geld noodig hebben om te voldoen aan hun eigen renteverplichtingen, om te voldoen aan rekeningen en facturen voor zaken, die zij gekocht hebben op tijd en die moeten betaald worden. Het economisch leven is toch niet zoo eenvoudig, alsof het alleen enkele groote geldgevers te Amsterdam zijn, die gelden hebben gegeven; die groote geldgevers zijn de trechters waardoor het geld heen loopt, maar nu alles geblokkeerd is, ondervinden daarvan een groot aantal commercieele en industrieele ondernemingen nog veel meer moeilijkheden dan de groote geldgevers, waarvan de geachte afgevaardigde meent, dat de Regeering speciaal hun belangen zou hebben gediend.
„Neen, als dat werkelijk waar was: als men werkelijk kon zeggen, zooals de geachte afgevaardigde het hier voorstelt, dat men hier in strijd met wat men doet bij onteigening, de belangen van zeer enkelen dient op kosten van het algemeen, ja, dan was ook zijn peroratie gerechtvaardigd, maar waar dit niet het geval is en waar de juridische onrechtmatigheid begonnen is bij de geldnemers en men regelen moet maken om daarin ten slotte weer eenigen regel te brengen, daar meen ik, dat de geachte afgevaardigde bij nader inzien zelf zal moet erkennen, dat de qualificaties, die hij aan het regeeringsvoorstel gaf, niet in overeenstemming zijn met den werkelijken toestand...... Er is hier een abnormale toestand, en dien abnormalen toestand tracht de Regeering in orde te maken met zoo weinig mogelijk inbreuk op de geldende rechtsregelen. En wanneer men verder wilde gaan, wanneer men zoo streng juridisch wilde redeneeren en handelen als de geachte afgevaardigde uit Deventer heeft gewenscht, geloof ik dat hierop van toepassing zou zijn de oud-Romeinsche rechtsspreuk: summum jus, summa injuria.”
Ten slotte werd het ontwerp met algemeene stemmen aangenomen. In de Eerste Kamer maakte de heer Van den Biezen een tweetal opmerkingen van juridischen aard en sprak de heer Van Nierop een interessante rede over het ontwerp uit, die naast zijne uiteenzetting van den beurshandel ook hierom belangwekkend was, omdat daarin de weinige ingenomenheid van de Amsterdamsche bankiers met het ontwerp telkens om den hoek kwam kijken. Nadat deze afgevaardigde een korte uiteenzetting had gegeven van de Vereeniging voor den Geldhandel en op de nuttige werkzaamheid daarvan tot herstel van het geschokte vertrouwen, niet zonder lichte overdrijving, gewezen had, ging hij aldus voort: „Wanneer men dit verneemt, dan rijst wellicht de vraag of een maatregel als hier wordt voorgesteld nu wel noodig is. Ik kan die vraag begrijpen, maar ik voeg er aanstonds bij, dat ik ze bevestigend beantwoord”. Vervolgens ging de heer Van Nierop na wat er eigenlijk bij de beurssluiting was geschied en zette hij uiteen, dat de geldnemers geen reden hadden bevreesd te zijn voor „afslachting” van de zijde der groote bankiers. Hetgeen de heer Van Nierop hieromtrent zeide, was grootendeels te beamen, maar hij vergat dat de vrees voor „afslachting” nog niet denkbeeldig behoefde te zijn, ook al onthielden de groote bankiers zich van het initiatief daartoe of al zouden zij zelfs daaraan niet hebben meegedaan, indien commissionnairs-geldgevers tot berging van eigen lijf daartoe het sein hadden gegeven. Hij voorspelde voorts „dat na den oorlog groote kapitalen benoodigd (zullen) zijn door de verschillende staten, steden en ondernemingen. Allereerst de Staat der Nederlanden, maar de oorlogvoerende Mogendheden in nog veel grootere mate. Hierdoor zal een zoodanig aanbod van fondsen ontstaan, zoodanige vraag naar geld dat de rentestand zal stijgen en alle koersen zullen moeten dalen. Overwegende dit alles, rijst de vraag of dit ontwerp wel voldoende baat zal brengen, althans in die mate, als men ervan verwacht”. Na nog gesproken te hebben over het raderwerk van het prolongatie-stelsel en zijne instemming te hebben betuigd met de regeling van het herbeleeningsrecht in het ontwerp, besloot deze, in alles wat de beurs betreft bij uitstek ingewijde, spreker: „Ik eindig met de verklaring, dat ik voor de voordracht zal stemmen, maar vraagt men mij of ik dat zonder schroom en niet aarzelend doe, dan moet ik daarop ontkennend[13] antwoorden. Er heerscht bij mij een zekere schroom. De Regeering vraagt een buitengewoon groot vertrouwen, bijna een discretionnaire macht”.
[13] In de Handelingen staat „bevestigend”, maar dit kan niet anders dan een drukfout zijn, zooals blijkt uit hetgeen er onmiddellijk op volgt.
In mijn antwoord had ik geen andere gezichtspunten te openen, dan ik in de Tweede Kamer had gedaan. Het debat over de bevoegdheid der Regeering tot het tegengaan van te hooge rentevordering van de zijde der geldgevers, dat tusschen den heer Van Nierop en mij gevoerd werden, kan ik evenzeer met stilzwijgen voorbij gaan, als de juridische gedachtenwisseling met den heer Van den Biezen. In zijn waardeering van het werk der Vereeniging voor den Geldhandel viel ik den heer Van Nierop bij, maar ik achtte het toch noodig zijne appreciatie tot juister proporties terug te brengen, door er op te wijzen dat de Geldhandel, door den eisch van zakelijke zekerheid, dien hij stellen moest, breede kringen van credietbehoevenden, met name uit den middenstand, weinig baat kon geven. Vooral in dagen van spanning, en die waren toen nog niet achter den rug, kan overdrijving schade doen. De Vereeniging voor den Geldhandel had uitnemende diensten bewezen; het was noodig noch wenschelijk, die diensten nog grooter voor te stellen, dan zij reeds waren. Den 4den September stond de „Beurswet 1914” in het Staatsblad. Later werd daarin nog eene verandering van niet principieele beteekenis aangebracht.
Van den aanvang af had de bedoeling voorgezeten, dat de Regeering zich bij de uitvoering der wet door deskundigen zou doen voorlichten. In de wet zelve was voorgeschreven dat voorlichting zou worden gezocht bij een door de Koningin te benoemen commissie van deskundigen. Ik begreep echter, dat dit niet voldoende zijn zou en dat ik als Minister die met de uitvoering der wet belast was, niet slechts advies noodig had in moeilijke gevallen, maar de steun behoefde van personen, die vooral als de beurs weer zou opengaan, aldaar de Regeering dagelijks zouden vertegenwoordigen. Zonder zulk een orgaan zou het Regeeringstoezicht grootendeels slechts van formeelen aard zijn geweest en het was noodig, dat hier een daadwerkelijk dagelijksch toezicht werd uitgeoefend. Aanvankelijk had ik daartoe het oog op een Regeeringscommissaris; bij nader inzien scheen mij de taak van de vertegenwoordiging der Regeering bij de uitvoering der Beurswet te gelijk zóó gewichtig, zóó moeilijk en zoozeer een zaak van onbeperkt vertrouwen, dat het de voorkeur verdiende, haar aan een commissie van drie personen toe te vertrouwen.
Als zoodanig werden door mij aangewezen de heeren: J. H. Kann, Mr. E. Fennema en Mr. J. J. van Troostenburg de Bruyn. Die heeren hebben hun moeilijke taak met groote onpartijdigheid en kennis van zaken vervuld en zij hebben door hun tactvol optreden tot de goede werking der Beurswet en tot de geleidelijke en ongestoorde hervatting der beurszaken zeer veel bijgedragen.
Als wettelijke Commissie van deskundigen werden door de Koningin benoemd de heeren: A. de Bijll Nachenius, J. van der Kooy Jr., G. W. A. van Laer J.Cz., Mr. H. M. Roelofsz, A. Roelvink en Dr. D. F. Scheurleer, met plaatsvervangers. Tot voorzitter werd aangewezen de heer S. P. van Eeghen, tot plaatsvervangend voorzitter de heer Dr. H. F. R. Hubrecht, voorzitter en onder-voorzitter van de Kamer van Koophandel te Amsterdam; tot secretaris werd benoemd de heer Mr. H. A. van Nierop. Natuurlijk is er tusschen beide commissies niet steeds overeenstemming geweest, maar de goede verstandhouding werd ook bij verschil van inzicht niet verstoord. Waar dit zich openbaarde, was ik door het ontvangen van twee gemotiveerde rapporten in staat tot het nemen van een beslissing, na het hoor en wederhoor te hebben toegepast.
De Commissie van deskundigen werd den 2den October 1914 op het Departement van Landbouw door mij geïnstalleerd. Daarbij hield ik tot de heeren de volgende toespraak:
Bij de Beurswet is voor den tijd dat deze wet van kracht zal zijn, ten aanzien van den geld- en fondsenhandel een even groote als buitengewone bevoegdheid aan den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel toevertrouwd.
Die bevoegdheid brengt een zware aansprakelijkheid met zich.
De wetgever zou mij, als Minister van Handel, zeer zeker die bevoegdheid niet hebben toegekend en ik zou even stellig de daaruit voortspruitende aansprakelijkheid niet hebben durven aanvaarden, indien mij niet van meet af de voorlichting van eene Commissie van deskundigen ware verzekerd geweest.
De Commissie van deskundigen van de Beurswet heeft naar de bedoeling des wetgevers ten aanzien van den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel een plaats te bekleeden, welke is te vergelijken met die, welke de afdeeling voor geschillen van bestuur van den Raad van State tegenover de Regeering inneemt. De Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel zal aan de adviezen van de Commissie van deskundigen niet zijn gebonden. De beslissing blijft bij hem. Maar de bedoeling des wetgevers is zonder twijfel geweest, dat de verhouding tusschen den Minister en de Commissie van deskundigen zoodanig zou wezen, dat hij als regel zal kunnen volstaan met eene bekrachtiging van het advies, dat hij van de Commissie zal ontvangen.
Waar het nu wel van zelf spreekt, dat zoowel bij den Minister als bij de Commissie den ernstigen wil voorzit om niet alleen de letter van de wet na te leven maar ook haar geest en bedoeling te verwezenlijken, daar volgt uit de verhouding, die de wet bedoelt, dat in werkelijkheid een groot deel van de aan den Minister toegekende bevoegdheid maar daarmede tevens een groot deel van de daarmede gepaard gaande verantwoordelijkheid komt te rusten op de schouders van de Commissie van deskundigen.
Het gaat bij deze aangelegenheid om groote financieele belangen, om financieele belangen, waarbij duizenden van de bevolking betrokken zijn. En die belangen zijn niet steeds in dezelfde richting. Integendeel telkens, bij schier elk eenigszins belangrijk vraagpunt, zullen belangen van de eene groep van daarbij betrokkenen, zich kruisen met belangen van een of meer groepen van andere belanghebbenden. De taak van allen, die bij de uitvoering van de wet een rol zullen hebben te vervullen, zal wezen met het ernstigste streven naar strikte onpartijdigheid, met den vasten wil algemeene volksbelangen hooger te stellen dan belangen van bepaalde groepen der bij den geld- en fondsenhandel betrokkenen, dezen handel uit het tijdperk van ongekende beroering, waarin hij verkeert, langzaam maar zeker terug te leiden naar den toestand van vrijheid, waarin Regeeringsinmenging niet slechts overbodig zijn zou, maar hinderlijk voor eene gezonde en krachtige ontwikkeling.
Die taak is moeilijk; zij stelt hooge eischen. Zij verlangt, dat allen, die aan haar deelnemen, zich zullen weten te plaatsen op hooger peil dan waarop men zich bevindt, als uitsluitend met de belangen van een bepaalde groep van belanghebbenden behoeft te worden gerekend. Wat mijzelven aangaat, ik heb begrepen dat mijn aandeel in die taak, waar ik slechts zulk een klein deel van mijn tijd en van mijn denken daaraan zou kunnen wijden, voor mij te zwaar zou zijn, indien ik daarin voor de dagelijksche uitvoering der wet niet werd bijgestaan door enkele vertrouwde en der zake kundige personen.
Ik heb het daarom op hoogen prijs gesteld, dat ik een drietal mannen van erkende kunde en die wegens hun karaktereigenschappen algemeen geacht worden, bereid heb gevonden, mij den bijstand, dien ik in deze zoozeer noodig heb, te verleenen. Ik breng hun, die op mijn verzoek hier mede tegenwoordig zijn, voor die bereidwilligheid mijn dank.
Het zou echter een groote dwaling zijn te meenen, dat de instelling der Commissie van bijstand in de uitvoering der wet iets te kort deed aan de groote beteekenis van het aandeel in onze gemeenschappelijke taak, dat Gij, Mijne Heeren, als leden en plaatsvervangende leden der wettelijke Commissie van deskundigen hebt willen op U nemen. Welke die beteekenis is, heb ik zoo even reeds met een enkel woord aangestipt; ik acht het onnoodig daaraan iets toe te voegen.
Dat Gij, voorzitter en ondervoorzitter van de Amsterdamsche Kamer van Koophandel, het voorzitterschap en het plaatsvervangend voorzitterschap van de Commissie van deskundigen van de Beurswet hebt willen aanvaarden, wordt niet alleen door de Regeering, maar zeker door heel het land gewaardeerd. Ieder ziet daarin terecht een waarborg te meer voor de onpartijdigheid der adviezen, welke van Uwe Commissie zullen uitgaan.
En Gij, mijne heeren leden en plaatsvervangende leden der Commissie, bij Uwe keuze is rekening gehouden met de verschillende groepen uit den geld- en effectenhandel, die aanspraak er op mogen maken, dat op hunne belangen zal worden gelet. Echter is het de bedoeling allerminst geweest, dat ieder Uwer in de Commissie zich zou gevoelen als de pleitbezorger van de groep, waartoe hij zelf behoort. Integendeel, van ieder Uwer wordt verwacht, dat Gij de vragen waarover Gij zult hebben mede te adviseeren, breeder bezien zult dan alleen uit den gezichtshoek van den kring, die U aanbeval.
Bij de samenstelling der Commissie uit vertegenwoordigers van verschillende groepen van belanghebbenden heeft niet het denkbeeld voorgezeten een aantal pleitbezorgers van verschillende groepsbelangen bijeen te brengen, maar wel er voor te waken, dat het uitbrengen der adviezen niet zou geschieden met een onwillekeurig verwaarloozen van bepaalde groepsbelangen. Het algemeene belang toch van hen, die bij de Beurswet betrokken zijn, is de resultante van de belangen der verschillende groepen, waaruit de beurswereld is samengesteld, zoomede van de belangen van het publiek, dat achter die groepen staat. Het samenbrengen van een aantal deskundigen, die ieder meer in het bijzonder de belangen en de inzichten van een bepaalde groep kennen, maar die daarbij van het geheele zakenleven op beursgebied zoodanig op de hoogte zijn, dat zij de beteekenis hunner eigen groep voor het geheel met bijzondere kennis van zaken beoordeelen kunnen, waarborgt dat bij het opmaken der resultante de verschillende krachten, die haar bepalen, in haar relatieve sterkte met juistheid zullen worden gemeten.
Aan niemand is het gegeven zich geheel te onttrekken aan den invloed van zijn milieu.
Men mag dus van U leden en plaatsvervangende leden der Commissie, die bepaalde groepen vertegenwoordigt, niet verlangen en niet verwachten, dat Gij zult kunnen wat niemand kan. Maar wèl wordt van U verwacht en verlangd, dat Gij beseffen zult dat Gij steeds bij het uitbrengen van Uw advies zult hebben te streven naar den hoogst bereikbaren graad van objectiviteit, met den meesten ernst zult moeten pogen het belang van Uw groep en van het deel van het publiek, dat achter haar staat, in de juiste verhouding te stellen tot dat der andere groepen, die tezamen het algemeen belang bepalen.
Ik houd mij overtuigd, dat aan het beroep dat ik met deze woorden op Uw aller toewijding en Uw aller streven naar onpartijdigheid toe, door U zou zijn gehoor gegeven, al had ik het niet openlijk uitgesproken. Waar het hier echter om zoo groote, zoo ingewikkelde en zoo wijd vertakte belangen gaat, heb ik gemeend dat beroep tot dekking van mijne eigen verantwoordelijkheid—zij het ook ten overvloede—niet achterwege te mogen laten.
Het licht dat van ieder Uwer zal uitschijnen, zal ook bij het ernstigste streven naar objectiviteit, min of meer gekleurd zijn; de samenstelling Uwer Commissie geeft echter recht tot de verwachting, dat uit de combinatie dier kleuren het witte licht der objectiviteit zal te voorschijn komen.
Hoe dichter Uwe Commissie tot dat ideaal zal kunnen naderen, hoe hooger de waarde harer adviezen niet slechts voor de Regeering maar ook voor het publiek zijn zal, en hoe grooter tevens de voldoening zal wezen waarmede Gij, Mijne Heeren, als Uw taak zal zijn afgeloopen, daarop zult kunnen terugzien.
Door den heer Van Eeghen werd daarop als volgt geantwoord: