WeRead Powered by ReaderPub
Oud en nieuw cover

Oud en nieuw

Chapter 7: DE KERSTVREDE.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A collection of interlinked short tales that blend folklore, legend, and everyday life, ranging from folkloric episodes set in rural landscapes to moral and miraculous vignettes. Narratives move between the ordinary and the uncanny, presenting vivid scenes, old sayings and compassionate portrayals of human frailty, repentance, and redemption. Structure alternates compact stories and longer narratives that evoke seasonal customs, religious devotion, and imaginative reworkings of local myths, all told in a lyrical, episodic manner.

IN DE GERECHTSZAAL.

We zijn in de gerechtszaal van een klein stadje. Aan de groene tafel achter in de kamer zit een oude rechter, een lang en krachtig gebouwd man met een breed en grof gezicht. Verscheidene uren reeds is hij bezig geweest met de eene zaak na de andere, en eindelijk is het, alsof een sombere tegenzin in zijn werk over hem gekomen is. Het is moeilijk uit te maken, of het de hitte en de benauwdheid in de zaal is, die hem kwellen, of dat hij ontstemd is door al die kleingeestige twisten, die alleen schijnen ontstaan te zijn om er van te getuigen, hoe twistziek en onbarmhartig en geldzuchtig de menschen zijn.

Hij is nu juist begonnen met een van de laatste zaken, die vandaag behandeld moeten worden. Het betreft een eisch van bijdrage voor het onderhoud van een onecht kind.

Deze zaak is al behandeld in de vorige zitting en de notulen daarvan worden voorgelezen. Daaruit verneemt men ten eerste, dat de eischeresse een arm dienstmeisje, en de beklaagde een getrouwd man is.

Verder blijkt het uit de notulen, dat de beklaagde verklaard heeft, dat de eischeresse ten onrechte en alleen uit geldzucht hem heeft aangewezen als de vader van haar kind. Hij erkent, dat de eischeresse eenigen tijd op zijn hoeve heeft gediend, maar hij heeft in dien tijd geen liefdesbetrekking met haar aangeknoopt, en zij heeft geen recht, hulp van hem te verlangen. De eischeresse heeft toch haar verklaring volgehouden, en nadat eenige getuigen gehoord zijn, is het den beklaagde opgelegd, zich te zuiveren door een eed, wanneer hij niet veroordeeld wil worden, de eischeresse ondersteuning te geven.

Beide partijen zijn verschenen en staan naast elkaar voor de groene tafel. De eischeresse is heel jong en ziet er verschrikt en ontdaan uit. Zij schreit van verlegenheid, en veegt met moeite haar tranen af met een opgerolden zakdoek, dien zij niet schijnt te kunnen losvouwen. Zij heeft zwarte kleeren aan, die er tamelijk nieuw en frisch uitzien, maar ze zitten zoo slecht, dat men er toe komt te vermoeden, dat zij ze geleend heeft om fatsoenlijk voor den rechter te kunnen verschijnen.

Wat den beklaagde betreft, men ziet dadelijk aan hem, dat hij een man in goeden doen is. Hij is zoowat veertig jaar oud en ziet er flink en vrijmoedig uit. Zooals hij daar voor den rechter staat, houdt hij zich heel goed, hij schijnt het nu juist geen bizonder genoegen te vinden, daar te staan, maar hij ziet er ook niet uit, of het hem ook maar in het minst bezwaart.

Zoodra de notulen gelezen zijn, wendt zich de rechter tot den beklaagde, en vraagt hem, of hij bij zijn ontkenning blijft en bereid is, den eed af te leggen.

Op die vragen antwoordt de beklaagde met een vrijmoedig „ja”. Hij begint te zoeken in zijn vestjeszakje en haalt een bewijs van den predikant voor den dag, dat hij de beteekenis en het gewicht van den eed kent, en niets hem verhindert om dien af te leggen.

Onder dit alles schreit de eischeresse voortdurend. Zij schijnt onoverkomelijk verlegen, en houdt voortdurend de oogen naar den grond gericht. Ze heeft ze nog niet zoover opgeslagen, dat zij den beklaagde in het aangezicht heeft kunnen zien.

Nu hij „ja” zegt, gaat haar een schok door de leden. Zij doet een paar stappen naar de tafel, alsof ze iets zeggen wilde, maar blijft dan weer staan. Het is toch niet mogelijk, schijnt ze in zichzelf te zeggen, hij kan niet: „ja” gezegd hebben, ik moet het verkeerd gehoord hebben.

Intusschen heeft de rechter het stuk aangenomen, en geeft een van de gerechtsdienaren een wenk. Deze gaat naar de tafel om den Bijbel te krijgen, en dien voor den beklaagde neer te leggen.

De eischeresse hoort, dat iemand haar voorbijgaat en wordt onrustig. Zij dwingt zichzelf, zoover op te zien, dat ze over de tafel kan kijken, en nu ontdekt ze, dat de gerechtsdienaar den Bijbel verschuift.

Weer schijnt het alsof ze iets zeggen wil, maar ze bedwingt zich opnieuw. Het is immers niet mogelijk, dat hij den eed afleggen mag; de rechter moet het hem immers beletten.

De rechter is zoo'n verstandig man en hij wist wel, wat de menschen denken en vinden in die streken. Hij weet wel, hoe streng alle menschen waren, zoodra er iets voorkwam, wat op het huwelijk betrekking had; ze wisten geen erger zonde, dan die zij begaan had. Zou zij nu ooit zoo iets van zichzelf bekend hebben, als het niet waar geweest was, de rechter wist toch wel wat een vreeselijke verachting ze daardoor over zich had gebracht. En niet alleen verachting, maar alle mogelijke ellende. Niemand wil haar in dienst nemen, niemand wil haar in het werk hebben. Haar eigen ouders dulden haar nauwelijks in hun hut, en spreken er elken dag over haar de deur uit te zetten. Neen, de rechter kon wel begrijpen, dat zij geen ondersteuning van een getrouwd man zou begeerd hebben, als zij daar geen recht toe had.

De rechter kon toch niet denken, dat ze in zulk een zaak liegen zou, dat ze zulk een vreeselijk ongeluk over zichzelf zou brengen, als ze iemand anders had gehad om aan te klagen, dan een getrouwd man.

Zij ziet hoe de rechter daar zit, en de verklaring van den predikant een paar keer overleest. Daarom begint ze te gelooven, dat hij van plan is in te grijpen.

Het is ook waar, dat de rechter er bedenkelijk uitziet. Hij kijkt een paar maal naar de eischeresse, maar daardoor wordt de uitdrukking van ontstemdheid en tegenzin, die op zijn gezicht ligt, nog meer merkbaar. Het schijnt alsof hij onvriendelijk tegen haar gestemd is. Zelfs al spreekt de eischeresse de waarheid, is ze toch een slecht mensch en de rechter kan geen belangstelling voor haar voelen.

Het gebeurt soms, dat de rechter in een rechtszaak ingrijpt als een goed en verstandig raadgever, en beide partijen helpt, door hun te beletten zich zelf geheel te gronde te richten. Maar dezen keer is hij moe en ontstemd, en hij denkt aan niets anders, dan dat het recht zijn loop moet hebben.

Hij legt het stuk neer, en zegt enkele woorden tegen den beklaagde: dat hij hoopt, dat deze nauwkeurig het gewicht der beteekenis van een valschen eed heeft overwogen.

De beklaagde hoort hem aan met dezelfde kalmte, die hij steeds door getoond heeft, en hij antwoordt eerbiedig en niet zonder waardigheid.

De eischeresse luistert naar dit alles met den grootsten schrik. Ze maakt een paar heftige gebaren en klemt de handen samen.

Nu wil ze voor de rechtbank spreken. Ze voert een vreeselijken strijd met haar verlegenheid en met de snikken, die haar de keel samensnoeren, maar het eind is toch, dat ze geen hoorbaar woord kan uitbrengen.

Nu zal het dan toch tot den eed komen. Hij zal dien mogen afleggen, niemand kan hem verhinderen zijn ziel te verliezen.

Tot op dit oogenblik heeft ze niet kunnen gelooven dat het gebeuren zou, maar nu grijpt haar de zekerheid aan, dat het binnenkort—dat het in het volgend oogenblik gebeuren zal. Een schrik, meer overweldigend dan ze ooit te voren gevoeld heeft, komt over haar. Ze is als volkomen versteend, ze kan niet eens meer schreien, de oogen verstijven haar in het hoofd.

Hij is dus van plan de eeuwige verdoemenis over zich te brengen.

Ze begrijpt wel, dat hij zich door dien eed schoon wil wasschen terwille van zijn vrouw. Maar zelfs al zou hij het moeilijk met haar krijgen, dan moest hij daarom toch niet zijn eeuwige zaligheid verspelen.

Er was geen vreeselijker zonde dan een meineed, er was iets geheimzinnigs en vreeselijks aan die zonde, daarvoor was geen genade en geen vergiffenis. De poorten van den afgrond openden zich vanzelf als de naam van een meineedige genoemd werd. Ze vreesde, dat als ze nu haar oogen naar zijn aangezicht ophief, ze het reeds gestempeld zou vinden met een teeken van verdoemenis, daar door Gods toorn op gedrukt.

Terwijl ze zich daar staat op te winden tot steeds grooter schrik, heeft de rechter den beklaagde gewezen hoe hij de vingers op den Bijbel moest leggen, en dan bladert de rechter in het wetboek, om het eedsformulier te vinden.

Nu ze hem de handen aan het boek ziet brengen, doet ze weer een stap naar de tafel, en het schijnt of ze zich voorover wil buigen en zijn hand wegstooten.

Maar nog wordt ze teruggehouden door een laatste hoop. Ze denkt, dat hij nu nog op het laatste oogenblik terug zal treden.

De rechter heeft in het wetboek de pagina gevonden die hij gezocht heeft, en nu begint hij den eed luid en duidelijk voor te zeggen. Dan houdt hij op, om den beklaagde gelegenheid te geven zijn woorden na te spreken. En de beklaagde begint ze werkelijk te herhalen, maar hij vergist zich en de rechter moet weer van voren af aan beginnen.

Maar nu heeft ze ook geen spoor van hoop meer, nu weet ze, dat hij van plan is een valschen eed te doen, dat hij Gods toorn op zich laden zal voor heel zijn volgend leven. Daar staat ze en wringt de handen in haar hulpeloosheid, het is alles haar schuld, omdat zij hem heeft aangeklaagd.

Maar ze was ook zonder werk, ze leed honger en kou, er was gevaar, dat haar kind sterven zou. Tot wien kon ze zich anders wenden om hulp te krijgen?

Nooit had ze ook geloofd, dat hij zoo'n vreeselijke zonde zou begaan.

Nu heeft de rechter opnieuw den eed voorgezegd. In een oogenblik zal de daad bedreven zijn, een daad, die nooit meer ongedaan te maken is, nooit meer goed te maken, nooit meer uit te wisschen.

Nu de aangeklaagde opnieuw den eed begint te herhalen, vliegt zij naar voren, slaat de hand, die hij heeft uitgestrekt, op zij en rukt den Bijbel naar zich toe. Het is haar vreeselijke angst, die haar eindelijk moed gegeven heeft. Hij zal zijn ziel niet verliezen door een valschen eed, dat zal hij niet.

De gerechtsdienaar loopt dadelijk op haar toe, om haar den Bijbel af te nemen en haar tot de orde te roepen. Zij heeft een onuitsprekelijken angst voor alles, wat met de rechtbank in verband staat, en ze is in haar ziel overtuigd, dat wat ze nu gedaan heeft, haar in de gevangenis zal brengen. Maar ze laat den Bijbel niet los. Wat het ook kosten moge, hij zal den eed niet afleggen. Hij, die zijn onschuld bezweren wil, springt ook naar voren, om haar het boek af te nemen, maar zij verzet zich ook tegen hem.

„Je zult den eed niet doen,” roept ze, „je zult het niet.”

Wat er gebeurt, wekt natuurlijk de grootste verwondering! Het publiek dringt naar voren, naar de groene tafel, de advocaten beginnen op te staan, de griffier springt op met den inktkoker in de hand, om te voorkomen, dat hij omgegooid wordt.

Daar roept de rechter luid en toornig: „Stilte”, en allen blijven onbeweeglijk staan.

„Wat bezielt je? Wat heb je met dien Bijbel te maken?” vraagt de rechter met dezelfde harde en strenge stem.

Sinds ze haar angst lucht heeft gegeven door een wanhopige daad, is haar verlegenheid verminderd, zoodat ze antwoorden kan.

„Hij zal den eed niet doen.”

„Zwijg stil, en leg dat boek op zijn plaats,” beveelt de rechter.

Maar zij gehoorzaamt niet, ze houdt het boek met beide handen vast. „Hij zal den eed niet doen,” roept ze met onbeteugelde heftigheid.

„Wil je dan met alle geweld de zaak winnen?” vraagt de rechter met steeds scherper stem.

„Ik wil de zaak niet verder voortzetten!” barst ze uit met een luide, snijdende stem. „Ik wil hem niet dwingen om te antwoorden.”

„Waarom schreeuw je zoo?” vraagt de rechter. „Heb je je verstand verloren?”

Ze snakt naar adem, en tracht zich te bezinnen. Ze hoort zelf hoe ze schreeuwt. De rechter moet wel denken, dat ze gek geworden is, als ze niet kalm kan zeggen wat ze wil. Ze spant nog eens al haar krachten in om haar stem meester te worden, en dezen keer gelukt het haar.

Ze zegt langzaam, ernstig, luid, terwijl ze den rechter strak aanziet: „Ik wil de zaak niet verder vervolgen. Hij is de vader van mijn kind, maar ik houd nog van hem. Ik wil niet, dat hij een valschen eed zal doen.”

Zij staat rechtop en vast besloten midden voor de groene tafel, en blijft den rechter vlak in het strenge gezicht zien. Hij zit met beide handen op de tafel gesteund, en wendt een tijdlang de oogen niet van haar af.

Terwijl de rechter haar aanziet, verandert hij geheel en al.

Al het slappe en ontevredene, dat op zijn gezicht lag, verdwijnt, en zijn groot, grof gezicht wordt mooi, doordat hij zoo bewogen wordt.

Zie eens, denkt de rechter, zie eens, zoo is mijn volk. Ik zal er mij niet meer aan ergeren, nu er zooveel liefde en godsvrucht bij een van de geringsten te vinden is.

Opeens voelt de rechter, dat hem de oogen vol tranen schieten, en dan slaat hij ze bijna beschaamd neer. Hij werpt een snellen blik om zich heen. Nu ziet hij, dat de griffier en de leensman en heel de lange rij van advocaten zich voorover hebben gebogen, om het meisje aan te zien, dat daar voor de groene tafel staat met den Bijbel tegen zich aangedrukt En hij ziet, dat er een glans op al die gezichten ligt, alsof ze iets heel moois gezien hebben, dat hen blij heeft gemaakt tot diep in hun ziel.

En dan ziet de rechter naar het publiek, en het komt hem voor, dat alle menschen stil zitten, en diep ademhalen, alsof ze zoo juist gehoord hebben, waar ze het allermeest naar verlangden.

Het allerlaatst ziet de rechter naar den beklaagde. Nu staat hij met gebogen hoofd en neergeslagen oogen.

De rechter wendt zich opnieuw naar het arme meisje.

„We zullen doen wat je wilt,” zegt hij. „De zaak moet afgevoerd worden,” zegt hij tegen den griffier.

De beklaagde maakt een beweging, alsof hij er tegen op wil komen.

„Wat is dat nu?” roept de rechter hem toe. „Heb je er iets tegen?”

De beklaagde buigt het hoofd nog dieper, en zegt nauwelijks hoorbaar: „Ach neen, het is maar het beste, dat het zoo blijft.”

De rechter blijft nog een oogenblik zitten. Dan schuift hij langzaam zijn stoel achteruit, staat op en gaat om de tafel naar de eischeresse toe.

„Ik dank je, kind,” zegt hij, en reikt haar de hand.

Zij heeft den Bijbel neergelegd, en staat te schreien, en ze droogt haar tranen met den opgerolden zakdoek.

„Ik dank je, kind,” zegt de rechter nog eens, en hij neemt haar hand zoo zacht en voorzichtig, alsof die iets heel teers en kostbaars was.

HOE GROOTVADER GROOTMOEDER KREEG.

Is dat niet wonderlijk? Toen Grootvader Grootmoeder vroeg, wilde ze hem volstrekt niet hebben.

Grootmoeder was toen jong: 's nachts zette ze papillotten in 't haar en overdag droeg ze groote, dikke krullen. Grootmoeder droeg lange, witte paarlen als oorbellen en Grootmoeder was heel mooi.

Grootmoeder had veel aanbidders om uit te kiezen. Ze liep er over te denken of ze met een jongen baron zou trouwen, die juist het bestuur over zijn vaderlijk landgoed had gekregen, of dat het misschien wijzer wezen zou haar neef te nemen, die op 't punt was in den gemeenteraad van Malmö benoemd te worden. Die twee waren knappe mannen, maar Grootvader was leelijk. Vooral zijn handen waren zoo leelijk als 't maar kon. In zijn kindsheid had hij als bedelaar langs de wegen gezworven. Hij had den heelen winter in de kou buiten geloopen, en het is vrij zeker, dat hij nooit wanten gebruikt had.

Grootvader werd knapper, toen hij ouder werd en grijs haar kreeg. Toen hij jong was zag hij er te wild en te somber uit met zijn dikken, zwarten haarbos. 't Was nooit zoo goed gegaan met Grootvader, als hij niet heel vroeg grijs haar en grijze wenkbrauwen gekregen had. Vroeger zag hij er uit als een roover en dat ging toch niet aan voor een predikant.

Grootmoeder vertelde dikwijls, dat toen Grootvader in de pastorie was aangesteld als kapelaan bij haar vader, den proost, en daar aan kwam zetten met bloote voeten en de schoenen over zijn rug hangend aan een stok, dien hij over den schouder droeg, scheelde het niet veel of haar moeder had hem voor een landlooper aangezien en hem weggejaagd, en ze was altijd een beetje bang voor haar zilver geweest, zoo dikwijls Grootvader in de eetzaal kwam. En de oude proost bleef zelf preeken de eerste Zondagen, omdat hij 't niet over zich verkrijgen kon, dien wilden roover op den preekstoel te laten.

Maar 't eerste wat Grootvader deed, toen hij in de pastorie kwam, was verliefd op Grootmoeder worden. Dat deed hij al zoodra hij aan tafel kwam. En wonderlijk was dat ook niet, want Grootmoeders haar was zacht en glanzend, haar oogen waren diep en zacht, en haar tint was blank en roze. De vorm van haar gezicht was buitengewoon mooi en in de wang had ze een kuiltje, dat nu nog te zien is, als ze lacht.

Grootmoeder schrikte geducht toen ze voor 't eerst merkte, dat Grootvader van haar hield. Ze durfde haast niet alleen in den tuin of op den weg te loopen. Iemand, die zulke oogen als Grootvader had, kon ze niet laten te verdenken van achter struiken en boomen op de loer te liggen om haar te schaken.

Grootmoeders vader schreef in stilte aan den bisschop en het consistorie om een anderen kapelaan. Die hem gezonden was, kon hij heelemaal niet gebruiken.

Hij kon 't niet verdragen Grootvader in zijn pastorie te hebben. Hij was een echte wilde. Hij zat aan tafel als een boer en lag met beide ellebogen op het tafellaken. Hij spuwde op den grond en liep op grove vetleeren laarzen, die haar sporen op 't tapijt achterlieten.

Vier heele weken liep Grootvader in de pastorie rond, zonder dat hij iets te doen had. De oude proost wilde hem evenmin in 't kerkeboek laten schrijven, als hij hem naar den preekstoel wilde zenden. Grootvader zweeg en beklaagde zich niet.

't Scheen wel of hij genoeg te doen had met Grootmoeder te volgen op al haar wegen. Grootmoeder zat gewoonlijk te weven op een klein kamertje in den gevel van 't huis. Grootvader ontdekte, dat hij, als hij een zolder opging en over den hooizolder klauterde en door een schuurzoldertje kroop, waar de grond uit losse latten bestond, aan een luik kwam, dat op het venster van het weefkamertje uitzag. En voor dat luik zat Grootvader in elkaar gehurkt uur aan uur, en zag naar Grootmoeder, die met bloote armen en de rozen op de wangen aan den weefstoel werkte.

't Duurde niet lang of Grootvader had ontdekt waar 't lievelingsplekje van Grootmoeder in den tuin was. De heele tuin was namelijk zóó met hagen omringd, dat men er even ingesloten zat, als in een kamer; maar er was een hekje, dat naar de akkers leidde en daar stond Grootmoeder graag. En terwijl zij daar stond met de ellebogen op het hekje geleund en ver over 't wijde veld keek, lag Grootvader daar verscholen in 't hooge koren en had de oogen niet van haar af.

Toen Grootvader vier weken in de pastorie geweest was, kreeg de oude proost een brief van den bisschop, dat zijn verzoek was toegestaan en dat hij Grootvader maar wegzenden moest. En hij was er zoo blij om, dat hij er geen oogenblik meê wilde wachten. Hij stak den brief van den bisschop in den zak en ging zelf naar de kamer van Grootvader om hem den inhoud van den brief meê te deelen.

Grootvader zat te schrijven toen de oude proost binnenkwam.

Hij schreef een preek, maar hij werd zoo verlegen, alsof hij een brief aan zijn meisje schreef. Hij kon nauwelijks spreken over wat hij deed, toen de proost hem vroeg wat hij daar in de la van zijn schrijftafel wegsloot.

De proost wist immers, dat hij nu van Grootvader afkomen zou, en daarom was hij vriendelijker tegenover hem gestemd dan vroeger. En voor 't eerst vroeg hij zich verwonderd af, hoe 't toch kwam, dat Grootvader was zooals hij was, en waarom zoo'n man predikant had willen worden.

Hij begon Grootvader uit te vragen en die vertelde hem alles. Hij had altijd zoo'n lust gehad om te preeken. Hij had voor de boomen langs den weg gepreekt, als hij met zijn moeder liep te bedelen. Hij wist niet hoe hij op de gedachte gekomen was, maar hij had altijd gewenscht predikant te worden om te mogen preeken naar hartelust.

De oude proost verbaasde er zich over, dat hij, die zoo arm geweest was, de school had kunnen doorloopen en Grootvader vertelde hoe dat gegaan was. En 't was alsof hij zijn heelen leertijd lang honger en kou geleden had. Maar onder alle moeilijkheden door had Grootvader zich getroost met aan dat uur te denken, wanneer hij zijn stem zou mogen verheffen en spreken in Gods huis.

Keer op keer stak de proost de hand in den zak om den brief van den bisschop er uit te halen, maar hij had er het hart niet toe. In plaats daarvan vroeg hij de preek te mogen lezen, die Grootvader bezig was te schrijven. Hij las die, schudde het hoofd en ging heen zonder een woord te zeggen. Maar den volgenden Zondag preekte Grootvader en deed dat lang niet slecht!

En van dat oogenblik af probeerde de oude proost Grootvader op te voeden. Hij leerde hem preeken en de kerkeboeken houden.

Maar hij zei dikwijls, dat hij geen grooter offer gebracht had, dan toen hij besloot Grootvader niet weg te zenden.

Maar als nu een oud, verstandig man zooveel moeite had zich met Grootvader te verzoenen, moest dat nog veel moeilijker wezen voor Grootmoeder, die nog maar even twintig jaar was.

Het was op een mooien Zondagmiddag midden in den zomer. De pastorie was vol gasten en ze waren allen uit rijden in 't groote bosch van 't naburige buiten. Grootmoeder was de eenige, die thuis was. Ze moest zeker op het huis passen, want de dienstboden hadden vrijaf, zoodat er geen knecht of meisje in de heele pastorie was.

Grootmoeder wist wel, dat Grootvader thuis was, maar ze wist ook, dat hij naar een naburige gemeente moest om te preeken. Zij had zeker niet alleen thuis durven blijven, als ze niet geweten had, dat hij genoodzaakt zou zijn heen te gaan.

Maar vóór Grootvader naar de kerk ging, wilde hij zich verfrisschen door een teug uit den zilveren beker, die altijd op de dientafel in de eetzaal stond. En toen hij in de kamer kwam en Grootmoeder daar alleen vond, vroeg hij haar ten huwelijk.

Grootmoeder zei gauw: „neen”, en Grootvader ging dadelijk heen zonder te smeeken of aan te dringen.

En Grootmoeder was heel blij, dat die verklaring achter den rug was.

Grootmoeder ging naar den grooten spiegel in de voorkamer en maakte een pirouette er voor. Toen ze zag hoe mooi en blond ze was, lachte ze om den zwarten kapelaan, die dacht dat hij haar krijgen zou.

Op 'tzelfde oogenblik kromp ze ineen van schrik. Ze meende, dat ze wat hoorde. Ze luisterde ademloos en gespannen. Daar was stellig iemand, die schreide in de aangrenzende kamer.

Ze dacht, dat een van de gasten was thuisgekomen en ze ging de eetzaal binnen om te zien, wie het wezen kon. Daarbinnen hoorde ze het schreien heel duidelijk, maar er was geen levend wezen in de kamer. De eetzaal was groot, maar er was geen plaats om zich te verstoppen. Toch zocht Grootmoeder onder de tafel en achter de bamboestoelen. Ze keek in 't hoekje van den haard, in de kast en achter de deuren. Neen, er was geen mensch in de kamer. Maar aldoor, terwijl Grootmoeder zocht, hoorde ze duidelijk, dat er iemand schreide. En 't schreien kwam van een plaats bij 't venster, ongeveer daar waar Grootvader gestaan had, toen hij haar gevraagd had.

Grootmoeder probeerde met zichzelf te beredeneeren, dat het louter verbeelding was. Ze zette de tanden vast op elkaar en naderde moedig de plaats, waar het schreien vandaan kwam, en dacht, dat het dan wel zou ophouden, maar het hield niet op; het zuchten en snikken hield aan.

't Was duidelijk, dat er iemand schreide op twee passen afstand van haar. Maar ze zag niemand.

't Was een schreien, alsof een mensch 't gezicht in de handen verborg en zich op den grond wierp en schreide, alsof zijn hart breken zou. Ten slotte werd Grootmoeder zóó bang, dat ze moest gaan zitten om niet neer te vallen. En zoo zat ze stil, een heel kwartier lang, terwijl de onzichtbare maar aldoor schreide. Grootmoeder kon geen vinger verroeren. Ze kon niet wegloopen en ook niet roepen. Ze zat daar doodsbleek, met krampachtig saamgevouwen handen en bij iederen snik rilde ze van ontzetting.

Maar éénmaal in al dien tijd verroerde ze zich. Opeens kwam ze op de gedachte, dat 't schreien van iemand kon komen, die buiten voor het venster zat. „Misschien zit daar iemand buiten het venster te schreien,” zei ze in zichzelf, „en ben ik hier bang voor niets.” En toen dwong ze zichzelf tot opstaan, 't venster open te doen en er uit te zien. Maar er was niemand, en opnieuw zonk ze neer in haar stoel.

Grootmoeder dacht, dat iemand, die zóó schreide, een verdriet moest hebben zóó groot, als ze niet wist, dat er in de wereld bestaan kon. 't Moest een ziel zijn, die in zoo'n angst verkeerde, dat de dood een verlichting wezen moest. 't Was alsof niets ter wereld hem zou kunnen troosten, die zóó schreide.

Voor 't eerst in haar leven begreep Grootmoeder wat lijden beteekende. Want die onzichtbare schreide zóó, dat Grootmoeder meê had moeten schreien, als ze niet zoo totaal van schrik verlamd was geweest.

Ze vond, dat dit een schreien was, alsof 't kwam van een verdoemde ziel, die uit den hemel verbannen werd.

En dat duurde een kwartier; toen hoorde Grootmoeder, dat de klokken van de kerk in de naburige gemeente begonnen te luiden. Ze dacht aan den kapelaan. Nu had de koster hem zien aankomen op den weg door het veld tusschen de akkers en nu begon hij te luiden. En ze dacht, dat ze nu blij geweest zou zijn, als hij thuis was. Ze zou zoo dankbaar geweest zijn, als ze iemand had kunnen roepen.

Maar ongeveer op 'tzelfde oogenblik, dat het luiden begon, hield het geheimzinnig schreien op. Maar nu was het Grootmoeder zelf, die begon te schreien en ze zat te schreien tot haar huisgenooten thuiskwamen.

Toen sprong Grootmoeder op den wagen toe en wilde natuurlijk dadelijk vertellen wat er gebeurd was. Maar toen was het alsof haar de mond gesnoerd werd en ze kon niets zeggen.

„Dat was voor jou,” zei er iets in haar. „Jij en niemand anders moest het hooren.”

Maar hoe kon dat schreien iets met haar te maken hebben?

Dien heelen middag liep Grootmoeder rond, alsof ze in een andere wereld verkeerde. Alles waar de anderen over spraken kwam haar zoo wonderlijk vreemd voor.

Maar opeens was 't alsof ze wakker schrikte. Ze stond in de keuken en hoorde de dienstmeisjes spreken over de namiddagpreek. De kapelaan had zoo mooi gepreekt. Alle menschen in de kerk hadden geschreid.

„Waarover sprak hij dan?”

„Hij had gesproken over de wanhoop van de zondaars, die buiten het paradijs gesloten werden.”

Toen werd Grootmoeder steeds meer verschrikt. 't Kwam haar voor, alsof ze een groote zonde gedaan had, die ze weer goed moest maken.

Na het avondeten, toen Grootvader goedennacht gezegd had, ging ze met hem mee in de vestibule.

„Wilt u me niet om Godswil de waarheid zeggen?” vroeg Grootmoeder. „Schreide u vanmiddag, toen u naar de kerk ging?”

„Ja, dat deed ik,” antwoordde hij. „Ik kon het niet laten.”

Toen wist Grootmoeder, dat ze hem gehoord had en ze werd zoo wonderlijk te moede, toen ze er aan dacht, dat zijn liefde zóó groot was, dat hij zóó geleden had door haar te verliezen. Grootmoeder vond het zóó heerlijk, dat iemand haar zoo innig liefhad, dat ze haar andere aanbidders vergat, en er niet meer aan dacht hoe leelijk en arm Grootvader was.

„Ik wil niet, dat u zoo'n bitter verdriet nog één oogenblik langer dragen zult,” zei ze. „Ik wil probeeren of ik niet leeren kan van u te houden.”

DE KERSTVREDE.

Er was eens een oude boerderij, en het was een Kerstavond met donkeren, grijzen hemel, alsof een zware sneeuwstorm dreigde, en er woei een scherpe wind uit het noorden.

Het was juist tegen den tijd van den namiddag, dat de menschen het druk hadden met hun werk af te maken, omdat men nog naar de badkamer moest. Daar had men zoo fel gestookt, dat de vlam uit den schoorsteen sloeg, en massa's vonken en roetvezels vlogen met den wind mee en vielen op de door de sneeuw bedekte daken van de kleine gebouwtjes van de hoeve.

Toen de vlam boven den schoorsteen van de badkamer uitsloeg en zich als een vuurzuil boven de hoeve verhief, begonnen allen te voelen, dat het Kerstfeest naderde. Het dienstmeisje, dat in het voorhuis den vloer lag te schuren, begon te neuriën, hoewel het water tot ijs stolde in den emmer naast haar. De jongens, die op de deel hout hakten voor het Kerstvuur, begonnen twee stukken tegelijk te kloven en zwaaiden de bijlen zoo lustig, alsof het werk een spel was.

Uit de schuur kwam een oude vrouw met een grooten stapel gekruide Kerstbrooden op den arm. Zij ging langzaam over de plaats naar het groote, roodgeschilderde woonhuis, en kwam voorzichtig in de groote kamer, waar ze het brood op de lange bank neerzette. Toen dekte ze de tafel en legde het brood rond op hoopjes, een groot en een klein op elkaar. Zij was een wonderlijk, leelijk oud menschje met roodachtig haar, zware neerhangende oogleden en een eigenaardigen, strakken trek om den mond bij de kin, alsof de halsspieren te kort waren. Maar nu, op Kerstavond, was er zulk een vrede en blijdschap over haar, dat men niet zien kon hoe leelijk ze was.

Maar er was er een op de hoeve, die niet blij was, en dat was zij, die bezig was de bosjes van berketakjes te binden, die bij het baden gebruikt moesten worden. Zij zat bij den haard en had een heel pak fijne berketakjes voor zich op den grond liggen, maar ze had geen geschikte twijgen om de takken mee samen te binden. De groote kamer had een lang, laag venster met kleine ruitjes, en daardoor viel het licht uit de badkamer in het vertrek, speelde op den vloer en verguldde de berketakken. Maar hoe helderder het vuur brandde, hoe ongelukkiger het meisje werd. Ze wist, dat de bosjes uit elkaar zouden vallen, zoodra men ze aanraakte en dat ze er meê geplaagd zou worden, minstens tot er 't ander jaar weer een Kerstvuur in den schoorsteen vlamde.

Juist terwijl ze daar zat en zich ongelukkig voelde, kwam daar de man binnen, waar ze het allermeeste bang voor was. Het was Ingmar Ingmarson, de boer in hoogst eigen persoon. Zeker was hij in de badkamer geweest om te zien of het vuur wel hard genoeg brandde en nu wilde hij zien hoe het met de bosjes ging. Ingmar Ingmarson was oud en hij hield van wat oud was. En juist omdat de menschen zich gingen afwennen te baden in de badkamer en zich met berketakjes te laten slaan na 't baden, was hij er zeer op gesteld, dat het op zijn hoeve gebeuren zou, en goed gebeuren.

Ingmar Ingmarson was gekleed in een ouden schapenpels en droeg een leeren broek en schoenen met pikdraad genaaid. Hij was vuil en slordig, zachtmoedig in zijn optreden en kwam zoo zacht binnen, dat men hem voor een bedelaar had kunnen houden. Hij leek op zijn vrouw en was ongeveer even leelijk, want ze waren familie van elkaar en het meisje had van oudsher geleerd eerbied te hebben voor ieder, die er zoo uit zag. Want dat wilde wat zeggen:—tot het oude geslacht der Ingmaren te behooren. Ze waren altijd de voornaamsten in het dorp geweest; maar 't beste was toch Ingmar Ingmarson zelf te zijn en de rijkste, de wijste, de machtigste van een geheele gemeente te wezen.

Ingmar Ingmarson ging naar het meisje toe, boog zich over de berketakjes, nam een van de bosjes en zwaaide dit door de lucht. En dadelijk vlogen de takjes uit elkaar; één kwam terecht op de Kersttafel en een ander op 't groote bed.

„Och meid!” zei de oude Ingmar en lachte, „meen je, dat men zulke bosjes gebruikt, als men baadt bij de Ingmaren? Of ben je erg bang voor je velletje?”

Nu de boer het zóó opnam werd het meisje moedig en antwoordde, dat ze wel goede, vaste bosjes zou maken, als ze maar twijgen had om ze vast te binden.

„Dan zal ik je wel twijgen moeten bezorgen, kind,” zei de oude Ingmar, want hij was echt in Kersthumeur.

Hij ging uit de kamer, stapte met een tobbe in de hand over haar heen en ging naar buiten om te zien of er iemand was, die hij uit kon sturen om twijgen. De jongens waren nog bezig met het brandhout voor het Kerstvuur, zijn zoon kwam uit de dorschschuur met stroo, zijn beide schoonzonen waren bezig den werkwagen binnen te halen, opdat ook de plaats er feestelijk uit zou zien. Niemand had tijd om van de hoeve weg te gaan.

Toen besloot de zachtmoedige oude het zelf te doen. Hij ging de plaats over, alsof hij naar den stal wilde gaan, toen zag hij om, of ook iemand op hem lette en sloop toen langs de schuur, waar een tamelijk gebaande weg was, die naar het bosch liep. De oude man vond het niet noodig iemand te zeggen, waar hij heen ging, want dan zouden misschien zijn zoon of zijn schoonzoon hem gevraagd hebben thuis te blijven, en oude menschen willen 't liefst hun eigen zin doen.

Hij volgde den weg boven de hoeven door het kleine dennenboschje naar het berkenhout. Hij week van den weg af en waadde in de sneeuw om een paar berketakken van een jaar oud te vinden.

Maar langzamerhand was de wind klaargekomen met het werk, waar hij den heelen dag meê bezig was geweest. Hij had de sneeuw uit de wolken losgemaakt en nu kwam hij naar het bosch opzetten met een langen sleep sneeuwvlokken achter zich aan.

Ingmar Ingmarson had zich juist naar den grond gebogen en een twijgje afgesneden, toen de wind met een flinke lading sneeuw aankwam. Op hetzelfde oogenblik, dat de oude man zich oprichtte, blies hem de wind een heelen hoop sneeuwvlokken in het gezicht. Hij kreeg de oogen vol sneeuw en de wind wervelde zóó sterk om hem heen, dat hij een paar keer ronddraaide als een tol.

Het heele ongeluk was eigenlijk, dat Ingmar Ingmarson oud werd. In zijn jonge jaren zou hij zeker niet duizelig geworden zijn van een sneeuwstorm. Maar nu draaide alles om hem heen, alsof hij een Kerstpolka gedanst had. En toen hij naar huis wilde gaan, liep hij precies den verkeerden kant uit.

Hij ging recht het groote dennenbosch in, dat ver achter het berkenboschje om liep, in plaats van den weg naar 't zuiden, in de richting van de hoeve in te slaan.

De duisternis viel snel, en onder de jonge boomen aan den boschkant bleef de stormwind gieren en omwervelen. De oude man zag wel, dat hij tusschen dennen liep, maar hij begreep niet dat dit verkeerd was, want er groeiden ook dennen aan den kant van 't berkenboschje, dat naar de hoeve leidde.

Maar toen kwam hij zoo diep het bosch in, dat het stil om hem heen werd, de storm niet meer te hooren was en de boomen hoog en zwaar van stam werden. Toen zag hij, dat hij verdwaald was en wilde omkeeren.

Hij was in de war gekomen en opgewonden geraakt, bij de gedachte, dat hij had kunnen verdwalen, en toen hij midden in 't bosch stond, waar geen spoor was te vinden, was hij niet in staat te bepalen, welke richting hij nemen moest. Eerst ging hij den eenen kant uit, toen den anderen. Eindelijk viel het hem in, dat hij in zijn eigen voetstappen weer terug moest gaan, maar toen werd het donker en hij kon ze niet meer zien. En om hem heen werden de boomen al zwaarder. Hoe hij ook liep, hij merkte wel, dat hij hoe langer hoe dieper het bosch in raakte. Het was toch een ellendige hekserij, dat hij nu hier in 't bosch den heelen avond moest rondloopen en te laat voor het baden thuiskomen. Hij draaide zijn muts eens om en bond zijn kousebanden wat vaster, maar hij bleef even verward in 't hoofd als te voren.

Hij leunde tegen een dennestam en stond stil om zijn gedachten te verzamelen. Dit bosch hier kende hij wel; hij had hier zooveel geloopen, dat hij elken boom moest kennen. Hij had hier als jongen de schapen gehoed. Hij had hier strikken voor de vogels gespannen. In zijn jeugd had hij hier meê hout gehakt. Hij had het hout gekapt zien liggen op het veld en hij had het weer zien opgroeien.

Eindelijk meende hij te weten, waar hij was en hij meende, als hij nu maar zoo en zoo liep, dan zou hij wel terecht komen. Maar hoe hij ook liep, steeds kwam hij dieper het bosch in.

Opeens voelde hij vasten en gladden grond onder de voeten en hij begreep, dat hij nu eindelijk op een weg gekomen was. Dien probeerde hij te volgen, want een weg moest ten minste ergens naar toe leiden. Maar die weg liep uit op een open plek in 't bosch en daar had het onweer vrij spel; daar was geen pad meer te zien, maar enkel sneeuwhoopen en diepe, mulle sneeuw. Toen zonk den ouden man de moed in de schoenen en hij voelde zich als een arme stumper, die in de wildernis sterven moest.

Hij begon moe te worden van het loopen in de sneeuw en telkens ging hij op een steen zitten om te rusten. Maar zoodra hij zat, kreeg hij lust om te slapen en hij wist, dat hij doodvriezen zou, als hij insliep. Daarom probeerde hij voort te gaan. Dat was het eenige, wat hem redden kon.

Maar eindelijk kon hij den lust om te zitten niet meer weerstaan. Hij meende, dat als hij maar mocht rusten, het hem niet zoo veel schelen kon al moest het zijn leven kosten.

Hij genoot er zóó van stil te blijven zitten, dat het vooruitzicht van den dood hem in 't geheel niet drukte. Hij voelde een soort vreugde, bij de gedachte, dat, als hij dood was er een lange lijkrede over hem in de kerk zou gehouden worden. Hij herinnerde zich hoe mooi de oude proost over zijn vader gesproken had, en zeer zeker zou er nu ook wat moois van hem gezegd worden. Men zou er over spreken hoe hij de oudste hoeve in 't dorp bezeten had en men zou spreken van de eer te behooren tot een aanzienlijk geslacht. En dan zou men van de verantwoordelijkheid spreken.

Ach ja, dat er verantwoordelijkheid aan verbonden was, had hij altijd wel geweten. Men moest volhouden tot het laatste, wilde men een echte Ingmarson zijn.

En er ging een schok door zijn leden bij de gedachte, dat het nu juist geen eer voor hem zou zijn hier doodgevroren gevonden te worden in 't woeste bosch hierboven. Dat wilde hij niet aan zijn nagedachtenis verbinden. En hij stond weer op en begon te loopen. Hij had zoo lang stil gezeten, dat heele klompen sneeuw van zijn pels vielen, toen hij zich begon te bewegen.

Maar een poos later zat hij weer te droomen. En de gedachte aan den dood kwam in nog liefelijker gestalte. Hij doorleefde de heele begrafenis en al de eer, die men zijn lijk zou bewijzen.

Hij zag de groote tafel gedekt in de mooie kamer op de tweede verdieping, den proost en zijn vrouw aan 't hoofd van de tafel, den burgemeester met zijn witte das over de smalle borst, de vrouw van den majoor in het zwart zij en met den gouden ketting met veel snoeren om den hals.

Hij zag alle gastenkamers met wit overtrokken. Witte lakens voor de vensters, wit over de meubels. Dennetakken op den weg van het voorhuis tot aan de kerk.

Bakken en slachten en brouwen en braden veertien dagen lang voor de begrafenis. Twintig vaam hout in veertien dagen verstookt.

Het lijk op de baar in de binnenkamer, rook in de pasgestookte kamers. Gezang bij het lijk, als het deksel op de kist geschroefd wordt, zilveren platen op de kist. De heele hoeve wemelend van gasten.

't Heele dorp in beweging om te regelen, wie de dragers zouden zijn, alle hoeden voor de kerk opgeborsteld, alle brandewijn voor den oogst opgedronken aan het grafmaal, alle wegen vol menschen als op een marktdag.

Weer vloog de oude man op. Hij had de menschen over hem hooren praten aan het grafmaal. „Maar hoe kon hij toch zoo doodvriezen?” vroeg de burgemeester. „Wat had hij toch in het groote bosch te maken?”

En toen antwoordde de kapitein, dat het Kerstbier en de brandewijn daar zeker wel schuld aan gehad zouden hebben.

En dàt schudde hem weer wakker. De Ingmarsons waren nuchtere menschen. Ze zouden niet van hem zeggen, dat hij in zijn laatste uren onbekwaam geweest was. Hij begon weer te loopen. Maar hij was zóó moe, dat hij nauwelijks staan kon.

Hij was hoog op in 't bosch gekomen, dat merkte hij wel, want hij was nu op een ellendig veld, vol groote steenen, zooals er lager niet waren.

Hij raakte vast met den voet tusschen een paar steenen, zoodat hij maar met moeite los kon komen en kermde van pijn. 't Was allerakeligst!—

En nu viel hij nog over een grooten hoop takken. Hij viel zacht op sneeuw en kleine takjes en hij bezeerde zich niet, maar nu had hij ook geen lust meer op te staan. Hij had in niets ter wereld lust dan in slapen. Hij lichtte het rijs wat op en kroop er onder, alsof 't een deken was. Maar toen hij onder de takken kwam, voelde hij, dat daar iets warms en zachts lag. „Hier ligt zeker een beer te slapen,” dacht hij.

Hij voelde hoe het dier zich verroerde en hoorde beweging om zich heen. Maar hij bleef stil liggen. Hij dacht niets anders dan dat de beer hem gerust mocht opeten. Hij kon geen stap meer doen om hem te ontvluchten.

Maar de beer vond zeker, dat hij iemand, die in zulk een onweer een schuilplaats onder zijn dak zocht, niets mocht doen. Hij ging wat op zij in zijn hol, als om voor den gast plaats te maken en onmiddellijk daarna sliep hij in en hoorde Ingmar zijn gelijkmatig snuivend ademhalen.


Ondertusschen was er niet veel Kerstvreugde op de oude Ingmarshoeve. Men had er den heelen avond naar Ingmar Ingmarson gezocht.

Eerst waren zij 't heele huis en alle bijgebouwen rond geweest. Ze hadden van den zolder tot den kelder gezocht. Toen waren ze naar de naburige hoeven gegaan en hadden naar Ingmar Ingmarson gevraagd.

Toen ze hem niet gevonden hadden, waren de zonen en schoonzonen buiten de hoeve gaan zoeken. De fakkels, die de kerkgangers op hun tocht naar de mis zouden hebben bijgelicht, werden nu aangestoken en in het woedend onweer op wegen en paden rondgedragen. Maar de wind had alle sporen uitgewischt en zijn gehuil doofde het geluid der stemmen als ze riepen. Ze bleven op en liepen buiten rond tot lang na middernacht, maar toen zagen ze duidelijk in, dat ze moesten wachten tot het licht werd, als ze den vermiste wilden vinden.

Bij het eerste bleeke daglicht waren allen op de Ingmarshoeve weer op, en de knechts stonden op de plaats, klaar om weer het bosch in te gaan. Maar eer ze weg konden komen, kwam de oude huismoeder en riep ze in de groote kamer. Zij vroeg hun te gaan zitten op de lange banken, zelf ging ze aan de Kersttafel zitten met den bijbel voor zich en begon te lezen. En toen ze in haar eenvoud naar iets gezocht had, dat in een uur als dit toepasselijk was, had ze de geschiedenis van den man gevonden, die op weg van Jerusalem naar Jericho in de handen van roovers viel.

Ze las langzaam en zingende over den in nood verkeerende, die door den barmhartigen Samaritaan geholpen werd. Zonen en schoonzonen, dochters en kleindochters zaten om haar heen op de banken. Zij geleken allen op haar en op elkander; groot en zwaar, met leelijke, oudachtige gezichten, want allen behoorden tot het oude geslacht van de Ingmaren. Allen hadden roodachtig haar, sproeten en lichtblauwe oogen met witte wenkbrauwen. Ze konden zich anders wel ongelijk genoeg gedragen, maar allen hadden een strakken trek om den mond, slaperige oogen en langzame bewegingen, alsof alles hun zwaar viel. Maar aan elk van hen kon men toch zien, dat ze tot de voornaamsten van het dorp hoorden en dat ze wisten, dat ze meer waard waren dan anderen.

Alle Ingmars-zonen en dochteren zuchtten diep onder het voorlezen. Zij vroegen zich af of ook een of andere Samaritaan den heer des huizes gevonden zou hebben en verzorgd. Want voor alle Ingmaren was het, alsof ze iets van hun eigen ziel verloren hadden, als iemand, die tot het geslacht behoorde, een ongeluk trof.

De oude vrouw las voort en kwam tot de vraag:

„Wie was nu de naaste van dezen man?” Maar eer ze het antwoord had kunnen lezen, ging de deur open en de oude Ingmar kwam de kamer binnen.

„Moeder, daar is vader,” zei een van de dochters, en zoo werd nooit voorgelezen, dat de naaste van den man hij was, die hem barmhartigheid bewezen had.


Iets later op den dag zat de huismoeder weer op dezelfde plaats en las in den bijbel. Zij was alleen. De vrouwen waren naar de kerk gegaan, en de mannen waren op de berenjacht in 't groote bosch. Zoodra Ingmar Ingmarson iets gegeten en gedronken had, was hij met zijn zonen naar het bosch getrokken op de berenjacht. Want het is nu eenmaal zoo, dat het de plicht van een man is een beer te vellen, waar en wanneer hij hem ook vindt. Het gaat niet aan hem te sparen, want vroeger of later krijgt hij toch smaak in vleesch en spaart dan mensch noch dier.

Maar zoodra ze op de jacht waren uitgetrokken, was er een groote angst over de oude huismoeder gekomen en ze was gaan zitten lezen. Nu begon ze te lezen in het hoofdstuk, waar dezer dagen in de kerk over gepreekt werd, maar ze kwam niet verder dan: „Vrede op aarde, in de menschen een welbehagen.”

Zij bleef op die woorden staren met haar doffe oogen en ze zuchtte diep. Ze las niet verder, maar herhaalde keer op keer, langzaam en slepend: „Vrede op aarde, in de menschen een welbehagen.”

De oudste zoon kwam de kamer in, juist toen ze opnieuw die woorden langzaam uitsprak.

„Moeder,” zei hij heel zacht.

Ze hoorde hem, maar zag niet van het boek op, toen ze vroeg: „Ben je niet meê naar 't bosch gegaan?”

„Ja,” zei hij, nog zachter, „ik ben meê geweest.”

„Kom hier bij de tafel,” zei ze, „zoo dat ik je zien kan.”

Hij kwam dichterbij, maar toen ze hem aanzag, zag ze hoe hij beefde. Hij moest den rand van de tafel vastgrijpen om de handen stil te kunnen houden.

„Heb jelui den beer geveld?” vroeg ze weer.

Nu kon hij niet meer antwoorden, maar schudde het hoofd.

De oude vrouw stond op en deed, wat ze niet meer gedaan had, sinds haar zoon een kind was. Ze ging naar hem toe, legde liefkoozend haar hand op zijn arm, streelde zijn wang en trok hem neer op de bank. Toen ging ze naast hem zitten en nam zijn hand in de hare. „Zeg mij nu, wat er gebeurd is, mijn jongen.”

De man herkende de liefkoozingen, die hem als kind getroost hadden, als hij ongelukkig en hopeloos was en hij werd zoo aangedaan, dat hij begon te schreien.

„Ik begrijp wel, dat het iets met vader is,” zei ze.

„Ja, maar het is erger dan dat!” snikte de zoon.

„Is het erger dan dat?”

De man schreide steeds heftiger, hij kon zijn stem niet meer in zijn macht krijgen. Eindelijk hief hij zijn grove hand op en wees met zijn breede vingers op wat zij pas gelezen had: „Vrede op aarde.”

„Heeft dit er iets meê te maken?” vroeg ze.

„Ja,” antwoordde hij.

„De Kerstvrede?”

„Ja.”

„Wilden jelui iets kwaads doen van morgen?”

„Ja.”

„En God heeft ons gestraft?”

„God heeft ons gestraft.”

En nu hoorde ze eindelijk hoe alles gegaan was. Zij hadden het hol van den beer gezocht, en toen zij er zoo dicht bij waren, dat ze den hoop takken zien konden, waren zij blijven staan om hun geweren in orde te maken. Maar eer ze nog klaar waren, kwam de beer uit zijn hol recht op hen aanrennen. Hij zag links noch rechts. Hij ging op den ouden Ingmar Ingmarson toe, en gaf hem een slag op den schedel, die hem neervelde, alsof hij door den bliksem getroffen was. Hij deed geen van de anderen iets, maar liep hen voorbij het bosch in.


Dien middag reden de vrouw en de zoon van Ingmar Ingmarson naar den proost om het sterfgeval te berichten. De zoon voerde het woord. De oude huismoeder zat het aan te hooren met een gezicht, even onbeweeglijk als een steenen beeld.

De proost zat in zijn leuningstoel bij de schrijftafel. Hij had zijn boeken te voorschijn gehaald en schreef het sterfgeval in. Hij deed het wat langzaam, want hij wilde tijd hebben om te bedenken, wat hij tegen de weduwe en den zoon zeggen zou, want dit was wel een ongewoon geval. De zoon had heel openhartig verteld hoe alles gegaan was, maar de proost zou wel willen weten, hoe zij zelf de zaak opnamen. 't Waren eigenaardige menschen, die menschen op Ingmarshoeve.

Toen nu de proost het boek dichtsloeg, zei de zoon:

„Wij wilden ook Mijnheer den proost nog zeggen, dat we geen lijkrede wilden laten houden over Vader.”

De proost schoof den bril op het voorhoofd en zag de oude vrouw tegenover hem scherp onderzoekend aan. Zij zat daar even onbeweeglijk als te voren. Alleen wrong ze een punt van haar zakdoek tusschen de handen.

„We zullen hem op een werkdag begraven,” zei de zoon.

„Zoo, zoo,” zei de proost. De kamer draaide met hem in de rondte. De oude Ingmarson zou onder den grond gaan, zonder dat iemand het wist. De kerkgangers zouden niet op den weg staan en den stoet zien, die hem naar 't graf volgde.

„We houden geen begrafenismaal voor hem. We hebben den buren laten weten, dat ze daar niet op moesten rekenen.”

„Zoo, zoo,” zei de proost weer. Hij kon niets anders bedenken. Hij wist wat het voor zulke menschen beteekende van een begrafenismaal afstand te doen. Hij had gezien hoe een deftig begrafenismaal weduwen en weezen getroost had.

„Er komt ook geen begrafenisstoet. Alleen mijn broers en ik gaan meê.”

De proost zag als smeekend naar de oude vrouw. Kon zij dit wezenlijk goedkeuren? Hij twijfelde er aan of de zoon haar wil wel uitsprak. Zij zat daar immers en liet zich alles afnemen wat haar liever moest wezen dan zilver en goud. „We zullen de klokken niet laten luiden en geen zilver op de kist nemen. Moeder en ik willen het zoo, maar wij bespreken het met u om te hooren, of u vindt, dat we Vader onrecht aandoen.”

Nu sprak de vrouw ook. „Dàt is het; we willen weten of we Vader onrecht doen.”

De proost zweeg nog en toen ging de vrouw levendiger voort:

„Ik zal u zeggen, Mijnheer de proost, dat als mijn man iets had misdaan tegen den koning of tegen het gerecht, of als ik hem van de galg had moeten afsnijden, dan zou hij toch nog een eerlijke begrafenis gekregen hebben, zoo als zijn vader vóór hem, want de Ingmarsons vreezen niemand en behoeven voor niemand uit den weg te gaan. Maar op Kersttijd heeft God vrede gemaakt tusschen menschen en dieren en het arme dier hield Gods gebod; maar wij overtraden het en daarom lijden we nu de straffe Gods. En daarom gaat het niet aan, dat we nu met staatsie te werk gaan en opzien wekken.”

De proost stond op en ging naar de oude vrouw toe. „'t Is waar wat ge zegt,” zei hij, „en ge moet doen zooals ge besloten zijt.” En onwillekeurig voegde hij er bij, misschien meer in zich zelf: „'t Zijn kranige menschen, de Ingmarsons.”

De oude vrouw richtte zich onmerkbaar op bij die woorden. De proost zag in haar een oogenblik als het symbool van het geheele geslacht. Hij begreep wat het was, dat dezen stijven, stillen menschen eeuwen lang de macht gegeven had de geheele gemeente te leiden.

„Het komt den Ingmarsons toe den menschen een goed voorbeeld te geven,” zei ze. „Het past ons te toonen, dat wij ootmoedig voor God zijn.”