HET GRAFSCHRIFT.
Nu let zeker niemand meer op het kleine kruisje, dat in een hoek van het kerkhof op Svartsjö staat. Nu gaan alle kerkgangers het voorbij, zonder het met een blik te verwaardigen. En het is ook geen wonder, dat niemand het opmerkt. Het is zoo laag, dat klaver en blauwe klokjes tot aan de armen reiken en de tijm er over groeit. Niemand neemt ook meer de moeite het opschrift te lezen, wat er op staat. De witte letters zijn nu ook bijna geheel afgeregend en het schijnt niemand in te vallen te trachten ze nog tot woorden samen te voegen.
Maar het is niet altijd zoo geweest. Dat kruisje heeft in zijn tijd heel wat verwondering en verbazing gewekt. Een tijd lang kon niemand de voeten zetten op het kerkhof van Svartsjö, zonder naar dat kruisje te gaan. En als een van de oude menschen het nog heden ziet, dan ziet hij op hetzelfde oogenblik een heele geschiedenis voor zich.
Hij ziet dan voor zich de geheele gemeente van Svartsjö, in winterslaap verzonken en bedekt, met effen witte sneeuw, die wel anderhalf el hoog ligt. 't Ziet er zoo uit, dat het nauwlijks mogelijk is den weg te vinden. Men moet zich naar het kompas richten, zooals op zee. Men ziet geen verschil tusschen het land en het meer; een stoppelland ziet er even effen uit als een land, dat veel haver heeft gedragen. De kolenbranders, die tusschen groote moerassen en bergvlakten wonen, kunnen zich verbeelden, dat ze evenveel ontgonnen en bebouwd land bezitten als de rijkste boer.
De wegen hebben hun veilige banen tusschen de grauwe schuttingen verlaten en wagen zich over de velden en op de bevroren waterplassen. Zelfs in de boerderijen kan men in de war komen. Op eens kan men ontdekken, dat de weg naar de put dwars over de spireahaag om den kleinen rozentuin loopt. Maar nergens is het zoo onmogelijk den weg te vinden als op het kerkhof. Ten eerste is de grauwe steenen muur, die het van de pastorieakkers scheidt, heelemaal onder de sneeuw, zoodat hij nu één met het land is. En ten tweede is het heele kerkhof nu niet anders dan een groot wit veld; niet de minste ongelijkheid in 't sneeuwdek wijst de vele heuveltjes op den doodenakker aan.
Op de meeste graven staan kleine ijzeren kruisjes, waar dunne, kleine hartjes aan hangen, die de wind in beweging moet brengen. Zij zijn allen onder de sneeuw. Die kleine ijzeren hartjes kunnen nu hun weemoedige liedjes van rouw en gemis niet meer doen klinken. De menschen, die in de steden aan het werk zijn, hebben voor hun dooden rouwkransen met bloemen van kralen en bladen van blik meegebracht, en deze worden zoo gewaardeerd, dat ze in glazen doosjes op het graf liggen. Maar nu zijn ze begraven onder de sneeuw. Nu is het graf met zulk een versiersel niet voornamer dan een ander.
Een paar struiken en seringenboompjes steken boven de sneeuw uit. Maar de meesten zijn verborgen. Die kleine, dunne takken, die boven de sneeuw uitsteken lijken verbazend op elkaar. Zij kunnen hen, die den weg trachten te vinden op het kerkhof, niet veel helpen. Oude vrouwen, die gewoon zijn elken Zondag even naar de graven van hen, die ze liefhebben, te kijken, kunnen nu door de sneeuw niet verder komen dan even binnen den ingang. Daar blijven ze staan en probeeren te raden, waar „het graf” ligt. Is het bij die struik of bij die daar? En ze beginnen te verlangen, dat de sneeuw zal smelten. Het is alsof de dooden zoo oneindig ver weg zijn, nu men de plaats niet meer kan zien, waar ze begraven zijn.
Er zijn ook een paar groote steenen, die boven de sneeuw uitsteken. Maar dat zijn er maar enkelen. En de sneeuw hangt over hen heen, zoodat men ze niet van elkander kan onderscheiden.
Een enkele gebaande weg loopt maar over het kerkhof. Die gaat van den ingang naar het barenhuisje. Als iemand begraven moet worden, wordt de kist daarheen gebracht en daar houdt nu de predikant de lijkrede en werpt de aarde op de kist. Er is geen sprake van, dat de kist in de aarde kan komen, zoolang deze winter aanhoudt.
Zij moet in 't barenhuisje blijven staan, tot God den dooi zendt en den grond weer met schoffel en spa bewerkt kan worden. En nu gebeurt het, juist nu de winter op zijn strengst is en 't kerkhof volkomen ontoegankelijk, dat er een kind sterft aan huis van den grondeigenaar Sander op Lerum.
Lerum is een groot landgoed en Sander is een machtig man. Hij heeft pas een familiegraf op het kerkhof laten maken. Dat herinnert men zich wel, al ligt het nu onder de sneeuw verborgen. Het is omgeven met een rand gehouwen steenen en een dikke ijzeren ketting. Midden op het graf staat een granietblok met den naam van de familie. Daar staat alleen dit eene woord: „Sander” met groote letters, die 't heele kerkhof over te zien zijn. Maar nu het kind gestorven is en er over de begrafenis gesproken wordt, zegt de grondeigenaar tot zijn vrouw:
„Ik wil niet, dat dit kind in mijn graf zal liggen.”
Opeens zien we het voor ons. Het is de eetzaal op Lerum en daar zit de grondeigenaar aan de ontbijttafel, alleen te eten, zooals hij gewend is. Zijn vrouw, Ebba Sander, zit in een schommelstoel aan 't venster, waar zij het uitzicht heeft over het meer en de met berken begroeide heuvels.
Zij heeft zitten schreien, maar nu de man dit zegt, worden haar oogen opeens droog. Haar kleine gestalte krimpt ineen van schrik; ze begint te beven, alsof ze een felle kou voelt.
„Wat zeg je?—Wat zeg je?” vraagt ze. En ze spreekt als iemand, die klappertandt van kou.
„Het stuit mij tegen de borst,” zegt de grondeigenaar. „Vader en Moeder liggen daar en er staat Sander op den steen. Ik wil niet, dat dit kind daar liggen zal.”
„Ah zoo, heb je dat nu bedacht,” zegt ze nog steeds bevend. „Ik wist wel, dat je je eindelijk wreken zou.”
Hij gooit zijn servet weg, staat van tafel op en blijft voor haar staan, groot en breed. Het is zijn bedoeling niet met veel woorden zijn wil door te zetten. Maar ze kan immers wel aan hem zien, nu hij daar zoo staat, dat hij zijn meening niet veranderen kan. Hij is de solide, onbeweeglijke koppigheid in eigen persoon.
„Ik wil me niet wreken,” zegt hij, zonder zijn stem te verheffen. „Ik kan dit alleen niet verdragen.”
„Je spreekt, alsof er alleen maar sprake was van hem uit het eene bed naar het andere over te brengen,” zei ze. „En hij is nu dood, dus voor hem is 't wel hetzelfde, waar hij ligt. Maar ik ben verloren!”
„Ja, daar heb ik ook aan gedacht,” zegt hij, „maar dit kan ik niet verdragen.”
Zij, die jaren lang getrouwd geweest zijn, hebben niet veel woorden noodig om elkaar te verstaan en ze weet al, dat het volstrekt onmogelijk is hem te bewegen.
„Waarom heb je me dan vergeven?” zegt ze en wringt de handen. „Waarom liet je me op Lerum blijven als je vrouw en beloofde me te vergeven.”
Ze weet wel, dat hij haar geen kwaad wil doen. Hij kan het niet helpen, dat hij nu aan de grens van zijn toegevendheid gekomen is. „Zeg aan de buren wat je wilt,” zegt hij. „Ik zal zwijgen. Zeg maar, dat er water in het graf gekomen is, of zeg, dat er geen plaats is voor meer kisten, dan die van Vader en Moeder en ons beiden.”
„En denk je, dat ze dat gelooven?”
„Je moet je maar zoo goed mogelijk redden,” zegt hij.
Hij is niet boos, dat ziet ze wel. Het is zooals hij zelf zegt. Hij kan hierin niet toegeven. Zij gaat wat dieper in den stoel zitten, legt de armen achter het hoofd en blijft zwijgend uit het venster zitten staren. Vreeselijk is het toch, dat er zooveel in het leven is, dat sterker is dan wij. Vooral is het vreeselijk, dat er machten in ons zelf op kunnen komen, die men in 't geheel niet beheerschen kan. Voor een paar jaar, toen ze al een gezeten, getrouwde vrouw was, kwam de liefde over haar. Zoo'n groote liefde! Er was geen denken aan, dat ze die beheerschen kon.
En wat nu haar man beheerschte, was dat wraakzucht?
Hij was nooit boos op haar geweest. Hij had haar dadelijk vergeven, toen ze bij hem kwam en hem alles bekende.
„Je waart niet bij je verstand,” zei hij en had haar bij zich gehouden als zijn vrouw.
Maar hoewel 't gemakkelijk is te zeggen, dat men vergeeft, kan het zwaar genoeg vallen het werkelijk te doen.
Vooral is het zwaar voor hen, die haatdragend en zwaarmoedig zijn, die niet vergeten en nooit uitbarsten. Wat zij ook zeggen mogen, in hun hart blijft iets zitten, dat knaagt en hongert en er naar smacht zich te verzadigen aan anderer lijden. Een wonderlijk gevoel heeft zijn vrouw altijd gehad, dat het beter geweest was, dat hij toen zóó boos geworden was, dat hij haar geslagen had. Dan had alles later weer goed kunnen worden. Maar nu werd hij stil en knorrig en zij werd bang. Ze loopt rond als een paard tusschen de disselboomen. Zij weet, dat er achter haar iemand zit, die de zweep in de hand houdt, al gebruikt hij die niet. En nu heeft hij ze gebruikt. En nu is ze verloren!
De menschen zeggen, dat ze nooit een verdriet als het hare gezien hebben. Ze ziet er uit als een steenen beeld. In deze dagen vóór de begravenis weet men bijna niet of ze werkelijk leeft. 't Is onmogelijk te zien of ze hoort wat men zegt, of ze weet, met wie ze spreekt. Ze schijnt geen honger te voelen, ze kan in de felle kou uitgaan, zonder het koud te hebben. Maar de menschen vergissen zich. Niet het verdriet, de doodsangst versteent haar.
Ze denkt er niet aan op den begrafenisdag thuis te blijven. Ze moet meê naar het kerkhof—mee met den lijkstoet. Daar zal ze meeloopen en weten, dat allen, die de kist volgen, zullen denken, dat het lijk naar het groote graf van de familie Sanders gebracht zal worden. Ze meent, dat ze onder alle verwondering en verbazing zal bezwijken, als hij, die met de met rouwfloers omhulde staf den stoet vooraf gaat, dien naar een onopgemerkt graf leidt. Er zal een gemompel van verwonderd vragen door den geheelen optocht gaan, al is het ook een lijkstoet. Waarom mag dat kind niet in 't graf van de Sanders liggen? En men zal zich de onzekere, losse geruchten herinneren, die eens van haar liepen. Hier moet toch een reden voor zijn, zal men zeggen. En eer de lijkstoet het kerkhof verlaten heeft, zal ze geoordeeld en verloren zijn. Het eenige wat helpen kan, is zelf mee te gaan. Ze moet met een heel rustig gezicht daar staan, alsof alles in orde is. Misschien zullen ze haar dan gelooven, als ze beproeft de zaak door een verklaring uit den weg te ruimen.
De man gaat ook meê naar de kerk. Hij heeft voor alles gezorgd, de gasten genoodigd, de kist besteld en bepaald wie de dragers zullen zijn. Hij is tevreden en vriendelijk, nu hij zijn zin gekregen heeft. Het is Zondag, en na afloop van de godsdienstoefening stelt zich de lijkstoet op buiten de consistoriekamer. De dragers leggen de witte doeken over de schouders, alle notabelen uit de stad gaan meê in den stoet, en een groot gedeelte van de kerkgangers volgen.
Terwijl de stoet geordend wordt, denkt zij, dat zij zich nu opstellen om een misdadiger naar de gerechtsplaats te volgen.
Hoe zullen ze haar aanzien, als ze terugkomen? Zij is gekomen om hen voor te bereiden; maar ze heeft geen woord over de lippen kunnen krijgen. Ze kan niet kalm en verstandig spreken. Wat ze wèl zou kunnen is luid jammeren en het uitschreeuwen, zoodat het over 't heele kerkplein klonk. Ze durft de lippen niet te verroeren, om niet in een luiden schreeuw van ontzetting uit te barsten.
De klokken in den toren beginnen te luiden en de stoet zet zich in beweging. En nu zullen ze het allen zien, zonder voorbereiding. Waarom heeft toch zij niet kunnen spreken. Ze moet zich geweld aandoen, om den dragers niet toe te roepen, dat ze niet met den doode naar het kerkhof moeten gaan. Een doode is immers niets waard.
Waarom moet zij in 't verderf gestort worden ter wille van een doode. Ze mogen den doode leggen, waar ze willen,—alleen niet op het kerkhof. Er gaan verwarde gedachten door haar hoofd: of zij ze niet bang kan maken, zoodat ze niet op 't kerkhof durven komen. Daar is 't gevaarlijk. Dat is door de pest besmet. Men heeft er wolvensporen ontdekt. Ze wil ze bang maken als kinderen.
Ze weet niet waar 't graf van het kind gegraven is. Ze zal het altijd vroeg genoeg zien, denkt ze. Toen nu de tocht het kerkhof opkomt, ziet ze uit over het sneeuwveld om een pas gegraven graf te vinden. Maar ze ziet geen weg en geen graf. Daar is niets dan een effen sneeuwveld. En de stoet gaat naar het barenhuisje. Zoovelen, als er in kunnen, dringen naar binnen en daar heeft de begrafenisplechtigheid plaats. Er is niet eens sprake van het familiegraf van de Sanders. Niemand kan merken, dat de kleine, die nu voor de laatste rust wordt voorbereid, nooit in het familiegraf rusten zal.
Als Ebba Sander hier nu maar aan gedacht had, als ze in haar angst niet alles had vergeten, had ze geen oogenblik bang behoeven te zijn.
„En het voorjaar,” denkt ze, „als de kist begraven wordt, is zeker niemand anders dan de doodgraver er bij. Niemand zal iets anders vermoeden, dan dat het kind in het graf van de Sanders ligt.”
En nu begrijpt ze, dat ze gered is.
Ze barst in heftig schreien uit. De menschen zien haar medelijdend aan. „'t Is vreeselijk, zoo bedroefd als ze is,” zeggen ze. Maar zelf weet ze best, dat ze schreit uit verlichting, als iemand, die uit nood en levensgevaar is gered.
Een paar dagen na de begrafenis zit ze in de schemering op haar gewone plaats in de eetkamer. En terwijl het duister valt, betrapt ze er zich op, dat ze zit te wachten en te verlangen. Ze zit naar het kind te luisteren. Nu is het immers de tijd, dat het binnenkomen zal om te spelen. Zal het vandaag niet komen? Plotseling gaat haar een schok door de leden. „Het is immers dood? Dood!”—
Den volgenden dag zit ze weer te verlangen in de schemering. En den eenen avond na den anderen komt dat verlangen weer en wordt al sterker. Het verbreidt zich, zooals het licht in de lente, tot het eindelijk regeert over alle uren van den dag en van den nacht.
Het is immers bijna wel vooruit te zeggen, dat een kind als het hare meer liefde na zijn dood dan bij zijn leven zal ontvangen. Zoolang het leefde heeft de moeder aan niet anders gedacht, dan om haar man terug te winnen. En hem kon het kind niet aangenaam zijn; het moest weggehouden worden. Het moest dikwijls voelen, dat het tot last was.
De vrouw, die haar plichten ontrouw werd, heeft den man willen toonen, dat ze toch nog wat waard was. Ze had altijd werk in de keuken en in de weefkamer. Hoe kon ze tijd vinden voor den kleinen jongen onder dit alles.
En nu, achterna, herinnert ze zich hoe zijn oogen plachten te smeeken en te bedelen. 's Avonds wilde hij, dat zij bij zijn bed zou zitten. Hij zei, dat hij bang in 't donker was, maar nu denkt ze, dat het misschien niet waar was. Hij heeft dat maar gezegd, opdat ze bij hem blijven zou. Ze denkt er aan hoe hij zijn best deed niet in te slapen. Nu begrijpt ze, dat hij zich wakker hield om lang haar hand in de zijne te voelen.
Hij was een listig ventje, zoo klein als hij was. Hij had al zijn verstand gebruikt om ook iets van haar liefde te krijgen.
't Is wonderlijk, dat kinderen zoo kunnen liefhebben. Zij heeft dat nooit begrepen, terwijl hij leefde.
Eigenlijk begon ze nu pas het kind lief te hebben. Nu pas voelt ze zich door zijn schoonheid bekoord. Ze kan zitten droomen van zijn groote, geheimzinnige oogen. Het was nooit een kindje met roode, ronde wangetjes geweest, hij was bleek en tenger. Maar hij was wonderlijk mooi.
En ze denkt aan hem als aan iets heerlijks, dat bij den dag heerlijker wordt—kinderen zijn immers het beste, wat er op aarde is.—Denk eens aan, zulke kleine menschjes, die ieder de hand toesteken en van ieder het goede gelooven! Kleine menschjes, die niet vragen of een gezicht mooi en heerlijk is, maar even graag het eene als het andere kussen, die ouden en jongen, armen en rijken kunnen liefhebben. En toch zijn het wezenlijke kleine menschjes.
En elken dag komt het kind haar nader en nader. Ze zou wel willen, dat het nog leefde, maar toch vraagt ze zich af, of ze het dan ooit zóó dicht genaderd zou zijn als nu.
Soms is ze er wanhopend over, dat ze haar jongen niet gelukkiger gemaakt heeft, terwijl hij leefde. „Daarom is hij mij zeker afgenomen,” denkt ze. Maar toch treurt ze niet dikwijls op deze wijze. Ze is vroeger bang geweest voor rouw, maar nu vindt ze, dat het anders is dan ze gedacht heeft. Rouwen is immers telkens in het verleden leven. Haar rouw is zich geheel in het wezen van haar jongen in te leven, hem nu eindelijk te begrijpen. Deze rouw maakt haar leven veel rijker.
Waar ze nu het meeste bang voor wordt, is, dat de tijd hem haar af zal nemen. Ze heeft geen portret van hem. Misschien zullen zijn trekken uit haar herinnering verdwijnen. En iederen dag probeert ze: „zie ik hem nog? Kan ik hem nog wel goed zien?” zegt ze.
En de winter gaat voorbij, de eene week na de andere, en ze merkt met verbazing, dat ze naar de lente verlangt, wanneer ze hem uit het barenhuisje zal halen en in de aarde doen rusten, zoodat ze bij zijn graf komen en met hem spreken kan.
Hij moet in 't Westen liggen. Daar is het 't mooiste. Zij zal zijn graf met rozen versieren. Zij wil er ook een bank op hebben. Ze wil er lang, lang kunnen zitten.
Maar dan zullen de menschen wel verbaasd zijn. De menschen weten immers niet anders, dan dat haar kind in het familiegraf ligt. Wat zullen ze verwonderd zijn, als ze haar een vreemd graf zien versieren en daar uren zitten. Wat zal ze hun zeggen?
Nu en dan denkt ze, dat ze zóó zal doen. Eerst naar het groote familiegraf gaan en daar een groote bouquet brengen en daar een poos zitten. Later zal ze dan wel naar dat kleine grafje kunnen sluipen. Hij zal wel tevreden zijn met een enkel bloempje, dat ze voor hem sparen zal.
Ja, hij zal er wel tevreden meê zijn, als zij het zijn kan. Maar het is toch, alsof ze niet recht met hem kan samenleven op die manier. En hij zal dan weten, dat ze zich over hem schaamde. Hij zal begrijpen welk een brandende schande het voor haar was, dat hij geboren werd. Ze wil hem daarvoor bewaren. Hij moet denken, dat het geluk hem te bezitten alles te boven ging.
Eindelijk wijkt de winter. Men kan al zien dat het lente wordt. Het sneeuwdek smelt, de aarde komt voor den dag. Nog duurt het misschien een paar weken, eer de kou uit den grond gaat, maar toch is er hoop, dat de dooden uit het barenhuisje zullen komen. En zij verlangt, o! zij verlangt zoo!
Kan ze hem nog zien? Zij probeert het iederen dag, maar het ging 's winters beter; nu het lente is wil hij zich niet voor haar vertoonen. Ze wordt wanhopend. Ze moet op het graf kunnen zitten om hem weer nabij te komen, hem te kunnen zien, hem lief te kunnen hebben. Zou hij dan nooit onder de aarde komen?
Ze heeft niets meer om lief te hebben. Ze moet hem kunnen zien, haar heele leven lang.
En eindelijk verdwijnt alle twijfel, en alle kleinmoedigheid voor haar sterk verlangen. Ze heeft hem lief, zoo innig lief. Ze kan zonder den doode niet leven. Ze voelt, dat ze zich naar niemand schikken kan dan naar hem. En nu eindelijk de lente werkelijk gekomen is, nu de hoogten en graven weer te voorschijn komen op het kerkhof, nu de ijzeren hartjes weer beginnen te klinken en de kralen bloemen schitteren in hun glazen kastjes, nu de aarde zich eindelijk opent voor dat kleine kistje, heeft ze een zwart kruis laten maken, dat ze op het graf zetten zal.
Dwars over het kruis op de beide armen staat met duidelijk witte letters:
Hier rust mijn kind.
En dan beneden op het kruis haar naam. Zij geeft er in 't minst niet om of de heele wereld zal weten wat ze gedaan heeft. Alles is ijdelheid, het eenige gewichtige is, dat ze zonder te huichelen zal kunnen bidden op het graf van haar kind.
DE BEIDE BROEDERS.
Ach! wat is het toch jammer van de dooden, die in de steden gestorven zijn, dat ze op de stadskerkhoven begraven moeten worden. Als ze op den lijkwagen gezet en door de straten gereden worden, is het alsof ze moeten knorren en klagen in de kist. Sommigen jammeren er over, dat ze geen pluimen op den lijkwagen hebben. Anderen tellen de kransen na en zijn niet tevreden. En dan zijn er ook, die maar door twee of drie rijtuigen gevolgd worden en daardoor gekwetst zijn.
Zooiets moesten de dooden nooit kunnen voelen en ondervinden. Maar de menschen in de steden weten niet hoe ze hen moeten eeren, die naar de lange rust in de aarde gebracht worden.
Daar hebben ze in dorpen beter slag van, en nergens kunnen ze het zoo goed als in Svartsjö in Wermeland.
Als ge in Svartsjö sterft, weet ge zeker, dat ge een kist zult krijgen precies zooals alle anderen, een echte zwarte kist, van 't zelfde soort, als die waarin de rechter en de leenman dit jaar begraven zijn. Want dezelfde timmerman maakt alle kisten en hij heeft maar één model. Geen een wordt beter of minder dan de andere. En ge weet ook—want dat hebt ge immers als zoo dikwijls gezien,—dat ge naar de kerk wordt gereden op een boerenwagen, die voor die gelegenheid zwart geschilderd is. Ge behoeft in 't geheel niet aan pluimen te denken, want die heeft men daar niet. En ge weet, dat de paarden witte doeken aan de teugels hebben en dat men even langzaam en plechtig met u rijdt als met een grondeigenaar.
Maar ge behoeft niet bang te zijn, dat ge geen kransen genoeg zult krijgen, want er wordt geen enkele bloem op de kist gelegd. Die behoort zwart en glimmend te zijn; niets moet haar bedekken.
En ge behoeft er niet aan te denken, dat uw lijkstoet niet groot genoeg zal zijn, want allen die in het dorp wonen, zullen meêgaan. En ook zult ge niet naar geween of geklaag om uw baar behoeven te luisteren. Er wordt nooit over de dooden geweend, als ze op den heuvel buiten de kerk van Svartsjö staan.
Neen, men schreit evenmin over een jongen, bloeienden man, die door den dood geveld werd, juist toen hij voor zijn oude arme ouders begon te zorgen, als er over u geschreid wordt. Ge wordt op een paar zwarte schragen buiten de deur van de consistoriekamer gezet, en een massa menschen verzamelen zich langzamerhand om u heen, en alle vrouwen hebben den zakdoek in de hand. Maar niemand zal schreien, alle zakdoeken zullen stijf opgerold blijven, geen enkele wordt aan de oogen gebracht. Ge behoeft er niet bang voor te zijn, dat de menschen over u niet zooveel tranen zullen schreien als over andere dooden. Zij zouden schreien als het paste, maar het past niet. Ge kunt toch wel begrijpen, dat als er veel rouw bij één graf was, het er leelijk uit zou zien voor hen, die door niemand betreurd worden. Zij weten wel wat ze doen in Svartsjö. Zij gedragen zich zooals het nu al sinds vele honderd jaren de gewoonte daar is.
Maar terwijl ge daar op den kerkheuvel staat, zijt ge een groot en machtig wezen, hoewel ge geen bloemen of tranen krijgt. Niemand komt in de kerk zonder te vragen wie ge zijt. En dan gaan ze zwijgend naar uw kist, blijven daar staan en bekijken die. En het komt niemand in den zin den doode pijn te doen door hem te beklagen. Niemand zegt iets anders, dan dat het voor hen, die heengingen goed is, dat het uit is.
Het is daar in 't geheel niet zooals in een stad, dat ge begraven kunt worden op elken dag van de week. In Svartsjö moet ge op een Zondag begraven worden, zoodat ge de geheele gemeente om u heen kunt hebben. Daar naast uw kist staat het meisje, waar ge op het laatste zomerfeest mee gedanst hebt en de man, met wien ge op de laatste markt paarden geruild hebt. Ge hebt uw schoolmeester bij u, die u opvoedde als kleine jongen, en die u vergeten heeft, hoewel ge u hem zoo goed herinnert, en daar komt ook het oude lid van den rijksdag, die u vroeger nooit groeten wou. Het is hier in 't geheel niet zooals in een stad. Daar zouden de menschen nauwelijks naar u kijken, als ge hun voorbij gereden werdt.
Als men met de lange draagkleeden komt en die onder de kist legt, is er niemand, die er niet op toeziet.
Ge kunt niet begrijpen wat voor een kerkknecht ze in Svartsjö hebben. Hij is een oud soldaat en ziet er uit als een veldmaarschalk. Hij heeft kort geknipt wit haar, en gedraaide knevels en een spitse sik, hij is tenger en lang, en loopt rechtop met lichte, vaste stappen. Zondags heeft hij een schoongeborstelde jas van fijn laken aan. Hij ziet er werkelijk uit als de deftigste oude heer, dien men zich voorstellen kan. En hij gaat voor den stoet uit. Achter hem aan loopt de man met den rouwstaf.
't Is niet zeker, dat die man wel goed uitkomt naast den kerkknecht. Misschien is zijn hoed wat groot of ouderwetsch. Hij is ook zeker wat verlegen, maar wanneer is de man met den rouwstaf niet verlegen?
Dan komt ge zelf in uw kist met de zes dragers, en dan komt de predikant en de klokkeluider en 't gemeentebestuur en de geheele gemeente. Alle kerkgangers gaan met u mee tot op het kerkhof, daar kunt ge zeker van zijn.
Maar nu moet ge hier wel op letten. Zij, die met u meegaan, zien er zoo eenvoudig en armoedig uit. Het zijn immers geen deftige stadsbewoners. Het zijn maar gewone, eenvoudige menschen uit Svartsjö. Het is alsof er maar één groot en eerbiedwaardig is, en dat zijt gij in uw kist, gij, die dood zijt.
De anderen zullen den volgenden dag opstaan en weer aan zwaar, grof werk gaan, ze zullen in hun oude, armoedige hutten zitten en oude, verstelde kleeren dragen. Die anderen zullen weer gekweld en geplaagd en gedrukt en verootmoedigd worden door hun armoede.
Als een vreemde met u meê naar het graf ging, zou hij veel weemoediger worden bij het zien van de menschen en den lijkstoet, dan bij de gedachte aan u, die dood zijt. Ge behoeft nooit meer de fluweelen kraag op uw rok na te zien, om te kijken of hij ook kaal wordt op de kanten, ge behoeft geen aparte plooi in uw zijden doek te leggen, om te verbergen, dat hij op 't punt staat te kerven. Ge zult den landkoopman nooit meer behoeven te vragen u waren op crediet te geven, ge zult niet voelen hoe uw werkkracht vermindert, ge behoeft niet te loopen wachten op den dag, dat ge de gemeente tot last zult komen.
Terwijl ze u naar het graf brengen, loopt ieder te denken, dat het maar het beste is dood te zijn; beter naar den hemel op te varen, door de witte morgenwolken gedragen, dan aldoor het moeilijke leven te dragen. Als men bij den kerkhofmuur komt, waar het graf gegraven is, worden de draagkleeden tegen sterke touwen verwisseld en de dragers klimmen op de losse aardhoopen en laten u zakken.
En als dat gebeurd is, komt de koster bij den rand van het graf en begint te zingen:
„Ik ga den dood te gemoet.”
Hij zingt den psalm geheel alleen, de predikant noch iemand van de omstanders helpt hem. Maar de koster moet zingen, en hoe hard de noordenwind, en hoe scherp de zon is, die hem in 't gezicht staat, hij zingt.
De koster is heel oud en hij heeft niet veel stem meer. Hij weet wel, dat het nu zoo mooi niet meer klinkt, als toen hij in zijn jonge dagen zong voor de menschen, die begraven werden, maar hij doet het toch, omdat het bij zijn werk hoort.
Want begrijpt ge, op den dag, dat zijn stem hem geheel begeeft, moest hij zijn betrekking neerleggen en dat wil zeggen; in groote armoede vervallen.
Daarom zijn alle omstanders bang, terwijl de oude koster zingt, en luisteren angstig of zijn stem het wel het heele vers door uithouden zal. Maar niemand zingt mee, niet één, want dat gaat niet, dat doet men niet. Men zingt nooit bij een graf in Svartsjö. Ook in de kerk zingt men nooit meer dan den eersten psalm op Kerstmorgen.
Maar als iemand goed luisterde, zou hij merken, dat de koster niet alleen zingt. Er is werkelijk een stem, die meê zingt, maar die klinkt zóó precies eender, dat de twee stemmen zich vermengen, alsof zij één waren.
De andere stem, die meê zingt, is die van een kleinen ouden man, in een langen grijzen pelsrok. Hij is nog ouder dan de koster, maar hij zingt wat hij kan, om hem te helpen.
En de stem is, zooals ik al zei, van hetzelfde soort als die van den koster; zij zijn zóó eender, dat men niet laten kan er zich over te verbazen. Maar als men goed toeziet, lijkt ook de kleine, grijze oude man precies op den koster, hij heeft dezelfde kin en mond, alleen wat ouder en nog meer door het leven geteekend. En dan begrijpt men, dat de kleine arme, de broer van den koster is. En dan weet men meteen, waarom hij hem helpt. Want ziet ge, hem is het nooit goed gegaan hier in de wereld, en hij heeft altijd tegenspoed gehad. En eens is hij failliet gegaan en heeft den koster in zijn ongeluk meegesleept. Hij weet, dat het zijn schuld is, dat zijn broeder het altijd moeilijk gehad heeft.
En de koster heeft geprobeerd hem weer op de been te helpen, maar dat lukte niet. Want hij was niet zóó, dat men hem kon helpen. Hij had nooit voorspoed en dan was er ook de rechte kracht niet in hem.
Maar de koster was het stralende licht in de familie, en de andere heeft altijd door maar moeten aannemen, en heeft nooit iets terug kunnen geven.
Goede hemel! er was geen sprake van iets terug te geven. Hij, die zoo arm is! Ge moest de hut van plaggen eens zien, waar hij woont.
Hij weet, dat hij altijd somber en bedroefd geweest is, en een last, niets dan een last voor zijn broer en voor andere menschen. Maar zie! nu in den laatsten tijd is hij een machtig man geworden. Nu staat hij daar en geeft iets terug. Ja, dat doet hij. Nu helpt hij zijn broer, de koster, die het licht en 't leven en de vreugd was van al zijn dagen. Nu helpt hij hem zingen, opdat hij zijn post behouden kan.
Hij gaat niet naar de kerk, want hij meent, dat allen hem aankijken, omdat hij geen zwarte zondagsche kleeren heeft. Maar iederen Zondag gaat hij naar den kerkheuvel om te zien of er een kist op de zwarte bokken buiten de consistoriekamer staat. En als dat zoo is, gaat hij meê naar het graf en daar vertoont hij zich in zijn ouden grijzen rok en helpt zijn broer met zijn ellendige stem.
De kleine oude hoort heel goed hoe leelijk hij zingt. Hij gaat achter de anderen staan en dringt niet vooruit tot bij het graf. Maar zingen doet hij. Het zou zoo veel niet hinderen, als de stem den koster begaf bij een of anderen toon. Zijn broer is er om hem te steunen. Op het kerkhof lacht niemand om het gezang, maar als de menschen thuis zijn en wat uit de ernstige stemming gekomen, dan spreekt men over den kerkgang en lacht om 't gezang van den koster, om zijn stem en die van zijn broer. De koster geeft er niet om, daar is hij de man niet naar; maar zijn broer lijdt er onder en denkt er over. Hij beeft de heele week door voor den Zondag, maar hij komt toch stipt op den kerkheuvel en doet zijn plicht.
Maar gij, daar binnen in uw kist, gij vindt dat zingen zoo leelijk niet. Ge vindt, dat het goede muziek is. Is het niet waar, dat men in Svartsjö begraven zou willen worden, alleen om dat gezang?
Er staat in den psalm, dat het leven een reis naar den dood is; en als nu die twee ouden dat zingen, die twee, die levenslang voor elkaar geleden hebben, dan voelt men als nooit te voren, hoe moeilijk het leven is en dan is men er volkomen tevreden meê dood te zijn. En dan eindigt het lied en de predikant werpt de aarde op de kist en houdt zijn toespraak.
Daarop zingen de twee oude stemmen: „Ik ga naar den hemel.” En zij zingen dit vers niet beter dan het vorige. Hun stemmen worden zwakker en klagender, hoe langer ze zingen.
Maar voor u uit breidt zich een groote, wijde ruimte en ge zweeft daarop in angstig geluk en al het aardsche verdwijnt en verbleekt.
Maar het laatste, wat ge van het aardsche hoort, is toch iets van trouw en liefde, en midden onder uw bevende vlucht naar den hooge, zal dat armoedig gezang de herinnering wekken aan al wat ge aan liefde en trouw hier beneden hebt ondervonden, en dat zal u omhoog dragen. Dat zal uw ziel met lichtglans vullen en u schoon en heerlijk maken als een engel.
ROMEINSCH BLOED.
Als ge in Rome geweest zijt, hebt ge zeker wel de kleine landmuren buiten de stadsmuren gezien. Daar is een stuk land, waar men kroonartisjokken, erwten en bloemkool verbouwt, al naar gelang van het jaargetij. Een paar lage, met stroo gedekte huizen, een kleine ezelstal, een groote gemetselde put met een schuin dak en een paar kippenhokken; en natuurlijk een massa pluimgedierte en niet alleen kippen, kalkoenen en tamme eenden, maar ook fasanten en pauwen.
En dan om wat te verdienen,—want groente en kippen brengen geen schitterend inkomen op—koopt men een paar groote vaten romeinsche slotswijn en bewaart die in een van de kleine schuurtjes, die niet meer dan een kamer elk hebben. Daar zet men ook een toonbank en een plank met literflesschen en glazen, maar buiten op de plaats tusschen den put en de kippenhokken zet men lange banken en flinke tafels.
Hier buiten den stadsmuur gieren de winden uit de Campagna scherp en onbelemmerd, daarom zet men daken boven de banken en omringt die met wanden van riet, waar de zonneschijn goudgeel komt doorsiepelen. En eindelijk laat men een uithangbord schilderen en hangt het uit boven de kleine gemetselde poort, die naar de straat en de stad voert. En dan is de osteria klaar.
Nino Beppone was nu al tien jaar lang kellner in zulk een kleine osteria geweest. Maar nu moet men niet denken, dat hij daar zoo lang bleef om het loon en de fooien, of omdat hij nergens anders voor deugde. Integendeel. Nino was een flinke, ja zelfs een ontwikkelde jonge man, en dat hij zich tevreden stelde met kellner te zijn in een osteria buiten den stadsmuur, was alleen omdat hij Teresa, de oudste dochter in 't huis, liefhad.
Ach! hoe lief had Nino haar. Ze was zoo mooi! En mooi, zooals Nino het graag had, met groote krachtige trekken en sterke, heldere kleuren. Haar gang was fier en licht als die van een koningin. Ze sprak met een heldere, klankvolle stem en zoo duidelijk, dat geen lettergreep van een woord wegviel. Ze lachte, zooals zilvren klokjes bengelen. Haar handen waren mooi, wit en vast, en haar handdruk sterkte als een zegenbede.
Allen, die in de osteria kwamen, wilden bij haar bestellen, en verlangden, dat zij altijd achter de toonbank zou staan. „Waar is Teresa?” vroegen ze onwillekeurig als ze haar niet zagen. En dat kon Nino zich zoo goed begrijpen. Hij wist immers zelf hoeveel beter de soep smaakte, als zij die opdeed uit de pan, dan wanneer haar zusters die voorgediend hadden.
Het was waarlijk geen wonder, dat ieder graag met haar te doen had. Wat was 't niet vredig en veilig alleen maar in de kamer te zijn waar zij was?
Hij was er overtuigd van, dat de menschen veel minder in de osteria kwamen om wijn te drinken, dan wel om Teresa al hun zorgen toe te vertrouwen. Als de ezel dood was, als men verloren had bij het balspelen, of als die gekke Pietro iemand met het mes gestoken had, dan was het een verlichting het haar te vertellen. En nu en dan gebeurde het zelfs, dat jonge, flinke mannen, die geen zorgen hadden, lange treurige histories zaten te verzinnen, alleen om te maken, dat ze stil stond bij hun tafeltje en hen een beetje troostte. Ach neen, ze waren niet op haar verliefd; maar ze wilden toch graag, dat zij hun wijn in zou schenken, dat zij hun een mandarijn zou toestoppen, als ze heen gingen, en hun beloven, dat ze in haar gebeden aan hen zou denken.
De andere zusters trouwden, zoodra ze zestien jaar waren. Een verhuisde, en een bleef met man en kinderen bij de ouders inwonen. Maar Teresa wilde niet trouwen, en Nino wist wel waarom. Hij wist wel, dat ze noch hem, noch een van de andere landlieden zou nemen. Teresa was trotsch, ze zou nooit trouwen dan met een signor.
Ja, ja! Teresa was heel trotsch. Men kon het zien aan de manier, waarop ze 't haar opmaakte, hoog op het hoofd, precies als een signorina,—en aan haar kleeding in de kerk. In de osteria droeg ze een groen schort en een rooden doek om den hals, maar als ze Rome inging, was ze altijd in het zwart. En ze had een grooten hoed met gebogen rand en een kraag van veeren om den hals, zóó lang, dat hij tot op de plooien van haar kleed neerhing.
Natuurlijk zou Nino het heel gepast vinden als Teresa een signora werd. Het eenige vreemde was, dat ze niet begreep, dat ze het al was.
Eigenlijk was Nino er best meê tevreden, dat Teresa niet met een Campagna-bewoner wilde trouwen. Hij zelf had geen hoop haar ooit te veroveren. Hij was rond en dik als een meelzak en had zulk een grauwe tint, juist als een molenaar. En maar een paar kleine streepjes als oogen. Nino wist wel, dat hij veel te leelijk was voor Teresa. Maar nu het zoo lang duurde, eer zij haar signor kreeg, en niemand anders haar durfde vragen, kon Nino jaar in jaar uit haar kameraad blijven. En dat was waarlijk geen klein geluk.
De dagen daar buiten op de kleine hoeve waren voor Nino vol zaligheid. 's Morgens als Teresa met haar vogels bezig was, droeg Nino een bak met maïs voor haar. In den voormiddag hielp hij haar wieden en de groente voor de markt in orde maken. En 's avonds als de arbeiders, die naar huis gingen, in de osteria een glas goudgele castello romano kwamen drinken, stond zij bij het vat en vulde de maatjes, en hij nam ze van haar aan. Maar als het een bizondere dag was, als er feest- of marktdag was, en de menschen kwamen aanstroomen en alle zitplaatsen waren ingenomen, als de heele plaats wemelde van goochelaars en verkoopers van gepiepte appelen en kastanjes, en hij en zij ademloos door de tafeltjes snelden met hun flesschen en glazen, dan knikten ze elkaar toe, als ze elkaar tegenkwamen. Zij voelden zich zoo kameraadschappelijk als soldaten, die samen ten strijde trekken.
Maar op de avonden, dat er geen klanten kwamen, zat Nino Teresa te vertellen van wat hij in zijn boeken gelezen had. Zij liet hem de geheele geschiedenis van het oude Rome vertellen, en vooral wilde ze graag hooren, hoe de plebejers tot patriciërs werden verheven en van de machtige romeinsche matronen. Nino wist wel waarom. Zij voelde zich van 't zelfde bloed. En den volgenden dag stak ze 't hoofd nog fierder omhoog. En Nino zei tegen zichzelf, dat hij wel dwaas leek. Want iedere keer, dat hij haar vertelde van Cornelia, de moeder der Gracchen, verwijderde hij haar verder van zich. Waarom kon hij toch niet laten haar te vertellen? Waarom had hij haar toch 't meeste lief, als zij den hals zoo fier verhief en haar oogen vlamden.
Toen zij vier en twintig jaar oud was, hoorde Nino de menschen zeggen, dat zij nu bijna te oud werd om nog een man te krijgen. Ze was niet mooi meer. Nino begreep niet, wat ze bedoelden. Was zij niet mooi?
Op een dag merkte hij toch, dat ze gelijk hadden. Ze werd werkelijk bleek, ze was op weg om oud te worden. Hij had het vroeger niet gemerkt, maar nu zag hij het, doordat ze weer begon op te leven. Al haar jeugdige schoonheid straalde weer op haar gezicht. Wat was dat voor een wonder? Nino werd bijna bang, toen hij het zag.
Iederen avond kwam er nu een kleine luitenant in de osteria. Ach! ach! Nino kon niet ontkennen, dat hij er alleraardigst uitzag. Hij had een zwarte uniform met zilver aan, en een zacht, kinderlijk gezicht. Hij was al den eersten avond, dat hij haar zag, verliefd op Teresa geworden. En zij had zij ter wille van hem haar schoonheid teruggekregen? Hield zij van dat luitenantje? Was de signor nu eindelijk gekomen?
De arme Nino begon op eens den oorlog en de militairen te haten. Italië voerde oorlog met Abyssinië, en hij vond, dat het al ellende genoeg was, dat de Italiaansche soldaten over de zee moesten trekken om het een vreemd volk lastig te maken, dat geen kwaad gedaan had. Het was al ellende genoeg, die ze daar aanrichtten. Hier thuis konden ze toch wel laten de menschen ongelukkig te maken.
Nino zocht gelijkgezinden op en kwam in vredegenootschappen. Hier trad hij als spreker op en pleitte voor het afschaffen van het leger. Italië moest niet groot worden als oorlogvoerende mogendheid maar als een land des vredes. „Laat ons dien Afrikaanschen oorlog doen ophouden. Laat onze soldaten terugkomen en naar de landbouwschool gaan.” Dat waren Nino's woorden.
Op deze vergaderingen voelde Nino zich een machtig man. Hij stelde adressen aan den minister en aan den koning op. Hij werd spoedig een der leiders. Hij werd een van de meest geliefde sprekers. De arme! Als hij thuis kwam van zulk een vergadering, waar hij den oorlog en het leger afgeschaft had, kwam hem Teresa tegemoet. Zij bleven bij den put stilstaan, waar ze altijd plachten te zitten praten en Teresa wilde over den oorlog hooren. De tegenwoordige oorlog boezemde haar geen belangstelling in, maar ze wilde weten, wat de Romeinen in vroeger dagen gedaan hadden. Nu wilde ze van Scipio hooren. Was het Scipio niet, die naar Afrika getrokken was en de zwarten overwonnen had! En Nino moest den halven nacht van niets anders dan van den oorlog vertellen.
Terwijl Nino vertelde, werd Teresa stralend mooi. Bij het schijnsel van de lantaarn zag Nino haar zoo: wonderlijk mooi, met een geheimzinnigen glimlach op de lippen. Nino begreep, dat ze alleen een held kon liefhebben. Maar hij, die haar niet kon weigeren haar van zulk een afschuwelijk bloedblad te vertellen, wat was hij? Hij was laf. Als ze een Nero had liefgehad, zou Nino zich hebben laten dwingen de tyrannen te prijzen. Nino was laf! Een ellendeling. Hij was wezenlijk geen held.
Eindelijk was zij verloofd met luitenant Ugo en Nino dacht er ernstig over zich vrij te maken en een anderen dienst te zoeken. Maar hij kon niet, zij was juist toen zoo vriendelijk voor hem. Hij zou maar wachten tot na de bruiloft.
Teresa vergat Nino geen oogenblik. Zijn verjaardag viel op den dag na haar verloving en Nino was somber dien morgen. Hij meende, dat deze dag de treurigste in zijn leven zou zijn. Maar hij was nooit in zijn leven zoo gevierd geworden. Teresa had zakdoeken voor hem genaaid met een monogram, dat de helft van den doek bedekte. Zij had ook een taart voor hem gebakken en ze ging naar de kerk van St. Antonio in Padua om voor Nino tot zijn beschermheilige te bidden. Den heelen dag bediende zij hem en liet hem geen enkele flesch wijn dragen. Zij schertste met hem en dwong hem vroolijk te kijken. Hij moest wel lachen, of hij wilde of niet, omdat zij het wilde. Nu moesten allen gelukkig zijn.
's Nachts kon Nino niet laten te schreien. Hij had gemerkt, dat ze in die dagen de vogels dubbel rantsoen gaf, de ezel had versch stroo gekregen, en de kat mocht op haar schouder zitten, zoo lang ze wilde. Nino had zich nooit zóó met de kat, den ezel en de vogels gelijkgesteld gevoeld.
Hoe gelukkig was ze er meê, dat haar vriend officier was. Behalve dat hij een signor was, vond ze 't heerlijk, dat hij millitair was. Nino hoorde eens, dat ze antwoordde, toen iemand haar vroeg of ze niet bang was, dat hij naar Afrika gezonden zou worden: „Ja werd hij dat maar, dan zou het er wel anders gaan.”
Nu, dit gebeurde juist in den winter van '96 toen men meende, dat het daar in Afrika eindelijk in orde zou komen. Men zond het eene schip met troepen na het andere, maar men hoorde nooit, dat zij keizer Menelik en zijn Shoanen ontmoetten. De troepen legerden zich bij Adua, dat was alles wat men wist. Het was als wanneer de bijen uit den korf kruipen en buiten den ingang in een grooten klomp blijven hangen, en men gaat er iederen dag naar kijken en ergert er zich over, dat ze niet gaan zwermen.
Teresa hield zich prachtig, toen ze tegen het eind van Februari hoorde, dat luitenant Ugo naar Afrika moest. Nino zag geen traan in haar oogen. Zij dacht er alleen aan, dat het nu wel tot een gevecht en tot overwinningen zou komen. Nu zou haar arm Italië geholpen worden.
Zij hield een afscheidsfeest voor haar verloofde en zijn kameraden. 't Was een heerlijk feest. De Castello-romano wijn vloeide bij stroomen. Zij had haar vetste kalkoenen geslacht en de eerste kroon-artisjokken geplukt. En zij had massa's taarten en zoetigheid tot dessert. Ze had een vlaggestok op het dak van den put gezet en daar Italië's vlag geheschen. Ze had ook transparanten gemaakt, waarop te lezen stond:
„Leve het leger! Heil zij onze dappere soldaten. Alles voor Italië!” en andere groote woorden. Ja, 't was Nino die de gekleurde lantarens aan het stroodak gehangen en voor de zangers gezorgd had, die de nieuwe krijgsliederen zouden zingen. Maar hij had in zichzelf gezworen, dat Teresa hem niet zou bewegen een toast te slaan. Arme Nino, het werd hem niet gevraagd. Zij durfde hem zoo iets gewichtigs niet toe te vertrouwen.
Maar 's avonds, toen de kleine bommen voor de voeten der gasten ontploften, toen niet alleen het stroodak boven de banken, maar ook de kippenhokken, de put en het woonhuis van groene, roode en witte lantaarns straalden en toen Nino de bengaalsche vuren tusschen de kroon-artisjokken aanstak, zag hij wel wat zij bedoelde, al zagen de anderen dat niet. Het was, alsof ze met ieder glas wijn, dat ze den soldaten reikte, wilde zeggen: „Ga en maak nu ernst met de zaak. Rome's vrouwen willen een nieuwe triumftocht naar de Campidoglio zien.”
Niemand wist beter dan Nino, hoe lief Teresa dien kleinen, aardigen man had, die tegen de barbaren zou uittrekken. En toen hij zag hoe ze hem liet heengaan zonder klagen, zonder zich een oogenblik zwak te toonen, moest hij haar zijns ondanks bewonderen. Zij had een van de matronen in 't oude Rome kunnen zijn, dacht Nino. Er is echt romeinsch bloed in haar aderen.
Toen luitenant Ugo met zijn troepen naar Napels vertrok, waar ze naar Afrika zouden ingescheept worden, ging Nino met Teresa meê naar het station.
Het was laat in den avond. De soldaten kwamen in den pas aanmarcheeren. Om hem heen wemelde het van straatjongens, familieleden en enthousiasten. Bij het station werden ze opgewacht door Romes sindaco en verscheiden generalen. Er werden toespraken gehouden, er werd geroepen: „Leve Italië!”—er werden kussen gewisseld en er werd met bloemen gestrooid.
Teresa stond daar bleek van geestdrift. Ze liet geen woord van klacht hooren. Er waren aristocratische dames, die bloemen uitdeelden aan de soldaten en zij volgde hun voorbeeld. En ze smeekte de jonge krijgslieden, dat ze niet terug zouden komen, eer ze de hoofdstad van Menelik ingenomen hadden. Luitenant Ugo omhelsde haar en beloofde haar terug te komen met de kroon van de abyssinische keizerin. En zoo scheidden zij.
Maar luitenant Ugo was nog geen twee dagen weg geweest, hij had nog niet eens naar Afrika kunnen afreizen, voor het bericht kwam, dat de groote zwerm, die bij Adua gelegerd was, in beweging was gekomen. Die was opgetrokken tegen de Abyssiniërs en was verslagen en verstrooid geworden.
Dat was juist op een oogenblik, dat niemand aan iets anders dacht, dan aan de overwinningen, die daar gewonnen moesten worden, nu er zooveel volk heengezonden werd. De koning zelf was naar Napels gereisd om de laatste troepen te zien vertrekken. Den eenen dag sprak hij tot hen over de eer, die zij zouden verwerven voor hun geliefd Italië. En den volgenden dag kwam een telegram, die berichtte, dat een veldslag verloren, het leger verstrooid was; die sprak van vlucht en paniek.
Eigenaardig was het hoe die telegrammen de menschen in die dagen troffen. Meneliks kogels hadden maar een zevenduizend man kunnen vellen, maar de telegrammen namen het werk van de kogels over. Ze kwamen van de hoogvlakte van Adua, over de Middellandsche zee en troffen doel. Ach! geen enkel Italiaansch hart bleef ongedeerd.
Teresa kwam geheel verslagen bij Nino.
„Wat is er toch gebeurd, Nino?” vroeg ze, „hoe kon dat nu zoo slecht gaan?”
En Nino vertelde haar, dat de Italianen verslagen waren, niet zoozeer door de menschelijke vijanden, als wel door de overmachtige natuur. Daarbuiten moest men bergen opklauteren, waarvan de laagste waren als de Sabiner en Albanerberg boven op elkaar. Daar waren geen wegen, maar men marcheerde over velden met distels begroeid, zoo stijf en met zulke scherpe punten, dat een ezel ze niet zou kunnen eten. Daar was zoo weinig eten te krijgen, dat de soldaten zich op de muilezels wierpen, die op den weg neervielen en de stukken vleesch naar zich toe rukten.
Maar dat was immers geen land om menschen heen te zenden! een land waar men muilezels moest eten!
Neen, dat vond Nino ook.
En nu kon Nino zijn hart luchten. Nu kon hij Teresa vertellen hoe vreeselijk de oorlog was.
Ze lazen samen de couranten. Zij lazen, dat men vreesde, dat de troepen, die nu uitkwamen, Menelik en de Shoanen op de havenkade van Massana al zouden ontmoeten. Zij, die nu uittrokken, gingen een wissen dood tegemoet. Teresa las ook, dat de barbaren vooral op de officieren schoten. Zij mikten op hun blauwe insignes en troffen ze uit hinderlagen, als ze met hun soldaten voortrukten.
Ze las van alle wreedheden en gruwelen, die de zwarte menschen bedreven. Zij las van de verschrikkelijke oude vrouwen, die het leger volgden en na een slag op het slagveld rondliepen, om de dooden te plunderen en te verscheuren.
Toen was Teresa ten einde raad. Ze was bang. Ze durfde niet verder lezen.
Nino schoof zijn muts achteruit en vroeg haar wat ze dan gedacht had, dat de menschen in den oorlog deden. Had ze dan niet gedacht, dat men daar gedood werd? Neen, ze wist niet recht, wat ze gedacht had, maar dit in het geheel niet! Ze dacht er alleen aan, dat de zwarten verslagen zouden worden en de Italianen een groote overwinning behalen.
Toen kwam een brief van luitenant Ugo, waarin hij haar nog eens vaarwel zei. De stoomboot, die hem naar Afrika zou brengen, zou den avond van den volgenden dag vertrekken.
Dien nacht gingen Teresa en Nino op weg naar Napels. Wat moest ze daar doen? Nino meende, dat ze haar verloofde nog eens zien wilde voor zijn vertrek. Maar zelf wist ze in 't geheel niet waarom ze ging. Ze kon het niet laten. En niemand dan Nino had ze meê willen hebben.
Dien morgen, zoodra ze in Napels aankwamen, zocht zij den luitenant in de kazerne op. Hij kwam haar tegemoet, verward en gehaast, maar zichtbaar aangedaan en gevleid door dat ze hem nog eens vaarwel kwam zeggen. Maar Teresa werd doodsbleek toen ze hem zag. Hij droeg nu een lichte uniform van geelachtig grijs linnen met een breeden lichtblauwen band over de borst. Die blauwe band was het mikpunt, waar de zwarten op schoten.
Hij moest gauw weer naar binnen, naar zijn soldaten. Kon ze hem dan den heelen dag niet meer spreken? Ja, zij konden om één uur samen koffiedrinken. Dan had hij twee uur vrij. Dat spraken ze af en hij snelde weg. Ja, dat was een dag! Nino en zij zetten zich neer op een bank bij de „villa” en wachtten daar. Ze deed niet anders dan vragen hoe laat het was.
Zoodra ze met Nino alleen was, werd haar gezicht strak en bleek als dat van de beelden, die om hen heen stonden en haar oogen schenen niet meer te zien dan de hunnen. Nino vroeg haar, waarom ze zoo wonderlijk voor zich uit staarde. Zij antwoordde, dat ze zijn lijk voor zich zag. Den heelen nacht had ze hem dood zien liggen in een bergpas. Zij had ook de zwarte oude vrouwen gezien, die toesnelden om hem te plunderen en te verscheuren. Nino had immers verteld, dat ze daar de lijken verscheurden.
Nino zocht naar iets, wat haar troosten kon en haar weer wat hoop geven. Hij herinnerde er haar aan, dat luitenant Ugo dapper was. Hij zou zich wel weren tegen de barbaren.
Wat hielp het hem, dat hij dapper was, zei ze, als de vijand verborgen lag in 't kreupelhout en op den blauwen band mikte. Had Nino wel op dien blauwen band gelet? Waarom was die doodsband blauw? Waarom was die niet rood als bloed!
Het grootste gedeelte van den morgen zaten ze zwijgend naast elkaar. Teresa kon niet meer met Nino praten, maar ze wilde, dat hij naast haar zou blijven zitten. Zij liet hem beloven, dat hij haar niet verlaten zou, den heelen dag niet.
„Neen, zeker niet, Teresa.”
En Nino zat er aan te denken hoe wonderlijk het was, dat Teresa hem naast zich wilde hebben als een steun in haar groot verdriet; dat ze hem haar heele vertrouwen gaf, en dat hij, Nino, haar eigenlijk nader was dan de andere.
Hij vroeg zich af of het wel zoo heel anders zijn zou als ze hem liefhad. Nu en dan, dacht hij, dat ze meer van hem hield, dan ze zelf wist. En het wonderlijkste was, dat hij er juist vandaag aan dacht, nu hij zag, dat ze bijna waanzinnig van angst was, dat den ander iets kwaads zou overkomen.
Nino was ook bij den maaltijd. Luitenant Ugo bestelde een kamer apart en daar aten zij met hun drieën.
In den beginne was Teresa vroolijk; zij scheen even zorgeloos als thuis in de osteria en Nino meende, dat ze alle onrust en angst op zij wilde zetten in deze uren om enkel gelukkig te zijn. Zij was zelfs nu en dan veel vroolijker dan gewoonlijk; zij koketteerde met luitenant Ugo, zoodat hem het hoofd omliep. En ze stond toe, dat hij haar kuste. Nino zag wel neer op zijn bord, maar hij merkte het toch. Nino zag haar nu en dan aan en zijn kleine, grijze oogen smeekten haar hem heen te laten gaan. Maar dan kwam haar hand, ijskoud en bevend, stil naar hem toe onder de tafel, legde zich op de zijne en hield die vast. De luitenant vond hem klaarblijkelijk meer dan overcompleet, maar Teresa wilde hem bepaald bij zich houden.
Er werd Asti Spumanti en Lacrymae Christi geschonken en Nino dronk, zooals hij nog nooit gedronken had. Maar het gelukte hem niet zich doof of blind te maken.
Ten slotte, toen Nino meende, dat luitenant Ugo ongeveer buiten zichzelf moest zijn door haar blikken en kussen, boog zij zich naar hem toe en vroeg hem schijnbaar half schertsend, of hij niet thuis kon blijven. Zou hij 't onmogelijk zoo kunnen schikken, dat hij niet naar Afrika hoefde?
Hij lachte haar uit. Neen, daar zag hij geen kans toe.
Kon hij niet ziek worden, of zich ziek houden? Neen, neen, dat ging niet.
Maar had hij er wel aan gedacht hoe lang het nu duren zou, eer ze zouden kunnen trouwen?
De luitenant begreep nauwlijks, dat het haar ernst was. Ja zeker had hij daaraan gedacht, maar er was immers niets aan te doen.
Teresa lachte niet meer, maar sprak met een stem, die beefde van ontroering. Zij bekende hem hoe zij naar hem verlangd had, sinds hij op reis gegaan was. Zij kon geen dag zonder hem leven. Kon hij nu geen voorwendsel vinden om te kunnen blijven?
„Teresa,” zei hij, „dan zou ik immers eerloos zijn. Vraag mij dat niet.”
„Eerloos,” zei ze vleiend, „hoe kan je dat nu zeggen. Je zoudt immers niet uit lafheid thuis blijven, maar omdat ik je zóó liefheb, dat ik je niet kan laten gaan.”
De luitenant kuste haar, maar hij scheen in haar smeekingen niet anders dan een plotselingen inval te zien.
Toen begon ze over wat anders.
Als het nu tot een veldslag kwam, en als de zwarten begonnen te schieten, wilde hij haar dan beloven dien blauwen band af te leggen.
Neen, dat kon niet, dat mocht hij niet doen. Maar nog altijd geloofde de luitenant, dat het maar scherts was. Nino zag hoe Teresa als uitgeput het hoofd liet zinken. Toen ze opzag, was ieder spoor van vroolijkheid uit haar gezicht verdwenen. Zij was weer zooals ze dien morgen geweest was.
Nu begon ze hem met een heftigen woordenstroom te vertellen, al wat ze van het vreemde land en van de wijze van oorlogvoeren van de zwarten gehoord had. Ze vertelde van den berg en de scherpe distels en den hongersnood. Toen ze van de muilezels vertelde, lachte hij en zei, dat het niet waar was.
Zij sprak van luitenant Petrini, die door de vrouwen van de Shoanen verbrand was. Wist hij dat, of niet? En wat was er nu voor eer te winnen in een oorlog tegen de barbaren. En ze schoten alle officieren dood. Wist hij dat? Zij mikten op den blauwen band, en schoten 't eerst op de officieren.
„Ach Teresa,” zei hij, „wil je me bang maken? Zijn dat woorden voor een Romeinsche?”
Ja, ja! juist voor een Romeinsche. De vrouwen van Rome hadden nooit toegestaan, dat men haar beroofde van wat zij het liefst hadden. En nu moest hij weten, dat ze alleen gekomen was om hem te zeggen, dat ze zeker wist, dat hij vallen zou, als hij nu heenging. Zij zag hem al dood voor zich! Dood en verscheurd!
Toen ze dit gezegd had, hield zij zich niet meer in, maar toonde hem al haar wanhoop. Ze wierp zich voor hem op de knieën, schreide, smeekte, bad.
Hij werd heel bedroefd, maar ook wat bezwaard. Een oogenblik zag hij Nino aan, alsof hij hem afvroeg wat hij doen moest. Nino keek op zijn horloge. Ja zeker. Dat was het eenigste wat hij doen kon. Zeggen dat de tijd om was en heengaan.
„Wat zou je nu willen, dat ik deed?” zei de luitenant. „Ik kan niet anders dan heengaan.”
„Doe alsof je ziek ben. Er gaan nu genoeg menschen naar Afrika. Het is slecht om daarheen te gaan. Die menschen daar vechten voor hun thuis en hun familie. Je kunt toch niet tegen hen willen vechten.”
„Als ik hier blijf, ben ik een verloren man.”
„Je zult daar sterven, en sterven voor niets. Wat hebben de zwarten ons gedaan? Laat ze met rust. Zij willen ons land niet nemen, waarom moeten wij het hunne hebben?”
„Teresa,” zei luitenant Ugo. „Neem nu moedig afscheid van me, zooals laatst in Rome. Nu moet ik weg.”
„Moet je?”
„Ja.”
„Ga dan maar.”
„Teresa.”
„Ga maar. Ik zal probeeren niet meer aan je te denken. Je ben dood voor me.”
Ze stond niet op; maar bleef op den grond liggen. Ze zag hem niet eens aan. Hij streek haar over het blauwzwarte haar. Ze bewoog zich niet. Hij zuchtte diep, wist niet, wat hij zeggen of doen moest, en ging werkelijk heen.
Hij drukte angstig en vast Nino's hand. Het was alsof hij hem Teresa toevertrouwde.
Tegen den avond stonden Nino en Teresa bij de haven. Een paar groote stoomschepen lagen op de reede, gereed om te vertrekken, en een massa booten lagen bij de steigers om er de troepen heen te brengen. Eenige duizende menschen verdrongen zich op de kade om hen te zien afreizen.
Maar er was een groot verschil in het vertrek der troepen nu en in den afgeloopen winter. Toen had men niet genoeg kunnen jubelen bij het aan boord gaan der soldaten. Nu, na de nederlaag, waren zij, die heengingen, en zij, die afscheid namen, somber gestemd. Nu zou men liefst de booten hebben doorgeboord, zoodat ze geen van Italië's zonen naar dat vervloekte barbarenland konden voeren.
De soldaten kwamen aanmarcheeren naar de haven, zoo stil, alsof ze weg wilden sluipen. Geen muziek, geen schoten, geen hoera!—Uit de menigte van toeschouwers ging een dof gemompel van toorn en droefheid op, en men bespoedigde het inschepen zooveel mogelijk. Men was er niet heel zeker van, dat het volk de afreis niet zou verhinderen.
Teresa scheen op zooiets te hopen. „Zij zullen het niet toelaten, Nino,” zei ze. „Al die mannen zullen niet toelaten, dat hun zonen worden weggevoerd en door de barbaren geslacht.”
Maar de eene boot na de andere gleed weg naar de stoomschepen en de menigte liet het toe. Een enkele drong door in den troep, maar alleen om een laatsten afscheidskus, een laatsten groet te brengen. Nino zag luitenant Ugo op de kade staan en het inschepen in de sloepen dirigeeren.
Maar waar was nu Teresa? Daareven hing ze aan Nino's arm, maar nu zag hij haar bij den steiger. Zij sloeg de armen om luitenant Ugo. Hij kuste haar en wilde zich uit haar armen losmaken. 't Was zijn beurt om in te stappen.
Zij scheen zich ook terug te trekken, maar toen zag Nino iets in haar hand glinsteren. Het was alsof ze haar verloofde nog eenmaal wilde omhelzen. Op 't zelfde oogenblik wankelde hij en gaf een gil.
Nino was in een oogenblik bij hen. Hij rukte Teresa naar zich toe en trok haar midden tusschen de menschen.
„Blijf hier stil staan.”
Ze lachte met een bijna waanzinnigen lach. „Nu zal hij niet op reis gaan, Nino,” zei ze.
Nino greep haar bij den pols. „Zwijg,” zei hij en hield haar zoo vast, dat het pijn deed.
„De politie mag anders gerust....”
Nino drukte zijn ijzeren vuist nog dichter en ze zweeg.
't Was een geweldig gedrang; de menschenmassa golfde heen en weer. Nino hield zich hardnekkig midden in het gedrang. Hij deed geen poging tot vluchten.
„Goed zoo,” fluisterde een Napolitaner hem toe.
„Blijf maar stil staan, dat de politie geen argwaan krijgt. Geen Napolitaner zal jelui verraden.”
Op eens begon Teresa te snikken.
„Schei uit,” zei Nino, „dat moog je niet doen.”
En haar tranen hielden op. Ze stond stil en zwijgend, zoolang Nino wilde. Hij had de macht in handen.
Luitenant Ugo werd opgenomen en weggedragen.
De politie begon te zoeken naar de vrouw, die hem gekwetst had. Nino en Teresa hoorden hen aan de menschen vragen: „Waarheen is ze gevlucht? Heeft iemand haar gezien?”
't Was een lange signora!—neen een kleine?—had men haar gezien,—neen, daar;—ze was naar 't station gevlucht;—neen, naar Santa Lucia.—En de politieagenten verspreidden zich rechts en links.
Na een poos bracht Nino Teresa naar het station. En ze gingen rustig naar huis. Nino vertrouwde er op, dat luitenant Ugo Teresa niet zou aangeven.
Hij las ook in de courant den volgenden dag, dat de luitenant verklaard had, dat hij de vrouw, die hem gewond had, nooit had gezien.
De wonde was niet gevaarlijk. En in de week daarna kwam er een brief van hem aan Teresa.
Sedert die reis naar Napels had zij zich in alles door Nino laten leiden. Nu kwam ze ook met den brief bij hem.
„Lees dien, Nino,” vroeg ze.
Hij maakte den brief open en bleef bevend staan.
„Heb je hem uit, Nino?” vroeg ze.
Nino antwoordde: „Ja,” met een angst in zijn stem als had hij haar doodvonnis in handen.
„Laat me dan hooren,” zei ze en richtte zich op.
En Nino las voor, dat luitenant Ugo haar niet meer liefhad. „Al mijn liefde is in mij gestorven. Mijn arme liefde is dood!” schreef hij.
Ze trok verachtelijk de schouders op.
„Kan dan de liefde van een signor geen bloed zien?” vroeg ze.
„Ach Teresa,” schreef luitenant Ugo, „je waart voor mij de trots van het vaderland, je waart het herboren Rome, de sterke vrouw uit de oudheid, je waart een vrouw, die eenmaal de Romeinen tot helden zou maken, je zou zielskracht genoeg hebben om ons uit te zenden om de wereld te veroveren. Vergeef me, dat ik mij vergiste. Ik weet nu, dat de oude Romeinsche vrouwen dood zijn. De dochters van het nieuwe Rome zenden geen man uit om eer te behalen, zij hebben alleen moed om hem te beletten zijn plicht te doen.”
Teresa legde haar hand op die van Nino. „Ik wil niet meer hooren,” zei ze.
Nino zweeg.
„Als ik dat niet gedaan had, Nino,” zei ze, „zou hij nu dood zijn. Ik begrijp niet, wat hij bedoelt. Ik zag hem dood in een bergpas liggen. Hij zou daar nu liggen, als ik er niet geweest was. Hoe kon ik hem nu laten gaan!”
„Vindt je ook, dat ik laf ben, Nino?” vroeg ze. „Ben ik ontaard? Heb ik geen droppel Romeinsch bloed in mijn aderen?”
Nino zag haar aan, zooals ze daar voor hem stond, zoo fier, zoo mooi en zoo koppig. Hij had haar lief, zooals hij haar altijd had liefgehad en hij zag zijn toekomst duidelijk voor zich. Zij zou nooit trouwen, hij zou haar nooit verlaten, en zij zouden samen zijn heel hun leven lang;—zij als meesteres, hij als knecht. De tijd, die nu voorbij was, dat hij bijna de meester was, zou nooit weerkomen. Zij zou spoedig de heerschappij hernemen.
„Zeg me Nino,” vroeg ze, „waren de oude Romeinsche vrouwen dan wilde dieren? Stonden zij toe, dat men haar ontroofde wat ze liefhadden?”
Nooit te voren had Nino zoo goed als juist op dat oogenblik gevoeld hoe weinig het nieuwe Italië op het oude leek. Maar hij sloot de oogen voor alle getuigenissen der geschiedenis, want hij was opnieuw Teresa's slaaf geworden, en antwoordde, wat zij wenschte te hooren: dat in haar aderen Romeinsch bloed vlood, het onvervalschte Romeinsche bloed.