Horus sleepte hem voor Koning Ra. En Ra sprak en zeide tot Horus: "Doe met hem, wat gij wilt." Toen wierp Horus zich op zijn vijand en sloeg het wapen in zijn hoofd en in zijn rug, sneed zijn hoofd af, sleepte het lichaam bij de voeten voort en sneed het eindelijk in stukken. Zoo handelde hij met het lichaam van zijn tegenstander, evenals Set met het lichaam van Osiris gehandeld had. Dit gebeurde op den zevenden dag van de eerste maand van het jaargetijde, wanneer de aarde te voorschijn komt na de overstrooming. En het meer wordt tot op dezen dag het "Meer van den Strijd" genoemd.
Dit nu is de derde ontmoeting in het Noorden, maar de laatste groote slag werd nog niet geleverd. Want het was de Bondgenoot van Set, dien Horus had gedood, en Set zelf was nog in leven en hij woedde tegen Horus als een panter uit het Zuiden. En hij stond op en brulde en zijn stem was gelijk de donder en terwijl hij brulde, veranderde hij in een groote slang en kroop in den grond. Niemand zag hem verdwijnen en niemand zag hem veranderen, maar hij vocht tegen de Goden en door hun macht en kennis zijn zij op de hoogte van wat er gebeuren zal, ofschoon geen mensch het hun vertelt. En Ra zei tot Horus: "Set heeft zich in een sissende slang veranderd en is in den grond gekropen. Wij moeten maken, dat hij er nooit weer uitkomt; nooit, nooit weer!"
De bondgenooten van Set vatten moed, daar zij wisten, dat hun leidsman in leven was en zij kwamen weer bij elkaar en hun booten vulden het kanaal. De Boot van Ra voer naar hen toe en boven de Boot scheen de glans van den gevleugelden Discus. Toen Horus de vijanden verzameld zag op één plaats, viel hij hen aan, dreef hen op de vlucht en doodde hen in grooten getale.
Dit nu is de vierde ontmoeting in het Noorden, maar de laatste groote slag werd nog niet geleverd.
Toen bleef Horus van Edfu zes dagen en zes nachten op het kanaal in de boot van Ra en zag uit naar de vijanden, maar hij zag hen niet, want zij lagen als lijken in het water.
En tot op den huidigen dag verrichten de menschen ceremoniën ter herinnering aan de Slagen van Horus op den eersten dag van de eerste maand van de overstrooming, op den zevenden dag van de eerste maand van de verschijning der aarde na de overstrooming en op den een-en-twintigsten en vier-en-twintigsten dag van de tweede maand van de verschijning van de aarde. Deze dagen worden heilig gehouden te Ast-abt, dat ten zuiden van Anrudef ligt, waar een van de graven van Osiris is. En Isis sprak een tooverban uit rondom Anrudef, opdat geen vijand in de nabijheid zou komen; en de priesteres van Anrudef wordt ter herinnering genoemd: "De Vrouwe van de Betoovering"; en de wateren worden genoemd: "De Wateren van het Zoeken," want daar zoekt Horus naar zijn vijand.
En Horus zond zijn Volgelingen uit en zij achtervolgden den vijand en brachten gevangenen mede, honderd zes uit het Oosten en honderd zes uit het Westen. Deze doodden zij in tegenwoordigheid van Ra op de heilige plaatsen.
Toen gaf Ra aan Horus en zijn strijders twee steden, die tot nu toe de Mesen-steden genoemd worden, want de Volgelingen van Horus zijn Mesentiers, de Metaalwerkers.
In de tempels van de Mesen-steden heeft men Horus als God en zijn geheime plechtigheden worden vier keer per jaar gehouden. Groot en heilig zijn deze dagen in de Mesen-steden, want zij zijn een herinnering aan de Gevechten van Horus, die hij voerde tegen Set, den moordenaar van Osiris.
Nu verzamelden deze vijanden zich weer in het Oosten en zij reisden naar Tharu. Toen werd de Boot van Ra te water gelaten om hen te achtervolgen en Horus van Edfu veranderde zich in de gedaante van een leeuw met het gezicht van een man; zijn armen waren als van steen en op zijn hoofd droeg hij de Atefkroon, welke is de witte diadeem van het Zuidelijke Land, versierd met veeren en horens en aan weerszijden een gekroonde slang. En hij snelde zijn vijanden achterna en versloeg hen en voerde honderd-twee-en-veertig gevangenen mede.
Toen zeide Ra tot Horus van Edfu: "Laten wij noordwaarts reizen naar de Groote Groene Wateren en den vijand daar vernietigen, zooals wij hem in Egypte vernietigd hebben."
Noordwaarts trokken zij nu en de vijand vluchtte voor hen en zij bereikten de Groote Groene Wateren, waar de golven braken op het strand met het geluid van den donder. Toen stond Thot op en hij stond midden in de Boot en hij zong vreemde woorden over de booten en barken van Horus en zijn Volgelingen en de zee werd kalm, toen het geluid van de woorden over haar golven klonk. En er heerschte stilte over de Groote Groene Wateren, want de wind was gaan liggen en niets was in zicht dan de booten van Ra en van Horus. Toen sprak Koning Ra: "Laten wij rondom de geheele uitgestrektheid van het land zeilen, laten wij naar het Zuidelijke Land zeilen," En zij wisten, dat Ra den vijand bespeurde. Zij haastten zich en zeilden bij nacht naar het Zuidelijk Land, naar het land Ta-kens en zij kwamen aan de stad Shaïs, maar voordat zij Shaïs bereikten, zagen zij niets van den vijand. Shaïs nu, ligt aan de grens van Nubië en in Nubië lagen de wachtposten van den vijand. Toen veranderde Horus van Edfu zich in een grooten gevleugelden Discus met uitgespreide schitterende vleugels en naast hem kwamen de godinnen Nekhbet en Uazet en haar gedaante was de gedaante van groote gekroonde slangen; op het hoofd van Nekhbet prijkte de witte kroon van het Zuidelijke Land, op het hoofd van Uazet rustte de roode kroon van het Noordelijke Land.
En de Goden in de Boot van Ra riepen luid en zeiden: "Zie, o Gij, die de tweemaal groote zijt, hij heeft zich tusschen de twee godinnen geplaatst. Zie, hoe hij zijn tegenstanders overvalt en hen vernietigt".
Dit nu is de ontmoeting in Nubië, maar de laatste groote slag had nog niet plaats.
Toen kwam Ra in zijn Boot en hij legde aan te Thest-Hor en gaf bevel, dat de menschen in iederen tempel van de Twee Landen den Gevleugelden Discus zouden uithouwen en rechts en links van den Discus zouden Nekhbet en Uazet zich bevinden als groote gekamde slangen, met kronen op de hoofden. En de tempel op de punt van Thest-Hor wordt ter herinnering tot op dezen dag "Het Huis van Horus in het Zuiden" genoemd, en een groot offer is daar gebracht aan Ra en Horus. En Ra gaf aan Horus de provincie van "Het Huis van het Gevecht" en Ast-Abt en de Mesen-steden in het Oosten en het Westen en Edfu in het Noorden en Tharu en Ganti en de "Zee van het Zeilen" en Opper Shasu en Edfu-van-het-Huis-van-Ra.
En van het meer ten zuiden van Edfu-van-het-Huis-van-Ra brengt men water naar de twee Huizen van den Koning op den dag van het Set-feest. En Isis droeg Ar-steen van zand naar Thest-Hor. Ar-steen van de Ster was het; en in elke plaats van het Zuidelijke Land, waar Horus naar toe ging, wordt tot op dezen dag Ar-steen gevonden.
Sommigen nu zeggen, dat de laatste groote slag nog komen moet en dat Horus Set eindelijk zal dooden en dat Osiris en al de Goden op aarde zullen regeeren, als hun vijand vernietigd is. Naar anderen zeggen, dat de strijd reeds geëindigd is en dat Horus den grooten en kwaadaardigen Vijand doodde, die hun allen ellende en droefheid berokkend had.
En dit is het, wat zij zeggen: Na maanden en jaren groeide Horus het Kind op tot een man. Toen kwam Set met zijn bondgenooten en hij daagde Horus uit in tegenwoordigheid van Ra. En Horus verscheen en zijn Volgelingen kwamen met hem mee in hun booten, in hun wapenrusting en met hun blinkende wapens met gevesten van besneden hout en hun bogen en hun speren.
En Isis maakte gouden versierselen voor den voorsteven van de boot van Horus en zij bevestigde ze met tooverwoorden, zeggende: "Goud zit aan den boeg van uw boot, de groote boot van Horus, de boot van de vreugde. Moge de dapperheid van Ra, de kracht van Shu, de macht en de vrees met u zijn. Gij zijt overwinnend, o zoon van Osiris, zoon van Isis, want gij strijdt voor den troon van uw vader."
Toen nam Set de gedaante aan van een rood nijlpaard, groot en machtig, en hij kwam uit het Zuidelijke Land met zijn bondgenooten, en reisde naar het Noordelijke Land om Horus van Edfu te ontmoeten. En te Elephantine stond Set op en sprak een erge vervloeking uit tegen Horus van Edfu en tegen Isis en zeide: "Laat er een sterke wind komen, een hevige noordenwind en een woedende storm"; en het geluid van zijn stem was gelijk de donder in het Oosten van den hemel.
Zijn woorden werden geroepen aan den zuidelijken hemel, een woord en een kreet van Set, den vijand van Osiris en van de Goden.
Plotseling brak er een storm los over de booten van Horus en zijn Volgelingen; de wind bulderde en het water werd in groote golven opgezwiept en de booten werden heen en weer geworpen als stroohalmen. Maar Horus liet zich niet van den weg afbrengen; en door de duisternis van den storm in het schuim van de golven schitterde de gouden voorsteven als de stralen van de zon.
En Horus nam de gedaante aan van een jongen man, zijn lengte was acht el; in zijn hand hield hij een harpoen; het ijzer was vier el, de steel twintig el lang en een keten van zestig el was er aan bevestigd. Boven zijn hoofd zwaaide hij het wapen, alsof het een riet was, en hij wierp het naar het groote, roode nijlpaard, dat in de diepe wateren stond, gereed om Horus en zijn Volgelingen te vernietigen, zoodra de storm hun booten zou doen vergaan.
En bij den eersten worp drong het wapen diep in het hoofd van het groote, roode nijlpaard en raakte de hersenen. Zoo stierf Set, de Booze, de vijand van Osiris en van de Goden.
En tot op dezen dag zingen de priesters van Horus van Edfu en de dochters van den Koning en de vrouwen van Busiris en de vrouwen van Pé een loflied en slaan de trom voor den overwinnenden Horus.
En dit is hun zang: "Verheugt u, o vrouwen van Busiris! Verheugt u, o vrouwen van Pé! Horus heeft zijn vijanden overwonnen!
"Juicht, bewoners van Edfu! Horus, de groote God, Heer van den hemel, heeft den vijand van zijn vader gedood!
"Eet het vleesch van den overwonnene, drinkt zijn bloed, verbrandt zijn gebeente in de vlammen van het vuur. Laat hem in stukken snijden, en geeft zijn beenderen aan de katten, de stukken van zijn vleesch aan de kruipende dieren.
"O Horus, de Dappere, de eerste der Goden, de Harpoenier, de Held, de Prijsmaker van gevangenen, Horus van Edfu, Horus de Wreker!
"Hij heeft den Booze verslagen, hij heeft een poel gemaakt van het bloed van zijn vijand, zijn pijl heeft een prooi gemaakt. Ziet, aanschouwt Horus op den boeg van zijn boot. Gelijk Ra, schijnt hij aan den horizon. Hij is getooid in groen linnen, in fijn linnen en zijde. De dubbele diadeem rust op uw hoofd, de twee slangen op uw voorhoofd, o Horus, de Wreker!
"Uw harpoen is van metaal, de steel is van den sycomore der woestijn, het touw is gevlochten door Hathor van de Rozen. Gij hebt gemikt naar rechts, gij hebt geworpen naar links. Wij prijzen u hemelhoog, want gij hebt de boosheid van uwen vijand geketend. Wij prijzen u, wij aanbidden uwe majesteit, o Horus van Edfu, Horus de Wreker!"
IX. Het Bier van Heliopolis
Koning Ra regeerde over de Twee Landen. Hij was de tweede koning van Egypte en onder zijn regeering was er vrede op aarde en de oogsten waren zoo overvloedig, dat de menschen nu nog spreken van de goede dingen die "er gebeurden ten tijde van Ra". Door zijn eigen macht schiep hij zich zelf en hij schiep hemel en aarde, goden en menschen en regeerde over hen allen.
Honderden en honderden jaren regeerde hij, totdat hij oud werd en de menschen hem niet meer vreesden, maar lachten en zeiden: "Kijk Ra eens! Hij is oud, zijn beenderen zijn als zilver, zijn vleesch als goud en zijn haar als echte lapis lazuli."
Toen werd Ra toornig bij het hooren van hun gescherts en gelach en hij riep tot hen, die in zijn gevolg waren: "Roep mijn dochter, mijn oogappel, hierheen en ook de goden Sher en Tefnut, Geb en Nut en de groote god Num, wiens woning in de wateren van de lucht is. Doe mijn verzoek in het geheim, opdat de menschen u niet hooren en zien zullen, want dan zouden ze bang worden en zich verbergen."
In stilte gingen de boodschappers heen, zeer zacht kwamen zij de goden en godinnen oproepen. In het geheim en onhoorbaar kwamen de goden en godinnen in het Huis van Ra op de Verborgen Plaats. Niets zagen of hoorden de menschen, en zij lachten Ra weer uit, niet wetend, welke straf hen treffen zou.
Aan weerszijden van den troon stelden de goden en godinnen zich op en zij bogen voor Koning Ra ter aarde met hun voorhoofden den grond rakend, zeggend: "Spreek, opdat wij u kunnen hooren."
Toen zei Ra tegen Num, den grooten God, wiens woning in de wateren van de lucht is: "O, oudste van den goden en alle gij goden! ziet, hoe de menschen, die ik geschapen heb, tegen mij spreken. Zeg mij, wat gij zoudt willen, dat ik hen doen zou, want waarlijk ik wil hen niet dooden, voordat ik uw woorden gehoord heb."
En Nun, de groote god, wiens woning in de wateren van de lucht is, antwoordde: Mijn zoon Ra, grootste van de goden, machtigste der koningen, uw troon is bevestigd, en de geheele wereld zal u vreezen, wanneer gij uw dochter, uw oogappel, uitzendt tegen hen, die u aanvallen."
Koning Ra sprak weer: "Zij zullen vluchten naar de woestijnen en de bergen en zich verbergen, wanneer de vrees hun harten bevangt, omdat zij geschertst en gelachen hebben, en in de woestijnen en bergen kan niemand hen vinden."
Toen zeiden de goden en godinnen, terwijl zij hun voorhoofden tot aan den grond bogen: "Zend uwe dochter, uw oogappel, uit tegen hen."
En plotseling kwam de dochter van Ra. Sekhmet wordt zij genoemd en Hathor, de wreedste der godinnen; als eene leeuwin stort zij zich op haar prooi, moorden is haar een genot en zij dorst naar bloed.
Op verzoek van haar vader begaf zij zich naar de Twee Landen om allen te dooden, die zich hadden verzet tegen Koning Ra en die hun verzet hadden omgezet in gescherts en gelach. In het land Ta-mery doodde zij hen en op de bergen, die liggen ten oosten en ten westen van de groote rivier. Van links naar rechts wendde zij zich, allen doodend, die zij op haar weg ontmoette en voor haar uit vluchtten de rebellen, die tegen Ra waren opgestaan.
En Ra zag neer op de aarde en riep tot zijn dochter, zijn oogappel: "Kom in vrede, o Hathor. Hebt gij gedaan, wat ik u te doen heb gegeven? En Hathor lachte, toen zij antwoordde, en haar lach was de vreeselijke stem van de leeuwin, als zij haar prooi verscheurt. "Bij uw leven, o Ra," riep zij, "ik doe met de menschen, wat ik wil en mijn hart is verheugd in mij."
Verscheiden nachten zag de rivier rood en de godin waadde in menschenbloed en haar voeten waren rood, toen zij door het land Egypte schreed tot Henen-seten.
Toen zag Ra weer neer op de aarde en zijn hart werd vervuld van medelijden met de menschen, ofschoon zij tegen hem waren opgestaan. Maar niemand kon de wreede godin doen ophouden, zelfs Koning Ra niet; uit zich zelfs moest zij ophouden te dooden, want goden noch menschen konden haar dwingen. Door slimheid alleen kon dit verkregen worden.
Ra gaf bevel, zeggende: "Roep boodschappers tot mij, die snel zijn als de stormwind." En toen zij gekomen waren, zeide hij: "Loop naar Elephantine, haast u, ga snel en breng voor mij de vrucht mede, die slaapwekkend is. Wees vlug, wees vlug, want dit alles moet volbracht zijn, voordat de morgen daagt".
De boodschappers haastten zich en hun spoed was gelijk aan den stormwind. Zij kwamen te Elephantine, waar de groote rivier bruist over de rotsen, die haar weg versperren; zij namen de slaapwekkende vrucht en met de snelheid van den wind brachten zij ze aan Ra. Vuurrood en scharlakenrood was de vrucht en het sap was rood als menschenbloed; en de boodschappers brachten ze naar Heliopolis, de stad van Ra. Toen stampten de vrouwen van Heliopolis gerst en maakten bier en zij vermengden het sap van de slaapwekkende vrucht met het bier en het bier kreeg de kleur van het bloed. Zeven duizend maten bier maakten zij en zij brouwden het haastig, want de nacht was bijna voorbij en de dag was op het punt aan te breken. In allerijl kwamen Koning Ra en al de goden en godinnen, die bij hem waren te Heliopolis om het bier te keuren. Ra zag, dat het er uitzag als menschenbloed en hij zeide: "Dit bier is zeer goed. Hiermede kan ik het menschdom beschermen".
Bij het krieken van den dag gaf hij dit bevel: "Breng dit bier naar de plaats, waar mannen en vrouwen gedood zijn, en stort het uit over de velden, voordat de schoonheid van de nacht voorbij is". Zoo stortten zij het uit over de velden. Vier palm hoog stond het op den grond en zijn kleur was de kleur van bloed.
's Morgens kwam de wilde Sekhmet, gereed om te dooden en voortgaande keek ze hier en daar rond, uitziende naar een prooi. Maar geen levend wezen zag zij, alleen die velden, die vier palm diep lagen onder het bier, dat de kleur had van bloed. Toen lachte zij met den lach, die gelijk was aan het gebrul van een leeuwin, want zij dacht, dat dit het bloed was, dat zij vergoten had. En zij bukte zich en dronk. Weer en weer dronk zij en zij lachte harder, want het sap van de slaapwekkende vrucht steeg naar haar hersenen en zij kon niet meer zien te dooden door het sap van de vrucht.
Toen zei Koning Ra tot haar: "Kom in vrede, o lieveling." En tot nu toe worden de meisjes van Amu ter herinnering Lievelingen genoemd.
En Koning Ra sprak weer tot de godin, zeggend: "Voor u zal een drank klaar gemaakt worden van de slaapwekkende vruchten; ieder jaar zal deze gemaakt worden ter gelegenheid van het groote Nieuwjaarsfeest en de hoeveelheid zal afhangen van het aantal priesteressen, die mij dienen."
En tot den huidigen dag worden er op het feest van Hathor dranken gemaakt van de slaapwekkende vruchten, naar verhouding van het aantal priesteressen van Ra ter herinnering aan de bescherming der menschen voor de woede van de godin.
X. De Naam van Ra
Koning Ra was de schepper van hemel en aarde, van de goden, de menschen, het vee, het vuur en den levensadem, en hij regeerde de goden en de menschen.
En Isis zag zijn macht, de macht die zich uitstrekte over hemel en aarde, voor welke alle goden en menschen bogen; en zij verlangde in haar hart naar de macht, opdat zij daardoor grooter zou zijn dan de goden en heerschappij zou hebben over de menschen.
Er was slechts één weg om die macht te verkrijgen. Door de kennis van zijn eigen naam regeerde Ra en niemand dan hij zelf kende dien geheimen naam. Wie het geheim zou te weten komen, dien zou - god of mensch - de heerschappij over de geheele wereld toebehooren en zelfs Ra moest hem dan onderdanig zijn. Angstig bewaarde Ra zijn geheim en hield het altijd opgesloten in zijn borst, opdat het niet van hem genomen zou worden en zijn macht verminderen zou.
Iederen morgen kwam Ra in al zijn glorie aan het hoofd van zijn stoet te voorschijn aan den oostelijken horizon, langs het luchtruim trekkend, en 's avonds bereikten zij den westelijken horizon en Koning Ra zonk neer om de diepe duisternis van de Duat te verlichten. Vele, vele malen had Ra die reis volbracht, zoo vele malen, dat hij nu oud werd. Zeer oud was Ra en het speeksel liep neer uit zijn mond en viel op de aarde.
Toen nam Isis aarde en vermengde die met het speeksel en zij kneedde de klei en vormde ze en maakte er de gedaante van van een slang, de gedaante van de groote gekamde slang, die het zinnebeeld is van al de godinnen, de koninklijke slang, die op het voorhoofd van de Egyptische Koningen prijkt. Geen toovermiddelen, noch bezweringen gebruikte zij, want in de slang bevond zich de goddelijke stof van Ra zelf. Zij nam de slang en verborg haar op het pad van Ra, den weg waarlangs hij reisde, als hij trok van den oostelijken naar den westelijken horizon van den hemel.
's Morgens verscheen Ra met zijn gevolg in al zijn glorie, trekkend naar den westelijken horizon, waar zij de Duat binnengaan en de diepe duisternis verlichten. En de slang stak haar puntig hoofd omhoog en haar giftanden drongen in het vleesch van Ra en het vuur van naar vergif drong door in den God, want de goddelijke stof was in de slang.
Ra schreeuwde luid en zijn kreet weergalmde langs den hemel van den oostelijken tot den westelijken horizon; over de aarde klonk hij en goden en menschen hoorden den kreet van Ra. En de goden, die deel uitmaakten van zijn gevolg, zeiden tot hem: "Wat scheelt u? Wat scheelt u?"
Maar Ra antwoordde geen woord, hij beefde over al zijn ledematen, zijn tanden klapperden en niets zeide hij, want het vergif verspreidde zich door zijn lichaam, zooals Hapi zich verspreidt over het land, wanneer de wateren buiten haar oevers treden bij de overstrooming van de rivier.
Toen hij gekalmeerd was, riep hij tot hen, die hem volgden, en sprak: "Komt tot mij, gij, die ik geschapen heb. Ik ben gekwetst door een smartelijk iets. Ik voel het, hoewel ik het niet zie; ook is het geen maaksel van mijn handen en ik weet niet, wie het gemaakt heeft. Nooit, nooit heb ik een pijn gevoeld als deze; nooit, nooit is mij een ergere beleediging aangedaan dan deze. Wie kan mij kwetsen? Want niemand kent mijn geheimen naam, den naam, die gesproken werd door mijn vader en mijn moeder en die in mij verborgen is, opdat niemand mij zou kunnen betooveren. Ik ging uit om neer te zien op de aarde, die ik gemaakt heb, ik bevond mij boven de Twee Landen, toen iets - ik weet niet wat - mij trof. Is het vuur? Is het water? Ik brand, ik huiver, ik beef over mijn geheele lichaam. Roep tot mij de kinderen van de goden, hen, die bekwaam zijn in de geneeskunst, hen, die kennis hebben van de tooverkunst, hen, wier macht tot aan den hemel reikt."
Toen barstten al de goden uit in geween en geklaag en gejammer; hun macht baatte niet jegens de slang, want in haar was de goddelijke stof belichaamd. Met hen kwam Isis de Geneeskrachtige, de Meesteres van de Tooverkunst, in wier mond de Levensadem is, wier woorden ziekten verdrijven en de dooden doen ontwaken.
Zij sprak tot Koning Ra en zeide: "Wat is er, o goddelijke Vader? Wat is er? Heeft een slang u pijn berokkend? Heeft een schepsel van uw hand zijn hoofd tegen u opgestoken? Zie, het zal overwonnen worden door de macht van mijn tooverkunst; ik wil het uitdrijven door middel van uw glorie."
Toen antwoordde Koning Ra: "Ik legde den vastgestelden weg af, ik trok door de Twee Landen, toen een slang, die ik niet zag, mij met zijn giftanden trof. Was het vuur? Was het water? Ik ben kouder dan water, ik ben warmer dan vuur, ik beef over al mijn ledematen en het zweet loopt langs mijn gezicht, zooals het doet langs de gezichten der menschen in de blakende hitte van den zomer."
En Isis sprak weer en haar stem was zacht en sussend: "Zeg mij uw Naam, o goddelijke Vader, uw waren Naam, uw geheimen Naam, want hij alleen kan leven, die bij zijn naam genoemd wordt."
Toen antwoordde Koning Ra: "Ik ben de Maker van hemel en aarde, ik ben de Grondvester van de bergen, ik ben de Schepper van de wateren, ik ben het Licht en ik ben de Duisternis, ik ben de Maker van de Uren, de Schepper van de Dagen, ik ben de Voorganger bij de Feesten, ik ben de Oorsprong van de stroomende rivieren, ik ben de Schepper van het levend vuur. 's Morgens ben ik Khepera, 's middags Ra en 's avonds Atmu."
Maar Isis hield zich stil: geen woord sprak zij, want zij wist, dat Ra haar de namen gezegd had, die iedereen kende; zijn ware Naam, zijn geheime Naam was nog in zijn borst verborgen. En de kracht van het vergif vermeerderde en verspreidde zich door zijn aderen als brandend vuur.
Na een oogenblik stilte sprak zij weer: "Uw Naam, uw ware Naam, uw geheime Naam was niet onder deze. Zeg mij uw Naam, opdat het vergif uitgedreven kan worden, want slechts hij, wiens naam ik ken, kan genezen worden door de macht van mijn tooverkunst."
En de kracht van het vergif vermeerderde en de pijn was als de pijn van levend vuur.
Toen riep Koning Ra luid en zeide: "Laat Isis bij mij komen en laat mijn Naam overgaan van mijn borst naar haar borst."
En hij verborg zich voor de goden, die in zijn gevolg waren. Ledig was de Boot van de Zon, ledig was de groote troon van den God, want Ra had zich verborgen voor zijn Volgelingen en voor de maaksels van zijn handen.
Toen de Naam uit het hart van Ra kwam om over te gaan naar het hart van Isis, sprak de godin tot Ra en zeide: "Verbind u zelf met een eed, o Ra, dat ge uw beide oogen zult geven aan Horus."
De twee oogen van Ra nu zijn de zon en de maan, en de menschen noemen ze tot op dezen dag de Oogen van Horus.
Zoo werd de naam van Ra hem ontnomen en aan Isis gegeven en zij, de groote Toovenares, riep luide het Machtswoord en het vergif gehoorzaamde en Ra was genezen door de macht van zijn Naam. En Isis, de Groote, de Meesteres van de Goden, de Meesteres van de tooverkunst, zij is de bekwame Genezende, in haar mond is de Adem des Levens, door haar woorden verdrijft zij de pijn en door haar macht doet zij de dooden ontwaken.
XI. De Streken, waar nacht en diepe duisternis heerschen
Toen de wereld ontstond, waren er twee rivieren, de rivier van Egypte en de rivier aan den hemel. Groot is de Nijl, de rivier van Egypte, die ontspringt aan gene zijde van de katarakt, het land van Egypte bevloeiend en aldus vreugde en goede oogsten brengend aan Ta-mery. Groot en indrukwekkend is de rivier aan den hemel, stroomend door de hemelen en door de Duat, de wereld, waar nacht en duisternis heerschen en op die rivier vaart de Boot van Ra. Boot van de Millioenen Jaren is haar naam, maar de menschen noemen haar de Manzet Boot in den morgen, als Ra in al zijn pracht en heerlijkheid opkomt aan den oostelijken horizon van den hemel; de Mesektet Boot wordt ze genoemd in den avond, wanneer Ra glorierijk de portalen binnengaat van de Duat, waar de berg Manu zijn pieken verheft tegen den westelijken hemel. Aan den westelijken horizon ligt de berg Manu en aan den oostelijken horizon de berg Bakhu; groot en kolossaal zijn zij; hun kruinen verheffen zich boven de aarde en de hemel rust op hun toppen. En op de hoogste piek van den berg Bakhu woont een slang; dertig cubiet is zij lang en haar huid is van vuursteen en glinsterend metaal. Zij bewaakt den berg en de Groote Groene Wateren en niemand kan haar passeeren behalve Ra in zijn Boot. 's Avonds daalt Ra in al zijn majesteit neer aan den Westelijken horizon, naar de portalen van de Duat bij de kloof van Abydos. Prachtig is de Mesektet Boot, schitterend haar versieringen en haar kleuren zijn als amethist en smaragd, jaspis en turkoos, lazuli en goud. Bij de Kloof van Abydos wachten eenige goden om de Boot in gereedheid te brengen voor den tocht door de Duat, het land, waar nacht en diepe duisternis heersenen. Ontdaan is de boot van haar pracht, kaal en zonder glans is ze, wanneer ze de portalen van de Duat passeert en in de boot ligt het lichaam van Ra, levenloos en dood. Dan nemen de goden de lange sleeptouwen; langzaam glijdt de Boot langs de rivier. De poorten van de Duat worden ver opengeworpen en de twaalf godinnen van den nacht nemen haar plaatsen in op de Boot om ze te leiden door de duisternis en de gevaren van de Duat; loodsen van de rivier zijn zij en zonder haar zou zelfs Ra er niet ongedeerd over kunnen varen.
"Stroom van Ra" is de naam van het eerste gebied van de Duat. Somber is dit land, maar niet heelemaal donker; want aan elken kant van de rivier liggen zes slangen, opgerold en de koppen rechtop, en de adem van haar monden is een vuurvlam.
In de kajuit van de Boot ligt Ra, dood en levenloos; op den voorsteven bevinden zich Up-uaut, de Wegbereider en Sa en de godin van den tijd. Dicht bij de kajuit bevindt zich een gezelschap goden; dit zijn degenen, die Ra behoeden voor alle gevaren en voor den aanval van den afschuwelijken Apep.
Langzaam glijdt de Boot van Ra voort door de Duat naar plaatsen van diepe duisternis, van afgrijzen en schrik, waar de dooden hun woonplaatsen hebben en Apep de komst van Ra ligt af te wachten. Zoo gaat het eerste uur van den nacht voorbij en het tweede uur nadert.
Aan den ingang van elk gebied van de Duat is een poort; hoog zijn de muren en nauw is de doorgang; op de muren staan speerpunten, scherp en spits, opdat geen mensch er over kan klimmen.
De deur van de poort is van hout en draait om een spil en een monsterachtige slang bewaakt de deur. Niemand mag voorbij haar gaan, behalve zij, aan wie haar naam bekend is. Bij den bocht van den doorgang liggen twee groote gekamde slangen, de een boven, de ander onder. De adem van haar mond bestaat uit vuur en vergif; door het nauwe portaal zenden zij van beide kanten stroomen vuur en vergif. Aan ieder eind van den doorgang staat een wachter, die wacht houdt. Dan maakt de godin van het eerste uur plaats voor de godin van het tweede uur en zij roept luid den naam van den Wachter bij de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen, het vuur en het vergif houden op en de Boot van Ra vaart er door.
"Ur-nes" noemen wij dit tweede gebied van de Duat, maar de Hanebu's en zij, die de eilanden van de Groote Groene Wateren bewonen, noemen het Ouranos. De rivier is breed en draagt op haar donkere wateren vier sloepen; geen riemen hebben zij, noch masten of roeren, maar zij drijven op het water en worden gedragen door den stroom. Geheimzinnig en vreemd zijn zij en de schimmen, die er zich in bevinden, gelijken op menschengedaanten. In dit gebied is Ra Heer en Koning en zij, die hier wonen, hebben vrede, want niemand kan de groote gekamde slangen voorbijgaan, die de poorten bewaken, wier adem een mengsel is van vuur en vergif. Gelukkig zijn zij, die dit land bewonen, want hier wonen de geesten van het koren, Besa, Nepra en Tepu-yn. Dit zijn degenen, die de tarwe en de gerst laten groeien en de vruchten van de aarde menigvuldig doen zijn. Langzaam glijdt de Boot van Ra voort door de Duat, door streken van diepe duisternis, schrik en afgrijzen, waar de dooden hun woonplaats hebben en Apep op de komst van Ra ligt te wachten. Zoo gaat het tweede uur van den nacht voorbij en het derde uur is nabij. Dan maakt de godin van het tweede uur plaats voor de godin van het derde uur en zij roept luid den naam van den Wachter bij de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van Ra vaart er door.
"Stroom van den eenigen God" is de naam van het derde gebied van de Duat en hier in het schoone Amentet is het Koninkrijk van Osiris. Aan weerszijden van de rivier bevinden zich de groote gedaanten van de goden, die de gedaante van Osiris zelf omringen. Hij is gezeten op zijn troon in koningsornaat met de Witte Kroon van het Zuidelijk Land en de Roode Kroon van het Noordelijke Land op zijn hoofd. Groot is Osiris, de god der dooden, want allen, die sterven, moeten voor hem verschijnen als hun rechter en hun harten worden gewogen in de weegschaal tegen de veer van de Waarheid. Zijn troon staat op een stroomend water, helder en diep en uit het water verheft zich een enkele lotusbloem, gekleurd als de ochtendhemel. Op de bloem staan de vier Kinderen van Horus, die Osiris bijstaan bij het Oordeel en die de lichamen der dooden beschermen. Aan hen behooren het Zuiden en het Noorden, het Westen en het Oosten en de vier groote godinnen zijn hun beschermsters. Zij staan op de lotusbloem en hun gezichten zijn naar Osiris gekeerd; het eerste heeft het gezicht van een man, het tweede het gezicht van een aap, het derde het gezicht van een jakhals en het vierde het gezicht van een roofvogel. Dit nu is het uur, dat de boosdoeners vreezen; door hun eigen daden worden zij veroordeeld en niets kan hen helpen. Zwaar is het hart van den booswicht en het doet de schaal neerslaan; lager en lager zinkt ze, totdat ze de kaken bereikt van Amemt, den Verslinder van Harten. Dan wordt de boosdoener uitgeworpen in de diepe duisternis van de Duat om er te wonen bij de afschuwelijken Apep en eindelijk in de Vuurpoelen te vallen.
Maar sommigen zijn er, die de rechtschapenheid zelf zijn geweest op aarde, die geen mensch hebben benadeeld door bedrog of geweld, die de weduwe, de wees en den zeeman, die schipbreuk geleden heeft, hebben bijgestaan, die de hongerigen hebben gespijzigd en de naakten gekleed, die geen strijd hebben opgewekt, noch tranen hebben doen vloeien. Wanneer deze voor het Oordeel van Osiris verschijnen en hun harten in de weegschaal gelegd worden, dan is de veer van de Waarheid het zwaarst. De schaal met de veer gaat naar beneden en de schaal met het hart naar boven. Dan neemt Thot het hart en zet het weer in de borst van den mensch en Horus neemt hem bij de hand en geleidt hem naar den voet van den troon van Osiris, opdat hij voor eeuwig moge wonen in het koninkrijk van Osiris.
En eerst nu kan hij den zeer reinen en waarachtig heiligen Osiris zien, want "de zielen der menschen zijn niet in staat deel te hebben in de goddelijke natuur, zoolang zij besloten zijn in lichamen met hartstochten... Wanneer zij bevrijd zijn van deze beletselen en overgaan naar reiner en ongeziene streken... dan eerst wordt deze God hun leider en Koning; van hem hangen zij geheel af, steeds ziende zonder verzadigd te worden, en steeds vurig verlangend naar de schoonheid, die een mensch onmogelijk kan uitdrukken of zich denken" [1].
Langzaam glijdt de Boot van Ra door de Duat, naar streken van diepe duisternis, van schrik en afgrijzen, waar de afschuwelijke Apep ligt te wachten op de komst van Ra en waar de Vuurpoelen worden klaargemaakt voor de boozen.
Zoo gaat het derde uur van den nacht voorbij en het vierde uur is nabij. Dan maakt de godin van het derde uur plaats voor de godin van het vierde uur en zij roept luid den naam van den Wachter aan de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van Ra vaart er door.
"Levende der schimmen" is de naam van het vierde gebied van de Duat en Sokar heeft de heerschappij over dit land. Woest is de uitgestrektheid zand, onbegrensd de woestijn, droefgeestig en somber het landschap. Geen grassprietje, geen boom of struik is er te zien, niets groeit er, niets leeft er dan monsterachtige veelhoofdige slangen, die langs den grond glijden of op pooten voortkruipen.
Verschrikkelijk zijn zij om aan te zien, zooals ze daar kronkelen en draaien en sissen en brullen; ze heffen hun afzichtelijke koppen in de hoogte en houden hun donkere vleugels uitgespreid. Maar hun kwaadaardigheid geldt Ra niet en hij gaat veilig tusschen hen door.
Bedolven is de groote rivier en verdwenen is ze onder het bewegelijke zand en waar ze stroomde, is nu een diep ravijn. De rotsmuren verheffen zich hoog en steil en steeds slingert en draait de weg tusschen de rotsen door. De menschen noemen deze plaats Re-stau de Mond van het Graf.
Zelfs in deze sombere woestijn voert Osiris heerschappij; Heer van Re-stau wordt hij genoemd, daarom behoeft niemand vreesachtig te zijn als hij langs het smalle pad gaat. En nu kan de Boot van Ra niet meer op het water drijven, maar wordt veranderd in een groote en machtige slang met een glinsterende huid. Op den voorsteven zit een slangenkop met wakende en woeste oogen, op den achtersteven zit een slangenkop met de giftanden gereed. Over het zand glijdt ze voort, zooals een boot over het water glijdt.
Langzaam glijdt de Boot van Ra voort door de Duat, door streken van diepe duisternis, schrik en afgrijzen naar de plaats, waar Apep ligt te wachten op de komst van Ra. Zoo gaat het vierde uur van den nacht voorbij en het vijfde uur is nabij. Dan maakt de godin van het vierde uur plaats voor de godin van het vijfde uur en zij roept luid den naam van den Wachter bij de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van Ra vaart er door.
"Verborgen" is de naam van het vijfde gebied van de Duat en in dit donkere en sombere gebied woont Sokar, zijn Heer en Koning, de god van hen, die begraven zijn. Bij een bocht van den kronkelenden weg is zijn woonplaats diep onder den grond, daar boven verheft zich een hooge berg zand. Twee sphinxen houden de wacht er bij; zij hebben het lichaam van een leeuw en het gelaat van een mensch, en haar klauwen zijn uitgespreid als de klauwen van een roofdier. In het midden ligt een slang met drie koppen en tusschen haar vleugels staat Sokar in de gedaante van een man met het hoofd van een sperwer. Wild en woest als een sperwer is Sokar en vreeselijk is de straf, die hij degenen laat ondergaan, die zich tegen hem verzet hebben. Dicht bij zijn woning is een meer, waar het water kookt en borrelt van de hitte, zooals het water kookt in een ketel. In het kokende meer worden de rebellen geworpen en zij roepen tot Ra om hulp, maar Ra ligt koud en levenloos ter neer, wachtend op de komst van Khepera en op hun kreten wordt geen acht geslagen, terwijl de Boot haar weg vervolgt.
Aan den anderen kant van het ravijn ligt een hoog en gewelfd gebouw, het huis van Nacht en Duisternis. Twee vogels klemmen zich aan weerszijden vast en er rondom heen slingert zich een tweekoppige slang. Zij heft haar woeste koppen op en haar vergif is altijd klaar om den vluggen indringer te treffen, die het wagen zou te trachten er voorbij te komen. Trouw waakt zij, want in het huis van Nacht en Duisternis woont Khepera, de groote Ziel van het Heelal, wiens zinnebeeld is de kever, de god van de opstanding.
In de gedaante van een kever wacht hij op de komst van Ra en hij vliegt op de Boot en wacht daar den tijd af, wanneer hij den god tot het Leven terug zal brengen. En nu dringt er door de diepe duisternis langs den nauwen doorgang een lichtstraal; de Morgenster staat bij de poort om de Boot verder te geleiden: want in het donkerst van den nacht ligt een belofte van den komenden dag.
Langzaam glijdt de Boot van Ra voort door de Duat, door streken van diepe duisternis, schrik en afgrijzen, naar de plaats, waar de afschuwelijke Apep ligt te wachten op de komst van Ra.
Zoo gaat het vijfde uur van den nacht voorbij en het zesde uur is nabij. Dan maakt de godin van het vijfde uur plaats voor de godin van het zesde uur en zij roept luid den naam van den Wachter aan de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van Ra gaat er door, "Afgrond der wateren" is de naam van het zesde gebied van de Duat en Osiris voert er heerschappij, Osiris, de groote God, Heer van de stad Daddu, de levende Koning, de Schepper der menschen, der dieren en van de groene planten, die op aarde groeien, Osiris, voor wien alle menschen buigen vol lof en aanbidding.
De rivier komt weer uit het zand te voorschijn en de Boot drijft op haar wateren en zij, die er in zitten, verheugen zich, want de uren van den nacht gaan voorbij. Op de oevers van de rivier bevinden zich de groote gedaanten der goden, geheimzinnig en wonderbaarlijk; negen koningsscepters staan daar ook en een monsterachtige leeuw doemt op uit de duisternis, zwak beschenen door het licht, dat de Boot van Ra uitstraalt. Drie tempels staan er bij de rivier, en een slang, die vuur ademt, bewaakt ze. Geheimzinnig en vreemd zijn de dingen, die zich in de heiligdommen bevinden en den mensch is het niet gegeven de beteekenis er van te vatten; in het eene is een menschenhoofd, in een ander de vleugel van een vogel, in het derde het achterste gedeelte van een leeuw. Hier woont ook de groote opgerolde slang met vijf koppen en in haar kronkels ligt Khepera, de god van de opstanding. Op zijn hoofd plaatst hij den kever, onder zijn voeten is het teeken des vleesches; zoo brengt hij het Leven in de dooden en zoo zal hij Ra weer in het leven terugroepen. Want dit is het meest verwijderde punt van de Duat en achter de poort ligt de weg naar den zonsopgang.
Langzaam vaart de Boot van Ra door de Duat, door streken van diepe duisternis, van schrik en afgrijzen, waar de afschuwelijke Apep ligt te wachten op de komst van Ra. Zoo gaat het zesde uur van den nacht voorbij en het zevende uur is nabij. Dan maakt de godin van het zesde uur plaats voor de godin van het zevende uur en zij roept luid den naam van den Wachter aan de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van Ra vaart er door.
"Geheime spelonk" is de naam van het zevende gebied van de Duat. Vol gevaar en nood is het, want de afschuwelijke Apep woont in dit land. Als een groote en monsterachtige slang ziet hij er uit; met wijd-open mond verzwelgt hij de wateren van de rivier, opdat de Boot zal vergaan en Ra zal omkomen. Dan zou de aarde toebehooren aan de machten der duisternis en kwaad en boosheid zouden de goden overwinnen. Maar op den voorsteven van de Boot staat Isis, de groote toovenares, wier tooverkunst niemand kan weerstaan. Isis, de grootste der godinnen, zij, die de dooden kan opwekken en aan wie alle menschen liefde en eerbied bewijzen. Met de armen uitgestrekt, spreekt zij de Machtswoorden uit, luid roepend over de donkere rivier.
Om het lichaam van Ra slaat de slang Mehen haar beschermende kronkels, want nu is de tijd van het gevaar gekomen.
Op een zandbank midden in de rivier ligt de afschuwelijke Apep. Vierhonderd vijftig cubiet is de zandbank lang; de kronkels van Apep bedekken ze zoodanig, dat er niets te zien is dan de rivier er om heen. Luid sist en brult hij en de Duat wordt vervuld met den donder van zijn stem, doch Isis deinst niet terug, noch houdt zij op met haar tooverformules te reciteeren en met de tooverachtige bewegingen, die zij maakt met haar handen. Haar tooverspreuken overwinnen en de afschuwelijke Apep ligt hulpeloos op het zand. Dan springen Selk en Her-desuf van de Boot van Ra en binden hem met touwen vast en met scherpe messen steken zij in zijn vleesch, hopend hem te vernietigen. Maar Apep is onsterfelijk en iederen nacht wacht hij om de Boot van Ra aan te vallen.
Toch houden Selk en Her-desuf hem vast, terwijl de Boot haar weg vervolgt langs de groote zandbanken, waar hij wringt en draait en worstelt om vrij te komen, maar de touwen zijn sterk en de messen zijn scherp en zijn pogingen zijn vergeefsch.
Voort gaat de Boot naar de begraafplaatsen der goden. Deze staan bij de rivier; hooge bergen zand zijn het, op elken berg staat een gebouw en op elken hoek bespiedt het hoofd van een man het voorbijgaan van Ra. Zacht glijdt de Boot van Ra voort door de Duat, voortgaand door de duisternis tot den zonsopgang en den dag. Zoo gaat het zevende uur van den nacht voorbij en het achtste uur is nabij. Dan maakt de godin van het zevende uur plaats voor de godin van het achtste uur en zij roept luid den naam van den Wachter aan de poort.
Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van Ra vaart er door.
"Sarcophaag der goden" is de naam van het achtste gebied van de Duat, want hier wonen de doode goden. Dood en begraven zijn zij, gebalsemd en gezwachteld, zooals de menschen de dooden op aarde balsemen en zwachtelen. Zij roepen luid heilgroeten tot Ra, als hij voorbij vaart, roepend tot hem door de uitgestrekte ruimte, maar zoo ver zijn zij weg, dat het geluid van hun stemmen klinkt als het gebrul van wilde stieren, als de kreet van roofvogels, als het geklaag van rouwdragers, als het gezoem van bijen. Vóór de Boot gaan negen Volgelingen van de Goden; vreemd zijn hun gedaanten, geheimzinnig en wonderlijk, aan niets gelijk, dat op aarde is. Voor hen uit loopen de vier zielen van Tatanen in de gedaante van rammen, groot en vurig, met wijd uitgespreide en scherp gepunte horens. De eerste is gekroond met hoog opstaande pluimen, de tweede met de Roode kroon van het Noordelijke Land, de derde met de Witte Kroon van het Zuidelijke Land, de vierde met de schitterende zonneschijf. Oud is Tatanen, bewoner van Memphis, waar de woning van Ptah is aan den zuidkant van den muur. Zacht glijdt de Boot van Ra voort door de Duat, gaande door de duisternis naar den zonsopgang en den dag. Zoo gaat het achtste uur van den nacht voorbij en het negende uur is nabij. Dan maakt de godin van het achtste uur plaats voor de godin van het negende uur, en zij roept luid den naam van den Wachter aan de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van Ra gaat er door.
"Processie van beelden" is de naam van het negende gebied van de Duat. Vol en sterk stroomt de rivier en de Boot wordt voortgedragen op den bruisenden stroom. Twaalf sterregoden bewaken de Boot, met roeiriemen in hun handen, gereed om de Boot in geval van nood te helpen.
In dit land heerscht geen diepe duisternis, want twaalf groote gekamde slangen liggen opgerold op den oever en de adem van hun mond is vuur en vlam, stralend op het donkere water en op hen, die in de Duat wonen. Drie sloepen drijven op de donkere rivier; vreemd is de vorm van deze sloepen, niet als de booten der menschen; en de schimachtige gedaanten er in, zien er uit als een koe, een ram en de ziel van een mensch. Van hen ontvangen de bewoners van dit land de offeranden, die hun gebracht worden op aarde. Dan beginnen de sterregoden te zingen; en de twaalf godinnen en de wevende goden en de bewoners van dit land zingen den roem en de eer van Ra, prijzend den Heer van de Boot, de Schepper van hemel en aarde. Met vreugde en gezang volgen zij den voorgeschreven weg.
Voorwaarts glijdt de Boot van Ra door de Duat, voortreizend naar den zonsopgang en het licht van den vollen dag. Zoo gaat het negende uur van den nacht voorbij en het tiende uur is nabij. Dan maakt de godin van het negende uur plaats voor de godin van het tiende uur en zij roept luid den naam van den Wachter bij de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van Ra gaat er door.
"Afgrond der Wateren, hoog van oevers" is de naam van het tiende gebied van den Duat en de heerscher ervan is Ra. De bewoners van dit land komen hun koning tegemoet, als hij voorbijgaat op de wassende rivier. Diep en vol en sterk stroomt het water en de Boot wordt voortgedragen op den bruisenden stroom. Goddelijke krijgslieden, gewapend met blinkende oorlogswapens vormen een lijfwacht voor hun koning, licht straalt van hun aangezichten, als het licht van de zon. Aan den oever der rivier zitten vier godinnen; zij werpen lichtstralen uit in de duisternis, aldus den weg van Ra verlichtend op de donkere rivier. Voor de Boot van Ra beweegt zich de Morgenster in de gedaante van een tweehoofdige slang, die op beenen loopt, en op haar hoofd bevinden zich de kronen van het Zuidelijke Land en het Noordelijke Land; tusschen haar kronkels bevindt zich de groote sperwer uit de lucht; Leider van den Hemel is haar naam, want de sterren van den hemel volgen haar, maar de menschen noemen haar Hesper en ook wel Lucifer. In de sloep op den stroom bevindt zich een slang; Leven der Aarde wordt zij genoemd en zij waakt in de Duat tegen de vijanden van Ra.
Dit is het grootste van alle gebieden van de Duat, want in dit rijk van wonderen en mysteriën verbindt Khepera zich met Ra en Ra zelf wordt opnieuw geschapen. Toch blijft het doode lichaam van Ra in de Boot; maar zijn ziel wordt vereenigd met de ziel van Khepera.
Voorwaarts gaat de Boot van Ra door de Duat, reizend naar den zonsopgang en het licht van den vollen dag. Zoo gaat het tiende uur van den nacht voorbij en het elfde uur is nabij. Dan maakt de godin van het tiende uur plaats voor de godin van het elfde uur en zij roept luid den naam van den Wachter aan de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van Ra vaart er door.
"Opening van de spelonk", is de naam van het elfde gebied van de Duat en Ra is er heerscher. Zeer veel is de rivier gevallen en traag stroomt ze voort; de Boot wordt voortgetrokken door de goden; niet met touwen trekken zij haar voort, maar met het lichaam van de groote slang Mehen, den beschermer van Ra. Op den boeg van de Boot staat een vurige ster, maar haar licht is niet rooder dan de vreemde en felle gloed, die dit land vervult; vreeselijk rood is het en de aanblik er van jaagt schrik en ontzetting aan. Dit is het gebied, dat gevreesd wordt door de boosdoeners, want hun straf wacht hen hier. Heinde en ver zijn vuurpoelen; godinnen, wier adem vuur is, bewaken de poelen, in haar handen vlammende zwaarden houdend. Met haar messen martelen zij de boozen en werpen hen in de vuurpoelen, waar zij volkomen vernietigd worden. Horus staat er bij en aanschouwt hun kwellingen, want deze zijn de vijanden van Osiris en van Ra, de boosdoeners op aarde en lasteraars van de goden. Geen hulp kan hen bereiken, geen ontkomen is mogelijk, door hun eigen daden zijn ze gedoemd tot het zwaard en het vuur. En de rook en het vuur van hun marteling stijgen op in de Duat.
Aan den anderen kant van de rivier bevinden zich de sterren; Shedu is er in de gedaante van een slang, scharlaken en rood is hij en de sterren, die zijn lichaam vormen, zijn tien in getal. Dan is er ook een geheimzinnige en wonderlijke gedaante te zien; als een gevleugelde slang met pooten ziet zij er uit en tusschen de vleugels ziet men de schimachtige gedaante van een man. De menschen noemen hem Atmu, bewoner van Heliopolis; oud is Atmu, ouder dan Ra zelf; en hij zendt de zachte briesjes van den Noordewind naar het land Egypte. Aan weerszijden van hem schijnen de Oogen van Horus flauw in het zwakke en bleeke licht. En nu steekt de morgenwind op; liefelijk en zacht is hij, maar met hem komt de belofte van den dag.
Voorwaarts glijdt de Boot van Ra door de Duat, reizend naar den zonsopgang en het licht van den vollen dag. Zoo gaat het elfde uur voorbij en het twaalfde uur en de dageraad zijn nabij. Dan maakt de godin van het elfde uur plaats voor de godin van het twaalfde uur en zij roept luid den naam van den Wachter aan de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van Ra vaart er door. "De duisternis is geweken en geboortes hebben plaats" is de naam van het twaalfde gebied van de Duat. Op den voorsteven van de Boot zit de groote kever van Khepera, gereed om bij de gedaanteverwisseling van Ra te helpen, voordat hij het eind van de Duat bereikt. Dit twaalfde gebied van de Duat is niet gelijk aan de andere streken, want het is omsloten door het lichaam van een groote en monsterachtige slang. "Leven van de Goden", is haar naam, en door dit groote en kolossale lichaam reist de Boot der Millioenen Jaren. Twaalf van de aanbidders van Ra vatten de touwen en sleepen de Boot verder, en hier in het lichaam van de slang wordt Ra veranderd in Khepera en wordt weer levend, want nu is de reis door de Duat bijna volbracht. Bij den mond van de slang staan twaalf godinnen; aan deze geven de Aanbidders van Ra de sleeptouwen over en zij trekken de Boot naar den oostelijken horizon van den hemel. En nu wordt het doode lichaam van Ra uit de Boot geworpen, zooals het kaf wordt weggeworpen, wanneer het graan gezift is, want de ziel en het leven van Ra zijn in de kever van Khepera, en de gedaanteverwisselingen van Ra zijn voltooid.
Met geschreeuw en gezang, met vreugde en blijdschap komt de Boot van Ra te voorschijn uit de Duat. Prachtig is de Manzet Boot, zooals zij voortspoedt naar den zonsopgang. Werp wijd, wijd open de deuren en laat den dag binnen.
Tusschen de sycomores van turkoois komt de Boot van Ra te voorschijn en de berg Bakhu gloeit van licht. De slang, de bewaker van de Groote Groene Wateren ziet Ra in al zijn heerlijkheid aan den oostelijken horizon van den hemel en zijn stralen schitteren op haar opperhuid.
Heerlijk is de Manzet Boot, gedragen door de rivier, stralend in de pracht en het licht van den vollen dag. In het schuim aan den boeg van de Boot dartelt de Abtu-visch, voortschietend door het glinsterende schuim en de Ant-visch wordt gezien in den draaikolk van turkoois. Van de aarde rijst een juichtoon op, want alle schepselen prijzen Ra bij zijn komst.
Heil u, o Ra, bij uwe komst; de nacht en de duisternis zijn voorbij. Bij het krieken van den dag schijnt gij, de hemelen zijn vervult met uw licht. Koning der Goden zijt gij, alle heerlijkheid en triomf zijn van u. De Goden komen als honden aan uw voeten, u met vreugde begroetend in den morgenstond. Heil u, o Ra, bij uw komst; als gij opkomt, zijn alle menschen blijde. Vol vreugde komt gij 's morgens, vol roem regeert gij de wereld. De sterren der hemelen aanbidden u, Heer der Hemelen zijt gij. Heil u, o Ra, bij uw opkomst! Niemand kan uw heerlijkheid uitdrukken. Heer van alle Wijsheid en Waarheid. De zielen van het Oosten dienen u, de zielen van het Westen zijn uw dienaren, het Noorden en het Zuiden aanbidden u. Gij wordt aangebeden, onze Heerscher, door hen, die gij hebt geschapen. Gij komt op aan 's hemels horizon gij doet het menschdom zich verblijden. Heil u, o Ra, bij uw komst, bij uw komst in schoonheid, o Ra.
AANTEEKENINGEN.
I. De Prinses en de Demon.
Uitgegeven door Prisse d'Avennes, Monuments Egyptiens, pl. XXIV. Vertaald door Wiedeman, Religion of the Ancient Egyptians, p. 275.
Dit verhaal is gebeiteld in een zandsteenen tablet, dat gevonden is door Champollion in den tempel van Khonsu te Thebe en zich nu in de "Bibliothèque Nationale" te Parijs bevindt. Er zijn acht-en-twintig horizontale regels schrift en boven deze bevindt zich een afbeelding van twee booten van Khonsu, gedragen op de schouders van priesters, terwijl de koning wierook voor hen offert.
Toen het verhaal het eerst vertaald werd, werd er verondersteld, dat het op waarheid gegrond was, maar nu wordt het gewoonlijk beschouwd als een volksverhaal, dat bijdraagt tot het geloof aan Khonsu en tot zijn roem en waarvan daarom door de priesters van dien god gebruik wordt gemaakt. De koning, die er in genoemd wordt, kan niet geïdentificeerd worden met één van de historische monarchen uit Egypte, hoewel zijn persoonlijke naam, Ramses, voldoende bekend is onder de heerschers van de XXste dynastie.
II. De Droom van den Koning.
Uitgegeven door Lepsius, Denkmaler, III, 68. Vertaald door Breasted, Ancient Records, II, 810-815.
Het opschrift is gebeiteld op een rond-toeloopende stèle van rood graniet, van viertien voet hoog, die staat in den kleinen tempel, die ligt tusschen de voorpooten van de Groote Sphinx.
De tempel werd in 1817 uitgegraven door Kapitein Caviglia. Hij vormt het eind van een processie-weg, die naar beneden voert langs geplaveide wegen en trappen van den rand der woestijn af naar het heiligdom (zie Vyse, Pyramids of Gizeh, III, 107). De kleine tempel is slechts tien voet lang en vijf breed en aan het verste eind, met den achterkant naar de borst van de Sphinx gekeerd, staat deze stèle (grafzerk).
Boven het opschrift, dat in horizontale regels geschreven is, staat een afbeelding, links en rechts herhaald, van den koning, die water plengt en wierook brandt voor het beeld van eene Sphinx, liggende op een pylone of altaar. De benedenste helft van de stèle is zoo beschadigd, dat het opschrift of vernield of onleesbaar is.
Het opschrift bedoelt te zijn uit den tijd van Thotmes IV, een koning van de XVIIIste dynastie, ongeveer 1400 v. C., opgericht door dien monarch als een dankoffer.
Maar uit de taal, waarin het opschrift is gesteld, blijkt duidelijk, dat het uit een veel lateren tijd moet zijn; Erman rekent, dat het dateert uit een periode tusschen de XXIIIde en XXIVste dynastie. Het kan echter ook een nieuwe weergave van een vroeger verhaal zijn, hoewel van het vroeger opschrift niets is overgebleven.
III. De Komst van de Groote Koningin.
Uitgegeven door Naville, Dier el Bahari, II, pls. XLVI-LI (met vertaling). Vertaald door Breasted, Ancient Records, II, 187-220.
De inscriptie, met de afbeeldingen, die ze illustreeren, zijn uitgehouwen in de muren van den tempel van Dier el Bahari, aan den noordkant van den overgebleven muur van de bovenste verdieping.
Het groote gebouw, in den nieuwen tijd bekend als de tempel van Deir el Bahari, werd opgericht door Koningin Hatshepsnut van de XVIIIde dynastie, ongeveer 1500 v.C, om te dienen voor twee dingen, nl. voor haar eigen doodendienst en voor de aanbidding van de godin Hathor. De voornaamste gebeurtenissen uit de regeering van de Koningin zijn in de muren gebeiteld; het verhaal van haar goddelijke afstamming neemt natuurlijk een voorname plaats in. De inscriptie's in den tempel werden vernield en vroeger gerestaureerd, daarom is er veel van het verhaal verloren gegaan. Gelukkig echter versierde Amenhotep III, een koning van dezelfde dynastie, bijna meer dan een eeuw later dan Hatshepsut, zijn tempel van Luksor met gelijksoortige afbeeldingen en inscriptie's, betrekking hebbend op zijn eigen goddelijke afstamming, terwijl hij natuurlijk de namen van moeder en kind veranderde en eenige weinig belangrijke veranderingen in de opschriften maakte. Door middel van dit latere voorbeeld is het geheele vroegere verhaal duidelijk gemaakt.
De witte zuilenrijen van den tempel van Hatshepsut, tegen een achtergrond van donkere rotsen, vormen een der meest treffende tooneelen in het dal van den Nijl. De tempel werd eens gebruik als een Koptisch dorp; vandaar zijn moderne naam van Deir el Bahari, het Noordelijk Klooster.
Hij is niet lang geleden opgegraven en gerestaureerd door Dr. Naville voor het Egyptische Exploratiefonds.
IV. Het Boek van Thot.
Uitgegeven door Spiegelberg, Demotische Papyrus (Kairo Catalogus). Vertaald door Petrie, Egyptian Tales, II, 89.
Deze geschiedenis is geschreven in het Demotisch op een papyrus, die gevonden is te Thebe in het graf van een Koptischen monnik. Ze lag tusschen andere papyrussen, die in het Hieratisch en in het Koptisch geschreven waren, in een houten kist en bevindt zich nu in het Kairo-Museum. Het Demotisch is het schrift, waarin de laatste vorm van de Egyptische taal was geschreven; het vroegste voorbeeld, dat er van overgebleven is, is uit de regeering van Shabaka van de XXVste dynastie, ongeveer 715 v. C.; het bleef in gebruik tot de Romeinsche tijden, toen het vervangen werd door het Grieksche alphabet.
De papyrus is uit het Ptolemeïsche tijdperk, maar de tijd is niet nauwkeurig bekend, daar de datum en plaats aan het eind gedeeltelijk onleesbaar zijn. Het jaar 15 alleen is zichtbaar, wat echter niet voldoende is om aan te duiden, onder welken koning het geschreven is. De legende, die in dit boek weergegeven is, is slechts een deel van een veel langer verhaal; het is inderdaad een geschiedenis in een geschiedenis, verteld door den "ka" van Ahura aan den hoogepriester van Memphis, toen hij zich waagde in het graf van Nefer-ka-ptah om het Boek van Thot te zoeken. Men zegt, dat het Boek van Thot slechts uit twee bladzijden bestaat; het moet dus een papyrus geweest zijn, die aan beide zijden beschreven was.
V. Osiris.
Oorspronkelijk stuk: Plutarchus, De Iside et Osiride. Vertaald door: Mead, Thrice-greatest Hermes, I, 278.
De verhandeling over Isis en Osiris werd door Plutarchus, zelf een ingewijde in de Osiris-mysteriën, geschreven aan een medeingewijde, eene vrouw, Klea genaamd. Dit werd in de tweede eeuw v. C. geschreven te Delphi. Het is het eenige samenhangende verhaal, dat er overgebleven is van den dood van Osiris en de omzwervingen van Isis. Ofschoon het van zoo laten datum is, heeft men gevonden, dat het over het geheel juist is, wanneer men het vergelijkt met de opschriften en beeldhouwwerken uit de tijden van de Pharao's.
Het zoogenaamde Ritueel van Denderah is onze voornaamste bron voor de aanbidding van Osiris in de voornaamste tempel van Egypte bij gelegenheid van de feesten in de maand Khoiakh. Het Ritueel is gebeiteld op de muren van den tempel van Denderah en geeft lot in bijzonderheden de plechtigheden, die in gebruik zijn, weer, tot zelfs de afmeting en het materiaal van de symbolische voorstellingen. Het opschrift dateert uit het Ptolemeïsche tijdperk, maar het Ritueel is aanzienlijk veel ouder.
"Mysterie-spelen" naar aanleiding van den dood van Osiris en van de overwinning van Horus op Set schijnen bij zekere groote gelegenheden gehouden te zijn in de voornaamste centra van godsdienst. De voornaamste rol was die van Horus, die in de hoofdstad werd vervuld door den Pharao zelf en in de provincies door de plaatselijke notabelen.
VI. De Schorpioenen van Isis.
Uitgegeven door Golénischeff, Metternichstele (met Duitsche vertaling). Vertaald door: Budge, Legends of the Gods, p. 157.
Dit opschrift is gebeiteld op een rond-toeloopende stèle van marmer, geplaatst op een vierkant voetstuk. In het begin van de negentiende eeuw werd ze gevonden te Alexandrië en werd in 1828 door Mahomed Ali aan Prins Metternich ten geschenke gegeven. De voorzijde, de achterzijde en de zijkanten, zoowel van de stèle, als van het voetstuk, zijn bedekt met horizontale en vertikale regels schrift en met mythologische figuren. De stèle behoort tot een klasse van amuletische voorwerpen, die gewoonlijk Cippi van Horus genoemd worden; ze zijn beschreven met bezweringen tegen alle dieren "die bijten met hun mond of steken met hun staart". Deze stèle is de grootste Cippus van Horus, die bekend is. Op de voorzijde is in hoog-relief het beeld van Horus uitgehouwen, die voorgesteld wordt als een naakt kind, staande op twee krokodillen en een leeuw, een gazelle, schorpioenen en slangen in zijn handen houdend. Hij staat in een tempel, waar het hoofd van Bes op staat. Isis en Thot, de godinnen van het Zuiden en van het Noorden en andere mythologische figuren en zinnebeelden bevinden zich binnen in en buiten op den tempel. Boven deze voorstelling zijn horizontale registers, gevuld met figuren, die mogelijk tooneelen voorstellen uit legenden, die nu verloren gegaan zijn.
De tekst, die de geschiedenis van de schorpioenen van Isis bewaart, is gegrift achter op het tablet, II 48-70. De stèle dateert ongeveer uit 370 v. C. onder de regeering van Necta-nebo I, van de XXXste dynastie.
VII. Het Zwarte Zwijn.
Uitgegeven door Naville. Das Aegyptische Todtenbuch, pl. CXXIV. Vertaald door Budge, Book of the Dead, ch. CXII.
Het zoogenaamde Doodenboek is een verzameling teksten, die, geschreven op papyrussen of op doodkisten, gevonden zijn in de graven. Geen uitgave is er bekend, die alle stukken bevat; de volgorde is dus samengesteld door vergelijking met vele voorbeelden.
De oude naam van deze teksten is: "Hoofdstukken over het Aanschouwen van het Levenslicht"; de moderne naam is: "Doodenboek", daar het klaarblijkelijk een handleiding is voor de behandeling van de dooden. Het bevat een serie gebeden, lofzangen, magische formulieren en toespelingen op mythologische verhalen, die men, naar men meende, noodzakelijk moest kennen om te ontsnappen aan de gevaren van het leven hiernamaals. Het is klaarblijkelijk zeer oud, want zelfs in de oudst bekende voorbeelden, de Pyramiden Teksten van de VIde dynastie, is de tekst dikwijls zeer gebrekkig. De Pyramiden Teksten vertoonen sporen van zeer primitieve gebruiken en eerediensten, waarvan er vele verloren gegaan zijn in de latere vormen van het Doodenboek.
De geschiedenis, die verhaald wordt onder de naam van het Zwarte Zwijn, heeft betrekking op een voorval in den oorlog tusschen Horus en Set en is nergens anders bekend. Waarschijnlijk waren er veel zulke legenden in omloop in het oude Egypte, maar weinig zijn er ongeschonden bewaard gebleven. Horus was de groote helden-god, en zooals bij de helden van andere landen het geval is, werden de legenden van andere kampioenen op hem overgedragen. Sommige van zijn heldendaden en avonturen schijnen zoo bekend te zijn geweest, dat een toespeling reeds voldoende was om ze den lezer in 't geheugen terug te roepen.
Somtijds wordt er een kort en voor ons verward verhaal gegeven, zooals in hoofdstuk CXIII van het Doodenboek, waarin verteld wordt, hoe Horus zijn handen en armen, die hij verloren heeft in een moeras, terugkrijgt, op een manier, die den modernen lezer weinig zegt.
Een groot aantal legenden zijn bewaard gebleven in magische papyrussen, maar zelfs onder deze is het aantal aanduidingen en toespelingen grooter dan het aantal complete legenden. Zoo staat er in de Demotische Papyrus te Londen en te Leiden een bezwering tegen koorts, die aldus begint: "Horus reed op een middag in het groene seizoen een heuvel op, gezeten op een wit paard. Hij treft de goden aan bij het eten en zij noodigen hem uit deel te nemen aan den maaltijd, maar hij weigert, omdat hij koorts heeft." Dit is alles, wat er gezegd wordt, maar het is klaarblijkelijk een zinspeling op een heel bekende geschiedenis.
VIII. De Gevechten van Horus.
Uitgegeven door Naville, Mythe d'Horus (met Fransche vertaling). Vertaald door Wiedemann, Religion of the Ancient Egyptians, p. 69.
Het verhaal van den oorlog tusschen Horus en Set is gebeeldhouwd op den binnenkant aan de westzijde van den ringvormigen muur van den tempel van Edfu. De geheele tempel is gewijd aan Horus; ofschoon ongetwijfeld een vroegere stichting, dateert het tegenwoordige gebouw eerst uit het Ptolemeïsche tijdperk. Het werd begonnen door Ptolemeus III Euergetes I en er werden 180 jaren besteed aan het bouwen en decoreeren. De ringvormige muur, waarop deze voorstellingen en opschriften waren gebeeldhouwd, was gebouwd ongeveer 100 v. C., òf door Soter II òf door Alexander I.
De tempel werd opgegraven door Mariette en van alle tempels in Egypte bevindt deze zich in den meest gaven toestand, want met uitzondering van de ergelijke verminking van de gezichten, waarschijnlijk door fanatieke Christenen, zijn gebouw en beeldhouwwerk ongeschouden gebleven, behalve door den tijd.
Het opschrift schijnt in legendarischen vorm een vrij nauwkeurig verhaal te geven van gevechten tusschen stammen uit een zeer vroeg tijdperk. Ofschoon het tegenwoordige opschrift van later datum is, zijn er vele primitieve gedachten in bewaard gebleven, vooral in de lofliederen van de vrouwen aan Horus.
"Eet het vleesch van den overwonneling, drink zijn bloed", is geen uiting van de beschaving uit de Ptolemeïsche tijden. Menschenoffers schijnen in Egypte in alle tijdperken gebracht te zijn. Offers voor den oogst werden er te Eleithyapolis (El Kab) verbrand. Amasis II van de XXVIste dynastie maakte een eind aan de menschenoffers te Heliopolis; Diodorus zegt, dat er roodharige mannen werden geofferd aan het graf van Osiris; daar de koning de geincarneerde Osiris was, zou dit beteekenen, dat er bij de koninklijke graven menschenoffers werden gebracht, waarschijnlijk bij de begrafenisceremoniën. Het Doodenboek zinspeelt ook voortdurend op menschenoffers.
Te Edfu werd een altaar gevonden, dat besneden was met voorstellingen en offerandes, waarin menschelijke wezens de slachtoffers zijn. Men kent kleine beeldjes, rond gesneden, die den vorm hebben van gebonden gevangenen en waarschijnlijk de methode aantoonen van het binden van een slachtoffer; de beenen zijn gebogen bij de knieën en de voeten tegen de dijen gebogen; de armen zijn bij de ellebogen gebogen en stevig aan het lichaam gebonden. Dit is nu niet de gewone manier om een gevangene te binden, maar is een speciale manier, waarschijnlijk bestemd voor een menschelijk slachtoffer. De beelden stellen soms mannen, soms vrouwen voor. Naar de voorstellingen en tooneelen op den cirkelvormigen muur te oordeelen werd er een "mysteriespel" gespeeld in den tempel van Edfu, waar de Pharao de hoofdrol, die van Horus, vervulde. Het schijnt meer dan waarschijnlijk, dat in vroegere tijden Set of de Bondgenoot van Set, gespeeld werd door een menschelijk wezen, dat werkelijk gedurende de voorstelling gedood werd. Toen het gebruik van de menschenoffers begon uit te sterven, werd het menschelijk slachtoffer vervangen door een dier. Dit is het geval te Edfu, waar Set een hippopotamus genoemd wordt en voorgesteld wordt als een zwijn.
IX. Het Bier van Heliopolis.
Uitgegeven door: Léfébure, Tombeau de Sety I, pt. III, pls. 15-18 (Annales du Musée Guimet, IX). Vertaald door: Wiedemann, Religion of the Ancient Egyptians, p. 62. Voor een beschrijving van het graf van Sety I (zie de Aanteekeningen over Legende XI).
Deze geschiedenis is gebeiteld op de muren van een zijkamer op de hoogte van een van de binnengalerijen van het graf van Sety I (zaal XII van de gidsen). Op een van de muren is een voorstelling van een koe, die staat onder het met sterren bezaaide hemelgewelf. Dit is Nut, de hemelgodin; zij wordt gedragen op de opgeheven handen van den god Shu, en elk been wordt gedragen door twee goden; planeten en Zonneschepen gaan over haar lichaam.
Het verband tusschen deze voorstelling en de legende is heel onzeker. Het verhaal komt alleen op deze eene plaats voor, maar iedere opgraver hoopt, dat hij eens een graf zal vinden, waar een volledig exemplaar van de geschiedenis op de muren gebeeldhouwd is.