X. De Naam van Ra.
Uitgegeven door: Pleyte en Rossi, Papyrus de Turin, pls. 31, 77, 131-138. Vertaald door: Wiedemann, Religion of the Ancient Egyptians, p. 54.
Dit verhaal is gevonden op een Hieratische papyrus van de XXste dynastie (ongeveer 1200-1100 v. C.) Ze is aan beide zijden beschreven; het handschrift van den eenen kant verschilt met het handschrift aan den anderen kant, waaruit men kan opmaken, dat het werk van twee schrijvers is. Het geschrift is geschreven met zwarten inkt met uitzondering van sommige zinnen, die met rooden inkt geschreven zijn. Hieratisch is het loopende schrift, dat afgeleid is van de hieroglyphen; het vroegste voorbeeld komt voor in de eerste dynastie; het werd in het laatste tijdperk van de Egyptische geschiedenis vervangen door het Demotisch.
Deze papyrus is niet heelemaal volledig, maar het gedeelte, dat de legende bevat, is gelukkig onbeschadigd. De inhoud bestaat uit tooverformulieren tegen slangenbeten. Wanneer de toovenaar genezen wilde door tooverkunst, reciteerde hij een gebeurtenis uit het leven van de een of andere godheid, die aan de zelfde ziekte leed als de mensch-patiënt, die genezing zocht. De woorden, die den goddelijken patiënt genazen, zouden ook den menschelijken zieke genezen. Dezelfde gedachte komt voor in de legende van de Schorpioenen van Isis.
XI. De Streken, waar nacht en diepe duisternis heerschen.
Uitgegeven door: Léfébure, Tombeau de Seti I (Annales du Musée Guimet, IX). Vertaald door: Jéquier, Livre de ce qu'il y a dans l'Hadès, Budge, Egyptians Heaven and Hell.
De beschrijving van de Reis van Ra door de Andere Wereld is gebeeldhouwd op de muren van het graf van Seti I te Thebe. Dit is het groote graf, dat door Belzoni in October 1817 ontdekt werd. De lengte is 330 voet en het bestaat uit lange gangen, zuilenhallen en zijkamers, uitgehouwen in de vaste rots. Het Boek van Am-Duat is gebeiteld in de muren van gang III, zalen V, VI en X en zijkamers XI en XIII. Er zijn slechts elf uren gegeven, het twaalfde uur, ofschoon het dikwijls gevonden wordt op papyrus, is zelden gebeiteld.
Er zijn twee lezingen van de reis van de Zon door de Duat. De eene werd door de Egyptenaren zelve het Boek van dat, wat in de Andere Wereld (Am Duat) is, genoemd, maar nu heet het het Boek der Poorten, want hierin zijn de poorten belangrijker, dan de gebieden, die zij verdeelen. (Voor een vergelijking van de twee boeken, zie Budge, Egyptian Heaven and Hell). Het Boek der Poorten is zeldzamer dan het Boek van Am Duat, en men vindt het gebeiteld op sarcophagen; het mooiste voorbeeld is de sarcophaag van alabaster van Seti I, die zich nu in het Soane Museum te Londen bevindt.
Het Boek van Am Duat wordt zoowel aangetroffen op papyrussen als op grafmuren; het oudste voorbeeld van het laatste is het graf van Amenhotep II van de XVIIIste dynastie. Het is een compilatie door de theologen uit dat tijdperk, een poging om verschillende duidelijke denkbeelden over de andere wereld en het leven hiernamaals tot een samenhangend geheel te vereenigen. Het vierde en vijfde gebied van de Duat is klaarblijkelijk een koninkrijk, bestuurd door den god Sokar, den Memphischen doodengod. Daar Memphis een zeer belangrijk godsdienstig centrum is, moest zijn doodengod en zijn koninkrijk opgenomen worden in de Duat van Ra, ten spijt van het feit, dat het een waterlooze woestijn was en dat het eindigde met de Morgenster. Het was een gebied, geheel verschillend van elk ander koninkrijk van het hiernamaals; geen rivier stroomde er door; het werd noch door goden, noch door geesten bewoond, doch door verbazend groote en afschuwelijke reptielen. Het vernuft van de schrijvers van dit Boek om de Boot van Ra in een slang te veranderen, die het zonder de rivier kon doen en over het zand kon glijden, is zeker merkwaardig.
Er verschijnt ook nog een Morgenster in het tiende uur en de morgenbries schijnt door de godinnen in het elfde uur gevoeld te worden, want zij heffen haar handen op om haar gezichten er mee te bedekken.
Budge (Egyptian Heaven and Hell) spreekt er ook van, dat de Egyptenaren de roode morgenwolkjes beschouwden als zijnde gekleurd door de weerkaatsing van de vuurpoelen.
Deze aanduidingen van het feit, dat de morgen op de verkeerde plaats verscheen, geven duidelijk te kennen, dat het boek een meer of minder onhandige compilatie is. Het eerste uur schijnt er bijgevoegd te zijn ten einde een goed begin te krijgen aan het verhaal. In het laatste uur worden klaarblijkelijk tevens verschillende opvattingen vereenigd. Het meest oude denkbeeld met betrekking tot den zonsopgang was, dat de Zon elken morgen opnieuw geboren werd uit de Hemelgodin Nut. Deze theorie past niet bij het dogma van de nachtelijke reis van de Zon door de Andere Wereld in een Boot; daarom wordt het laatste uur voorgesteld als een donkere en pijnlijke tocht, die de schoot van de godin symboliseert. De geboorte van de Zon was de meest belangrijke gebeurtenis van den dag voor zijn aanbidders; bijgevolg wordt het verhaal van het laatste uur dikwijls gevonden op papyrussen, die begraven zijn in de graven.
Men veronderstelde algemeen, dat de Duat of Andere Wereld het gebied was, dat lag ten noorden van Egypte: de delta voor de Egyptenaren van het Zuiden, de Middellandsche Zee en zijn eilanden voor het delta-volk.
De Egyptenaren hadden een afkorting of verkorte inhoud van dit lange verhaal van Ra's nachtelijke reis. Zij werd altijd beschreven op papyrus in vertikale kolommen, waarin alle tooneelen en lange toespraken weggelaten waren.
Zij geeft den naam van elke poort en elk gebied en van de goden van ieder uur; soms, ofschoon niet altijd, de namen van de goden, die in de verschillende gebieden wonen; en altijd de tooverwoorden, die Ra spreekt tot de bewoners van elk land. Gelukkige uitkomsten hier en hiernamaals worden er beloofd aan allen, die de woorden en voorstellingen door en door kennen.
Het loflied aan Ra is een paraphrase van lofliederen, die nu nog bestaan.
LIJST VAN DE NAMEN DER GODEN.
Abtu-visch—Een mythologische visch, die de Boot van Ra bij zonsopgang vergezelt.
Ament—Het mythische dier, dat de harten der boozen verslindt bij het Oordeel van Osiris.
Amon—God van Thebe. Gedurende en na de XVIIIste dynastie werd hij de opperste godheid van Egypte onder den naam van Amon-Ra.
Ant-visch—Een mythologische visch, die de Boot van Ra vergezelt bij zonsopgang.
Anubis—Een godheid met het hoofd van een jakhals, die het oppertoezicht had bij het balsemen der dooden. Men zeide, dat hij de onwettige zoon was van Osiris en Nephthys, en dat hij in de gedaante van een hond Isis beschermd had gedurende haar omzwervingen.
Apep—De vijand van Ra in de Duat.
Astarte—Een Syrische godin, wier naam soms gevonden wordt in Egyptische opschriften.
Atmu—Een oude naam van de zonne-godheid, die vereerd werd te Heliopolis. In latere tijden de naam van de ondergaande zon.
Bes—Een gehoornde dwerg met kromme beenen. De God van de muziek en het vermaak en de beschermer der kinderen. Mogelijk ook een god der geboorte.
Besa—Een korengeest.
Geb—De aard-god, vader van Osiris.
Harmachis—Horus aan den Horizon, d.i. de zon bij het op- en ondergaan.
Harpocrates—Horus, het Kind, de zoon van Isis en van Osiris.
Hathor—De Godin van de liefde en de schoonheid; dikwijls geïdentificeerd met al de andere godinnen, Sekhmet inbegrepen.
Hekt—De kikvorsch-hoofdige godin van de geboorte.
Her-desuf—Een gedaante van Horus.
Horakhti—De Horizon-Horus. De zelfde als Harmachis.
Horus—De sperwer-hoofdige god is, eigenlijk gezegd, de broeder van Isis en Osiris; maar wordt steeds verwisseld met Horus, het Kind en wordt de Wreker of Beschermer van zijn Vader genoemd.
Isis—De grootste der godinnen, de vrouw van Osiris en de moeder van Harpocrates.
Khepera—De opgaande zon, de god der opstanding.
Khnum—De ramhoofdige god van de Katarakt, die de menschen maakt op het pottebakkerswiel.
Khonsu—De maan-god te Thebe.
Mehen—De slang, die Ra beschermt in de Duat.
Mentu—De God van den oorlog.
Meskhent—Godin van de geboorte.
Min—Vader van goden en menschen. God van Koptos.
Neit—Godin van Saïs. Door de Grieken geïdentificeerd met Athene.
Nekhbet—De gier-godin van Opper-Egypte.
Nephthys—Zuster van Isis en Osiris.
Nepra—Een koren-geest.
Nun—God van de voorwereldlijke wateren.
Osiris—Een der voornaamste goden van Egypte. Vermoord en aan stukken gescheurd door zijn broeder Set, weer in het leven teruggeroepen door Isis en Horus.
—De Zonnegod, een van de voornaamste goden van Egypte. Heliopolis was het voornaamste middelpunt van zijn aanbidding.
Sekhmet—De leeuwin-hoofdige godin van Memphis.
Selk—De schorpioenen-godin.
Set—De broeder en moordenaar van Osiris. Hij wordt in latere tijden beschouwd als de Schepper van het Kwaad.
Shu—De Tweeling-broeder van Tefnut. Hij houdt den hemel op boven de aarde.
Sokar—De sperwer-hoofdige god van de dooden. Wanneer hij vereenigd is met Ptah (Ptah-Sokar) verschijnt hij in den vorm van een wanstaltigen dwerg en wordt dan beschouwd als de god van de opstanding.
Tatanen—Een vrij onbekend god, die gewoonlijk vereenigd wordt met Ptah van Memphis als Ptah-Tatanen.
Ta-urt—De hippopotamus-godin van de geboorte.
Tefnut—Leeuwin-hoofdig. Tweeling-zuster van Shu. De twee vormen het sterrebeeld Gemini.
Tepu-yn—Een korengeest.
Thot—De ibis-hoofdige god van alle wetenschap en tooverkunst. Hoofd-centrum van aanbidding is Khemennu of Hermopolis, nu Eshmunen genaamd.
Uazet—Godin van Neder-Egypte.
Up-uaut—De jakhals-god van Siut.
INHOUD.
I. De Prinses en de Demon
Aantekeningen
II. De Droom van den Koning
Aantekeningen
III. De Komst van de Groote Koningin
Aantekeningen
IV. Het Boek van Thot
Aantekeningen
V. Osiris
Aantekeningen
VI. De Schorpioenen van Isis
Aantekeningen
VII. Het Zwarte Zwijn
Aantekeningen
VIII. De Gevechten van Horus
Aantekeningen
IX. Het Bier van Heliopolis
Aantekeningen
X. De Naam van Ra
Aantekeningen
XI. De Streken, waar nacht en diepe duisternis heerschen
Aantekeningen
LIJST VAN DE NAMEN DER GODEN.
[1] Plutarchus: "De Iside et Osiride" (Squire's vertaling).