WeRead Powered by ReaderPub
Pallieter cover

Pallieter

Chapter 11: DE FEEST
Open in WeRead

About This Book

The work follows an exuberant, nature-loving man through a sequence of episodic scenes that trace daily life and seasonal changes in a rural setting. Rich, sensory descriptions dwell on dawns, rivers, birdsong, weather and harvest, while domestic routines, local rituals and rustic humor reveal relationships with family and neighbors. Episodes move between exuberant outdoor celebrations and quiet interior moments, alternating lyric observation with comic detail. Recurring themes include bodily pleasure in the landscape, the rhythms of community life, and a fond, celebratory attention to ordinary labors and festivities.

KERMISMORGEND

De morgendamp hing nog in de lage struiken en op het water, als van overal de klokken begonnen te luiden.

Als Pallieter zag, wat een heerlijk weer de dag ging brengen, gooide hij zijn klak in de lucht en liep met lachend gezicht naar den zolder, op het donkere beiaard-kamerken. Hij wierp er een houten dakdeurken open en het witte licht kwam binnengespoten, en van de eerste verblinding bekomen zag hij daaronder het frissche morgenland in al zijn deinende wijdheid bloot liggen. Seffens begon hij op de houten krukken te kloppen en te slaan; de ijzerdraden rinkelden, het hout piepte en kraakte, maar bovenuit klonken de heldere klokkenklanken, als tegeneenrinkelende kristallen bekers in de perelklare lucht. Door zijn hart gonsde de klokkenjubeling, en hij zong mee zoo hard hij kon.

Daarna stak hij door het dakvenster een nieuwe kermis-vlag, en de zoetwandelende oostenwind roerde de felle koleuren. Dan ging hij naar 't Zevenurenmisken op 't Begijnhof, en nadat hij met Charlot koffie had gedronken met hesp met eieren in de pan, ging hij wandelen, al smorend een fijne sigaar. De regen van gisteren was voor den grond een zalf geweest, en alles stond eens zoo schoon, zoo helder en zoo rein.

Met al de Kermiszorgen had Pallieter de beenen onder zijn gat uitgeloopen, en nu was hij gelijk een kind zoo blij, den scherpen reuk van 't open veld te rieken. Hij lachte, riep echo's op, dronk ievers bier en speelde met de kegelen.

Als hij weerkwam spande hij de zwertgevlekte witte merrie in de versch-geschilderde huifkar en reed ermeê naar de statie.

Alle huizen in de stad waren bevlagd en de beiaard van St. Gommarustoren rammelde volksliekes over de daken, waarboven duiven toerden. Er wandelden reeds venten met ballonnekens en wat verder klopte een Italiaansche orgel.

Terwijl Pallieter weg was stond Charlot in den war met haar eten.—"'t
Mag zijn wa' wilt," zei ze, "mor iest veur God gezorgd."

En ze haakte aan den gevel blauwe keersarmen met lange keersen erin, en zette tegen de voorpoort een tafel met stijf wit laken over, waarop ze het kasken met het Lievevrouwen-beeldeken zette, een palmhouten krucifix en al de vele heiligen van haar kamer.

"Want allemaal meuge z'ons Lievenheer zien," zei ze. En daarrond en daartusschen zette ze zilverglazen vazen met bloemen, en kandelaren in oud koper, met papier omkrulde keerskes in.

Ze zag dat het goed was en ging voortwerken aan de spijzen.

En in de stilte zongen de vogelen, klapperde de vlag, en straalde de zon door de blaren van de boomen; ze schitterde in de vazen en in 't koperwerk, en deed ketsen en blinken het goudbestikte manteltje van Kindeken Jezus' Moeder….

Pallieter laadde het vrouwvolk in de huifkar. Als hij Marieken zag trok hij oogen lijk sauspannekens en zei met een zucht;

"Och, wad e schoe kind!…"

Het mannenvolk kwam te voet achteraan.

Het huifkarreke was van binnen in de gele klaarte een tuil van overschoonste koleuren. De vrouwen hadden al hun zwaar goud aangedaan en de oudste droegen fijne kanten mutsen, met een stroohoed over, waarrond een bleektonig lint stijf neerhing.

Ze hadden zijden pompadouren châles om, waarbij er vuurroode waren, purpele en kreem-witte met wijnroode bloemen in. Er was een vrouw bij met een zuigend kind.

Een kwartierken later waren ze aan den Reinaert. En het was met Charlot een gepol en lawijd gelijk een laatste oordeel.

Maar daar ineens, in blauw kleed met witte bollekens, en frisch gelijk een bloem in 't veld, stond Marieken vóór haar.

De tranen spoten uit Charlot haar oogen, ze pakte ze vast, kuste haar op den mond, hief haar op, en drukte haar haast te pletter op heur dik lijf.

"Och wa' zadde toch e' schoe' meske geweurre!" riep ze. "O ma' Marieke, ma' Marieke!…" En ze kuste haar nog eens, en haar tranen plakten op Mariekens gezicht.

De mannenmenschen kwamen bij, met getienen, en Pallieter deed al het volk binnenkomen, waar ze seffens begonnen bier te drinken en pijpen te smoren, en te vertellen van hun aarde, hun beesten, hun kinderen, en het weer. Al het andere was hun vreemd als stond het in een boek. Ze wisten niet dat ze van vóór of van achter leefden en Pallieter zei daaruit: "nen boer me' verstand is e' staal van ne mensch."

Wat later trokken ze tegelijk den hof in, in afwachting van de processie.

Ze waren in groepjes verdeeld, en in dat rijke groen en schoone bloemen vlamden de koleuren van hun zijden halsdoeken. Er bleven er nieuwsgierig voor 't fonteintje staan dat op zijn hoogste spoot, en flitsperelend neerdripselde op den rug der rustige goudvisschen. Anderen zagen de kloeke Kempische hennen en hoendervogels na, en ieder stond verpaft van den schoonen pauwesteert.

De pijpen smoorden, en het goud schitterde, en daaromendom lag de wereld in de zon.

Ineens liep er een rietklankig lieken door den hof. Het was Pallieter die op een hobo speelde en met Marieken aangewandeld kwam.

Aan 't fonteintje gekomen, waaronder Marieke heur hand openhield voor de waterperels, deed Pallieter het speeltuig van den mond en zei tot haar:

"Lot ma' oe' nij is fijn bezien!"

Hij lei zijn handen op haar ronde schouders en bezag haar van het hoofd tot de voeten. In haar roodkakig hoofd perelden twee groote bruine oogen met een vinnig zwart kinneken, haar appelroode lippekens stonden hoog onder den fijnvleugeligen neus, en in haar rechterwang was er een putteken als ze lachte. Haar kin stak verlangend vooruit, en de melkwitte hals was rond en malsch om erin te bijten. Hare jonge, nog rechtstaande borstjes begonnen hoog, en hare heupen waren rond. Ze had donkerbruin haar en poezelige handen. Och, wat was ze toch schoon! Over heel haar wezen lag de asem van den buiten en de jonge, blijde groeikracht der groote Natuur. Ze stond daar, zoo natuurlijk als water en haar gezicht was lijk een open boek. 't Was melk en brood.

En de zon scheen rood dóór de schelpen van haar ooren en poederde kranslicht in haar haar. En Pallieter zei:

"Ge komt niks te keurt as vleugeltjes."

Ze lachte heur tanden bloot, en zag naar heur schoenen.

En Pallieter bleef haar bezien, en voelde een bol in zijn hert komen van verlangen. Maar zij hief terug haar hoofd op en vroeg:

"Spelt nog is e' lieke?"

En hij speelde opnieuw en ze gingen samen voort.

Maar daar schoot ineens de lucht vol groote klokkenklanken, Pallieter riep: "Z'is dor, z's dor! Manne, kom!"….

En ieder haastte zich om aan de deur te zijn.

Terwijl ze achter de versierde tafel gingen staan, ontstak Pallieter de keersen, en strooide op den zandweg bloemen en gesnipperd papier.

Van achter de trapgeveltjes der huizen kwam traag tromgeroffel, een djimslag, en dan een langzame feest-marsch van koperen muziek.

"Z'is dor!" riepen de kinderen en menschen, die van uit de stad kwamen zien, en gingen op het gers staan tusschen de hooge boomstammen om den blonden weg vrij te maken.

De boerinnen haalden hunnen paternoster uit den zak en begonnen te lezen.

En daar van uit de breede poort, kwam de processie op de overlommerde
Begijnenvest.

Die den stoet opende was de lange koster Lamdieke in roode soutane en wit koorhemd. De dag glom op zijn platte kletskop waarover een dunne klis zwart haar lag gekamd. Hij torschte een hoog mageren kruis, en zijn oogen zagen naar omlaag.

Nevens hem stapten onverschillig twee koorknapen, die elk een zwaren zilveren kandelaar met brandende kaars droegen. De weesmeisjes uit de Marollekens volgden op drie lange roten, ze waren deftig in 't zwart gekleed, waarboven hun gezichtje, mager en bleekskes door 't binnen zitten, met rechtgesneden haarkalloteken, bedeesd uitkwam. Er waren dutskens bij van nog geen vijf jaar oud, en ze hielden, even nederig als de grooten, hunne oogen naar omlaag. Er waren veel kinderen bij van zatte vaders. Nevens hen, in wijde zwarte mantels en witte kappen met breede, zwierende vleugels, stapten de strenge marollen. Ze waren alle mager en recht, alleen de moeder-overste was een klotteke vet.

Achter hen kwam een struische boer, in roode soutane, die de blauwe fluweelen vlag van Sinte Begga droeg. En dan een verblindende weelde van maagdekes, kleine kinderen allen in 't krakend wit, met vaantjes, en gouden horens van overvloed, gevuld met bloemen, korenaren en riekend kruid.

De blijdschap blonk op hun gezicht, en fier stapten ze met stijve beentjes op de maat der muziek, en de gesteven witte rokskens ruischten als een zee.

De muzikanten waren oude venten, ze bliezen zoo hard ze konden en hun kleeren roken naar de kas.

Dan volgden vier struische kwezels, met witte maagdekleeren aan, waarvan de mouwen te lang waren. Zij droegen gesamen op een berd, dat met lederbeslagen krukken op hun schouders rustte, een blauw geschilderd Lievevrouwken, een duim groot. Het was hier ten tijde der Spanjolen aangespoeld en werd nu vereerd, wel veertig uren in den ronde, voor het keeren van de jaren.

Het was "de Honingzoete maagd uit Holland langs de baren der zee hier aangespoeld en in ons land gevaren."

En daarachter luidopbiddende, kwamen al de vrouwelijke leden van de congregatie, ouden en jongen, en hunnen rappen gedempten "bid voor ons" antwoordde ring aaneen op de ijzerscherpe litaniestem van een struische begijn. Ieder had zijn paternoster in de hand en het blauw lint met zilveren medalieken aan den hals.

Charlot was daartusschen, ze had wel plaats noodig voor drie, en ze zag nog niet eens op naar Pallieter, Marieke en heure familie.

Kleine jongens, in roode pauzen en purpele bisschoppen gekleed, volgden met staf en lanteren.

Twaalf begijnen in witte lakens, droegen met veel moeite de zware zilveren relikwiekas van Sinte Begga. Zij blonk gelijk de zon en schoot stralen in de lucht.

En daarachter op vijf lange roten, allen met witte lakens die den grond raakten, over hun hoofd, volgden al de kinderen Begga's. Het waren lijk spoken, en zij zongen met schraal verhongerd stemmeken slepende kantieken in 't latijn.

Alsdan een ruischende koleurenwemeling van zijden en fluweelen vanen, zilveren en koperen geschitter en stralengespetter van hooggestoken brandende lantaarnen en torschers. Daaronder met verpluisden witten zijden hoogen hoed op, en schoone halsdoeken om, al de ouden peeën van 't begijnhof elk met een smokende flambauw van wel een arm dik. De drie blinde venten waren er ook bij.

En daarna in een zeeroogend geschitter van zonbeschenen goud, omgeven van gezang en belgerinkel en zoeten wierooksmoor, kwam het Hoogweerdig de processie sluiten.

Iedereen ging op zijn knieën zitten en vouwde de handen saam.

Vier mannen in 't rood staken de gouden baldakijn omhoog waaronder de pastoor, in gouden koorkap, de blinkende remonstrantie, met de Heilige Hostie er in, vòor zijn gezicht hield.

Zijn oogen waren toe, zijn blinkend kletshoofd stak een beetje boven de hooge stijve kap, en zijn lange witte sluikharen waaiden nevens zijn ooren.

Menschen van den buiten en de stad, die den toer meededen, kwamen daar achteraan.

En traag ging de processie voort onder het weelderige groen der hooge vesteboomen. De zon scheen erover, en de koleuren blonken als diamant. De wind speelde met de kleeren en klapperde in de vlaggen.

De muziek ruischte, de bellen rinkelden, en de klokken galmden den grooten feestdag in de lucht.

Pallieter was door al dien eenvoud waaronder zoo'n groot geloof blonk, zóó geroerd dat er een krop van in zijn keel kwam.

"Kom," zei hij, "we gon 't er oek achter."

En het boerenvolk met Marieke voegde zich bij den stoet, en hij
Pallieter, den Bruur, sloot de processie en droeg een brandend keersken.

De ommegang ging zoo voort, en schitterde van ver door de boomstammen. Twee nachtegalen begonnen tegen elkaar te fluiten, de wierook hing nog blauw en geurend in de boomen en was een reuk over de aarde als een balsem. In de rustige Zondagvelden was geen mensch.

* * * * *

De processie was binnen. Pallieter wandelde met het boerenvolk op de vest, en Charlot stond binnen te koken. Op het begijnhof was er in eens een blij gekres van kinderen, en zie! van uit de begijnenpoort kwamen joelend de witte maagdekens en de roode en purpele bisschoppekes gedanst, elk met een paksken suikerboonen.

Zij liepen algelijk in den beemd en riepen en lachten, al smullend en smerend, hun vreugde in de lucht. Ze waren wel met veertig, en 't was een ritseling en klatering van koleuren die tranen in de oogen keutelde. Ze sprongen over de slootjes, liepen achter elkaar en plukten hun armen vol bloemen en peerdesteert. Doch drie begijntjes kwamen hen berispen en joegen hen naar huis, maar de kinderen lachten er mee, sloten hen in een kring en dansten er zingende rond. De begijntjes vonden het heel plezierig, dat ze seffens mee deden, en nu kwamen al de jonge begijntjes, die op de vest wandelden, afgeloopen en dansten mee in 't ronde. De pastoor verscheen en riep hen weer met den wijsvinger. Pallieter ging achter hem staan en wenkte de begijntjes met zwaaienden arm om den pastoor te komen halen. Zij verstonden het, en leidden den pastoor willens of niet willens in de lachende schaar. En zij omsingelden hem, en draaiden er rond en zongen:

Is menhier Pastoor ni t'huis 'k Zâ hem is gere spreke 't Aved in zijn huis.

En hij, de pastoor, zong terug met brekende stem, terwijl hij met den wijsvinger de maat sloeg:

  Ze zegge dat ik ne voddeman ben
  Ze zegge dat ik gi geld en hem.

Als Pallieter dat hoorde en zag, pakte hij Mariekes hand en trok het meisje mee naar de dansende bende, en beiden voegden zich er tusschen. En ze zongen en draaiden; en 't was een beenengeslaag en rokkengezwaai dat de pastoor er zich krom van lachte. En Pallieter zong een ander lied, sloeg zijn beenen boven den kop en wilde van geen stilstaan weten.

Op de begijnenvest stond het boerenvolk, de oude en dikke begijnen en godshuismannekes, te gichelen en te lachen, en Charlot van uit de keukenvenster dat de tranen over haar gezicht liepen.

DE FEEST

Terwijl zij, al wandelend in den hof, den pastoor afwachtten, zette Pallieter, Charlot en Marieke onder de lommerte van den kastanjeboom een lange tafel van planken op schraagkens. Ze sloegen er een blauw-geruit laken over en bedekten het met helgebloemde tellooren, glinsterende glazen, messen, lepels en vorketten.

Een dichte root van dikbestofte wijnflesschen stond donker van het eene tafel-eind naar het andere: het waren als achtereenloopende beggijntjes, en in de lommerte lagen twee groote tonnen bier.

Na een kwartierken kwam de pastoor met een lange steenen pijp den hof binnengewandeld. Ieder zette zich rond de tafel, en de schaduw temperde blauwachtig de felle kleuren hunner ruischende kleêren.

Terwijl zij over 't een en 't ander spraken, wachtend naar het eten, hielden er eenigen, van ongeduldigen eetlust, hunnen lepel reeds vast, en zagen, met hun gedachten in de keuken, over de beemden en de landen, die verlaten in de zon lagen te blinken.

Daar kwam Charlot met een groote soepterrien afgeloopen. Zij schepte in, hield haren mond geen Ave-Maria stil, en zocht voor ieder naar veel frikadellekens.

De pastoor maakte alsdan een kruisken en bad stil; de anderen deden hetzelfde en Charlot bleef rechtstaan, de oogen gesloten en de vette handen saamgevouwen op haar dikken buik.

Daardoor was er een oogenblik van aandoenlijke stilte, waarin verschietend een jong haantje van op den mesthoop kraaide.

En dan begonnen de lepels te gaan en 't gesloeber van de vele monden.

Als hunne soep ledig was, wierden er al pijpen aangestoken, en toen stond Pallieter recht en sprak: "Nichtjes en kozentjes van Charlot, ge got hier allemaal veul ete, want er is veul geried gemokt, 't moet allemol oep! En daaroem zeg 'k, dat de vier mensche die 't minste zullen ete, staaltje moete trekke, en dat den dië die het kleinste strooike trekt, mè zan bloete achterkake in een talloor rijspap moet gon zitte!"

Dat werd met luid gelach aanvaard, en toen is er gegeten en gedronken lijk op een feest van Jupiter.

Niemand wilde de schande ondergaan van het belachelijkste gedeelte zijns lichaams te vertoonen. En de vrouwen zoowel als de mannen, ze duwden het eten er in, ze deden om ter meeste; de een wilde niet onder doen voor den anderen.

En er kwam achtereenvolgens in overvloed; tarbot met aardappelen, hesp met laboonen, kalfsgebraad met aspergiën, kempische kiekens met salaad, een heel speenvarken, met bril voor de oogskes en appelsien in den snuit, honderd meters worst met witte kool enz., en er werd daarvan gegeten, opgeladen en bijgeschept dat het zweet hen op het voorhoofd stond en in hun telloor lekte. En om alles beter in hun maag te krijgen, goten zij gedurig van het koele bier en den fijnen wijn door hunne keel, zonder kloeken of slikken lijk door een stoofbuis. Het was een lawaai en rumoer, en er werd gelachen als er een wat te weinig at, en op voorhand victorie gekraaid en gezongen.

De zon en de lommer speelden op hunne roode gezichten en glansden helder op de stijve kielen en op de zijden halsdoeken; en daarbuiten, over de haag, schitterde de lenige Nethe, en strekten zich de rustige Zondagvelden uit. Er hongen zoete liederen in de boomen, en de aangename reuk der stoverijen wandelde in het veld.

Pallieter, die nevens Marieke zijn plaatsken had gezocht, zat zich soms krom te lachen, als hij die vretende menschen zag.

Charel Verlinden, een dikke boteropkooper, liet de karbonaden met peekens en erwten passeeren. "Ik zal straks man scha wel inhale," zei hij. Maar iedereen begost hem uit te lachen, en zij verkneukelden er zich reeds in, zijn groot achterste te zien.

De buiken zwollen, en drie menschen stonden te wachten vóór 't vertrek.
En nog kwam er maar gedurig aan versch eten.

Een jonge boer wierd ineens bleek, liep achter een boom, lijk een ezel balkend, braken, en kwam terug zeggende: "'t Is niks." Hij dronk zijn glas wijn leeg en ontstak een versche sigaar. Marieke gaf maar heelder stukken vleesch aan Loebas en meneer Pastoor zei: "Drinken is ook eten". Deze voelde zich beschermd door zijne soetaan, en dronk maar den ouden zwarten wijn.

Charlot kon bijna niet meer. "Ik hem nog kans mè het staaltje te trekken!" zei ze. Dan wierd er eerst fijn gelachen, en men zong al van: "Charlot is van de brug het water in gevalle!"

Er kwamen nog looze vinken met bloemkool, enz. enz. Er was een aangename angst, en honderd zottigheden werden er verteld. Men dronk maar, en de wijn sloeg naar het hoofd. Maar toen kwam de voorlaatste schotel; jonge duiven met kriekenspijs. Stans gaf haar kind van de spijs met haren vinger, dat hij seffens zoo rood werd als een indiaantje. Een boerenknecht bracht een tweede schotel, maar de kleine sloeg er zijn pollekens in, en de telloor viel met de duifkens in stukken op den grond; tot veler verheuging, want ze waren raar die nog apetijtelijk aten.

Stans gaf daarop heur kind een schudding en de kleine begon brand en moord te schreeuwen. Zij opende haar jak, wrong er een dikke witte borst uit, en stak ze in 't roodbekriekt gezicht van 't schreeuwend jong. De kleine sloeg er zijn vettige handekens op en begost te zuigen, 't Rood van zijn gezichtje plakte seffens op haar witte borst.

Men werd uitbundig. Pallieter, die Marieke nevens hem voelde, dat schoone kind, nam haar in de lenden, en drukte met bekriekten mond een kus op haar wang waarop een rood plaksken bleef, en seffens wierd al wat vrouw was, door het mannenvolk gekust. Het was een gelachen getier waarboven uit het kind kriaalde.

Stans vergat de borst in haar jak te steken en zij zwabberde en waggelde mee met de lachschokken van haar dik lijf. Glazen vielen kapot en flesschen rolden van de tafel.

De zon zakte.

Maar daar op een draagbert brachten twee man de groote tellooren rijspap. Van dees gerecht hong alles af. Iedereen gaf zijn laatste courage. Een magere tooverheks en Pallieter alleen aten hun schotel leeg. En toen moest er staaltje getrokken worden tusschen meneer Pastoor, Marieke, Charel Verlinden en Charlot. Er was een ongeduldig afwachten. Iedereen stond rond Pallieter, zwijgend en zenuwachtig, en een luid gejuich brak los als de dikke boteropkooper het kleinste strooiken trok.

Maar de dikke boer ging loopen. "Pak hem vast!" riep Pallieter. "Charlot, breng de teiloor!" De boeren grepen Charel vast, die spartelde lijk een varken om los te geraken, en Charlot, kwam met de enorme schotel afgeloopen, maar zij lachte zoodanig, dat ze in haar rokken waterde, en de schotel in honderd stukken vallen liet. Charel Verlinden danste verheugd met de armen in de lucht. Iedereen stond te lachen om breuken te krijgen, en Pallieter rolde er van op den grond.

Verlamd en vermoeid gingen zij zitten uitrusten op den groenen
Nethedijk, terwijl de zon de wereld met gouden armen omhulde.

* * * * *

Als zij, tot bij klaren maneschijn, onder de lage takken van kromme appelboomen en mispelaren hadden gegeten en gedronken, gelachen en gedanst, en, tot slot, het kort, rap vuurwerk hun beenen had doen rillen, namen zij met veel lawijd en gepol afscheid van Charlot, en trokken zingend, terwijl Pallieter aan den arm van Marieke op een mondharmonika speelde, langs de vest en door de straten naar de statie.

Daar gaf hij de vrouwmenschen allen een paar klinkende kussen, bij Marieken kon hij er bijna niet uitscheiden, en hij liet haar niet los voordat ze beloofd had binnen kort voor enkele dagen weer te komen.

En ze vertrokken, verhit en luidruchtig, in hun schoon kostuum naar hun ver dorp, om morgen bij zonsopkomst alweer met slechte kleeren in het mest en het groeiende veld te staan labeuren …

En Pallieter voelde dat er iets van hem meeging naar ginder. Als hij thuiskwam lag Charlot in de keuken met ovenrood hoofd op de tafel te slapen, met nevens haar den paternoster en getijdenboek.

In den hof rook het naar verbrand papier van 't afgestoken vuurwerk. De maan scheen en lichtte op stukken flesschen en tellooren, in het gers, door het spuitende fonteintje, en op de ordelooze glazen, eetgerief en vruchten op de tafel.

Pallieter vond het schoon. Hij zette zich op eene bank en zat het stil te bezien.

Heel ver in de stad was er nog kermismuziek, en een nachtegaal floot dicht bij hem. Hij zag hem zitten met den staart scherp profileerend op den zilveren manebol.

Hij floot kort, beluisterde lang zijn eigen, maar elke klank was goud waard. Zoo zat Pallieter daar lang met den schijn der maan op zijn handen, en de nacht sprak tot zijn hart.

Hij ging wandelen.

De Nethe was stil, en slechts nu en dan lekte de maan een guldene plooi in het donkere water.

De beemden lagen vol droom en het gers was nat van den dauw.

De stilte was heilig.

Pallieter wandelde langzaam voort, plukte een natte bloem, die hij tusschen de tanden wiegelen liet, en zijn schaduw wandelde met hem meê.

Hij kwam in het veld, waar de vruchten roerloos in den lagen nevel stonden.

Het koren glom, strunken bogen maanbelicht over met witte bloemen begroeide grachtjes, en de berkeboomen ritselden blinkend hun ijlen blarenregen.

Hij zag het wit gat van een konijntje tusschen de selders weghuppelen, en wat verder nevens een mutsaard zat in het gers een verliefd paar zwijgend te vrijen.

Pallieter ging wat op zijde om hen niet te storen.

Na al het rumoer en de uiterlijke vreugde van dezen kermisdag was hij door dezen volle-maanbelichten nacht geroerd tot in de ziel, en zijn hart smolt van ongekende goedheid in zijn lijf.

Hij dacht aan Marieken, dat goed en zoet Marieken dat hij zoo schoon vond als een veld, wier lichaam hij had omprangd, wier lippen hij had gezoend.

En hij was vol van het verlangen dat Marieke bij hem zou zijn, zoo heel stil, hand in hand, lijk twee brave kinderen.

Er was iets in hem dat hij niet bepalen kon, maar hij liet het rusten, want het was zoo zoet voor de ziel, als voor een warmen mond een koele kers. En aan een plasje waarin de maan stond, haalde hij de mondharmonika uit den zak, en zuchtte en zoog er zulke zachte zilverklanken uit, dat het leek of 't de maneschijn was die zong.

EEN SATERACHTIGE DAG

't Was al wat na de kermis..

Van toen pas de zon was opgegaan en de eerste zwaluwen in de versche lucht aan 't zwieren waren, stond Pallieter reeds op den over-Neetschen Molenberg met een lange voermanszweep te slagen en te kletsen, dat het weergalmde alsof men overal aan 't zweepen was.

Hij stond tegen de steenen pijlers van den ouden, houten molen, en de breede wieken zoefden snel met groot gekraak voorbij zijn neus, en tusschen elken slag zag hij het landschap van de Nethe, bedekt met dikke lijnen morgendamp.

De zon hing nog matgeel achter de grijze stad, waar vroegmisklokken luidden uit kloosters en uit kerken en schril treingefluit de lucht doorsneed. De zon kon op de boomen nog niet schijnen, maar van achter het onzichtbare bosch bolde alreeds een breede wind, die openingen draaide in den doom; en de boomen begonnen te klepperen.

Ommiste koeien loeiden naar malkander.

Pallieter dacht aan Marieken, die sedert dien Zondag in zijn gedachten zat en hij zei:

"O minne zuster, o minne bruid, ghi hebt mi geckwetst met eene van uw ooghen en met een hair van uwen halse!"

Hij dacht aan heur aangenaam gezicht en heur jonge vormen, en harder sloeg en djakte de zweep de opklarende lucht vaneen.

De zon klom; de dunne hemelwolken braken uiteen van 't licht, en blauwe diepten gaapten over de aarde.

De nevelen zakten, en vensters van de stad schoten vuur; de windwijzer van een hoeve schitterde, en daar bedekte de zonneschijn al wandelende het land.

Versch-omgeploegde velden slurpten met groot geschitter de klaarte op hun vettige schellen, dat ze werden als spartelende waters. Er kwam gekraak en gegons van kevers en van vliegen. Pallieter riep:

"Vader zon bevrucht Moeder aarde!"

En hij liep zoo maar rats tusschen de feldraaiende molenwieken door, den berg af in 't natbedauwde veld.

Hij drentelde al zweepkletsend langs wegelkes, hagen en waterkant, en zong het land bijeen.

De nevelen waren weg, en opnieuw openden zich de verten, rijk aan korenvelden en savooien. Pallieter verblijdde zich om de blauwheid van de lucht en den kalmen reuk der aarde.

De hemel draaide rond de wereld vol bloemkoolenwolken, en in een hof balkte een ezel lijk een verroeste pomp.

De meimaand was een gouden hoorn van overvloed. Het Leven was er nu voor goed, de winter was vergeten en de reusachtige zomer stond voor de deur.

Het werk was gedaan. De boomen lieten hun vruchten stoven, de vogelen legden geen eieren meer, en er was een schoone kalmte over de Natuur gekomen als bij een krijger na een heeten strijd.

Dat zijn de schoonste dagen voor de schapen, die met hun lammekens aan hun uiers loopen, voor de sprinkhanen en de jonge visschen.

En de Natuur wil voor niets of niemand iets van hare goedheid achterhouden en hare genietingen hangen zoo maar voor 't pakken in de lucht. Zij is eenvoudig als een kind en goed als eene moeder, en wat zij geeft gaat tot in het leven van de ziel. Dat is de àl-goedheid van de oude aarde, die zich telkens vernieuwt, en door de menschen niet begrepen wordt, daar zij elders zoeken.

Daarom zeiden de philosophen: "Gaat tot de Natuur! Gaat tot de Natuur!" Maar zij zelven keerden hun gat naar de zon, en vermagerden lijk graten tusschen stapels boeken en dichtgesloten kamers.

"Fillesoof zijn is ni schrijve, mor is leve!" zei Pallieter, die met zijn voeten in de parij stond en 't perelend zonnespel aanschouwde.

De zon was zoo hevig, dat ze door de dichtste boomen heelder bundels pijlen schoot en de bladeren bijna doorzichtbaar maakte.

Maar daar kwam, van tusschen zilveren olmenstruiken, iets roods, bloedroods in Pallieters oogen pikken.

Hij sprong over het grachtje, kroop door het gewas, en daar stond hij voor een overgrooten bunder papavers. De klaprozenplek trok over heure wijdheid al het zonlicht naar haar koleuren, en 't was lijk een groote vijver bloed.

Het water liep zoo maar uit Pallieter zijn oogen, en hij zei, met een zucht van bewondering:

"Och, Sint-Jan, worroem staat da' ni in oewen apokalips?"

Hij werd er naar toe getrokken lijk naar een groot geluk, en ineens liep hij erin en verdween tot aan zijn borst in het machtige rood.

De zon vlamde en beet door de groote bloemen, lijk door rood glas, en poeierde van vinnigheid een rooden gloed de lucht in, zoodat Pallieters gezicht ermee omwonden was, en zijn handen en zijn haar.

Hij moest de geweldige klanken rood betasten en bestreelen, en hij sloeg zijn handen in de bloemen, rukte een tuil uit, dien hij in de lucht zwierde al roepend:

"Koleuren, koleuren is alles in alles!"

Hij ging voort, en wilde de begijnenbosschen in, de eeuwige begijnenbosschen, die zijn als een zee, met ook hun eeuwig lied van vogelen of van wind, en ook gevuld met allerhand gediert. Een bosch is als een zee!

Hij drong door 't dichte elzenhout, en stond ineens van witte zon in de koele weidschheid van het overdadig groen. De struiken en strunken van hazelnoten, wilg, olm en eik en dorens nog daarbij, stonden er dicht lijk het haar op den hond. Overal klom de klimop een muur dik, op de bemoste boomen en krinselde zich overvuldig met andere slingerplanten van den eenen struik naar den andere. Hij lag op den grond lijk tapijten. Er was niet dóór te geraken, maar Pallieter kroop door hollekens, sprong over strunken, klom op een schuingevallen boom, liet er zich weer afvallen, verdween onder een klimopgordijn, en zoo drong hij al dieper en dieper in het bosch, dat een berg van zomersch leven was.

Er klonk muziek van honderdduizend vogelen, 't Kwam als een regen uit de zuchtende takken gevallen, en in de lucht en op den grond gonsde het van vliegen en insecten.

Waar een plekske zon lag zaten de hagedissen als steenen beeldekens; broodkoleurige krekelschelpen plakten op de wildgewassen struiketwijgen en overal roerden rupsen, slakken, spinnekoppen, duizendpooters, motten, pieren, kikvorschen, padden, mollen in en op den grond, die rook van al dat leven. Visschen, dikkoppen en wormen in het trillende water van beken en moerasjes.

De bosschen zijn het hart der aarde! Overal was de weldadige reuk van mos en sappig hout. En dan de boschbeziën, die roode boschbeziën met een rhijnsch smaaksken achteraan! Pallieter zijn lippen zagen er purper van. En zoo drong hij heên door een wellustige overdaad van leven en groei, tot hij kwam in het eigenlijke woud.

Daar deed hij zijn hoed af, bleef getroffen staan, en voelde zich geen duim meer groot. Hier waren geen struiken, maar uit den rossen bladgrond rezen overal de grijze, gladde beukenboomen lijk keersen recht omhoog en spanden ginder boven met dicht bladerengewelf het zicht des hemels af: zij reiden zich achter en nevens elkaar tot een onmetelijke diepte van boomen, die heel ver vergroeide tot een grijze houtgordijn waar lucht noch land doorspierde.

't Was hier een licht alsof de avond al aan 't dalen was, en stil lijk onder water.

En om iets te hooren riep hij met de hand aan den mond: "Pallieter!" Zijn naam gaf een galm lijk in een kerk en viel, na drie echo's door in de verre grijsheid van het bosch.

En dan begon hij zoo luid en zoo lang te lachen, dat de eene echo tegen den andere botste, dat er overal lachers waren, hier, daar, voor en achter hem, en terwijl de weergalmen kruisten, daverde de lach gedurig uit Pallieters mond. Heel het bosch lachte.

"Nij hemme de boeme gesproke," zei Pallieter, en zingend liep hij verder.

Het woud was lijk 'n hooge zaal. Hij bleef zien naar een koninksken dat tegen een boom opklom en naar roodgevlekte, wondergroote paddestoelen aan den voet der boomen.

Overal lagen konijnenkeutels, en de diertjes ervan, door Pallieters lied verschrikt wipten in hun holen. Hij zag een vossenklem. Met een stamp deed hij ze afschieten, en haar onder den grond stoppend zei hij:

"Oemda de vos gi gers èt, mut hem steurve! Arme voskes!"

Pallieter dronk zijn dorst af aan een handgroot watervalleken, 't begin van een beek. De boschreuk hing om hem, zijn frak en zijn handen zagen groen van mos, zijn lach dreef nog ievers in de verte, en de boschstilte suisde nog in 't diepste van zijn hert! Hij had het bosch gevoeld!

Hoe jammer dat hij zijn jachthoren niet had meegenomen, om al de diepste diepten voor zijn gehoor te laten opengaan!

"Mor da's veur later!" zei hij, en hij liep terecht in de vette weiden, overgoten reeds, van zware, sterke zon, en bevlekt met bruine, witte en zwarte koeien. Hij ging door het losse gers, en de opgekomen honger deed hem zien naar de roze uiers, die vol zoete, warme melk hingen.

Het water kwam hem in den mond. Hij had maar te trekken om ervan te genieten en de groote goesting deed hem zijn zweep neêrleggen. Hij rolde een stuk papier tot een puntzak, zette zich onder een koe, trok aan eene der tepels en zie! de straal witte melk spoot ruischend en schuimend in 't papier. Als 't vol was dronk hij hem leeg en het bekwam hem zoo goed dat hij er drie zakskes van tapte. Hij hoorde de naar boter smakende melk in zijn holle maag boebelen; het lekte van zijn kin tot in zijn hals, en hij zei tot de koe:

"O wandelende herberg, wees gedankt!"

Al verder gaande wierp hij van voldoening over de weiden de luide knallen van zijn zweep, en hij dacht:

"Marieken is hier nog te keurt!"

O! haar bij zich te hebben in deze paleisachtige natuur, haar te mogen omvatten, met haar in zijn armen over de beken te springen, samen met natte kussen door het zachte gers te rollen, en zijn gevoelige vingeren te laten leven op haar gezond vleezeken! Oh!…

En zonder het te willen zag hij haar in zijn verbeelding, dwars door haar kleeding dóór. Hij zag niet meer het blauwe kleed met witte bollekes, maar een poezelig naakt lijveken met schoon geronde vormen.

Hij deed zijn oogen toe van teeder genot, en zong op haar:

       "Marieke, pirrewieke,
       pirrewitje kandieke,
       pirrewitje kanditje,
       verrumpeld Marieke!
  o zallef, o heunink, o boter der ziel!"

Pallieter begon van zoet voorgevoelen met de zweep te djakken, stampte de molhoopen uiteen, liep en draaide, met de voeten los van den grond, rond de jonge boomkens, en zette het dóór het gers en de hooge bloemen op een loop, tot hij buiten adem op den Nethedijk terecht kwam.

De Nethe was hoog, en droeg zoo klaar gelijk de lucht de wolken van den hemel.

Als Pallieter dit groote, ijle water zag, dat aan den overkant zoo zuiver de gele en purpere bloemen weerkaatste, dan zakte de kalmte weer in hem, en hij werd stil zooals een mensch na diep gebed.

Het waterelement klotste machtig in hem óp, en op 'nen één-twee-drie, stond hij bloot, sprong in een spettering van zon doorschenen waterperels in de Nethe, en zwom naar de bloemen.

Het was een reuk als van warme rijstpap; zijn gemoed kwam ervan naar omhoog en hij wist van diep zielsgenot niets anders te doen dan fonteintjes omhoog te spuiten, die nederpletsten op zijn blinkenden buik.

Als hij daar zoo een heelen tijd in 't water had gelegen, en drie gebolzeilde schepen had laten voorbij drijven, kwam hij er terug uit.

En hij liet zich afdrogen door de goede zon, plukt een pisbloem af, stak ze tusschen de tanden en wandelde naakt, de handen op den rug, een kikvorsch achterna, die verschrikt voor hem uitsprong.

* * * * *

De noen stond in zijn heete stilte op de boomen, en Pallieter lag onder een aalbeziënstruik te slapen.

De hof was licht en stil. De kiekens lagen in het zand en de twee ganzen stonden nevenseen door de haag te gluren.

Er was een voortdurend gegons in en rond de bieënkorven, en van uit de keuken kwam de gedompte stem van Charlot, die kerkliedjes zong.

De bloemen stonden beweegloos in hunnen reuk en het water van de Nethe was schelblinkend als de rug van een visch.

De beemden sjirpten en de molens draaiden niet….

't Was de reuk van koffie en gebakken haring die Pallieter deed wakker worden, en al geeuwend riep hij: "Heb dank, o Heer, die man oegen ope doe om neif plezier veur manne mond!"….

't Waren vette haringen, wit lijk zilver, met een echten smaak van vleesch, en als hij ze binnen had, zong hij:

"Alle visse zwumme, "alle visse zwumme, "b'halve die gebakken zijn…."

"Bruur," kloeg Charlot, "er is gin botermelk oep de Waterschrans…."

"Got er halen nor boerken Aap!…

"Wa peisde wel," valt ze kwaad uit, "zoe'n dik mensch alleen, zoo ver me zoe'ne zware stoop, in zoo'n heette late gaan! Mor zadde ni beschomt?"

"Willik meegaan?" vroeg Pallieter pinkend.

"Kunde allien ni gaan?"

"Om ginne woroem, meske!"

"'k Zal 't ontijve!" zei Charlot. "Wacht mor tot da ge mij is noodig 'et!" en ondertusschen stak ze door nen koperen melkstoop een mispelaar. En samen gingen ze langs het achterpoortje van den hof de klare velden in.

De wegen waren wit in de zon, en de lucht hing vol hommelengegons, lijk het uitsterven van groote klokken.

Zij namen de kortste binnenweggekes en voor elken steenen kapelleken maakte Charlot een kruis, en daar waar de kersen wat laag over de haag hongen plukte Pallieter ze af, en deelde met Charlot. De zon scheen door hun kleeren heen op hun dikke buik, en het kersensap verkoelde hunne darmen.

Ze moesten ievers over een grachtje springen, doch Charlot durfde niet en vroeg:

"Zet er mij is over, bruur!"

"Dan valle w'er samen in! Maar doet â kousen uit en baad er deur, ik zal oe 'n hand geve!"

"Watte! ikke dor deurgaan! Het water komt zeker tot on man knieë!"

"Allez toe! wat is da' na' da'k oe knieschijf is zien!"

"Noet of van zelêve ni!" en ze keek langsheen de beek of ze nergens wat smaller werd.

"Allez toe, meske, zievert ni!" maande Pallieter.

"Draaid-oe dan om, dagge ma' ni' zie," zei ze gebiedend.

Pallieter keerde zich om, en hij hoorde Charlot heur kousen uitdoen, heur rokken opheffen en voorzichtig in het waterken gaan. En als hij wist dat ze omtrent in 't midden was, draaide hij zich plots om, zag haar witte, dikke billen, en schoot in eenen luiden lach.

Charlot wist van 't verschieten niet wat doen, sloeg met de gauwte haar rokken naar omneêr zoodat ze seffens mestnat waren, en liep dan lijk een bezetene terug uit de beek. En dan begon zij Pallieter uit te schelden voor aap, ballonnekeskop, lange vrijdag, schijnheiligen duuvel, tot ze geen asem meer kon scheppen. En Pallieter stond op den overkant te lachen dat hij rood zag lijk een kers.

"Neeë," riep Charlot, "ik gon nog liever vroem nor huis dan hier deur te gaan!" en ze trok een gezicht, als wilde ze gaan weenen.

"Ni schrieve, Charlot; kom ik zal er oe overzette!" En meteen wipte hij over de beek, nam de kwade Charlot in zijn armen en droeg haar met veel moeite door het waterken. Hij brak er bijna onder, en zij omklemde hem, met in iedere hand een kous, drukte haar hoofd tegen het zijne, en prevelde luidop eenige schietgebedekens. De schrik lag te pakken in haar oogen.

"Ziedaar, geloovig vliespaleis," zei Pallieter haar neêrzettend.

Charlot bleef kwaad, en sprak onder 't gaan geen half woord meer.

Pallieter zag naar de schoone landen, en smoorde een groote, houten pijp. De lucht was stil lijk een vijver, en de smoor ging recht naar omhoog. Er hing een sperwer heel hoog aan den hemel, waarin drie kleine wolkskes dreven.

Pallieter zag Charlot koppen en zei:

"Ge mut dezen avond is nor Marieke schrijve dat ze na komt."

"Och ja!" riep ze luid van overmatige vreugde, "wa zal da plizant zijn!"
En heel den weg lang hield ze haren mond geen Ave Maria meer stil.

Ze dronken op de hoeve een pint, en gingen terug, doch langs eenen anderen kant, terwille van de beek.

Het wit licht van de zon was nu verguld, en de schaduwen waren eens zoo lang geworden. Héél de lucht was veranderd in een "schaapkesmerkt", allemaal kleine witte wolkskes tegeneen gedrumd. Het zakkend licht raakte ze, en ze werden roos lijk pasgeboren kinderen. Voorbij een boschken openden zich de verten van de sappige weiden. En God! de weiden waren lijk vuur en vlam.

"Charlot, scheid eruit van Marieken!" riep Pallieter. "De zurkel brandt!
De zurkel brandt!"

Elk blad van den verschgeschoten zurkel slurpte een lek op van het zonnelicht, elk blad brandde ervan, héél de wereld brandde ervan!

Pallieter stond bijna te rillen op zijn beenen van bewondering en hij zei:

"Artiste mè en zonder haar, komt allemol zien, en goeit alle gal en botermelk in de stoof!"

Het was lijk brandend water; er was nog licht in het licht, 't was als geest in geest, als iets dat niet meer van de aarde was.

"Komt voort," zei Charlot, "wat is er nij on roeë zurkel te zien!"

"Wacht toetda 't gedaan is!" en Pallieter roerde niet meer.

"Dan geun 'k allien voert," zei Charlot en kwaadweg nam ze den stoop aan den arm, en scheefgebogen door 't botermelkgewicht ging ze de kronkelende wegelkes in….

De aarde draaide vóór de zon, en als er in het Westen nog wat vlammen hadden geflakkerd, hing het Oosten al vol blauwe duisternissen met één witte ster.

Toen ging Pallieter voort.

De avond vulde de lucht. De boomen stonden zwart en stil, en de eene ster na de andere sprong te voorschijn in het blauw. Pallieter zijn hart ging open voor den vrede van het land. En zoo stil lijk het was rond hem, was het in zijn hart.

Twee boeren, elk met een hooge zeis op hun schouder, kwamen met doorzakkende knieën over den weg—zij zwegen en rookten, en wat kwijnend licht glom aan het punt van het staal.

In gindsche stilte naderde traag en dof kargedokker.

Daar herkende Pallieter het wijf van Peterus, den ooievaar, die roerloos en aschgrijs in den avond, met zijn steltpooten in het water van een beeksken, nog te loeren stond naar visch.

De geur der toeë bloemen dreef zachtekens over het gebogen gers.

Het kargedokker was nu dichterbij gekomen, en Pallieter zag tegen het vale licht van den grond de gaande pooten van het paard en het onregelmatig scheefschokken der hooge wielen.

En boven op het opgeladen gers herkende hij de meid van een boer uit de geburen.

"Eh!" riep Pallieter, bij een plots gedacht, "mag ik oep oe kar kome?"

"Ja, kom mor!" riep ze verblijd.

En met twee passen naar omhoog zat hij nevens haar op het doorzakkende gers.

Hij lei aanstonds zijn arm om haar dikke heupen, en het geschok der kar stootte zijn lichaam tegen het hare; hij omprangde haar vaster, en gaf haar een kus op de bollige, vaste kaken. En nu begon hij haar van alles te vertellen dat zij met gedempte gicheltjes beantwoordde.

Het paard ging met eendere, luie passen voort, en de kar schokte luider in den opgeklommen avond.

Stilte omringde de wereld en de sterren stonden grooter en talloos in de schalieblauwe hemelrondte.

Een uil vloog met slappen vleugel laag over de kar.

Ze lagen zwijgend naast elkaar, en zagen niets dan de groote lucht, en al de sterren gingen meê met hen. Zoo dokkerden ze voort tot ineens het paard hinnikte.

Zij sprong op en zei haastig:

"Allez toe, eraf! We zijn er, spoed oe!"

"Nog, iest e kuske! Tot te neuste kier!" En hij sprong van boven van de kar.

Zij antwoordde niets, riep "Dju!" tot het paard, en trok feller aan den toom.

Pallieter zag de sneller gaande kar in den donkere verloren gaan, en zei tot zijn eigen:

"Onvoorziene liefde smokt het best."

En fluitend ging hij over de vruchtbare, slapende velden naar huis.

HET VLIEGTUIG

Marieke was gekomen!

Zij bleef er al drie dagen, en Pallieter was blij gelijk een merel in den uitkoom.

Al de zielestreeling, die het open veld hem gaf, verkreeg hij nu ook rijkelijk door haar.

Het was alsof zij de buiten was in persoon. Hij mocht tegenover haar staan, heel natuurlijk, zooals hij was tusschen de sleutelbloemen en het riet.

Zij was openhartig lijk de wind, die zijn liederen over de Nethe rolt, en zij was goed gelijk de grond, die lisch en klaver geeft.

Hij werd warm als hij haar aanzag en haar bijzijn brak zijn hart open. Het was al leven wat er aan was; als haar mond lachte, was het omdat haar hart lachte; dat vleesch was gezond en vol blijde levenskracht, als een stuk gesneden uit Aprilschen grond, 't Was sap!

Wie de natuur liefheeft móest haar geren zien. En Pallieter deed het. Och, hij was toch zoo blij dat ze daar was; hij had haar kunnen kraken en opeten en pijn doen, uit hij wist niet welk gevoel.

Hij zei: "Als d'aarde oet ne mensch zij make, zij z'r iene make lak
Marieke."

* * * * *

Terwijl zij in den Reinaert woonde, vierde de wereld het feest van den langen zomer.

De heete stond op de wereld geduwd, en 't sap kookte in de boomen.

Maar op tijd kwamen zoete, malsche regens de aarde vettig houden, en de lucht bleef frisch en puur.

Dat was voor het innerlijk leven der aarde een overgroot geluk; want nu kon zij alles geven waar haar hart van oppropte, en lijk een oploop van de zee welden al heure goedheden naar omhoog.

De hoven zagen rood van de kersen en de velden geel van 't graan!

Het gers stond dik lijk moorkenshaar, en de vlinders, die wandelende bloemen van de lucht, wemelden lijk blaren in den herfst over de dichtbebloemde wegen.

Was er ooit zooveel snoek in de Nethe en paling in de grachten?

Er ontbrak nog melk en honing in de beken.

Maar voor Pallieter was het zoo ook goed. Want is elke streek der aarde geen beloofde land als er de beloofde man maar is? Zet er een duitenkliever of een handelaar, en 't melk wordt dun en blauw, en de honing vol patattebloem…. Maar 't was een dubbele zomer, een van de duizend!…

En op een dier morgenden, als de dag paskes in de lucht aan 't klauteren was, werd Pallieter al zingende wakker. Doch ineens zweeg hij, want hij zag van uit zijn bed de eerste maaiers in de beemden staan.

Er ging een klop in zijn hert, en in zijn hemd liep hij naar de kamer van Marieke, en riep door 't sleutelgat: "De maaiers staan in 't gers! Kom zien, kom rap!"

Daarmee liep hij terug naar zijn kamer, schoot zijn broek aan, en begost weder aan Mariekes deur te roepen en te kloppen.

Na veel lawijd ging de deur open, en daar stond Marieke op heur bloote voeten, in een rood katonnetten kleedje en een witte zakneusdoek om den hals.

"Och hoe schoon!" ontviel het van zijn lippen, en het was alsof er aan elken vinger een draad was, die hem naar Marieke trok. "Kom," riep hij, "of ik val!" en hij greep haar hand, en zij ritsten van de trap, staken hunne voeten in gerookte kloonen, en liepen in den hof. Maar daarbinnen in den stal, stampte de merrie, en Pallieter kreeg ineens het goed gedacht te paard te rijden.

Zij draaiden de staldeur open, en haalden Beiaard, de witte merrie, buiten.

't Was een kolos van een paard, met aders op zijn lijf een manspink dik.

't Schudde zijn grooten kop, en de dik opeengepakte krullende manen, die langs weerskanten zijn breeden nek hingen, wapperden lijk een vlag.

Rillingen van genot liepen over zijn huid, de felbehaarde pooten stampten putten in den grond, en zijn lange staart sloeg heen en weer.

Het hinnikte en 't was lijk een feestelijke lach die over de velden sprong.

Pallieter zette Marieke scherlings op den ronden rug en plaatste zich achter haar. Beiden zonken weg achter den struischen paardennek en zij moesten hun kop bezijds steken om iets van 't vóór hen liggend landschap te overzien.

En, de schuimende snuit naar de breede borst gebogen, stapte Beiaard op den Nethedijk, en zijne groote pooten klopten plat en zwaar lijk hamers in het roode zand. Alles bewoog wat er aan was; het genoot en snoof de klare morgenlucht, en was spelend als een veulen, sloeg zijn kop omhoog en opzij, wipte zijn achterste pooten in de lucht, en hinnikte aanhoudend.

De buiten was frisch en rook bezonder fijn. De weelde van den nacht leefde nog onder het gers, en op de Nethe rok en kronkelde er zich wat witte damp, maar de verten waren klaar.

Er hongen drie leeuweriken te trillen in een lichtgroene lucht, en de laatste ster verwaterde in het uiteenloopend licht van de opstijgende zon.

Zij kwamen aan de beemden, hier en daar met ploegen maaiers bezet.

Pallieter deed de merrie staan, en overzag met blij gemoed dit rijke zomerwerk.

Er hoekten reeds breede straten van afgesneden gers doorheen, beekwater werd zichtbaar hier en daar, en de gerssapreuk kwam met stooten uit de lichtgroene afgemaaide plekken.

Overal gonsden de zeiselen; er klonk van alle kanten gewet en geklop op het klankgevoelig staal en de woorden van mannen en vrouwen—klein en miniem onder het hoogopklimmend geweld van de lucht—waren in de beemdenwijdheid groot en lang.

En swenst opende zich de zon en stak de wereld vol van licht tot over de horizonnen.

Dat spoot stralen uit de zeisens.

"Kom," zei Pallieter, "de zon heed de zeiselen geweeën."

En met een "dju" reden ze verder langs den molligen weg en klaterende boomen, de open velden in.

Beiaard draafde op gelijken pas en zijn pooten klopten dat de aardvlokken boven hun hoofd vlogen.

Zij lachten van genot en lieten zich mee opwippen.

De paardwarmte drong door hun billen en rond hun kop liep de frissche morgenlucht.

Zij reden nevens groote korenvelden, met roode papavers en blauwe korenbloemekens aan den boord.

Soms kwam een adem wind over de aren gewandeld, en dan gleed er op het gele koren een blinking van bleek goud.

Een haas schoot schuins over den weg en daar in versch omploegde voren, tusschen witte kiekens kraaide een groene haan.

Duiven toerden boven de hoeven, en waren nu eens zwart en dan weer wit, en soms hun vleugelen doorzichtig in de zon.

Dien morgen was er ievers een koekoek.

Marieke lachte, en het tippeken van haren witten halsdoek bleef achteruit staan en klappertrilde van den wind en van het rijden.

Met scherlings op het paard te zitten en door 't geschok, waren hare rokken hoog en hooger geschorst, en alzoo zag Pallieter, ten volle uit, haar bloote beenen en boven hare rechterknie den witten garen kant van hare broek.

En dat deed hem het veld en de alderblauwste lucht vergeten.

Hij kost er bijna niet van spreken, en zijn hart sloeg er een klopken rapper van. Hij werd er heerlijk en uitbundig van, en hij boog zich naar de korenaren, trok er een handsvol uit met wortel en al, en draaide er mee boven zijnen kop.

Hij riep "Dju, Dju!" en Beiaard versnelde den pootslag en rok zijn lijf wat langer uit.

't Werd een rappe rit nu op den malschen weg, die kronkelde en keerde lijk een ardeenschen waterloop.

Beiaard hong er in 't keeren scheef van, en Marieke wrong de manen rond haar handen en gichelde van 't lachen.

Zoo kwamen zij op den veldhoogte vol met groen en graan.

Daar hield Beiaard stil, en versloeg zijn dorst aan eene beek.

Marieke keerde zich om tot Pallieter en was buiten asem, hare boezemkes gingen rap op en neer, zij kost er bijna niet van spreken, en dopte het zweet met haar halsdoeksken weg.

Zij bezag Pallieter voldaan, en hare oogen werden grooter dan anders. Hij tikte op haar handen en wees haar de vier torens die men van hier zien kon liggen: Duffel, Mijlstraat, Huut en Mechelen.

Nu lag de Reinaert ver vandaan, heel ver achter de boomen aan den achtersten Nethedraai.

Van hier gezien was 't Netheland weeldrig en uitverkoren als een borst der aarde.

De korenvelden, en bruine en groenbeplante grond, met hoeven en hooge boomen er op, zakten verdeeld in ongelijke vierkanten naar de lage beemden, die zonken in de Nethe, en aan den overkant rees de grond er even vruchtbaar uit, maar was onzichtbaar door het hevige licht der zon.

Het licht hing in het dal gelijk eene dichte wind, en Pallieter en Marieke konden slechts met één oog toe en één oog open de uitgestrektheid zien.

En met zijn platte hand het dal aanwijzend, zei Pallieter:

"Dat is man beste kamer! Man salon! De loecht is man plafon, de zon man horloge, het gers is man tapijt, de regen man gordijnen, mor … man bed is zonder vrijw!"

Marieke werd rood, glimlachte, zag eens zonder dat ze 't wilde,
Pallieter rats in zijn oogen, en zag dan naar omlaag.

Pallieter had het gezien, het zei hem meer dan genoeg, en het was alsof men hem een poort opendeed vol riekende appelen.

Zoo was er dan een stilte rondom hen, terwijl in ieders hart het grootste ding gebeurde.

Maar ineens kwam er van uit de kleere lucht een geweldig geronk. Zij zagen beiden naar boven en, God! heel hoog in de hevig-blauwe lucht hong een wit eendekker-vliegtuig, dat met groot gesnor, effen als op water, door de lucht schoof.

Met beide armen er heen wijzend, liet Marieke een kres, en Pallieter zweeg van aandoening lijk een steen, hij vloekte binnensmonds van bewondering, werd wit lijk melk, en er kwam een traan in ieder oog.

't Was toch schoon: gracielijk als een reiger, zonder schok of stoot, veerde het kalm door de lucht, met zijn vleugelen en zijn staart schrilwit op 't warme blauw.

De lucht was vol stralen geronk, en al de menschen in het dal liepen van hun werk en uit hun huis, en zagen naar omhoog.

"Nen engel heet er ni aan," zei Pallieter stil.

"Neeë," zei Marieke, "ik kan man oege ni geloeve!" En zwijgend volgden ze, met het keeren van hun hoofd de wending van zijn vlucht.

Het was alsof er iets heiligs over de wereld kwam. De duiven schoten verschrikt weg, en overal waren stemmen van roepende menschen.

Maar ineens scheen het vliegtuig als stil te staan, lijk doet een valk als hij zoekt; 't deed een zwenkende beweging, sneed sierlijk een halve ronde over de landstreek en dan ineens met lenige lijn, stak het van uit die duizelingwekkende hoogte recht naar beneen en kwam schoon gelijk een kraai, in de weiden, aan den overkant der Nethe.

De koeien, die er gerust te grazen lagen, sprongen verschrikt op en liepen in groote verwarring weg; er waren er bij die al waterend weghuisden, met de pooten uiteen en den staart recht omhoog.

"Kom!" huilde Pallieter.

"Mor 't water!" riep Marieke bevreesd.

"Water, water, water! Over het water! Dju!"…. En hij gaf Beiaard twee stampen, greep naar den toom en raffel! daar holde Beiaard er van door, recht vooruit.

Het paard werd lang, de pooten raakten bijna geen grond meer, en de manen en de staart stonden achteruit; het reed de lucht kapot, en klotten aarde vlogen in de lucht en in de boomen.

Pallieter en Marieke zaten gebogen, hieven zich op om lichter te zijn en de boomen schoten voorbij, het koren was een bleeke ritseling en de grond als een rap water.

Pallieter riep en vloekte maar "Dju! Dju!"

Rechtdóór ging de rit, rats door de savooien en de peekens, over de grachten, door elzenhout, altijd maar recht door, de aarde dreunde er van, en vogelen schoten op, en kiekens stoven kakelend uiteen!

Pallieter zag eens op. Over alle wegelen en het veld kwamen menschen aanloopen, en daár, daár lag de Nethe hoog en stil.

Pallieter zijn kloonen vielen uit, Marieke liet een kres, en Beiaard plonsde met daverend geluid in het malsche Nethewater!

't Was lijk een bom die sprong, een lichtgestraal als van honderd hevige fonteinen; het water kwam er van naar omhoog, klotste witte baren open, en smakte en kletste tot op den dijk.

Het water kwam tot aan hun borst en sloeg op hunne schouders.

Snuivend zwom Beiaard in het waterrumoer over, en hief zich met veel moeite, druipend lijk een regenwolk, op de dijk.

Ginder lag het vliegtuig, rondom met menschen bezet, men kost over de koppen loopen, en een macht van waterkletsen verspreidend, kwamen zij er vóór. Het volk stoof verbaasd uiteen, en daar stond het vliegtuig wit en licht, als om met een hand maar op te heffen.

Ze waren twee vliegers, beiden in lederen frak en een wollen pots over de ooren.

Terwijl de eene in den zitbak olie goot, vijsde de andere aan de geweldige peerleeren schroef. Pallieter vroeg:

"Hoeveul vraagde oem het Scheld te laten zien!"

De beide mannen lachten om deze vraag, en weigerden beslist. Maar Pallieter blééf aandringen, verhoogde telkens den prijs, tot zij eindelijk toegaven.

Hij wreef in zijn handen en zei: "Nij gaan we is samen in het rijk der zon."

"Er is maar voor twee man plaats," merkte de stuurman op.

Het viel lijk een steen op Pallieter zijn hert.

"Da's spijtig, hé kind," zei hij, "mor 'k neem oe dan mee in mijn ziel."

Marieke was ineens verlegen, en streelde de manen van het paard….

Een der vliegers gaf aan Pallieter zijn lederen frak, en dat zijn broek mestnat was, deerde niet. 't Was frisch!…

Hij zat nu achter den vlieger, die het roer hield, de andere trok eenige keeren aan de schroef, die ineens zoo hevig begon te draaien dat ze onzichtbaar werd, en Pallieter kreeg het geweld van duizend winden op zijn neus, de mannen hun hoeden vlogen af, en de vrouwenmenschen hun rokken naar omhoog.

De schroef brulde, en daar rolde het spel een vijftig meters hobbelend voort, en loste zich weg van den grond zonder dat Pallieter er iets had van gevoeld.

Op een wip zag hij de boomen reeds onder hem, het volk liep van verwondering mee, en ginder, in 't rood op 'n wit paard, reed Marieke op den dijk, zij wapperde met haar zakneusdoeksken, en riep "tot straks, tot straks!" maar daar hoorde hij natuurlijk niets van.

Met een geweldige snelheid ging het vliegtuig hooger en verder. Hij zag verbaasd rond over de wereld, die onder hem lag, waar alles ineenkromp en versmolt, 't Was alsof hij zitten bleef en de aarde rap draaiend in de diepte viel.

Er was niets zwaars meer aan hem alsof hij zonder lichaam was.

Hooger en hooger! en overal zag hij de blauwe horizonnen, die zich meer en meer optrokken.

Wat waren de begijnenbosschen, de huizen, de dorpen, torens, velden, en boomen en de Nethe! 't Was als iets om met een vergrootglas te bezien.

Overal was het licht, en vierduizend meters onder hem lag heel de wijde wereld open, schoon en heerlijk en bedwelmend als de oplossing van een groot mysterie.

"Och wat is den aardbol schoen!" zei Pallieter.

Heel de lucht was gevuld met het geluid der schroef: 't was alsof zij er op gedragen werden.

Pallieter zijn ziel groeide van geluk; zoo op de open lucht te zitten, een deel van den wind te zijn, doorzinderd en omringd te worden van licht en lucht, en er doorheen te schuiven en te snijden als een pijl, op weg naar iets eeuwigs! Hij was als dronken van ruimte! En daaronder lag de wereld zoo schoon en innig van zon en van koleur, zoo vol, zoo volstrekt, machtig en heilig als het einde aller dingen.

Pallieter was er van ontroerd en zei vloekend: "Hoe schoen, hoe schoen!" … en dan … "O dank mijnheerken God, dat gij mij op aarde hebt geblazen!"

Maar in de diepte bochtte smal en blinkend, de Schelde door de streek, en daarnevens lag een handsgroote, roode plak, en dat was Antwerpen, die groote stad met haar duizend huizen en honderd straten! en ginder heel, heel ver waar de stroom zich aan den horizont verloor, stond de witte, matte blinking van de groote zee! En ginder lag Brussel, Mechelen en overal kleine steedjes en dorpen! Pallieter kost er tien met één hand bedekken en hij zei:

"Dor wone na de mensche!… Dor woene ze na, die denke da z'allemaal gelijk hemme!… Een scheet in een flesch! Och, Thomes à Kempis, als g'in e vliegmachien had gezete, oe boekske had duizend kieren iens zoo schoen geweest!"