ZOMERREGEN
De avond kwam, en de geur der witte rozen hong in de gele lucht.
Pallieter was stil en smoorde langzaam zijn pijp, terwijl hij, tegen een boom geleund, zijn verschgereven hof bezag.
Het groote lucht-en lichtgenot was met den avond in hem bezonken, en nu was er in zijn hart een overgroote kalmte.
De smoor, die uit de schouwpijpen van 't begijnhof steeg, vervloeide tot een witte lijn, die vóór de vesteboomen roerloos hangen bleef.
Drie reine klokkenklanken tampten uit het torentje, en het was alsof er driemaal op Pallieters hert geklonken werd.
Het torentje stond zwart op den ambergelen hemel, en Pallieter slenterde over de vest, naar het witte, eenzame begijnhof.
De grijze schemering trilde langsheen de witte muurkens, en de kasseien lagen bleek. De huizen schenen ééns zoo hoog, de deuren toe, en de stilte vulde de straten…. Slechts twee zwaluwen scheerden sjirpend heel hoog in de lucht.
Pallieter ging op zijn teenen, bleef luisteren naar de stilte, en ging de kerk in. Er was niemand. De glimmende stoelen stonden ernstig op roten, en de godslamp was als een oog. Hij zette zich neer, en deze ongebroken geruchteloosheid deed hem van vrede de oogen sluiten. Zijn ziel opende zich in hem en al het andere was als een vergeten droom … zoo zat hij.
"'k Heb God gevoeld, mor 'k blijf toch mensch," zei hij.
Als hij buiten kwam, was het geel uit de lucht, en hongen er grijze wolken—maar de dag was nog niet dood.
Bij Pallieter stonden al de deuren open, en was het binnenshuis nog donker. Er was niemand …
Onder het afdak zag hij het punt van de zware zeisen glimmen, en hij kreeg een verlangen om er mee te werken. In den hof sloeg er een merel nu en dan een regel blijde klanken uit, en Pallieter zei: "Da's regen."
Hij ging maaien in het peerdenbeemdeken. Hij wette het staal en het klonk verweg in den kalmen, zwaren avond. Hij scheerde de zeisen door het gers, het gers viel om, en het staal ronkte.
Pallieter had bij het maaien groote bewegingen, en stond grootsch en donker afgeteekend tegen het bleek licht van den uitgestorven dag, en het licht ging van zijn zeis niet af.—
Er kwam ineens een geritsel door 't gers en in de schemering zag hij een tuil gele bloemen, en wit daarboven het hoofd van Marieke. Hij was blij, en zij kwam nader, zeggende vol bewondering: "het was of dat er ne reus on 't maaien was."
"Mak is rieke?" zei Pallieter en hij duwde zijn gezicht in de malsche bloemen.
"Ze zijn vor ij," juichte Marieke stil.
"Ik riek er oe zieltjen in, och kom"—en hij nam de bloemen in zijn arm en zag haar dankend aan. Hij voelde zich als een kind.
"Kom," vezelde hij, "lot ons neerzetten, en vertelt is, wor ge die geploekken hed." Hij zette zich neer in 't afgemaaide gers en lei den ruiker open op zijn schoot. Zij zette zich nevens hem en vertelde traag, dat ze met Charlot naar het veldkapelleken van Sint Anneken was geweest om te bidden, onderwegen had zij bij een boer, die schoone bloemen gevraagd, omdat hij, Pallieter, zoo dikwijls naar hun honingreuk verlangde.
Zij zwegen. De boomen stonden stil en, van uit de donkere keuken, kwam luid rozekransgeprevel van Charlot.
Ineens zei Marieke verschietend: "Een lek, het regent!"
Pallieter hield zijn hand open, en, na wat wachten, kletste er een groote koele druppel op. "'t Is goed gelak gesmolte boter," zei hij.
En uit de onzichtbare lucht, viel er langzaam, nu en dan, een groote regenlek. Dan hier en dan ginder. Zij hoorden ze op de boomen openkloppen, voelden ze op hun hand en op hun neus komen, en in de geplukte bloemen versmachten. Nu eens kwamen er wat meer, lijk met een volle hand uitgestrooid, dan was het weer stil, om na eenige hartkloppingen, weer hier en daar er een te hooren vallen. Elke lek kreeg een bijzondere waarde.
De bloemenreuken schoten los en vloeiden langzaam, omwentelend rondom hen, en de merel in den hof stootte helderdiepe klanken uit een gladde keel. 't Waren klankslagen van wellust, de deugd van 't lavend water op zijn lijf. 't Scheen Pallieter dat de zotte vogel meteen van de aangename waterlekken in zijn bek aan 't zingen was, zoo brobbelden, dansten en klotsten de klare noten in het rond. Er waren klanken bij, waarop hij zoog en smakte, ze weer inhaalde, en dan als een glad bolleken kristalhelder uitspeekte.
En "Wees gegroet Maria" ging het maar gedurig in de keuken. Haar gebed was als iets dat groeide.
Pallieter vong met zijn tong een lek van zijne lippen, en zag naar
Marieke, en zei ontroerd:
"Is dezen avond na ni oem te smilte, Marieke?"
Zij zag hem aan en zei niets. Hij nam haar hand, die nat was, en verborg ze onder zijn tien vingers.
"Och Marieke!" zei hij, en hij had haar hand kunnen kraken, want zijn hart kwam omhoog van liefde, 't was alsof zijn ziel moest losbarsten.
Hij trok haar meer tot bij zich, maar zij boog het hoofd en hij zag niets meer van haar gezicht.
"Marieke," zei hij nog eens in een zucht. Maar zij verroerde zich niet en zweeg. En de groote regenlekken tokten langzaam op de blaren en de merel haalde fluitend het laatste steeksken licht uit de lucht. Maar in de keuken viel het stil, en plots schoot het venster vol geel licht, en Charlot riep aan de deur: "Komt algijw binnen, het regent, en het eten is bena gereed!"
Marieke trok haar hand uit die van Pallieter, stond op, en ging zonder iets te zeggen weg.
Pallieter bleef versmacht onder het gelukkig gevoel, dat Marieke hem ook lief had, liggen, strekte zijn beenen uit, en liet den malschen regen als een balsem en bedwelming op hem neerkomen.
DE WALKUREN-RIT
Het was stikheet en laf. De zon brak den grond vaneen, de legumen stonden als in arduin, en flets gelijk een schotelvod.
Pallieter zat met Marieke tusschen de blauwe lommerte van zonnebloemen en vlieren, verschgeplukte kersen te eten uit zijn strooien hoed. De vlier rook geweldig, en de zonnebloemen zongen van de hommelen.
Pallieter stond eens recht om zich te rekken, en riep:
"Mitteke zie na toch da' licht, licht! het is gelak muziek!"
Marieke stond op, en bezag het schril-verlichte land, met de hand voor de oogen.
Er roerde geen levende ziel en er leefde geen steek. De hitte lag te denderen boven de wegen lijk boven een stoof, en de stilte stond lijk lood over de wereld.
Pallieter zag hoe kostelijk de zon op Marieke scheen, en hoe gezellig de roode kersen, die hij als koralenbellen aan haar ooren had gehangen, bij haar aangenaam gezichtje deden. En als ze zag dat hij haar bekeek gilde ze, wippend met haar lijf:
"Wille we nij is gaan veere?"
"Om ter ierste on de Neet?" riep Pallieter en zoo hard ze konden, liepen ze beiden door den hof de licht-klaterende velden in. Ze waren er even rap, en Pallieter hief Marieke lijk 'n pluimken op den dijk.
Ze stapten in 't schommelend schuitje, wanneer de vette stem van
Charlot riep:
"Mor, zijde gelle zot van in zoo'n heete gon te veere! Et liever nog wa kezze!"
"Wij ete zon!" riep Pallieter terug, en na twee sterke riemslagen lieten ze zich tijmee drijven door het bakkersoven warme land, dat ze nu rondom hen in al zijn vinnige verlichting zagen openliggen. Marieke zat van achter. Pallieter van voor, en ze lieten hun handen in het lauwe water hangen.
Ze zwegen, en zagen van tijd tot tijd eens, als bij verrassing, malkander in 't gezicht, en dan was er een glimlach op hunnen mond en een lichtje in hun oogen. Ze vaarden onvoelbaar verder en zagen traag de voorste velden en boomen voorbijschuiven, terwijl de einders en de verre hooioppers meewandelden. En over dien grooten landlap hing geen zucht. Marieke was die stilte zoo zwaar dat ze vroeg:
"Speld is e lieke?"
"'K hem ma' fluitje ni bij!" zei Pallieter.
"Wel zingt er dan een!"
En hij zong: "Daar waren twee coninkskinderen."
"Er is mor da verschil," zei Pallieter als 't gedaan was, "dat Charlot, die oude kwene, er nog vier lichtjes zij bijzette, omdat de joenge ni zij verdrinke."
Marieke kreeg een rood koleurken.
Maar daar zag Pallieter aan den omdraai, roerloos als een steenen beeld, een visscher staan hengelen met lijn, en hij riep:
"Dieë sto weer te wachte, nor iene dien hem noet ni hee gezien!"
De visscher zag eens onverschillig op, en sloeg rap zijn oogen terug naar het roode stopje.
Ze vaarden verder, en Marieke juichte ineens, naar de lucht wijzend:
"Dondertores, dondertores!"
En waarlijk, langs alle kanten achter de blauwe, boschbelijnde aardeinden rezen dikgevulde, smalle wolken met koppen naar omhoog. Het waren lijk ruwe pijlers waarop de blauwe hemelschedel rustte.
"Zijde bang van donder?" vroeg Pallieter.
"Ikke? Och neeë, ik hoor het geren!"
"Sessa, dan gon w'is kerremis vierre! Lot ze mor kome!" en hij wreef, met 'n rijken glimlach, in zijn handen.
Een schaduw liep ginder over de vinnige helderheid van het veld, en lei op een omzien de wereld in den halven donkeren. Ze vaarden verder, en terwijl begonnen de hooge wolken in de lucht dooreen te wroeten, en die witte trotsche kolommen zakten ineen, werden verkneed en uitgetrokken en weer bijeengemengd tot loodgrijze lappen, die het blauw van den hemel sloten, en 't was lijk een groot grijs tentzeil dat over de wereld stond gespannen.
Er kwam een felle rukwind die het zand der wegen achtereen in hooge wolken deed voortloopen. De boomen klaterden en huilden; lijk witte papieren waaiden de duiven op de donkere lucht, en een klad kraaien liet zich lijk een hoop zwarte vodden naar den toren zwieren.
Maar ineens viel de wind, en er kwam een plotselinge stilte die het hart deed ophouden met slaan. En ginder over de Nethe, in de mauve-donkerte, vlamde een roode slingerslang langsheen den horizon, en dof rommelde achter de wolken een aarzelende donder de wereld rond. Uit de verre hoevekens kwam licht pinken van gewijde keersen.
Langs drie kanten, hooger in de lucht nu, vlamde de weerlicht, donderbommen kraakten los, en grolden en dommelden dat de aarde erbij schudde en beefde.
"'t Is er oep, 't is er oep!" galmden Pallieter en Marieke. Daar vielen de eerste, groote lauwe druppels op hun dunne kleeding. Ze pletsten koel op hun doorwarmd vleesch, en 't gaf een diepzinkende deugd. En ginder over de verre hoeven schemerde het landschap weg achter een stuivende regenvlaag, die haastig kwam afgezakt, en meteen kletterend op het water kletste. Het zeek water en op 'nen sibot waren ze mestnat. De regen stortte met kuipen overal op het land, de smoor stond er een meter van boven den grond; de bliksems flikkerden, haakten ineen, slingerden door malkaar en de donder kraakte en ratelde, dat er hooren en zien bij verging. Een boerin liep met de rokken over haren kop, over de velden, naar een mutsaard.
Maar Pallieter en Marieke lachten van genot; het water vloeide zoo maar over hun gezicht, dat ze blonken lijk een spiegel.
Ze vaarden verder en kwamen aan de weide, waarin de peerden en de koeien van den mulder onrustig te loeien en te stampen stonden.
Pallieter kreeg ineens een stralende gedacht.
"Aan land, aan land!" riep hij.
"Woroem?… Wat is 't?" vroeg Marieke.
"Te peerd of te koei, hop!"
"O, da's goed, da's goed!" juichte ze, en beiden sprongen aan kant.
Pallieter zette Marieken op een groote gele merrie.
"Houd oe vast bij de mane?" riep hij, en hij sprong op het eerste beste paard, kletste met de vlakke hand op het achterste van het ongeruste dier, dat ineens lijk een pijl uit den boog vooruitschoot, gevolgd door al de koeien en paarden, twintig in getal.
En die massa galoppeerde vooruit in den kletterden regen, als een stuk levende aarde. Marieke hield zich vast aan de weelderige manen der steigerende merrie, en lachte heldere gillen uit. Pallieter zat los op zijn paard, zwierde met zijn armen, en huilde uit zijn sterke keel het schetterende horenlied van Walkuren van Wagner. Het klonk lijk een trompet.
En het donderde, weerlichtte en regende alsof het laatste oordeel gekomen was. En daardoor draafde de hinnekende en loeiende blok peerden en koeien blindelings vooruit, als eene macht die alles ging verwoesten en de grond dreunde, bonkte en kreunde onder het zwaar gewicht, en de klotten aarde vlogen over de hoofden der schokkende lijven.
Marieke heur natte haren waren losgeschud en vlogen van 't geweld als een waaier uiteen. Pallieter wist zijn rijdier te doen zwenken, en sneller slingerde zich die massale klomp vleesch vooruit als een geweld tegen het geweld des hemels in. Maar boven het geloei, gehinnik, gedonder en gestamp, schetterde geestdriftig de "ta, ta, ta, ta!" van Pallieter overheerschend los. 't Was geweldig!
En als het vlugge onweer minderde, hield Pallieter in, en de logge massa bleef staan, dampend en blinkend in den verschen helderen zonneschijn, die tusschen de uitgegoten wolken, gulden over de aarde bunselde.
En een schoongekleurde vaste regenboog spande triomfantelijk over heel de wereld. Pallieter, nog op zijn paard gezeten en nat tot op het vel, zag naar Marieke, die lekkend van den regen, met losse haren, ademhijgend en stralend van geluk en levensgenot, van op hare reusachtige merrie naar hem glimlachte.
Hij zag door de natte, witte mousselinen kleeren die klaar op haar rozig lichaam plakten, hare fijne vormen afgeteekend, de lijnen van de heupen en den bil, en hare jonge, nog rechtstaande borsten.
Hij zag haar daar zoo gelukkig en zoo grootsch en wit tegen den donkeren grooten hemel staan, met achter haar het blinkende, lichtgroene zonlandschap met boomen, huizen en molens, en boven haar hoofd den machtigen, breeden regenboog.
Ei! wat was dat schooner dan schoon! En toen werd zijn hart geroerd; hij dreef zijn paard tot haar, nam haar plotseling in zijn armen, en riep:
"Gij wordt mijn vrouw, mijn honingzoete vrouw!"
En Marieke sloeg, met een langgedragen zucht, haar natte armen rond zijn forschen nek, bezag hem lang met haar groote oogen, en vroeg eenvoudig maar gespannen:
"Wanneer?"
"Binnen de vier weken!" jubelde hij, en hij gaf haar een langen, natten kus op haar lippen en haar witte tanden.
* * * * *
Charlot zag nog bleek van schrik, voor den grooten donder en verblijdde zich zeer als zij hen zag.
"Is man bed bried genoeg veur ons getwieë?" vroeg Pallieter.
"Wa wilde zegge …?" en zij zag met schrik en met verbazing hoe Marieke in Pallieters arm leunde.
"Ik trijf mè Pallieter!" juichte Marieke.
"Gij, gij?" riep bibberend Charlot, "gij, m'n petekind, me Bruur?… Gij?… Och, Jezus, Maria, Jozef!…" En ze viel Pallieter aan zijnen hals, en weende hardop van geluk.
En dat kwam aan Pallieter zijn hart, en hij pinkte, beet op de tanden om de tranen binnen zijn oogen te houden, maar hij kon niet, met den besten wil van de wereld.
MANESCHIJN
De boer van de Waterschrans had 's Zaterdags zijn laatsten wagen hooi binnengehaald, en nu 's Zondags, was het daarom wafelenfeest met gesuikerd bier.
Pallieter was er bij met Marieke, en zat met de knechten, de meiden en de familie rond de groote ronde tafel. De deuren en vensters van het huis stonden wagenwijd open voor de hitte. Op de velden en de weiden rondom stak het verblindend noenlicht tot in den grond, terwijl het in de lage kamer blauw gedempt stond tusschen witte muren en koperen stoopen. Er was daarbinnen een lachen en klappen als in een rumoerig kiekenkot, en de groote, roode handen grabbelden gulzig naar de dampende gele eierenwafelen, die met torens werden opgebracht. Zij veegden er suiker, siroop en boter op om al de zoetste smaken ineens te hebben. Het zweet plakte lijk perels op hun voorhoofd, en om zich te verkoelen dronken zij maar aanhoudend van het bruine troebele bier.
Elk deur-en venstergat was een helle schilderij. 't Waren bleeke wegen door 't koren en het groen, hier en daar een Netheglans, roode daken tusschen volle boomen, koeien in de weiden, witte kapellekens aan den weg, bosschen en rustende molens in de verten, en duiven in de lucht.
Er waren boeren bij die niet omzagen voor een dozijn wafelen, en altijd nog even appetijtelijk de smoorende keuken binnenzagen. Hun mond en handen plakten van vet en konfituren, en zij gaven zich den tijd niet om hun neus te snuiten.
Lijk korenten, die mee bij de zoete spijzen behoorden, zaten de vliegen over de tafel heen verspreid.
Bij Pallieter kon de wafelengoesting maar niet weggaan, en al etende zocht hij nu eens naar den kaneelsmaak, den eiersmaak en naar de boter; hij vulde zijn neus met hun lekkere geuren, en kraakte nu al zijn elfde wafel vaneen.
Al etende zag hij met blijde verwondering naar het bezonde, kalme veld, waarover een klein kloksken luidde, naar de roode, gulzige smoelen der boeren, en naar zijn allerzoetst Marieke. Hij neep onvoorziens in hare heupen, dat zij opsprong en gichelde, en onder tafel omstrengelde zijn been het hare. Zijn gezicht blonk van het zweet en van het wafelenvet, en zijn handen plakten van den suiker.
En nadat zij met hun getwintigen zoo omtrent een honderdvijftig wafelen hadden binnengespeeld, werden de schotels en pinten weggehaald, en bracht men Fransche en genever. Nu werden de pijpen aangestoken, en een vlakke smoorwolk dreef seffens boven de koppen.
"Liekes, liekes!" riepen er stemmen, en Pallieter begon te zingen van "De visscher van Blanckenberghe," en bij het refrein wiegde breed de menschenkring, arm aan arm, al zingend over end' weer.
Als 't lieken uit was en iedereen van 't schudden en touteren in 't zweet stond, moest Marieke zingen. Ze stond recht en zong met aangenaam, hier en daar wat haperend stemmeken, van "De Klepperman."
Pallieter onderlijnde met de lippen zijns monds het lied met fijn gefluit, en bij het refrein: "en de handjes gaan van tikke tikke tik, en de voetjes gaan van tokke tokke tok, en hij doet zijn eersten ronde…." klopten en sloegen hun handen zoo hard als leeren zweepen en de voeten lijk hamers. Er waren boeren bij die er voor recht stonden, om heel het gewicht van hun zware plompe schoenen op den vloer te laten bonken.
Ze moesten lawijd hebben, mee kunnen zingen en heel hun lijf bewegen. Zoo kreeg ieder zijn toer en telkens waren het liederen met refreinen die iedereen kende, en waarbij ze konden dansen, springen, stampen en slaan.
Ze stonden in hun zweet lijk in een kleed; hun hemd plakte tegen hun billen, hunne keel werd er schor van, en ze dronken den Fransche en den gepeperden genever lijk water.
"Wie kent er e schoe vertelselke," riep een dikke meid, "iet veur mee te lache!"
"Ik!" riep een boer. Al de koppen staken bijeen en iedereen luisterde, met den glimlach al op den mond, terwijl zij hun borreltje vasthielden, en een vrouw namen in hunnen arm.
Het boerken vertelde een zeer fijn-dubbelzinnig verhaal van nen koster en de pastoor zijn meid. En wie van die daar zaten kende er niets in dien aard?…
Als 't slot van 't vertelsel de handen naar den buik deed pakken van 't lachen, wilden er velen de eersten zijn om er "nog een beter" te vertellen. Zoo ging het eene verhaal na het andere, in dubbelzinnigheid vermeerderend, zoodat men de kleine kinderen van den boer buiten deed gaan spelen. Het werd zoo hevig dat velen met hun vertelsels niet meer wachten konden, en men langs drie, vier zijden tegelijk begon.
Pallieter bleef niet ten achter, en Marieke zat, terwijl ze gebaarde niets te hooren, een Ste Anna's kat te streelen en stukskens peperkoek te geven.
Het gelach botste bij elk einde tegen de zoldering en, spijts het vermanend Godsoogkadertje: "hier vloeckt men niet," rolden smakelijke vloeken uit hun mond, uitingen van oprecht en vol plezier en geprikkeld genot.
Maar er kwam een gouden wind van over de velden de kamer verkoelen, en het machtig licht van het land verinnigde zich tot een kalmen koperen schijn, en de zon zonk, rood lijk een vlam, achter een verren wolkenberg. Door de deur kwamen de platte zonnestralen gevierkant, en een gedeelte van het boerenvolk werd er in de blauwe kamer rijkelijk mee beslagen. Toen begonnen de vlieren aan 't venster te rieken.
Pallieter ging eens naar achter en zag over het land en in de lucht, en hij zei binnensmonds:
"Da weurdt nen aved van de duzend."
De zon was al weg, en er waren geen schaduwen meer, maar vele breede witte stralen, lijk Mozeshorens, staken nog door de pluimwolken tot aan 't hoogste van den hemel, en het was alsof er achter de wereld een groote heilige stond.
Verblijd ging hij weer naar binnen en zei tot Marieke:
"Kom we gaan, want God ga klappe." Ze stonden op en wilden heengaan, maar het boerenvolk wilde er niet van weten en smaakte en praamde om nog een uurken te blijven.
"We mutte gon vrije," zei Pallieter, "'k mut man best doen, want overmorge gaat ons Marieke nor huis."
Dat verstonden ze, en iedereen wilde Marieke nog 'nen goeiendag zeggen en 'ne pol geven.
"Ze komt vroem oem te trijwe!" zei Pallieter, "en dan komde allemaal oep de fiest!"
Daarop begonnen ze allen gelijk te zingen:
"Zonder ons Marieke kunne wij nie wezen,
Zonder ons Marieke kunne wij nie zijn!"
't Was buiten nu een aangename lucht met velerhande geuren….
Zij wandelden arm in arm, langs den Nethedijk, en zwegen geroerd door den innigen avondstond.
De late Zondagmiddag hong vredig, kalm en stil over de duizend hooioppers, die riekend in de wijde beemden waren.
Over de Nethe, aan de verre witte huizekens, was er traag harmonikagespeel, en een groote klok hommelde voor 't avondlof. Op den Nethedijk, en in het hooggetijde-water zuiver weerkaatst, gingen twee kinderen, een in 't rood en een in 't wit, met hun armen vol paardebloemen, en een zwert spitsken liep snuffelend achteraan. Het licht scheen uit den grond te komen.
Er waren veel vogels, hoog in de lucht, en de dunne, grijze wolkklissen verroerden niet. Het gras stond stil in den lagen avonddamp, de populieren stonden stil, het water en het licht. Het leek, alsof de tijd aan 't wachten was om voort te gaan. 't Deed vreemd aan 't hert. Maar achter een lange, magere root klepperboomen op den veldbuik hief in dezen vollen vrede de dikke roode maan zich op.
't Was alsof ineens de wereld grooter werd en met een nieuw, kinderlijk geluk omhangen.
"Ach," juichte Pallieter, "'t is oem te kniele!" en uit zijn lood geslagen bleef hij staan, alsof het de eerste maal was dat hij de maan ontwaken zag. Dat was het wonder nu, waar de tijd naar wachtte. De avond werkte voort. En dan kwamen de vleermuizekens….
Een groote klad kraaien wiekte lui en krassend door de lucht en viel uiteen in de verre begijnbosschen waar het reeds donker was. Honden basten naar de maan.
Zoo stierf de dag.
Zij wandelden verder. Zij lei haar hoofdje op zijn schouder, en ze kwamen aan de Palinggracht die uitloopt in de Nethe. Een houten bruggesken hield zich aan de boorden vast, en een overgroote, oude treurwilg daarnevens hong er zijn dichten koepel over, die tot in het water stak. Zij trokken de takken opzij om er in te komen, en nu was 't alsof zij in een kamer stonden.
Het was hier als een heiligdommeken, gevuld met jongen houtsapreuk. Vóór hen liep de Nethe, lagen de velden en weiden, en stond fijn geel geworden de maan, in een blauw-grijs groeiende lucht. Het was er zoet, en hunne hoofden kwamen bij malkaar, en hunne armen steunden op de bemoste brugleuning.
Een kort windeke ritselde over de Nethe, nevens 't riet af, en 't regende ineens maan op 't water, maanblaaskensregen. De wind liep er schuins mee verder, en dan stond wederom, kinderlijk-zuiver als de ziel van een heilige, de manerondte roerloos op het watervlak.
Een uil wiekte laag erover en verschool zich in het oeverriet.
Ze stonden in deze donkere takkenklok als verwijderd van de maanbeschenen wereld, en heel hun hert en ziel zwol in deze stille vereenzaming.
Pallieter omprangde haar vaster, en kuste haar zonder ophouden, op de malsche kaken, op den natten mond, de toeë oogen, dat zij er hals en lijf van rok. Zij was als weggesmolten in zijn hartstocht, en liet zich hangen zonder wil in zijn sterke armen. Door de takkengordijn stak de maan heur onvatbare klaarte, en lei bleeke strepen op heur lijf en aangezicht. Pallieter bezag haar zoo.—"Nen droom!" zei hij bewonderend binnensmonds, en zijn lippen gleden over heur haar en heur gelaat, hij had haar kunnen breken, en gelijk deze blarenkoepel zijn holte van de wereld afsloot, en alleen belevendigd was met de ziel van den ouden boom, zoo was Pallieter nog maar enkel levend omdat hij daar op den grond stond, maar bleef toe voor al de herinneringen van vroeger en de gedachten van morgen en de andere dagen. Ze zeiden geen woord. En de natte kussen lispelden stil en lang onder den koepelvormigen boom. Zij opende ineens hare groote, schoone oogen, en zag hem lui en groot-gelukkig aan, ze bezag hem lang, en dan, zonder één woord gezegd te hebben, gingen heur oogen voldaan weer langzaam toe.
Die blik ontroerde Pallieter diep, zoodat hij 't water ervan in de oogen kreeg en een rillingsken over zijn lijf. En weer ging zijn mond op haar mond, heur hoofd op zijn schouder en heur armen rond zijn nek. Hij, tegen het bruggesken geleund, hief haar op van den grond en droeg haar in zijn armen lijk een moeder heur kind.
En daar buiten over de nevel-blauwe landen groeide de maannacht witter en ijler steeds, alsof het een droom ging worden van een kind. Reuk van water, hooi en vlier hing maar voor 't scheppen allerwegen en in het dichtbije geboomte van 't Hofken van Ringen viel nu en dan een gebroken perelsnoer van nachtegaalklanken.
Mee tot de groote stilte vergroeid was het aanhoudend gesjirp van een krekel…. Zij zagen om naar houtgepiep en watergedruppel, schoven de wilgetakken opzij en zagen daaronder op de Nethe een visscher in een bootje zijn net optrekken, waar, in de maan, een spartelende visch zilver opblonk. Klein was zijn werk, maar schoon in den gouden nacht.
O! de schoone witte nacht dien ze nu, als van uit een open venster, voor hen zagen openliggen!…
"Kom, lot ons gaan en manestrale vuule…."
Zij gingen van onder den wilgeboom uit, en kwamen nu weer in de open lucht, die zoo licht en groot over de klare slapende wereld stond.
De maan was nu zuiver kristal, en het licht dat van haar tot op de aarde en rond de sterren stond, was ijl groen-blauw vermengd met melk. 't Was licht nu, overal als een bedeesde dag, en ten allen kante zag men de populieren rijzen, het koren glimmen, en de slapende koeien in de weiden liggen. In het park zag men duidelijk de roode beuken en de groene platanen, en als een licht rees te midden van een open plek, op een klimopbegroeid voetstuk, het witte pleisterbeeld van een armlooze Venus. Lichte smoor dreef op de beken.
Zij gingen den dijk af, nevens een weide waar hier en daar een koe te slapen lag of met domme oogen naar de maan of over het nachtland keek.
En dan kwamen ze in den beemd tusschen de tallooze hooioppers die fijn begoten waren met maanlicht. Zij wandelden door de fijne reuken van het hooi, en hunne bijeen gedrukte lichamen waren één schaduw op het afgeschoren gers. De maan wandelde mee in een klein, vol beeksken.
"Kom, lot ons wa neerzitte."
En zij lieten zich in een dikken hooiopper zakken, namen malkaar in de armen, wrongen dieper in het hooi als in een holte, en Pallieter rok zijn beenen van de deugd; zij lei heur hoofdje in de molligheid van zijn breede schouders, en zoo zaten ze daar bijeengekropen lijk twee jonge konijntjes.
"Wa nen heilige nacht," zei hij stil, en keek ten hemel, die van boven tot onder vol maneschijn en bleeke sterren stond. De sterren! Zij lagen in den ronde verstrooid lijk wit zand, hier en daar bijeengetresd lijk haar, en sommigen helder blinkend en rillend van klaarte.
Al de diepten des hemels stonden open, en lijk een dunne wierook liep de botermelkstraat er over heen.
En uit die lichte, roerlooze oneindigheid van werelden schoot nu en dan het korte leven van een vallende ster. Pallieter was er diep door aangedaan en zijn oogen gingen van de eene ster naar de andere, van den Hellewagen naar den Reus, van de Poolster naar de Drie-Koningen en zoo voort; hij zocht de verste sterren, en dan die daar nog achter lagen, fijn lijk het punt eener naald, en als zijn oogen geen sterren meer en raakten, maar den zuiveren nevel van de groote baarmoeder, dan deden het zijn gedachten. Hei! sterren, sterren overal! Sterren boven, beneên, rond en onder hem…. Pallieter kromp ervan ineen en zei onwillekeurig:—"Woroem?"….
En ineens, als op zijn lijf gegroeid, droeg hij, zoodat hij er 't kiekenvleesch van kreeg, de eindeloos besterde diepte der ruimte in zijn hart, en hij zei met een zucht:
"O zaad van God, ge doet me beven … Marieke, Marieke, zie omhoog…."
Maar Marieke sliep zachtekens in zijn armen.
"Wa geluk," zei hij seffens. Hij vond het ook zoo schoon, zoo één en zuiver met den grooten vredigen nacht en een plotse teederheid welde in hem op. Hij gaf haar een pluimlicht kusken van bewondering en ontroering.
't Was te schoon en te innig om het te storen, en hij maakte de ligging van zijn voet over haar been voorzichtig wat lichter, opdat het haar niet zou hinderen….
Hij snoof de versche geuren op, en de maan bedekte twee naar elkander verlangende sterren.
En zie, door den gezuiverden hemel dreef nog een eenzaam wit wolksken. Het kwam aarzelend verder en 't werd als aangetrokken door de maan. Het sneed er juist onder door, en zie, het gleed seffens vol ijle, roze, groen en mauve kleuren en 't was lijk een ineengezonken regenboog die vóór de maan kwam drijven. Maar 't gleed verder, verloor weer plots zijn zoete tonen, wierd wit en dreef aarzelend voort, alleen door den nacht. 't Was lijk een glimlach van den nacht geweest….
De verre nachtegaal zoog voort op zijn klanken en nu en dan kwaakte in de beken een vorsch….
De nacht nam toe in klaarte; de smoor steeg dichter op uit de slooten, en dampte uit den grond.
De oneindige stilte suisde en 't was alsof men de manestralen schijnen hoorde. Het gers was wak en verroerde niet.
En onwillekeurig, door de stilte van den adem van den nacht gesust, sloot Pallieter zijn oogen, zag nog door de toeë oogschellen de klaarte van de maan die vóór hem stond en hem rijkelijk overgoot, en viel dan in een diepen slaap….
De groote nacht werkte door, en vervulde stilaan zijnen tijd. Sterren bleven vallen, de andere schoven voort, en de maan verstaalde al heur kostelijk zilver, werd stilaan rood, en zakte in het westen terug naar beneen, met de oogen naar omlaag.
En zij sliepen den zwaren slaap der aarde. Ze waren met de aarde één herteklop, één asem, één stilte en één leven.
Zij sliepen hoofd tegen hoofd, in malkander verloren en opgenomen, om nat van den dauw, bibberend wakker te worden, als het eerste licht opstond en de smoor nog op het veld en in de hooioppers lag getresd.
't Was dag. De bloemen waren nog gesloten, maar hanen kraaiden, een hond baste, een koekoek riep van uit het bemiste bosch.
Marieke verschoot, en verblijdde zich seffens; zij kneukelde glimlachend den vaak uit de oogputten, geeuwde en lei gelukkig heur hoofdje een wijle terug in den hals van Pallieter.
Ze hieven zich eindelijk op uit de warme plek, lachten om hun klamme, verfronselde kleeren en om het hooi dat in hun haren stak.
En luide klappend en zingend, arm aan arm, huppelden ze naar huis, frisch lijk salaad, en verlangden naar versche kleeren en heete koffij.
Een herder toette op zijn horen en de klokken begonnen te luiden: 't was dag!
DE HONING
De bieënkorven liepen schuimend over van den honing. Heel de hof rook er naar, en nu was Pallieter al een heelen achtermiddag bezig met ze te ledigen en den honing in steinen potten te doen.
Charlot hielp hem, werkte mee en droeg de potten één voor één, den koelen kelder in. Beiden lekten van het zweet en van de malsche honingspijs; ze plakten, en hadden werk om hun vingeren af te lakken. Loebas, de hond, stond er bij, en wat er geklatst werd, slabberde hij gulzig op.
Pallieter was uitermate blij om den zoeten overvloed, hij zong dat het galmde, en Charlot hield haren mond niet stil over den honing en het weer. Zij was zoo gewarig aan de warmte en zoo weinig bang van bieënsteken, dat ze op heur bloote voeten liep, in een kort onderroksken stond, dat slechts tot aan haar pilaarrechte bruien kwam, en vrij en vrank liet zij heur armen, lijk twee vette kinders, uit de ver-opgerolde mouwen van haar rood slaaplijf komen.
Ook had ze haar slaaplijf van boven drie knoopkens losgezet, en alzoo kwam bloot, onder den halsput, het witte vleeschkussen, waarover de vele vettige linten van hare schapulieren kruisten. Den handdoek, die gewoonlijk onder het slaaplijf, haar borsten indrukte, had ze nu afgedaan, en geweldig als dondertorens hongen ze nu in hun volle malsche dikte naar voren op den grooten buik.
Ze zag rood lijk een oven en zweette lijk een spons.
En ze begosten te spreken over Marieke.
"Mor woroem mut het herfst zijn as ge trijwt?" vroeg ze.
"Dan is het beddeke koel, en dan kruipe we dicht bijien."
"Och zwijgt," knorde Charlot, maar een weinig daarna weer zoet, heel met haar eigen ingenomen: "En ik die altij' doecht begijn te weurre, 'k ben al blij da'k het noet ni geweurre ben, want wa zou Marieken hier zijn, zonder mij?…"
"Awel," baste Pallieter, "'k zal ze bij ij late slape!"
"Da' wil'k ni zegge," zei Charlot, en hier richtte zij zich op. "Maar
Marieke is ma petekind, en zij zuut, der zal gin haarken aan miskome!"
"Och," zei Pallieter, halfzingend en tergend. "Als 'k getrijwt ben, hem'k gin meid nimier noedig."
En toen schoot Charlot uit: "Oei, oei, 'k moet hier buite! 'k weur hier weggejaagd, ikke een wies! 'k had het gedoecht! da's veur al mijn goedheid, da's dank! en da' deur degene, die 'k als kind nog hem gedrage! God, lieven Heer sto ma bij!"
"Kom, kom," zei Pallieter, haar troostend, "'k was 't vergeten dagge wiezeke waart."
En daarmee was de ruzie uit en 't werk geraakte gedaan.
Charlot sloeg een anderen rok aan, rolde haar mouwen naar omleeg en droeg den grootsten pot naar den pastoor.
Pallieter nam er een voor Fransoo zijn vriend, den schilder, en een voor het arme Gasthuizeken, ook aan den anderen kant der Nethe gelegen.
Hij vaarde een heel eind met het schuitje het water op, en stak toen over, lei zijn boot vast, en met een pot op zijn schouders en met een pot in zijn arm, stapte hij den malschen klimmenden wegel op, en floot een scherp deuntje.
Over de potten volgde steeds een gegons en gestippel van bieën, hommelen en wespen; in een herbergsken ging hij zijn dorst lesschen; 't was slecht bier, en als hij buiten kwam, hongen de beestjes seffens weer rond de zoete potten te draaien.
Ginder hoog boven de boomen rees de oude molen op. Hij draaide vreedzaam zijn roode wieken in den kalmen zuiderwind, en liet een koperen windhaan schitteren, en nu de zon zeer machtig straalde was helder het mos dat zoo weelderig de zwarte houten romp beplakte en bestreepte.
Het was een schoone molen, hij hong wat achterover, hetgeen hem nog vriendelijker maakte en hij domineerde over 't land, trotsch als een kerk, en was van alle kanten zichtbaar.
Pallieter ging er geren op, want hij had er steeds een schoon gezicht over de boomen en de verten, en genoot er voluit van de lucht en haar elementen; van den wind, die het land verblauwde, en van de regengordijnen, die achter de wereld omhoog schoven en de aarde begoten, wijl ginder de zon uit de donkerheid een molengehucht deed blinken.—Hij kon er zich uren vergapen aan het broeien en groeien der wolken. De avonden en morgenden waren er grooter en langer, en de nachten eens zoo oneindig. De winters lagen er rondom lijk ware Breughels, en men zag van hier de lente waarachtig uit het Zuiden komen, en dan, altijd en overal, in zon en mist, zag men het boerenvolk de goede aarde melken.
Was dat niet Mozesachtig?
Rap klom Pallieter met den honing en de bieën naar de schilderkamer van Fransoo, in 't hoogste van den molen. Fransoo's struische vrouw volgde hem lachend.
De vriend stond half naakt een panoramalandschap te schilderen, in het halve licht dat door de kleine luchtgaten kwam, en waardoor men van 't midden der schilderplaats reeds den wierookblauwen einder zag.
Pallieter gaf den honingpot, liep dan seffens naar een der gaten, en stak zijn kop er door.
Hei! Lucht en licht! zoover hij zien kon was het koren, koren heel de wereld rond, om de dorpen, om de begijnen-bosschen, de huizen, de beemden en langsheen de Nethe. Gouden koren overal! En klein en dun en zwart stonden de menschen gespikkeld, die daarin aan 't werken waren.
Dat was het heilige werk van 't koren! heinde en ver gonsde de pikke, overal draaiden de molens en hier joegen de wieken zoevend en ratelend, met een zweep wind, voorbij zijn verwonderd gezicht. Hei! dat was allemaal om 't brood te maken; het manna dat uit de aarde komt!
En hoog daarboven sloeg de zon heur licht het heelal in.
"Hei!" riep Pallieter tot Fransoo en zijne vrouw, die van den honing aan 't proeven waren—"ziet de Wereld! ze baart! ze geft zog! Komt lot ons fieste! lot ons deur 't kore gaan, de eerde kusse en verdrinken in de grond!"
Ze gingen beneden bij den mulder een glasken rooden wijn drinken en Pallieter kreeg van Leonie, Fransoo's vrouw, een grooten bloemekee van safraan-oranje rozen; dat was uit dankbaarheid voor zijnen honing, en hij duwde er zijnen neus in, en deed zijn oogen toe van den deugdelijken reuk.
En dan ging Pallieter met Fransoo den anderen honingpot naar 't arme gasthuis dragen. Ze droegen hem elk bij een oor.
Zij gingen langs het koren.
Hier stond het nog volop geel te rijpen, voorover gebogen van de zware aren, en van onder bedrest met blauw en rood; dáár waren ze het dan weer aan 't afpikken, een ploeg mannen met luidruchtige bindsters, of een ventje alleen. Heelder plekken waren hier en daar reeds afgedaan, en stonden thans vol schoongereide schoven. En overal hong het hevige licht van de zon als kransen rond, rond de aren, de boomen en de gebogen menschen, en de hitte bibberde daarboven altijd eender als een zenuwachtig water.
Pallieter en Fransoo waren uitgeklapt en zwegen. Ze gingen op gelijke passen voort, altijd achter het stof dat hunne voeten opwolkten; en 't eenige geluid was hunnen asem, het kletsen van een korenaar tegen hun gezicht, en het gonzen van de bieën rond den honingpot.
Zoo waren zij al een heele tap gegaan, en Pallieter zijn mond was poederdroog van dorst, en hij had een verschrikkelijke goesting naar den smaak van bier gekregen.
Maar ze waren ver in 't land en daaromtrent geen simpel herbergsken. En hij wrong met moeite speeksel in zijn aan leder gelijkenden mond.
Maar na nog een kwartierken gaans, zag hij uit een hollen weg een bierkar koperflitsend komen afgeroteld en hij riep—"Hoera!"
"Wat is het Bruur?" vroeg Fransoo verschietend.
"We hemme deurst en ginder is bier!" riep Pallieter, "lot ons drinken!"
En zij liepen dweers door 't koren naar den wagen toe.
"Hela!" riep Pallieter den aanrollende rooden dikken voerman toe.
"Verkoept ons is 'n tonneke bier! We stikke!"
"Alles is verpast!" riep de vent voortrijdend.
"Ta, ta, ta, ik geef oe dobbel winst!" riep Pallieter terug.
"Allé dan!" zei de vent, hij hield het peerd in. "Neem daar mor e vaatje bock, da kunde seffes drinke. Gade gijlie fieste?" vroeg hij er nieuwsgierig bij.
"Ja!" riep Fransoo, en Pallieter nam een tonneken van de kar en betaalde.
De vent reed voort, en terwijl Fransoo den honing droeg, rolde Pallieter het tonneken met voetstampen voort.
"Mor hoe na gedroenke!" vroeg Fransoo, "wij hemme gin kraan en ginne pot!"
Pallieter krabte in zijn haar—"'n kraan is niks, mor waar ne pot gon hale?"
Beiden zwegen, bleven staan en zagen naar den honingpot. Was die pot nu maar leeg.—"Kom," zei Fransoo "lot ons oep 'n hoef ne pot hale."
"Allé dan!" en zij rolden het tonneken over den witten weg.—Zij kwamen aan een korenplek, half afgemaaid, en ginder in den elzenkant zaten er pikkers en bindsters hunnen vier-uren-koffie te schoven. Als Pallieter hen zag, verblijdde hij zich uitermate en riep, hoog zijne armen zwaaiend: "Hé manne, lot elle kaffe staan, hier is verschen bock en as g'n koem geft, meugde ellen buik vol drinke!"
Seffens kwamen zij afgeloopen, elk met hun koffiekom en wrongen om 't dichtst bij 't tonneken te staan. Met een lierenaarsmes sneed Pallieter de kurk er uit en klets daar spoot het bier er uit, maar de kommen wierden er ondergehouden, schuimend gevuld en gulzig leeg gedronken. In het gat wierd er een gauw gemaakten houten tap gestoken, en zoo konden ze drinken zonder haast, en liep er niets verloren.
Ze schaarden zich zittend rond het tonneken, en Pallieter dronk zooveel hij kon uit een groote kom, beschilderd met een rooden papegaai. Er kwam geen einde aan den dorst; gedurig aan spoot het bier uit het gat, en er werd gedronken en gelachen dat het zweet hen op het voorhoofd perelde.
"Nij nog e muzikske en 't is kèremis!" lachte een meid.
"Allé Araan!" riepen er stemmen tot een te langen, mageren jongen, "haald a schuiftrompet, dan kunne we danse!"
"Ja!! ja!" riepen ze nu verward, "w'hemme nog al den tijd! Allé spoed oe! zij rap!" De jongen liep gewillig weg, wijl de meisjes van de pret het uitgichelden en malkander zotten praat toesloegen.
Ondertusschen dronken ze, een oude vent was tapper, en daar kwam de jongen van huis terug, met zijn broeder en een groen uitgeslagen koperen schuiftrompet.
Hij dronk eerst nog een pint van 't smakelijke gele bier, en begost toen, in zijn volle lengte rechtstaande, een langen wals te spelen.—De klanken vielen vreemd uit de korenstilte en droegen ver. En zie! iedereen was aan den dans behalve de oude, die voor zich zelf maar tapte. Elke jongen nam een meiske, en de jongens die overschoten dansten met elkaar; zoo danste Fransoo met een klein bultig boerken. Maar Pallieter had er het bloemeken uitgehaald; een mollig ding met bloote braaien en armen, en een blozend gezicht vol rose zomersproeten. Ze had oogen vinnig lijk van een kat.
Al dansend drukte hij haar malsch lijf tegen het zijn, zoodat hij goed al hare vormen waarnam, en zijne handen betastten gulzig hare waggelende heupen, dat zij het uitkreet van de pret.
De dans was uit, en zij zetten zich nevenseen in 't gers, bij de anderen rond het vat. Allen hijgden, en hun boezems gingen op en neer.
Als zij weer eens goed van 't lekkere bier genoten hadden, riep
Pallieter: "Alle gauwkes nog nen dans!"
't Was nu nen polka. Weer nam hij hetzelfde meiske, en zij dansten dol en wild. Hij drukte haar dichter tegen zich aan, danste uit den danserskrjng, en dan ineens zette hij haar een beentje, en beiden vielen op den grond; en hij viel op haar als op een kussen, en voelde al de weelde van haar mollig lijf dat schokte van het lachen, en gulzig plukte hij wel honderd kussen uit haar witten hals en van hare dikke kaken. Zij stonden moeilijk op, aan haar uitbundig lachen scheen geen einde te komen en iedereen moest meelachen dat zij niet drinken kosten.
Maar van uit de verte klonk het verschietend toeten op een blikken horen. Dat, was het teeken dat het rusten was gedaan en met spijt grepen ze hun alaam en pikke en gingen moeilijk aan het werk.
Ze riepen nog eenige zotte slagen naar Pallieter en Fransoo, die er opgeruimd van door gingen, het tonneken achterlatend.
De twee vrienden gingen pratend verder. Maar het klooster was nog wijd, en Fransoo zei van wat te rusten, want hij was open en hij zweette lijk een gieter.
Fransoo lei zijn dik lijf in het gras eener beek, deed zijn oogen toe, en was seffens in een diepen slaap. Hij snorkte lijk een verken.
Pallieter zette zich nevens hem, smoorde een pijp, zag naar het koren en de klimmende leeuweriken … smoorde nog een pijp, en daar Fransoo niet verroerde lei Pallieter zich ook te slapen.
De honingpot stond tusschen beiden in een wolk van honingdieren.
En de twee vrienden sliepen, en boven hen, achter den breeden eikenboom, hong de hooge lucht te dansen van de hitte———
Als Pallieter wakker werd was de honingpot omverre gevallen, en was de zon gulden aan 't zinken in een zilveren wolkenstreep.
Fransoo werd omtrent met hem wakker en zei geeuwend:
"Dad hee me deugd gedaan."
Er wierd gelachen om den pot, waar meer dan de helft was uitgevloeid, en daarna gezwegen om den schoonen avond-dag.
De dag kreeg een schoone rust en heel de hemel stond vol kleuren-helderheid lijk in de schelpen van de zee.
Zij bleven staan en de avond kwam over het koren, het rood zwol uit in de lucht en elke korenhalm kreeg zacht een rooden schijn. Er klom van ievers een heele vlakte hooireuk op, en uit de beken steeg de smoor, die over de droge wegen schoof lijk gulden stof.
Zij gingen terug: "Ik zol morge nen andere pot nor 't gasthuis drage," zei Pallieter.
Fransoo ging naar zijnen molen en Pallieter naar de Nethe.
Onderwegen kwam hij een kind tegen, dat met een rolbaksken waarin een zak meel stond, van den molen kwam. Hij gaf het den honingpot, en beschaamd, zonder iets te zeggen, liep het rapper.
Er kwam van het veld een hoogopgetaste, korenwagen, waarboven een dikke vrouw zat, die een groote witte borst gaf aan heur kind.
De dag was henen, en in de groene lucht sneed de zilveren manesikkel een uiterst scherp streepken. Daar, grootsch tegen den hemel geblokt, trokken twee zwarte trage ossen eenen ploeg nog door den donkeren grond; de boer er achter zweeg. Er viel een blauw licht over het lijf der dieren heen, en de golvingen van hunnen hoogen rug bij eiken stap waren als bergen die verroerden. Hun kop knikte zwaar over en weer, en hunne snuiten snoven damp.
De boer scheen nog niet te eindigen, en lei een versche voor. Zijn ploeg blonk spookachtig wit, en zwart en reuzig trokken de twee ossen kalm het voertuig door den grond, die vettig openviel, een weinig glom en eenen goeden zalfreuk verspreidde. Uit de omgeklonte aarde steeg een dunne smoor.
En donkerder werd daar hoog boven de lucht, waarin het sikkeltje klaarder sneed. Een dikke ster deed haar oog open.
Pallieter zag weggaande steeds naar de groote ossen om; zij hadden hem het hart geroerd. En als hij in het schuitje overvaarde was er een die loeide in den nacht, en dat deed hem rillen.
De dag was toe en donker, maar het water was nog helder licht, en voerde hooi mee met zijn loop.
En door dien heiligen vrede die het land omhulde, klonk ver het veelmondig gezang van huiskeerende pikkers en bindsters. Pallieter had kunnen weenen en zei: "Neeë! de groete Pan is nog nie heelemaal doed. Die dat hoorde zeggen hee gedroemd! Want ik hem vandaag zan horekes gezien!"
EEN AANGENAME VERRASSING
In den heeten Zondagmorgen was Beiaard, de witte merre, aan 't zwemmen in het water van de Nethe. Zij speelde lijk een kind, hinnikte herhaaldelijk, en het groene water danste vol gebroken zilver en wemelende zonnescherven.
Pallieter had er deugd van met het na te zien en werd er ten langen leste zoo door meegelokt, dat hij zich gekleed in het water liet vallen. Hij zwom Beiaard achterna, haalde haar in, en wrong zich op den breeden rug. Zoo zat hij als in een bed, hij opende zijne armen en liet Beiaard maar haar goesting doen. Zoo zwem-rijdend, zag hij over den lande rond, dat om en om in roereloos zonnelicht en trillende hitte lag verdronken. Over de gele korenschoven, die t' allenkante, in die vinnigheid op rechte roten stonden, kwam er slechts een ekster heengevlogen; en nergens was een mensch.
Dat was de rust.
Maar onverwachts begosten in de zonbeschenen stilte de groote begijnhofklokken te luiden, en de gonzende bonken bleven ronkend hangen op de warme lucht. En daar kwam Charlot uit den hof. Zij was in 't feestelijk, blinkend satijnen zwart met matte boonen; haar jak had nog groote hespenmouwen, en haar rok was vloeiig lijk een wolk; op heure nieuwe zwarte bindersmuts waggelden, aan een busseltje stijve pennen, botergele bollekens. Zij droeg aan den arm een groen blekken emmerken, van binnen rood, waarin peerkens, pruimen en korentenboterhammen lagen en een bruine bierflesch stak. Ze zag er gelukkig uit, en riep uitermate hard:
"Allé Bruur, 'k ben weg! Doe strak veul complementen on Marieke, en zag da'k e Zondag koom! 'k Zal veul vor ons Luverijke leze da' ge same lank gelukkig meugt zijn!"
"Watte?" riep Pallieter, "'k wil ni gelukkeg zijn deur ij, mor deur man eige!"
"En toch zal 'k leze!" riep ze kwawordend, "en veul leze, zooveul as da'k kan!"
En daarmede draaide ze zich om op haren hiel, en ging zonder omzien rap door naar de kerk, om vandaar in stoet, te voet den beeweg naar O.-L.-Vrouw van Scherpenheuvel te doen.
Zij ging als eene heldinne beschouwd worden vandaag, want 't was de vijfentwintigste maal, dat zij achtereenvolgens, den vermaarden beeweg deed; en ter dier gelegenheid, zou zij de hooge gunst genieten, dat men het miraculeuze beeldje op heur hoofd zou zetten. Haar mond lachte, en haar hert was blij gelijk ne vogel….
Pallieter zei "Beiaard wij gaan er nor Marieke, maar eest nog wa gaan ete!" Hij liet zich van het paard glijden en zwom naar kant.—Het water viel uit zijn broek lijk uit een pomp, hij liep door den hof, maar bleef staan, getroffen door den fijnen reuk en 't schoon koleur der bloemen.
Zie die honderden rozen, vuisten dik, opengerold en opengebroken tot sneeuw of wijnenrood en morgendroos en safraangeel verbleekt in melk.
Wie dierf er de fluweelen violen tellen, die donkerpurpel, of met een wit en geel kaboutermannekesgezicht, heelder perken vulden? Rond het molenheuveltje prikten de gouden zonnewielen tranen in de oogen, en uit een dikken band van bloeiende geraniums spoot het fonteintje, stralend als een zweerd, zijn peerlenpluim uiteen. Daar als een gekleurd vuurwerk het Japaneesch gers, ginder franker dan appelsienen, de kelken van het lisch, en dan! als om niet te gelooven en nooit meer te vergeten, alles overheerschend en overweldigend, de uitbundige roode en oranje mastouchen in kegelranken tegen den witten muur en rond de dikke vruchtenboomen! Amé! 't waren als vlammen, die opkronkelden en opsloegen uit den grond.
Och, 't was overal de geestdriftige openbersting van het schoonste leven. 't Was als niet voor menschen. En die reuken die een mensch zijn ziel vergrooten!
Het was 't begin en 't einde van 't geluk. Pallieter zijn hert werd er zat van in zijn lijf.
Hij ging eten en kwam terug met zijn doedelzak onder den arm; het was het speeltuig waarop hij 't liefst zijn ziel liet leven.
Hij zwom over, zette zich op Beiaard, en op wandelstap reden zij over de heete stoppelvelden. De zon droogde zijn kleeren, terwijl hij met zijn doedel begeleidend zong, denkend aan zijn Marieke, de zotste liekens 't eerst.
De ronkende klanken gonsden hoog rond hem op, en waren hoorbaar overal, en menig boerenmensch kwam in het deurgat luisteren.
Vóór hem, uit een gracht, vloog een ooievaar luidruchtig op.
"Peterus!" riep Pallieter. De groote vogel herkende hem seffens, en kwam laag boven hem in groote kringen rondzweven. Zijn roode pooten hongen lam onder hem aan en zijn wit-en zwarte vleugelen waren rein als verschgewasschen en blinkend in de zon. Nu eens schoot de groote vogel plots vooruit, liet zich op zijde hangen met een vleugel naar omlaag, steeg hoog op en zakte dan weer roerloos langzaam naar beneden. En mee met den gang van het paard, vloog en speelde hij in de lucht.
De molens stonden met stil kruis, en aan den weg lag een omgekantelde ploeg. Dat was de rust der velden.
Op de smalle binnenwegen, gingen er blauwgekielde boeren en witgekapte boerinnen, naar het klein klokgelui toe, dat uit een smal parochietoreken kwam, en op den verren steenweg was er soms een wielenschittering van een luien fietser.
Over de stille veldenvredigheid pijpte de doedelzak, juist als een zwerm bieën, die het zingen hadden geleerd. Hij kwam voorbij de weelderige boogaards, waar een groote appelenreuk uit de zwaargeladen boomen viel. Er waren boomen bij die kraakten van hun roode en groene vrucht, en moesten onderschraagd worden. De lange pereboomen waren bronsbruin van de fluppen, bergemotten en boter-, pistool-, kaneel-en suikerperen. Het water liep over zijn hert en hij zei tot de zon: "Stook maar zonneke, en versnel de zuute vruchtedage, dan go man ziel in vacansie!… Geloofd zij God om de peren en de appels."
Hij dronk in een herberg bier en Beiaard kreeg een vollen arm hooi. Van uit de keuken kwam de aangename geur van Zondagsoep; Pallieter vroeg een telloorken, en lepelde het rechtstaande in de herberg uit; maar Peterus, die steeds meegevlogen was, kwam verlekkerd door de soepreuk, aan de deur staan bedelen.
Pallieter gaf hem twee frikadellen, en dan vloog de ooievaar weg, hoogopstijgend door de blauwe zonlucht, en liet zich dan voortdrijven op het licht. Pallieter zag hem na in de deur met de jonge bazin, die lachte dat ze schokte.
Hij ging terug binnen, dronk er nog een pint, en gaf er een aan Beiaard. Terwijl de meid zich bukte om een cent op te rapen, zag hij haren schoonen bruinen hals, en wip! hij lei een natten kus op het gemollig vleesch. De vrouw wilde hem een klets geven, maar weg was hij op Beiaard, en zwaaide met zijn klak al lachend naar heur om.
Het stof wolkte op van den drogen weg. De zon lei op het paard een matten zilveren schijn, en elke boomstam sloeg een blauwen schaduw op het lijf.
Honden lagen te slapen nevens hun ton, en op den weg besprong een bruine haan een van de vele grijze kiekens; daarna sloeg hij zijn vleugels open en kraaide zoo hard hij kon, en 't geklaroen der verdere hanen liep seffens als een ketting over 't stille land….
't Werd noen, en de verlaten velden rilden onder de geweldige heette, en nievers een wolk in 't warm lievevrouwenblauw der nooit-zoo-diepe lucht. Heel in de verte leefde er ievers traag tromgeroffel.
Hij kwam aan eenen watermeulen; het groote wiel draaide statig rond, gestuwd door het geweldig water, dat bruischend en stralend lijk kokend zilver opensloeg, en schuimend in een breede beek wegspoelde. 't Was er toch zoo frisch met den koelen reuk van 't water en de breede boomen rond het huis.
Hij stapte van zijn paard, en hij en Beiaard dronken. Hij lei zich op zijn buik in 't malsche gers een pijp te smoren, en overzag het land; het peerd scheerde de klaver uit het gers.
Van uit de breede schaduw gezien, was het licht der velden nog eens zoo schril en 't eenigste geluid was 't scherpe sjirpen van de krekels en de klotsende waterslag.
Niets verroerde, geen blad, geen vogel.
Rond een eenzame hoeve met notelaren bezijds, lagen de koeien te kauwen, en een veulen stond met hangenden kop aan de sluiting van het hekken.
Uit den duivenkijker kwam er een duif, die na wat talmen terug binnenwandelde, en een glazen dakpan schitterde en straalde lijk een brok, gevallen uit de zon.
In de verte leefde nog altijd het tromgeroffel, dat nu eens dichter scheen te komen en dan weer stil te staan, daarna was er vaag harmoniemuziekgeruisch bij, met een gegons van zingende menschenstemmen.
"Mor da's verdoeme de processie!" zei Pallieter. Hij sprong op Beiaard, en draafde naar dien kant.
Bezweet kwam hij op den witten steenweg en voor hem spreidde zich een schrale veldvlakte uit, en hoog boven den horizon in 't heete hemelblauw dreef een gele luchtballon.
Pallieter zag den steenweg op; en ginder, in een wolk van zondoorblonken stof, kwam de processie aan.
Pallieter reed hen te gemoet….
Wel een duizend menschen bijeen, die nu, na het zwijgen der muziek, dat voorop ging met kruis en priesters in koorhemd en roodgekleede misdienders, luid aan 't weesgegroeten gingen, 't Was alsof er uit den grond een doffe rommeling kwam. Al die menschen, vrouwen, mannen, boeren, begijnen en kinderen, waren grijs van 't stof, dat opwolkte vóór hunne lamme voeten. Hunne roode bestofte gezichten lekten van zwart zweet, en zakdoeken in beekwater gesopt hadden er velen op hun hoofd gebonden. Er waren er bij die het maar lieten droppelen, en als het hun bovenste lip geraakte, het met hun tong weglikten.
De mannen hadden hun frakken uitgedaan en hunne halsboorden weggestoken, en de vrouwen het bovenste van hunne zedige jakken losgezet. Er waren er die dronken uit doorwarmde bierflesschen en daarna slijmig speeksel wegspeekten, anderen leien zich op den grond, en dronken aan de meeloopende beek.
De moedigsten en de devootsten waren van voor en baden mee, terwijl meer van achter de devotie minderde en men luie gesprekken voerde. Zij die niet mee met den hoop kosten, liepen nevens den weg in het mulle zand, dat hen aanstonds in een wolk omhulde, of wel bleven ze wachten naar de twee gele scheefhangende omnibussen, die achter de stoet kwamen aangewaggeld.
Zij liep wanordelijk ondereen, de processie. Onder de zonnescherm van een begijn ging een ongeschoren achterbuurtjongen, en onder die van een notable een vuile vrouw met een mager, bietend kind.
Een uitteerende jongen, halfdood en geel lijk was, werd meegevoerd in een rolkarreken, en achter hem kwamen er mannen op krukken, en vrouwen met zieke en schreeuwende kinderen, en een blinde.
Hei! die duizend beewegende menschen, met dat ruischen van de bestofte kleeren, kindergeschrei, geklap en moe voetgeslef, en dan die flauwe zieke reuk van zweetend menschenvleesch; 't was iets ontzettends in dien heeten zomerzondag, iets dat men maar zien kon in een droom.
En zoo onder dien geweldigen hemel, waarin slechts een gele luchtballon, moesten ze nog vier uren ver, door de blakte van het land, dat heet was lijk een bakkersoven, om kunnen neer te knielen voor het kleine zeer-mirakuleuze zwert Ons Lievevrouwenbeeldje van Scherpenheuvel.
"Hei!" en Pallieter rilde van ontroering en kreeg tranen in de oogen, die menschengolving daar te zien, zoo vol geloof en zielenbrand.
Maar daar zag hij Charlot, die hem blij toelachte, omringd van kwezels en begijnen, en toen viel zijn ontroering lijk een leege zak; want seffens dacht hij aan de vele menschen, waarvan Charlot hem had uitgelegd, waarom zij meegingen.
Onder anderen: de vrouw van een doktoor opdat haar echtgenoot zijn zaken beter mochten gaan; de heer uit "Den koperen Olifant" herbergier, opdat zijn acht maanden zwangere vrouw een kloeken zoon zou baren; Arnold van Sichem, horlogiemaker, opdat hun tweede zoon zou afgekeurd worden bij de soldaten, en de andere, die reeds onderofficier was, luitenant zou worden: (de vader hield er aan dat de eerstgenoemde zijne zaken voortdeed). Boeren opdat het zou regenen voor de aardappelen, en jonge college-studenten, die een Vlaggeinhuldiging gingen geven, opdat het niet zou regenen.
En als ze voorbij gegaan waren zei hij—"Dor zen der zeker ook wel bij die bidden lak Ruijsbroeck het bediedt;" en hij citeerde: Dat is gode alleene besitten—meinen—minnen niet omme onze ghewen—achte omme onse eere—achte omme onse salecheit—achte omme iet dat hi ons gheven mochte—maar alleene omme hem selven—ende omme sine eewghe eere selen wine minnen. Ende dat es volmaect karitate.—Daar mede sijn wie gode gheenecht—ende woonen in heme ende hi in ons—.
Dan reed hij verder door binnenwegen, voorbij dorpen en gehuchten, en zag na langen tijd boven de boomen het blauwe torentje van Mariekes dorp uitsteken. Zijn hert begost te kloppen, en hij deed Beiaard rapper loopen. Ginder aan den uitkant van het smalle dorp lag haar huis, en om haar te verrassen en zich aan te kondigen, begon hij op zijn doedelzak te spelen, en reed zoo door de dreef naar de witte woning. Een boer kwam eens over de haag zien en twee patodderkes van kinderen liepen verwonderd mee achter den rijdenden speelman, maar het huis van Marieke bleef toe.
Pallieter stapte af en ging langs 't meerhof zien. Nonkel Hanrie hong tegen den beschaduwden muur op een stoel te slapen en verder was het stil.
Pallieter maakte den boer wakker.
"Wor is ma lifke?"
"Hee! Ja 't!" zei de boer, al geeuwend en zich rekkend, "z'is mé heur twie nichtjes, die in vacansie zen, nor de hei gon wandele. Kom! gon w'een pint drinke?"
"Nee 't," riep Pallieter, "ik brand oem Marieke te zien, ik gaan ze zuuke. Tot straks!" En daarmede was hij weg.
Hij reed door binnenwegen, overal heet en stil, dan nevens een dennenbosch, weer over brokken land waarop de gele jeneverstruik blonk en de heidebloemen purpel bloeiden, dan door een heel lang dennenbosch, en ineens aan den ommedraai lag heel de langverwachte heide open in haren vollen purperen bloei.
Een onafzienbare vlakte, groot als een zee, maar purpel opengespreid, purpel lijk avondbrand, een purpel dat de zon ophief tot een gloed. En daarover omhoog, klom helder de blauwe hemel open en strekte zich een eeuwige stilte uit, tegelijk met het gonzend gezoef van de bieën.
En Pallieter bleef staan, aangedaan tot aan het puntje van zijn ziel. Het was hem alsof zijn lijf openging, en hij met zijn hert bloot stond tegenover het inwezen van de wereld: iets van de ziel der aarde voelde. Hij scheen zichzelf een reus te zijn, en even groot gelijk de wereld. En hij zei:
"Een menscheziel is nog zoo klentjes ni!"
Hij reed voort en zijne oogen kost hij niet gelooven. Dat purpel! dat purpel! Hij kon het einde van dit koninklijk koleur niet gemeten.
Over heel die vlakte was er geen levendige ziel.
Toch reed hij verder, en zag bezijds aan een viertal berkeboomen een groot ven te schitteren liggen. Water trekt aan, en hij daarop af! En zie! plots schoten uit het oevergewas twaalf reigers op, die met hun verward vleugelengeslaag ondereen opstoven, wit en grijs met hangende roode pooten, lijk een echte Japaneesche schilderij.
En toen merkte hij aan een verdere venzilvering drie naakte wezentjes in 't water spelen. Hij stond recht op zijn paard, hield zich vast aan een berkeboom, en zag Zoo vóór zich uit in de verte.
Ja 't waren drie naakte wezentjes, die in het water sprongen, er weer uitkwamen, en malkander met het glinsterend water dresten.
Pallieter werd in eens rood, en zei overgelukkig: "Dat is Marieke me heur nichtjes. Wacht!"
Och! Hij was zoo blij! Hij was lijk zat! Wat een verrassing! En hij liet zich op het paard vallen, en schoot lijk een pijl uit den boog vooruit….
Wat later zaten de drie meisjes gekleed op het paard, en Pallieter ging vooraan, spelend op zijn kornemuze; met vieren zongen ze.
Zij aten gezoden hesp met boerenbrood en genoten geurige koffie. Er werd aan de ouders over het zwemmen niets verteld, maar vastgesteld werd er, wanneer ze zouden trouwen en dat zou vallen op den 21^{en} van te naaste maand. Dat was de maand September, de rijkdom van het jaar, de lust van 't aardeleven!