REGEN
Den anderen dag, na een brandend nacht-onweder, góót het water. De regen viel schuins, in lange, dikke strepen en kletste nijdig op den grond; het waren lijk sabels die vielen.
De verten waren er blauw van toegesmoord, en steeds nieuwe regengordijnen wandelden gietend over het land.
Pallieter zat een pijp te smoren onder het wagenkot, en luisterde naar den regen als naar een oud vertelsel in een ouden boek. 't Was een aangename afwisseling na al die drukkende bakkersovenheette, en een nieuwe frischheid groeide uit den grond. Het water sloeg ruw op het dak, rolde in de dakgoot, die al dit geweld niet slikken kost en daardoor overliep, pletsend en kletsend, en putten wroette in het zand. Het bonkte op de emmers en klokte in de tonnen, het ruischte over de smachtende boomen en speelde ratelend op het water.
Heel het land ruischte onder de goede laving, als een groote zucht van verlichting. De peerdestal stond open en de mesthoop dampte. En Pallieter zat op de berrie van den kruiwagen, naar de lekken te zien die van de pannen vielen, lijk poppekens weerop dansten en in kortstondige blaaskens uitstierven.
Het was alsof het regende over zijn hert; het zwol van de deugd. Hij zag de blauwe verten, het gezwollen water, den natten hof, waaruit de regen den zoetsten rozenreuk omhoogsloeg, hij zag zijn blauwe pijpesmoor door den regen wegwandelen, en er kwam een groot gevoelen van innige goedheid in hem, een gevoelen dat moest uitgevierd worden, omdat het te groot en te schoon was, en hij het alzoo niet slikken kon. Hij wilde den regen voelen tot in zijn hart.
Hij sprong in het schuitje, dat daar grauw en oud te droomen lag, stak van kant en wrikkelde rechtstaande, stroomop. De regen danste over het water met een breed rhythmisch geluid. Het zingende water was zoo aanlokkelijk! En hij, mestnat, wroette en wrikkelde met den riem zoo krachtig in het water, dat de opstroom schuimend tegen het voorsteventje plaste. Hij zong.
't Was toch een zaligheid, al dien overvloed van lavend nat, op de aarde zoo smakkend te hooren neerkomen, zoo met een ruwe mildheid, als de gift van een reus. De boomen kosten al die regenmacht niet vatten, het gers lag plat en het water liep in schuimende beken naar den lagen grond.
't Was een wellust zonder weerga, al die vracht van water op zijn lijf te voelen! Het bedrenkte hem tot op het bloote vleesch, maar hij zong:
"O Heer uwe voeten druppelen van vettigheid,
Zij zegenen het uitspruitsel der aarde!"
Hij hief het hoofd op en liet den regen zijn gedicht rood slaan, zijn borst en schouders bekletsen.
"O! regen omhult mij mé oew sluiers, zuster van de zon!"
En zóó vaarde hij over het ruischende water en door het ruischende land, en hij wrikkelde maar vooruit, en zong kijkend over de natte velden:
"Het regent, regent, jongens nu is het weder frisch. Ja! roept men door het venster dat regen welkom is!"
In dat heerlijke waterlawijd was er nergens een mensch, ja toch één, een visscher, weggedoken in lederen overjas, aan 't hengelen. Hij stond stil als een rots te loeren naar den rooden stop.
Zwaluwen zaten met kladden op den dijk, en de koeien in de weiden wandelden over en weer, en hun lijf dampte hun in eene witte wolk. Een koewachter zong ievers onder een afdak. Er was een blijheid over de groene akkervelden en een weldadige grondreuk spreidde zich uiteen.
Voor Pallieter was het een zielsgenot, zoo aan de regenkoorden te hangen en hij veerde maar dóór in zijn geestdrift. God weet waarheen!
Maar op den overneetschen steenweg, die hier omtrent tot tegen de Nethe kronkelde, hoorde hij zijn naam.
En, van onder de bruine huif van een mulderswagen, zag hij Fransoo armenzwaaiend, hem toeroepen. Pallieter riep hem, en door den plassenden regen kwam de dikke vent lachend aangekwakkeld. Hij stapte in het bootje, en zette zich op een banksken. Zij vaarden verder.
"De rege mokt ma zat!" juichte Pallieter.
"Mij nat!" zei Fransoo.
"Allé dan, in de vischkamer!" riep Pallieter, en Fransoo wrong zich door het vierkant in den bak, en liet er alleen zijn blozenden, lachenden bacchuskop boven uitsteken.
Pallieter vertelde hem dat hij vast den 21^{en} trouwde.
En daarop riep Fransoo: "dor moet oep gedroenke weurre, lot ons in e stamineeke gaan."
"Ni!" zei Pallieter, "as we thuis kome."
"Dor zet ik 'n pijp oep," riep Fransoo, en hij smoorde een pijp uit zijn dikken kop. "Lot ons al mor vroem kiere, 'k krijg deurst!" Zij meenden weer te keeren, maar Fransoo riep: "Ginder, de processie!"
En waarachtig, in dien kletsenden regen, kwam de processie, zwart, met open regenschermen, treurig afgezakt. Ze was zeker meer dan de helft verkleind, ging uiteengespreid lijk doolaards, en daar klonk geen muziek of geen trommelslag, er waren geen priesters vooraan, en van achter sloten de twee gele omnibussen en eenige zwarte rijtuigen den stoet. In de laatste zaten de priesters, en de omnibussen waren volgepropt, en van boven in den vollen regen, met of zonder scherm, zat het nog vol menschen. En Pallieter zag Charlot, de jubilarisse, met opgeheven rokken, zoodat hij tot aan de knieën bijna haar dikke pileerrechte beenen zag—alleen loopen onder een purpelen zonnescherm. Hij riep haar. Zij kwam afgeloopen, lamenteerde: "Och Bruur, kiert algau nor huis, en mokt de kaffe geried, 'k zien gruun van den hoenger."
"Kom stap oep!"
"Neeje!" zei ze, "'k doen alles te voet, al zeven uren in den regen, in zoe'n hondeweer!" en ze keerde terug naar den steenweg, en vervoegde de andere pelgrims, Pallieter en Fransoo lachten, maar toch vaarden zij dan terug. Pallieter luisterde naar den regen, en Fransoo, die maar smoorde, zag soms met één oog het blauwe landschap aan.
Als zij thuis kwamen, herkleedden zij zich. Fransoo maalde koffie, en Pallieter zette de tafel onder het glazen dak, om den regen er te hooren opbonken.
Tegen het glas, langs binnen had een knokige druivelaar zich opgewerkt, en spreidde er nu een weelde van blad en vruchten uit.
Och! een vracht van over de honderd purpele druiventrossen, met vruchten groot als duiveneieren! Hei, wat nen boom!
Hij was het sieraad van Pallieters huis, zijn schoonste meubel. Nog eenige dagen, en zij zouden geperst worden in zijn gulzigen mond! O, wat een genot bereidde zich daar. De wijn die het hart des menschen versterkt, en de ziel doet lustig worden.
Het was een kloeke, overrijke boom. Hij was bezonder heerlijk als de zon er op stond, als de groote bladeren doorlicht werden, en de druivenbollen van haar levengevenden gulden schijn werden omhangen.
De aangename koffiereuk vulde de kamer, en toen alles omtrent klaar stond, hollandsche kaas, eierkoek en appelspijs, kwam Charlot, druipend lijk een teemsch, zuchtend binnen.
Zij liet zich op een stoel vallen, en begost te schreeuwen om haar schoon kleed, dat nu bedorven was en goed voor Loebas laten op te slapen.
"Zwijge," zei Pallieter, "hoe was de reis?…"
"Wa ne regen! we na regen," ging ze voort, "de mieste blijve tot het over is, het muziek is ni wille mee vroem kome, en is mè den trein afgereje. Der hemme wijve gevoechten oem in den oemnibus te zitte. Ach, man kliere zen lak loed; zeven uren in den rege! héjéjéjé!"
Zij ging zich herkleeden, en kwam terug in heur swerkendagsche kleeren.
"En lot nij is zien, wat da' g' hed meegebroecht," zei Pallieter.
Zij haalde haar eemerken, knoopte den natten zakdoek er van los, en haalde er, al maar door pratend, een glazen bol uit, waarbinnen het beeldje van O.L. Vrouw stond.
"Ziedis hoe schoen!" riep ze, "het sniewt!" en zij draaide den bol om, schudde er mee en daar vielen en wemelden in den bol allemaal kleine, witte zemeltjes, rond het beeldje.
"Dad snie is zagemeel!" zei Pallieter.
"Ni schampe!" dreeg Charlot, "of 'k steek alles weg! En ziedis mijnhier Fransoe," lachte Charlot, "ziedis Bruur!" en zij haalde uit een kartonnen doos, een schel-koperen tuig. Het was een Lievevrouwken dat plat horizontaal boven een bel lag. Charlot duwde met den duim op het gezicht van 't beeldje, zoodat het met de voeten omhoog kwam, dan ineens liet ze het los, en het kletste hevig tegen de bel, dat het rinkelde lijk in een kerk.
"Da's veur oep tafel te zette, en as ge ma noedig hebt, belde mor."
"En," zei Pallieter, "dan zulde gij denke dat ons Luverrijke oe roept."
"Zwijgt," zei ze, "hier is 'n Luverij, die ge zied in den doenkere. Kom, zie mor," en zij plaatste een pleisteren Mariabeeldje in de kas, deed de deur goed dicht, en zei van door het sleutelgat te zien. Pallieter zag, Fransoo zag, en inderdaad, in de pekzwarte kasdonkerte bloeide groen het met fosfoor bestreken beeld.
"Schoen hé?" riep Charlot, "oem bang te zijn saves."
"Wa 'da' ze toch verzinne, hé Bruur," zei Fransoo.
"Ja," zei Pallieter, "as ne mens ni mier mè 'n pop kan spele, dan spele ze mè ons Luverijke."
En zie! op nen één-twee-drij scharde Charlot alles van tafel, en droeg het verontwaardigd naar haar kamer. Zij riep:
"Nij krijgde niks, en 'k laat niks ni meer zien!"
Pallieter en Fransoo gingen koffie drinken; daarna plaatste Charlot zich zwijgend en kwaad bij hen, maar onder het eten kwam ze stillekens aan weer in 't humeur, en begost te klappen over Marieke!
Mariekes beeld zette Pallieter zijn hoofd vol warmte, en hij deed de tafel wegruimen, en liet wijn brengen om te drinken op haar.
Onder de druiven, die eens wijn zouden worden dronken zij het donkerroode vocht, uit groote kristallen roomers, die zongen als men er maar effekes tegen stiet.
Fransoo was in zijn schik met den goeden wijn, hij liet zijn glas noch leeg noch gevuld staan; het ging er in lijk water. Charlot dronk zoeten witten wijn, en ze had een flesch voor haar alleen. Pallieter bleef bij Fransoo niet ten achter, en die twee tikten en dronken onder het vertellen over Marieke en onder het rooken eener groote cigaar, wel vier-en half flesschen leeg, dat hunne oogen lam in het hoofd gingen staan, en zij naar hunne woorden moesten zoeken. Charlot ging boodschappen doen, en zij ledigden ieder nog een flesch ouden zwarten wijn.
Het ging donkeren en Pallieter zei: "Kom, we gon het de pastoer oek zeggen." Met zoekende, onvaste stappen gingen ze achtereen door de regenplassen, en beiden lachten zonder te weten om wat. Zij vonden den pastoor, nog bezig in zijn vetplantenserre aan 't frutselen. De goede vent hield kollektie in de raarste soorten vetplanten, en daar besteedde hij veel tijd aan, en sprak er geren over.
Den pastoor werd de datum kond gedaan, en hij haalde drie flesschen op, van achter 't patersvaatje. De kaarsen werden aangestoken, en de pastoor wilde Beethoven spelen op zijnen cello, maar 't ging er niet in; Pallieter en Fransoo zaten daar allebei stapelzat, en dronken maar aanhoudend voort; Pallieter zong iet zonder woorden, begost dan weer te vertellen om dan in eens te zwijgen. Fransoo zat te lachen, altijd maar door te lachen. En nu riep hij: "nu gon we naar manne meulen e fleschke drinke, kom Pallieter, kom Pastoer!"
Maar de pastoor ging niet mee, en samen, Pallieter en Fransoo, trokken ze over 't begijnhof, zwijmelend van hier naar ginder. Pallieter viel in een ruit en 't was een luid gerinkel van brekend glas, door de late stilte.
Zij staken over, en arm aan arm zingend dat het galmde, waggelden ze door den regen voort, die altijd even hard het land begoot…. En als Pallieter 's morgens in Fransoo's molen wakker werd en de mistige, natte verten zag, riep hij: "O, aarde mè a duzend borste, wannier zulde ma verzadige? nooit ni!"
DE HOREN VAN OVERVLOED
Eindelijk was 't September, de frissche maand, die blauwe wierook voor de boomen hangt.
Dien achtermiddag lag er een zoete stilte ver over de velden, waar de boeren in menigvuldigheid de patatten aan 't uitdoen waren. Nu en dan puntte er door de koperen-zonlucht een wildeganzen driehoek naar het Zuiden, en hoog in het Oosten plakten witte wolkskens.
En hei! op de Nethe, vóór Pallieters huis, lag een verschgeschilderde tjalkboot gemeerd! Hij stond boven op het water met zijn blinkenden, ronden buik, en verders was hij vinnig wit en groen geverfd, met hier en daar wat gele krullen of een helle roode ster; witte zeilen hongen slap nevens den mast, en van boven in den hoogen top fladderde een roode wimpel.
Die tjalk, zoo blij van kleur, was het schip waarmee Pallieter zijn huwelijksreis ging doen—en de krone van het jaar, het dierbaar fruit, moest de scheepskas vullen, want niets anders zou hun voedsel zijn!
En God! nooit was misschien de krone zoo zwaar en groot geweest! Zij spande zich over heel de wereld, in een droom van de heerlijkste koleuren, zoodat het land ervan inzakte en de boomen ervan kraakten! O, het onvolprezen fruit, dat het heiligste van het leven is, omdat het de ziel en het bloed der aarde heeft opgezogen en in zich verborgen houdt, het had de wereld overweldigd en verblind!
Ja, de wit-roze Mei had zijn belofte gehouden: al de overvloed van witte bloesems onder de jonge lucht was heelemaal fruit geworden! Wat eens de wereld in een vizioen van geurende blankheid sloeg, was nu een macht van zwaarwegende appelen, peren, abrikozen, meloenen, hazenoten, druiven, die spanden van het sap, en die de zon had rood geslagen, geel en roos en purper…. Een droom!…
De hoven waren paradijzen, waar niets verboden was, en waar al de weelde en de goedertierenheden des levens in rijk koleur en zoeten reuk te pakken hingen, 't Was een zegen!… om te bidden en te loven!
O, wat was Pallieter blij in deze dagen! Hij was lijk zot en uitgelaten lijk een jonge merel. En hij riep van uit den perenboom:
"Het léve lot zan perels valle!"
Hij had een blauwen voorschoot aan van Charlot, en hij was op zijn kousen, radijsroze kousen, die fel uitblonken in de gedaagde tonen van daarrond. Alles was geplukt en gereed om ingescheept te worden, want vandaag zou Pallieter vertrekken en morgen ginder aankomen, om te trouwen. Hij liet zich uit den boom vallen, en groen van het mos, riep hij met den mond vol perensap tot Charlot, die met een halve-maan bezig was de okkernoten te geeselen:
"Spoed oe!"
Maar Charlot pekte voort lijk de duivel op Geeraard, zoodat de takken kraakten, de bladeren in den ronde stoven en de omslunterde noten, lijk een dichte, rappe regen op den grond klopten.
Daar op den blijk lagen de afgeplukte appelen en, met den vollen schijn der koperen zon erop, sloegen zij het water in de oogen en brachten het hert omhoog.
Elke appel was twee vuisten dik en donkerrood met botergele stralen.—"Hun ziel komt erroep ligge," zei Pallieter verbaasd, "wie zij deurve denken da ze van binne witter zen dan melk?"
En hij wreef er eenen zoolang op zijn gespannen hemdsmouw, tot hij blonk lijk glas.
"Het is zunde van hem oep te ete," zei hij, als hij nog maar 't klokhuis ervan in zijn vingeren hield.
"Allé, Charlot" riep Pallieter nog eens. "Lot het staan. Er zen al note genoeg. Brengd alles mor ba den hoep."
Charlot vulde een meukesmand met appelen, en hief ze dan krochend voor haren dikken buik; de roode schijn der appelen sloeg op haar dik gezicht lijk een late zon.
En het wilde zoo zijn, dat de pastoor op den Nethedijk aan 't brevieren was, en riep:
"Hela, Charlot, brengd er is wa nor mij!"
Charlot wilde zich omdraaien, maar zij strunkelde, en onder het geroep van "Jezus Maria, man apelle, man appele!…" viel zij op den grond, en al de roode vruchten rolden rap en botsend voor haar uit.
De pastoor kwam seffens bijgeloopen, om haar te helpen inladen en Pallieter stond van wijds haar uit te lachen, dat het tegen de boomen sloeg en echo's gaf.
De pastoor droeg mee de mand.
Ondertusschen had Pallieter het blauwe hondenkarretje al vol geladen met de helft van den vruchtenhoop, en hij deed er nu nog appelen bij, dat zij over de berden rolden.
Hoe verschoot de pastoor van al dien vruchtenovervloed daar op dit blauwe karken!
Hij sloeg zijn handen bijeen en hij riep:
"Mor zie nij toch, zie nij toch! Salomon zij er ne schoene psalm oep vinne!"
En 't was waar!
Een schat van de schoonste vruchten dooreengegooid: purperen druiven met roodgebrande bladeren en daarin en daartusschen het zachte roos en 't bleeke geel van fluweelige perziken en appelklokken, het groene van hazelnoten en okkernoten, het goud van meloenen, het brons van peren en het blinkende bruin van jonge kastanjen en mispelen, en dat geheel doorvonkt en doorslagen van den fellen brand der appelen!
Dat alles ondereen en overhoop, een rijkdom van koleuren, en een wolk verspreidend, die zieken kon genezen en de vogelen bedwelmde.
't Was heel het leven dat daar lag!
Een trofee voor een God!
Voorzichtig trok Loebas het zware karreken naar het schip en Pallieter,
Charlot en de pastoor liepen er nevens met de vreugd op hun gezicht.
Och, 't waren hier toch zoo'n twee gezellige kamerkes! Witte gordijntjes en bloempotten vóór de kleine vensterkes, waardoor heen men hoog over de blauwe velden zag.
In den hoek, onder een rond vensterken, stond het door Charlot opgemaakte beddeken, waarboven zij niet vergeten had een crucifixken met gewijde palm te hangen.
Charlot ging seffens terug met het karreken om nieuw fruit, en de pastoor nam een stoel, terwijl Pallieter zich op een hoek der kleine tafel zette. Zij dronken een borreltje Schiedam en de pastoor zei:
"Mor wad' 'n aardig gedacht toch, van mé e schip 'n huwelaksreis te doen!"
"Ja!" riep Pallieter, "wa' kan er beter gevonne weurre, veur ni gestoerd te weurre van ij of van Charlot en saam gerust vlam en vuur te zijn, te smilte, te vergaan in malkander! Leven e schip!"
Charlot bracht eerst nog een nieuwe vracht vruchten en Pallieters kornemuze, zijn harmonika, tabak, enz., en toen moest iedereen van het schip, want het water begon op te loopen, en Pallieter ging zich wasschen.
Fransoo kwam omtrent dien tijd met een handdoekpak op den arm op den over-Nethedijk staan roepen om over te zetten, want hij ging mee met Pallieter naar Marieke. Charlot en de pastoor zouden morgen komen op het hondenkarreke.
Charlot haalde Fransoo met de schuit van den anderen kant en de schilder vertelde hun dat zijn vrouw niet kon meekomen omdat er een van zijn zeven kleinen scheuten in de tandekens had.
"Mor we zullen het allien oek wel gedaan krijge!" riep Fransoo.
De dag hing grauw-blauw uit, de avond kwam ijl en stil en de tij liep ferm op.
"We gaan trouwe!" kreet Pallieter en het zeil wierd losgeknoopt, de tjalk van kant gestooten, en daar dreef ze schuins weg naar het midden, waar ze met den loop mee statig henendreef, klaar weerspiegeld in het water.
"We veere nor Marieke!" zongen Pallieter en Fransoo tot den Pastoor en Charlot, die op den Nethedijk hen achterna te kijken stonden. De Pastoor wuifde met zijn zakdoek, en ineens schoot Charlot in een schreeuw, slikte van "Bruur, goejen Bruur!" en verborg heur weenend gezicht achter heuren blauwen voorschoot.
… De twee mannen vaarden nevens de stad. De smoor, die uit de vele schouwpijpen steeg voor het avondeten ging kalm en recht omhoog in de ijle avondschemering, waarin nog zongoud stond. De lampen werden aangestoken. Er waren veel geluiden van kinderen en zware karren op de smalle kaaien. Dan kwamen ze weer op 't open veld, waar het heel stil was en de avond reeds in de hooge boomen hong. Er viel uit de lucht een reine zoelte. De akkers waren verlaten met in de verte nog een traag-dokkende kar; en het schip dreef hoofg en geruischloos boven het koele, wassende water.
In een zuivere blauwigheid kwam de avond over de rustige wereld. Een groote lijn witte smoor hong voor de verre boomen, en ginder in de blauwe avond-eenzaamheid gloeiden twee hel-roode vuren van brandend patattenloof.
De smoor spreidde zich nu lenig over de landstreek uit, en bleef wiegen laag over den grond en het water als een bleeke droom.
Er waren fijne reuken in het veld, en de geur van meloenen en appelen kwam uit het kamerken gewerkt.
Een groote vrede overal, als na veel zwaren arbeid, en alsof nu een heilige rust gekomen was. Een late vogel lachte in de verre stilte.
Op het dek lagen de twee mannen, zwijgend, hun pijp te smoren. Morgen zou Marieke als maagdeken dit schip betreden en vrouw worden in den rijken vruchtenovervloed van 't milde jaar. Hoe feestelijk! hoe prikkelend!… Om niet stil te zitten!
En toch dacht Pallieter er niet aan; deze avond was zoo zoet en stil, zoo overweldigend van innerlijken vrede, dat hij zich kalm voelde en zuiver als een heilige.
* * * * *
Daar was de feest nu in vollen gang.
Heel de lange schuur was ééne tafel, en overal rond, zat het dicht bijeen met volk dat gulzig at, luid klapte, riep en zong.
Het was een lawijd lijk een laatste oordeel, en daar boven uit zoefde nu en dan een zware harmonika en een schelle triangel.
Zweetende knechten in hun hemdsmouwen brachten, op berries en afgehaakte deuren, de schotels worst, rookoolen, ham, snijboonen, dampende patatten en kannen bier.
De twee poorten stonden over elkander open om veel licht te brengen, en men had er een vrij en ver gezicht op de velden en mastebosschen, waarover een dunne nevel lag, doorsponnen van koperen zon.
De grauwe geleemde wanden waren mild bekleed met het donker groen van geschoten aspergiën, waarin vinnige papieren rozen helderden.
De zaal was blauwig van den smoor, die uit pijpen en sigaren steeg. De zon kroop ver de plaats in en verwekte veel koleur. In het midden aan de vroolijke boerentafel zat het jonge paar: Pallieter en Marieke.
Marieke zat daar lijk een popje, stil en stijf in een gespannen pruimpurpel kleedje, dat de borstjes hoog ophief; een witte gaze sluier, die in losse plooien over hare schouders viel, was op het hoofd vastgehouden met een kroontje van witte, in was gesopte, oranje-bloemekens. Ze zat er zedig lijk een nonneken, en verjongd en verfrischt door het geluk.
Hare appelroode kaken bloosden nog meer dan anders, en de gefriseerde haarkrullekens hingen in de kalme zon fijngoudig op het witte voorhoofd.
Ze zat daar in al dat lawaai alsof ze er niet bij behoorde, en als Pallieter, die nevens haar los en vrij zijn eten verorberde en zijn pijpen smoorde, haar iets vertelde, dan keek ze naar omlaag, en kwam er over heel heur gelaat een hevige blos, en een gelukkige glimlach op haar lippen; maar als Nonkel Hanrie, haar vader, dan weer tot Pallieter over honing en mest voortpraatte, dan gingen haar oogen over de tafel rond, en knikte zij ingenomen en wat verlegen naar kennissen en familie.
Zij roerde bijna de spijzen of het bier niet aan, maar at uit een der vele fruitmandekens, die op tafel stonden, een malsche perzik of peuzelde aan een okkernoot.
Pallieter zag haar alzoo in al heuren rijken, kinderlijken eenvoud zitten; hij had een jagend hert er van, en had met haar alleen willen zijn. Hij was opgewonden.
"Kom, wille w'er stillekes van onder muize?"
Maar dan zei ze van nog te wachten, dat ze nu nog niet dierf heengaan om de feest niet te storen; en dan kwam er weeral versch eten, werden er nieuwe liederen gezongen en de glazen nog eens gevuld.
Zoo bleven ze zitten.
Op een ton, met een pot bier aan zijn voeten, zat een scheele vent maar aanhoudend en onverschillig harmonika te spelen.
Fransoo kon zijn oogen van heel dien kleurenrijkdom niet slaan. Al die boerenkoppen, die bijna nooit iets anders dan aarde geroken hadden, en er kostelijk naar gevormd waren.
"Elke kop is goud waard," zei Fransoo.
De zijden pompadoeren sjaals wemelden en blonken; het zwaar goud schitterde en al die hagelwitte kanten mutsen, het zilverblond haar der jonge deernen, de bonte foulards der mannen, en een heidergroene dragondersoldaat, dat was een feest voor een schilder; en en dan! er was veel zwart, zijden en katoenen zwart dat die koleuren en de vruchten op tafel nog feller blinken deed. "O!" riep Fransoo tot Pallieter. "Bruur, zoe iet vinde ni meer van hier toet China! Och, hoe kolossaal!"
En de zon, die meer en meer binnenschoof, gaf er een grooter weelde en een inniger leven aan.
De pastoor zijn kletskop blonk hevig af tegen de blauwe verte der mastebosschen, en Charlot zat te zweeten van gulzigheid en plezier.
Mariekes grootmoeder, nevens haar gezeten in zwart krakende zijde en strooien hoed met breede linten op, hield haren mond over haar kleindochter geen "Ave Maria" stil, tot er een oogenblik kwam dat Charlot de tranen in de oogen kreeg.
Er wierd veel gezongen en gelachen en het bier sloeg naar den kop. Het lawijd overweldigde de luide harmonika.
Pallieter had lijk mieren in zijn beenen; hij wilde met Marieke weggaan. Zij dierf niet, maar hij zette zijn mond tegen haar oorschelp, zei iets stil en lang en toen stond zij glimlachend op, en ging heen. Juist sprong er een veertigjarig zat boerken op een stoel en begon te zingen van:
Drie schoon Tamboers die van den oorlog kwamen
Drie schoon Tamboers die van den oorlog kwamen
Van rom plom, rom plom, rom plom plom,
die van den oorlog kwamen.
Iedereen zong mee en 't was daardoor dat Marieke, om zoo te zeggen ongezien, van de tafel ging.
Pallieter ging langs den anderen kant, en zij kwamen achter het huis bijeen, waar de karren der genoodigden stonden; en terwijl Marieke haastig naar heur kamer liep, om het reeds ingepakte kleergoed, spande Pallieter Loebas in het blauwe hondenkarreken. Zij zetten zich nevens elkaar op het smalle banksken, en met een Dju! rolde er het huwelijk van onder!
Maar pas waren ze een boogscheut ver of er ging van de hoeve een luid geroep op. Pallieter en Marieke zagen om, en achter de haag en op den weg stonden al de genoodigden te roepen en te juichen; zij zwaaiden met armen en zakdoeken, en er stonden er op tafels en stoelen.
Ze reden vlug door het stille dorp, en kwamen weer in het opene.—"Altijd maar vooruit naar de Nethe!" riep Pallieter. De stille mastebosschen gaven een sterken terpentijnreuk, en nu en dan stak er tusschen het donker naaldengewelf wat zon op een berkeboom. Soms viel er een blad draaiend neer.
Pallieter hield zijn vrouwken in zijn arm, en van het danig en snel rijden wapperde het gasen vool achteruit. Zij lei heur hoofd op zijn schouders, kuste hem zeer, en schoot toen in een luiden lach.
Zij geraakte los en vrij nu, nu ze met hem alleen was, dien ze liefhad als den Hemel. Zij botsten soms tegeneen, en 't zand stoof aan de draaien dik wolkend op. Boerenmenschen bleven hen lachend nazien, riepen een zotte slag, maar zij reden zonder omzien dóór om gauw gerust alleen te zijn. Allengskens aan werd de grond vettiger, en na nog een schraal mastboschken doorgereden, zagen ze, ginder beneden, in de helderheid de Nethe blinken; en dáár lag het schip.
Ze vlogen de zoete helling af.
Als ze daar gekomen waren mocht de knecht, die het schip bewaakt had, met een handsvol drinkgeld naar de feestvierders gaan.
"Nemt gij het kerreken mor mee," zei Pallieter, "Loebas blevt bij ons, dieë zal toch niks voertvertelle. Salu!"
Nu stonden Pallieter en Marieke en Loebas op het schip.
Zij wilde door het valluik naar beneden gaan om zich te verkleeden, maar
Pallieter zei lachend:—"Nij nog ni of wij blijven er."
Dan zette zij zich van achter nevens 't roer, op het watertonneken, en zag Pallieter na, die de zeilen opensloeg, waarop een dunne wind stootte. Pallieter stak verders het schip van kant, zette zich nevens haar bij het roer en langzaam dreven ze weg, lijk een wandelstap.
"Eindelijk hem 'k u," riep Pallieter en bezoende haren rooden mond.
Het schip dreef door het schoone land van Reyen. Er waren hooge wolken in de frissche lucht, en in de beemden overal koeien, en ver de heuvelen met dennenbosschen begroeid.
En zij zat in dat pruimpurpel kleedje sterk in Pallieters arm geprangd, wijl hij met den anderen stuurde.
Haar vool waaide soms op, en als het weer neerhong nevens haar gezicht, filterde de zon er door en vergulde fijn haar roode kaken.
Hij vond haar een schoon Lievevrouweken.
Zij was toch zoo gelukkig; het straalde uit haar oogen, en onaangeroerd bleef het mandeke met fruit, dat Pallieter aan haar voeten had gezet.
Het water rook, het gersland rook; hier en ginder stond er reeds een vergelend boomken; de zon viel in het witte zeil en hoog in de lucht trokken de kranen in driehoek naar het zuiden. Pallieter zag die vogels na, en toen viel voor 't eerst in hem het groot gevoel de wijde wereld in te trekken.
Zij vonden dit alles zoo nieuw en heerlijk, dat zij het uitriepen en juichten, maar in hun hert werd heviger de zoetigheid der liefde, die zinnen bedwelmt en machten verlamt, en zij vergaten heel dien overvloed van zuivere schoonheid om maar met hun eigen te zijn.
Zij waren gulzig naar elkander, zoenden omtermeest, en konden niet dicht genoeg bijeen zitten.
Intusschen vaarden zij verder, en de vroege avond kwam rap in de lucht.
Grijsgrauw werd de streek, de wind viel uit de zeilen, en er kwam een stilte.
Zij verkenden het landschap niet meer, en in de verte werd er een lichtje aangestoken.
Maar zij wisten van geen opstaan.
In de stilte kwam de avonddamp over de velden gesluierd en verdikte zienderoogen.
Zij stootten ineens tegen kant, en het schip bleef steken. Toen stond Pallieter recht, Marieke zuchtte, en zwijgend lei Pallieter het schip aan een knotwilg vast. Er was nu hier en daar een lichtje.—"Kom nu gaan we naar beneden," zei hij.
Daar werd ook de lamp aangestoken, en als Marieke heel dien overvloed van schoone vruchten zag en het witte beddeken, dat Pallieter openlei, toen sloeg ineens het bloed naar heur hoofd, haar hert klopte, en stil en gelaten lei ze heur hoofdeken tegen zijn borst.
En daarbuiten, door den avond en den damp, lichtte de open vierkanten luik als een teeken van grooten vrede en geluk.
* * * * *
Wat een genot als zij 's morgens wakker werden in 't warme beddeken, te midden van den fruitreuk, als zij door het ronde raampje nevens hun hoofd, een zonbeschenen vlakte zagen openliggen, met mosbegroeide kentelende heuvels omendom. Ze grepen elkander vast en begosten te fikfakken lijk twee kleine kinders.
Fruitetend kwamen zij op het dek, en hei wat een plezier! Wind en Zon!
In den nacht had het geregend en nu was alles eens zoo frisch en versch.
Een breede, malsche wind rolde heerschend over de wereld; de nevelen waren weggevaagd en de zon zoelde verjongd en verrijkt van tusschen melkwitte rappe wolken op de groene aarde!
Het schip veerde nu met spierwitte open zeilen, die de wind deed zwellen lijk buiken.
Het schip joeg vooruit over het zilverrimpelig water, het hout kraakte, en de roode wimpel kletterde.—Loebas baste, maar zijn gebas viel uiteen lijk zand. Geen stem kon staande gehouden worden.
De smoor sloeg nevens de schouwpijpen der eenzame huizekens, en een witte molen draaide op een heuvel haastig zijn wieken rond.
Mariekes rokken wierden tusschen en tegen haar struische beenen geslagen en gespannen, dat men duidelijk haar schoone vormen zag.
Pallieters pijpsmoor verwaaide met den wind.
Dat was buitengewoon zoo te kunnen veeren! en beiden bleven recht staan om den goeden wind overal te voelen drukken. En zoo vaarden ze steeds verder en verder op, de schoone Nethe, die boven het land verheven lag.
"O Marieke!" riep Pallieter en hij nam zijn lieve vrouw in zijn armen, zag haar in de groote, blije, luisterende oogen. "Gij hed mij leve eens zoo groet en schoen gemokt! Hoe moet ik God bedanke?"
Zij zweeg, en toen riep hij: "Wij zullen zijn fruit ete!" En hij perste met bei zijn handen een grooten druiventrossel in haren open mond.
HORENGALMEN
Breed, machtig en gestadig had de Bamiswind dagen over de aarde gezwollen, nevel en prikregen meejagend in zijn groot geweld.
Dagen achtereen stonden de koppen der boomen gebogen, de blaren omgeslagen en het gers plat op den grond. Dan kwam de mist de blaren rotten, en de koeien loeiden naar den warmen stal.
Binstdien vierden Pallieter en Marieke in hun huis hun jeugdig liefdefeest.
Maar nu was het weer terug opengegaan en de lage zon liet de heerlijke verten zien. Deuren en vensters open!
O God! nu was de wereld heelemaal van aangezicht veranderd! Het machtige groen, dat zooveel maanden de boomen had bekleed, was nu geel, bruin en rood geworden!
En van uit het mos, de lucht, het veld, de beken en het riet, uit het groote en het kleine, kwam er eene heilige rust, eene zuivere stilte en hooge sereniteit.
De bladeren vielen, de winter rilde aan den horizon. Het was er mee gedaan. Het leven had alles gegeven wat het kon. Het was moe en uitgeput, en ging nu rusten terug in den grond, en er nieuwe krachten vergaren voor te naaste jaar. Kikkers, vleermuizen, vogelen en krekels, alles doet en moet mee met de wet. Terugwerking. Het is de inademhaling van de wereld. Allerhande nieuwe levens zijn nu geboren en hebben geleefd, en daar het leven altijd maar leven moet en leven geven, zoo haalt het er vele terug naar binnen, om er te naaste jaar andere zielen in te blazen.
Hoe kan het anders? van waar zou de aarde het omhulsel der zielen blijven halen? Zij is immers rond en afgerond, en er is niet meer stof in dan er in is.
Daarom doen die heengaan mee om anderen te laten komen. Zoo heeft ieder zijn toer, en 't eens is even schoon als 't ander, omdat het mee tot den asem van het leven behoort. Och 't is zoo schoon als men er aan denkt, maar ach, wij menschen zouden het toch anders willen!…
* * * * *
Het was hier stil bij de vele kabbelende beken, onder de hooge gele boomen en het dichte bruingeworden struikgewas. Er was een noenzon, en niets te hooren dan het droog tikken van een vallend blad.
Pallieter had een blauwe met roggemeel gevulde tweezak over den schouder hangen en ging naar huis langs de draaiing van een diepe beek. Hij was dronken, dronken van al de intense herfstkleuren, en zijn mond zag purpel van den overvloed lauwzoete brembezen, die hij onderwegen had geplukken en opgegeten…. Weer werd hij aan den grond gelijmd, als hij zag in welke schoonheid hij hier stond.
Hei! Al die geelgeworden bladeren, die gele boomen, waren doorhangen van de zon! De gele soppen, die zuiver en hevig het licht droegen en scherp opstaken tegen het fijn blauw gehemelte, konden al die overmacht van licht en zon niet slikken, en lieten het naar beneden vallen en omhulden heel hunnen boom met licht. Zoo deed elke boom, en de eene boom gaf zijn licht en zijn kleur aan den andere, en al die boomen waren bijeen lijk een gulden wolk. Pallieter werd er mee omklaard. Hij ging voort en bij elken stap ruischte het, fijn in de stilte van droge, afgevallen blaren.—Ze lagen los en dik lijk tapijten en gaven een aangenamen reuk. Pallieter vond het een heerlijk geluid en hij hief zijne voeten niet meer op, maar schoof ze door de bladeren. Het geruisch wierd er voller mee. Het was fijn, het deed hem droomen! De blaren sloegen, schoven en vielen over zijn schoenen, hij speelde er mee, ging nu eens rapper, dan weer langzaam, en hij liet ze zingen, deze gele dorre bladeren, zingen, zingen, lijk een verre zee.
Zoo gaande kwam hij op een geheuvelde bloote plek, vol met gele bladeren en omgeven van hooge, zware boomen en dicht struikgewas. Pallieter bleef getroffen staan, want hier stootte de zon vrij en bloot al haar macht in het kleurig boomenloof, zóó hevig, dat het geel der klepperboomen sterk was als levend goud en het rood der beukenboomen als vlam in bloed.—'t Was een heerlijkheid van toon en verf, een openvouwing van de zuiverste goudkoleuren die men denken kon; ambergeel, bruin, rood, koper, bloed, vuur, vlam en goud. En het licht der zon weefde, doopte, sproeide en danste en sloeg ze ondereen tot een vizioen van heiligen kleurenklank. Het was muziek.
Het was hier nog stiller, niets verroerde; 't was roereloos als ijzer.
Ineens stak Pallieter zijn hoofd luisterend vooruit. In de verte was er gegalm van vele jagershoornen.—Hei, dat geluid verinnigde het gouden koloriet der boomen! het lei als gulden kransen rond de blaren! Men zag het gegalm in de boomen!… Hij luisterde, ging schuivend door de bladeren verder, en kwam langs krinselende wegeskes, tusschen hooge boomen, in het bloote veld.
Overal een zachte, fijne zon en ginder, over de Nethe, uit blauwen nevel guldden vaag, de oneindige Begijnenbosschen. Herfstdraden wandelden in de lucht, en er was een oude rapenreuk over het land.
Pallieter lei zich op den buik in 't gers en beluisterde het verre hondengeblaf en 't geschal der horens, dat van uit de blauwe bosschen klonk. Heerlijk leefden de schoone horengalmen ginder ver. 't Was een overhoopgegooi, een weg en weder en verloren loopen over heel de streek.
En zie! een ontsnapte hert liep uit de Begijnenbosschen! Seffens wierd hij achtervolgd van boeren met schuppen en rieken gewapend—maar hij was hen te vlug en sprong met sierlijk wippen, het gewei naar achter en de dunne pooten in brug, lijk men ziet op oude tapijten, over slooten en beken, rende door een overstroomden beemd en verdween langs den kant der zon in een ander boomenrijk gedeelte.
Van uit de verten bleven de horens galmen, nu eens ver en dan weer dicht, al naar den gang der jacht. Hij zag schapen grazen, de zon scheen rood door hunne ooren, en streelde lijk vingeren in de dikke wol. Aan den boord van 't beeksken zat de bultige herder, alleen, heel alleen, lijk de kinderen, och arme, met de kaarten te spelen.
"Zoe wind altij," zei Pallieter, "mor wind is tege mij!" Pallieter zette zich in het gers, nam de vuile gekrolde kaarten op, onderstak ze, en verdeelde. Daar waren ze nu aan 't spel, aan 't wippen, en zij vloekten, sakkerden en riepen alsof er heel de wereld van afhong.—Dat duurde zoo een volle geslagen twee uren, tot de zon ging zakken, en ondertusschen dronken zij van den brandewijn, dien de herder in een blekken busken op zak droeg.
De herder mankte weg met zijn goede schapen en de zon zette het westen vol vlam en vuur, brokkelde rood en geel goud over blauwe en purpren wolken, omvatte heel de wereld in haar glorierijken glans, en de overgebleven waterplaskens op den weg gloeiden lijk stukken van de zon.
Pallieter trok langs binnenwegen naar huis en bleef ontroerd naar een jong boerenkoppel staan zien, dat fluisterend leunde over een witte koe, die late klaver scheerde. De zonlucht omhulde hen met fijn oranje-goud en een zwaluw scheerde tjilpend rond hun hoofd.
Pallieter ging nog een stamineeken binnen, waar boeren en voerlui zaten te kaarten.
"Hela!" riep men verward van alle kanten Pallieter toe, "gij gaat er e kasteel mee winne! Gij wordt nij zoo rijk as de zie diep is! Geft er mor 'n tonneken ouwen bruin oep, 't kan er nij af!" Pallieter verschoot, zag verbaasd rond: "Wa' betiekend dat allemaal!?"
"Wettet nog ni!?" riepen ze ondereen en zij vertelden hem dat er een spoorweg ging komen over de Nethe, dat deze laatste zou gekanaliseerd worden, dat zijn hof er heelemaal zou invallen, verder zou er nog een fort bijkomen en een nieuw kerkhof. Het sloeg hem in de beenen. "Boem! 't Is nor de maan!" vloekte Pallieter dat het donderde. "Adieu schoon land…. Maar in zoo 'n land blijf 'k ni wone! dan trekken w'er uit! dan doen 'k mor lak de vogels, de wereld is groot genoeg!" En hij dacht wederom aan de kranen, die hij op zijn trouwdag naar 't zuiden had zien trekken en die hem voor 't eerst dit gevoel van overal te wonen hadden gegeven.
"Welgekomen!" juichte hij en dronk zijn pint uit, sloeg den tweezak terug over den schouder en ging rap naar huis om het aan zijn allerliefst Marieke te vertellen….
De avond was gekomen, het oosten was toe en in 't westen aarzelde nog een mat gouden streep. De smoor steeg uit den grond. De dorre bladreuk leefde op en er was een zeer gemoedelijke stilte op het land; alleen de grijsgele bladeren ritselden, kraakten en ruischten onder en over Pallieters voeten. Een koe loeide naar haren stal, een blad viel op Pallieters hand en in de donkere Begijnenbosschen galmde nog, weemoedig en traag, een eenzame jagershoren.
Pallieter werd er koud van tot in zijn haar, kreeg tranen in de oogen en voelde medeen de winter rillen door het land en door zijn hart.
In 't huis wierd er met Marieke in 't bed over gesproken, die er blijde om was, en 't werd, na gewikt en gewogen te hebben, vastgesteld dat zij met den uitkoom, als 't groen terugkomt, samen met een foorwagen de wereld zouden intrekken.
EEN GRIJZE, NATTE DAG
Door den dikken grijzen mist, die het zicht der wereld sloot, viel de motregen fijn en kil.
De boomen glommen groen lijk kikkers. Alles was nat. Wie buiten kwam was nat tot in zijn longen.
De nattigheid, ze kroop in huis, besloeg de ruiten en beklamde de muren. De vloersteenen zweetten en het zout was nat. De klinken waren nat, het vertrek was nat, alles was nat tot in de ziel.
En door den mist, van uit een zwarten boom, koerde een eenzame tortelduif….
Het leven had zijn laatsten snik gegeven, en alles stond verlaten en kapot.
De boomen waren kletsbloot en erbarmelijk om te zien, met hunne verwarde, wringende takken. De zotte, nijdige, wilde wind had al hun blaren afgesleurd, ze in de lucht verstrooid, dat er bij waren die hoog gingen lijk vogels; andere liepen met duizenden achtereen over de wegen, geraakten ievers in een hoek, in een trekgat, waar ze niet meer uitkosten en ongedurig, ongenadig, met een stuk gazet soms, ronddraaiden, altijd maar draaien, dansen, schuiven en springen in het rond, om er zot van te worden.
Zoo duurde de bladerendans, eentonig en onafgebroken tot de regen ze vastsloeg en verrotte.
De boomen treurden lijk moeders om hun bladeren….
Onder het karrenkot stonden Marieke en Charlot met opgestroopte mouwen aan de dampende waschkuip, en Pallieter op de knieën gezeten, was aan het hout hakken.
Het was danig stil op het land, de vrouwen zwegen, en alleen het kappen en kraken van het hout ging een eindeken door den mist.
Men kost over de Nethe niet zien, zoo hevig had de smoor de wereld omhuld. Een witte nacht.
De boomen in den hof stonden daar grijs en triestig als nuttelooze dingen.
Vaag lijk een spook ging er een vent, met een zwarten hond achter hem, voorbij de haag. Hij bleef staan en riep met schorre stem: "Hé, Pallieter, zijde gij het?" en toen schoot hij in een geweldigen hoest. Als hij gedaan met hoesten had, riep Pallieter: "Ik ben 't in eige persoon!" "Wilde mij is overzette?…anders mut 'k zou wijd oemgaan." "Wor trekt henne, Piet?" riep Pallieter.
"Nor de Bagijnebossche hout koope! Gade mee? Er zen veul occases te doen!"
"'k Gaan mee!" riep Pallieter terug, "wacht wa!" Hij ging zijn mantelfrak aandoen.
"Vroeg thuis zijn, hè Pallieter?" vroeg Marieke, "'k zal oe straks is iet hiel aardeg vertelle!"
"Mag het Charlot ni hooren?…"
"Jawel, mor … toe ga mor, en komt gauw terug!" Zij bloosde wat en streek met haren schoonen voorarm de bruine krullekens van haar voorhoofd weg.
"Ik mag alles hoore!" riep Charlot nijdig tot Pallieter, "en 'k zal 't nog ierder hoore als gij, zolle, curieuse mosterdpot!" en dan fleemend tot Marieke: "Is 't ni waar, ma schopke?"
"Zeker," zei Marieke, maar zij waschte voort.
"Toe, zeg het is," maande Charlot, "zegt er mor is 'n bitje van." Toen vertelde Marieke het.
"Zou da' waar zijn?" riep Charlot verblijd en aanstonds eischte ze dat
Marieke er uitscheidde met wasschen, want dat was niet goed en kon
leelijke gevolgen hebben. "Wa zal Pallieter blij zijn as'm dat hoort!
Lot mij het hem zegge, zolle, ik kan da' goe," zei Charlot.
Pallieter ging met Pier en dezes hond over 't water, en dan op weg naar de Begijnenbosschen.
Ze volgden maar den kronkelenden wegel, want zij verkenden door den smoor de landstreek niet. De boomen groeiden telkens als ineens uit den grond, grijs, en doken dan weer seffens weg.
De regen hong lijk fijne pereltjes op Pallieters frak en de grond was verplat in een vettig slijk, dat tot over de knoesel kwam.
Zij kwamen voorbij een overstroomden beemd, waarin drie schuine knotwilgen treurden, de hond baste naar een krassende raaf, die zich seffens in den mist verloor.
Pallieter en de vent klapten over veldsche zaken, en de zwarte hond liep lijdzaam met den kop in den grond achteraan.
't Was overal om ter stilste, de regen viel onhoorbaar en er was geen de minste zucht.
Pallieter zweette en sloeg zijn frak open.
Eindelijk kwamen zij onder hooge boomen en stapten op rotten bladgrond en het licht werd kleiner.
't Waren hier de Begijnenbosschen.
Er vielen overal groote lekken van de boomen, zwaar en dof. Als zij verder gingen zagen zij, grijs bijeengehoopt, een groepje menschen staan rond een luid getallen roependen vent. Ze stonden er allen met natte neuzen en druipend van den regen. Pallieter en de vent schoven zich erbij.
De piepneuzige roepstem ging rap op en bleef hangen in de hooge, groote, natte boomen. Grijs en groen stonden ze daar, de machtige reuzen, eens zoo groot nog nu de mist ze omhulde.
De roeper ging met het volk naar een beuk. O, een beuk die drie man niet kosten omvatten. Hij spreidde zich ver uiteen en verborg zijn kruin in den mist; zijn voet stond struisch met veel woest kronkelende en ver loopende armen rotsvast in den grond. Een model van een boom. De koning van het woud. Als Pallieter dacht, dat deze reus binnen eenige dagen zou neergeveld worden! neen dat kon hij over zijn hert niet krijgen en tot den boom zei hij: "groeit!", en riep tot den roeper zulke groote som, dat deze bijna omver viel en met moeite "gebod" kon geven.
Nu had Pallieter een boom, maar een boom, menheer, zooals er misschien geen twee meer waren, 't Was maar een enkele boom, maar hij was er blij mee, alsof hij heel de wereld gekregen had. "Mijnen boom," zei hij "Als d' ander gevallen zen, stade gij hier nog, da beloof ik U! Groeit, mokt blare en neutjes, groeit gelijk ge wilt, en verberg de konijntjes onder uwen grooten voet, groeit!"
Hij kwam om winterhout te koopen, en kocht een boom. En met zijn lierenaar schreef hij in de schors het eenigste wat hij ooit geschreven heeft: "Melk den dag!"
Alleen trok hij er uit, dwars door het stille bosch, waar luide lekken vielen door den smoor.
Hij dacht aan de boomen en aan de menschen. En terwijl hij hier zoo alleen in dat verlaten woud slenterde en zielsgelukkig was om een boom, stak daarbuiten de wereld vol ellende en miserie, en waren de menschen ziek naar het verdriet en leefden om te sterven.
Het viel op hem lijk een blok. Maar ach! wat kon hij er aan doen? Was hij ook geen pier?
De wereld draait rond, hij draait mee en er is maar één verschil en dat is: dat hij van het draaien geniet. En dat geeft of verdeelt men met den besten wil der wereld niet aan anderen….
Als hij uit het bosch kwam, hoorde hij op den steenweg veel moe paardengetrap en rinkeling van losse hoefijzers. Uit den smoor doken, tegeneengedrumd, een twintig afgeleefde peerden op.
Ze waren hoog op hinkende, opgezwollen pooten, en hun goede, zware kop woog moedeloos naar omlaag aan den langen, pezigen hals.
Als vuisten staken de knoken er uit, en de ribben als vatbanden. Er waren blinden en gekneusden bij en allen drumden tegeneen als om elkander te steunen. Een hoop miserie. Zoo wierden ze naar de slachtbank gedreven door twee vuile venten, zonder de weldadige, eindelijke rust gekend te hebben in een vette wei. 't Waren lijk menschen. En na hun wreeden dood aten de menschen ze op.
"Van waar kome die?" vroeg Pallieter aan den eersten vent.
"Van Leuve," zei hij barsch.
Er scheurde iets in Pallieter. Van achter was de tweede vent, die het laatste paard, dat zeer hinkend ging, met het achterste der zweep tegen de stramme pooten klopte en bleef kloppen, zoo maar puur uit gewoonte.
Toen liep Pallieter zijn hert over en zonder zich te verzinnen, ging hij naar den vent en gaf hem een klets vlak in 't gezicht, dat deze op zijn hukken tuimelde. Maar de vent, ook niet lui gevallen, wipte zich vloekende op en sloeg Pallieter een blauw oog; doch Bruur greep den vent bij de keel en beiden rolden in het slijk. De andere vent kwam bijgeloopen om zijn spitsbroeder te helpen, maar Pallieter sleurde hem mee op den grond, riep:
"Holleke bolleke
nieve solleke
holleke bolleke
knol!"
en hij knotste de twee naar genever riekende koppen eens duchtig tegeneen.
"En als ge nij die peerde nog slaagt, eet 'k elle pep! Bieste!" Pallieter ging weg, de mannen schreeuwden hem nog wat achterna, maar verroerden niet….
Als hij thuis kwam rook het naar versche koffie.
Fransoo zat achter de ronkende Mechelsche stoof met Marieke te klappen.
Charlot dekte de tafel.
"Zie, wat hebt aan oew oog?" riepen ze met drieën.
"Tegen nén boem geloepe," zei Pallieter. "Mor lot ons koffie drinke, want 'k hem hoenger."
Maar Charlot kon het blijde nieuws niet in zich houden; zij vertelde het hem in zijn oor.
"Watte?" riep Pallieter vol blijdschap. "Is da' waar Marieke?" Marieke knikte bevestigend en wierd rood tot in heur haar.
Hij sprong naar haar toe, nam haar op in zijn armen en kuste haar op den natten mond dat zij naar asem moest snakken.
"Korentenbroed," riep Pallieter, "spikelatie en wijn! Leve den aankomeling! Roept de Pastoor, Charlot!" Vlug lijk 'n weerlicht had Charlot een anderen rok aangeschud, en liep lachend menheer Pastoor roepen…. De goede vent wenschte Pallieter proficiat, en tikte Marieke vaderlijk op hare wangen.
En verblijd zei hij: "Pallieter, jonge, nij kunde de wereld ni ingaan, nij er een kinneke komt, en moete op ons zalig Nethe-land blijve wonen!" Maar Pallieter zei: "Dat is mor uitgesteld. Als de kleine gebore zal zijn, gaan wij toch, en 'k zal mijn best doen van oe mee te neme!"
Zij dronken de versche koffie, aten melk en korentenbrood, hollandsche kaas, gezoden hesp, en veel andere smakelijkheden. Daarna bracht Charlot heel ouden wijn, "nog uit Jezekes tijd" zei ze. Zij staken een sigaar op en kropen rond de gezellige Mechelsche stoof. Zij vertelden dit en dat, maar meestal hing er een goede stilte rondom hen. Charlot kwam na den afwasch er zich bijzetten, in de hoop van veel te kunnen lachen. Marieke zat met den ronkenden Tybaert op den schoot.
Een smoorwolk omhulde hen, en de schemer kwam fluweelig binnen gevallen. Nipkes hoorbaar titste de regen tegen de ruiten, en het venstervlak, waardoorheen men niets zien kon door den mist, wierd langzamerhand grijzer en grijzer. De koppen verdoezelden in den donkeren, alleen de kachelpot en de drie sigaren bloosden in het mollegrauwe schemering. Hunne schaarsche woorden werden er als mee omhangen, zacht en gedempt.
De warmte was weldadig en werkte deugdelijk op hen in. Soms was er een heele lange stilte, waarin dan niets te hooren was, dan het frutselen van den regen op de ruiten.
En in zulke stilte, als uit een fluweelen keel, droeg de pastoor een dichtstuk van Gezelle voor. Niemand had over Gezelle gesproken, of getitst over kunst en …toch deed het in dezen oogenblik als iets dat bij dezen avond behoorde. Het groeide als een bloem natuurlijk. Langzaam, zuiver en stil, maar met al de vroomheid van een groot menschenhert ging het:
Alleene, uit aller oogen
zitte ik, in den hoogen
hemel kijkend, sterrenvol;
Alle ding is duister,
uitgeweerd de luister
van 't verheven stergerol.
Hoe kleen, O God hoe kleene,
donker en alleene,
ligge ik in dien grooten al
van uw licht verloren,
lijk een ongeboren
kind, dat niemand baren zal!
* * * * *
Gesprakig is al 't wezen
dat de wil van Dezen
die het Woord is, worden liet;
Stom en zijn uw stralen,
sterren, niet, en talen
doen ze meê in 't eeuwig lied.
Als 't uit was, zei er niemand een woord, noch een zucht, er bleef een gespannen stilte, een wachten en dan herbegon de pastoor:
O Lied, O Lied,
gij helpt de smert
wanneer de rampen raken,
gij kunt, O lied, de wonde in 't hert,
de wonde in 't hert vermaken!
O Lied! O Lied!
gij laaft den dorst,
gij bluscht het brandend blaken,
gij kunt, O lied, de droge borst
en 't wee daarvan doen staken.
O Lied! O Lied!
het zwijgend nat
dat leek nu langs mijn kaken,
gij kunt het, en uw kunst is dat,
gij kunt het honing maken….
O Lied! O Lied….
De laatste twee roepen "O Lied, O Lied," waren door de hevige klimming van 't gevoel zoo stil uitgesproken dat ze niemand had gehoord met de ooren, maar wel met het hart. Dan volgde na een pauze het hoog-mystieke dicht "Blijdschap". "Daar zijn blijde dagen nog in 't leven", en nadien steeg uit de stilte deze innigste belijding:
'k Hoore tuitend' hoornen en
de navond is nabij
voor mij;
kinderen, blij en blonde, komt,
de navond is nabij
komt bij:
zegene U de Allerhoogste, want
de navond is nabij;
komt bij;
'k hoore tuitend' hoornen en
de navond is nabij
voor mij!
Het eindigde met een gedempten snik, en toen bleef het stil. De regen leefde puntig op de ruiten, Pallieter liet een zucht. Marieke zuchtte hem na. Fransoo stak zijn sigaar opnieuw aan, en dit licht liet aan elkander zien, dat elk tranen in de oogen droeg, behalve Charlot, die op de stoofleuning ingeslapen was.
EEN SCHOONE WINTERDAG
Pallieter kwam buiten, en het was een weer, zoo kleer en zoo jeugdig, alsof opnieuw de lente begon. Hij haalde zijn klak, stak zijn pijp aan en ging op wandel om zijn beenen te rekken. De hemel was als antiek blauw porcelein, en een bol windeke liep door de lucht, dat in de hofkens het bleekend lijnwaad, aan koorden, klapperen en wapperen deed. Pallieter had er deugd van, te zien hoe de wind in witte vrouwenbroeken spande alsof er waarlijk billen in staken.
Op het veld stond hier en daar een boer te werken, een schup blonk, en het natte groen plakte smakelijk af tegen den bruinen grond. De verten waren bleek van zon, maar helder van doorzicht. Tusschen de kale boomen lagen de roode hoeven, en boven den dicht beboomden kant, langs het Zuiden, klompte blauw de struische toren van Mechelen.
Pallieter wreef in zijn handen en snuffelde den reuk op der platte aarde, die sedert dagen en dagen beregend was, en nu door dezen gezonden wind weer tot haar vaste vettigheid kwam.
De wegen werden droog en hard, een haan kraaide, er vlogen duiven, en Pallieter zei: "Dat is 'n heilig weer!" Zoo wandelend van den eenen weg op den andere, hoorde hij opeens ievers orgelmuziek.
't Waren als glazen pianoklokken, als kloppen op kristallen flesschen. Dat deed zoo goed en heerlijk in dezen verrassenden dag, dat Pallieters hert er van opwipte in zijn lijf. En hij er op af.
't Moest van achter den steenweg komen. Hij ging rapper. Achter den steenweg en een plek abeelenboomen stonden heel alleen twee roten werkmanshuizekes over elkander. Als Pallieter daar kwam was er geen mensch te zien, dan twee kinderen die met slijk aan 't spelen waren.
Zie! ginder kwam een magere, zwangere vrouw, en een ros meisje met een italiaansch orgel afgestooten. Als zij aan de huizen waren, hielden zij stil, en seffens greep de vrouw naar den draaier, en pardjinkel! rap en haastig, als om ter eerste te zijn, klopten heldere klanken het anders zoo langzame lied: "Connais-tu le pays?" En zie! de vuile gordijntjes schoven wat op zij, deuren gingen open en er kwamen wijven met en zonder kinderen op den arm voor. Zij knoopten hunne losse jakken haastig toe en streken het klishaar naar achter. Hun gezicht verkleerde en de een riep een zottigheid naar den ander. Zij schoven buiten, hielden de hand op de slip van hunnen rok en troepelden bijeen. Een hoop morsige jong stond nieuwsgierig rond het orgel en een kleine, magere manskerel, een kleermaker, te zien naar den witten driegdraad die op zijn broek en vest plakte, liep op zijn kousen in 't midden van de straat, zwaaide zijn armen, sloeg zijn beenen en gaf een danske af. De vrouwenmenschen schoten in een lach. Seffens grepen twee jonge deernen elkander vast, en begonnen te draaien dat hun rokken er van ballonden. Dat was de onderbreking, en opeens was al wat beenen had aan den dans. De moeders lieten hun kind in den wieg leggen of stopten het in den arm van een snotjongen, en dansten mee. De zwangere vrouw lachte dat haar dikke buik er van waggelde. Pallieter zag het aan met gelukkigen lach. Het ros meisje ging met een verroest kroesken rond en iedereen gaf een duit of een cent.
En de vrouw draaide de "Veuve Joyeuse", "Die Wacht am Rhein" en de wals van "Faust". Maar daar dreef en stootte een veldwachter de jong op zij en gebood barsch tot de verschrikte vrouw: "Hier ni spele, iets aanvrage oep den bureau, allé hoep!"
"Ge meugd hier toch orgel spele, zooveul as ge wilt!" Zei Pallieter.
"Ja, as ze gin cente vraagt."
"Awel, ze zal er gin vrage!" riep Pallieter tot den veldwachter en dan tot de vrouw, terwijl hij haar twee frank gaf: "Lient mij oe orgel veur e kortieke, ik vraag gi geld, 'k mag dus spele! Allé vroem on den dans! 'k zal ik draaie want van e goe weer mut ne mensch profiteere! Hoep!" En hij pakte den draaier vast en draaide er mee dat het orgeltje er bijna van kraakte!
De vrouwen walsten opnieuw en de kinderen mee.
Pallieter was gelukkig, en met luide stem zong hij mee de voos van 't lustig lied.