WeRead Powered by ReaderPub
Pallieter cover

Pallieter

Chapter 24: SNEEUW
Open in WeRead

About This Book

The work follows an exuberant, nature-loving man through a sequence of episodic scenes that trace daily life and seasonal changes in a rural setting. Rich, sensory descriptions dwell on dawns, rivers, birdsong, weather and harvest, while domestic routines, local rituals and rustic humor reveal relationships with family and neighbors. Episodes move between exuberant outdoor celebrations and quiet interior moments, alternating lyric observation with comic detail. Recurring themes include bodily pleasure in the landscape, the rhythms of community life, and a fond, celebratory attention to ordinary labors and festivities.

SNEEUW

Pallieter zag alle uren van den dag de lucht in, om er wolken te vinden die sneeuw zouden strooien. Sneeuw, witte reine sneeuw, die het bar gezicht des winters verheugdigt, die alles wit maakt, en heel de zwarte aarde verjongt.

Neen, hij kwam niet, de sneeuw. Heelder dagen voeren dunne wolken door de lucht, voortgezweept door scherpen Noorderwind, die de rappe Nethe, de overstroomde beemden en de grachtjes had dichtgevrozen met ijs van vijf vingeren dik. Dat was een wellust! Een hoogtij voor Palieter en Marieke, dit glanzende, gladde ijs, waarop ze uren ver, los en vrij lijk de vogels, wiegden en streken!

Alle morgenden waren de ruiten met vreemde ijsbloemen besponnen, maar de kern van den Winter, de Sneeuw, de goede, vredige Sneeuw, hij zat ievers aan den Noordpool en verroerde niet.

Pallieter snakte ernaar lijk een zieke naar zoet weer. Hij zei: "Ne winter zonder snie is lak ne zomer zonder zon …"

Maar in den nacht voor Kerstmis was de Sneeuw gevallen, zacht en ongezien, in dikke, vette vlokken, aanhoudend en menigvuldig, tot het morgend wierd …

Pallieter, die nog van niets wist, was het eerst wakker geworden. Zijn eerst gedachte was aan Marieke, die schoon en rustig in zijn arm sliep, wakker te kussen, maar een wittigheid sloeg hem plots in de oogen, hij zag naar 't open venster en zie! de tak van den notenboom die zich altijd zoo zwart tegen de lucht afteekende, was glinsterend wit van sneeuw. Pallieter liet een kreet. Hij wipte zich op zijn hukken. Heel de wereld was besneeuwd! God, o God! Geestdriftig sprong Pallieter over Marieke uit het bed en liep naar het venster; een goede kou sloeg hem in 't gezicht. Hij kon niets zeggen van aandoening en geluk. Sneeuw, sneeuw, overal witte, dikke sneeuw! De verten, de velden, de hagen, de waterwegen, de boomen, hoeven, wegen en straat, alles wit en blank, versch uit den hemel gevallen, met al de frischheid en de jongheid van een kind!

En die witheid deed alle geruchten zwijgen en gaf een stilte van een kerk over heel de wereld.

Pallieter had die heerlijkheid in éénen oogopslag gezien; zijn hert sprong op, juichend schoot hij zijn broek aan en holde van de trap roepend: "Het Geluk, het Geluk!"

Hij wierp de deur open en wou de sneeuw inrollen, maar ach, 't lag daar zoo maagdelijk om zelfs door geen musschenpootje geschonden te worden.

"Eén moet toch den ieste zijn," zei hij, sloeg een kruisken, en buitelde dan in de sneeuw. Hij rolde overentweer, liep door de mollige, koude tapijten, sloeg en stampte er in, lijk een zwemmer doet in 't water.

Marieke was aan 't venster komen zien en riep opgewekt, de handjes kletsend:

"Och, hoe schoen! hoe wit, hoe wit!"

Een sneeuwbal vloog nevens haar hoofd de kamer in en zij gichelde het uit, omdat Pallieter haar niet geraakt had, en riep:

"Wacht ik kom meespele!"

Ondertusschen was Pallieter al begonnen met een sneeuwen vent te maken. Zij hielp hem; hij stapelde het logge lijf op en zij rolde door den sneeuw een bol, die allengskens grooter en grooter wierd. Dat was de kop, en met getweeën hadden ze allen last om hem op het lijf te zetten. Pallieter plaatste er een ouden hoed op van een musschenschrik, stak hem een bezem in de hand en duwde met den duim oogen, neus en tanden in het hoofd en daarbij nog een steenen pijp.

Ginder kwam Charlot van de mis.

"Stekt oe weg," zei Pallieter tot Marieke.

Ze verscholen zich achter eenen boom en maakten op voorhand sneeuwballen gereed.

Charlot was nu nog ééns zoo dik door de vele winterkleeren, onderrokken, jakken en slaaplijven. Ze droeg een sajette kappelin met groene glazen perels in, sokken en zware kloonen aan de voeten, een roode wollen sjaal met groene ruiten, rond het lijf, en aan den hals een vos konijnenpelsken. Ze glimlachte. Maar klets! een sneeuwbal vloog naar heur hoofd, die rats haar kappelin op zij-sloeg. Het mensch was zoo verschrikt dat ze op een loop schoot, zooveel haar dikkigheid het toeliet! Maar de ballen waren haar te rap en klets, klets, een van achteren op den kop, twee, drie tegen haar dikke beenen en op haren rug, en toen ze binnen liep sterde er nog een wit op open op haar breed achterste.

Op het luid en smakelijk lachen van Pallieter en Marieken kwam ze terug buiten en riep vol toorn:

"Zijde nie beschomd, ma zoe doen te verschiete! Amé, Amé …man hert klopt lak 'n klok!…."

Ruw sloeg ze de deur toe.

Toen begonnen ze naar malkander sneeuwballen te werpen. Ze vlogen over end' weer, de ballen; ze sisten door de lucht, botsten tegeneen, braken tegen de boomen, tot er ten leste een in de ruiten vloog en het gebroken glas in het huis deed rinkelen. Daarop Charlot terug aan de deur aan 't sakkeren tegen den sneeuwvent, want Pallieter had zich achter de regenwaterton verstoken, en Marieke was langs achter binnengeloopen.

Grommend trok Charlot terug naar haar keuken.

Pallieter bleef alleen en wierp sneeuwballen naar den windwijzer; een vent die een neus zette naar den wind, naar de eiken saterskoppen, die den uitsprong van het ver vooruitstekend dak droegen, naar de kelen op het dak en naar de fruitmandekes gebeeldhouwd op den gevel.

"Kome koffe drinken!" riep Charlot. Doch alvorens binnen te gaan, waterde Pallieter nog eerst zijn naam in de sneeuw.

Pallieter rook den aangenamen koffiegeur en spoedde zich naar binnen. Gebakken hesp, met geklutste eieren over, werd smorend op de tafel gebracht en er werd van de koffie gedronken en van de hesp gegeten, dat de lippen en de vingeren blonken van het vet, en den toren tarweboterhammen moest Charlot driemaal achtereen opbouwen.

Daarbuiten lag de witte wereld, helder de verten en de kamer verlichtend. Stilaan kwam uit de pure witheid ook al het dagelijksche leven los. De over-Neetsche molen, witbekleed, begon te draaien op de grijze lucht, een boerken stapte klein en zwart over het buikveld, en een helder belgerinkel liep op den steenweg met een slede mee.

Zwarte vogels vlogen in kladden van den toren de witte velden in.

"We gaan rijë met de slee!" riep Pallieter, den mond vol eten; "'t is een echt fiest! Den hemel ligt oep de wereld…."

Allebei gingen ze zich aanduffelen, ieder een berenmuts over het hoofd en pelsen aan het lijf. Pallieter haalde de slanke slee van onder het karrenkot, en spande er vlug de goede Beyaard aan. Het peerd werd met groote koperen bellen behangen, die roerden en Zongen bij het minste asemke van het dier.

Pallieter wachtte naar Marieke en liet de kiekens buiten. Doch ze hadden nauw den sneeuw gevoeld, een keer of drie gepikt, of ze liepen terug in het kot zich bijeen klodderen. Alleen de struische, groene haan met ros-gouden kop vloog op de besneeuwde doornhaag, en kraaide van daar zijn sterk geklaroen over de stille, witte streek, hij sloeg zijn vleugels eens open en toe, en wandelde dan terug naar binnen, en toen eerst leefde uit de verre, witte eenzaamheid, in een ander dorp, hanengekraai terug.

Maar daar was Marieke, die opgewekt in de slede sprong. Charlot, reeds bezig aan 't peekens en spruitjes kuischen voor de soep, die al over 't vuur hing met een groot stuk ossenvleesch erin, kwam mee buiten en vroeg:

"Och, da moet plizant zijn, ma 'k is meê rijë tot on de smet?"

"Zit mor in," zei Marieke. Charlot zette zich in de slee en zuchtte van de deugd.

"Mor ma gij nor huis brenge," zei ze nog, "want man soep staat oep! ze hangt over 't vuur!"

Loebas baste. Pallieter stak zijn pijp aan en zette zich van voor. De zweep kletste, de bellen rinkelden en daar reden ze door het volle witte land.

De boomen schoven voorbij, de witte velden draaiden, en Charlot hield zich stevig vast, vol vrees, aan Marieke.

Rap sneden ze door de sneeuw, 't gaf geen geluid, 't was zoet aan 't hert, en als wandelen, drijven, waaien op de lucht.

Alles wit, alles wit, boomen, wegen en veld, en daarboven, vast en gesloten, de grijze hemel. De hoeven zaten in den sneeuw verloren, geen menschen te zien, en hier en daar 'n koolzwarte kraai, die ergens neerstreek op het veld.

Van ver zagen zij hoe de roode gloed het hol van de klinkende smidse verhelderde. Daarheen dreef Pallieter de slee, om kopnagels in Beyaards ijzers te laten slaan.

De twee vrouwen gingen zich seffens warmen aan 't spuwende, zoevende vuur, en Pallieter, om gauw weg te zijn, hielp den smid en zijnen knecht aan den blaasbalg trekken. Terwijl men op het gloeiend ijzer hamerde en het vuur rood opspoot in de donkere smis lag daarbuiten het landschap wit en wijd. Pallieter kon er zijn oogen niet van afslaan en het juukte hem door het gansche lijf om weg te zijn, in de sneeuw, in die rare, schoone, witte weelde. En hij trok maar aan den blaasbalg, dat de vonken een meter hoog spuwden.

Charlot kloeg, en begon te zagen dat heur soep zou uitkoken.

"Als 't ni gesnied had, ging 'k te voet terug," zei ze norsch. Ze kon niet meer stilstaan van ongeduld.

Gelukkiglijk was Beyaard spoedig klaar. Charlot kroop het eerst in de slee en ze reden weg.

"Rap," zei ze, "want man soep."

Doch ineens zag ze dat de slee een andere weg inreed.

"Bruur," riep ze verbijsterd, "ge red verkierd!…"

"Altijd recht deur!" zei Pallieter.

"Mor 'k moet thuis zijn veur man soep!" kreet ze wanhopig.

"We moette gin soep hemme," antwoordde Pallieter kalm. Hij lei de zweep op Beyaard, en rapper reden ze door het veld.

Maar Charlot hield haar mond niet meer, en wilde te voet naar huis.

"Hoe mier ge zaagt," riep Pallieter, "hoe rapper we rije. Ge moet mee!"

"'k Zal dan over de soep zwijge," zei Charlot gelaten, maar zij voegde er nijdig bij:

"Maar 'k zal er toch oep peize…."

Na een kwartierken kwamen ze aan de mastebosschen en de heide die aan den Noordkant der Nethe zoo maar seffens begint, terwijl langs den Zuiderkant Brabants vette velden zich uitstrekken. Hei, de mastbosschen in den winter! Hoe schoon en heilig-plechtig was het hier! De mastboomen die, om zoo te zeggen, hunne breede armen buigend strekken om den sneeuw op te nemen. En waar ze bijeen stonden en bosschen, oneindige bosschen vormden, waar niet anders te zien was dan besneeuwden grond en besneeuwde masteboomen, voelde men zich als in een kerk.

Dat was daar in die roerelooze, ongekende stilte om te bidden! Soms bleven ze stilstaan, de drie, luisterend naar die stilte die het bosch beving, en dan waren ze zoo klein van hart en zoo vol diepen eerbied, dat ze onwillens niet verder rijden durfden of er moest eerst van uit de stille, witte boschdiepte een vogel lachen, of Beyaard zijn bellen doen rinkelen.

Die zingende bellen als Beyaard liep! Dat was een groot klankenfeest over de stille, besneeuwde heide. 't Was of overal bellen klingelden; het rinkelend zilverend geklank liep over de witte vlakten, het bleef in de bosschen hangen, het tuimelde, het regende uit de boomen. De kruinen waren ermee gevuld. De witte landen zongen.

Ze zagen slechts, op heel hunnen weg een oud, zwartgekapmanteld vrouwken dat met een bussel sprokkelhout voortsukkelde, in de richting van een ver, klein hutteken. Overal waar ze gegaan had, gaapten hare voetsporen in de sneeuw, 't Was één lange stippellint dat vanuit het bosch in groote kromming achter het wijfken liep.

Hoe genoten ze van dat rijden in de sleê, glijdend over den malschen, molligen sneeuw, omringd van wit-wit, belgerinkel en heilige natuurstilte! 't Was een feest! Het kwam aan de ziel!

En hij stond recht, Pallieter, recht van overmatig geluk, en soms liet hij honderden knallen van zijn zweep naar de verre einders loopen, of zong de strofe van een machtig lied. Loebas liep vooruit en baste naar groote kraaien.

Ten leste kwamen ze in een dorp terecht, en hielden stil voor de afspanning "De Zwaen". Ze gingen binnen en dronken er korten drank.

Beyaard, die met de slede aan de poort bleef staan, deed wat, en seffens vielen de tjilpende musschen, met hun bekken wroetend in de versche peerdevijgen.

't Was stil op 't dorp, dat een kring rondom het kleine maar hooggetorend kerkje vormde. Het kerkje in rooden steen met witte banden, stond er liefelijk midden in, met zijn witte kap en besneeuwde galmgaten.

Het was overal om ter stilste, de levenden waren zoowel vergeten als de dooden, wier zwerte, scheeve kruiskens nevens den kerkmuur nip opstaken uit de sneeuw.

De klok bromde tien slagen door de lucht, en de klanken hommelden verre weg over de daken en de velden.

Pallieter wilde van daar hoog de velden zien. Terwijl de vrouwen rond de roode stoof zaten en vertelden met de waardin over den strengen winter, zocht Pallieter den koster, een schoenmaker met een houten been. Het kostte veel moeite eer de vent toestemde, maar het geld won.

Ze klommen beiden op den killen, steenen wenteltrap, kropen door doffig balkwerk voorbij de twee klokken, die verlicht werden door de galmgaten. Dóór de latten zag Pallieter de witte wereld onder hem, besneeuwde hoeven, bosschen en ver in de verte andere kerktorens. Maar hij wilde hooger, en boven in den top van de steile spits wierp hij een houten deurken open en God! de aarde opende haar ziel!

Vlak onder hem de kleine kom van 't dorp, met zijn door palmhagen gescheiden hofkens en de ééne straat, die uitliep in het opene veld, dat zich, uren ver, wit uitstrekte met bosschen, vlakten, waterloopen, eenzame huizen, traagdraaiende molens, kasteeltjes, boomenbeplante wegen en andere dorpen, tot ginder heel, heel ver, waar de besneeuwde heuvelen van Grobbendonck zich wazig afteekenden op de loodgrijze lucht, die zwaar en roerloos over de witte wereld stond!

Het menschelijk leven was nauw te bespeuren in al die witheid en telde niet meer. Een schaarsch zwert ventje op het land of op een grachtbruggesken, en een wagen op den steenweg.

O, heel de witte, witte wereld! Hij was er niet meer als noodig om te groeien, te leven en leven te geven, maar als om niets anders te doen dan schoon en wit te zijn. En heel het land was stil lijk de sneeuw zelf.

Vervoerd riep Pallieter:

"De aarde bidt! Laat alle klokken los!"

"Neeë, nee!" zei de koster, die dat hoorde, "er is vandaag niks te doen, morge." Maar Pallieter liep naar beneden, naar de klokken, zette zich op den houten balk, duwde en duwde; en de klok begost te zwieren, de klepel ronkte tegen het brons, nog een klank, en plots was het in vollen gang. Het klokkengelui vulde de torenkamer en viel langs de galmgaten over de wijde, witte wereld met een zot gejubel. Pallieter was lijk dronken, de klanken gonsden en ronkten door hem heen, en bij elk omhooggaan zag hij door de galmgaten de wereld wit in sneeuw!

De koster trok aan zijn weinig haar van schrik, en beneden kwam de pastoor verbaasd aan zijn venster naar omhoog zien.

Als Pallieter er goed van genoten had, ging hij in "De Zwaen" een potteke koffie drinken, en toen reden zij langs een anderen weg huiswaarts.

Hier en daar hoorden ze vredig dorschgevlegel en jagerschoten en van achter een boschken kwam gekrijsch van een verken, dat men keelde.

Pallieter zweepte op Beyaard, om er gauw bij te zijn. Als ze er aan kwamen, rochelde het verken nog en de slachter tapte het bloed af in een eerden teil; het bloed gudste over de pan en sprenkelde rood in de sneeuw. De vrouw stak een vuur van rijsthout aan om het haar af te branden.

Het was een vet varken, een model, en Pallieter vroeg om de helft te koopen. Er werd geboden en afgeboden en eindelijk kreeg hij tegen ordentelijken prijs een halve beest. Als er de darmen waren uitgehaald, droeg hij het in de slede, en kreeg het de eereplaats tusschen Marieke en Charlot, en zoo reden ze dan verder door het witte land naar huis.

OUDE ZANGEN

Na den noen was het grijs uit de lucht en wierd de hemel bleekblauw met een verre slappe zon. De koude was bijtend, en voor den vlammenden haard zat Pallieter nu een pijp te smoren. Marieke zat te naaien nevens hem, en Charlot was in de andere plaats aan 't kousen stoppen. Het was stil en innig. Tybaert lag op Marieke's schoot te ronken, de hangklok tikte kalm over end' weer en boven het vuur zong de geelkoperen moor. Pallieter genoot van de vlammen die rond de groote houtblokken kronkelden. Het was er zoo vol vrede, het hout kraakte, en buiten, op de hofgracht van 't Begijnhof, schaverdijnden vele Begijntjes. Hun gesnap en helder gelach weerklonk frisch door de lucht. Over de Nethe hadden de jongens het Molenbeemdeken schoongekeerd, en nu was er een heele hoop volk aan 't rijden, menschen van den buiten en menschen van de stad. Men leurde er met appelsienen en smorende oliekoeken.

Pallieter bleef thuis om de zangers te hooren die Kerstmis kwamen wenschen en toch soms zoo'n schoone, naïeve, roerende liederen meêbrachten.

Er waren er al verschillige geweest, kinderen en groote menschen.

Weer werd er gebeld, en vijf vrouwen, waarvan drie in kapmantels, de andere met bonte sjaals op het hoofd, kwamen binnen met hun klonen in de hand.

"Meuge w' is zinge, menhier?"

"Lot hoere," zei Pallieter.

En met sleepende stem zongen ze het teedere, weemoedige liedeken:

"'t Was op eenen nieuwjaarsmorgen, 't Was op eenen nieuwjaarsdag dat Maria Magdalena ons Heer Jezus wandelen zag.

"Sta maar op Maria Magdalena, Sta maar op uit uwen bitteren nood, al uw zondekens, die zijn er u vergeven, al waren zij nog eens zoo groot," enz.

Ze kregen peperkoek en brood als ze gedaan hadden. Pas waren ze weg, of de drie blinde venten kwamen binnen. Een ervan droeg een papieren ster met roode bloemen bezet.

"We komen hier as de drij keunige, w' hemme dees ster gekrege, we kunne e schoe nief lieke."

"Jommor," zei Pallieter, "g'het elle nie verklied."

"We kunne makandere nie zien, menhier."

"Wacht dan wa'," zei Pallieter, "ge zult iens zooveel geld rondhale as ge verklied zij. Charlot, heuld is wat ijd kliergoed van de zolder!"

En Pallieter begon ze nu te verkleeden.

Den eerste, die klein en dik was, en wiens oogen rood waren uitgezworen, werd voor baard een stuk witten wat aan zijn gezicht geplakt en een blauwe slaapmuts opgezet. De andere was een korte, gebochelde, met gesloten oogschelen. Marieke sneed voor hem een papieren kroon, beplakt met zilverpapier van chocolade. Dat werd over zijn bolhoed geschoven, en hij kreeg als mantel op de schouders een blauwen voorschoot van Charlot. De blinden lieten hen begaan en lachten als ze malkander betastten. De derde, die het sigarenkistje droeg om het gekregen geld in te bergen, was een lange, magere vent met een Leo-XIII-gezicht, waarin het wit van zijn doffe oogbollen altijd naar den hemel zag. Hij wierd zwert gemaakt, en zette een verkreukelden hoogen hoed op. Op eenige minuten was 't gedaan en verbeeldden ze Gaspar, Melchior en Balthazar.

"Nij kunde zinge," zei Pallieter.

De drie sukkelaars, die malkander niet konden zien, malkander nooit gezien hadden, moesten toch lachen, omdat ze wisten dat ze verkleed waren en ze sloegen er menigen fijnen, zotten slag uit.

En ze zongen met den lach op den mond, terwijl de korte ster over end' weer draaide.

En onregelmatig, oud en kapot en zonder voois klonk het:

"Herders, brengt melk en zoetigheid, den lieven Jezus ligt en schreyt; hangt uwen langrock voor den wind, de voedstervader zorgt voor 't kind.

  Maria geeft hem suikerpap
  en Jozef brengt den windellap;
  den lieven Jesus krijt van dorst,
  Zijn moeder geeft hem haere borst.

  De locht vol schoone vogels vliegt,
  een engel met Maria wiegt,
  daar Jozef werkt den heelen nacht
  en wascht de luiers in de gracht.

  Nu maeckt hij vier, dan raept hij hout,
  want in den winter is het koud,
  maar nu is Jozef zeer verblijd,
  omdat het kind niet meer en krijt.

  Slaapt Jezus, slaapt Emmanuël,
  slaapt, grooten Prins van Israël;
  Duizend sielen zijn verblijd,
  omdat gij nu geboren sijt.

  Den goeden God in d'hemelpoort
  en is op ons niet meer gestoort,
  want Jezus brengt den olijf meê:
  dit kindje brengt ons peys en vreê.

  Zoo Maria haer heylig kind
  voor 't vier in diverse doeken windt,
  Zijn handen spelen hier en daar
  van haere borst tot in haer hayr.

Uyt Jezus wezen vloeit een soet, een soet, dat mijn siel leven doet; Segge ik nog: Bethleêm ik mis, want nu den stal een hemel is!"

Pallieter was er door gepakt, de tranen lekten van zijn kaken.

De drie blinden bleven wachten, gretig naar peperkoek en geld.

"Wa' moet 'k ze geve?" vroeg Charlot.

"Dat is ni te betale," zei Pallieter.

"Gef ons mor wa' da' menhier belieft," zeiden de blinden.

"Geft ze 't half varken," gebood Pallieter.

En hoe verschoten de drie venten, als hun vuile handen het vette varken betastten. Ze riepen ondereen, wild van blijdschap, en met hun drieën droegen ze eraan, lieten ster en sigarenkasken achter en sleurden en porden zingend het half verken naar 't Begijnhof.

Er kwamen er nog veel totdat het avond wierd. Nog reden er Begijntjes op de hofgracht en bleef er gewoel op het Molenbeemdeken.

"Nij gon ek oek schaverdijne," zei Pallieter.

Hij kleedde zich er naar, en ging langs den hof naar buiten. Hij spande de schaatsen aan, gezeten op zijn schuitje, dat half in 't water stak, bevrozen en besneeuwd. Hij danste eens rond op het besneeuwde ijs van de Nethe, en schoot er dan van onder, wiegend als een vogel in de lucht, rank en licht als een pluim.

Hij scheerde over de vrije, vaste waterbaan, en zijn hoofd stak juist genoeg boven de dijken uit, om het landschap te kunnen overschouwen.

De zon zakte rood in een purperen adem weg, kleurde even lichtelijk de sneeuw, en de rijpende maan in de groene lucht begon te glanzen.

Een vette ster sidderde boven den molen, die nog altijd draaide in de groeiende schemering.

Pallieter reed maar altijd door, zacht wiegend als meegedragen door den wind. Zoo kwam hij tegen Duffel. Het was al donker, en er brandden lichtjes in de eenzame huizekens. De zilveren maan lei schaduwen op de sneeuw. Verre geluiden stierven. Aan een vastgevrozen schip hield Pallieter stil, trok zich er op, en bleef van op het dek naar den avond zitten zien. Door het open vierkant kwam de roode gloed van 't lamplicht. Een vrouw zong haar kind in slaap.

De schaatsen over den schouder, ging Pallieter langs den kronkelenden dijk naar huis. Het was volle avond geworden nu, maar de maan had opnieuw het land verlicht met zilverblauwen schijn. De sterren rilden hoog en klaar in de lucht en het land was zoo helder, dat men de oogen vrij had als bij dag. Het was stil en eenzaam. De sneeuw kriepte onder Pallieters voeten, en zijn korte schaduw volgde hem blauwig mee als een ander wezen, en de schaduwen der boomen, donker op de witte sneeuw gestrekt, bogen zich herhaaldelijk over zijn lijf. De maan ging mee met hem. Zij was helder en klaar, en achter de zwarte boomen schoof ze maar altijd mee. De boomen aan den overkant, die met de volle heerlijkheid van haren schijn werden gedoopt, lieten op hun besneeuwde takken sterren pinkelen en vonken schitteren. Het waren lijk kristallen boomen. Bevroren fonteinen van licht.

De stilte, die over dat sprookjesland hing, was zoo schoon als de maan en de sneeuw, en roerde zoo innig als de verzilverde blauwte.

Ineens ging er hoog boven hem een ver gerucht op en zoevend vleugelengeruisch. Hij zag, en hoog in de lucht ontwaarde hij een machtige wilde-zwanenvlucht, op een lange, lange rei, die heel de streek overspande.

't Was ontzettend in dien goddelijke, lichten, stillen winternacht. Pallieter verroerde zich niet en hij zag en hij hoorde ze verder zuchten en ruischen, de bloeiende maan voorbij, waarop ze even zich af teekenden, en dan, van achter verlicht, den oneindigen winteravond in….

Aldoor denkend aan die grootsche vlucht der geheimzinnige zwanen, ging hij naar huis.

Als hij daar kwam, zaten er in de duisternis der kamer vier Begijnen met Marieke en Charlot, rond den brandewijnpot, waarboven een blauwe vlam wiegde, die hunne nieuwsgierige blikken blauwig verlichtte. De kamer rook naar verschgebakken wafelen. "Hoera!" riep Pallieter, wiens maag hol was lijk een doedelzak, en hij schoof bij hen, at een dozijntje wafelen, die hij ferm overgoot met volle pinten van den loozen brandewijn.

Daarna werd de lamp opgestoken en speelde Pallieter mee met de Begijntjes het waarachtig ganzenspel, tot het tijd was om naar de middernachtmis te gaan.

Pallieter zag hen na; op andere wegen zag hij nog menschen in dezelfde richting gaan. Stil werd het terug over de wereld, wit en zilver.

Christus werd vandaag geboren, de schapen stonden nu met den kop naar het Oosten, en de bijen zongen in hunne korven!

Het is de Vrede die moet komen over de wereld!

Daar hoog pinkelden de sterren en hieronder baden de menschen voor den
Vrede, den Goddelijken vrede, die vandaag over de witte wereld kwam.

Pallieter voelde dat, hij werd er koud van, haalde zijn jachthoren, en op de Begijnenvest blies hij, op het koperen tuig, den witten maannacht in. De zware klanken, traag en lang geblazen, sleepten over de witte besneeuwde velden, en liepen in de Begijnenbosschen en de zilveren verten uit. Als hij binnen was, hief zich nog in een ver dorp het hoorngeschal vaag omhoog.

Kinderlijk blij was Pallieter als hij met zijn zoet Marieke in de armen in het warme beddeken lag.

Deze dag was schoon geweest! Een feest voor hart en ziel! Een geestelijke vreugde.

En hij sliep in met den lach op den mond, wijl de wereld koud en wit daaromme lag, overal de Vrede, de Goddelijke Vrede Koning was.

DOOILIED

Onverwachts, na een dag dat de ijzel de stammen der boomen, het onderste der takken en alles wat nog niet besneeuwd was, met zilver had betinteld, viel de dooi in.

Een plotselinge lauwte omringde en woog op alle dingen, en de besneeuwde daken en boomen en de ijskegels aan de pannen werden het seffens gewaar, en begonnen te lekken en te druppelen, de sneeuw zakte, het ijs kraakte en scheurde.

Drie dagen nadien dreven de ijsschollen op de Nethe met de tijen mee.

"Het fenste muziek gaat er nij over 't land," zei Pallieter tot den
Pastoor. Zij beiden stonden op het steenen bruggesken van "het
Hemdsmouwken", een zijarmken van de Nethe, dat door het Begijnhof zijn
smal waterke kronkelde.

Van op het met mos begroeide bruggesken beluisterden zij het dooilied, dat over het Begijnhof zong. Het Begijnhof was oud en innig, dien Februari-morgen; Lichtmis! De roode gevelen en daken, de witte muurkens, langsheen het water hangend, de knoestige perelaren en appelaren in de kleine hofkes, alles was nat en beklamd, uitgeslagen van het water, en tegelijkertijd vinnig stralend in het heldere zonneken. Het was inderdaad maar een zonneken, maar het maakte over de aarde in al dat water zulk een groot lichtgespeel als een volwassene zomerzon. Het hong in de lucht vernieuwd en frisch lijk een schitterend gouden waterplasken. Hier en daar tegen de pannen, op de boomen, in een bloempot of een omgekeerde kuip, blankte nog de witte sneeuw die eens het land verblijdde, maar de sneeuw moest weg, zijn tijd was uit. Onder de sneeuw door waren versche krachten opgestaan, waarvoor hij uit den weg moest; uit de lucht waren zijn vijanden gekomen, met aan 't hoofd de jonge zon. En zij beglansde hem, loech er stekend op en door, en hij smolt, de goede sneeuw, en lekte en drupte in zingend, stralend water dood.

Zoet muziek van blinkende perelen, overal! Met de zon er in waren het als perelensnoeren die van de boomen en de pannen hongen. Zwaar, kletsend en rap, dreste het uit de dakgoten, het zong in de zinken buizen, plaste op de straatsteenen en 't klopte lijk harde kneukels en marbollen op het ingezakte, geelgeworden ijs, dat schitterde in de zon. Er waren van alle watergeluiden, rappe en korte, gedruip en gelek, gebonk in emmers en tonnen, gedres en geklets en hoe meer het oor luisterde, hoe rijker het lied aan klanken werd.

Het was de zang van de nieuwe zon, de eerste stemme van de naderende Lente! En de zonnige lucht was vol klokkengegalm. "Nij zulle we gauw on 't goe weer zijn," zei de pastoor. En na eene stilte en een zucht: "'t Is toch spijtig, Pallieter, da g' onze streek verlaat en de wereld intrekt. Och, bleft en bauwd oe wa' verder nen hof. Dorbij, as er e jaar over de nief Nethe is gegroeid, zuldet weral gewoen zijn en zuldet schoen vinne. Bleft!"

"Da's allemal waar," wedervoer Pallieter, "de streek mag na de veranderinge duzend kiere zoo schoen zijn!—Mor het gedacht en 't verlange oem overal en nieverans te wonen is in mijn bloed geslage. 'k Moet weg. Dad is in mij opgekome med in September, as 'k trijwde, ooievaars hiel hoeg in de loecht zien weg te trekken."

"Nor waar gade?" vroeg de Pastoor.

"Dat weet 'k nog ni, 't is iender waar," zei Pallieter.

"Ge zult er veul genot van hemme," zei de pastoor. "Was ik zoo oud ni, 'k ging mee!"

"En oewe rok dan?" vroeg Pallieter.

"Da was ik vergete," zei de pastoor lachend.

"Kom, we gaan nor Fransoe, kaves drinke oep de schoenheid van de waterzang." Ze gingen van 't Begijnhof weg en wandelden over de Begijnenvest. Uit de driedubbele hooge boomenrei, machtig van bouw als een kerk, met de landschappen als ramen, vielen de groote, zonbestraalde lekken zoo menigtallig, dat het als regen was.

De blijde, zotte perelendans!

Ze klopten op de boomen, sprongen van den eenen tak op den anderen, ze vermengden zich, en de een viel rapper dan de ander. Soms kwamen ze met handsvollen naar beneden gerold, dat de pastoor zijn tikkenhaan er bijna van inbutste, dan ging het weer op een wandelpas, om ineens weer zot neer te bonken en Pallieter zijn rug zoo nat te maken als een opneemvod. "Lot ze mor klappe!" zei Pallieter, "ze rieken nor de Lente!"

En zij lieten zich maar bedruipen, dat het nat in streepen over 's pastoors zwarte soutane naar omlaag rees, en het rond Pallieters hoedje lijk gouden bellen hong. Ze blonken allebei.

"Luistert," zei Pallieter.

"Hoort!" zei de pastoor.

En zij beluisterden het muziek van den koelen blinkenden perelendans.

Het land was een weelde van fijne koleuren en teedere tinten. De sneeuw lag er nog bij plekken, en er hongen heel fijne nevelen, die de verten bewasemden, en het rood der daken en het zwart der boomen verzachtten. Door de nevelen weefde de waterzon de weelde van haar jongen glans. En de verten waren daardoor lijk oude tapijten.

"Zie!" riep Pallieter, naar een sneeuwplek loopend in het gras, "een snieklokske! een snieklokske!" Door de sneeuw had zich, spijts koude en wind en schraalheid van de lucht, het bloemeken opgewerkt en belde nu zijn blanke klokskes onervaren in de lucht.

"God heeft zijn teen reeds op aarde gezet!" juichte Pallieter.

"Wij meuge God danke, de winter is uit!" zei de pastoor.

Op een boerderij over de Nethe, lieten twee boeren een witte veers bespringen door een jongen, rosgevlekten stier. Op een oogenblik was het gedaan, en was er zich in die koe nieuw leven aan 't bereiden. Daarna sprong de stier wat op en neer, en sloeg met zijn achterste pooten een emmer en aardklonten in de lucht.

"Wij hemme ne fijne Lichtmis," zei de pastoor.

"Ik hoor het licht krake," juichte Pallieter.

"De boome wiene van vreugde," zei de ander.

"Kom, nor Fransoe, versche kaves drinke op de kommerschap van de Lente!" en dit zeggende nam Pallieter hem vast, en zij gingen arm aan arm naar de Nethe om over te steken. Doch het ijs was gebroken en dreef aan in groote, gele schollen met luid gekraak, rap tij op; het schuitje stak nog altijd onder water, vastgevroren in het ijs.

"Maar Pallieter," lachte de pastoor, "daar kunne wij oemmes ni over!
Laat oens de stad oemgaan."

"Da ga' vanzelf," sprak Pallieter, "geft mij maar ne pol."

"Neeë't," zei de pastoor, "'k ben nog te joeng oem mij leve te riskeeren."

"Ik kan springe," zei Pallieter, "ge weurdt nij toch ni verveerd? Doe da' morge!"

De pastoor liet zich overreden; hij had veel vertrouwen in de vlugheid van Pallieter.

Pallieter nam den pastoor op zijn rug, ging den dijk af, en sprong op een voorbijschuivende schol, maar die kraakte en klonk om, doch alvorens Pallieters voeten water hadden geraakt, was hij op drie, vier schollen, gesprongen, van de een op de andere, tot hij eindelijk in het midden stilhield op een groote sterke ijsplaat.

"Springt voert!" riep de pastoor.

"Ni," zei Pallieter, de pastoor neerzettend, "voeld is hoe aangenaam het is, zoe te wandelen oep het water."

En alzoo lieten zij zich meedrijven op de Nethe. Charlot had het gezien, kwam wanhopig naar buiten geloopen, trok aan heur haar en riep heel de streek bijeen. "Zij verdrinke, menhier pastoer verdrinkt! Een koor, 'n koor, kom, hulp!!"

En zoo hard ze kon liep ze naar de Nethe, en achter de twee drijvende mannen. Maar hoe verschoot ze, als de pastoor haar toeriep: "Hewel Charlot, vinde ni da 'k nen goeië Sinte Peterus ben?"

Ze rilde op haar dikke beenen en van alteratie zei ze: "neeë …"

Zoo lieten ze zich mee naar Fransoo drijven om bij hem de uitvaart te vieren van den winter, die nu uitlekte in zoet muziek en stralende perelen.

DOEDELZAKKEN

Als al de sneeuw en het ijs gesmolten waren, dook de zon weer weg en zemelde het twee weken een fijnen, killen regen. Toen was uit het bleeke zuiden een lauwe wind over het land gekomen, ievers van achter de Begijnenbosschen, en twee dagen na Aschwoensdag hadden de zwarte boomen en 't klein hout reeds een spikkeling van zwellende botten.—Pallieter, die het 's morgens van uit zijn torenvenster zag, riep luid en achtereen: "Ik zien de Lente! Ik zien de Lente!"

Hij vergat zijn koffie, en bleef den eersten sprong van 't leven, roereloos en aangedaan bezien.

De zon was weg achter hooge, dunne wolken, maar de verten waren nooit zoo helder-diep en open. In de verste boomen zag men duidelijk de zwarte eksternesten, en door de takken draaiende molens van verre dorpen; heel het land lag open, heel de wereld bloot en vertoonde, als nog nooit gezien, tot aan den klaren einder den grooten rijkdom van zijn boomen.

"O! de boomen! de handen van de aarde!" riep Pallieter. De handen waarmee zij haar werk volbrengt, waarmee zij bidt en juicht, al hare schoone kracht in wilden geestdrift telken jare naar den hemel heft, en waarmee zij den menschen hare schoone, zoete vruchten biedt.

"Leve de boeme!"

En zie, daaronder op den over-Nethedijk hong een vent in een der kanadas, met een bijl de takken af te kappen, en ginder scheerden een boer en een boerin de haag van hunnen boomgaard.

Dat gaf een frisch en blij geluid in 't land, dat stil was en vol vrede.

"'t Is vandaag nief maan!" riep Pallieter, "'t zal groeie dat het krokt!" en hij naar beneden om de snoeischeer.

"Mor kom toch iest kaffe drinke, ge zij nog nuchter," riep Marieke.

"Wij hemmen al gedaan," zei Charlot.

"Seffens lifke," zei hij tot Marieke, "mor kom buite nor de lente zien, hij hangt te rieken in de loecht, och 't zal zoo goed on ons Pallieterke doen!" en hij wees op haren schoot, "hij zal er ni willen inblijve."

Hij trok Marieke mee naar buiten, in den boomgaard.

"Och, ziet de boeme," riep hij, "ze wippen omhoeg!" Hij plukte een mager twijgsken van een kruidnagel. "Zied is wad e plezier da taksken is, het rikt frisch lijk appelsienen," en hij stak het in Marieke heur dik haar. Ze stonden er allemaal vreemd, de boomen, in hun naakt en zwart geraamte, met hun zotgeschoten, gewrongen en gekronkelde takken, als eens uit den grond gefonteind, omhooggesperteld, en alzoo verhard en verhout in den eersten wip van hun levensgeweld.

Allen hadden 't leven gewaar geworden, en de blijde kitteling er van gevoeld. Er waren daar, onder andere scheefliggende, geholde appelaars bij, die als rotsen hard schenen te zijn, dood voor de wereld, stookhout, maar de eerste lauwe wind had niet gewaaid, of ze hadden zich verroerd, hun hout gebroken, en speldekopkleine bottekes gegeven, even vlug en veel lijk het jongste abrikozenboomken.

Pallieter zette het dubbel ladderken tegen een perelaar, die nog maar twee keeren had gedragen, en nog zwart en triestig was van regen en van kou.

Hij ging op 't leerken staan, vong een tak tusschen de scheer, zag, met groote oogen, nieuwsgierig toe, en knip! daar viel de zwarte tak zwaar af, openlatend, wit en blinkend als een doorgebeten appel, een rondeken jong spekvleesch van den boom. En Pallieter, die dat zag, lachte luid den gelukkigen lach van een kind.

"Och hoe joenk! kom zien!" en hij stak zijn neus tegen het rondeken en snuffelde, en toen titste hij het punt van zijn tong er tegen en proefde smakkend van het bittere sap.

Marieke kwam op zijn roepen, maar kon niet op het waggelend leerken ter wille van haar dikken buik. "'t Is spijtig! 't rikt en 't smokt zoo goe!" en al klappende knipte hij voort. 't Kreeg stilaan een ander uitzicht, 't werd jonger en als 't gedaan en vol met witte plekken stond geschoren, was het frisch en blij, als een kind dat 's Zaterdags gewasschen was, met een versch hemdeken aan.

Pallieter riep een zotte slag naar den over-Neetschen snoeier, die hem dubbelzinnig beantwoordde.

Pallieter begon aan een ander boomken. Charlot volgde hem om de takken op te rapen. "Dat is goe stookhijt," zei ze.

Maar rits! Een merel schoot in den hof, viel op het uiterste top van den knoestigen perelaar, pikte eens in zijn pluimen en zag toen rond.

Pallieter zag hem zitten tegen de lucht, zwart gelijk een kool, met een rijspapgelen bek.

"Zwijgt! mond toe!" riep Pallieter voorzichtig tot Charlot. En de merel spoot een handsvol zotte klanken uit zijn keel, wachtte wat, als om iets beters te verzinnen, en begon dan lange sleepende toonen te fluiten, die van heel fijnhoog allengs daalden tot een ernstige basfluit en toen liet hij alles wat hij kost, ineens losschieten, rap en overhoop, tot hij geen asem meer kost halen. Hij zag dan nog eens rond, liet twee vergeten klanken vallen en vloog weg.

"Wa 'ne zot!" zei Pallieter.

De merelklanken hongen nog in de lucht, als er in de doornhaag ineens een wild, klein vleugelengeslaag en getjilp van musschen woelde, die vochten om een pop. 't Was een gestuif en getier lijk van uitgelaten schooljongens; maar de pop vocht zich er uit en wierp zich, gevolgd door de anderen, in de vestboomen, waar de strijd opnieuw begon.

Marieke riep helder en verrast: "De tulpe komen uit! Komt zien!"

Pallieter sprong van het leerken, zette zich bij haar op zijn hukken, en zocht mee achter de lichtgroene tippekens, die de grond hadden opengeduwd en aarzelend naar de Lente voelden.

Terwijl ze waren neergezeten, ging er, laag boven hun hoofd, een groot geruisch van vleugelen. Pallieter zag op en een groote vlucht duiven scheerde over den hof en roeide de velden in.

De velden met het bleeke licht er over! Pallieter zag ze zoo liggen, doorheen de zwarte doornhaag, met boeren en peerden op het land en zeilschepen op de Nethe!

"Mor ik gon wandele! rikt!" zei Pallieter. Een korte, bolle wind zaaide een vracht verschen aardreuk, vermengd met beer, over den hof.

"Mokt loose goemersoep, ik drink ginne kaffe!" Hij ging even in de keuken. Met een boterham in zijn hand, en met een loopken en een sprong, was hij over de haag en op den weg. Loebas deed hetzelfde, liep vooruit en baste uitgelaten. Als de boterham was opgegeten, stak Pallieter zijn pijp aan en zag voldaan, hoe de blauwe smoor bijeenbleef in rondrollende krollen.

Hij snoof gulzig de vernieuwde lucht op en zag met groote oogen het verre landschap door. Verre molens die kruisen sloegen, en kerken en hoeven zag hij nu, terwijl hij ze in den zomer, door de overdaad van 't groen niet eens vermoedde.

Hij voelde zich verjongd. Zijn hart was verduft van 't in-huis-zijn, verdeegd gezeten, en het klopte en snakte om bespoeld te worden met den goeden asem van het veld.

Er kwam slechts van hier en ginder de echo van een bijlslag, en 't klaar gekraai der hanen. Verders was het stil. 't Was stil en toch vol ingetogen leven, dat weer aan 't wroeten was en uit zijn slaap ontwaakte.

Pallieter voelde en smaakte en rook en zag dat leven. Hij voelde het in hem als een zwaren polsslag, die door de wereld ging en bij eiken klop zijn hert geraakte.

Het gaf hem groot geluk. Hij werd sterk en groot en begost te zingen, mee op den beiaard, die langzaam, door een kalmen wind gestooten, een oud, schoon lieken over dezen kant der velden strooide. 't Waren als klanken van zwaar goud en huppelend zilver, en in de verte floot een snoeiende boer het liedje mee. En het klonk:

"'t Was op een rievierken dat si saten," enz.

Hij kwam aan overstroomde beemden. Een meeuw wiekte touterend daarover, met stille open vleugelen, en Loebas, die het zag, stak zijn neus snuffelend in de lucht en liep dan door het water, dat rond hem opstoof in stralen en in druppels. Pallieter bleef staan zien naar den verren Nethedijk, waar er lieden, klein lijk mieren, in de verte een rote boomen neervelden.

"Och arme, de boeme, en just als ze nief bloed ginge krijge. Mar het leve sterft ni, ginder is het al terug!"

En op het hooge veld, achter twee ossen die den ploeg trokken, ging een zeer zwangere vrouw, zaad in de aarde strooiend. Pallieter deed zijn schoenen uit en waadde door den overstroomden beemd. In de lucht kwam er wat ruimteblauw en ineens, van uit een wolkenspleetje, stak de zon heur gouden licht op de verre, zwarte Begijnenbosschen, en zie! het zwarte bosch werd plots roodpurper in den zonneglans, en bleef alzoo, een wijle helder lichtend in het land. Op een weg, die er blond in liep, en donker achter de boomstammen verloren kronkelde, gingen twee menschen, een man en een vrouw, elk met een zak op den rug. Toen riep er van ginder een koekoek, en de hemel ging weer toe.

"Oh," juichte Pallieter dansend. "De botte zwelle lak moeders!"

Het was de Lente die openberstte, de eerste verroering van het leven der aarde. Het rilde door de wereld heen, niets had het kunnen tegenhouden. De perijkelen des hemels hadden er nacht en dag op gepekt lijk "den duvel op Geeraard". Het lichaam was vermassakreerd om bij te bleten, maar de ziel, de goddelijke ziel, was zuiver en onaantastbaar gebleven, en richtte zich weer op, om open te breken in al wat van de aarde was.

Het leven kwam terug, sterk en rijk zooals voorheen, om te leven, om niets dan te leven!…

Verder scheerde een herder de wol van zijn schapen, en terwijl de eenen nog met hun vuile dikke vacht in de kooi te wachten stonden, liepen de geschoornen, wit als botermelk, wellustig blatend rond, blij om de reine lucht, die vrij en bloot hun buik en rug verfrischte.

Overal hong de reuk van 't wakker-wordend hout als een zware balsem, en overal klonk het geklop der bijlen en kapmessen. Een verre smidshamer verhoogde de heerlijke stemming. Pallieter kwam in een boschken, de blaren lagen er rot bijeengekoekt, en een groote vogel vloog krassend voor hem op.

Hij rook het leven aan 't gisten onder den grond en in de boomen. Hij betastte de boomen om het te voelen. Hij kon er zijn oogen niet afslaan en stond met open mond hun leven te bewonderen. Hoe zij dik van 't sap waren, hoe het in hun hout gevangen zat, worstelde, spartelde om vrij te zijn, van geweld de takken opduwde, ze deed schieten en klimmen, draaien en buigen, wringen en kronkelen van drift, en daar waar het dan eindelijk de schors scheurde en zon zag, versteef het tot een blad, tot een bloem, tot een vrucht. De boomen zijn de handen van de aarde.

Pallieter liet een zucht; hij had eens een boom willen zijn om die volle davering van het ontwakend aardeleven door zijn lijf te voelen gaan. Hei! en daar was er daar een bij, een reuzige olmenkarkas, duizend jaren oud, badend in grijs water, die Pallieter deed uitroepen: "Nog noet hee God za zoo goe late zien!"

Het was een uit-den-grond-gebroken zenuwknoop der aarde. Hij was in tweeën doorgekraakt, vol holten en scheuren, groen lijk uitgeslagen koper, beplakt met plaasters mos en knobbelen zwam, omkleed met klimop en van boven op een der uitgespleten stukken was er uit een oude rus gers een paar madeliefkes gegroeid, één nog in den knop en 't andere melkwit opengebroken, met de puntjes van zijn kroontje rood, als in wijn gesopt.

En Pallieter, aangedaan door al dat wild, barbaarsch en overtollig leven, dat zoo rijk bijeengekoekt zat in die levensvolle boomenlomp, sloeg er zijn armen rond en zei vervoerd: "Bruur Boem, Bruur Boem!"

* * * * *

Als Pallieter noen hoorde toeten op een hoeve, was hij zoo vol honger en zoo ver van huis, dat hij op die hoeve aftrok om er te kunnen eten. Doch de Nethe lag er tusschen, ze liep op haar laagst; een beeksken tusschen gladde buiken glanzend slijk. Hij stroopte zijn broek boven de knieën, stak in elke broekzak een schoen en waadde door de lage rivier.

Achter een groene vijvergracht, waarin oude boomen lagen neergeveld, rees de ouderwetsche schuur, met torentjes bezijds op. Een schaap stak zijn kop door een spleet in den muur en bleef Pallieter onnoozel bezien; waar het water wat klaarder was, dreef een trotsche zwaan, trouw gevolgd van een groen kwakend eendeken. Een knecht stond aan zijn knieën in 't water, paling te steken en achter de schuur en de vijver, blankte tusschen hooge zwarte boomen de witgekaleide hoeve. Pallieter stapte over het houten brugsken en vroeg aan de dikke boerin, die aan de deur in een blauwen boterstand te stompen stond, om te mogen mee-eten.

"Zeker Pallieter," zei Sophie, "kom mor binne." Ze kuischte haar handen af aan den voorschot en wees hem zijn plaats aan de lange, doorzakkende tafel, wel met vierentwintig tellooren bedekt. Van alle kanten, uit schuur, stal en veld, kwam het werkvolk, mannen en vrouwen, en zette zich rond tafel. "Ik moet van ieder e patatje hemme!" riep Pallieter, "'t Is a gegund, van herte!" riepen ze terug. Sophie bracht de smorende patatten op, en wel vijftien meters worst die knerste in de pan.

Toen klopte de magere baas, zijn vorket tegen zijn telloor en daarop viel er een groote stilte, waarin de scherpe stem van een rechtstaand jongsken den "Onze Vader" bad. Al die ruwe handen waren gevouwen en de oogen neergeslagen; buiten kakelde een kieken om een ei te leggen. Als het gebed uit was begost ieder te eten. Pallieter zag scheel van den honger, want dat ééne boterhamken van den morgen was al lang verteerd. Hij vulde zijn maag met een dertig schoongele aardappelen, waaronder er geen enkele verlegen was, en weldra bleef er van de el worst niets over dan het steertje met een koordeken eraan. Dat kreeg de poes.

Terwijl zij nog bezig waren, hoorden zij op het neerhof geronk van doedelzakken, en 't getril van een schelle hobo. Een ieder sprong juichend op en liep naar buiten. Het waren vier Bohemers, drie pijpend elk op een doedelblaas en de vierde met een hobo. De mannen speelden zonder iets te zeggen, onverschillig voort. Ze waren vuil en ongewasschen, met lompen en lappen bedekt, met bonte dassen aan den hals, en pluimen op den hoed. Zij roken naar de lucht en naar den grond. Pallieter stond geslagen over de schoonheid van hun muziek. De doedels ronkten drijstemmig slepende accoorden, en het frank en helder gepiep van den hobo danste daartusschen, trillend en wippend, wond zich er rond en om, bijeenhoudend het onafgeteekend geronk van de pijpende doedels.

Tegen den muur geleund, min of meer schuw van de vuile zwervers, stond het boerenvolk verwonderd te luisteren naar het muziek van andere landen.

Als het lied uit was, ging de hobospeler rond met zijn pinnemuts, en kreeg van ieder wat.

Toen speelden zij nog een kort lieken en trokken er met sleepende stappen van onder. "Ik gaan mee," riep Pallieter, "want dat is te schoen! Kom 'k zal elle de hoeve wijze," en hij ging mee met hen van hoeve tot hoeve, en zijn bewondering steeg voor die vuile zwervers en voor hun schoon muziek.

Pallieter vroeg hen uit, maar zij antwoordden kort en onverschillig dat zij van Spanje kwamen over Frankrijk, dat ze vroeger Zuid-Rusland hadden bezocht, Italië en Tyrol, Zwitserland, en dat ze nu over Holland naar Noorwegen trokken, enz.

Hij had voor hen zijn hoed kunnen afdoen, voor die mannen, die zwervend overal hun leven vulden met muziek uit alle landen. Daar was iets reuzigs in hen. 't Waren dichters. Swenst was de hemel opengebroken en nu stond de zon deugdelijk in de lucht, ze lei haren zoeten schijn over de wereld, zette purper in de bottende boomen, en tintelde zilver op de overstroomde beemden. Op de akkers stonden de menschen te werken, in de boomen en in den grond, en in de hoven schupten de hoveniers groentenbedden open. Dat gaf een goede reuk. Het land was stil en verre karren, die men zelfs niet zag, lieten hun vredig gedokker hooren.

Zoo voortgaande van hoeve tot hoeve, kwamen zij nabij het arme gasthuizeken, een troepje herstellende zieken tegen, geleid door vier witte nonnekens. Zij profiteerden van het weer en waren vol genoegen om de goede, aangename zon. Het waren allen arme djobbers en sloren van vrouwen. Er sleepten er zich voort op krukken; een nonneken voerde een karretje waarin een "dood van Ieperen" glimlachte, en een vent zonder beenen stootte zichzelf voort met strijkijzers. Een groote, magere vrouw steunde zich aan den arm van een dikke zuster; er waren er met doeken rond het hoofd, mannen met één been, of met zwarte lappen voor de oogen, uitterende vrouwen en sukkelende kinderen. Terwijl de anderen voortkuierden, meevoerend een zwaren gasthuisreuk, zaten er op neergevelde boomen te vertellen of te kijken naar het werkend volk op den akker.

Als Pallieter al die mizerige menschen zag, die blij waren met wat
Februarizon, zei hij tot de Bohemers, van hier een liedje af te geven.

De vier begosten op hun speeltuigen te blazen en zie, al het zieke volk kwam zoo haastig mogelijk afgestrompeld, en schaarde zich in kring rond de muzikanten.

Er was een dikke vent met een afgezette been, die ineens zijn eene kruk naar omhoog stak en op zijn een been en de andere kruk begost te dansen, roepend: "Ik ben geneze, 'k mag nor huis gaan!"

De andere zieken lachten, en de nonnekens vonden het heel pleizierig.

Maar ginder, aan de deur van een herbergsken, verscheen Fransoo, en die riep zoo hard hij kon naar Pallieter. "Kom," zei deze tot de Bohemers, "ginder zullen w' is doedelzakke-bier gon drinke!"

Dat was in de vier mannen hun genoegen. En zij gingen. "Zie," zei Pallieter tot Fransoo, "da zen vier zingende pluime, die overal waaie met de wind mee." "Bruur," riep hij, "da zijn Wagners, Palestrinas, Beethovens, die mor kunne klappe oep hun zakke. Geft ze bier!" Ze kregen ieder een stoop dobbele, en ze dronken gulzig, dat het over hun kin liep.

"Hebd hoenger?" vroeg Pallieter, en hij sloeg driemaal zijn vinger voor zijn mond.

"Dan komde bij mij ete!" riep Fransoo.

"En zulde dan is de bloem spele van 't geen da' ge wet, dat hiel de wereld in muziek vor ons ope ga?"

Ja, knikten de mannen.

"Dan ierst nog gedroenke!" en zij kregen versche stoopen dobbele, zij smoorden sigaren, en met hun gezessen zopen ze lijk echte tempeliers.

Zoo zaten ze daar nog als de vroege donkeren inviel; en toen gingen ze naar Fransoo.

Het land was badend in de zon, die rood zakte achter zwarten boomenklomp. Het Nethewater, weerom hoog opgezwollen, nam het rood gulzig op zijn spiegel, en de zwarte, kale boomen werden er zoetekens mee bestreeld. Als de zon weg was, hing het gulden rood nog levendig op het kruis van den hoogen molen, die stil stond in de windelooze avondlucht.

Een groote stilte en een fijne lauwte viel op het land, in de huizekens gingen de lichtjes aan en in den effen bleeken hemel de sterren.

Een blauwe, lichte doom wond zich voor de verten…. Bij het lamplicht werd er gulzig verkensgebraad met patatfrit gegeten, dat de dikke vrouw van Fransoo had gereed gemaakt, en kundig bereid met pikkende sausen, kruidnagel, laurierblad en smakelijke thymus. De kinderen van Fransoo waren bang van de ruige venten, schreeuwden moord en brand, en vlogen naar bed. Als zij dik gegeten waren, en het nog eens hadden overgoten met ouden Diesters, zei Pallieter: "Doe nij ellen boek is ope." Zij gingen naar beneden. Fransoo's vrouw volgde.

De nacht was over de aarde. Hoog en veelvuldig lijk het haar op den hond, bleekten de lichtende sterren aan de donkere lucht. De stilte was in harmonie met de grootheid van den nacht.

Fransoo maakte een groot vuur aan op den molenberg, dat de molen van onder hel verlichtte, terwijl de romp zich wegstak in de duisternis, en een zwarte blok op den lichtenden sterrenhemel teekende.

Het vuur kraakte en knerste, de gloed verlichtte de vier Bohemers, ruw als duivels. En steeds zwijgend, slechts antwoordend als men ze aansprak, bleven ze daar in het vuur staren.

"Begint mor?" zei Pallieter, die zich met den buik op een stroobussel had gelegd. En toen begonnen de drie doedelzakken te ronken en te gonzen, en het rietklankige hobogespeel bibberde hel daarover en daarop en om, als een regen van klank. En voor Pallieters gespannen oog gingen er driftige spaansche dansen op, weemoedige russische liederen, sterke zangen uit de bergen en slepende liederen uit de bretonsche vlakten. Heel de wereld ging voorbij in klank, roerend, opgewekt, weemoedig, klagend en teer.

Hij luisterde aangedaan: 't was iets eenigs in zijn leven! Zijn handen waren rood van 't flakkerend vuur, boven hem rees, enorm lijk een reus, de zwarte molen, en voor hem lag de helbesterde nacht en het duister, donker land.

O! wat was het heerlijk! al die vreemde zangen uit verre landen, waar nu ook overal de groote nacht heerschte en waar een ieder sliep, door Bohemers hier te hooren opgaan in de duisternis, nevens een vlammend vuur, en te hooren weg ronken over het zwarte land der Nethe, waarboven de sterren miljoentallig helderden, en waaronder machtig en zalig de nieuwe Lente broeide!

Pallieter werd herhaalde malen koud van ontroering en de tranen lekten op zijn handen. Hij zou nu ook de wereld zien!

* * * * *

Charlot was al lang slapen, en Marieke stond nog in den hof. De kalme
Nethe weerspiegelde de sterren.

Marieke leunde over de haag, en zag en luisterde den donkeren nacht in, naar waar er een vuur brandde en doedelgepijp ronkte.

Daar wist zij haren man Pallieter, want zooiets was van hem. Daar wist zij hem, dien zij zoo groot en sterk liefhad. Zij had hem verwacht den ganschen dag, nog zou hij niet komen, want ginder bij dat vuur was hij gelukkig; zij wist het dat zooiets hem gelukkig maakte. Maar ze wist dat hij haar ook liefhad en misschien denkend was aan haar, terwijl hij die nachtelijke muziek bijwoonde. Ja, dat voelde ze, dat maakte haar zalig en dronken, en zij had thans op zijn borst willen rusten en in slaap vallen, gesust door de vrome, aandoenlijke muziek.

"O, dagenmelker!" zuchtte ze van ongekenden wellust, en zij bleef staan en luisteren naar de doedelzakken, die vèr weg gonsden in den duistren lentenacht.

DE KLOKKEN VAN ROME

Pallieter lag op zijnen rug in 't gers den grootschen gang en groei der wolken na te zien. 't Was geweldig!

Heel die woelige Meertsche hemel stond in zijn oogen. Het waren zotte wolken, die telkens van vorm verwisselden en veranderden, en alle minuten het aanschijn des hemels vernieuwden. Ginder boven klompte er zich een donkere massa blokwolken bijeen, loodblauw en zwanger van hagel en regen. Ze stuurde voorbij de zon, alles meesleepend op haar trotsche vaart, maar ze stootte tegen een reusachtig witten wolkenberg, brak kapot, werd verscheurd en in bleekblauwe reepen getrokken, die dieper en dieper den hemel inklommen, en zich ten lest heel hoog tegen de lucht hadden geplakt in schuchtere, witte protwolkskes. Terwijl was er van achter de aarde een rozige bergketen gegroeid, die zich oprichtte langsheen den zuider horizon. Het waren roze rotsbergen, van boven tintelend wit als versche sneeuw en klaar afgeteekend op het heldere lievevrouwenblauw der lucht.

Verre dorpstorekens staken er op af. 't Was een Zwitsersch landschap, maar de toppen zwollen op, en torens werden de verre bergen, torens die rezen naar de zon, van boven zilver en goud, en van onder aschgrauw, purper en bruin. Wolkenkathedralen met vensters, gangen en nissen; Walhalla's! Maar éér men er aan dacht vlokten ze uiteen in wattige brokken, zakten, vouwden ineen en regenden ginder uit over het heldere, bezonde land.

Eén ontzaggelijke, witte wolk, sterk ineengestoken lijk een reusachtige bloemkool, kwam nu in den hemel. Die was baas en koning van de lucht. De volle zon botste er op, en tranen liepen uit Pallieters oogen van het danig licht-geweld. Ze troonde een tijd boven de aarde, maar vloten kwamen van alle kanten op haar aangestormd, oorlogsvloten, schepen met dikke buiken, wit en bruin, en zij overweldigden haar en zogen al haar zilver en sterke vormen op. Anderen bouwden zich er boven op, anderen weer dreven wild erover, en zoo ging het gedurig en aaneen. Bouwen en breken. En dat leefde allemaal, dat wroette en krioelde en stond geen minuutje stil. De blauwte diepte er fijn en innig tusschen en de zon, de Paaschzon! Want morgen zou het Paschen zijn! De verjongde, malsche, gezuiverde zon speelde dwaas en uitgelaten in dat wolkenspel, lijk een kind 's morgends in het witte bed. Ze schoot Mozesstralen, bracht zilver en goud op het purper en geel en wit, en sloeg vonken in de lucht. En wie er mee deed aan dit wolkenspel, dat waren de duiven, die, in kladden of alleen, hoog opstegen, zich uit de lucht lieten vallen, nu eens wit als papier waren op het donker purper, en dan weer als gouden vlokken rakend eenen Mozesstraal.

O, het wolkenspel! 't Is schoon genoeg om den eenzamen herder een heelen dag mee bezig te houden.

En daaronder lag de jonge wereld, groen en versch.

De dunne wind liep er over met de vlugge schaduw der wolken en het schelle licht der zon.

Zwart stonden de boomen, maar in de zon zag men ze overdekt met geelgroen gaas. 't Waren brekende botten!

Alleen was hier en daar reeds een appelkokkenboomken, dat lichtrood en roos te helderen stond in het rillende leven.

De Nethe was vol zilveren tinteling, en de schepen met witte, gezwollen zeilen.

Maar onvoorziens was het donker en grijs geworden, en klets! de regen en de hagel knetterden hard en dwaas op den grond en op Pallieters gezicht. Lachend sprong hij op en liep schuilen onder een houtmijt.

Van hier zag hij den molen draaien, en veel verder nog molens met roode wieken in het loopend zonlicht. Doch ineens schoot de zon er hier weer door en hing de hagel over de Begijnenbosschen, en boven den slanken molen spande er zich, op de donkere lucht, een helder stuk regenboog.

De hanen kraaiden klaar en hel, en onder de houtmijt rook het naar versche viooltjes.

"Veur Marieke!" riep hij. Hij begon te zoeken en daar, tusschen het korte nieuwe gers stonden ze, purper en nat, die lieve goevrijdagsbloemekes! Hij meende ze af te plukken, maar stond weer recht en zegde:

"Neeë, 't is te schoen, ik laat ze staan!"

Hij sprong over de beek en ging nevens de velden naar huis. Het leven herbegon, de lucht hing vol geuren en beloften, en er liepen rillingen van ontwakende frischheid over de wereld. Overal waar er een vinger gers groeide, stond er een koppel madeliefjes te blinken, en langs alle kanten dreste het zot gesjirp der musschen.

De goede, geurige velden lagen thans ontdaan van 's winters barrigheden. De grond was overal bewerkt, het onkruid eruit gehaald; hij was doorsneden en doorploegd, omgespit, verkneed en gewreven, en daar lagen de velden nu, heerlijk in verschillende bruinen gevierkant. Hier en daar stonden musschenschrikken met hoed, broek en frak te waaien in den wind. En het schoone werk der velden herbegon voor gansch een jaar. Hier en over de Nethe trokken witte en bruine peerden met fieren stap den ploeg door 't veld; de grond viel open in vette schellen. Het was vleesch, om er in te bijten. De zaaiers gingen grootsch lijk koningen over de velden weg en weer, het zaad strooiend in de aarde. Overal zag men ze, klein lijk vingers, over de Nethe, tusschen de boomen, onder den molen en nevens de Begijnenbosschen. Ze strooiden het edel zaad. Er woei wind om, en zon. Dat was de eerste zegen, en de gewillige aarde ontving het, was er gelukkig en dronken om, want weer kon ze in weelde gaan baren, al die millioen zaden hare kinderen maken, moeder zijn…. Vele boeren waren aan 't patatten planten, en daar keerden en gingen de beervaten en karren, over en weer, wijd verspreidend hunnen snellen reuk.

De sleutelbloemen leien hun goud nevens de sloten. Pallieter plukte een tuiltje ervan en stak het op zijn hoed.

De koeien waren terug in den beemd, en de zwaluwen in de lucht.

Aanhoudend kwamen wolkschaduwen van ginderver donker aangeloopen, achtervolgd van helle, natte zon.

Pallieter stond dat allemaal bewonderend aan te zien. Och, hij was zoo gelukkig om al die nieuwe heerlijkheid; om de zon en de wind, om de weerkomst van den uitkoom, het volle, open leven!

Och, 't was zoo schoon, zoo heilig en zoo goed! En toen zag hij juist een jager, die bukkend voortsloop naar een goudfezant.

"Verdoemd," zei Pallieter, en hij meende juist in zijn handen te kletsen om den vogel op te jagen, als de jager zijn hoed afviel. En toen kreeg Pallieter een aardig gedacht. Hij liep haastig naar den hoed, schoof er een versche koeientaart in, en zette hem schoonekens terug.

De vogel vloog op, en de jager werd gewaar dat hij zijn hoed verloren had. Hij zocht en vond hem en wilde hem opzetten, maar als hij zag wat er in was, sloeg hij hem tegen den grond en stampte er op lijk een razende zot, en zette vuisten naar de koeien. En Pallieter stond van achter een houtmijt alles af te zien en lachte zich bijna een breuk.

Als hij thuis kwam, met de bloemen verslapt op zijn hoed, wapperde de witte vlag ter eere van het goede weer, en Marieke had in den hof het fonteintje opengedraaid, dat na een heele winter wachtens, weer zilverig opspoot met een frissche, koele perelenpluim.

Charlot was met Marieke in den hof eieren en oranjeappelen aan 't verbergen, die de kinderen van Fransoo straks, als de klokken weerom zouden luiden, mochten komen zoeken.

Pallieter had gisteren al die eieren geschilderd. Er waren er van alle koleuren; bloedroode, botergele, blauwe, groene, anderen bespikkeld, gestreept, met krullen en bollen; er waren er bij met een haantjen op, met een manneken, een lachende zon, met bloemen en boomen. Alles om ter hevigst van kleur, en nu ze daar lagen in de struiken, op den grond, waren het als vreemde vruchten, ineens, bij een gril der zon, gegroeid.

Charlot was blij, dat het gedaan was, en zei met een zucht:

"Dormee is de Vaste gedaan en kome de klokke vroem."

"Ge zijt er toch ni mager van geweurre!" lachte Pallieter.

"'k Hem ma toch niks te verwijte," zei Charlot fier. "'k Hem mor iens per dag man gusting geëte!"

"Dan waard' ook iedere kier oem te berste!"

"Watte?" riep Charlot geërgerd. "As het te veul is da 'k hier nen boterham mier eet as gewoente, dan weur 'k liever beggentje, veul liever dan mee elle mee te gaan nor die vremde streke, wor menscheters en wilde bieste woene! Verstade da? Sloeker! Gulzigen beer!"

"Och kom," zei Marieke, "maakt oe nie kwaa, Pallieter zegt da veur te lache!"

"Dan ik oek!" zei Charlot kort en afgebeten, en ze ging in de keuken terug aan heur werk. De meid had nu haar kapelin afgedaan, en weer was heur klein haardotsken voor een heele zomer zichtbaar. Ze had splinternieuwe, zwerte, blinkende klonen aan, beschilderd met een gele vogel op een groenen tak.

Na een half kwartierken was ze het gekijf al vergeten, en stond ze te zingen van:

  "Ik heb tot speelgenootje
  een katje nog zoo klein…."

Pallieter wandelde met Marieken den hof in.

"En deur dezen schoenen hof zal de Nethe recht gelijk nen regel gaan. 't
Is toch spijtig!"

"Als ge geren nen hof hebt, dan kunde in ons deurp kome woene, dor is 't oek schoen en dor zitte we vrij in de hei en in de bossche!"

"Neeë," zei Pallieter, "'k heb e gevuul van ne vogel: 'k wil overal woene!—Ge gaat toch wel gere mee, eh vrijke?" vroeg hij teeder nadien. En zij sloeg hare groote oogen gelukkig tot hem op, lei heure armen rond zijn hals, en zei: