WeRead Powered by ReaderPub
Pallieter cover

Pallieter

Chapter 30: DE VRUCHTBAARHEID
Open in WeRead

About This Book

The work follows an exuberant, nature-loving man through a sequence of episodic scenes that trace daily life and seasonal changes in a rural setting. Rich, sensory descriptions dwell on dawns, rivers, birdsong, weather and harvest, while domestic routines, local rituals and rustic humor reveal relationships with family and neighbors. Episodes move between exuberant outdoor celebrations and quiet interior moments, alternating lyric observation with comic detail. Recurring themes include bodily pleasure in the landscape, the rhythms of community life, and a fond, celebratory attention to ordinary labors and festivities.

"As ik mor bij ij mag blijve, meugde ma meeneme nor 't ende van de wereld."

En zij drukten malkander een langen, innigen zoen op den mond.

Charlot riep haar, want de kinderen kwamen, en lachend huppelde Marieke hen tegemoet. Pallieter zag haar achterna, en zei: "'t Is mijn zieltje."

Maar daar floot een merel in den knottigen kastanjeboom, en vloog toen naar de vest. De vesteboomen waren bruin van de botten en hongen vol musschengeschetter. In den hof stonden de perelaars in bleeke knop, die elken dag kon openbreken; de pruimeboomekens lieten al wat roze zien, de perzikeboomen pronkten in lichtroode, weelderige bloem.

De grond, die verjongd was met om te spitten, had ginder reeds melksalaad gegeven, en al verschillige bloemen opengebroken; op het molenheuveltje vettige, vleezige hyacinthen, en rond het fonteintje hier en daar reeds een geurende vlier. De pasgesneden haag zag bleekgroen.

Pallieter verschoot van de snelheid waarmee het leven werkte. Het stond nooit stil, het groeide en bloeide allemaal en overal, het brak los uit den grond, uit de boomen en het water; het mos plakte zich op de steenen en de zwam op de boomen, 't eene op het andere, gulzig om te leven, en alles overweldigend in een roes van jonge liefde, en brandend om te koppelen en te bevruchten. 't Was het versche bloed dat opsloeg.

Een eenden-driehoek keerde hoog in de lucht terug uit de warme landen! En ineens sprongen overal, in stad, dorp en begijnenhof, de paaschklokken los en galmden en jubelden over de wereld der Verrijzenis van God en van het leven! Christus is opgestaan!

De klokken kwamen van Rome terug, en ze zwierden een regen van eieren over de wereld. Het land rook van een nieuwe ziel, de jonge Lente stond gereed in de boomen! Alles had knop en bot, het Leven jubelde over den Dood. 't Was de Verrijzenis, de levengevende Verrijzenis!

En toen, smeltend van ontroering, kuste Pallieter den grond.

DE KRUISEN EN DE ZEGENING DER VELDEN

Het weer was terug slecht geworden, heelder dagen mot-en plasregens, grijs, triestig en gesloten. Niettemin werkten de boomen neerstig voort, alleen op eigen kracht. Zij bloemden toch! en de eene na de andere boom hulde zich in bruidsgewaad, en de bloemen openden hunne lippen om al de weelde van hunnen reuk uit te spreken. De zalvende zon bleef weg, en in plaats van dat de bloei uit den grond lossprong, zot en wild overtollig, gulzig naar licht en leven, kroop hij er uit, langzaam en voorzichtig.

"'t Zal betere," zei Pallieter, "as de kruise zulle gaan." Want zij zijn het toch, de kruisen, die de poorten opendoen voor de schoone, vaste dagen en den grooten Zomer. Al het schoon weer dat vroeger komt is maar schijn en misleiding. En een ieder werkte voort, wist dat het niet anders kon, en wachtte geduldig naar de kruisen.

En juist vandaag, als de kruisen moesten gaan was er met den nieuwen dag een blijde, volle wind opgestaan, die dansend over de aarde vaarde en al de waterlagen uit den hemel joeg.

De Kruisen gingen. Pallieter en Charlot gingen mee. Pallieter reed achter de processie aan, op Beyaard, en overzag alzoo den stoet en het land. Ze kwamen nu in het volle veld. De wind sloeg de roode vanen vooruit, speelde en drukte in de rokken der vrouwen en der priesters, en wierpen het latijnsch gezang als zaad uiteen over het veld.

Heel de hemel was zilver, van verre witte opeengestapelde worstwolken, die langs alle windstreken rond de aarde wandelen. Het licht kwám van de wolken.

Het zaad barstte in de aarde.

En het klonk in het latijn, het waaide gebrokkeld over de bruine velden, over het schittergeel rapenzaad, langs roos-en-blank bloemende boomgaards en riekende hoven: "Uyt de diepten heb ik geroepen tot u, Heere! Laet uw ooren luisterend wezen naar de stemme mijns biddens. Is 't dat gij de boosheden gade slaet, Heere, Heere, wie zal 't verdragen?"

De roode misdienaars rinkelden de bel en zwaaiden den geurigen, blauwen wierook weg. De pastoor in gouden-purpel koorhemd, waarboven blinkend zijn kletskop, sprenkelde met grootsch gebaar het wijwater zegenend over heel de schoone groeiende streek.

De boeren en boerinnen hielden hunnen paternoster vast, en lazen halfluid voor hunne vruchten, de beesten en den grond.

Heel hun leven lag daar schamel en bloot onder Gods grooten hemel. Van den hemel hing het alles af. De Hemel vol dood en leven, kwaad en goed, vuur en ijs, hitte, zon en lavende waters.

En zij vroegen onderdanig, als tolk voor de sprakeloosheid van 't zaad, de boomen en de vruchten: "Heere verhoor mijn gebed met uwe ooren, neem mijn klagelijk bidden in uwe waarheid, verhoor mij in uwe rechtveerdigheid…. Want de vijand heeft mijn ziel vervolgd, hij heeft in de aarde mijn ziele vernederd." 't Was de smeeking van de vruchten en het zaad en de boomen na den langen winter, den vijand: "Hij heeft mij gesteld in donker, gelijk de dooden der wereld. Om uwen naam, Heere, zult Gij mij levend maken. Gij zult mijne ziel van de tribulatie uitleiden en mijne vijanden geheel vernielen. Gij zult vernielen allen die mijn ziel verdrukken; want ik ben uw dienaar!"

Het gebed der gewassen des velds! De wind danste over de aarde en nam de woorden op. Onze Lievevrouw en heel de lichtende rij van al de engelen en de heiligen, die den hemel verhelderden, die macht hebben om donders tegen te houden, wateren doen stil staan en wind te keeren, al de heiligen, maagden, martelaren, pausen, zondaren, apostelen en belijders, tot zelfs de duizende onnoozele kinderen, ze werden allemaal als wachters gesteld over de menschen, de hoornbeesten, en de vruchten en de boomen.

En herhaaldelijk klonk het melodisch van zware mannenstemmen "Ora pro nobis" en "Ora-Orate pro nobis".

Pallieter bad innig mee. Hij was vol licht en leven, 't Kraakte in hem van geestelijken wellust. Hij had willen vlaggen zwaaien en mede rollen in den wind.

Het bidden was hem te stil en hij verhief zijn stem en zong mee zoo luid hij kon met de Priesters: "De profundis clamavi ad te Domine!" En als de processie de velden was omgegaan en terugkeerde, reed hij voort het schoone landschap door.

Het was heerlijk al dat bloeiende wit op de boomen! "'t Is het zog der aarde dat omhoog komt en overloopt," zei Pallieter. "De zon zal er boter van make!" De groote, blijde wind zoefde door de lucht en bromde in de boomen. Hij schudde het peerd zijn manen en zijn steert, en rukte Pallieters klak van zijn kop, dat zij omhoog vloog lijk een vogel en in 't tintelende water van de Nethe viel.

Doch Pallieter zag niet om, hij reed maar voort, wild en dwaas, zonder teugel, om al het geweld van den jongmakenden wind over hem te laten gaan. Mannelijk genot! Ver gingen de kruisen, wit en rood, langs de blonde wegen, en overal sloegen de molens lijk de priesters kruisen over 't veld, en ginder wapperde de wind een boerenmeid haar rokken omhoog. De zon tuimelde ineens door de wolken en dat gaf een taal aan al de koleuren des velds, dat alles sprak en juichte!

"De kruise late elle al gevoele!" riep Pallieter….

En nog den eigensten avond was de wind gaan liggen, kwam er over het land een zoete zoelte, en begonnen de perelaren bedwelmend te geuren. De hemel was zuiver lijk kristal, de sterren schenen klaar in de maagdelijke versche blauwte, en laag aan de lucht hong het eerste sikkeltje van de rijpende maan.

Pallieter lag met Marieke nog door het venster hunner slaapkamer. Zij waren reeds half ontkleed om slapen te gaan, maar de goedheid van den nacht weerhield hen uit het bed.

Marieke hield haar hoofd gelegen op Pallieters schouder, en hij had zijnen arm om haar heupen.

Ze zwegen en luisterden naar een nachtegaal, die alleen in de verholenheid van een bloeienden kerseboom zijn gouden hart liet roeren. Maar daar, als niet opeens begonnen, klonk er van op het Begijnhof het diepgevoeld gestreel van een cello.

"'t Is de pastoor," zei Pallieter.

"Spijtig dat 't Begijnhof gesloten is," zei Marieke.

"Wacht," wedervoer hij verheugd, "we zullen er mè het schuitje henegaan.
Kom!"

Ze kleedden zich haastig aan en gingen in het schuitje.

Langs het smalle Hemdsmouwken dreven ze het Begijnhof op.

Terwijl klonk almaardoor de zoete gemoedelijke stem van den gevoeligen cello.

Stil vaarden ze, en aan 's pastoors hof, die met planten-bekleed-traliewerk van het waterken gescheiden was, hielden ze stil en bleven rechtstaande in het schuitje luisteren.

De pastoor zat buiten, onder een bloeiende perelaar. In den donkeren zag men alleen zijn grooten kop en zijn bleeke handen. Hij speelde de diepe "Droomerij" van Schumann. Het was lijk een gebed. De pastoor bad met zijne muziek.

Als 't uit was bleef er een lange stilte, 't Was voor Pallieter zonde in deze geurige stilte zijn stem te laten spreken: maar hij liet een grooten vollen zucht, de pastoor zag op en vroeg: "Zijn er daar mensche?…"

"Ikke!" zei Pallieter.

"Oe komt dan algijkes binne!" en hij kwam gauw afgeloopen en opende het traliepoortje, dat slechts open ging als de meid moest water scheppen, "'t Was zoe goe werke," zei de pastoor, "en ik zit zoe mor wa te striele en te strijke; kom binne!"

"'k Hem 'n ander gedacht," zei Pallieter, "nemt oewe celle mee oep ons schuitje, en we zullen al spelend 'n toerke nor 't hof Van Ringe doen!"

"Aangenome," zei de pastoor en hij kwam met zijn speeltuig op het schuitje. Zij vaarden terug naar de Nethe, en als de open velden rond hen lagen, begon hij weer te spelen, terwijl Pallieter riemde en Marieke roeide.

De cello sprak; 't was innig lijk een zingende menschenstem, 't klonk lijk uit de waterdiepte omhoog, 't Droeg de ijlheid van den hemel en jongheid van de lente, 't Was Beethoven, Benoit, Wagner, Palestrina en Grieg. Zoo dreven ze schoon als in een droom over het water weg, en over het nachtelijke, stille land wandelde de galm van de heerlijkste muziek der aarde. 't Was alsof God zijn voeten op de wereld had gezet.

DE VRUCHTBAARHEID

De schoone, goede Mei had voor goed zijn glorie in de boomen gehangen, en zijn weelde neergestreken over den grond. De keizerlijke kastanjelaren, die zoo veelvuldig 't Netheland begroeiden, hadden op hun groenenden berg al hunne witte bloemen opgestoken. En in de veldkapellekens brandde, ter eere van Ons Lievevrouwken, menigvuldig keersken.

Marieke was met haar moeder, die afgekomen was om als baker te dienen, en met Charlot, alle dagen naar een dier kapellekens geweest om den gunstigen afloop, en swenst groeide de vrucht rap en enorm. Maar de dagen gingen voorbij en tegen einde Juni, met de nieuwe maan, kon men het verwachten.

Dien dag kwam Pallieter terug van onderwegen Duffel, waar hij bij een wagenmaker een huifwagen had gaan bestellen, waarmede hij de wereld zou intrekken als de kleine geboren was.

De Junizon gloriede in de blauwe lucht en schudde haar gulden haren over de weelderige landen.

Pallieter slenterde langs de Nethe.

Ach! de schoone rivier, die nu vrij en wispelturig bochtte door de vette velden en de koeienrijke weiden; die op haar dijken reuzige populieren en breede kanadas omhoogstak: die heerlijke, aangename Nethe zou nu in een koudrecht kanaal herschapen worden.

"O land! z' ontnemen oe oew kroen!" zuchtte Pallieter, "mijn hert schrieuwt in mijn lijf."

Doch uit de verte klonk herhaaldelijk blekken horen-getoet.

"Da's Charlot die blaast veur 't kinderbed!" juichte Pallieter, en hij trok zijn schoenen uit, en begost te loopen zoo hard hij maar kon. Het horengetoet bleef maar klinken, draaide van het oosten naar het westen, en 't wilde maar niet ophouden.

Pallieter spoedde zich des te meer. Hij vloekte omdat hij niet rapper kon; maar daar graasden twee peerden in de weide, op nen omzien was Pallieter op het verschrikte peerd gesprongen, en zich vasthoudend aan de manen, rende hij snel over veld en wei naar den Reynaert.

Toen Charlot Pallieter zag aankomen, liet ze den horen vallen, liep hem tegemoet en riep, bleek van alteratie: "Bruur, Bruur, 't is nen drijlink! twee jongens en ien meske! Ierst kwam…." Pallieter liet haar voortbabbelen en liep, gevolgd van de meid naar boven. Hij wierp de deur open, en daar op het bed, waarin Marieke, bleek, met traantjes in de oogen hem toelachte, lagen neveneen drie naakte, verkensroze kinderen te kraaien en te schreeuwen.

De zon door 't open venster bunselde er op en trilde lichtend in hun week vleezeken.

Pallieter stond eerst aan den grond genageld, hij kost zijn oogen niet gelooven, het overweldigde hem. De moeder van Marieke en Charlot wisten geen raad, de een klatste water, de ander wierp een emmer om en krabde in heur haar.

"Zijde tevrede?" vroeg Marieke.

En toen vloeide Pallieter zijn vreugde over, hij liep naar zijn jong vrouwken, gaf haar duizend kussen, en zei: "Abraham moet mij benije!" en dan riep hij uitgelaten tot Charlot: "Haalt bakels, peters, wiegen en suikerboene! De drij hemskindere zen gebore!"

"Ja, ja," riep de verwarde Charlot en zij liep naar beneden, maar was daar seffens weerom en riep vol haast: "zij rap, zij rap, de pastoer is dor! doe z'ieder algij een hemmeken aan."

"Ni, ni," zei de pastoor, die boven kwam, "'k wil ze zien lak da'ze God on Pallieter hee gegeve."

En de pastoor sloeg verwonderd zijn handen saam en hij keerde zich om tot Pallieter, en zei: "Gelukkigen druivelaar," en dan tot Marieke: "Meske, meske, God zied oe gere," hij drukte hun de handen, en de tranen schoten in zijn oogen.

"Doe zoo voort," zei hij.

"Da beloof ik oe!" riep Pallieter.

"Menier pastoor," zei Marieke verlegen en rood-wordend, "de kinderen mutte zuige…."

"Ja, ja," lachte de pastoor, "doe mor, wij hemme da ni mier noodig, hé
Pallieter, wij zullen er oep gon drinke."

En terwijl zij beneden schuimwijn gingen genieten, haalde Marieke haar twee dikke, malsche borsten te voorschijn, en gaf de kostelijke moedermelk aan de twee Pallieterkens, terwijl het Pallieterinneke schreeuwen bleef….

En beneden zat Pallieter met den pastoor aan de zesde flesch schuimwijn te drinken, ter eere van de drie, die hij gemaakt had.

DE WERELD IN

Daar stond de witgehuifde wagen vertrekkens gereed. Bijna al de begijnen, de drie blinden, veel kwezels en de pastoor stonden er te wachten om vaarwel te zeggen aan de bewoners van den "Reynaert".

Terwijl Marieke reeds op den wagen zat met haar drie kinderen, en Charlot deemoedig te luisteren stond naar de wijze raadgevingen van den pastoor, was Pallieter het paard gaan halen, dat in het beemdeken grazend was. De goede, groote Beyaard liep speelsch weg naar den dijk als het zijn meester zag, maar Pallieter haalde hem in en wipte zich op den breeden rug. "O Netheland, ge wilt mij verleie om te blijve, hoe schoen!" riep hij, als zijn blik over het landschap ging. Het was na de noen en het regende een trage, malsche, aarzelende regen in lekken, groot lijk okkernoten. Nu en dan slechts viel er een, maar zij haalden de zoetste geuren uit den grond en uit den hof; en het hooi, dat men overal in de beemden aan 't maaien en halen was, verspreidde over heel de streek zijn aangename ziel. Merels en zoetelieven, wielewalen en vinken, kneuters en kwiksteerten deden van wellust de boomen zingen; en tusschen het geklank dier verschillende rumoerige vogelenkelen, floot kalm en trotsch de koninklijke nachtegaal.

Het was een gulden fluit, die in de boomen hong en telkenmale klonk, als er een regenlek op klopte.

Er was een zalige weldadigheid over het land, eene zoete bedwelming, die opsteeg uit alle dingen.

De hemel was warm-grijs, en blauw lagen ginder de verre verten, als fijne wierook.

"Daarachter ligt de wereld!" riep Pallieter en zoodanig brandde hij naar die blauwigheid, dat hij zich spoedde om heen te kunnen gaan. "Spring oep! We gaan!" riep Pallieter tot Charlot, die nog met haren laatsten heilige uit het huis kwam geloopen. Charlot bleef getroffen staan, het scheidingsuur verraste haar, zij bezag eens heure vriendinnen de begijnen, de kwezels en menheer pastoor, en toen schoot ze in een luiden schreeuw, en de tranen liepen over haar kaken.

"Och," zei ze snikkend, "'k had zoe gère begentje geweure, mor wa zen die drij schopkes van kindere mè zoo joenk moederke lak Marieke: er mut toch iemand veur zorge, is 't ni waar?" "Ja," knikten de begijnen en kwezels, waarvan er ook al tranen in de oogen kregen.

"Ge kunt nog altijd blijve," riep Pallieter, die de laatste gesp van
Beyaard's gareel sloot.

"Och," zei de pastoor tot Marieke, "'t zal mij zoo vare, zonder den
Bruur te zijn," hij schudde zijn hoofd en zuchtte.

"Kom," troostte Marieke, "zoe erg zal 't ni zijn, er is immers nog
Fransoe."

"'t Is tijd!" juichte Pallieter tot de voortlamenteerende Charlot. "Oep de wage!" en hij sloeg den met hooi gevulden tweezak over zijn schouder.

"Wacht," zei de pastoor ontroerd, en hij gaf aan Pallieter en Charlot een kruisken, hief zich op de teenen om aan de kinderen, die Marieke hem toestak, er ook een te geven, en als Marieke hem ook haar voorhoofd geboden had, zei hij: "Joenk moederke, 't is t'hope da ge zoe nen hiele bieënkorf kinderen meugt bare. Vaarwel! God behoede elle," en toen draaide hij zich om, en begon hardop te snikken en te weenen in zijn rooden zakneusdoek.

Er kwam een aandoenlijke stilte, waarin enkel de veelvuldige snikschokskes van den pastoor en de vrouwen zich lieten hooren. Pallieter zou op den duur ook aan 't weenen gaan, maar hij riep lachend: "Wie gaat er mee?… ge kunt misschien nog mé e chineeske trijve! Wie…." Er werd hier en daar een lach gehoord onder de begijnen en de pastoor zei binnensmonds: "Altij dezelfde."

"Niemand?" vroeg Pallieter nog eens. "Gebod dan! Charlot zal 'k mè ne neger doen trijve, en dan zullen heur kindere begentjes weurre, zwerte begentjes!"…

"Pallieter, Bruur, hijvd hoe!" zei de pastoor, en zij kusten malkander. "Drinkt er e glasken oep!" riep Pallieter. "Wel twie," zei de pastoor. Loebas baste van ongeduld. En ginder lagen de blauwe verten en de wereld! Pallieter snakte er naar en riep: "Dju!" spijts Charlot, die nog aan elke begijn en kwezel een hand wilde drukken.

En daar rolde de wagen voort! Een kind schreeuwde, en Marieke gaf het hare volle, blanke borst.

"'k Gon mee! 'k gon mee!" riep Charlot, ze liet de begijnen staan, en liep zoo hard ze kon den voortrijdenden wagen achterna. Pallieter, die er nevens ging, hief er haar op, duwend tegen haar dik achterste, en toen stak ze van achter door de huif haar rooden kop en knikte de begijnen toe, die daar bijeen te roepen stonden en met hun zakneusdoeken te waaien. De drie blinden staken hunnen stok om hoog in een verkeerde richting. De pastoor zwaaide met zijn tikkenhaan en Pallieter djakte met de luid knallende zweep. "De wereld in!" riep hij. "De wereld in!"

En zie! daar kwam Petrus de ooievaar uit de lucht gezegen en stapte de wagen achterna.

Pallieter schoot in een luiden lach, en wilde den vogel streelend prijzen om zijn daad, maar Petrus vloog op en zette zich van boven op den witgehuifden wagen te peinzen, met den bek in de pluimen. Loebas liep bassend vooruit.

En zoo rolde de wagen over de zingende Begijnenvest en het regende lauw en langzaam——

Fransoo en zijn vrouw stonden hen af te wachten op den Molenberg. Daar hield Pallieter stil, en aan den voet van den wagen werden er nog eerst twee flesschen ouden wijn gedronken.

"G' hed e schoe weer," zei Fransoo, "'t is lak 'n zalf deze rege." En Charlot vermaande Pallieter: "Doed oeve frak toch aan, oe hem is al zoe nat as mest."

"Elke lek dien er oep valt is lijk ne meskeskus zoe zuut," zei Pallieter, en hij liet zijn wit hemd maar nat worden; 't was een weldaad.

"Mor wor gade nu iest oep weg?" vroeg Fransoo.

"Nor daar waar mijn klep wijst," zei Pallieter en hij wierp zijn klak in de lucht, die terug neerviel met de klep naar zuidoost wijzend.

"Nor de zonstreek!" juichte Pallieter.

"En dan?" vroeg Fransoo.

En Pallieter riep hem zingend terug: "Holland, Noorwege, Spanje, Ijs-en Zonland, naar Javitta, drij ure bove d'hel, 't luilekkerland, 't aap-en snotland, vlakten en berge, altij achter mijne neus! Saluu!" Petrus kroop in den wagen. Er werden kussen gegeven.

"Kom hier, boschpad," lachte Fransoo, en hij overlaadde de dikke, tegenwerende Charlot met honderd dikke, natte kussen.

Kwaad vluchtte Charlot op den wagen, en was rood tot in heur haar van gramschap.

"Wij veere nor den Oost!" riep Pallieter, en als Marieke terug op den wagen zat, rolde het span den steenweg op, die door de beemden en velden naar het zoele zuiden kronkelde.

Er was geroep en gejuich van weerskanten, en twee minuten later stonden Fransoo en zijn vrouw in een der hoogste molenvensters de reizigers met hunnen zakdoek na te wuiven.——

Ginder lagen de blauwe verten, ginder lag de wereld!

Pallieter, die nevens het span ging, met den blauwen tweezak op den schouder, was er blij van ontroerd.

Nu had hij vóór zich de oneindige wereld, die daar blij en vredig openlag, lijk een noodend paradijs.

Beemden vol maaiers, omringd van zeiselengegons, en weiden rijk aan koeien—daarover de perelgrijze lucht, die zich uitregende in dikke, langzame lekken, die de geurige ziel der aarde omhoog haalden. Hanen kraaiden.

En achter hem lag het Netheland, waar hij jaren had geleefd, dat hij bij zich droeg in al zijn overheerlijke weelde.

Hij bleef er staan naar zien en liet den wagen voort de baan oprijden. De molen sloeg zijn roode wieken boven de boomen. Het Begijnhof spreidde achter de hooge vestboomen zijn vredigheid uit en verders lagen de velden en de hoeven, graasden de schapen, en wandelden de kudden ganzen; daar lag de Nethe verheven boven de velden gekronkeld, en scheepkes schoven er op voort. Duiven vlogen in de lucht.

"Hoerra, o land!" riep Pallieter, en hij nam een handvol aarde op, stak ze in zijnen zak, en zei: "Da's Heiligdoem!" en toen keerde hij zich om, zag de eeuwige Begijnenbosschen, de blauwe einders, de wereld! Hij raapte een hanenpluim op, stak ze op zijn klak, en uitgelaten als een kind liep hij zingend naar den witten wagen, die ginder over de baan voortwaggelde.

* * * * *

Wijd en ver strekte zich de wijde Nethevallei blauwig uit, onder de fijne, grijze lucht, die nu en dan een lek liet vallen. In die wereld-oneindigheid lagen mierig de huizen, plat de bosschen, en klein en miniem de dorpen en de molengehuchten. Nog kleiner waren de menschen daarin gestippeld, die het bedrijvig werk des zomers volbrachten: volle hooiwagens rolden over de wegen, karren gingen en kwamen, menschen heen en weer, en op de Nethe, die door dit welige land slierde in groote luie bochten naar den blauwen horizon, schenen de schepen stil te staan, en een zwart treintje kroop met een weelderige, witte rookpluim achteraan, traag vooruit. Heel dat land hief zijn gouden geur als wierook in de lucht. En al ineens stootte de zon uit 't Westen enorme, melkbleeke lichtbalken door de lucht en over de aarde, dorpen blonken, molentjes draaiden in helderheid, en over heel die heerlijke, feestende wereld spande alsdan, als een nooit geziene schoonheid, een klare, breede regenboog zich uit. De wereld jubelde!…

En zie! ginder, heel, héél ver, een witte stip, langs den kant waar het
Zuiden openklaarde, reed de witte huifwagen den reuzenboging onderdoor.

* * * * *

Alzoo vertrok Pallieter, de dagenmelker, uit het Netheland, en ging de wijde, schoone wereld in, lijk de vogels en de wind.