WeRead Powered by ReaderPub
Perzië, Chaldea en Susiane / De Aarde en haar Volken, 1885-1887 cover

Perzië, Chaldea en Susiane / De Aarde en haar Volken, 1885-1887

Chapter 14: XIII
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The narrative recounts the author's travels through Persia, Chaldea and Susiane as she accompanies her husband on a commission to study Sassanid-era monuments. Over fourteen months and several thousand kilometers traveled by horseback, she keeps a diary, makes photographs and documents archaeological sites alongside everyday scenes. Vivid attention is given to ruined architecture, enamelled tiles and reliefs as well as market life, food, lodging and encounters with local inhabitants. Practical difficulties of travel, administrative interactions and close field observation combine to produce a detailed, ground-level portrait of landscape and material culture.

Het bereiden van opium.

De fotografie is klaar, en dit is eene ware uitkomst, want ik zou mij schamen over te vertellen wat de beide dames met de meeste vrijmoedigheid onderling bespraken. Juist toen ik gereed was, kwam eene oude vrouw, die op den uitkijk was gezet, mij waarschuwen dat de saheb (Marcel) wegging. Ik nam haastig afscheid van de beide khanoems en vond mijn echtgenoot in de donkere gang, waar ik hem verlaten had. Bladzijde 65

Porseleinen wandbekleeding in de Bala-Khaneh te Ispahan.

XIII

11 Augustus.—Twee karavanenwegen verbinden Kashan met de hoofdstad van Irâk. De een, die gewoonlijk in den winter gebruikt wordt, loopt langs de woestijn, over Nateins, waar men de bouwvallen ziet eener moskee, die vroeger met prachtige porseleinen tegels was bekleed; de andere weg, die gedurende het koude jaargetijde onbruikbaar is, slingert zich langs de hellingen van hooge bergen. Wij volgen dezen laatsten weg, en de schoonheden van het landschap doen ons weldra de bezwaren van den tocht vergeten. Bij den buitengewoon helderen maneschijn ziet de berghelling er uit als ware zij door elektrisch licht bestraald, terwijl het diepe smalle dal in donkere schaduw is gehuld. Intusschen wordt de weg steeds slechter en straks bijna geheel onbegaanbaar; de lucht wordt zeer koel en wij krijgen weldra den hoogsten top van dit gedeelte der bergketen in het gezicht: volgens de waarnemingen van de beambten der engelsche telegraaflijn, bereikt die top eene hoogte van drieduizend-vijf honderd-vijf-en-negentig el boven de zee.

Na acht uren stijgens bereikt de karavaan een bergpas. Wij treffen daar herders met hunne schapen aan; zij bieden ons kaas en melk; de paarden rusten een oogenblik, daarna stijgen wij op nieuw in het zadel, om onzen rit naar het dorp Koroet te vervolgen. Dit dorp, te midden van rotsen en groen verloren, herinnert mij levendig aan sommige landschappen in de Alpen en de Pyreneën: zonder de minarets en de platte daken, zou ik mij kunnen verbeelden, ergens in de omstreken van Interlaken of van Luchon te zijn.—De landlieden van Koroet, door hunne hooge gebergten en steile rotsen beveiligd tegen de invallen der Arabieren en Mongolen, den ganschen winter onder de sneeuw begraven en gedurende de helft van het jaar verstoken van alle gemeenschap met de bewoners der vlakte, hebben hun ras en hunne taal zuiver bewaard, zonder bijvoeging van vreemde elementen.

Als in alle berglanden, bestaat de rijkdom der dorpelingen in hunne kudden: hunne prachtige schapen munten niet alleen uit door den malschen smaak van hun vleesch en de fijnheid van hunne wol, die voor de vervaardiging van tapijten wordt gebruikt, maar vooral ook door den geweldigen omvang van hun ronden staart, die het geheele achterlijf bedekt en somwijlen, ten gevolge van de mesting, zoo zwaar wordt, dat de herders genoodzaakt zijn, dien reusachtigen staart op een klein wagentje te laten rusten. De Perzen eten overigens dit lichaamsdeel niet; zij koken den staart en vermengen het afkomende, zeer fijne vet met boter: dit mengsel, woughan genoemd, wordt gebruikt bij het toebereiden van alle spijzen.

12 Augustus.—De honderdgradige thermometer teekent, als wij tegen elf uren in den avond Bladzijde 66Koroet verlaten, niet meer dan zes-en-een halve graad. Gisteren stond hij te Kashan, in de schaduw, op zes-en-veertig graden: dit kolossale verschil van temperatuur is vooral te wijten aan het verschil in hoogte tusschen de beide stations. Sedert onze laatste pleisterplaats zijn wij omstreeks zeventienhonderd el gestegen. Onze bedienden, in hunne lichte katoenen kleeding, bibberen van koude, en zouden zeer zeker hunne toevlucht nemen tot onze garderobe, indien zij niet, als goede muzelmannen, vreesden zich te verontreinigen door het aanraken der kleederen van Christenen.

Wij stijgen allen af en beklimmen met haastigen stap den top van de bergketen. Voorbij den pas—tweeduizend-negenhonderd el boven de zee—wordt het pad beter; de weg daalt over kale, met rotsen bezaaide hoogvlakten, al lager en lager en brengt ons eindelijk aan het dorp Seau, aan den ingang der vlakte, die zich zuidwaarts tot Ispahan uitstrekt.

Den volgenden morgen vervolgen wij onze reis naar Ispahan. De vallei, waardoor onze paarden ons in snellen draf voeren, is omsloten door twee heuvelrijen en loopt uit op fraai gevormde bergen, wier majestueuse lijnen en warme tinten aan de bergen van Hellas herinneren. De hoofdstad van Irâk, in een doorzichtigen azuren nevel gehuld, rust aan den voet dier steile, kale rotswanden; en tegen dien achtergrond komt de breede groene gordel van gaarden en tuinen, die Ispahan omgeeft, verrukkelijk schoon uit. In de stralen der dalende avondzon schittert de blauwe koepel van de Mastsjed Shâh; en tegen den onbeschrijfelijk helderen hemel teekenen zich de fijne omtrekken van slanke minarets. Overal verrijzen zware torens, met mozaïeken versierd; tallooze zwermen duiven, wier vlucht voor een oogenblik het licht onderschept, reppen zich met vroolijk wiekgeklep naar de tooverachtige stad.

Daar ligt zij, deze “helft der wereld”, Ispahan de schoone, het wonder der wonderen, de bloeiende paradijsroos, om strijd door de perzische dichters bezongen en verheerlijkt. Lommerrijk zijn de wegen en paden die tot haar voeren; een eeuwige lente tooit de vallei met alle weelden der natuur; de bloemen vervullen de lucht met haar zoete geuren; de wateren der murmelende beekjes zijn vloeiend kristal, als de bronnen in het paradijs. Het koeltje, dat door het dicht gebladerte der bosschages suist, zingt met de zoete stem der duive, of bootst den orgeltoon der nachtegalen na. Dat de regen u besproeie, o Ispahan; dat de dauw des hemels u verfrissche boven alle andere steden, terwijl de donder in de verte rommelt, en de blauwe bliksemstralen de zwarte wolken klieven! Hamadan is een oord vol liefelijkheid, waar ieder wonen wil; maar Ispahan is het beeld van het paradijs.

Wij trekken door eenige kleine, half vervallen dorpen, en door dichte boomgaarden en tuinen, waar de meloenen reeds rijp zijn. De zwarte en vochtige aarde, gedrenkt door het bevloeiingswater; de beken, die zich kronkelen door de met maïs en sorgho beplante velden: zij voeren mij in gedachte terug naar de oevers van den Nijl, als het water begint te vallen, en naar de wonderschoone tuinen van Sioet, de koningin van Opper-Egypte.

Wij naderen de muren en gaan door de vestingwerken; in gespannen verwachting zie ik rondom mij—en onwillekeurig houd ik eensklaps stil. Welk eene wreede teleurstelling! Ben ik in eene met storm overweldigde, half verwoeste stad? Aan de binnenzijde van den wal zie ik nauwe steegjes, met eene dikke laag van vuil en onreinheid bedekt; rechts en links aanschouw ik verlaten bazars, uitgestorven straten, ter wederzijde omzoomd door bouwvallige muren, die elk oogenblik dreigen in te storten. Er is geene levende ziel te bespeuren in deze voorsteden, die eene schuilplaats zijn van schorpioenen en slangen; de verwoesting is volkomen, en het is als ware men bij de vernieling stelselmatig te werk gegaan: vensters en deuren zijn van houtwerk beroofd; men heeft de platte daken opgebroken om de balken weg te nemen waarop zij rusten; de tegels zijn stuk geslagen of gestolen; de aarden muren, door den regen gehavend, zijn nog alleen staande gebleven.

In een ander kwartier, zoo mogelijk nog erger gehavend en vervallen, zijn boeren bezig met het puin der huizen te laden in strooien korven, op den rug van kleine ezels vastgebonden. Deze van salpeter doortrokken baksteenen hebben zeer groote waarde voor de bemesting der landerijen.

De “helft der wereld”, de “bloeiende paradijsroos”, de koninklijke stad is tegenwoordig voornamelijk een kweektuin van pasteken en sappige komkommers.

Mijmerende over de lotgevallen van staten en steden, vervolg ik mijn weg, en kom eindelijk aan den ingang van den Tsjaar-Bagh (vier tuinen). Deze heerlijke wandeldreef, door Shâh Abbas aangelegd, wordt aldus genoemd omdat zij het terrein beslaat van vier kerkelijke domeinen, aan eene moskee behoorende, en die de koning huurde voor onbepaalden tijd, onder de verplichting om jaarlijks zekere som als pacht te betalen. De dreef wordt gevormd door vijf breede lanen, overschaduwd door minstens driehonderdjarige platanen. Ongelukkig zijn een aantal boomen gestorven of omgevallen, en heeft men de daardoor ontstane gaten en open plekken niet aangevuld.

De Tsjaar-Bagh heeft eene lengte van ruim drie mijlen. De midden-allée, voor voetgangers bestemd, is geplaveid en wordt doorsneden door een kanaal, dat een reeks vijvers van verschillenden vorm en grootte van het noodige water moet voorzien; de zijlanen zijn voor ruiters bestemd. Ter rechter- en ter linkerzijde zie ik de ruïnen van een tiental paleizen, vroeger door de aanzienlijkste heeren van het hof bewoond; in het voorbijgaan werp ik een bewonderenden blik op den buitengevel van de medresseh (school) van de Moeder des Konings, en kom eindelijk aan een prachtige brug over den Zendeh-Roed, gebouwd door Allah Verdi-Khan, den vriend en veldmaarschalk van Abbas den Groote. De brug is tweehonderd-vijf-en-negentig el lang en rust op drie-en-dertig pijlers, op gelijke afstanden van elkander geplaatst. Een breede en goed onderhouden rijweg is voor de karavanen bestemd; ter Bladzijde 67wederzijde loopt eene overdekte galerij voor de voetgangers. De brug is geheel van gebakken steen; alleen de voetstukken der pijlers zijn van natuurlijken steen.

Aan den overkant gekomen, sla ik rechts af en bevind mij al spoedig in de armenische stad of wijk, Dsjoelfa genoemd, waar alle Christenen wonen: volgens eene oude, nog van kracht zijnde wet, is het hun verboden, in Ispahan zelf te wonen. Aanstonds word ik getroffen door het contrast tusschen de mohammedaansche en de christelijke stad. Ook hier vindt men, achter grauwe muren, onaanzienlijke leemen huizen; maar de straten zijn net en zindelijk, en de smalle gracht, die de meeste straten in twee gelijke deelen verdeelt, is met fraaie boomen beplant, die eene weldadige schaduw verspreiden en in wier lommer menige fruithandelaar en menige slager zijn kraampje opslaat. Het is echter ook hier doorgaans stil op straat; er heerscht thans eenige levendigheid, want een aantal armenische kinderen, met roode wollen mutsen op het hoofd, komen uit de school en roepen ons vroolijk een bonjour mossioû of een good morning! toe. Enkele, in witte sluiers gehulde vrouwen wandelen met langzame schreden langs de muren.

Zware poorten, die des nachts gesloten worden, geven toegang van de eene wijk tot de andere; nabij eene dezer poorten voert een smal steegje naar het klooster der Mekitaristen, waar sedert twee-en-twintig jaren pater Paschalis Arakélian woont, de eenige zielenherder van de kleine gemeente der geuniëerde Armeniërs van Dsjoelfa. Alle Europeanen, die Ispahan bezoeken, trachten zich onder bescherming te stellen van dezen eerwaardigen geestelijke en komen een beroep doen op zijne gastvrijheid, die niemand afwijst.

Wij worden gewacht; bij den eersten slag met een zwaren klopper, wordt de deur wijd geopend door een knaap, die de verschillende betrekkingen vervult van portier, huisknecht, kamerdienaar en koster. De eerwaarde pater komt ons aanstonds tegemoet; volgens oud-christelijk gebruik omhelst en kust hij mijn echtgenoot, en brengt ons, over een met grafzerken geplaveiden binnenhof, naar eene ruime zaal.

“Verwacht niet,” zeide de geestelijke, met zijne diepe welluidende stem, “dat de monniken wier overste ik was, u komen begroeten en verwelkomen: al mijne broeders zijn overleden en slapen onder de zerken op den binnenhof; zij bezweken, na eenige jaren verblijf in dit land, aan heimwee en ontmoediging. Dank zij mijn oosterschen oorsprong en mijn krachtig gestel, heb ik aan den noodlottigen invloed van het klimaat weerstand kunnen bieden: ik ben besloten te Dsjoelfa te blijven, tot God mij van mijn post afroept. Ik dank Hem, dat Hij ook u bewogen heeft, naar Ispahan te komen; gij kunt u niet voorstellen, welk eene verkwikking het voor mij is, nu en dan aan mijne treurige overdenkingen te worden ontrukt. Weest dus van harte welkom; het geheele klooster staat tot uwe beschikking; het zal mij een genoegen zijn, u te vergezellen, wanneer gij zulks mocht verlangen, of u alle inlichtingen te geven, die gij begeeren mocht. Uwe kamer is overdag zeer koel, en naar ik hoop, zal ze u wel bevallen, maar 's nachts zou zij te bedompt zijn; daarom heb ik voor u den toren in gereedheid laten brengen, waar ik 's zomers altijd slaap.”

Toen het avond geworden was, noodigde de pater ons uit, plaats te nemen aan eene tafel, die van smakelijk toebereide gerechten was voorzien; vervolgens bracht hij ons naar een met populieren en wijngaarden beplanten tuin, waarin eene wilde gazelle in alle vrijheid ronddartelde. Op mijne vraag naar den oorsprong dezer armenische kolonie in het hart van een mohammedaansch land, deelde de priester, zelf een Armeniër, mij het volgende mede.

In de vierde eeuw onzer jaartelling namen de Armeniërs het Christendom aan, en daarmede begon voor hen een tijdvak van welvaart en bloei en intellektueelen vooruitgang. Beroemde schrijvers vertaalden de Heilige Schrift en andere hebreeuwsche, syrische en grieksche boeken, en vervaardigden zelfs eene overzetting van Homerus in het armenisch; de armenische literatuur bereikte haar hoogste ontwikkeling tijdens het concilie van Chalcedon, na de scheiding tusschen de grieksche en de armenische kerk. De liturgische schriften uit dien tijd bevatten heerlijke gebeden en lofzangen in de oude armenische taal, die niet onbelangrijk verschilt van het tegenwoordige armenisch, dat met vele vreemde woorden vermengd is.

Eeuwen en eeuwen lang was Armenië de schouwplaats van een geweldigen strijd tusschen de Parthen en de Romeinen, en later tusschen de Perzen en de Byzantijnen. Niet dan met groote moeite, en dan nog maar zelden geheel, kon het aloude armenische rijk, dat zijne stichting terugvoerde tot op Haik, een zoon van Japhet, zijne onafhankelijkheid bewaren; binnenlandsche beroerten en de splitsing van het rijk in twee zelfstandige staten, Groot-Armenië en Klein-Armenië, verhaastten den ondergang der aloude monarchie. Perzen, Arabieren, Mongolen, Seldsjoeken, Turken overstroomden beurtelings het ongelukkige land, waarvan het eene stuk voor, het andere na werd afgescheurd en dat eindelijk voor een deel aan Perzië, maar voor verreweg het grootste gedeelte aan Turkije kwam. De laatste koning van Klein-Armenië was Leo IV, uit het huis van Lusignan, maar van moederszijde een afstammeling uit het aloude armenische koningsgeslacht der Bagratiden. Door den sultan van Egypte overwonnen en gevangen genomen, begaf hij zich, na zijn ontslag uit de gevangenschap, naar Parijs, waar hij in 1398 overleed.

Het verlies van hunne politieke zelfstandigheid en de verdrukking waaronder de christelijke Armeniërs eeuwen lang hadden te lijden, hebben er zeker niet weinig toe bijgedragen om dit volk door alle landen van het Oosten te verstrooien en bij hen dien zin voor handel, bepaaldelijk ook voor geldhandel te ontwikkelen, die hen door het geheele Oosten tot zoo geduchte mededingers van de Joden maakt. De Armeniërs zijn overigens vreedzaam van aard, onderworpen en geduldig, vlijtig en arbeidzaam; in hunne zeden en gewoonten hebben zij nog Bladzijde 68veel van de oude, aartsvaderlijke eenvoudigheid behouden.

Eene armenische vrouw.

Toen Shâh Abbas, in 1585, zijne residentie van Kasbin naar Ispahan overbracht, wilde hij de stad, die sedert de verwoesting door de Mongolen bijna verlaten was, niet alleen in haar vroegeren luister herstellen, maar ook hare welvaart verzekeren. Met dat doel noodigde de groote Shâh een aantal Armeniërs uit, zich in de nieuwe hoofdstad te komen vestigen; hij verzekerde hun de vrije uitoefening hunner godsdienst, schonk hun belangrijke privilegiën en stelde aanzienlijke geldsommen tot hunne beschikking; maar daar de Christenen bleven aarzelen om aan zijne uitnoodiging gevolg te geven, beval de Shâh dat de geheele bevolking van Dsjoelfa—eene stad op de tegenwoordige grens tusschen Rusland en Perzië—naar Ispahan zou worden overgebracht. Om de inwoners tot die verhuizing te noodzaken, liet hij de bronnen dichtstoppen, de kanalen dempen en de bruggen afbreken; de lieden van Dsjoelfa, nu gedwongen hun land, dat in eene wildernis herschapen was, te verlaten, trokken met hunne gezinnen en hunne kudden naar Ispahan. Velen hunner bezweken onder weg; anderen vestigden zich in de dorpen, die zij doortrokken; naar men zegt, bereikten honderd-zestig-duizend landverhuizers de nieuwe hoofdstad van het perzische rijk. Shâh Abbas schonk hun landerijen op den rechteroever van den Zendeh-Roed; vergunde hun aan hunne nieuwe woonplaats den naam te geven van hunne vaderstad; liet kerken bouwen voor de uitoefening der christelijke godsdienst, en bruggen over de rivier, opdat de Armeniërs te allen tijde de bazars en karavanseraïs der mohammedaansche stad zouden kunnen bezoeken. Aldus begunstigd en bevoorrecht, ontwikkelde de nieuwe kolonie snel; niet alleen wisten de Armeniërs van Dsjoelfa zich meester te maken van bijna den ganschen handel van Perzië, maar ook van den buitenlandschen handel op China en Indië.

Deze voorspoed duurde echter niet veel langer dan het leven van Abbas-Shâh. Zijne opvolgers, belust op de schatten der Armeniërs, begonnen hun zware schattingen op te leggen en weldra op allerlei wijze te kwellen en te plunderen. Haat tegen de Christenen voegde zich bij de hebzucht der perzische monarchen; de armenische bevolking van Dsjoelfa werd op de wreedste wijze verdrukt en vervolgd, zoodat de kolonie bijna geheel werd te gronde gericht. Onder de regeering van Nadir-Shâh werd de toestand schier onhoudbaar. Gedurende een vol jaar moest de armenische kolonie een schatting opbrengen van dertig-duizend francs per dag; en toen het eindelijk onmogelijk geworden was, die som bijeen te brengen, liet de despoot twintig der voornaamste inwoners ter dood brengen. Den volgenden dag werd den Christenen gelast, hunne kerken te sluiten en onverwijld den Islam te omhelzen. De meergegoeden verhuisden in massa naar elders; de armen, die niet konden vertrekken, bleven ten prooi aan allerlei kwellingen en mishandelingen. Het werd hun verboden, te paard binnen Ispahan te komen: zij moesten te voet gaan en hun paard bij den teugel leiden; zelfs werd hun het recht van zelfverdediging ontzegd, en wie een Christen beroofde of doodde, kon zeker zijn van straffeloosheid. De eerwaarde Padri, die mij dat alles verhaalde, voegde er echter ook bij, dat veel in den laatsten tijd anders was geworden. De Armeniërs hebben weer vergunning gekregen om hunne kerken te openen en mogen hunne godsdienst vrijelijk uitoefenen; niettemin leven de Christenen, wier aantal nog ruim vierduizend bedraagt, geheel afgescheiden van hunne voormalige verdrukkers, jegens wie zij nu juist niet vriendelijk gezind zijn. De mannen alleen spreken perzisch; de vrouwen stellen er eene eer in, de taal der overheerschers niet te verstaan, en er zijn te Dsjoelfa misschien geen tien vrouwen, die ooit over de rivier zijn gegaan en Ispahan hebben bezocht, waar zij trouwens ook niet toegelaten zouden worden dan gesluierd en naar mohammedaansch gebruik gekleed. De thans zeer verarmde kolonie zou sinds lang hebben opgehouden te bestaan, indien de mannen Bladzijde 70niet de gewoonte hadden aangenomen, om in Hindostan hun fortuin te gaan beproeven. Niet zonder smart verlaten zij het land, waar de herinnering aan de vroegere welvaart huns volks, hun de tegenwoordige ellende bijna doet vergeten; de jonge man neemt zooveel geld mede als zijn gezin misssen kan en zendt zijne overgewonnen spaarpenningen getrouw naar Dsjoelfa. Is de fortuin hem gunstig, dan laat hij zijne vrouw en kinderen overkomen: onderscheidene aanzienlijke armenische familiën te Benares en te Bombay stammen af van landverhuizers uit Dsjoelfa. Is de fortuin hem niet gunstig, dan tracht hij met hard werken althans zooveel te verdienen, dat hij na zijn terugkeer in zijn onderhoud kan voorzien.

Eene straat te Dsjoelfa.

“De toestand mijner geloofsgenooten, zeide de Padri, zou nog wel dragelijk zijn, indien niet de voorrechten, door de mohammedaansche wet aan renegaten toegekend, voor velen eene voortdurende verlokking waren. Deze ellendelingen worden gevierd, in triomf naar den bazar gevoerd, van nieuwe kleederen voorzien, met geschenken overladen, en verkrijgen door hun overgang het uitsluitend recht op de nalatenschap hunner ouders en bloedverwanten, met voorbijgang van broeders, zusters en kinderen. De muzelmannen zelven beroepen zich vaak op niet bestaande banden van bloedverwantschap, om rechtens de Christenen te kunnen berooven. Daar het nu, bij gebrek van een burgerlijken stand, zeer moeilijk is, de ongegrondheid hunner beweering aan te toonen, en daar in dergelijke geschillen uitspraak moet worden gedaan door fanatieke mollahs, gebeurt het dikwijls dat gegoede, welvarende christelijke familiën, bij den dood van het hoofd des gezins, eensklaps tot de diepste armoede vervallen. Ik moet echter tot eer van mijne volksgenooten getuigen, dat zij, in spijt van de voorrechten, den afvalligen toegekend, bijna allen aan het geloof hunner vaderen getrouw blijven.”

Den volgenden morgen worden wij, in ons luchtig slaapvertrek in den toren, vroegtijdig gewekt door het luiden der klokken vlak boven onze hoofden. Ik spoed mij naar beneden, naar de kerk, waar de dienst reeds begonnen is. De kapel is groot en ruim; de wit gepleisterde muren dragen een gewelf, in den italiaanschen smaak van de achttiende eeuw versierd. Eenige schilderijen, door de Dominikaner-monniken, aan wie het klooster vroeger behoorde, vervaardigd, geven aan deze kapel eenige gelijkenis met eene of andere dorpskerk in Toskane. Op den vloer zijn fraaie tapijten uitgespreid, even als in de moskeeën; de voetstappen der binnenkomenden zijn daardoor onhoorbaar, te meer daar het de gewoonte is, bij het binnentreden in de kerk zijne schoenen uit te trekken.

De geuniëerde of katholieke Armeniërs—dat zijn zij, die met behoud overigens van hun ouden nationalen ritus, tot de katholieke Kerk zijn toegetreden,—zijn niet veel meer dan driehonderd zielen sterk; de overige bevolking van Dsjoelfa behoort tot de schismatieke armenische kerk en staat onder het bestuur van een bisschop, door den patriarch of katholikos van Etsjmiadzin benoemd en van drie ondergeschikte priesters.

De mannen, op kleine dunne kussens neergeknield, nemen het hooger gedeelte der kerk in. Zij zijn gekleed in een op de borst overgeslagen jas, die een wit hemd zonder kraag te voorschijn laat komen, dat aan den hals met passement is versierd; een hooge zwarte kollah (muts) en een wijde blauw katoenen pantalon voltooien dit alles behalve smaakvolle kostuum. De vrouwen zitten naast elkander aan het benedeneinde der kerk. De groote, met smaak gedrapeerde zijden doeken op haar hoofd, de zijden japonnen, waarvan de vorm met dien der jassen van de mannen overeenkomt, en die om de heupen door een gordel van filigraan zilver worden saamgehouden, staan haar zeer goed; dit kostuum zou inderdaad bevallig mogen genoemd worden, wanneer het benedenste gedeelte van het gelaat niet geheel bedekt werd door een zwaren witten doek of sluier, die mond en kin onzichtbaar maakt, en op den duur wezenlijk misvormt. De armenische vrouwen dragen dien doek niet enkel als zij uitgaan, maar als zij getrouwd zijn, leggen zij dien ook in huis niet meer af. Zoowel in de kerk als op straat, zijn de christelijke vrouwen geheel gehuld in een wijden witten mantel, dien zij met zeer veel smaak weten te drapeeren.

Na afloop van de mis verlaten de vrouwen en de lieden uit de volksklasse het klooster; de meer aanzienlijken, die hunne opwachting bij den Padri willen maken, begeven zich naar eene kamer, waar thee wordt gepresenteerd. Het bezoek is heden buitengewoon talrijk. Bij de aankomst van een christelijken vreemdeling, is het de gewoonte dat al zijne geloofsgenooten hem komen bezoeken en verwelkomen. Wij maken dan nu ook kennis met personen van allerlei nationaliteit, die echter niet allen bij de mis zijn tegenwoordig geweest. De meesten toch, Engelschen, Duitschers of Hollanders, behooren niet tot de armenische kerk, maar komen niettemin hunne opwachting maken bij de gasten van het klooster.

Ons eerste tegenbezoek geldt, den volgenden morgen, den armenischen bisschop, die ons gisteren ook is komen begroeten.

Zijne woning, met den weidschen naam van paleis versierd, ligt in eene met fraaie lommerrijke boomen beplante straat. De poort geeft toegang tot eene zeer ruime binnenplaats, waarop de kerk staat, die thans gesloten is. Links van den ingang ziet men eene lange galerij, waar, in steenen sarkophagen, de lijken rusten van de armenische bisschoppen, aan wie de moeilijke en dikwijls gevaarvolle taak was opgedragen, om de kleine christelijke kudde, te midden der mohammedaansche wereld verloren, te hoeden en te verdedigen.

De tegenwoordige armenische bisschop, hoewel nog jong, vervult, naar men zegt, met veel takt zijne niet gemakkelijke taak. In voorkomen en manieren heeft hij iets zeer gedistingeerds. Een ruim kleed van granaatkleurig kashmîr omhult zijne slanke gestalte; een zwart zijden kap doet zijn ernstig vriendelijk gelaat op het voordeeligst uitkomen. Als alle hooge dignitarissen van de armenische geestelijkheid, is ook hij monnik; alleen die geestelijken, die de Bladzijde 71gelofte van kuischheid hebben afgelegd en tot hunne benoeming in het klooster blijven waar zij zich op de studie toeleggen, hebben aanspraak op de bisschoppelijke waardigheid; terwijl de leden van de wereldlijke geestelijkheid, die eenmaal in hun leven mogen huwen, daardoor ook afstand doen van alle bevordering in de kerkelijke hiërarchie.

De bisschop bedient alle weken de mis; maar de geloovigen wonen die in den regel slechts op hooge feestdagen bij: zij beschouwen het heilig offer als te verheven, om het dagelijks te herhalen. De armenische prelaten staan onder het gezag van den patriarch van Etsjmiadzin, den katholikos, die hen wijdt en benoemt. Zij erkennen den Paus als den eerste onder de bisschoppen, maar niet als het hoofd der kerk. Hoewel het dogma der armenische kerk op gewichtige punten van dat der katholieke afwijkt, wordt zij toch slechts als schismatiek en niet als kettersch beschouwd. De door armenische geestelijken toegediende doop wordt dan ook als geldig erkend; en de geestelijken zelven, die tot de katholieke Kerk overgaan, behoeven niet op nieuw de wijding te ontvangen, maar worden aangemerkt als geschorste priesters, aan wie de bisschop de rechten van hun priesterlijk ambt terug geeft.

De bisschop geleidt ons zelf naar de kerk, die in den vorm van een grieksch kruis is gebouwd en gedekt met een hoogen koepel, waarvan het onderste gedeelte van acht ramen is voorzien. Op de wandpaneelen tusschen die vensters heeft men in fresko medaillons geschilderd op een blauwen grond met goud en arabesken. De muren zijn bedekt met schilderijen, het werk van italiaansche monniken; die schilderijen zijn nu wel niet allen meesterstukken, maar toch wordt het oog bekoord door het warme levendige koloriet, in zoo volkomen harmonie met het blauw van het gewelf, het goud van den koepel en de fraaie mozaïeken onder de schilderijen. De kerk is keurig netjes onderhouden en vertoont nergens een spoor van verval, zelfs niet van ouderdom.

Behalve de kapel van het bisschoppelijk paleis en die van het katholieke klooster, zijn slechts twee kerken weder voor de uitoefening voor de christelijke eeredienst geopend.

XIV

De feesten van den Ramadân zullen over drie dagen zijn afgeloopen; het oogenblik is dus gekomen om vergunning te vragen tot het bezoeken van de moskeeën en andere godsdienstige gebouwen der mohammedaansche stad. Dat zal waarschijnlijk niet gemakkelijk gaan: de mollahs, die zich altijd tegen het verleenen van zulke vergunningen verzetten, zullen dit te meer doen nu de gouverneur Zelleh-Sultan, de oudste zoon van den Shâh, afwezig is en dus zijn persoonlijk gezag niet kan laten gelden om de fanatieke geestelijkheid in bedwang te houden. Voor zijn vertrek uit Ispahan, heeft de prins een vice-gouverneur benoemd, maar de eigenlijke leiding der zaken opgedragen aan zijn geneesheer en vertrouweling, den generaal Mirza Taghuy-Khan.

De generaal heeft ons dadelijk na onze aankomst een bezoek gebracht. Op aanbeveling van zijn ouden leermeester, dokter Tolozan, heeft hij ons zijne diensten en zijne hulp aangeboden; maar hij heeft ons niet verzwegen dat de bevolking van Ispahan over het geheel niet vriendelijk gezind is jegens de Christenen, en ons aangeraden voorzichtig te zijn en geen pogingen aan te wenden om in eene moskee door te dringen, voordat wij, krachtens een bevel van Zelleh-Sultan, van den imam Djoema en den moesjteïd eene behoorlijke vergunning zullen hebben verkregen.

In afwachting van de terugkomst van den koerier, die in allerijl naar Boeroesjerd, waar de prins zich ophoudt, is gezonden, bezoeken wij alle monumenten, die geen godsdienstig karakter dragen.

Hoewel er in Ispahan geen enkel oud gebouw te vinden is, kan men toch aan de stad geen hoogen ouderdom ontzeggen; reeds hare ligging aan den Zendeh-Roed, de eenige rivier van geheel Irak, pleit daarvoor. Ongelukkig is het niet mogelijk, te midden van allerlei fabelen en legenden, de historische waarheid te ontdekken. Volgens de Perzen zou Ispahan gesticht zijn door Dsjemsjid, den stamvader van het aloude perzische koningshuis. In den Shâh-Nameh, in de twaalfde eeuw door Firdoesi geschreven, wordt verhaald, hoe een smid van Ispahan, Kaveh genoemd, den verfoeilijken tiran Zoak verdreef, die om twee zweeren op zijne schouders te genezen, daarop pleisters legde van menschenhersens. Toen Kaveh vernam, dat ook zijne dochter was aangewezen om door de koninklijke apothekers te worden gedood, bond hij zijn leeren schootsvel aan een stok, verzamelde een aantal ontevredenen rondom dien standaard, verjoeg den overweldiger, en herstelde Feridoen op den troon zijner voorvaderen. Ter herinnering aan deze gebeurtenis werd de geïmproviseerde vlag van den beroemden smid eerbiedig bewaard en aan de bewaking der bezetting van Ispahan toevertrouwd. Door alle opvolgers van Feridoen met goud en edelgesteenten versierd, werd de standaard eindelijk zoo groot en zoo zwaar, dat er tijdens de verovering door de Arabieren zes mannen noodig waren om de relikwie te dragen. De muzelmansche soldaten verdeelden dien kostbaren buit onder elkander en verrijkten zich met de sedert eeuwen opgehoopte schatten, hoewel deze hagedisseneters een groot gedeelte der steenen, waarvan zij de waarde niet kenden, zoek maakten.

Volgens den arabischen schrijver Yakoed, droeg Ispahan oorspronkelijk den naam van Djeï, en stond op de plaats van het tegenwoordige Sheristan. Na de inneming van Jeruzalem, zond Bakhtr en Nasr (Nebukadnezar) de Joden in ballingschap naar Iran. Zij zwierven langen tijd door het land rond om eene woonplaats te kiezen, en vestigden zich eindelijk te Djira, waar de grond en het water het meeste overeenkwamen met die van hun vaderland. Zij bouwden eene stad, welke den naam ontving van Yaöediëh (Jodenstad); het ging den ballingen goed in het vreemde land; Yaöediëh ontwikkelde zich ten koste van Djeï en werd het tegenwoordige Ispahan. Bladzijde 72

Dit verhaal is natuurlijk eene legende; zooveel alleen is zeker, dat geene enkele der aloude hoofdsteden, hetzij van de medische, hetzij van de perzische koningen, of van de dynastieën der Parthen en der Sassaniden, met het latere Ispahan kan worden vereenzelvigd.

Onder het khalifaat van Omar werd Ispahan door de Arabieren ingenomen. De stad werd met verschooning behandeld; zij moest eene schatting betalen, en de inwoners die weigerden zich tot den Islam te bekeeren, moesten naar elders verhuizen. De provincie Irak bleef tot de tiende eeuw onder arabische heerschappij; vervolgens kwam zij achtervolgens in handen van de Seldsjoeken en andere turkomanische dynastieën, aan wier heerschappij de Mongolen, eerst onder Dsjenghis-Khan en daarna onder Tamerlan (Timoer Lang, d. i. Timoer de Kreupele) een einde maakten. Timoer veroverde Ispahan in 1385, en behandelde de stad aanvankelijk, naar het schijnt, met betrekkelijke gematigdheid; maar tengevolge van een oproer gaf hij bevel de bevolking der weerspannige stad om het leven te brengen. Naar men wil, zouden op een enkelen dag ruim honderdduizend inwoners zijn vermoord, en zouden de hoofden van zeventigduizend slachtoffers tot eene gedrochtelijke pyramide zijn opgestapeld.

Een fruithandelaar te Ispahan.

Perzië bleef nu een deel van het groote mongoolsche rijk, tot het in het laatst der vijftiende of het begin der zestiende eeuw een zekeren Imaël al Safi gelukte, eene nationale dynastie te stichten en Perzië van de heerschappij der mongoolsche sultans te bevrijden. De koningen uit de dynastie van Safi of Sofi waren in onophoudelijke oorlogen gewikkeld, zoowel buiten- als binnenslands, en in den eersten tijd hunner regeering schijnt Ispahan niet op Bladzijde 74den voorgrond te zijn getreden. Maar in 1585 bracht Shah Abbas zijne residentie naar de oevers van den Zendeh-Roed over, en versierde de nieuwe hoofdstad met moskeeën, paleizen en bazars; ook trachtte hij zooveel mogelijk hare bevolking te vermeerderen, onder anderen door, zoo als wij reeds verhaalden, de Armeniërs van Dsjoelfa te dwingen, naar Ispahan te verhuizen. De rampspoedige regeering zijner zwakke en wreede opvolgers verhinderde evenwel den bloei der nieuwe hoofdstad niet, wier bevolking tot zeshonderdduizend zielen klom, en wier pracht en weelde door geheel Azië beroemd was.

Onder de regeering van Shâh Hoesein trof Ispahan een nieuwe ramp, bijna nog vreeselijker dan de inval der Mongolen. De perzische gouverneurs van Kandahar hadden, door willekeurige maatregelen en vervolgingen van de sonnitische Afghanen, de verbittering opgewekt van dit krijgshaftige volk, dat de sjiîtische Perzen reeds als ketters verfoeide. De Afghanen kwamen in opstand; met groote moeite werden zij overwonnen, en hun aanvoerder, Mir Weis, als gevangene naar Ispahan gevoerd, waar hij zich met eigen oogen van de zwakheid van het koninklijk gezag en den jammerlijken toestand des rijks kon overtuigen. Weder in vrijheid gesteld en naar Kandahar teruggekeerd, begon hij aldra een nieuwen opstand voor te bereiden: en inderdaad gelukte het zijn zoon Mahmoed gansch Perzië te veroveren. Wel leed hij in 1721, bij een eerste treffen, de nederlaag, maar spoedig daarop sloeg hij, aan het hoofd van een leger van twintigduizend Afghanen, het beleg voor Ispahan.

Het perzische leger, zestigduizend man sterk, trok den vijand te gemoet en leverde hem slag, op zes mijlen afstands van de stad, bij Golnabad. Ondanks hunne meerderheid werden de koninklijke troepen verslagen en namen overhaast de wijk achter de muren der stad, die met meer dan vierhonderd kanonnen gewapend was. De Afghanen bezetten nu Dsjoelfa, trokken over de rivier, en omsingelden Ispahan, dat zij van alle kanten insloten. Het beleg begon in Maart 1722: in Augustus moesten de paarden, de muilezels en kameelen worden geslacht; in September voedde men zich met honden en katten; toen met brood van boomschors; eindelijk werden zelfs de lijken van menschen en dieren verslonden. Pater Krusinski, een poolsch monnik, die zich destijds te Ispahan bevond, heeft omtrent dit beleg verschrikkelijke bijzonderheden medegedeeld. Eindelijk was de toestand onhoudbaar geworden; het water van den Zendeh-Roed was bedorven door de lijken, die in de rivier werden geworpen: de hongersnood richtte de vreeselijkste verwoestingen aan. Er moest een einde aan komen, want ook het hof begon gebrek te lijden. Men trad in onderhandeling; en om de plundering en verwoesting zijner hoofdstad te voorkomen, besloot Shâh Hoesein afstand te doen van de regeering ten behoeve van Mahmoed.

Den 23sten October steeg de koning te paard en begaf zich, in rouw gekleed, naar het door hem zelven gestichte paleis Farah-Abad, welks naam, woning der vreugde, nu welhaast eene bespotting scheen. Aan den ingang van zijn paleis moest de ongelukkige monarch een geruimen tijd wachten, omdat de overwinnaar zijne siësta hield; toen men hem eindelijk naar de groote zaal geleidde, zag hij den afghaanschen rebel op den koninklijken troon zitten.

“Mijn zoon, sprak hij op waardigen toon tot Mahmoed, die niet eens was opgestaan om den overwonnen koning te ontvangen; daar Allah niet wil dat ik langer regeere, en naar zijn raadsbesluit het uur gekomen is van uwe verheffing op den troon van Perzië, draag ik u het rijk over. Moge uwe regeering gelukkig zijn!”

“Onstandvastig en wisselvallig is alle menschelijke grootheid, antwoordde de overwinnaar. God beschikt naar goedvinden over de koninkrijken der aarde: Hij ontneemt ze den een om ze den ander te geven.”

Op bevel van Mahmoed werd den onttroonden Shâh een klein paleis ter woning aangeboden, waar hij zeven jaren doorbracht en over het algemeen met zachtheid behandeld werd. Toen daarna het geluk den overweldiger dreigde te verlaten, werd de ongelukkige vorst, die gevaarlijk worden kon, om het leven gebracht.

Ispahan had gedurende het beleg vreeselijk geleden. Niet alleen was de grootste helft der bevolking bezweken, maar de gansche omtrek was eene wildernis geworden: de tuinen, akkers en dorpen waren verwoest en de kanalen verstopt. Ook hield de stad op de residentie te zijn: Karim-Khan maakte Shiraz, zijne vaderstad, tot hoofdstad; en de dynastie van Kadsjar verlegde den zetel der regeering naar het noorden, naar Teheran. Dit voltooide den ondergang van de oude metropolis der Sofis. Het grootste gedeelte der inwoners verhuisde naar elders; de paleizen en openbare gebouwen werden verwaarloosd, en veranderden langzamerhand in ruïnen. Toch zijn het nog de gedenkteekenen uit den tijd der Sofis, die aan de zoo diep vervallen stad haar karakter en hare belangrijkheid geven.

Mirza Taghuy-Khan brengt ons eerst naar het paviljoen Tsjeel-Soetoen (de veertig zuilen), dat in een grooten tuin verrijst, die door lage muren is omringd en met prachtige boomen en hooge rozenstruiken is beplant. Aan de noordzijde bevindt zich een langwerpige vijver, aan welks uiteinde eenige marmeren trappen naar het overdekte terras voor het paleis voeren.

Het paviljoen is door Shâh Hoesein gebouwd op de plek, waar een paleis van Shâh Abbas stond, dat ter gelegenheid van een feest in brand geraakte en in de asch werd gelegd. Volgens het verhaal had men den brand gemakkelijk kunnen blusschen; maar de Shâh wilde zich niet tegen het goddelijk raadsbesluit verzetten, en gaf bevel het paleis te laten branden, tevens zijn voornemen te kennen gevende om het nog prachtiger te herbouwen.

Achttien kolommen van cederhout, met ruitvormig gesneden spiegels bekleed, dragen het dak van de voorgalerij; de middelste zuilen rusten op marmeren leeuwen, uit wier muil een waterstraal in een marmeren bekken valt. Eene houten met mozaïek en schitterende sterren versierde kroonlijst draagt Bladzijde 75de zoldering, die in vierkante vakken is verdeeld, welke wederom zijn bezet met spiegels, waarvan de schuin geslepen rand in kristallen prisma's is gevat.

Uit deze voorgalerij treedt men in een open zaal of talâr, met een half koepelgewelf overdekt, dat geheel bekleed is met glazen platen, in metalen lijsten gevat. Ter wederzijde van deze zaal, waarin weleer de troon stond, die door de Afghanen werd vernield of medegevoerd, bevinden zich twee gesloten vertrekken, het een voor den Shâh, het andere voor zijne ministers bestemd. De uitwendige dekoratie van deze vertrekken en van de troonzaal bestaat uit spiegels van allerlei grootte en vorm, in vergulde lijsten gevat.—In den tegenwoordigen toestand van het paleis is het niet wel mogelijk een juist oordeel te vellen over het effekt van deze schitterende dekoratie, die, voor zoover ik weet, uitsluitend aan Perzië eigen is. De spiegels, waarvan het verfoeliesel ten deele is afgevallen, zijn met eene dikke stoflaag bedekt, en zien er uit als oude zilveren platen, door den tijd verkleurd en dof gemaakt.

Drie deuren van houtmozaiek voeren uit den talar naar eene groote zaal, die de volle breedte van de troonzaal en van de beide aangrenzende vertrekken beslaat. Deze ruime hal is gedekt met drie koepels, waarvan de middelste rood en de beide anderen blauw zijn geschilderd; de pendentieven prijken met gouden arabesken. De wandpaneelen onder de koepels zijn versierd met freskoos, koninklijke audiëntiën of gevechten voorstellende. Deze schilderijen hebben al de goede hoedanigheden, maar ook al de gebreken van perzische kunstwerken: een overdreven zorg aan bijzaken en details gewijd, ten nadeele der hoofdfiguren; rijkdom van coloriet; stijfheid van houdingen en standen, en volslagen onbekendheid met de wetten der perspektief. Op een dezer schilderijen, een gevecht voorstellende, ziet men pikzwarte negers gezeten op sneeuwwitte olifanten. Nabij den oostelijken ingang is Shâh Abbas afgebeeld, indische gezanten ten gehoore ontvangende. Alle bijzonderheden van gelaatsvorm en kleeding zijn met groote nauwkeurigheid weergegeven; ongelukkig heeft de kunstenaar meer zorg besteed aan de prachtige met gouddraad doorweven stoffen en de schitterende edelgesteenten, dan aan de juiste evenredigheden der danseressen op den voorgrond.

Mirza Taghuy-Khan heeft zijne prachtige, rijk vergulde uniform van generaal eerste klasse aangetrokken, en wordt in zijne bewegingen wel wat gehinderd door een langen degen, die telkens tusschen de beenen van zijn nevenman verward raakt. Niemand meene echter, dat onze zoo fraai uitgedoste vriend inderdaad een krijgsman is: hij is een zeer vreedzaam man en zijn titel van generaal is een bloote eeretitel, die in Perzië zeer dikwijls aan hooge burgerlijke beambten gegeven wordt. Behalve zijne vele andere functiën, is de generaal ook nog belast met de redactie van het dagblad van Ispahan, het officieele orgaan van den gouverneur van Irak. Hij moet zich des te meer gestreeld gevoelen door dit bewijs van vertrouwen van den prins Zelleh Sultan, daar de Shâh zelf, zeer bedachtzaam, de voorlichting van het publiek nooit aan een zijner dienaren heeft durven toevertrouwen. Met eigen koninklijke hand schrijft hij zelf het officieele dagblad, aldus verzekerd dat de pers zijn volk op geen dwaalspoor zal brengen. Naar ik meen, zou Mirza Taghuy-Khan, bij zijne vele andere titels, ook nog gaarne dien voegen van rector der universiteit te Ispahan.

Ik mag van deze universiteit niet zwijgen, al kunnen wij ook geene kennis maken met de studenten, die juist vacantie hebben. De prins-gouverneur drukt de voetstappen van zijn vader, in zoo verre hij zich beijvert om de scholen zooveel mogelijk te onttrekken aan den uitsluitenden invloed van de geestelijkheid en naast de theologie ook nog ruimte te laten voor de beoefening van andere wetenschappen. Jammer genoeg is het aantal der leerlingen van de medresseh al even gering als dat der professoren. De colleges in de physika, de mathesis, de geschiedenis en de vreemde talen zijn opgedragen aan een jong geleerde, die zich bijna den geheelen dag bezig houdt met het rooken van opium. Deze evenknie van Pico della Mirandola heeft zijne opvoeding te Parijs en te Londen ontvangen; maar in stede van te studeeren en in den omgang met beschaafde Westerlingen zijn geest te ontwikkelen, heeft hij, zoo als trouwens bijna alle jonge Perzen die naar Europa komen, niet anders gedaan dan de ondeugden, hem als Aziaat eigen, te vermeerderen met de verfoeilijkste verkeerdheden en misbruiken onzer westersche beschaving.

De professor en de studenten van de universiteit van Ispahan zijn gehuisvest in een allerbevalligst paviljoen, te midden van een grooten tuin grenzende aan dien van het Tsjeel-Soetoen. Dit paleis, vroeger door Feth-Ali Shâh gebouwd om als zomerresidentie te dienen, draagt den naam van Heisht-Besjet (acht paradijzen), omdat het, behalve de koninklijke appartementen, vier vleugels met twee verdiepingen bevat, bestemd voor de acht favoriten van den koning.

De weg van het Tsjeel-Soetoen naar het Heisht-Besjet loopt langs een vijver, ter wederzijde omgeven door echt perzische tuinen. Van deze tuinen kunnen noch de engelsche parken met hunne groote grasperken, door bloembedden en boomgroepen afgewisseld, noch de oud-fransche tuinen, met hun geschoren hagen en symmetrischen aanleg, eenig denkbeeld geven; de perzische bagh's zijn uitgestrekte velden, beplant met hooge platanen tot aan den top gesnoeid, en voorts bedekt met bloemen, zonder eenige orde of schikking, in de bontste verscheidenheid naast en door elkander gezaaid. De aanblik van deze reusachtige bloemperken is zeer eigenaardig; vooral uit de verte gezien, maken zij, door de zon beschenen, met hunne bonte mengeling van kleuren een verrassend effekt. Aan het einde van den vijver verrijst het achthoekige paviljoen van Heisht-Besjet, bestaande uit eene groote zaal in het midden van het gebouw, uit vier portieken en vier zijgebouwen.

Op de wanden der vertrekken nabij de portiek Bladzijde 76ziet men twee groote muurschilderingen: de eene stelt Feth-Ali Shâh voor, omgeven door zijne zoons; de andere verbeeldt denzelfden monarch jacht makende op wilde dieren. De koning, over den hals van zijn paard gebogen, steekt zijne lans in den muil van een dier, waarvan ik niet kan zeggen of het een leeuw, dan wel een panther moet voorstellen.

Het Heisht-Besjet is thans geheel ontmeubeld; en van de acht favoriten des konings, die eens deze vertrekken bewoonden, is geen spoor of herinnering overgebleven. De generaal Mirza Taghuy Khan had wel gelijk toen hij mij opzettelijk mededeelde dat wij ons in eene school bevonden, want zonder zijne verzekering zou ik dat nooit vermoed hebben. Er zijn noch banken, noch tafels, noch boeken, noch een katheder voor den leeraar: al deze dingen zijn in eene perzische school niet noodig. De Perzen, groot en klein, oud en jong, schoonschrijvers van beroep of eerstbeginnende leerlingen, schrijven allen op een velletje papier dat in de palm der linkerhand rust; men heeft dus niet anders te doen dan een tapijt op den vloer uit te spreiden, en het schoollokaal is gereed. Natuurlijk behooren daartoe ook een riet en de noodige roeden voor het toedienen van de bastonnade.