XV
1 September.—Toen wij gisteren in het klooster terugkeerden, deelde de Padri ons mede, dat de onder-gouverneur ons heden, twee uren na zonsopgang, zou ontvangen. Nauwelijks kleurde het schijnsel van den dageraad den wolkenloozen hemel, of de luide stem van den goeden Padri weerklonk op het terras, waar hij gewoonlijk slaapt naast zijn trouwen bediende, den veelzijdig ontwikkelden knaap Katsjik. Onze paarden moesten behoorlijk opgepoetst en geroskamd worden, om een goed figuur te maken bij onze intrede in het paleis van den vice-gouverneur.
Met al deze voorbereidingen gaat vrij veel tijd verloren; het bepaalde uur is reeds verstreken; om den tocht zooveel mogelijk te bekorten, gaan wij, aan den oever van den Zendeh-Roed gekomen, rechtstreeks te water en doorwaden de rivier. Er staat niet veel meer dan een el water in den Zendeh-Roed, maar de stroom is zeer snel, zoodat wij een eind weegs worden medegevoerd, en ik moeite heb, mij in den zadel te houden. Aan den overkant gekomen, leidt de Padri ons door eene straat, met vervallen paleizen omzoomd; vervolgens gaan wij door de tuinen van het Tsjeel-Soetoen, en houden eindelijk stil voor eene lage poort. Na door een soort van kronkelende gang te zijn gegaan, komen wij op eene ruime binnenplaats, met vruchtboomen en rozenstruiken beplant en versierd met priëelen van wingerdloof.
De vertegenwoordiger van den prins ontvangt ons in eene zeer eenvoudige zaal; het deftige kostuum van den hoogen staatsambtenaar bewijst echter, dat de audiëntie een officieel, statig karakter draagt. De vice-gouverneur staat bekend als een der aangenaamste praters van Perzië; hij spreekt zeer zuiver het dialekt van Shiraz, zijne vaderstad, en drukt zich met gemak en met groote eenvoudigheid uit. Wij hebben, zooveel in ons vermogen was, de perzische geschiedenis bestudeerd en konden dus met den vice-gouverneur, die een geleerde is, een belangrijk gesprek voeren, voornamelijk over het leven en de daden van Shâh Abbas, die den bijnaam van den Groote verwierf, en wiens herinnering nog steeds te Ispahan voortleeft.
De vice-gouverneur geleidt ons naar het paviljoen, dat prins Zelleh-Sultan bewoont, wanneer hij zich te Ispahan ophoudt. De dekoratie van dit smaakvolle paviljoen bestaat geheel uit spiegels en herinnert aan die van het Tsjeel-Soetoen. Elk der vier achthoekige pilaren, die het dak der zaal dragen, rust op eene groep van vier jonge meisjes, die leeuwenkoppen ondersteunen, waaruit waterstralen in het marmeren bekken, dat het midden der zaal inneemt, vallen. Als men deze beelden ziet, begrijpt men aanstonds dat de perzische kunstenaars niet gewoon zijn, het menschenbeeld te behandelen; toch hebben deze figuren, de eenigen die ik in Perzië heb gezien, zekere naïeve bevalligheid, hoe onbeholpen zij wezen mogen.
Ter wederzijde van de zaal bevinden zich eenige kleinere vertrekken. Het grootste is in europeeschen stijl gemeubeld en voorzien van een grooten toiletspiegel, waarin de prins gaarne zich zelven beschouwt, om te zien of zijne houding en bewegingen de bevalligheid en majesteit hebben, die aan zijn hoogen rang en zijne doorluchtige geboorte uit den stam van Kadsjar passen. Zelleh-Sultan heeft van de natuur uitmuntende geestesgaven ontvangen, maar met uiterlijk schoon is hij niet bedeeld. Te oordeelen naar zijne vele portretten, is de zoon des konings klein van gestalte en zeer dik; ten gevolge van een slag, dien hij als kind gekregen heeft, is het eene oog bijna gesloten; men zou zeggen, dat koketterie voor hem niet te pas komt. Maar een prins, en met name een oostersche prins, komt niet licht tot het bewustzijn dat hij leelijk is, en al ware hij voor zich zelven daarvan overtuigd, dan zouden zijne vleiers hem wel het tegendeel weten te beduiden. Prins Zelleh-Sultan houdt zich dus waarschijnlijk voor een Apollo, en de zorg voor zijn persoon en zijne kleeding is niet eene van zijne minste bezigheden. Hij heeft in zijne garderobe de uniformen van alle souvereinen van Europa en trekt die beurtelings aan; niet lang geleden zag hij eene fraaie fotografie van den hertog van Connaught in de uniform van engelsch generaal; hij liet zijn kleermaker, een agent van de firma Holz, ontbieden en zeide tot hem:
“Laat mij zulk een pak maken.
—Hoogheid, de roode kleur doet alle gebreken van een verkeerd geknipten rok dubbel uitkomen; het ware daarom wenschelijk dat ik de maat mocht nemen, opdat het kleed Uwe Hoogheid goed zou passen.
Paviljoen Tsjeel-Soetoen (Blz. 74.)
—Dat is niet noodig, hernam de prins, die evenmin als zijn doorluchtige vader dulden kan dat een zijner onderhoorigen zoo zeer den verschuldigden eerbied uit het oog verliest om hem aan te raken:—dat is niet noodig: zeg aan den kleermaker Bladzijde 78dat deze uniform bestemd is voor een welgebouwd jonkman, wiens gestalte majestueuser is dan die van den hertog van Connaught.”
De agent gaf aan zijn correspondent last, om voor de maat zoowat den omvang van een biervat te nemen; toch was de uniform, toen zij afgeleverd werd, nog te nauw voor den perzischen prins.—Gelukkig dat men, naar het schijnt, den prins geen ernstiger gebreken kan verwijten: zijne geboorte, zijne opvoeding, zijne schier onbeperkte macht en de tradities van zijn huis hadden erger ondeugden bij hem kunnen ontwikkelen dan deze onschuldige koketterie.
Achter dit paviljoen bevindt zich de anderoen of harem voor de bijwijven van Zelleh-Sultan, die na den dood der dochter van den emir nizam geene tweede wettige gemalin genomen heeft. Daar de prins niet tegenwoordig was, om mij den toegang te verschaffen, heb ik dit gedeelte van het paleis niet kunnen bezoeken; maar ik heb iets anders gezien, in zijne soort ruim zoo merkwaardig als odalisken, althans volgens de verklaring der bedienden: namelijk vier vette varkens, welgedaan en in blakenden welstand. Deze varkens zijn de eenige exemplaren van hunne soort, die in geheel Perzië te vinden zijn. De invoer van varkens, levend of dood, is ten strengste verboden, en hier zoudt ge te vergeefs varkensvleesch zoeken, in welken vorm ook. Naar men zegt, had de prins met het invoeren dier varkens in zijn eigen paleis geene andere bedoeling, dan om het verbod van den Korân te trotseeren en de geestelijkheid te ergeren: is dit zoo, dan verdient zijne handelwijze onbepaalde afkeuring en is zij een verstandig man, bovenal een vorst, ten eenemale onwaardig.
Het is dan ook niet vreemd, dat de mollahs niet zeer ingenomen zijn met Zelleh-Sultan en zijne liberale neigingen; maar zij zijn wel genoodzaakt een prins te ontzien, die het bestuur voert over al de zuidelijke provinciën van Perzië, en van wien men verwacht, dat hij, bij den dood zijns vaders, zal trachten een onafhankelijk rijk te stichten, voorloopig het noorden overlatende aan zijn broeder, dien hij dan later zijn land ontnemen kan, wanneer althans de Russen hem daarbij niet voor zijn geweest. Zelleh-Sultan is te machtig en te eerzuchtig om vrijwillig afstand te doen van de hooge positie die hij inneemt; komt de kroonprins op den troon, dan zal hij genoodzaakt zijn, zich van een zoo geduchten vasal te ontdoen. Men houdt zich in Perzië dan ook vrij algemeen overtuigd, al durft men het niet uitspreken, dat de troon zal worden ingenomen door dengeen van de twee broeders, die het eerst den ander zal kunnen laten dooden.
Van het paleis terugkeerende, volgden wij den grooten weg van den Tsjaar-Bagh, die ons naar Dsjoelfa brengen zal; deze weg, doorgaans eenzaam en verlaten, wordt alleen tegen den avond wat levendiger, als de karavanen zich op weg begeven. Welk een verschil met de drukte en beweging, de pracht en weelde, die hier voor tweehonderd jaren heerschten! Toen zag men, op de met marmeren zerken geplaveide middenlaan, de aanzienlijke heeren van het hof van den Shâh wandelen, gedost in kostbare gewaden, schitterende van goud en purper, en bezaaid met edelgesteenten; en in de zijlanen draafden op prachtige paarden smaakvol gekleede ruiters, die hunne schitterend opgetuigde rossen lieten steigeren en dansen voor de oogen der schoone dames, verborgen achter de getraliede vensters van de Bala-Khaneh, aan het einde der dreef. Over de platte daken der naburige huizen gaande, heb ik dat beroemde paviljoen bezocht en van daar uit een blik geworpen in den Tsjaar-Bagh. De sierlijke ruiters, de voorname hovelingen zijn verdwenen; enkele voetgangers sleepen zich voort, gebogen onder de vracht op hunne schouderen; de reusachtige platanen met hunne kale stammen zijn beroofd van het gebladerte, dat voor de gezondheid en het leven der boomen noodig is; de zerken gezakt en losgeraakt; de kanalen zijn uitgedroogd; de vijvers, met stilstaand stinkend water gevuld, zijn vuile poelen; de van heesters en planten beroofde perken missen die groote wilde rozelaren, die haast in iederen tuin groeien.
Toch beklaagde ik mijn bezoek in de Bala-Khaneh niet. De vertrekken zijn versierd met lambrizeeringen van verwonderlijk schoone porseleinen tegels. Deze geëmailleerde tegels vormen schilderijen, waarop verschillende tafreelen uit het leven in den harem zijn voorgesteld. In kostbare kleederen van brokaat gedost, met tulbanden of diademen van edelgesteenten op het hoofd, zitten de dames in fraaie tuinen, en eten bonbons en vruchten. Vermoedelijk heeft de kunstenaar zich op chineesche modellen geïnspireerd, want de gelaatsvorm en de trekken der dames wijken ten eenemale af van den iranischen type. Deze onderstelling behoeft niet te verwonderen, want men vindt in Perzië blauw beschilderde schotels en vazen, die bijna niet van echt chineesch porselein zijn te onderscheiden. Bijna alle figuren op de wanden van de Bala-Khaneh zijn met een hamer stuk geslagen of zeer beschadigd. Deze barbaarsche schending had meer dan waarschijnlijk plaats onder Shâh Abbas II, die, althans in den eersten tijd zijner regeering, zich door bijzonder strenge vroomheid onderscheidde, en voor wien dus deze beschilderde paneelen, als in strijd met den Korân, een gruwel waren.
3 September.—Reeds verscheidene malen ben ik langs den voorgevel van de medresseh (school) van Shâh Sultan Hoesein gegaan, en steeds levendiger werd bij mij de begeerte om dit gebouw te zien, waarvan de monumentale poort en de blauw geëmailleerde koepel in de hoogste mate mijne bewondering hadden opgewekt. De enorme boog, die den ingang van de medresseh vormt, verheft zich in het midden van een bijna honderd el breeden voorgevel met twee verdiepingen. Een breede band van geëmailleerd blauw porselein, op albasten voetstukken rustende, omzoomt den geheelen boog. De deur is van cypressenhout en bekleed met kunstig geciseleerde zilveren platen. Binnentredende komt men in een ruime achtkantige vestibule, met een koepel gedekt; rechts en links ziet men houten stellages, waarop handelaars in levensmiddelen Bladzijde 79heerlijke perziken, prachtige druiven, melk, komkommers, vleeschspijzen en andere mondbehoeften ten toon stellen.
Deze vestibule, waar meesters en leerlingen zich op het etensuur van het noodige komen voorzien, heeft aan alle zijden hooge en breede poorten, die hetzij naar andere portalen, hetzij naar de binnenplaats voeren. Deze ruime binnenhof is beplant met heerlijke platanen, die ditmaal niet geschonden zijn, maar al hunne takken hebben behouden.
Tooverachtiger aanblik dan van dezen binnenhof is niet te bedenken. Op den voorgrond weerspiegelen zich de meer dan honderdjarige boomen in de heldere wateren van langwerpige albasten bassins; hun dicht donker gebladerte vormt de wonderschoone lijst van eene weergalooze dekoratie. Op den achtergrond, als in een lichtenden nevel gehuld, verrijzen de koepel en de minarets, van onderen tot boven bekleed met veelkleurige geëmailleerde tegels, schitterende in de stralen der zon. Tegen het hemelsblauwe fond van den koepel teekenen zich bevallige witte voluten af, en licht gele arabesken, omzoomd door een rand van donker blauw of zwart. De bekleeding van het benedengedeelte van het gebouw bestaat uit melkwitte porseleinen tegels, beschilderd met een donkerblauw netwerk.—De kunstenaars, die dit bewonderenswaardige monument hebben geschapen, hebben alle aanspraak op onze hulde en bewondering: het is niet mogelijk, in architekturale dekoratie iets voortreffelijkers te leveren, of met meer smaak en takt partij te trekken van de hulpmiddelen die de eigenaardige natuur van het Oosten aanbiedt. Ik ken in geheel Europa geen enkel monument, waarvan men zulk een indruk ontvangt als van de medresseh van Shâh Hoesein.
De leerlingen zijn in dezen tijd des jaars niet talrijk vertegenwoordigd. Zonder de uitstallingen der kooplieden in de voorhal, en zonder enkele mollahs, die voor de deur hunner cel hunne pijp zitten te rooken, zou de medresseh wel geheel uitgestorven schijnen.
Om, vooral bij de heerschende hitte, alle noodelooze vermoeienis te vermijden, stelt onze onwaardeerbare gids, de Padri, ons voor, niet op het midden van den dag naar Dsjoelfa terug te keeren, maar ons dejeuner te gebruiken in de karavanserai, waar zich de magazijnen bevinden van Kodja Yoessoef. Het kantoor van onzen vriend ligt juist in het drukste gedeelte van deze buurt. Nergens, zelfs niet te Constantinopel, te Teheran of te Kashan, zag ik zulk eene drukte en zulk een gewoel als in deze bazars; de schoonste en meest bezochte van het geheele Oosten. Potten en schotels van oud-chineesch en japansch porselein, vazen van geciseleerd koper uit den tijd van Shâh Abbas, hanglampen van massief zilver met turkoizen en parelen bezet: deze en dergelijke kostbaarheden versieren de winkels en maken dien bazar tot een waar museum. Museum is inderdaad het juiste woord: ge moogt al deze kunstwerken vrij bewonderen, maar behoeft er niet aan te denken, ze te koopen; de kooplieden, die trotsch zijn op het bezit van deze schatten, waarvan zij de waarde zeer goed kennen, willen die tot geen prijs afstaan. Overigens dienen deze kostbare voorwerpen niet enkel tot dekoratie: zij prijken allen met reusachtige bouquetten van witte en gele rozen, van hyacinthen en jasmijnen, waarvan de doordringende geuren de vrij bedorven lucht in den met menschen overvulden bazar althans eenigermate zuiveren.
In dezen tijd des jaars levert vooral de bazar der fruit- en groentenverkoopers een verrassenden aanblik op. Aan alle zijden ziet ge stapels van reusachtige, blozende, donzige perziken, pyramiden van zoete lemoenen, van geurige meloenen en komkommers; in het midden gespleten pasteken lokken u met hun malsch rood vleesch, zwellende van welriekend sap; in bonte wanorde liggen op den grond donkerblauwe druiven en kolossale melansaanappels en velerlei andere vruchten, een mozaïek van kleuren vormende, waaraan uw oog zich verlustigt. En niet verre van daar wordt uwe aandacht getrokken door de uitstallingen der kruideniers, der apothekers en drogisten, waar, beschenen door het uit de koepels neervallende licht, reeksen van glazen bokalen en flesschen schitteren, gevuld met allerlei zouten en mineralen, met peper en safraan en andere specerijen, die bij de toebereiding van sommige spijzen worden gebruikt.
De binnenplaats van de armenische karavanserai, waarin zich het kantoor en de magazijnen van Kodja-Yoessoef bevinden, is omgeven door eene rij van diepe kamers, die met houten luiken worden gesloten. Op het midden van den dag zijn al die luiken zorgvuldig gegrendeld, Want de rijke kooplieden brengen slechts eenige uren in hun kantoor door; terwijl de kleine handelaars van den bazar aan de buitenzijde den ganschen dag in hun winkel blijven.
De Padri klopt aan; bedienden geleiden ons naar eene overwelfde zaal, waarin eene verkwikkelijke koelte heerscht. Uit eene naburige gaarkeuken halen onze bedienden, voor ons dejeuner, heerlijke kiëbabs in eene fijne broodkorst gewikkeld, en gekonfijte, sterk gekruide vruchten, die in Perzië bij eiken maaltijd worden gegeten. Na afloop van het ontbijt laat Kodja-Yoessoef mij eenige kunstwerken in smeedwerk zien: vogels, schilden, schotels en kannen van geslagen ijzer, keurig gepolijst en ingelegd met fijne draden van goud of platina. Ook eenige voorname handelaren in tapijten komen ons bezoeken. Een hunner noodigt ons uit, in zijn huis een kop thee te komen drinken, daar zijne artikelen niet gemakkelijk te vervoeren zijn. Ik neem zijne uitnoodiging te gereeder aan, omdat hij, naar men zegt, met eene der mooiste vrouwen van Ispahan gehuwd is. Intusschen zal het mij niet gemakkelijk vallen, in den anderoen door te dringen; want de koopman, als meest alle anderen, misleid door mijne kleeding en mijn verbrand gelaat, houdt mij voor een jonkman. Hij ziet mij aan voor den zoon van mijn echtgenoot, en maakt hem een kompliment over mijne treffende gelijkenis met mijn onderstelden vader. Bladzijde 80
XVI
4 September—De armenische bisschop heeft ons door tusschenkomst van een zijner vicarissen, een geschenk gezonden bestaande in zes perziken, van zoodanigen omvang, dat zij eene geheele mand vullen; en ons tevens uitgenoodigd, in den namiddag bij hem het middagmaal te komen gebruiken in zijn tuin aan den oever van den Zendeh-Roed.
Gevolg gevende aan die uitnoodiging, komen wij, drie uren voor zonsondergang, aan den ingang van den bisschoppelijken tuin, die met een aarden wal is omgeven. Zijne Doorluchtigheid verschijnt weldra, gezeten op een prachtig zwart paard, en gevolgd door zijne vicarissen, mede te paard. De hooge prelaten in Frankrijk reisden vroeger ongetwijfeld op dezelfde manier.
Niet ver van den ingang bevindt zich een soort van esplanade, door een dicht gewelf van takken en bladeren overdekt. Onder dien beschermenden lommer schuilt een waterput, die door den Zendeh-Roed wordt gevoed. Het water wordt opgevoerd door een groot rad, dat knarsend en krakend om zijn as wentelt, en telkens de gevulde emmertjes uitstort in de besproeiingsriolen. Deze hoogst eenvoudige toestel wordt in beweging gebracht door vier prachtige ossen, die zich door hunne grootte en hun welgedaan voorkomen op het gunstigst onderscheiden van de ongelukkige dieren, die men elders op de akkers en velden ziet. Blijkbaar zorgt de bisschop dat zijne runderen goed voedsel ontvangen.
Op uitnoodiging van den bisschop, begeven wij ons naar het platte dak van een paviljoen, aan den ingang der groote laan. Van dit verheven punt kan men den geheelen omtrek overzien: ten noordoosten de muzelmansche stad met haar blauw geëmailleerde koepels en minarets; ten oosten, de rivier met hare twee monumentale bruggen; verder de koepeldaken van het klooster der derwîsjen en de minaret van Sjeristan, in het oudste gedeelte der stad, het voormalige Djeï; ten zuiden Dsjoelfa met haar door koepels afgewisselde platte daken en haar groenende tuinen, krachtig uitkomende tegen den achtergrond van violetkleurige bergen; eindelijk ten westen en ten noordwesten, de vruchtbare vlakte van Koladoen, als een onafzienbaar groen tapeet uitgespreid.
Omstreeks zonsondergang komen de genoodigden in grooten getale opzetten. Het zijn de voornaamste en godsdienstigste mannen van Dsjoelfa, die den bisschop steeds met raad en daad bijstaan; allen ongetwijfeld ontwikkelde en geleerde mannen, maar wat beschroomd en terughoudend in tegenwoordigheid van hun geestelijk opperhoofd.
Eer wij aan tafel gingen werd er thee gedronken; tegen negen uur zetten wij ons eindelijk aan den disch. De gasten waren van een mes, een lepel en een vork voorzien, welke ongewone voorwerpen zij met blijkbaar wantrouwen aanstaarden. Toen het er op aankwam, zich van deze instrumenten te bedienen, waren de aanzittenden zoo onbeholpen en zoo verlegen, dat ik er waarlijk spijt over gevoelde, dat ik mij niet over het vooroordeel had kunnen heenzetten en mijne vingers in den schotel dompelen. Het diner, dat overigens zeer goed en smakelijk toebereid was, was nu, om mijnentwil, voor de gasten eene ware pijniging.
Aan het dessert bracht de bisschop een toast uit in het armenisch; een der aanzittenden bracht, op zijn verzoek, de woorden in het perzisch over.
“Ik acht mij gelukkig, zoo sprak hij, dat ik de hoofden der voornaamste familiën van Dsjoelfa hier vereenigd mag zien, en dat ik hun de gelegenheid mag geven, hunne achting en sympathie te betuigen aan de gasten, die God mij gezonden heeft, aan de kinderen dier edele natie, die sedert zoo vele eeuwen de beschermster is van de Christenen in het Oosten. Frankrijk zal gewis de heilige traditiën zijner geschiedenis niet vergeten, en nooit de verdrukten beschamen, die op zijne hulp en bescherming rekenen.”
Niet zonder aandoening hoorden wij die, met ernst en waardigheid uitgesproken, woorden, die bovendien niet van gewicht waren ontbloot. De prelaat, die ons aan zijne tafel genoodigd had en die, uit eerbied voor de traditie, zijne residentie te Dsjoelfa behoudt, bekleedt niet alleen den eersten bisschoppelijken zetel van Perzië, maar is, als primaat van Indië, het geestelijk opperhoofd en de vertegenwoordiger van alle schismatieke armenische Christenen in die uitgestrekte gewesten. De inkomsten van zijn zetel dankt hij zelfs voor een goed deel aan de edelmoedigheid der te Bombay of te Benares gevestigde Armeniërs; want, behalve de opbrengst van zijne tuinen en van eenige landerijen in den omtrek van Dsjoelfa, kan de bisschop op niet veel rekenen: zijne kudde in Perzië is te arm, om haar herder veel meer te kunnen aanbieden dan de eerstelingen van den oogst.
De medresseh van Shâh Sultan Hoesein.
De inkomsten uit Indië zijn aanzienlijk, maar de manier waarop zij verkregen worden is voor het minst zonderling. De bisschop van Dsjoelfa beschikt naar goedvinden over alle pastoorsplaatsen in dat land, en hij geeft de best bezoldigde van die plaatsen aan de priesters, die rijk genoeg zijn om hem, bij hunne benoeming, eene zekere som ter hand te stellen als waarborg voor de voldoening van hetgeen zij hem jaarlijks schuldig zijn. Het bijeenbrengen van de noodige gelden om aldus eene vette winstgevende plaats te kunnen koopen, is dus uit den aard der zaak een van de voornaamste bemoeiingen van de leden der lagere geestelijkheid: de priesters ontzien zich niet tot allerlei min loffelijke praktijken de toevlucht te nemen om aan de geldelijke eischen van hun kerkelijk opperhoofd te kunnen voldoen. Dat hieruit de ergerlijkste misbruiken voortvloeien, spreekt van zelf; maar wie de kudde kent, zal den herder niet al te streng veroordeelen. Indien de bisschop geen waarborg vorderde, alvorens tot de benoeming van pastoors over te gaan, zou hij waarschijnlijk later geen cent ontvangen. De leden der lagere geestelijkheid toch, voor het meerendeel van zeer geringen stand, slecht opgevoed en niet veel beter onderwezen, zeer weinig waarde hechtende aan het gegeven woord, en in hun geestelijk ambt niets anders ziende dan eene gemakkelijke, min of meer Bladzijde 82winstgevende betrekking, zouden meer dan waarschijnlijk verzuimen, hunne geldelijke verplichtingen jegens den bisschop na te komen.
In de katholieke Kerk zouden dergelijke transactiën, die zeer stellig het karakter van simonie dragen, niet worden geduld; maar de Armeniërs schijnen daar geen kwaad in te zien, en laten deze contracten toe, ook in de hoogste rangen der hiërarchie. De patriarch van Etsjmiadzin, het erkende hoofd der schismatieke kerk, eischt van de door hem benoemde bisschoppen geschenken, geëvenredigd aan de inkomsten van hun bisdom; waar hij zelf dus liet voorbeeld geeft, kan hij het den bisschoppen niet kwalijk nemen dat zij hetzelfde doen tegenover de gewone priesters; te minder daar de prelaten, zich niet kunnende mengen in de juist niet altijd loffelijke praktijken en spekulatiën, waardoor de leeken hun fortuin maken, wel genoodzaakt zijn om van de lagere geestelijkheid te halen wat zij kunnen, om zich van hunne verplichtingen jegens den patriarch te kwijten, de onkosten van de eeredienst te bestrijden, en te voorzien in hun eigen onderhoud, benevens in dat der scholen en der gestichten van liefdadigheid.
Deze handel in geestelijke ambten en waardigheden verhindert overigens niet, dat de priesters voor hun bisschop den grootsten eerbied koesteren; zij vinden in dit vragen van geld, dat trouwens in het openbaar geschiedt, zoo weinig aanstootelijks, dat de pastoor van de hoofdkerk van Dsjoelfa, die gaarne eene plaatsing in Indië verlangde, pater Paschalis kwam verzoeken, om voor hem borg te spreken bij den bisschop. Het verzoek was minstens naïef; natuurlijk weigerde de Padri zich te bemoeien met eene zaak, waarin zijne tusschenkomst zeer licht euvel kon worden geduid.
5 September.—Marcel is in het klooster gebleven, ten einde aan een koerier, die naar Teheran vertrekt, het door hem zelf uitgewerkte ontwerp te kunnen medegeven voor de herstelling van de stuw te Saveh. De vervulling van deze hem opgedragen taak heeft mijn echtgenoot veel moeite en inspanning bezorgd: niet alleen is hij daardoor genoodzaakt geworden, een omweg en eene zeer lastige reis te maken, maar ook alle teekeningen heeft hij zelf moeten vervaardigen. Dokter Tolosan zal het ontwerp rechtstreeks den koning voorleggen.
Daar ik te Dsjoelfa niets te doen had, begaf ik mij naar de woning van Kodja Yoessoef, en drong er bij zijne vrouw op aan dat zij, overeenkomstig hare belofte, mij zou voorstellen aan hare schoone vriendin, de echtgenoote van Hadji Hoesein.
Ik zou zeer gaarne mijne vriendelijke gids te paard hebben begeleid; maar aangezien het eene vrouw niet geoorloofd is, Ispahan binnen te treden zonder haar gelaat met een dichten sluier te hebben bedekt, en het voor mevrouw Yoessoef hoogst gevaarlijk zou zijn, zich in muzelmansch kostuum in het gezelschap van een Farangui te vertoonen, moest ik mij er mede vergenoegen, bij het vertrek van de bekoorlijke khanoem (dame) tegenwoordig te zijn. Zij zette zich schrijlings, als een man, op een prachtig zwart paard en reed in galop weg, gevolgd door twee dienstmaagden; een wolk van stof onttrok haar weldra aan mijne oogen. Een half uur daarna ging ook ik op weg, vergezeld door een paar getrouwe bedienden van het klooster.
Hadji Hoesein wachtte mij in de zaal van zijn biroen en had beleefdheidshalve zijne gewone bezoekers verwijderd; slechts twee of drie personen bevonden zich op de binnenplaats zijner woning, toen hij mij naar den anderoen (harem) geleidde.
Zijne vrouw verdient ten volle de reputatie van zeldzame schoonheid, die zij in geheel Ispahan geniet. Aan haar toilet kan men aanstonds bemerken dat zij aan het hof heeft geleefd en daar zekere vrijheid van manieren heeft geleerd. Is het om de warmte of uit koketterie, dat zij zich heeft ontdaan van het gazen hemd, dat de borst der perzische vrouwen omhult? Zooveel is zeker, dat een schilder of beeldhouwer zich gelukkig zou achten, als hij zulk een model voor zich kon doen poseeren. Ik voor mij werd vooral getroffen door den levendigen geest en het vernuft van de schoone Ziba Khanoem, door haar opgeruimd vroolijk humeur, door de sierlijke uitdrukkingen waarvan zij zich in het gesprek bedient en de gemakkelijkheid en zekere distinctie van haar manieren. Zij schept er blijkbaar behagen in, ons te verhalen van den gelukkigen tijd toen zij bij den koning was. Met eenige andere dames was ook zij aangewezen om de twee favoriten te vergezellen, die Nasr-ed-Din op zijne reis door Europa wilde medenemen, maar die hij, bij zijn vertrek uit Moskou, naar Perzië moest terugzenden.
“De Shâh, zoo vertelde zij, was zeer mistroostig, toen hij aan boord ging van de boot, die hem naar Bakoe moest brengen. Al de vrouwen van den anderoen hadden hem tot aan de plaats der inscheping vergezeld; toen het sein gegeven werd om het anker te lichten, barstten zij in luide jammerklachten uit, en maakten zulk een vreeselijk misbaar, dat de koning, getroffen door haar wanhoop, van zijn reisplan wilde afzien, en bevel gaf dat men hem weer naar land zou voeren. Hij zou in Perzië gebleven zijn, indien dokter Tolosan en eenige andere heeren van zijn gevolg hem niet onder het oog hadden gebracht, welk een zonderlingen en ongunstigen indruk het maken zou, indien men in Europa vernam dat de koning der koningen zich had laten bewegen door de tranen van eenige vrouwen, en dat zijn reeds officieel aangekondigd bezoek aan de voornaamste hoven van Europa niet zou plaats hebben.
—Hoe is u Rusland bevallen? vroeg ik aan de schoone khanoem.
—Ik heb niets van het land gezien. Van het oogenblik dat de boot zich van den oever verwijderde, werden wij, dames, opgesloten in kleine bedompte hutten; later liet men ons plaats nemen in spoorrijtuigen, waarvan de raampjes zorgvuldig waren gesloten, zoodat wij niet naar buiten konden zien. Bij onze aankomst te Moskou eindelijk, werden ons kamers aangewezen, die wij nimmer mochten verlaten en waar wij door de eunuken van Zijne Majesteit werden bewaakt. De Shâh, die natuurlijk tegenwoordig moest zijn bij de schitterende Bladzijde 83receptiën en feesten te zijner eere, kon niet, zoo als te Teheran, zijne avonden doorbrengen in den kring zijner vrouwen, die zich over haar verlatenheid en hare opsluiting bitter beklaagden. De koning zag dan ook weldra in, dat het niet wel mogelijk zou zijn, zijne vrouwen mede te nemen in de landen der ongeloovigen en haar toch buiten alle aanraking met vreemden te houden; hij besloot daarom, ons naar Perzië terug te zenden. Hoe ongaarne zij den Shâh ook verlieten, toch waren de khanoems met dit besluit zeer ingenomen, want in geen twee maanden hadden zij de zon of den blauwen hemel mogen aanschouwen.
Nasr-ed-Din Shâh was overigens zeer tevreden over zijne reis: hij werd overal met eerbied en onderscheiding bejegend; er werden schitterende feesten voor hem aangericht, en in de groote steden waren van alle kanten prachtig uitgedoste troepen bijeengebracht, waarover hij wapenschouwing hield. Toen hij voor het eerst zulk eene wapenschouwing bijwoonde, kon hij een gevoel van naijver en toorn niet bedwingen bij het zien van de fraaie uniformen en de uitmuntende houding van de russische soldaten. In het paleis terug gekeerd, viel de Shâh heftig uit tegen den spasalar (opperbevelhebber van het perzische leger).
“Wat doet gij, zoo zeide hij, met al het geld dat ik u geef om mijn leger te kleeden? Zou de Tsaar eerlijke dienaren hebben, en ik slaven, die verdienden dood gegeeseld te worden?”
Toen wij in de aangrenzende kamer de luide stem van Zijne Majesteit hoorden, beefden wij voor het leven van den spasalar; maar deze voortreffelijke minister, dien niemand toen van oneerlijkheid verdacht, wist zoo goed te antwoorden, dat de toorn van zijn meester smolt als sneeuw voor de zon.
“Weet Uwe Majesteit dan niet, zoo sprak hij, dat de Tsaar, ter gelegenheid van het bezoek van den opvolger van Dsjemsjid en Khosroës, zijn gansche leger in splinternieuwe uniform heeft gestoken?
—Welken indruk heeft Zijne Majesteit wel gekregen van de verschillende landen, die hij in Europa heeft bezocht?
—Nasr-ed-Dîn Shâh is zeer ingenomen met Faranguistan (de perzische naam van Europa). Hij heeft de grootste koningen en de machtigste vorstinnen van de Christenheid aan zijne voeten gezien; hij heeft buitengewoon vlugge danseressen en schoone, elegante vrouwen kunnen bewonderen; maar toch scheen hem niets te vergelijken bij zijn eigen land.—Niettemin spreekt de Shâh met veel ingenomenheid van zijn bezoek aan de groote hoofdsteden van Faranguistan; ten einde eene blijvende herinnering aan zijne reis te bezitten, heeft hij een grooten gouden bal laten maken, waarop met fijne parelen, robijnen, saffieren en smaragden, de zeeën, de bergen, de valleien en de steden zijn aangeduid van de landen, die hij bezocht heeft. Schitterende diamanten wijzen de voornaamste hoofdsteden aan. Ik heb dien werereldbol meer dan eens gezien.
—Waarom, Khanoem, hebt gij het hof van Teheran verlaten?
—Nasr-ed-Dîn Shâh heeft mij aan den agha ten huwelijk gegeven, tot belooning van vele en gewichtige diensten, die hij aan den koning heeft bewezen. Ik heb geen reden om mij over mijn lot te beklagen, want Hadji Hoesein is goed, houdt veel van mij, en heeft geene andere wettige echtgenoote; maar toch betreur ik het dikwijls dat ik geen deel meer kan nemen aan de groote reizen, wanneer wij des zomers het koninklijke kamp volgden; en niet meer kan tegenwoordig zijn bij de feesten van het Nieuwejaar, of bij de schoone tooneelvoorstellingen in het paleis, gedurende de maand Moharrem, ter eere der martelaren van ons geloof.”
Dit gezegd hebbende, stond Ziba Khanoem op, en noodigde mij uit, haar huis te zien. De met fraaie boomen beplante binnenplaats is versierd met verschillende fonteinen, wier kristallen waterstralen tot in de zaal eene aangename koelte verspreiden; bloeiende rozenstruiken, witte en gele jasmijnen vermengen haar sterke geuren met die van verschillende reukwaters, waarmede de tapijten zijn besprenkeld. De woning heeft een plat dak, omgeven door een steenen muur, waarin openingen zijn gelaten, groot genoeg om te kunnen zien wat daarbuiten is, zonder zelf gezien te worden. Door deze openingen in het metselwerk bespeur ik een fraai bewerkten, hoogen seintoren, onder de mongoolsche heerschappij gebouwd. Een wenteltrap, die, naar men zegt, nog in zeer goeden toestand verkeert, voert naar den top, die eene hoogte van twee-en-vijftig el boven den beganen grond bereikt; maar op het eerste portaal bevindt zich eene deur, die den toegang naar het platform afsluit, van waar men op de binnenplaatsen der aangrenzende huizen kan zien en alzoo de vrouwen zou kunnen bespieden, die zich daar in vrijheid bewegen.
Eer wij naar Dsjoelfa teruggaan, noodigt mevrouw Yoessoef mij uit, om in den biroen—het voor het publiek toegankelijke gedeelte van het huis—het magazijn van tapijten te bezichtigen. Deze tapijten, die te Farahan bepaaldelijk voor den uitvoer naar het buitenland worden vervaardigd, kunnen de vergelijking niet doorstaan met de oude tapijten, die geheel met de hand werden geweven, en waarvan de schoone, harmonische kleuren nooit verbleeken. De nieuwerwetsche tapijten, geel, rood en blauw, met bonte patronen en schelle harde kleuren, zijn fabriekmatig vervaardigd en met aniline verfstoffen gekleurd. In Perzië zelf vinden zij weinig aftrek: wie op wezenlijk fraaie tapijten prijs stelt, gaat niet naar de fabrieken van Farahan, maar laat ze uit Fars komen, waar de zoogenoemde vooruitgang de fraaie en steeds blijvende natuurlijke verfstoffen nog niet verdrongen heeft.
In het klooster teruggekeerd, vind ik Marcel, den Padri en Mirza Taghuy-Khan bij elkander in de spreekkamer. De laatste komt ons het antwoord van Zelleh-Sultan op onzen brief mededeelen; de brief werd overgebracht door twee koeriers, waarvan de een het vorstelijk schrijven bij zich had, terwijl de ander moest toezien dat de brief behoorlijk in onze handen werd gesteld. De prins verzekert ons van zijne genegenheid, en verklaart hoe aangenaam Bladzijde 84het hem zou zijn, indien de fransche heeren, wier reputatie sedert hunne komst in Perzië ook tot hem is doorgedrongen, hem te Boeroedjerd, waar hij nog eenige dagen denkt te verblijven, kwamen bezoeken. De vice-gouverneur van Ispahan wordt voorts uitgenoodigd, ons met de meeste voorkomendheid te behandelen en in overleg te treden met den moesjteïd en den imam Djoema, opdat het ons vergund zou worden, zonder gevaar van ons leven, de heiligdommen te bezoeken.
|
Seintoren te Ispahan. |
De onder-gouverneur, de moesjteïd en de imam Djoema hebben bereids een afschrift van dezen brief ontvangen. De moesjteïd scheen zeer gekrenkt door de bewoordingen van den firman, maar heeft zich toch niet rechtstreeks durven verzetten; maar daar de geestelijkheid zich stipt wil houden aan de letter der wet en deze zeer stellig den toegang tot de moskeeën aan de Christenen verbiedt, moet er iets op gevonden worden, om de mollahs in dit moeilijk geval uit de verlegenheid te helpen. Nu, de commentaren op den Islâm en de uitleggingen van den gewijden tekst zijn zoo talloos vele en zoo uiteenloopend, dat men veilig mag vertrouwen dat de theologen ook nu een middel zullen weten te vinden om het gebod van den Profeet en dat van den zoon van den Shâh met elkander in overeenstemming te brengen.
In afwachting van hunne beslissing, stelt Mirza Taghuy-Khan ons een uitstapje voor naar het paleis van Koladoen, in den omtrek van Ispahan gelegen. Daar de weg derwaarts door de vlakte loopt, staat de generaal er op, dat wij dien tocht met de rijtuigen van zijn heer zullen maken. Die zware, stevige rijtuigen zijn tegen vele beproevingen bestand: maar toch kunnen zij door sommige wijken der stad niet worden vervoerd, en evenmin door de paarden tegen de bruggen over den Zendeh-Roed worden opgetrokken. Wij spreken dus af, dat de Padri, Marcel en ik te paard naar Koladoen zullen gaan, en dat wij met rijtuig zullen terugkeeren tot aan den oever der rivier.
6 September.—Wij verlaten Dsjoelfa door eene poort, waarvan de zware houten deur met ijzer beslagen en van reusachtige grendels voorzien is. Door deze poort drongen de Afghanen de stad binnen, zoo als blijkt uit de inscripties op twee in den muur gemetselde steenen. De eene inscriptie is in het armenisch, de andere in het latijn: dit laatste opschrift is vervaardigd door de monniken, die met pater Krusinski in de stad waren, en die vergunning kregen tot het aanbrengen dezer inscriptie, als belooning voor de diensten, gedurende het verschrikkelijke beleg van Ispahan door hen bewezen.
Ziba-Khanoem. (Blz. 82.)
Buiten de omwalling begint een allerbekoorlijkst landschap. Een aantal schilderachtige dorpjes verschuilen zich in het dichte lommer van prachtig geboomte; de muren der tuinen en gaarden verdwijnen onder de bloeiende kamperfoelies en wilde rozen. Nu en dan ziet men, te midden der bosschages, de ruïnen van kleine moskeeën, nog ten deele bekleed met een mozaïek van porseleinen tegels. Sedert de invallen der Afghanen, nu meer dan honderd jaar geleden, zijn de koepels en gewelven ingestort; de boeren zijn te arm om de kosten der herstelling te kunnen dragen; de heiligdommen blijven dus in dien half Bladzijde 86verwoesten staat, maar worden toch nog voor de eeredienst gebruikt. Wij vervolgen onzen weg door dit paradijsachtig schoone landschap, tot wij aan het dorp Koladoen komen, van waar wij, na een rit van een kwartier, het paleis bereiken.
Lommerrijke boomen, ruischende wateren, een tapeet van malsch groen: ziedaar het ideaal van een Oosterling, de vervulling van zijne zoetste wenschen. Dat was ongetwijfeld ook de meening van den laatsten eigenaar van dit behoorlijk lustoord, die voor omstreeks een paar jaren, op uitdrukkelijk bevel van prins Zelleh-Sultan, zijne liefelijke woning moest verlaten om een pelgrimstocht te gaan ondernemen naar Mekka.
Volgens het bevel van den Korân moet iedere Muzelman althans eens in zijn leven de heilige stad bezoeken: de Shâh en zijn zoon eischen nu de vervulling van dien plicht, zoo dikwijls zij zich wenschen te ontdoen van iemand, wiens invloed hun hinderlijk is, of wiens fortuin, vaak door zeer verdachte middelen verkregen, hunne begeerlijkheid heeft opgewekt. Het is bijna regel, dat de pelgrims, die aldus op bevel van den koning naar de heilige plaatsen trekken, nooit terug komen; de vermoeienissen en gevaren, aan de verre reis verbonden, geven altijd eene voldoende verklaring van den onverwachten dood dier onvrijwillige bedevaartgangers.
De eigenaar van Koladoen althans maakte geene uitzondering op dien regel: zes maanden na zijn vertrek kwam te Ispahan het bericht van zijn overlijden. Allâh zij zijner ziele genadig! hij is op den weg des heils bezweken.—Maar hoe is het gegaan met zijne natuurlijke erfgenamen, zijne vrouwen en kinderen? Het voegt mij niet, hiernaar te vragen. Mirza Taghuy-Khan is een trouw dienaar, die zich geen oordeel mag aanmatigen over de handelingen zijns heeren. Zooveel is zeker, dat het heerlijke paleis van den ongelukkigen pelgrim thans het eigendom is van prins Zelleh Sultan.
Uit de vensters van de zaal heeft men het uitzicht over de wijde, vruchtbare vlakte, aan den horizon door eene schilderachtige bergketen begrensd; door de vlakte slingeren zich, te midden van tabak- en sorgho-velden, talrijke beken en waterleidingen, waaruit telkens groote schildpadden te voorschijn kruipen.
In het midden van den tuin bevindt zich een groot reservoir, dat het noodige water voor de besproeiing der bloemperken en boomgaarden, die Koladoen omringen, bevat; terwijl de tabak- en katoenvelden besproeid worden met behulp van hoogst eenvoudige toestellen, zeer veel overeenkomende met de sjadoefs, die de Egyptenaars gebruiken om het water van den Nijl op te voeren. Het eenige onderscheid is, dat hier in Perzië deze werktuigen niet door menschen, maar door beesten worden in beweging gebracht.
Indien de putten, die doorgaans onder de dichte takken van het geboomte verborgen zijn, het oog al niet trekken, dan verraden zij zich toch door het luide geknars en gekraak van hunne raderen. Ter wederzijde van de opening van den put verheft zich een soort van leemen muur, waarop een ijzeren staaf rust, die de as vormt van een breed houten rad. Over dit rad loopt een touw, waarvan het eene uiteinde aan een grooten lederen zak is bevestigd, terwijl het andere is vastgemaakt aan den halster van een os, een paard of een muilezel. Voor den put daalt, tusschen twee muren, een kunstmatig aangelegd pad steil naar beneden: dit is de loopplaats der dieren. Klimt het paard of de os naar boven, naar den put, dan daalt de lederen zak in den put en vult zich met water. De voerman laat dan het dier wenden, dat, dalende, den gevulden zak omhoog trekt; een man vat den zak aan, en de inhoud wordt zorgvuldig in de besproeiingsriolen uitgestort. De ossen en paarden, gewend dag aan dag langs dit pad op en neer te gaan, gehoorzamen werktuigelijk aan den wenk van den voerman, en brengen zoodoende in betrekkelijk korten tijd eene vrij groote hoeveelheid water naar boven.
Daar in deze streek het water op geringe diepte beneden de oppervlakte der aarde gevonden wordt, gaat de besproeiing te Koladoen zeer gemakkelijk; de landlieden maken van deze gunstige omstandigheid dan ook gebruik, om somwijlen drie oogsten in het jaar van hunne akkers te winnen. De voornaamste landbouwprodukten van de vruchtbare vlakte van den Zendeh-Roed zijn katoen, tabak en papaver.
Behalve eene zorgvuldige besproeiing, zonder welk het zaad zelfs niet ontkiemen zou, vereischt de tabaksplant, die eene hoogte bereikt van tachtig duim, zeer weinig zorg en arbeid. Alvorens de bladeren te plukken, laat men ze aan den stengel drogen; daarna worden zij uitgezocht en in tien of twaalf verschillende soorten of rubrieken gerangschikt, beginnende met de zachte en fijne bladeren, tot de harde schors die, uit hoofde van den lagen prijs, binnen ieders bereik valt. De tabak van Ispahan is beroemd, en wint het in geur van die van Shiraz, welke laatste voornamelijk naar Constantinopel en naar Syrië wordt uitgevoerd.
De katoen eischt minder warmte dan de tabak: zij wordt zoowel in de provinciën van het noorden als in die van het midden van Perzië, zeer veel verbouwd. In den bloeitijd prijkt de struik met eene menigte gele bloesems, die afvallen en vervangen worden door roode bolsters of peulen, zoo groot als een kleine noot. Deze bolster wordt gaandeweg harder en verliest zijne kleur; geheel hard geworden, splijt hij en laat de sneeuwwitte katoen zien. Deze fijne donzige wol zou spoedig met den wind vervliegen, indien niet alle handen dadelijk gereed waren, om, op het gunstige oogenblik, de bolsters in te zamelen.
Men bergt het katoen in schuren, waar het van vreemde bestanddeelen wordt gezuiverd en vervolgens in groote balen ingepakt, die naar de havens worden vervoerd en van daar naar Frankrijk of Engeland gezonden om verwerkt te worden.
De katoenteelt zou niet minder voordeelen opleveren dan de kultuur van papaver of tabak, indien de katoen ook in het land zelf verwerkt werd. Ongelukkig gaan alle mogelijke voordeelen, die de katoen kan afwerpen, voor de inlandsche handelaars verloren: door de schuld van de regeering Bladzijde 87bevinden zij zich in eene zeer ongunstige verhouding tegenover eenige europeesche handelshuizen, die geene moeite ontzien om de ontwikkeling der nationale industrie zoo veel mogelijk tegen te werken. Een voorbeeld uit zeer velen. De goederen, die in Perzië worden ingevoerd of naar het buitenland uitgevoerd, zijn aan een vast recht onderworpen, bedragende ongeveer vijf ten honderd van de handelswaarde: zoo is het officieele tarief. In de werkelijkheid echter worden niet alleen aan de grenzen, maar ook nog in iedere stad inkomende rechten geheven en worden de goederen telkens op nieuw gevisiteerd. Om nu aan deze afpersingen zoo veel mogelijk te ontkomen en het goed niet verbeurd te zien verklaren, moeten er fooien of geschenken gegeven worden aan de gouverneurs, aan de beambten der douane en aan hunne talrijke ondergeschikten, die nog hebzuchtiger en minder gemakkelijk te bedriegen zijn dan hunne meesters: op die wijze wordt, als de karavanen verschillende provinciën moeten doortrekken, dikwerf het drie- en vierdubbele betaald van hetgeen men volgens de wet verschuldigd is.
Gansch anders is het met de Europeanen gesteld. Door hunne consuls en gezanten beschermd, betalen zij eenvoudig het verschuldigde recht, waarna niemand hen meer lastig durft vallen, en zij hunne waren ongehinderd door het geheele koninkrijk kunnen vervoeren. Zoo doende valt het hun niet moeilijk, zeer aanzienlijke winsten te maken, en toch hunne koopwaren tegen veel minder prijs te verkoopen, dan dien de inlandsche kooplieden moeten vorderen.
Naast de besproeiing is bemesting noodig om den grond vruchten te doen voortbrengen. Dit is een punt van belang, en men verzint dan ook allerlei middelen om zich meststoffen te verschaffen, zonder al te nauwkeurig naar de herkomst te onderzoeken. In de straten van Ispahan vindt men langs de huizen eenvoudige open putten, waarin de faecaliën uit de woningen worden geworpen, en die tevens ten dienste zijn van het publiek. Bovendien vindt men in de onmiddellijke nabijheid van bijna alle steden en dorpen, even als in Egypte, een groot aantal duiventillen. Wie Ispahan nadert, zou inderdaad kunnen meenen dat de inwoners dier stad zich uitsluitend met duiven voeden. Dit is echter het geval niet: men verlangt van de duiven niet anders dan dat zij zich zooveel mogelijk vermenigvuldigen en hokvast blijven: de duivenmest toch, met puin en steengruis vermengd, is de beste meststof voor de velden, waarop de meloenen en die heerlijke pasteken groeien, waarmede de bewoners van Ispahan zich gedurende de zomermaanden bijna uitsluitend voeden.
De beste meloenen groeien echter niet op de aldus bemeste landen, maar op de grenzen der woestijn, in min of meer zoutachtige gronden, waaraan zij haar fijnen smaak en heerlijken geur te danken hebben. Naar de echte liefhebbers beweren, kan men hoogstens om de dertig jaren, op denzelfden grond meloenen telen. Naar men zegt, worden de meloenen die op de tafel van den Shâh verschijnen, aldus gekweekt.
De groote hitte is voorbij: het begint een weinig af te koelen; wij verlaten de tuinen, en Mirza-Taghuy Khan noodigt ons uit, een bezoek te gaan brengen aan een oud gebouwtje, op een heuvel midden in de vallei van den Zendeh-Roed. Wij gaan derwaarts.
Op den top van dien heuvel bevindt zich een soort van ronden toren, die vroeger met een koepel gedekt was en in het benedengedeelte voorzien van acht openingen, op gelijke afstanden aangebracht. Aan den vorm der bogen bespeurt men, dat het gebouw in betrekkelijk modernen tijd is gerestaureerd; maar het inwendige bevat niets, waaruit met eenige zekerheid een besluit zou kunnen worden opgemaakt omtrent den tijd der stichting. Beneden dit gebouw ziet men de ruïnen van ingevallen huizen, en rondom die huizen een muur van groote gebakken steenen opgetrokken. De verschillende steenlagen zijn van elkander gescheiden door een laag riet en biezen, ongeveer op dezelfde wijze als bij de oude monumenten in Babylonië.
Men verkeert in het onzekere omtrent den oorsprong en de bestemming dezer ruïnen, waaraan de bewoners van Ispahan, tamelijk willekeurig, den naam hebben gegeven van Ateshka (vuuraltaar). Het is zeer wel mogelijk, dat in vroeger eeuwen, ook op dezen heuvel altaren hebben gestaan, aan het heilige vuur gewijd; maar dat verklaart nog niet de aanwezigheid van zware muren op den top des bergs: immers, volgens de verzekering van Herodotus, hadden de vuuraanbidders geen tempels, maar bouwden zij hunne altaren in de open lucht. Uit eene nauwkeurige studie van de ruïnen van Ateshka schijnt veeleer af te leiden dat de oudste gebouwen de overblijfselen zijn van eene vesting uit den tijd der Sassaniden, die den loop van den Zendeh-Roed moest bestrijken, en misschien tevens aan den gouverneur van Djeï, in tijden van oorlog of opstand, eene wijkplaats aanbieden, waar hij genoegzaam tegen iederen aanval beveiligd was.
Toen de avond begon te vallen, besloten wij de rijtuigen van den prins te gaan opzoeken, die in een naburig dorpje waren gestald, en die wij spoedig vonden. Ik klom met Mirza-Taghuy Khan in een met zes paarden bespannen coupé. Pater Paschalis, mijn echtgenoot en nog eenige andere personen werden opeengepakt in een kales. Zoodra wij plaats genomen hebben, legt de koetsier de zweep op de paarden,—en voorwaarts gaat het! Wij rijden weg, onder de eerbiedige begroetingen en huldebewijzen van de saamgestroomde dorpelingen, die met verbazing de rijtuigen van den zoon des konings aanstaren en ons natuurlijk voor zeer hooge personages houden.
Weldra zijn wij buiten het dorp en rijden nu over smalle wegen, aan de eene zijde begrensd door muren, aan de andere door slooten, die wel niet diep zijn, maar toch diep en vooral steil genoeg om een leelijk ongeluk te krijgen, als wij er in mochten buitelen. De dertig ruiters van ons escorte, die vooruit draven, jagen zulke dichte stofwolken op, dat mijn reisgenoot en ik genoodzaakt zijn, mond en oogen dicht te houden, om niet te stikken en blind te worden; maar dit had Bladzijde 88nog niets te beduiden, vergeleken met de gymnastische oefeningen, die wij voortdurend in praktijk moesten brengen om ons ook maar eenigszins in evenwicht te houden.
Het in vollen ren hollende rijtuig springt als een elastieke bal, nu eens tegen de muren geslingerd, waarvan de stukken afvliegen; dan weer door slooten, greppels en kanalen gesleept, waarvan het water ons om de ooren spat; terwijl wij, ons krampachtig vastklemmende aan de portieren, ons best doen om niet met onze hoofden door de kap van het rijtuig te stooten.
Mirza-Taghuy Khan houdt zich goed: hij wil mij waarschijnlijk het bewijs leveren dat in Perzië alles mogelijk is: maar in zijn hart is hij gansch niet op zijn gemak. Als de rijtuigen eens braken! Gisteren nog heeft hij een vertrouwelijken brief van den prins gekregen, waarin deze zich beklaagde dat er te Boeroedjerd geene mooie vrouwen waren, en last gaf aanstonds eenige dames uit den anderoen te zenden. Ten einde de khanoems niet door eene lange reis te paard te vermoeien, moeten zij zorgvuldig ingepakt worden in de twee rijtuigen, waarmede wij thans zulk een fantastischen rit doen. Zijn de wegen te smal of de berghellingen te steil voor de paarden, dan moeten de soldaten van de vier compagnieën infanterie, die als escorte medegaan, de rijtuigen voorttrekken.—Wat zou Mirza-Taghuy Khan beginnen, als de equipages nu eens verongelukten!