WeRead Powered by ReaderPub
Perzië, Chaldea en Susiane / De Aarde en haar Volken, 1885-1887 cover

Perzië, Chaldea en Susiane / De Aarde en haar Volken, 1885-1887

Chapter 19: XVIII
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The narrative recounts the author's travels through Persia, Chaldea and Susiane as she accompanies her husband on a commission to study Sassanid-era monuments. Over fourteen months and several thousand kilometers traveled by horseback, she keeps a diary, makes photographs and documents archaeological sites alongside everyday scenes. Vivid attention is given to ruined architecture, enamelled tiles and reliefs as well as market life, food, lodging and encounters with local inhabitants. Practical difficulties of travel, administrative interactions and close field observation combine to produce a detailed, ground-level portrait of landscape and material culture.

De armenische bisschop van Dsjoelfa.

Wij komen ten slotte toch behouden aan, en stappen, met een zucht van verlichting, vermoeid, half geledebraakt en onkenbaar van de stof, uit de rijtuigen van prins Zelleh-Sultan. Bladzijde 169

XVII

Ispahan, 8 September.—De godgeleerden van Ispahan, aan wie de moesjteïd de lastige taak had opgedragen, om in de heilige boeken een tekst te vinden, die hem vrijheid zou laten om een Christen te vergunnen de mastsjed Shâh te betreden, zijn voor hunne moeite beloond geworden: zij hebben zulk een tekst gevonden; en aan het bevel van den prins-gouverneur kan nu zonder gewetenswroeging worden voldaan.

Naar het schijnt bestaat de moskee uit vier gebouwen, die onderling door portieken verbonden zijn. Op de zeer ruime binnenplaats komen al de voornaamste toegangen uit: derhalve, zoo redeneeren de spitvondige casuïsten, moet deze binnenhof beschouwd worden als een soort van openbaren weg, waarop de ongeloovigen zich mogen bewegen, zonder de heilige wet te overtreden. De moesjteïd wijst ons evenzeer eene reeks vertrekken aan onder de bogen van de bovengalerijen, en vergunt ons bovendien over de platte daken te wandelen. In één woord, men laat ons de meest mogelijke vrijheid: onder deze eene voorwaarde, dat wij geene poging zullen aanwenden om in de zaal van den mihrab door te dringen. Wij hadden niet durven hopen, dat wij zoo veel verkrijgen zouden.

Den volgenden morgen, nog voor de zon boven de kim verschenen was, betrad onze kleine karavaan den Meïdan, in 1580 door Abbas den Groote aangelegd. Dit ruime langwerpige plein heeft eene lengte van driehonderd-zes-en-tachtig en eene breedte van honderd-veertig el; het is omringd van regelmatige gebouwen, waarin rijke bazars gevestigd zijn, die tot de fraaiste van Perzië behooren. Dat plein met zijne kolossale afmetingen, zijne grootsche lijnen en de volmaakte symmetrie der gebouwen, die het omlijsten, maakt inderdaad een verrassenden, overweldigenden indruk, te meer omdat men in het Oosten aan dergelijken aanblik niet gewend is. Naar mijn gevoelen bestaat er zelfs in geheel Europa geen plein, dat in uitgestrektheid, in symmetrie, en zelfs in schoonheid, met den Meïdan voor de moskee van den Shâh kan Bladzijde 170wedijveren; en in deze meening sta ik niet alleen. De eerste maal dat ik dit plein bezocht, dacht ik echter onwillekeurig aan de Piazza San-Marco te Venetië. Beiden zijn omgeven door gebouwen met zuilengangen, op den achtergrond verbonden door een prachtigen tempel; de moskee van Sheikh Loft Oellah, links van de mastsjed Shâh, herinnert door hare ligging, aan den Torre dell' Orologio te Venetië; terwijl rechts de plaats van den campanile wordt ingenomen door het paviljoen, bekend onder den naam van Ali Kapoe.

Ik wil de vergelijking niet verder uitwerken: Italië zou er niet bij winnen. Venetië mist dien helderen, donkerblauwen hemel, waartegen de rijk gekleurde geëmailleerde koepels en minarets zoo onbeschrijfelijk schoon uitkomen; en die stralende zon, die over alle gebouwen een goudglans werpt; op het plein van San-Marco zoekt ge vergeefs die talrijke karavanen van kameelen, die zich als het ware verliezen in de onmetelijke ruimte, en die muzikanten, die—misschien als eene herinnering aan de oud-perzische eeredienst—de zon bij haar opgang en haar ondergang komen begroeten. Groote trompetten en trommels spelen de hoofdrol in dit schilderachtige concert, dat 's morgens en 's avonds plaats neemt op een der terrassen vóór den Negareh Khaneh of den talar van het paleis Ali Kapoe, het hoogste monument in geheel Ispahan.

In dienzelfden talar, waarvan de beschilderde en vergulde zoldering door twaalf pilaren van cederhout gedragen wordt, schaarden zich ook, in den tijd der Sofis, de hovelingen van den Shâh, wanneer de koning op zijn rechterstoel zat of de feesten bijwoonde, die sedert den bouw van de mastsjed Shâh steeds op den Meïdan gegeven werden. Van hier gezien, vertoonde de moskee zich voor 's konings oogen in al haar pracht; zelfs verdwijnt dan voor een deel het ongunstig effect van den onregelmatigen aanleg: immers terwijl de buitenpoort recht op het plein staat, ligt de moskee zelve geheel ter zijde, in de richting van Mekka.

Do eerste steen van de mastsjed Shâh werd in 1580 gelegd en met den bouw zooveel mogelijk voortgang gemaakt. De groote poort, die op den Meïdan uitkomt, wordt gevormd door eene wijden boog, omgeven door een driedubbelen band van geëmailleerd turkoois-blauw. De wanden en het gewelf van het portaal zijn, even als de muren en de minarets, geheel bekleed met geëmailleerde tegels, waarop in sprekende kleuren arabesken en bloemen zijn geschilderd, omgeven door gewijde teksten en spreuken. Deze bekleeding met porseleinen tegels, zoo als die aan de monumenten uit den tijd der Sofis is aangebracht, is goedkoop en in de uitvoering vrij gemakkelijk, maar ook veel minder duurzaam dan die uit den tijd der Seldsjoeken, en veel minder artistiek dan de mozaïeken uit het tijdvak der Mongolen.

Ten bewijze voor de onsoliditeit der bekleeding met porseleinen tegels, beroep ik mij op het eerwaardige houten geraamte, dat voor den hoofdingang staat opgericht. Naar het schijnt is de bestemming van die stellage, om de tegels te vervangen, die in den winter door de vocht losraken en uitvallen; maar, volgens het algemeene zeggen, heeft deze toestel eene geheel andere bestemming. Immers bij menschen heugenis heeft men nimmer aan de moskee van den Shâh eenige reparatie, hoe gering ook, uitgevoerd; maar door zijne tegenwoordigheid bij den hoofdingang legt deze houten toestel, voor alle vreemdelingen die Ispahan bezoeken, getuigenis af van de zorg der regeering voor het behoud der historische monumenten; en, wat nog meer van belang is, de bouwmeester en de mollahs, met de uitvoering en het opzicht van de zoogenaamde herstellingswerken belast, kunnen, zoo lang die stellage daar staat, billijk aanspraak maken op de uitbetaling hunner jaarwedden, die de koning niet wel weigeren kan. Zoo zegt men: en het verhaal draagt zeer zeker den stempel der waarschijnlijkheid. Maar mocht men ooit overgaan tot de herstelling van de poort der moskee, dan zal men moeten beginnen met de reparatie van de stellage, waarop geen sterveling den voet zou durven zetten.

Achter het portaal ligt een ruime vestibule, van waar men de groote binnenplaats der moskee kan overzien met hare twee galerijen boven elkander. In deze vestibule staat een groote porfieren vaas, niet ongelijk aan een doopvont; zij is met helder, frisch water gevuld, bestemd om den dorst der geloovigen te lesschen.

Een twintigtal mollahs, door den moesjteïd gezonden om ons te geleiden, wachten geduldig onze komst af, gezeten op de albasten banken onder de groote poort. Sommigen zijn getooid met een omvangrijken tulband van witte mousseline; anderen dragen een blauwen tulband, die in Perzië het onderscheidingsteeken is van de beweerde afstammelingen van den Profeet, zoo als in de orthodoxe sonnitische landen de groene tulband en de groene gordel.

Niet ver van deze groep staat een personage, bekleed met eene koledja (jas) van grijs laken en gedekt met de gewone hooge muts der Perzen. Met zeker voornaam welbehagen stelt hij zich aan ons voor als de beschermer der vreemdelingen, door den Shâh Zadeh van Ispahan belast met de zorg voor de veiligheid der reizigers. “Ik ben, zeide hij, met mijn hart en mijn leven bereid om te waken voor het hoofd van Uwe Excellentiën, gedurende al den tijd van uw gezegend verblijf te Ispahan.”

Marcel dankt dien welbespraakten heer voor zijne vriendelijke woorden, en verontschuldigt zich dat hij geen bezoek bij hem heeft afgelegd en niet met hem in overleg is getreden ter zake van het bezoek aan de moskeeën en andere heiligdommen.

“Wanneer wenscht gij de moskeeën te bezoeken, Çaheb?” antwoordt hij, op huichelachtigen toon; ik zal al mijn best doen om Uwe Excellentiën ter wille te zijn. Gij zult, naar ik hoop, tevreden zijn over mijn ijver en mijne toewijding, en een gunstig getuigenis omtrent mij kunnen afleggen bij Zijne Majesteit en bij Zijne Hoogheid, den prins Zelleh-Sultan.

—Wel, nu aanstonds; de mollahs, door den Bladzijde 171moesjteïd gezonden, zijn gereed om ons te vergezellen.

—Zou het dan toch waar zijn! zoudt gij dan inderdaad in de mastsjed willen binnengaan! Allah zij geprezen, die uw slaaf vergunt hier te zijn, opdat hij u terugbrenge van uw voornemen!

—Maar welk gevaar loopen wij dan? Zijt gij er dan niet om ons te beschermen, en overeenkomstig uwen last voor onze veiligheid te zorgen?

—Ik zou met u de mastsjed binnentreden? Groote God! En wanneer u een ongeluk overkwam? Ik ben gekomen om u te beschermen tegen uwe eigene dwalingen; want mijn geest is sterk, maar mijn arm is zwak, en zoo het tot eene botsing kwam, zou ik geene macht hebben over het opgewonden volk. De menschen, in wie Allah zijne wijsheid gelegd heeft, weten ongelukken te vermijden, door zich aan geen gevaren bloot te stellen.

—Is dat alles wat gij mij te zeggen hebt? Ik dank u voor uw goeden raad, maar ik zou u nog dankbaarder zijn, zoo ge mij geen tijd liet verspillen. Weet gij niet dat uw Profeet gezegd heeft: “Ieder mensch draagt zijn lot om zijn hals.” Ga naar uw anderoen, en laat uwe vrouwen u onderrichten en moed inboezemen.”

Dit gezegd hebbende, keeren wij den “beschermer der vreemdelingen” den rug toe, en gaan de mollahs begroeten.

Om Cerberus te temmen, moest men hem een honigkoek toewerpen. Daar ik geen honigkoeken bij mij heb, stel ik den heeren voor, hun portret te maken. Aanvankelijk weigeren zij: de Koran verbiedt zeer stellig het maken van afbeeldingen. Maar hunne deugd is tegen de verzoeking niet bestand; zij zien elkander aan, fluisteren met elkander, en scharen zich eindelijk glimlachend voor mijn toestel. Na met het grootste geduld op hunne vragen geantwoord en hun hunne beeltenissen getoond te hebben, meen ik eindelijk het recht verworven te hebben om de galerijen te betreden en naar de platte daken op te klimmen. Een mollah en een seyed gaan voorop, en geleiden ons door de moskee overeenkomstig het programma den vorigen avond vastgesteld; vervolgens klimmen wij met hen op de daken der bazars en der huizen, en komen zoo op de terrassen der moskee. Vandaar kan men de uitgestrektheid van dit monument overzien, en de beteekenis waardeeren van den reuzenarbeid, dien Shâh Abbas wist te voltooien.

Voor ons rijst een prachtig portaal, geflankeerd door twee minarets, met porseleinen tegels bekleed. Dit portaal is als het ware de voorhal van het heiligdom, dat reeds van verre kenbaar is aan den blauwen koepel, gekroond met een gouden bol en eene halve maan van hetzelfde metaal, die vijf-en-vijftig el boven den beganen grond verheven is. De beide vleugels, die zich aan het middengebouw aansluiten, prijken met portalen van geringer afmeting en met kleinere koepels. Aan deze gebouwen grenzen dubbele galerijen, waarvan het platte dak met eene laag aarde is bedekt. Rechts en links van het middengebouw bevinden zich twee langwerpige binnenplaatsen, door portieken omgeven en met vijvers versierd. Des vrijdags en op feestdagen zijn deze binnenhoven voor het volk toegankelijk, terwijl het waterbekken in den voorhof bestemd is voor hen, die dagelijks de moskee bezoeken, om de voorgeschreven gebeden te verrichten.

Het plan van de mastsjed Shâh is, zooals men ziet, volkomen in overeenstemming met de eischen van de mohammedaansche eeredienst. De moskee onderscheidt zich, even als de kerk, voornamelijk hierin van den heidenschen tempel, dat zij eene plaats der samenkomst is, toegankelijk voor iedereen. Maar hoe eenvoudig ook, was de stichting van dergelijke bedehuizen een moeilijke taak, want voor de komst van Mohammed bestond er geene arabische architektuur. De Kaäba, dit gewrocht der ismaëlitische oudheid, dat de Profeet genoodzaakt was tot het groote heiligdom van het nieuwe geloof te verheffen, was berekend naar de behoeften van afgotische nomaden, gewoon aan het leven in tenten. Toen het dagelijksch gebed tot Allah den muzelmannen als de eerste der plichten werd voorgeschreven, ontstond de behoefte aan geschikte bedehuizen; onder leiding van vreemde, waarschijnlijk byzantijnsche architekten, brachten zij de zuilen bijeen der door hen verwoeste tempels, plaatsten op deze pilaren, rondom eene vierkante ruimte gerangschikt, een houten dak, en verkregen alzoo overdekte galerijen. Het eigenlijke heiligdom was een zaal, door rijen kolommen in verschillende schepen verdeeld. Een met porselein of kostbaar marmer versierde nis, zonder beeld of altaar, aan het einde van het middenschip, trok door haar versiering het oog tot zich en wees de richting aan, waar de heilige stad met de Kaäba lag.

In de onmiddellijke nabijheid van den mihrab of de nis des gebeds bevond zich de minbar of predikstoel, waartoe een vrij steile trap toegang gaf. Nevens het eigenlijke heiligdom strekten zich open portieken uit, waar de geloovigen eenige oogenblikken konden uitrusten, eer zij het bedehuis binnentraden; hooge platten nabij den hoofdingang boden den priesters de gelegenheid, om vijfmaal per dag de geloovigen ten gebede op te roepen.

Dit is de eerste en eenvoudigste type der moskee, een voor allen toegankelijk bedehuis, waar de voorbijganger koelte en schaduw vindt, en de reiziger helder water om zijn dorst te lesschen en zich te reinigen, eer hij zich voor God nederbuigt. Naar dit model zijn de oudste moskeeën in Kaïro gebouwd, die van Amroe, van Hakem en van Toeloen. Maar naarmate de macht van den Islam zich uitbreidde, begon men iets anders te verlangen dan een bedehuis van zoo eenvoudige constructie. Aan de boorden van den Tigris verhief zich een monument, dat door de muzelmansche wereld beroemd was en, volgens de legende, was gebouwd door den grooten Khosroës. Dat was het prachtige paleis van Ktesiphon, waarvan het gewelf—altijd volgens de legende—op den dag der geboorte van Mohammed scheurde.

Hassan, de sultan van Egypte, wilde aan Allah een tempel wijden, die niet behoefde onder te doen voor het paleis van den grooten monarch; met dat Bladzijde 172doel zond hij een zijner architekten naar Mesopotamië, om liet oude gebouw te bestudeeren. Deze architekt strekte zijne reis uit tot Perzië, en werd levendig getroffen door de schoonheid en majesteit der koepels, die godsdienstige en burgerlijke gebouwen kroonden. Nog vol van die indrukken, keerde hij naar Kaïro terug en bouwde daar de moskee van Hassan, den prototype van eene andere soort van moskee, waarin het koepelgewelf het platte dak der oude zuilenhal vervangt.

Een seyed.

Dit geschiedde in de veertiende eeuw. Honderd jaren later hield Mohammed II, na de inneming van Constantinopel, zijn intocht in de Sinte-Sofia, de aloude byzantijnsche kerk van Justinianus. De indruk dien deze kathedraal op den veroveraar en zijne soldaten maakte, was zoo groot en levendig, dat het hun niet genoeg was, de eerwaardige kerk in eene moskee te herscheppen, maar dat zij, bij den bouw van nieuwe bedehuizen, den ouden muzelmanschen type vaarwel zeiden en eenvoudig de Aja-Sofia kopieerden, zonder er aan te denken dat het grondplan van deze kerk geen ander is dan de gedaante van het zoo gehate kruis. Het plein of de voorhof voor het gebouw is slechts de herhaling van het atrium der oude basilieken. Werkelijk muzelmansch zijn alleen de slanke minarets en de waschbekkens.

Zoo is dan de laatste type van het mohammedaansche bedehuis, die in alle orthodoxe sonnitische landen regel geworden is, eene navolging van de byzantijnsche kerken uit den tijd vóór den Islam. Die navolging is zoo volkomen, dat wanneer de Turken uit Europa verjaagd werden, de Christenen aanstonds bezit zouden kunnen nemen van de moskeeën te Constantinopel, en daarin hunne eeredienst zouden kunnen vieren, zoo goed als in de Aja-Sofia zelve.

Yoor de arabische verovering hadden de Perzen geen tempels; want volgens de verzekering van Herodotus en andere klassieke schrijvers werden de altaren voor Ahoeramazda in de open lucht opgericht. Hier vielen dus geene bestaande heiligdommen voor de nieuwe eeredienst in te richten: de Perzen namen eenvoudig de bedehuizen hunner overwinnaars over. Zij bouwden moskeeën naar het model van die van Amroe te Kaïro: met dit onderscheid alleen, dat zij de zaal van den mirhab ook uiterlijk onderscheidden door een hoogen koepel, die sedert eeuwen in hunne architektuur inheemsch was; en dat zij, bij gebrek van hout, de houten daken door kleine gewelven vervingen.

Aan dit plan zijn zij steeds getrouw gebleven: bij vergelijking van de perzische moskeeën met die van Amroe, blijkt dat de perzische bouwmeesters van vroegeren en lateren tijd nooit zijn afgeweken van den oorspronkelijken type van het mohammedaansche bedehuis: hunne moskeeën zijn inderdaad moskeeën in den ouden klassieken zin van dat woord.

Er waren niet veel menschen in de moskee van den Shâh, toen wij haar binnentraden, zoodat wij het gebouw in alle bijzonderheden op ons gemak konden bestudeeren; maar toen wij onze photografietoestellen gereed maakten, begonnen de geloovigen, die op het voorplein bij het waschbekken en op de terrassen vergaderd waren, zeer duidelijke en luide teekenen van afkeuring en verontwaardiging te geven. Op aansporing van een dwergachtigen, mismaakten seyed, met den blauwen tulband van de afstammelingen van den Profeet gedekt, stormde weldra de gansche menigte naar het terras, waarop wij ons bevonden.

De mastsjed Djoema te Ispahan.

Pater Pascal heeft ons niet zonder verdediging willen blootstellen aan de niet zoo geheel denkbeeldige gevaren, aan het bezoek der moskeeën verbonden; hij is zelf medegegaan en herinnert nu de dienaars van den moesjteïd aan hun plicht, om de menigte den toegang tot de terrassen te beletten, door zich voor de smalle trap te plaatsen, die het platte dak van den bazar met dat van de moskee verbindt—“Het is zaak te zorgen, zoo voegt hij er bij, dat uwe geloofsgenooten ons geen letsel aandoen, eer wij hun mededeeling hebben kunnen doen van de bevelen der wereldlijke en geestelijke overheid, krachtens welke wij hier zijn”.—Nauwelijks zijn de noodigste maatregelen genomen, of onze vijanden verschijnen eensklaps op de lagere terrassen. De vrome schaar is buiten adem van den snellen loop en de haastige bestijging der trappen; bovendien hebben een aantal volgelingen van den kleinen seyed onderweg eens nagedacht over de mogelijke gevolgen van eene beleediging den Faranguis aangedaan; zij zijn voorzichtigheidshalve achtergebleven, en de aanstoker van de geheele beweging heeft nauwelijks twintig man achter zich. Bladzijde 174

Zie, daar is hij, die geduchte strijder voor het geloof! Hij snelt vooruit en zal den aanval doen.... daar waggelt eensklaps zijn groote blauwe tulband; de dwerg, door zijn drift medegesleept, is verward geraakt in de plooien van zijn lang kleed; hij wankelt op de trap en valt achterover op de hoofden zijner volgelingen, met zijn magere kromme beentjes spartelende in de lucht. Hij is niet zwaar, en dood niemand in zijn val; maar toch hebben wij den strijd gewonnen; want als men den seyed weer opricht en hij daar staat, met zijn kale kruin en zijn afschuwelijk grijnzend gelaat, terwijl de mooie tulband naar beneden rolt, is hij zoo bespottelijk, dat van alle kanten een algemeen gelach opgaat. Als een bekwaam veldheer, maakt pater Pascal aanstonds van dit oogenblik gebruik: op zijn aansporing treedt het hoofd van ons escorte vooruit en bedreigt de onvoorzichtigen, die ons overlast zouden willen aandoen, met den toorn van den Shâh-Zadeh; terwijl hij zelf eenige vriendelijke woorden richt tot den ontkroonden hoofdman der bende, wiens gezag voor het oogenblik verdwenen is.

Nadat de bende zich weer verstrooid had, kwam de Padri naar ons toe op het terras, waar wij ons zoo rustig mogelijk gehouden hadden. “Zie zoo, zeide hij, nu zijn wij van deze lastige klanten verlost; maar toch is het voorzichtig hier niet te blijven, want straks komen de muzelmannen in grooten getale voor het middaggebed; misschien zou het ons voor een tweeden keer niet gelukken, het fanatisme der menigte tot bedaren te brengen; en het is beter, het zoo aan te leggen, dat wij niet bij ongeluk of vergissing van de moskee naar beneden kunnen geduwd of geworpen worden.”

De raad van den bedachtzamen Padri verdient te meer behartiging, omdat de terrassen geheel van borstweringen ontbloot zijn. Mijn echtgenoot verklaart dan ook, dat zijn werk hier afgeloopen is, en verzoekt dat men ons naar de galerijen van de eerste verdieping zal brengen, tot groote blijdschap van onze geleiders, die blijkbaar tegen hun zin de partij moeten nemen van ongeloovigen tegenover geloofsgenooten, wier vromen ijver zij in hun hart ten volle goedkeuren.

De galerijen, waarheen men ons nu brengt, zijn bestemd voor de woningen der priesters; wij worden gebracht in de kamer van een hunner, een eerwaardigen grijsaard, wiens indrukwekkend bronskleurig gelaat schilderachtig afsteekt bij zijn witten tulband en lang wit kleed. Hij noodigt ons uit, nevens hem op het tapijt plaats te nemen, laat pijpen komen en biedt ons een kop thee aan, in afwachting dat het gebed zal zijn afgeloopen en dat hij ons in de loggia voor zijne kamer kan laten. Van uit de kamer kunnen wij evenwel de godsdienstige handeling gadeslaan. De geloovige treedt de moskee binnen met zijne muilen in de hand; hij richt zijne schreden naar het waschbekken, en neemt zijn tulband af, zoodat zijn kale schedel zichtbaar wordt. Die schedels zijn niet allen op dezelfde wijze geschoren. Zij, die een tulband dragen, laten zich het geheele hoofd kaal scheren; wie zich dekt met een bonten of vilten muts, behoudt ter wederzijde, boven de ooren, een grooten krullenden haarlok, waarop de muts komt te rusten. Deze belangrijke waarnemingen kunnen alleen in de moskee of bij den barbier aan huis geschieden: want de Oosterling acht het in strijd met alle regelen van wellevendheid, met ongedekten hoofde in het publiek te verschijnen. Na zijn tulband op zijn pantoffels te hebben nedergelegd, hoest en spuwt de geloovige, spoelt zich den mond, snuit zijn neus, wascht zijn gelaat, zijn hoofd en zijne handen, en voldoet verder aan alle voorschriften van zijne wet, die hem verbiedt voor Gods aangezicht te verschijnen, zonder zich vooraf gereinigd te hebben. Indien de muzelman op reis of krank is en geen water tot zijne beschikking heeft, moet hij zich het gelaat en de handen met stof, in plaats van water, inwrijven.

Na zich aldus gewasschen te hebben, zet de geloovige zijn tulband of muts weer op, neemt zijne pantoffels in de hand en begeeft zich naar de zaal van den mihrab; daar plaatst hij zich met het gelaat naar de richting van de Kaäba, hurkt neder op de tapijten, die hier den vloer bedekken, en buigt zich met het aangezicht ter aarde. Dan zich weer oprichtende, en de armen langs het lijf latende hangen, begint hij zijn gebed op te zeggen, met alle teekenen van den diepsten eerbied.

Ten aanzien van de houding der armen en handen, is er onderscheid tusschen de Sonnitten en de Sjiîten; maar de buigingen, waardoor het gebed bij herhaling wordt afgebroken, zijn bij beiden dezelfden. “Gij zult hen zien, geknield en neergebogen, het aangezicht Gods en zijne genade zoeken. Op hunne voorhoofden zult gij een teeken zien, ten bewijze hunner vroomheid.”—Deze herhaalde buigingen en het gebod om met het voorhoofd den grond aan te raken, noodzaken de muzelmannen hoofddeksels te dragen zonder rand of klep. Daar het echter voor lieden, die gewoon zijn op matten of tapijten neer te knielen, moeilijk is een zichtbaar teeken van hunne vroomheid te vertoonen, is ieder geloovige voorzien van een ronde of vierkante potscherf, die hij bij het nederknielen met zijn voorhoofd aanraakt. In alle karavanserais vindt men, ten behoeve van de reizigers en de tsjarvadars, eene volledige verzameling van zulke scherven. Na afloop van het gebed, neemt ieder zijn muilen weer op, die hij aan den ingang van de zaal van den mihrab heeft neergezet, en verlaat de moskee.

10 September.—“Zet de ladder goed. Staat ze niet te steil? Zijn de sporten niet gebroken of vergaan? Loopt het plat geen gevaar van te bezwijken?”—vraagt pater Pascal aan de bedienden van de Iman Djoema, die ons op de platte daken van deze beroemde moskee moeten geleiden, welke Abbas-Shâh een oogenblik van plan was af te breken om de materialen te gebruiken voor den bouw van de mastsjed Shâh.

—“Vrees niets en geef mij de hand, khalifè (naam, dien de Perzen aan de christelijke monniken geven). Zoo gij voorzichtig, de een na den ander, opklimt, zult gij, zoo het Gode behaagt, zonder ongeval boven komen.” Bladzijde 175

Getrouw aan zijn rol van waarnemer, is de beschermer der vreemdelingen ons dezen morgen weer lastig komen vallen met zijne raadgevingen en dienstaanbiedingen; nu zet hij zich neder aan den voet van den muur, met het vaste besluit om daar onze terugkomst af te wachten. De Padri, Marcel en ik klauteren met moeite omhoog langs de ladder, waarvan de sporten meer dan vijftig duim van elkander verwijderd zijn; terwijl onze geleiders als katten van het eene plat op het andere springen. Nauwelijks hebben wij den top van de ladder bereikt, of wij moeten ons wagen op smalle balken, over kleine gebroken koepeltjes gelegd. Door deze gaten kunnen wij een blik werpen op het oudste gedeelte van de moskee, naar men zegt, in het jaar 755 door den khalief Al-Mansoer gebouwd, en de inscripties in koefisch schrift bewonderen rondom den ouden mihrab. Daarna begeven wij ons naar de zijgalerijen, van waar wij het gansche binnenplein overzien.

De verschillende bijvoegingen en restauraties, die de moskee in onderscheidene tijden heeft ondergaan, hebben dit aloude heiligdom, dat sedert de stichting van de mastsjed Shah ook slechts de tweede plaats inneemt, van alle artistieke beteekenis beroofd. Toch staat deze moskee nog in hoog aanzien, en heeft zij hare aloude voorrechten behouden. In de moskee Djoema wordt nog steeds iederen vrijdag de zoogenoemde Koninklijke dienst verricht. Volgens de wet moest de Shâh zich op den gedenkdag van de vlucht van den Profeet naar Medina, naar de moskee begeven en daar met luider stemme het plechtige gebed uitspreken. Daar de Shâh evenwel niet de gave der alomtegenwoordigheid bezit, zendt hij een vertegenwoordiger, den Iman Djoema, die in zijn naam deze plechtigheid moet volbrengen. Na afloop van het gebed wordt door de mollahs een gedeelte van den Koran voorgelezen of verklaard, terwijl het overige van den dag aan verschillende godsdienstoefeningen is gewijd.

Het schijnt door het noodlot bepaald, dat wij te Ispahan geene moskee kunnen bezoeken zonder dat ons iets overkomt. Dank zij de noodige voorzorgen, die wij bij het afklimmen van de wrakke ladder in acht nemen, komen Marcel en ik zonder ongeval op den grond; maar onze vriend, de Padri, is niet zoo gelukkig. Meer gewoon zijn prachtig paard te berijden, dan gymnastische kunsten te verrichten, zet hij, ondanks onze waarschuwingen, zijne voeten midden op de sporten. Met angstige blikken volgen wij zijne bewegingen: een gekraak laat zich hooren: een der sporten is gebroken. De Padri zweeft een oogenblik in de ruimte; met vaste hand omklemt hij nog bijtijds de ladder en komt schijnbaar zonder zich bezeerd te hebben op den grond.

De mollahs, die moeite hebben om zich goed te houden en hunne vreugde te verbergen, omringen den khalifè, die ondanks zijne bleekheid zich goed houdt. Zij betuigen hem hunne deelneming, en geven last den eigenaar van de ladder op te zoeken, ten einde hem eene dracht stokslagen toe te dienen. Natuurlijk is de man niet te vinden; en wij stijgen te paard, om naar Dsjoelfa terug te keeren.

“Ik heb mij het been geschaafd, zegt de Padri, na verloop van eenige oogenblikken tot mij: ik heb meer pijn dan ik aan deze kerels bekennen wou; wij zullen bij een mijner beste vrienden binnen gaan, die in de nabijheid van de mastsjed woont; ik zal daar mijne wond met water kunnen wasschen.”

Het huis, dat wij weldra binnentreden, omsluit aan de vier zijden eene ruime binnenplaats. De hooger gelegen talar of opperzaal in elken vleugel is ter wederzijde ingesloten door wit gepleisterde vestibules. De receptiezaal is met een fraaien koepel overwelfd; door het geschilderd raam valt een zacht getemperd licht in het vertrek.

Een man met een zeer innemend voorkomen zit, te midden van boeken, op kussens op den grond. Tot mijne groote verbazing draagt hij dien afschuwelijken blauwen tulband, die steeds voor ons een noodlottig voorteeken was. De heer des huizes rijst haastig op, luistert met belangstelling naar het verhaal van het ongeval, dat den Padri is overkomen, en geeft aanstonds bevel, een waschkom, eene kan met water en eenige kruiden te brengen om op de wond te leggen. Terwijl hij zich gereed maakt zelf den patiënt te verbinden, noodigt hij mij uit, zijne kinderen te volgen, die mij naar hunne moeder zullen geleiden.

Het inwendige van den anderoen, die op de binnenplaats uitkomt, is voor aller oogen verborgen door zijden gordijnen, die voor alle openingen gespannen zijn. Shirin-Khanoem, de eerste vrouw van den seyed, rookt haar pijp. Bij mijn binnentreden noodigt zij mij uit, te gaan zitten, en haar pijp uit den mond nemende, biedt zij mij die zeer beleefd aan. Even beleefd weiger ik: de muzelmannen—ik weet het—gebruiken zeer ongaarne iets dat door een Christen is aangeraakt, en even weinig zijn wij er op gesteld, eene pijp tusschen onze lippen te nemen, die reeds van mond tot mond is gegaan.

Shirin-Khanoem schijnt de reden van mijne weigering te begrijpen. Zij dringt er verder niet op aan, maar voegt mij alleen toe: “Gij zijt hier bij vrienden.” Wij spreken gedurende eenige oogenblikken over de moskeeën der stad, en ik maak gebruik van de verschijning eener bezoekster om afscheid te nemen en mij weder bij mijn gezelschap te voegen. De heeren staan juist gereed te paard te stijgen.

“Gij zoekt dus uwe beste vrienden onder de seyeds, die onverbeterlijke geestdrijvers? zeg ik tot den Padri, op onzen terugweg naar Dsjoelfa.

—Ik houd innig veel van den seyed Mohammed Hosein, antwoordt hij, omdat die man een Christen van een gewissen dood heeft gered. Eenige jaren geleden kwam een Franschman te Ispahan. Uw landgenoot was geen priester, maar, door vurigen geloofsijver bezield, trad hij toch als zendeling onder de Perzen op. Het duurde niet lang, of ook hij kwam tot de overtuiging, dat zijne pogingen om de muzelmannen te bekeeren steeds vruchteloos zouden blijven; daarom trachtte hij de schismatieke Armeniërs van Dsjoelfa tot de katholieke Kerk terug te brengen.

De vice-gouverneur van Ispahan.

Bladzijde 177

“Zijne pogingen bleven niet lang verborgen voor den voorganger van den tegenwoordigen bisschop. Verontwaardigd over het bericht, dat de prediking van Eugène Bourrée op sommige Armeniërs een diepen indruk had gemaakt, stookte hij de schismatieke gemeente zooveel mogelijk tegen den zendeling op. Op bevel van den prelaat trachtten eenige geestdrijvers zich van den prediker meester te maken om hem te steenigen; zij zetten voor het huis waarin hij de wijk genomen had, eenige slechte kerels op wacht, met last om hem te grijpen zoodra hij zich buiten zou vertoonen. De toestand werd zoo gespannen, dat de lieden bij wie hij zich verscholen had, inderdaad vreesden dat hun huis zou worden overvallen en geplunderd.

“Mohammed Hosein, onderricht van het gevaar, waarin mijn vriend verkeerde, aarzelde geen oogenblik om hem te redden. Door een aantal bedienden vergezeld, verscheen hij in Dsjoelfa, ging naar het huis, waar Eugène Bourrée als muzelman gekleed hem wachtte, nam den prediker in zijn gevolg op, en begaf zich met hem naar Ispahan. De Armeniërs begrepen wel, dat hunne prooi hun ontsnapte, maar durfden geen aanval wagen op den talrijken, gewapenden stoet, aan welks hoofd een der achtenswaardigste seyeds van Ispahan zich bevond. Zij zonden gewapende mannen naar de gevaarlijkste punten van de karavanenwegen naar Shiraz en Kashan, met uitdrukkelijken last om den zendeling dood of levend in hunne handen te leveren.

“De seyed hield den Christen gedurende een maand in zijn huis verborgen, en toen hij eindelijk vernam dat de Armeniërs de hoop hadden opgegeven om hem te vangen, geleidde hij den prediker in persoon naar Kashan. Van daar kon de vluchteling, zonder verder gevaar, een haven aan de Kaspische-zee bereiken.

Ons geleide naar de mastsjed-Shâh.

—Padri, vroeg ik, stammen alle bewoners van Ispahan van den Profeet af? Ik zie vandaag niets dan blauwe tulbanden.

—Hun aantal is inderdaad zeer groot in de provincie Irak en hunne macht niet minder. Hoewel Mohammed bij zijn dood maar ééne dochter, Fatma, achterliet, die met haar neef Ali was gehuwd, schijnt zijn geslacht zich op schier wonderdadige wijze te hebben vermenigvuldigd: te oordeelen althans naar het niet te berekenen aantal groene of blauwe tulbanden, die men overal in het Oosten ziet.

“De begeerte om aan hun geslacht een hoogen ouderdom te verzekeren, en zich een blauwen of groenen tulband op het hoofd en een dito gordel om de lendenen te mogen winden, is echter niet de eenige reden die vele muzelmannen beweegt om aanspraak te maken op dezen godsdienstigen adeldom;—zij Bladzijde 178hebben daarbij een praktisch doel. Mohammed heeft zorg gedragen, dat het hem en den leden van zijn geslacht ook aan geene aardsche goederen ontbreken zou. Op grond van verschillende uitspraken van den Korân, maakten de afstammelingen van den Profeet, na zijn dood, aanspraak op het vijfde deel der inkomsten van alle geloovigen, en hieven gedurende eenige eeuwen zware belastingen van hunne geloofsgenooten. De voordeelen, aan deze afstamming verbonden, droegen er zeker niet weinig toe bij, om het aantal nakomelingen van Mohammed op verrassende wijze te vermeerderen.

“Tegenwoordig is de gewoonte om eene geregelde belasting aan de seyeds te betalen, nagenoeg in onbruik geraakt; maar in de groote steden, zoo als te Ispahan bij voorbeeld, waar de zoogenaamde afstammelingen van Mohammed een zeer talrijk gilde vormen, oefenen zij nog een overwegenden invloed uit, en maken daarvan gebruik om vooral de kleinere kooplieden te plunderen, die hun geld of hunne goederen aan deze heilige mannen niet kunnen weigeren.

“Bovendien worden zij, zelfs vóór de mollahs, belast met het beheer over alle kerkelijke goederen, en trekken zij daaruit en uit andere bronnen zeer aanzienlijke inkomsten, die velen hunner in staat stellen om te leven, zonder zelven iets te verdienen. Natuurlijk zijn zij jegens de Europeanen zeer vijandig gezind. Wij zijn echter den Iman Djoema en den moesjteïd dank verschuldigd, dat zij ons eenige seyeds ten geleide hebben gegeven, want hunne tegenwoordigheid was voor ons de beste waarborg: zonder hen zouden wij waarschijnlijk van ons bezoek aan de moskeeën niet zoo goed zijn afgekomen.”

Gelukkig zijn wij met onze bezoeken aan moskeeën en dergelijke gebouwen nu bijna klaar: wij moeten nog slechts den Iman Zadeh Jaffary gaan ziet. “Evenmin als de andere grafkapellen, ter eere van den heiligen Iman in de voornaamste steden van Perzië opgericht, bevat ook deze kapel het stoffelijk overschot van den metgezel van den Profeet. Toch geniet dit heiligdom in Ispahan eene bijzondere vereering; pater Pascal heeft ons dan ook aangeraden, nog voor zonsopgang uit Dsjoelfa te vertrekken, ten einde den Iman Zadeh te bereiken, eer de geloovigen hunne woningen verlaten om naar de moskee of naar den bazar te gaan.

Het monument verrijst te midden van een onregelmatig pleintje, aan alle zijden door armzalige, in de hoogste mate bouwvallige gebouwen omgeven. Het is een fraai achthoekig gebouwtje in mongoolschen stijl, met een koepel gedekt, waarboven zich vroeger een soort van pyramidaal dak verhief, zooals men dat nog bij de graven der sheikhs ziet. De kroonlijst en de fries, met arabische opschriften en bloemkransen versierd, schitteren nog in al de kleurenpracht van hun blauw geëmailleerde tegels. Uitgenomen eenige beschadigingen aan een deel van de kroonlijst en het gemis van het dak, is de Iman Zadeh nog zeer goed bewaard gebleven, en maakt een zeer aangenamen indruk door haar sierlijke afmetingen en den fijnen smaak der versiering.

Nauwelijks had ik mijn photografiestel weggeborgen, of ik bespeur tot mijn schrik aan het eind der straat een grooten blauwen tulband. De vijand nadert met een haast, die niets goeds voorspelt; hij stormt het pleintje binnen, heft zijn handen ter hemel, en barst los in een vloed van verwenschingen, die wij maar half verstaan. Eindelijk gelast de seyed ons, op hoogen toon, dadelijk heen te gaan en niet langer door onze tegenwoordigheid deze heilige plaats te bezoedelen. Wij lachen hem in zijn gezicht uit: zijne drift kent nu geene perken meer, en na op nieuw de straf des hemels over onze hoofden te hebben ingeroepen, verwijdert hij zich en spoedt zich naar den bazar. Eenige minuten later dringen een aantal kooplieden, door hem medegesleept, op het pleintje door; wij worden omsingeld, aangegrepen en vrij onzacht buiten de deur gezet.

Gelukkig hadden wij, Marcel en ik, ons kalm gehouden, en wetende met wie wij te doen hadden, geen weerstand geboden; maar zoodra wij uit de handen der menigte waren bevrijd, begaven wij ons naar den Padri en met hem naar de woning van den moesjteïd om ons over den seyed te beklagen en een geleide te verzoeken. Dit verzoek wordt aanstonds ingewilligd; eenige eerwaardige mollahs en een twintigtal bedienden gaan met ons, en zoo keeren wij naar den Iman Zadeh terug. De deur is zorgvuldig gesloten: de afstammeling van Mohammed heeft den lompen houten sleutel mede genomen, waarmede het hoogst eenvoudige slot wordt geopend. Door zulk eene kleinigheid mogen wij ons niet laten terughouden: de dienaars lichten de deur er uit, en wij treden allen te zamen op het pleintje, van waar de menigte ons een uur geleden met geweld verdreven heeft. De toeschouwers zijn zwijgend getuigen van het tooneel. Wij maken geen misbruik van onze overwinning en keeren, na eenige oogenblikken oponthoud, naar Dsjoelfa terug.

Wij zouden nu eigenlijk nog de ruïnen van eene mongoolsche moskee moeten bezoeken, maar wij hebben meer dan genoeg van mollahs, seyeds, platte daken, ladders en beschermers der vreemdelingen; wij bepalen er ons dan ook toe, eene afbeelding te maken van eene zeer fraaie minaret, die met fraai gekleurde tegels is versierd, in den trant der ornamenten der Iman Zadeh Jaffary.

De moskeeën van Ispahan zijn buiten kijf zeer fraai en zeer belangwekkend, maar het gaat niet gemakkelijk ze te bezoeken. Slechts aan het zeer stellig bevel van den Shâh Zadeh, aan de onverschrokken vastberadenheid van pater Pascal, en—ik mag het wel zeggen—aan onze eigene kalme volharding was het te danken, dat wij alle hinderpalen te boven kwamen.

XVIII

12 September.—Zijn de moskeeën in de muzelmansche stad en op den linkeroever van den Zendeh-Roed te vinden, de zomerpaleizcn, door de Bladzijde 179opvolgers van Shâh Abbas gebouwd, liggen allen op den rechteroever van de rivier, in de nabijheid van de christelijke stad. Het grootste en voornaamste van deze koninklijke lustverblijven, Farah Abad, werd aan den voet van den Koe-Sofi (Sofiberg) gebouwd door dienzelfden Shâh Hosein, die de Armeniërs zoo bitter vervolgde en een einde maakte aan den bloei van Dsjoelfa.

Naar dit paleis voerde een breede lommerrijke weg, eenige kilometers lang en ter wederzijde omzoomd door overwelfde galerijen, van afstand tot afstand voorzien van paviljoenen, voor de lijfwachten des konings bestemd. Deze prachtige heerbaan liep uit op een ruim plein, aan drie zijden omgeven door het koninklijk paleis. Kanalen, tusschen wit marmeren boorden gevat, voerden stroomende wateren naar eene wijde porseleinen kom in het midden van het gebouw, en naar de wonderschoone tuinen, waarvan de reizigers uit de zeventiende eeuw met zoo grooten ophef spreken.

Wat men ook Shâh Hosein verwijten kan, niet dat hij schatten heeft verspild aan kostbare steen- of houtsoorten. Alle muren en alle gewelven zijn van in de zon gedroogde tichelsteenen gemaakt; de wanden zijn met pleister bekleed en vertoonen geen spoor meer van beeld- of schilderwerk of eenige versiering; houten vloeren waren in het Oosten nooit in zwang: de aarde werd eenvoudig met matten belegd, waarover men tapijten uitspreidde; in sommige vensteropeningen ziet men nog sporen van beschilderd glaswerk, maar de meesten hadden in het geheel geene sluiting en waren eenvoudig van zeilen voorzien, om de zonnestralen te keeren. Een zoo slordig en uit zulke gemeene materialen opgetrokken paleis heeft natuurlijk aan den tijd geen weerstand kunnen bieden: de waterleidingen zijn vernield, de marmeren bekleedingen zijn verdwenen, de leemen wanden zijn ingestort, de tuinen zijn eene wildernis geworden. Zoo als het er nu uitziet, eene ruïne, kan men geen oordeel vellen over het paleis van Farah Abad, een van de grootsten, die ik ooit gezien heb. Toch houd ik het er voor, dat het ook vroeger niets groots of monumentaals in zijn voorkomen had: de nog overgebleven koepels zijn te plomp, de muren der galerijen rondom de binnenplaatsen te laag. De grootste bekoorlijkheid van deze koninklijke residentie was wel te danken aan den overvloed van stroomend water, aan den heerlijken lommer der bosschages, aan den rijkdom van planten en bloemen, aan de schoonheid van het landschap, en vooral aan de weelde van een oostersch hof.

Op een der terrassen van den berg staat nog een ander paleis, dat wel een bezoek waard is. Wij rijden de lange heerbaan weer af, beklimmen de steile hellingen van den Koe-Sofi, en bereiken langs een weg in zigzag een vrij smal platform, kunstmatig in de rots uitgehouwen. Een erg vervallen paleis—wederom een bouwval—staat voor ons.

De geschiedenis van dit paleis is een niet onaardig staaltje van de zonderlinge wijze, waarop de koningen van Perzië te allen tijde hun luimen en grillen wisten bot te vieren en aan hunne zonderlingste begeerten te voldoen.

Shâh Soliman, op zekeren dag in het gebergte ter jacht zijnde, rustte een poosje uit in den lommer van eenige boomen, aan wier voet eene bron uit den bodem welde.

“Welk een verrukkelijk landschap!” zeide hij tot zijn grootvezier, terwijl hij zijne blikken liet dwalen over de uitgestrekte vlakte aan zijne voeten; “ik zou wel gaarne mijne moeder hier brengen om haar Ispahan te laten bewonderen: op geen ander punt heeft men zulk een schoon gezicht op de stad”.

De vezier zeide niets, maar reeds den volgenden dag zond hij vierduizend werklieden naar den berg, met last om de rots uit te graven en een terrein te effenen voor den bouw van een paleis. Tevens liet hij een weg in zigzag aanleggen, ten einde de noodige kalk en andere materialen naar boven te kunnen brengen.

De inwoners van Ispahan vernamen spoedig wat de vezier in zijn schild voerde, en begaven zich naar de werkplaats, om hun oordeel uit te spreken over de keus van de plek en den spoedigen voortgang van het werk gade te slaan. Toen de vezier van dit drukke bezoek hoorde, kwam hij op den wonderlijken inval om daarvan partij te trekken, en de nieuwsgierige kijkers te dwingen, een vracht steen of kalk naar boven te dragen.

“Bij het hoofd des konings!” riep hij, “als hij soms een onwillige ontmoette: gij zult werken, zoo goed als ik zelf, want aldus is het welbehagen van Zijne Majesteit. Wie zou zoo vermetel en zoo onbeschaamd durven zijn, dat hij gehoorzaamheid weigerde aan het bevel des konings?”

Deze woorden deden allen de schrik om het hart slaan. Mannen, vrouwen en kinderen laadden kalk en steenen op hunne schouders en droegen ze naar het platform, in de stellige overtuiging dat de Shâh, van hun ijver onderricht, hen daarvoor beloonen zou. Enkele gunsten en belooningen, aan sommigen ten deel gevallen, vuurden den ijver dezer geïmproviseerde metselaars en opperlieden zoo zeer aan, dat het vervoer der materialen genoegzaam niets kostte.

“Onze wandeling,” zeide de Padri, “herinnert mij aan eene karakteristieke bijzonderheid uit het leven van den stichter van dit paleis. Shâh Soliman was niet minder bijgeloovig dan grillig. Toen hij, in het begin zijner regeering, door eene ernstige ziekte werd aangetast, schreef hij die, naar de verzekering zijner waarzeggers, toe aan den noodlottigen invloed van den stand der sterren bij zijne kroning. Daar hij nu geen man was om zich te laten beheerschen door gemeene sterren, verwisselde hij zijn naam Sussi tegen dien van Soliman en liet zich nog eens kronen, toen de stand der sterren gunstiger was. Het is inderdaad ongelukkig, dat dit hulpmiddel om rampen af te wenden, buiten het bereik ligt van gewone stervelingen!”

Het paleis van Shâh Soliman is van gebakken steenen gebouwd; desniettemin verkeert het in even rampzaligen toestand als dat van Farah Abad. Gelukkig echter, dat de Afghanen, die het paleis Bladzijde 180verwoestten, het prachtig panorama niet konden vernietigen, dat zich van deze hoogte voor de blikken ontrolt. Als men zich op eene eenigszins uitstekende punt, aan den voet van een toren plaatst, overziet men de gansche vlakte van Ispahan, den weg naar Shiraz, en aan den schemerenden horizon, in blauwachtigen nevel gehuld, de vallei van Golnabad, die eene treurige beroemdheid verwierf door den slag, welke hier tegen de legers der Afghanen geleverd werd. Gedurende hunne korte heerschappij gingen de overweldigers zoo ruw en tyranniek te werk, en de herinnering aan hunne wreedheden en buitensporigheden is nog, na verloop van meer dan eene eeuw, bij de bewoners van Ispahan zoo levendig gebleven, dat bijna iedereen u allerlei bijzonderheden weet te vertellen van den slag bij Grolnabad en de daarop gevolgde belegering der hoofdstad.