De Ainah-Khaneh. (Blz. 183.)
Ik heb reeds gewezen op de oorzaken van den opstand der afghaansche stammen; ik heb ook reeds gesproken van de onderwerping van Kandahar, de gevangenschap van Mir Weis en de herhaalde pogingen tot het verwekken van een opstand, na zijn terugkeer in het vaderland; ik heb verder verhaald, hoe zijn zoon Mahmoed een inval in Perzië deed en het beleg sloeg voor Yezd en Kirman.
Na herhaalde vruchtelooze pogingen om zich van die beide steden meester te maken, brak de afghaansche veldheer het beleg op, trok rechtstreeks naar de hoofdstad van Perzië, en sloeg in vermetelen overmoed zijn kamp op bij Golnabad. Toen hij in het gezicht van Ispahan kwam, was zijn leger, verzwakt door lange geforceerde marschen en door de herhaalde gevechten die hij had moeten leveren: Mahmoed had toen niet veel meer dan twintigduizend man onder zijn bevelen. Een honderdtal kleine kanonnen, door kameelen gedragen, en waarmede kogels van een tot twee pond konden worden geschoten, waren ten eenemale onvoldoende om bres te schieten in de muren eener stad, die meer dan vierhonderd stukken van het zwaarste kaliber op hare muren had staan. De stad, die door middel van twee goed verdedigde bruggen in gemeenschap stond met hare twee voorsteden op den rechteroever, Dsjoelfa en Abbas-Abad, was tegen verrassing gewaarborgd door de rivier, die langs hare wallen vloeide. Naar het zich dus liet aanzien, zou de poging van een weinig talrijk leger, dat door de garnizoenen van Yezd en Kirman van alle gemeenschap met zijn vaderland kon worden afgesneden, niet anders kunnen eindigen dan met een jammerlijke mislukking.
Gezicht onder de brug van Hassan-Beg. (Blz. 183.)
Na het paleis van Farah Abad te hebben verlaten, had Shâh Hoesein zich in zijne hoofdstad terug getrokken en de leiding der zaken opgedragen Bladzijde 182aan twee mannen van zeer uiteenloopend karakter. De eerste minister, Mohammed Koely-Khan, zich beroepende op de vergeefsche pogingen der Afghanen om Yezd en Kirman te bemachtigen, verzekerde dat de vijand nooit de hoofdstad zou kunnen innemen, aangezien hij het beleg van veel minder goed verdedigde steden had moeten opbreken; hij gaf mitsdien den wijzen raad, het in der haast bijeen geroepen en slecht geoefende perzische leger niet in het open veld te stellen tegenover een geharden, onverschrokken, aan den krijg gewenden vijand, die noch voor vermoeienissen, noch voor gevaren terugdeinsde, en door uitmuntende legerhoofden werd aangevoerd. Het opperhoofd der arabische stammen in dienst van Perzië, de wali van Arabië, stelde een geheel ander krijgsplan voor. In den krijgsraad voer hij hevig uit tegen hetgeen hij de lafhartigheid van den eersten minister noemde. “Wanneer een bandiet als Mahmoed, zeide hij, aan het hoofd van een handvol ellendige soldaten, de majesteit van den troon van Perzië kan beleedigen en de hoofdstad des rijks belegeren; wanneer wij achter onze muren en wallen opgesloten moeten blijven, in plaats van het vijandelijk kamp te vuur en te zwaard te verwoesten,—dan zou het nog beter zijn, het land, dat wij niet langer kunnen verdedigen, in handen van den vijand te leveren. Willen wij dat niet doen, laat ons dan onverwijld tegen de Afghanen oprukken en onze eer wreken door de vernietiging van vijanden, wier kracht alleen in onze angstvallige behoedzaamheid ligt.”
Deze ijdele grootspraak, zoo wel passende bij den nationalen trots der Perzen, bepaalde het besluit van den zwakken Shâh Hoesein, die aanvankelijk naar de wijze raadgevingen van zijn eersten minister geluisterd had, maar zich nu liet medesleepen door de pochende taal van den wali. Hij gaf bevel tot den slag, maar beging de schromelijke onvoorzichtigheid, het bevel over het leger toe te vertrouwen aan de beide mannen, die elkander vijandig waren gezind en wier adviezen in den raad lijnrecht tegenover elkander hadden gestaan. Het perzische leger, zestigduizend man sterk en uitmuntend uitgerust, verliet Ispahan onder die ongunstige omstandigheden.
De rechtervleugel, onder het kommando van Roestem-Khan, opperbevelhebber der koninklijke lijfwacht, leunde tegen het dorp Ispahaneh, dat wij in de vlakte, tegenover het paleis van Soliman, zien liggen; bij dezen vleugel voegde zich de wali van Arabië met zijne troepen. De eerste minister voerde den linkervleugel aan, ondersteund door den wali van Loristan, die vijfduizend ruiters onder zijne bevelen had. In het midden stonden de infanterie en de artillerie.
De afghaansche veldheer had zijn klein leger in vier afdeelingen gesplitst; door beproefde krijgers omringd, voerde hij zelf het bevel over den middentocht, terwijl het kommando over den rechtervleugel was toevertrouwd aan een zijner generaals, Aman Ullah-Khan. De linkervleugel, uitsluitend uit opgestane Parsis saamgesteld, werd door een hunner godsdienstige opperhoofden aangevoerd; aan het vierde korps werd de bewaking toevertrouwd van de artillerie, die met opzet achter den rechtervleugel was opgesteld. Voor het gevecht begon, reed Mahmoed op een olifant gezeten, langs de gelederen zijner soldaten: hij herinnerde hen aan de reeds bevochten zegepralen, vuurde hun moed aan door er op te wijzen dat de plundering van Ispahan de prijs der overwinning zou zijn, en toonde hun gevangenschap en een smadelijken dood in het verschiet, ingeval zij overwonnen werden. De rechtervleugel van het perzische leger opende het gevecht: de aanval was zoo hevig, dat de afghaansche troepen in verwarring geraakten. De wali van Arabië maakte eene zijdelingsche beweging en overrompelde het vijandelijke kamp; maar zijne Arabieren gingen zoo driftig aan het plunderen, dat hij hen niet meer kon verzamelen noch verder aan den strijd doen deelnemen.
Inmiddels had de eerste minister, aan het hoofd van den linkervleugel, den rechtervleugel der Afghanen aangetast. Aman Ullah-Khan gaf zijn troepen bevel, bij de nadering van den vijand te vluchten; de Perzen joegen in hunne blijdschap den wijkenden vijand na; maar deze verstrooide zich eensklaps, en nu stonden de vervolgers tegenover de honderd vuurmonden, die door geknielde kameelen werden gedragen. Een hevig, goed gericht vuur richtte geweldige verwoestingen aan in de eerste gelederen van deze legerafdeeling en verspreidde onder deze ongeoefende soldaten zulk een panischen schrik, dat zij, toen de schijnbaar vluchtende Afghanen eensklaps den aanval hervatten, voor een groot deel werden neergesabeld en in de uiterste verwarring op de vlucht sloegen, het gansche leger medeslepende. Aman Ullah-Khan maakte aanstonds van het verkregen voordeel gebruik: hij tastte de onverdedigd gelaten perzische artillerie aan, doodde de kanonniers bij hunne stukken, en richtte nu de vuurmonden op de perzische infanterie, die nog stand hield. Toen de Perzen hunne gelederen zagen vallen door hun eigen geschut, lieten zij den moed geheel zakken; in wanorde vluchtten zij van het slagveld en zochten eene toevlucht binnen de muren van Ispahan. Een aantal hunner deserteerden voor goed en keerden naar hunne dorpen terug.
Mahmoed liet de gelegenheid om tegelijk met de vluchtenden Ispahan binnen te dringen, ongebruikt voorbij gaan; overbluft door zijn geluk, trok hij zich binnen zijne verschansingen terug, en liet zelfs toe, dat eenige stukken geschut, die op het slagveld waren achtergebleven, door de Perzen werden weggevoerd. Eerst toen hij van spionnen vernomen had, hoezeer de nederlaag van het koninklijke leger schrik en ontsteltenis in de hoofdstad had verspreid, besloot hij de vijandelijkheden te hervatten. De overwinnaar trok nu naar Dsjoelfa, dat eene bestorming van twee dagen doorstond, maar zich toen moest overgeven. De christelijke stad kocht eene plundering af voor eene schatting van zeventigduizend tomans; bovendien moesten vijftig jonge meisjes uit de eerste familiën voor den harem van den overwinnaar worden uitgeleverd. Mahmoed sloeg daarop het beleg voor Ispahan Bladzijde 183zelf, dat weldra aan al de ellenden van den hongersnood ten prooi was. Shâh Hoesein deed, zooals wij weten, ten behoeve van Mahmoed afstand van den troon: daardoor redde hij de hoofdstad van de gruwelen eener plundering en menschenslachting op groote schaal, maar leverde het perzische rijk over in handen der Afghanen, die er eenige jaren den meester speelden.
14 September.—Heden morgen uitgaande, richtten wij onze schreden naar de oevers van den Zendeh-Roed, en volgden den loop der rivier tot wij aan den tuin van den Tsjaar-Bagh kwamen, en wel in dat gedeelte dat vroeger uitkwam in een groot park, onder den naam van Hezar Djerib bekend. Vuile aardhoopen, door den regen half weggespoeld, en een fraai duivenhok—ziedaar alles wat van de voormalige pracht dezer tuinen nog overig is. Voortgaande, bespeuren wij in den lommer van eenige platanen een zeer bevallig paviljoen, de Ainak Khaneh (Huis der spiegels.)
De naar de rivier gekeerde zijde prijkt met een smaakvolle portiek, gevormd door twaalf zuilen, die vroeger met geslepen spiegels waren bekleed. De zolderingen van cypressen- en platanenhout, met gouden biezen afgezet, de lambrizeeringen van gekleurd porselein, het kunstig gesmeede traliewerk der deuren en vensters: dit alles te zamen vormt een zeer schoon, echt vorstelijk geheel.
Vlak naast dit sierlijke paviljoen, waar de koningen uit de dynastie van Kadsjar gewoonlijk audiëntie verleenen, wanneer zij te Ispahan vertoeven, ligt over den Zendeh-Roed de brug Hassan-Beg, die wel de aandacht waard is. Dit met groote zorg en bijzondere weelde uitgevoerde kunstwerk dient tevens tot brug en tot dam of stuw. De pijlers rusten op eene bedding van zes-en-twintig el breedte, die het water tot twee el boven peil moet opstuwen; elke boog bestaat uit een kruisgewelf, rustende op vier massieve gemetselde pijlers. Wanneer men zich onder de brug begeeft en midden op den weg gaat staan, kan men het gansche bouwwerk in zijne lengte overzien, als eene galerij, gevormd door eene reeks van met koepels gedekte vertrekken. Het geheele ondergedeelte van den bouw, zooals de bedding, de onderlaag en de pijlers, zijn van gehouwen steen; de bovenbouw is van fraaien baksteen, met veelkleurige porseleinen tegels bekleed.
De rijweg der brug wordt omzoomd door twee galerijen, voor voetgangers bestemd. In het midden van die galerijen verheffen zich twee achtkantige paviljoenen, die verschillende vertrekken bevatten, welke gratis ten gebruike voor reizigers worden afgestaan. De witgepleisterde muren zijn voor een deel met opschriften en spreuken bedekt.
15 September.—Ons laatste uitstapje in de onmiddellijke nabijheid der hoofdstad geldt Sheristan, eigenlijk het oudste gedeelte van Ispahan, dat de plaats inneemt van het oude Djeï, maar dat nu ongeveer twee farsaks van de moderne stad verwijderd ligt.
Men volgt aanvankelijk den rechter oever van de rivier en komt dan in de aardige voorstad Abbas-Abad, evenals Dsjoelfa gebouwd langs belommerde grachten. Dan houdt de weg op en volgt men een spoor, dat aangewezen wordt door de hoeven van paarden op den zandigen grond. Na een rit van een uur gaan wij over de rivier en bevinden ons dan in de nabijheid van eene prachtige minaret, die eene hoogte bereikt van ruim negen-en-dertig el en met eene inscriptie in mozaïek is versierd. De minaret dagteekent uit den tijd der mongoolsche heerschappij.
In de nabijheid ligt nog eene brug over de rivier, van welke evenwel zeer weinig gebruik wordt gemaakt. Het vlek is zeer stil en schijnt zoo weinig bewoond, dat zelfs onze komst niet meer dan een twintigtal nieuwsgierigen op de been heeft gebracht. Behalve de minaret en de brug is er niets, dat eenigszins de aandacht verdient in deze kleine vergeten voorstad, waar niets meer aan het oude Djeï herinnert.
17 September.—Wij hebben, in tegenwoordigheid van den Padri, in behoorlijken vorm een contract gesloten met den tsjarvadar-bashi van eene armenische karavaan, die naar Shiraz moet vertrekken, en waarbij wij ons wenschen aan te sluiten. Wij hebben daarbij vijftien muilezels gehuurd voor het vervoer van onze bedienden en onze bagage, benevens twee rijpaarden voor ons zelven. Nadat alles geregeld en bepaald was, ontving de tsjarvadar-bashi, door zijn meesterknecht bijgestaan, de helft van den bedongen huurprijs voor zijn ezels en paarden; hij onderzocht nauwkeurig elk muntstuk en schoot er omstreeks honderd uit, die hij onder verschillende voorwendsels weigerde in ontvangst te nemen. Toen deze ceremonie was afgeloopen, deelde onze vriend mede dat hij den volgenden dag zou terugkeeren om de bagage te wegen en zich te overtuigen dat elke vracht niet meer bedroeg dan het voorgeschreven gewicht van dertien batmans tabrisi (vijf-en-zeventig kilos) of honderd-vijftig kilos voor elk muildier. De wegen van Ispahan naar Shiraz zijn zoo slecht, dat het gevaarlijk is, de dieren zwaarder te belasten.
“Wanneer vertrekken wij? vroeg ik.
—God is groot! antwoordde de meesterknecht van den tsjarvadar; een van onze reizigers is ziek; als hij niet binnen drie of vier dagen komt te overlijden, zal zijne ziekte van langen duur zijn, en dan zullen wij hem wel dwingen, zich op weg te begeven. Loopt het daarentegen met hem ten einde, dan zullen wij wachten tot na zijn dood; want een sterfgeval gedurende de eerste dagen van de reis ware een zeer slecht voorteeken.”
Kom aan, ik zie wel dat wij al den tijd hebben om onze toebereidselen te voltooien. In het gelukkige Oosten heeft niemand ooit haast.
19 September.—Twee dagen lang zijn wij bezig geweest met het telkens op nieuw verpakken van onze bagage, om de verschillende vrachten zoo te verdeelen, dat het reglementaire gewicht niet worde overschreden. Na eindeloos gehaspel is de bagage dan nu toch eindelijk in orde; alles is behoorlijk vastgemaakt en de vrachten zijn gelijkelijk over de muilezels verdeeld.
Heden morgen hebbon wij afscheid genomen van onze vrienden van Dsjoelfa en Ispahan. Van allen Bladzijde 184ondervonden wij de meeste hartelijkheid: wij zouden eene gansche karavaan hebben kunnen bevrachten met de geschenken aan vruchten, sorbets en confituren, die men ons met alle geweld wilde opdringen. De Padri en eenige andere heeren zullen ons uitgeleide doen tot halfweg de eerste halte. Met weemoed scheiden wij van Dsjoelfa; maar wij mogen niet toegeven aan droevige stemmingen: wij gaan naar Shiraz, het land van den wijn, de rozen en de dichters.
Armenische vrouwen.
XIX
19 September.—Tegen zonsondergang namen wij afscheid van den eerwaarden Padri en van de andere heeren, die ons tot dusver hadden vergezeld en nu naar Dsjoelfa terugkeerden. In alles behalve vroolijke stemming vervolgden wij nu stil onzen weg, gevolgd door den tsjarvadar, die de muildieren geleidt, en door een armenischen bediende, Arabet genoemd. Deze arme jongen heeft, onder bittere tranen, afscheid genomen van vrouw en kinderen, en zich als intendant bij ons verhuurd; ook hij gaat zijn geluk in Indië beproeven. Te Boeshir zal hij ons verlaten om met zijn verdiend loon den overtocht te betalen naar Bombay.
Nauwelijks is de zon aan de kim weggezonken, of duisternis omvangt ons. Het Oosten kent geene schemering: op den vollen dag volgt bijna zonder overgang de nacht. Het is doodstil: slechts het eentonig geschreeuw van enkele vogels, het nog eentoniger gezang van den muilezeldrijver, en het gekletter der hoeven op de keien, verbreken het diepe zwijgen der sluimerende natuur.
Wij verlaten de groote heirbaan en slaan een zijweg in, die ons eindelijk op eene open heide brengt. Na een poos omgedwaald te hebben, vinden wij de karavaan, die reeds voor het meerendeel in diepen slaap gedompeld ligt. Daar wij evenwel geen trek hebben om onder den blooten hemel te overnachten, dwingen wij den tsjarvadar, zeer tegen zijn zin, de reis voort te zetten. Na verloop van een kwartier komen wij aan een groot dorp; de intendant klopt aan het eerste huis het beste; maar wij zijn op het platte land, waar de boeren doodelijk bang zijn voor dieven: men opent dus niet eens de deur. Dezelfde poging wordt drie-, viermaal, met even weinig gevolg herhaald; eindelijk komen wij aan het huis van den ket-khoda.
“Doe open, in naam van den Shâh Zadeh!” roept mijn echtgenoot op gebiedenden toon, zoo goed mogelijk den tongval van Ispahan nabootsende.
Een paar knechts openen de deur op eene kier, en weldra vertoont zich de heer des huizes, die op het zien van onze witte helmhoeden een scheef gezicht trekt.
Mongoolsche minaret.
Gelukkig is de kok bereid borg voor ons te spreken.
“Deze Faranguis,” zegt hij, “zijn rustige en vreedzame lieden, die gij zonder eenige vrees in uw huis ontvangen kunt: gij zult bovendien voor uwe gastvrijheid ruimschoots worden betaald.
—Ik heb nimmer, ook zonder betaling, gastvrijheid geweigerd aan ware geloovigen; maar ik mag geene ongeloovigen onder mijn dak ontvangen, zonder toestemming mijner vrouwen; wacht een oogenblik: ik ga met haar spreken.”
En de ket-khoda keert in huis terug, zijne bedienden tot bewaking der deur achterlatende. Weldra dringt een verward gekrijsch tot ons door. Het voorstel van den heer des huizes heeft in den anderoen zulk een storm van verontwaardiging opgewekt, dat de gelukkige echtgenoot ons weldra, niet zonder eenige verlegenheid, komt berichten, dat hij ons onmogelijk ontvangen kan.
“Aan het uiteinde van het dorp,” zegt hij, “staat eene oude moskee, waarin de tsjarvadars soms hun bivouak opslaan; gij zult daar een goed nachtverblijf vinden, en zoo gij er heen wilt gaan, zal ik zorgen dat er hout en kolen worden gebracht.”
Op weg dan maar naar de moskee.
Dit bedehuis is rondom eene vierkante binnenplaats gebouwd: rechts en links van het heiligdom bevonden zich voorheen overwelfde galerijen, die nu in puin zijn gevallen; tegenover den hoofdingang is de eigenlijke zaal des gebeds, die in weinig beter staat verkeert dan de zijvleugels; maar in een der hoeken zijn nog drie koepelgewelven overgebleven, die althans een zekere schuilplaats aanbieden. De levensmiddelen, de dekens en mantels worden uitgepakt; de ket-khoda is zoo goed als zijn woord en zendt ons eene vracht hout; het vuur wordt aangestoken, onze eenvoudige avondmaaltijd klaar gemaakt, thee gezet; en hoewel wij bijna stikken van den rook, zitten wij toch heel huiselijk in de moskee, zeer verheugd dat wij, bij deze nachtelijke koude, althans niet in de open lucht behoeven te slapen.
20 September.—Toen ik des morgens wakker werd, scheen de zon in vollen luister: het is zeven uren; vliegen en bijen zwermen gonzend in het rond; en deze vervallen moskee, die 's nachts een zoo somberen indruk maakt, tooit zich voor een oogenblik met al de schoonheid van het landschap, dat men door de spleten en scheuren der half ingestorte muren ontdekt. Marcel is reeds sedert lang op de been: ik sta op mijn beurt ook op, en ben weldra buiten, aan den ingang van een fraai dorp; wat ik gisteravond voor eene kale heide hebt aangezien, blijkt nu vruchtbaar en bebouwd land te zijn.
Op driehonderd el afstands van de moskee is de karavaan in de vlakte gelegerd. Nog nooit sedert onze komst in Perzië, heb ik zooveel paarden en koopwaren bij elkander gezien. Van de grenzen van het dorp af is het, over eene lengte van ongeveer een kilometer, eene ophooping van kisten met opium en tabak, reusachtige balen in doeken van geitenhaar gewikkeld, van opgerolde tapijten, van hout, zeildoek voor tenten, van allerlei waren en goederen, sedert vier maanden in de karavanserais van Ispahan opgehoopt. Vrouwen, in de schaduw van de stapels neergezeten, trachten zich onder dichte sluiers en dekens aan de nieuwsgierige blikken te onttrekken; terwijl de mannen om het kamp vuren aanmaken en den dagelijkschen pilauschotel bereiden; een zestigtal tsjarvadars zijn hier en daar bezig de muildieren te roskammen of geleiden ze naar de slooten om te drinken. Daar is een reden voor de zoo buitengewone beteekenis van de karavaan: sedert het begin van den zomer zijn al de paarden en muildieren in beslag genomen voor het vervoer der tenten en verdere benoodigdheden van het kamp van den Shâh Zadeh, zoodat het karavanenverkeer tusschen Ispahan en Shiraz heeft stil gestaan.
Terwijl ik met welgevallen dit levendig tooneel gadesloeg, kwam Marcel naar mij toe, vergezeld van den tsjarvadar-bashi.
“Weet gij wel waar wij zijn?” vroeg hij mij lachende. “Te Ispahaneh, in het dorp dat men ons van de hoogte van het paleis van Soliman heeft gewezen. Wij hebben een marsch van vijf uren gemaakt om een paar mijlen af te leggen en dan den nacht door te brengen in een zoo kostelijk logement, als waarin wij nu geslapen hebben. Als wij op deze wijze voortgaan, zullen wij voor de reis naar Shiraz ongeveer even veel tijd noodig hebben als de kinderen Israëls voor hun tocht door de woestijn!”
Niets maakt mij zoo driftig als de opgeruimde stemming van mijn man, wanneer het ons op eene of andere manier tegenloopt.
“Als gij van plan mocht zijn, ons hier eenige dagen op te houden,” zeide ik, rood van kwaadheid, tot den aanvoerder der karavaan, “dan waarschuw ik u, dat ik naar Dsjoelfa terugkeer.
—Waarom maakt gij u toch boos, Excellentie? Gij zijt onbillijk. De meeste van uwe reisgezellen wachten hier sedert drie dagen op het teeken om te vertrekken, en toch beklagen zij zich niet. Ik kan onmogelijk binnen vier-en-twintig uren eene karavaan van ruim vierhonderd muildieren en tweehonderd personen organiseeren. Wij zijn wel genoodzaakt, een algemeen vereenigingspunt aan te wijzen, waarheen al de koopmansgoederen worden gebracht en waar al de reizigers samenkomen, naar gelang zij gereed zijn. In zulke omstandigheden is het onmogelijk, in eene karavanserai te kampeeren. Nog zijn alle goederen niet bezorgd, maar de karavaan zal, zonder fout, dezen avond zich op weg begeven. Bovendien heb ik besloten, niet langer op de achterblijvers te wachten: alle reizigers verstrooien zich op den weg naar Ispahan: de een gaat zijn pijp zoeken, die hij vergeten heeft; een ander moet nog eens, voor het laatst, van zijne vrouw en kinderen afscheid nemen; een derde moet noodzakelijk nog wat zout of peper koopen;—maar wat er ook gebeure, ik vertrek dezen nacht. Bevalt het u echter niet in de mastsjed, gaat dan naar de karavanserai van Ali-Khan, op den weg naar Shiraz: een uur voor de komst der karavaan, zal ik u laten waarschuwen, en gij kunt met ons trekken.” Bladzijde 187
Tevreden met de beloften van den tsjarvadar-bashi en met het vooruitzicht dat wij een ordentelijk nachtverblijf zouden hebben, wanneer de omstandigheden onzen vriend mochten beletten aan zijn voornemen gevolg te geven, laat ik dadelijk de paarden zadelen. Wij rijden langs de karavaan, die mij nog talrijker en grooter schijnt, nu wij haar aldus kunnen overzien, en komen na een rit van twee uren aan de prachtige karavanserai van Kala Shoer, gebouwd door den nauwgezetten ambtenaar, die weleer eigenaar was van het paleis van Koladoen, en dien de Shâh Zadeh naar Mekka ter bedevaart zond, ten einde de poorten van het paradijs voor hem te openen.
21 September.—Midden in den nacht worden wij gewekt door een bode, dien de tsjarvadar-bashi heeft afgezonden. Wij staan aanstonds op en zetten ons op de leemen banken langs den weg neder, om de komst der karavaan af te wachten. Weldra hooren wij in de verte het eigenaardig geluid dat hare nadering aankondigt: het getjingel der bellen, dat aanvankelijk klinkt als het geruisch van den wind in de bladeren van een bosch of het verwijderd gezang van vogels. Maar weldra wordt dit geluid al sterker en sterker; het geschreeuw van kinderen, het geroep der tsjarvadars vermengt zich met het duizendstemmig gerinkel der bellen en met de vele andere geluiden van eene talrijke karavaan op marsch. Het was inderdaad niet noodig, ons vooruit te waarschuwen; eene voorbijtrekkende karavaan maakt zulk een leven, dat zelfs de zeven slapers van Efeze wel wakker zouden worden.
Zoodra de eerste muildieren zichtbaar werden, plaatsten wij ons beiden aan het hoofd van den stoet, terwijl onze bedienden nog wachtten om zich bij de achterhoede te voegen. Wanneer men zich niet op de zware pakken uitstrekt, op den rug der lastdieren vastgebonden, maar als ieder Farangui te paard zit, dan is het niet geraden, zich tusschen de lastdieren te begeven, als men er ten minste niet op gesteld is, zijn beenen te breken of platgedrukt te worden. De muildieren, door een lofwaardigen ijver gedreven, trachten elkander in te halen, loopen in schuine richting, bijten hier, duwen daar, en bedienen zich zoo handig van hunne vracht als van eene wigge, dat men het grootste gevaar loopt, door de kisten en balen gewond of gekneusd te worden.
Wij nemen onzen intrek in eene fraaie karavanserai, onder Shâh Abbas gebouwd. Zij is tegenwoordig zeer vervallen; toch zouden er betrekkelijk slechts weinig belangrijke herstellingen noodig zijn, om de karavanserai weder in bruikbaren toestand te brengen. Maar wie, in het tegenwoordige Oosten, waaruit alle leven geweken schijnt en waar alles ruïne is, wie denkt er aan herstelling van wat ook?
Dezen avond zagen wij voor de eerste maal de armenische vrouwen van onze karavaan. Het zijn de moeder, de echtgenooten, de schoonzusters van twee kooplieden in Dsjoelfa, die eenige jaren geleden te Bombay een handelshuis hebben gesticht en nu genoeg verdienen om hunne familie tot zich te kunnen nemen. Een der beide broeders is naar Dsjoelfa gekomen, heeft de ouderlijke woning verkocht, en keert nu met de vrouwen, de kinderen en bedienden naar Indië terug.
Onze tsjarvadars volgen de kwade gewoonte van hunne collega's, die ons naar Teheran hebben geleid: zij wekken ons geregeld des avonds ten tien uren, opdat wij gereed zouden zijn om tegen middernacht te vertrekken. Op die manier blijven ons, na zonsondergang, maar een paar uren over om te slapen. De afstand tusschen de halten bedraagt gemiddeld acht à negen uren; de zeer koude, bijna ijzige temperatuur des nachts stijgt zoo zeer tegen het midden van den dag, dat wij den tijd voor de siësta bestemd, doorbrengen met ons af te koelen en een rusteloozen strijd te voeren tegen de vliegen, wier venijnige steken ons martelen. Wat is de statistiek toch eene mooie, ernstige wetenschap! Volgens haar fraaie theorie van de gemiddelden, bevinden wij ons in een warm, maar toch altijd gematigd klimaat: de waarheid is, dat wij 's nachts bijna bevriezen en des daags zwoegen onder eene tropische hitte!
Na door de vruchtbare vlakte van Koemisheh te zijn getrokken, kwamen wij den volgenden dag te Yezd-Khast, waarvan de eigenaardige ligging mijne aandacht trok. Midden in eene vruchtbare, bloeiende vallei, vol tuinen en akkers, rijst eene langwerpige rots omhoog, omstreeks vijfhonderd el lang en honderd-zeventig el breed. Die rots is bedekt met huizen, waarvan de buitenmuren eene voortzetting schijnen van de steile rotswanden. Deze natuurlijke vesting, die door eene ophaalbrug met het hoogste gedeelte der vlakte verbonden is, wordt doorsneden door enkele straten, evenwijdig loopende met de lengte-as der rots. De huizen ontvangen allen hun licht van de buitenzijde: deze afwijking van de vaste bouworde in het Oosten vindt hare verklaring in de ligging op eene vrij aanzienlijke hoogte en in het gebrek aan de noodige ruimte op het rotsvlak.
De in verhouding tot de grootte van het vlek zeer talrijke bevolking van Yezd-Khast verheugt zich in die gouden middelmaat, die volgens de dichters het toppunt van geluk is. Zij dankt haar welwaart aan de vruchtbaarheid van den grond, aan het overvloedige water, dat in den winter langs beide zijden van de rots afstroomt, en vooral aan de zorg, waarmede de landlieden zich op den graanbouw toeleggen. Daarentegen valt nu juist niet te roemen op de openbare zindelijkheid in het vlek. Daar zij in de rots geen putten en riolen kunnen of willen graven, werpen de inwoners alle faecaliën en verdere onreinheden eenvoudig uit de ramen hunner woningen; de vloeibare stoffen worden door het water van de beek medegevoerd; de vaste hoopen zich op, verharden en vormen rondom het dorp een krans van bruine, scherp gepunte stalagmiten. Als die stalagmiten al te dicht tot de uitstekende balkons der huizen naderen, slaan de eigenaars de harde massa's stuk, en voeren ze naar beneden in het dal, waar zij door het bevloeiingswater worden opgelost en aan den grond die spreekwoordelijk geworden vruchtbaarheid schenken.
Is de uitmuntende hoedanigheid van het brood Bladzijde 188van Yezd-Khast te danken aan de zuiverheid van het water der beek, of aan de kwaliteit van het koren, op dezen zoo uitstekend vruchtbaren grond geteeld? Ik weet het niet; maar reeds te Tauriz hoorde ik de lichtheid en den heerlijken smaak roemen van de brooden van Yezd. “Niets in deze wereld is te vergelijken met den wijn van Shiraz, het brood van Yezd-Khast en de vrouwen van Kirman”, zegt een perzisch spreekwoord. Als echte Perzen exploiteeren de inwoners van het vlek de reputatie van hun brood en oefenen zij allen min of meer het beroep van bakker uit. Zij bieden hun brood te koop, en de reizigers verzuimen nooit, daarvan den noodigen voorraad op te doen; na verloop van eene week is het brood zoo hard als een steen, zoodat men het aan stukken moet slaan en in water weeken, maar dat hindert niet: het is immers altijd het brood van Yezd-Khast?
De Perzen zijn er altijd op uit, in den handel elkander te bedriegen, maar niemand wil dat laten merken of toegeven dat hij beet genomen is. De goedkoopste levensmidden worden, evenals voorwerpen van groote waarde, bij het gewicht verkocht; mits de schalen er bij te pas komen, zijn koopers en verkoopers tevreden. Twee mandjes, met koorden vastgemaakt aan een stok, dien men in het midden vasthoudt; steenen van verschillende grootte, waaraan slechts het ijkmerk ontbreekt om wezenlijke gewichten te zijn: ziedaar het min of meer problematische instrument, dat de weegschaal der gerechtigheid voorstelt. Is de hoeveelheid, die gewogen moet worden, lichter dan de kleinste steen, dan herstelt de koopman het evenwicht door op de eene schaal nog iets, wat dan ook te werpen: en Themis zou wel zeer kitteloorig moeten zijn, als zij daarmede geen genoegen nam.
Dezen morgen wilde ik een meloen koopen, die iets meer dan een batman woog; na vruchtelooze pogingen om de schalen in evenwicht te krijgen, wierp de fruithandelaar eindelijk zijn pantoffel op de schaal.
“Hoeveel weegt uw pantoffel? vroeg een al te nauwgezet toeschouwer.
—Een tiende van een batman.
—Met of zonder stof?
—Zonder stof.
—Waarom hebt ge dan uw pantoffel niet eerst uitgeslagen?
—Gij hebt gelijk,” antwoordt de koopman, en zijn pantoffel opnemende, klopt hij die, met het ernstigste gericht, op zijn dij uit, waarna hij die weder op de schaal legt.
Ik heb inderdaad geen recht, om mij over mijne drie stuivers te beklagen.
De koopman van zijn kant onderzoekt nauwkeurig de geldstukjes, laat ze op een steen vallen om den klank te beproeven, eischt dat ik twee van de drie zal ruilen, en verklaart zich ten slotte voldaan.
XX
25 September.—“Wij zullen voortaan onze eigene muziek hebben. In de karavaan zijn namelijk allerlei beroepen vertegenwoordigd: wij vinden er onder anderen een koopman in katten en een harpenaar. Vroeger zeer goede vrienden, hebben zij te zamen een muilezel gehuurd, onder voorwaarde dat ieder op zijn beurt daarop rijden zou; maar tegen hunne verwachting hebben zij twist gekregen, die zoo hoog is geloopen, dat zij nu geslagen vijanden zijn. De een beweerde, dat het miauwen der katten hem stoorde in zijne muzikale studiën; de ander hield staande dat zijne katten ziek en zenuwachtig werden van het ellendig getokkel van den harpspeler.
Tengevolge van deze ruzie heeft de kattenkoopman, die door de fortuin meer begunstigd is dan de jonger van Apollo, den tsjarvadar-bashi omgekocht, en zich zelven als den eenigen eigenaar van den muilezel doen erkennen. De ongelukkige muzikant, niet wetende wat te doen en vreezende in de karavanseraï achtergelaten te worden, is ons komen smeeken, dat wij hem in onze dienst zouden nemen. Hij zal onze maaltijden opvroolijken met zijne muziek, en tot belooning mag hij met zijn instrument plaats nemen op een onzer muildieren.
De harp van onzen bard heeft de gedaante van een boog en is voorzien van eene enkele snaar, waarop hij met de rechterhand met een houten hamer slaat, terwijl hij met de linkerhand, die geheel met wol omwikkeld is, het instrument vasthoudt. Die wollen band is geen ijdel sieraad: want zonder deze bedekking zou de kunstenaar groot gevaar loopen, zijne vingers te verbrijzelen, wanneer hij, in heilige geestdrift ontstoken, in den blinde op de snaar loshamert, en aan zijn instrument tonen ontlokt, niet minder welluidend dan die van een tamboerijn.
De vijand van onzen harpenaar, de koopman in katten, is een inwoner van Yezd, die een twintigtal fraaie angorakatten van Tauriz naar Bombay voert. Sedert eenige jaren reist hij onophoudelijk tusschen Perzië en Indië heen en weder; en naar het schijnt, levert zijn handel hem aardige winsten op.
De muzikant van de karavaan.
Zoo de oostersche katten al even weinig als hare europeesche zusters op klassieke muziek gesteld zijn, heeft men geen recht haar dat kwalijk te nemen; het komt mij zelfs voor, dat zij wel eenige reden hebben om uit haar humeur te zijn, nu zij gedwongen worden zulk eene lastige en onaangename reis te maken. Kan men voor een huiselijk poesje iets tergenders en ergers bedenken dan eene reis van zestig dagen per karavaan, gevolgd door een zeereis van dertien dagen? Metterdaad zou het niet mogelijk zijn, dieren van een zoo onafhankelijk en zoo moeilijk te temmen karakter als de katten, op deze wijze te vervoeren, indien de eigenaar niet stipt toezag, dat onder zijne bende de strengste tucht werd gehandhaafd. Bij de aankomst in de karavanserai zoekt de koopman een afgelegen vertrek uit, zoo ver mogelijk van den muzikant verwijderd; hij steekt twee ijzeren haken stevig in den grond en bevestigt daaraan een lang touw, waarvan de koorden worden vastgebonden, die aan de halsbanden der katten Bladzijde 190zijn vastgemaakt. De dieren worden gerangschikt naar hunne grootte, met eene tusschenruimte van een halve el; zij zitten of liggen op den linnen zak, waarin zij 's nachts verblijf houden. De jonge katjes worden met de moeder opgesloten in eene soort van kooi, waarvan de tralies ver genoeg van elkander verwijderd zijn, dat zij er uit kunnen kruipen.
Die bende brengt den geheelen dag half slapende en soezende door, en wordt eerst wakker, als de tijd voor voedering gekomen is. Dan geraakt alles in beweging: de katten springen, miaunen, schreeuwen, maken een leven dat hooren en zien vergaat. Zoodra de portie schapenvleesch is rondgedeeld, wordt alles weer stil; ieder eet rustig zijn deel op en gaat dan weer liggen dutten. De kleine katjes schijnen beter tegen de vermoeienissen van de reis bestand te zijn, dan de groote: zij spelen met elkander en denken er niet aan weg te loopen, terwijl de grootere katten onophoudelijk pogingen aanwenden, om met haar tanden en haar nagels de stevige touwen van geitenhair te verscheuren, waarmede zij gebonden zijn. Is de tijd voor het vertrek gekomen, dan wordt elke kat opgesloten in den zak, die haar tot tapijt verstrekte; de zakken worden twee aan twee gebonden en op een paard gelegd, dat zeker niet zeer ingenomen is met eene vracht, die onophoudelijk aan hare ontevredenheid lucht geeft door een concert van de meest wanluidende kreten.
De katten, die op deze wijze naar Indië vervoerd worden, zijn witte langharige angora's; ter plaatse der bestemming aangekomen, kosten zij vijftig tot zestig francs per stuk.
26 September.—Wij zijn te Abadeh, eene naar het schijnt vrij belangrijke stad, die niet alleen een telegraafkantoor, maar ook een gouverneur bezit. Deze laatste kan ons van dienst zijn: de tsjarvadar-bashi weigert, overeenkomstig zijne belofte, een dag te Abadeh op te houden, om ons den tijd te geven, een uitstapje te maken naar de de oase van Eklid, waar zich eene zeer merkwaardige moskee moet bevinden.
Mijn echtgenoot zou zeer ongaarne van dit uitstapje afzien; wij maken dus aanstonds van de gelegenheid gebruik om de tusschenkomst van den gouverneur in te roepen, die den tsjarvadar-bashi voor zich laat ontbieden. “Hoe, ellendige aardworm,” voert hij hem te gemoet, “gij hebt u bij geschreven overeenkomst verbonden om te Abadeh halt te houden en dezen heeren de gelegenheid te geven om naar Eklid te gaan, en gij weigert uwe belofte te houden! Weet gij wel, dat zoo Hunne Excellentiën goedvonden, uwe karavaan, met of zonder contract, tien dagen hier te doen blijven, ik u zou dwingen te gehoorzamen?
—Hakem (gouverneur), ik kan hier niet blijven. Mijne muildieren zijn sterk en kunnen zonder eenige moeite de reis vervolgen; vierhonderd muilezels eten op een dag vrij wat stroo en haver; ik heb verkeerd gedaan met te beloven, dat ik hier zou blijven, maar ik moet morgen vertrekken.
—Kunt gij zwemmen?” roept de gouverneur, terwijl hij zijn dienaren een wenk geeft.
Nauwelijks heeft hij deze woorden gesproken, of nog eer de tsjarvadar-bashi iets heeft kunnen zeggen, wordt hij door vier mannen bij de armen en beenen gegrepen en opgetild, met de bedoeling om hem in een vijver, midden op den binnenhof, te werpen. Gelukkig heb ik nog juist den tijd, de mannen tegen te houden en genade te vragen voor den ongelukkigen tsjarvadar: tot groote teleurstelling der toeschouwers, die zich reeds verheugden in het vooruitzicht, hem in het water te zien spartelen en met doorweekte en gescheurde kleederen uit den vijver te zien kruipen.
“O, Çaheb! zegt de tsjarvadar tot mij, gij redt mij het leven: ik ben zestig jaren oud en geheel van mijn streek door de woorden van den hakem; wat zou er van mij geworden zijn zonder uwe tusschenkomst. Mijne karavaan zal volgens uw bevel marcheeren, maar vertoef zoo kort mogelijk in den omtrek van Eklid; zoo ik ongelijk had, mijn woord te verbreken, heb ik u toch niet bedrogen, toen ik zeide dat de streek onveilig was.
—Houd uw mond, hondekind! schreeuwt de gouverneur. Wilt gij dat ik u tweehonderd stokslagen laat toedienen? Wie durft er te spreken van roovers in eene provincie, waarover ik het bewind voer? Allah zij geloofd! mijn zoon zal zelf deze doorluchtige vreemdelingen naar Eklid vergezellen en voor hunne veiligheid waken. Ga weg; morgen ochtend, tegen zonsopgang, moeten de paarden dezer heeren en van hunne bedienden hier zijn; zoo wil ik het!”
Dit alzoo geregeld zijnde, begeven wij ons naar den bazar, de eenige plaats waar de vreemdelingen in de steden van het Oosten zich een denkbeeld kunnen maken van den handel en de nijverheid der plaats. De bazar van Abadeh kenmerkt zich vooral door keurig snijwerk in hout; wij zien hier smaakvol bewerkte lepels, bekers, spiegels, inktkokers en juweelkistjes, waarop met zeer veel kunst het perzische wapen is uitgesneden.
Ondanks de bevelen van den hakem, vertrokken wij den volgenden morgen toch eerst vrij laat van Abadeh, en sloegen den weg in naar Eklid, vergezeld van den zoon van den gouverneur, een jonkman van omstreeks zestien jaren, die waarschijnlijk zeer tegen zijn zin den anderoen verlaten had, hem vóór drie maanden door zijn vader geschonken, om met ons een tocht naar het gebergte te ondernemen. Hij liet evenwel daarvan niets merken, maar deed alles wat in zijn vermogen was om ons aangenaam te zijn. Na een rit van omstreeks zes uren door een dor, heuvelachtig terrein, zien wij tegenover ons eene natuurlijke opening in de heuvelreeks, waarin zich de weg verliest.
“Het land Eklid begint achter die poort,” zeide onze gids; “maar wat willen toch de lieden, die ik daar op de hoogten zie?”
Nauwelijks heeft hij dit gezegd, of geweerschoten knallen en kogels vallen niet ver van ons op den grond.
“Zal men ons aanvallen, en moeten wij op die schoten antwoorden?” vroeg ik.
—Schiet in de lucht, zoodat die honden zien dat Bladzijde 191gij gewapend zijt; onderwijl zal ik onderzoeken wat dit beteekent. Allah moge ons beschermen! Draagt zorg, niemand van deze bandieten te kwetsen, want als er bloed vloeit, zullen wij allen vermoord worden. Misschien zal men ons plunderen; maar als gij voorzichtig zijt, zal u geen leed geschieden.”
Dit gezegd hebbende, zet hij zijn paard in galop, zwaait met zijn armen in de lucht en laat ons op den weg achter. De lieden op den heuvel bemerken spoedig de signalen van den zoon van den gouverneur; zij dalen in de vallei af, en omringen, ten getale van acht of tien, het paard van den jonkman. Hij wenkt ons nu, naderbij te komen, en weldra bevinden wij ons te midden van eenige bewoners van Eklid, met vuursteengeweren gewapend, waarmede zij op ons geschoten hebben.
Eklid is geen dorp, zoo als wij gedacht hadden, maar eene groote oase, die zich over eene lengte van bijna dertig mijlen uitstrekt aan den voet der uitloopers van de bergen van Loristan. Talrijke beken dalen van die bergen af en schenken aan het geheele plateau eene buitengewone vruchtbaarheid. De hooge ligging van de oase begunstigt de kultuur van vruchtboomen uit koudere streken, zoo als noten en appelboomen; maar het voornaamste voortbrengsel is koren, dat hier zoo rijke oogsten oplevert, dat de bewoners van deze gezegende streek nimmer de plaag hebben gekend van den hongersnood, die in Perzië dikwijls voorkomt, vooral ook tengevolge van het gemis van middelen van gemeenschap. Ongelukkig kan Eklid, in tijden van gebrek, niets van zijn overvloed mededeelen aan de omringende landstreek, want de vrees voor plundering houdt elk vervoer tegen.
Gedurende den laatsten hongersnood, nu drie jaren geleden, trachtten de boeren van Eklid koren naar Abadeh te brengen, maar zij moesten daarvan afzien, hoewel de afstand niet veel meer dan veertig mijlen bedraagt en een khalvar (driehonderd pond) koren te Eklid vijftien en te Abadeh zestig francs kostte. De bewoners van den omtrek wachtten de karavanen op bij den uitgang der oase, plunderden ze en vermoordden de kooplieden, die zich wilden verdedigen. Ook na het einde van den hongersnood behielden de bandieten de gewoonte om op dezen weg te stroopen: zij roofden de schapen van de herders en plunderden de kleine karavanen. De bewoners der oase beklaagden zich bij den koning: natuurlijk te vergeefs: Nasr ed-Din had persoonlijk noch door den hongersnood, noch door de rooverijen geleden, en bekommerde er zich dus niet om. De boeren richtten toen eene soort van eigene militie op, die de toegangen moest bewaken en onbekende ruiters, die hun weg namen naar Eklid, moesten tegenhouden.
De zeer uitgestrekte oase komt mij echter voor, minder schoon en vooral minder schilderachtig te zijn dan die van Koeroet. Zij wordt doorsneden door paden, die ter wederzijde door prachtige tuinen zijn omzoomd, waartusschen zich talrijke beekjes slingeren; maar de grond is zoo vlak, dat men zich moeielijk een denkbeeld maken kan van de uitgestrektheid der bouwlanden, terwijl de oase van Koeroet, die zich amphitheatersgewijze verheft, een veel grootscheren aanblik oplevert en met één oogopslag is te overzien. Nauwelijks hebben wij onze bagage en onze wapenen geborgen in de woning van een rijken grondbezitter, die op het oogenblik afwezig is, of wij vragen aanstonds dat men ons naar de moskee zal brengen. Men geleidt ons nu door een groot dorp, dat half in puin ligt, en vervolgens naar een bosschage van prachtige notenboomen; daar worden wij, zonder eenig tegenstribbelen, binnengeleid in eene kleine uit leem opgetrokken moskee; de zaal van den mihrab, gedekt met een afschuwelijken koepel van dezelfde gemeene bouwstof als de muren, is half eene ruïne. Daarentegen wordt het gebouw vrij netjes onderhouden: de muren zijn gewit en versierd met groen geschilderde teksten uit den Koran.
Ik weet niet, of ik mij boos zal maken, dan wel in stomme verbazing berusten. Hoe nu: wij hebben onzen tsjarvadar-bashi in ongelegenheid gebracht, ons zelven blootgesteld aan de kans om doodgeschoten te worden, en een omweg van zeventig kilometers gemaakt, en dat alles ter wille van eene hoogst alledaagsche leelijke dorpsmoskee.
Met het heilige voornemen, voortaan minder lichtgeloovig te zijn, verlaten wij de moskee en richten onze schreden naar de beroemde bronnen van Eklid. Het water welt op verschillende plaatsen uit de rots op en vormt verschillende diepe kommen, waarin reeds menige onvoorzichtige, die zich daarin baden wilde, is verdronken. Om niets over te slaan, bezoeken wij ook nog de volstrekt onbeteekenende bouwvallen van een klein paleis uit den tijd der Sofis, en keeren eindelijk naar ons logies terug, zeer vermoeid en nog meer ontstemd en teleurgesteld.
28 September.—Het klimaat van Eklid is, naar men zegt, zeer gezond, en dat is ook wel te begrijpen: de zuivere lucht, de overvloed van helder stroomend water, en de rijkdom van prachtig geboomte maken dit plekje grond tot eene bij uitzondering gezegende streek. De gezondheid der bewoners zou dan ook niets te wenschen overlaten, indien zij niet de verfoeilijke gewoonte hadden aangenomen van zich te kleeden in engelsch katoen, dat door kooplieden uit Ispahan naar Abadeh wordt gezonden; deze verkeerdheid, gevoegd bij de noodzakelijkheid om, bij het schoonmaken der bevloeiingsbeken, met de voeten in het water te staan, heeft hier longtering en rhumatiek inheemsch gemaakt.
Nog voor de dag was aangebroken, hoorden wij aan de buitenpoort onzer woning kloppen. Weldra was het voorhuis opgevuld met kranken, die gedurende den nacht met hunne bloedverwanten, uit den geheelen omtrek hierheen waren gekomen, in de hoop dat wij hen zouden kunnen genezen. Onder deze bezoekers bevinden zich ook twee schoone vrouwen van den stam der Bakhtyaris, die in de bergen van Loristan woont. Eene van haar vernam van een harer bedienden, die gisteren te Eklid vertoefde, dat wij daar waren aangekomen. Zij is aanstonds vertrokken, in gezelschap van hare zuster, en heeft den ganschen nacht doorgereisd, Bladzijde 192een kind medevoerende van vijfjaren, dat er jammerlijk zwak en lijdend uitziet en nog niet staan kan.
Het consult was bijna afgeloopen, toen de zoon van den gouverneur van Abadeh onze kamer binnentrad:
“De paarden zijn gereed, zeide hij; ik heb wachten voor uwe deur laten zetten om verderen aandrang van patiënten af te weren. Als gij naar de klachten van al deze lieden wilt luisteren, dan komt er nooit een einde aan. Wij moeten vertrekken, want wij hebben een langen weg af te leggen, wij hebben nog nauwelijks den tijd om vóór den nacht te Soerneh te komen, waar wij de karavaan moeten aantreffen.”