Het aanbieden der schatting.
Op een ander beeldwerk is de koning wandelende voorgesteld, met een langen staf of schepter in de hand en gevolgd door twee dienaren, die een waaier van vederen en een zonnescherm dragen: twee onmisbare zaken in een land, waar de zon zoo fel branden kan als in Perzië. Hier laat Darius de plooien van zijn lang overkleed langs den grond slepen; de koninklijke lijfwachten Bladzijde 278dragen hetzelfde slepende gewaad; de dienaars van lageren rang daarentegen, die door hun dienst ook buiten het paleis worden geroepen, dragen eene korte tuniek, die om de heupen met een gordel is saamgebonden, benevens de anaxyris of pantalons, waaraan op de romeinsche bas-reliefs de parthische krijgers kenbaar zijn.
Eene boven het hoofd van den koning geplaatste inscriptie luidt aldus: “Darius, de groote koning, de koning der koningen, de koning der landen, zoon van Hystaspes den Achemenide, heeft dit paleis gebouwd.”
Zoo de bas-reliefs aan de deuren allen betrekking hebben op het leven van den souverein, dragen de tafreelen, die de zijwanden der trappen bedekken, daarentegen een meer huiselijk karakter. Wij zien daar een reeks van bedienden, die jonge geiten, schalen met vruchten, zakken met wijn of met graan naar het paleis dragen.
Langs de trappen, die van de binnenhoven naar de platte daken van den tempel van Edfoe voeren, herinner ik mij, in bas-relief, lange optochten te hebben gezien van priesters, die, op bepaalde feestdagen, booten of andere gewijde zinnebeelden droegen. Het denkbeeld van deze soort van dekoratie zou dus aan Egypte zijn ontleend. Maar niet alzoo de voorstelling zelve: de personen, die geacht worden langs de trappen naar het paleis op te stijgen, komen den koning, ter gelegenheid van het nieuwe jaar, een geschenk aanbieden. Sedert deze beeldwerken werden vervaardigd, zijn vijf-en-twintig eeuwen verloopen, en nog heden is deze oude en zeer winstgevende gewoonte te Teheran in zwang.—Om den overblijvenden hoek aan de boventreden te vullen, heeft de beeldhouwer onder de genoemde personen een der belangrijkste beeldwerken van Persepolis aangebracht. Het bas-relief verbeeldt een gevecht tusschen een stier en een leeuw. Deze laatste heeft zich van achteren op zijne tegenpartij geworpen en zijn machtige klauw in de zijde van den stier geslagen, die, met de voorpooten steigerend, den kop omwendt. De standen zijn naar waarheid weergegeven; vooral de poot en de schouder van den leeuw zijn uitmuntend bewerkt; de teekening is zuiver en sierlijk; de bekwaamheid, waarmede het harde porfier is bearbeid, verdient inderdaad bewondering.
Op ongeveer vijf-en-zeventig el afstands van het paleis van Darius ziet men de overblijfselen van twee andere paleizen, door Xerxes en zijne opvolgers gebouwd, en die geheel overeenkomen met de monumenten, door den stichter van Persepolis opgericht.
In noordwestelijke richting den voet des bergs volgende, komen wij aan het grootste en indrukwekkendste gebouw van deze geheele ruïnengroep: de apadâna met honderd zuilen, die eene oppervlakte besloeg van vijf-duizend vierkante meters. De deuren en de vensters aan de vier zijden zijn nog in stand gebleven, maar met uitzondering van deze zware steenen, ziet men boven den grond niets meer dan de voetstukken der zuilen.
Sommige bas-reliefs in de deurposten geven dezelfde tooneelen te aanschouwen als die in het paleis van Darius; anderen vertoonen een geheel eigenaardig karakter. Een daarvan verbeeldt ongetwijfeld het betalen der schatting of belasting. Van boven ziet men den koning, op een stoelvormigen troon gezeten, onder een troonhemel; zijne voeten rusten op eene vrij hooge vierkante voetbank; een dienaar houdt een vederen waaier boven zijn hoofd; lijfwachten omringen hem; een officier, kenbaar aan de aan zijn gordel bevestigde sabel, draagt een zwaren zak over den schouder, die waarschijnlijk de schatting bevat van eene of meer provinciën. Daaronder ziet men wederom de lijfwachten des konings, de geduchte Onsterfelijken, afgebeeld, kenbaar aan hun hoofddeksel en aan hun lang gewaad. Sommigen houden eene lans in de hand, anderen zijn met pijl en boog gewapend.
De vorm van den troonzetel is assyrisch, met dit verschil dat de pooten gedraaid, en niet eenvoudig vierkant bewerkt zijn; de afhangende draperie is zeer waarschijnlijk van goudstof en op eigenaardige wijze versierd met borduurwerk, waarin men weder de bekende stierenbeelden en het gevleugeld zinnebeeld van Ahoeramazda aantreft.
Is het niet als wilde Darius in zijn paleis alle wonderen van Azië en Afrika te zamen brengen, en tot versiering van zijne vorstelijke woning de kunstvaardigheid en de schatten der onderworpen volken als om strijd doen medewerken? Aan Ionië ontleende hij de algemeene inrichting en ordonnancie van het gebouw, den vorm der openingen en de ornamentale beeldhouwkunst; aan Lycië, de zolderingen en de terrassen; aan Egypte, de zuilen met haar voetstukken, alsmede de bekroningen der deuren; aan Assyrië de standbeelden; terwijl hij aan de Perzen de taak opdroeg om deze verschillende elementen tot een harmonisch geheel saam te voegen, geleid door dien smaak en dat gevoel voor maat en evenredigheid, die de Iraniërs bij de versiering hunner gebouwen steeds hebben ten toon gespreid.
De studie der bas-reliefs van Persepolis leert onwedersprekelijk de hoogere voortreffelijkheid der beeldwerken van den Takhteh-Dsjemsjid boven die van Madereh-Soleïman. De kunstenaars uit den tijd van Darius en zijne opvolgers hebben het veel verder gebracht in de afbeelding der plooien van de gewaden, die vroeger eenvoudig door lijnen of gekleurde strepen werden aangewezen; hun werk draagt een grootschen stempel en is, ondanks de gebreken, geheel in harmonie met de gebouwen, tot versiering waarvan het moet dienen. De teekening is zuiver; het modelé vertoont niet die zonderlinge overdrijvingen, die aan de chaldeeuwsche of ninevitische beeldwerken eigen zijn; de uitvoering is onberispelijk. Maar niet enkel de technische vaardigheid der Perzen verdient onze bewondering: hunne artistieke meerderheid danken zij voornamelijk aan hun juist begrip van den eigenlijken aard en de wezenlijke eigenschappen van het bas-relief: zij zijn de eersten geweest, die met terzijdestelling van perspektivische Bladzijde 279landschappen, al de figuren tot eenzelfde groep behoorende, op hetzelfde plan plaatsten.
Al deze arbeid is voor de volgende eeuwen verloren gegaan; de persepolitaansche architektuur, door Cyrus en zijne opvolgers ingevoerd bij een volk, voor hetwelk zij niet geschikt was, is met den laatsten vertegenwoordiger van de dynastie der Achemeniden te gronde gegaan. Dit kon wel niet anders in een land, dat gebrek heeft aan hout en waar gebakken steenen het meest praktische bouwmateriaal zijn. Vandaar dat, na den val van Darius Kodomannus, de paleizen van den Takhteh-Dsjemsjid nooit meer nagevolgd zijn geworden; de parthische koningen en de Sassaniden bouwden opnieuw paleizen en monumenten van gebakken steenen, met hooge koepels gedekt.
In den berg, aan welks voet het terras van den Takhteh-Dsjemsjid is aangelegd, bevinden zich twee in de rots uitgehouwen grafkamers. Men heeft daaruit willen afleiden, dat de gebouwen op het terras eene soort van graftempels of cenotaphen waren, zoo als de egyptische koningen die in de nekropolis van Thebe lieten bouwen. Deze voorstelling schijnt mij zeer gewaagd: de graven van Darius en van zijne eerste opvolgers zijn in de rotsen van Nakhshe-Roestem uitgehouwen, op meer dan een kilometer afstand van de paleizen, door diezelfde koningen te Persepolis opgericht. De nabijheid der twee bovengenoemde grafkamers, die bovendien langen tijd na de stichting van den Takhteh gemaakt zijn, levert dus geen voldoenden grond om aan de paleizen een karakter toe te kennen, dat daarenboven rechtstreeks door de opschriften weersproken wordt.—Zijn op deze wijze alle vragen betrekkelijk den oorsprong van Persepolis voldoende opgelost, het is vrij wat moeielijker, met juistheid den tijd te bepalen, waarop de stad te gronde ging.
Volgens de verzekering van bijna alle oude historieschrijvers, werd Persepolis door Alexander den Groote, in een nacht van uitgelaten feestvreugde, in brand gestoken. Quintus-Curtius verhaalt dat de koning van Macedonië voor de verzoekingen van de perzische hofstad was bezweken: hij ging zich schromelijk te buiten aan den wijn en voerde ook het gebruik in van die eindelooze feesten, die door maaltijden en drinkgelagen afgewisseld, bij de Perzen soms eene week duurden. Hij bracht zijne nachten aan tafel door, bekleed met de lange witte tuniek en de tiara der perzische koningen; hij sprak de taal der overwonnen barbaren, omringde zich met jongelieden uit de eerste families des lands, die zijne lijfwacht vormden, en ook met die schaar van lichte vrouwen, die steeds tot het gevolg behoorden van alle veroveraars der oudheid.
In de schaduw van eene poort van de apadâna van Xerxes gezeten, herlees ik, in het Leven van Alexander, naar de vertaling van den ouden Amyot, het verhaal van den brand van Persepolis; en hoe ongaarne ik ook de nagedachtenis van den grooten koning van Macedonië met zulk eene zware beschuldiging onteer, zoo kan ik toch, bij het zien van deze verkalkte steenen, van deze door de vlammen geteisterde zuilen en verkoolde balken, Plutarchus geen ongelijk geven.
“En het geschiedde daarna, toen Alexander zich gereed maakte om Darius nog verder te vervolgen, dat hij op zekeren dag een groot feest liet aanrichten, waarop hij zijne gunstelingen noodigde en waarbij ook de bijzitten zijner gunstelingen met haar minnaars tegenwoordig waren. Onder dezen nu was de beroemdste Thaïs, geboortig uit het land Attika, de minnares van Ptolemaeus, die na den dood van Alexander koning van Egypte werd. Deze Thaïs nu, deels Alexander met groote behendigheid prijzende, deels met hem spelende, kwam eindelijk met een voorstel voor den dag, dat wel met haar landaard strookte, maar dat ernstiger gevolgen zou hebben dan zij zich waarschijnlijk dacht. Zij zeide, dat zij zich ten volle beloond achtte voor alle moeiten en ontberingen op hare zwerftochten door de landen van Azië, met het leger des konings, nu zij hier deelnam aan een feest in het prachtige paleis der groote koningen van Perzië. Maar nog meer genoegen zou het haar doen, indien zij, bij wijze van tijdverdrijf en vreugdevuur, het paleis van dien Xerxes mocht verbranden, die de stad Athene had verbrand, en dat vooral indien het haar vergund werd, met eigen hand het vuur te ontsteken in tegenwoordigheid en onder de oogen van een zoo doorluchtig vorst als Alexander, opdat men in volgende eeuwen zou kunnen verhalen hoe de vrouwen, die zijn kamp volgden, op schitterender wijze wraak hadden genomen over het kwaad, dat de Perzen weleer aan Griekenland hadden berokkend, dan immer eenig grieksch krijgoverste ooit te land of ter zee had gedaan. Niet zoodra had zij deze woorden gesproken, of de gunstelingen van Alexander, die daarbij tegenwoordig waren, begonnen aanstonds in de handen te klappen en luid te juichen, zeggende dat dit een voortreffelijk denkbeeld was, den koning aansporende om daaraan gevolg te geven.
“Alexander gaf aan dien aandrang toe; hij sprong overeind, drukte zich een bloemkrans op de haren, nam een brandende toorts in de hand en liep vooruit; zijne gunstelingen, bekranst als hij en met fakkels in de handen, volgden hem dansende en juichende en gingen rondom het paleis.
“De andere Macedoniërs, bemerkende wat er gaande was, kwamen haastig toegeloopen met brandende fakkels en flambouwen, zeer verheugd zijnde, omdat zij in hetgeen gebeurde een teeken zagen dat Alexander naar het vaderland wilde terugkeeren en niet zijne residentie vestigen onder de barbaren, daar hij zelf het koninklijk paleis in brand stak en vernielde. Zoo werd, naar men zegt, het paleis verwoest en verbrand; maar sommigen beweren, dat het niet aldus, bij wijze van spel geschiedde, maar na rijpe beraadslaging en overweging in 's konings raad. Wat hiervan zij, dit wordt door allen erkend, dat Alexander aanstonds berouw had van zijne daad en last gaf dat men het vuur zou blusschen.”
De eigenlijke stad—wel te onderscheiden van Bladzijde 280den koninklijken burcht,—die door de arabische schrijvers Istakhar wordt genoemd, deelde aanvankelijk niet in het lot van het koninklijk paleis; volgens de verzekering van sommige perzische schrijvers zou zij nog zeer lang in stand zijn gebleven. Nog in het jaar 632 onzer jaartelling was Istakhar de residentie van den laatsten koning uit de dynastie der Sassaniden. Kort daarop zou zij door Omar geheel zijn verwoest en zouden hare bewoners naar Shiraz zijn overgebracht. Sedert bleef de oude koningsstad eene verlaten ruïne.
Guebers.
Zeer waarschijnlijk zouden er te Persepolis nog zeer belangrijke ontdekkingen zijn te doen, maar de lucht is er zoo ongezond, de hitte zoo onuitstaanbaar, de muskieten zoo nijdig en de nabij gelegen tsjapar-khaneh zoo slecht, dat de weinige reizigers, die hier komen, niets haastigers te doen hebben dan dit verpeste land te ontvluchten, nadat zij een dag hebben gewijd aan de ruïnen van den Takhteh-Dsjemsjid.
XXV
6 October.—Toen wij gister-avond te Kenareh terugkwamen, vond ik buiten het dorp een kamp van Guebers, die een pelgrimstocht deden naar Nakhshe-Roestem. In Perzië worden met den naam van Guebers de volgelingen aangeduid van de aloude leer van Zoroaster, die vóór de invoering van den Islam de nationale godsdienst van Iran was; in Hindostan heeten deze aanhangers van een overigens schier vergeten cultus, Parsis. Heden morgen heb ik aan de nieuw aangekomen gasten laten vragen, of zij mij wilden ontvangen, waarop een gunstig antwoord volgde. Het hoofd der familie is gekleed als de Perzen uit de lagere volksklasse, met dit onderscheid dat zijne kleedingstukken, Bladzijde 281van goed laken vervaardigd, zich onderscheiden door onberispelijke zindelijkheid. Hoewel zij nieuw schijnen, is toch op den schouder een lap ingezet van eene andere kleur dan de tuniek; dit onderscheidingsteeken is voor de Guebers verplicht, om hen steeds van de muzelmannen te kunnen onderkennen. De nog jonge vrouw is van eene slanke rijzige gestalte en heeft iets elegants in haar voorkomen: haar type verschilt overigens niet van dien der mohammedaansche bevolking van Farsistan. Haar kostuum vertoont eene treffende overeenkomst met dat van Shapoer, in het bas-relief van Nakshe-Roestem: ook zij draagt de drie pantalons, en de tuniek met mouwen van de oude Mediërs, benevens de mitra met den kleinen tulband, die sinds de alleroudste tijden het hoofddeksel was der bewoners van Iran.
Ingang van den bazar te Shiraz.
Onze nieuwe kennissen willen met ons naar de ruïnen gaan; zeer gaarne neem ik hun voorstel aan, en wij begeven ons te zamen naar den Takhteh. Het spijt mij zeer, dat ik het perzische dialekt, dat onze reisgenooten spreken, niet verstaan kan: ik kan mij thans niet met hen onderhouden dan door tusschenkomst van onze toefantsjis, die zij blijkbaar—en met reden—vertrouwen.
Intusschen verneem ik toch van hen, dat de godsdienst van Zoroaster, hoezeer belangrijk gewijzigd, nog heden beleden wordt door ongeveer achtduizend Gruebers, die bijna allen te Yezd woonachtig zijn, welke stad door hen de stad des lichts wordt genoemd. Geholpen en ondersteund door hunne talrijke en voor een goed deel zeer vermogende geloofsgenooten in Hindostan, onderhouden zij verschillende scholen, zij zijn tot dusver aan de dweepzieke onverdraagzaamheid der muzelmannen ontkomen, omdat zij een brief bezitten van Ali, waarin deze schoonzoon van Mohammed hun zijne bescherming belooft.
De Guebers zijn zeer ontwikkeld, verstandig en arbeidzaam; hunne zeden zijn zuiver; veelwijverij is bij hen onbekend; hunne vrouwen en dochters zouden zich ongesluierd in het publiek vertoonen, indien de perzische wet zulk een inbreuk op het mohammedaansche gebruik toeliet. Zij onderscheiden zich gunstig van hunne landgenooten door hunne waarheidsliefde en hunne spreekwoordelijke eerlijkheid in den handel. Door deze in het Oosten zeldzame eigenschappen hebben zij zich van den geheelen handel der zuidoostelijke provinciën des rijks weten meester te maken.
Op mijne vragen betreffende hunne godsdienstige gebruiken ontving ik veel minder volledige en bevredigende antwoorden. Ik vernam van mijne tochtgenooten dat de Guebers sommige monumenten Bladzijde 282van Persepolis als gewijd beschouwen, en dat zij uit alle landen, waarin zij verspreid zijn, in bedevaart naar de Atesh-ka, de koningsgraven en den vierkanten toren van Nakhshe-Roestem trekken. Zij mogen de lijken hunner afgestorvenen door roofvogels laten verslinden; maar het is hun verboden, hunne eeredienst in de open lucht uit te oefenen, zich te paard binnen de steden te vertoonen, of kleederen te dragen zonder een opgezetten lap.
De godsdienst, welke nog heden door de Guebers of Parsis beleden wordt, is een gewijzigde, verbasterde vorm van het mazdeïsme, eene zeer oude eeredienst, waarin de overoude godsdienstige denkbeelden der Ariërs, zoo als wij die uit de heilige boeken der Indiërs leeren kennen, hunne uitdrukking vonden. De Meden waren meer in het bijzonder dualisten; de Perzen, ten minste onder hunne eerste koningen, bleven monotheïsten, althans in dien zin dat de geest des kwaads altijd ondergeschikt bleef aan dien des goeds. Zij erkenden een oppermachtigen, alomtegenwoordigen God, aan wiens verschillende eigenschappen en attributen zij echter tot op zekere hoogte een zelfstandig bestaan toekenden. Volgens de overlevering, zou de profeet Zoroaster deze godsdienst bij de Mediërs hebben ingevoerd. Wanneer leefde die groote wetgever? Ik weet het niet, en het is mij een troost, niet de eenige te zijn, die op deze vraag geen antwoord kan geven. De klassieke schrijvers kennen hem eenparig een hooge oudheid toe. Hermippos en Eudoxos zeggen dat hij zes- of zevenhonderd jaar vóór Alexander, Plinius, dat hij duizend jaar vóór Mozes leefde; volgens anderen zou hij zeshonderd jaren voor de regeering van Darius geleefd hebben; de opgaven loopen dus tamelijk uiteen. Eenige moderne schrijvers zijn van meening, dat Zoroaster een tijdgenoot van Darius is geweest; dit schijnt echter minder juist, want Darius beroemt er zich op, dat hij de door de magiërs verwoeste altaren weder heeft opgericht, waaruit dus volgt dat de oude eeredienst reeds voor zijn tijd bestond.—Inderdaad weet men niet met zekerheid, of Zoroaster ooit bestaan heeft.
Volgens de iranische traditie werd Zoroaster te Oermiah in Medië, in de tegenwoordige provincie Azerbeïdsjan, geboren. Zijne kindsheid en jeugd was eene aaneenschakeling van worstelingen met booze demonen; op zijn dertigste jaar verscheen hem een hoogere geest, die hem in tegenwoordigheid van Ahoeramazda bracht. De profeet mocht der godheid allerlei vragen stellen over de plichten van den mensch, de wijze van godsvereering, de geestenwereld, de engelen en demonen en wat dies meer zij. Hij ontving nu van den oppersten God de Avesta of het boek der wet, waarmede hij naar de aarde terugkeerde. Hij begaf zich daarop naar het hof van Gusthasp, koning van Baktrië, bracht de magiërs des konings, die hem weerstonden en ter dood wilden brengen, door allerlei wonderen en teekenen tot zwijgen, en wist eindelijk te bewerken dat de koning met zijn gezin de nieuwe godsdienst omhelsde.
De Zend-Avesta was eene soort van kanonische encyclopedie en tevens een liturgisch boek, dat niet alleen voorschriften bevatte omtrent de zedeleer, maar ook omtrent de eeredienst. Zeer langen tijd was deze heilige schrift der Perzen in het Westen ter nauwernood bij naam bekend; nu ongeveer een eeuw geleden, werd zij door Anquetil-Duperron naar Frankrijk gebracht.
Niet minder dan een-en-twintig boeken werden aan Zoroaster toegeschreven en vormden te zamen de Zend-Avesta; volgens de overlevering bestond de verzameling nog kompleet ten tijde van Alexander. Tegenwoordig bezit men nog twee verzamelingen van fragmenten: de Vendîdâd Sâdeh en de Yesht Sâdeh. De eerste van deze verzamelingen bestaat uit den Vendîdâd of het boek tegen de demonen, uit den Yaçna, het boek der offerande, en den Vispered, het liturgische boek; al deze boeken zijn in het zend of medisch geschreven.
Voor alle dingen beveelt de godsdienst van Zoroaster haar volgelingen de aanbidding van Ahoeramazda, den goeden en wijzen geest, den lichtende en stralende, den zeer goede, zeer groote, zeer volmaakte, zeer schoone en zeer werkzame. Hij is de gevleugelde god, dien Darius op de bas-reliefs der koningsgraven aanbidt. Ahoeramazda werd in zijn werk der wereldschepping en onderhouding bijgestaan door zes Amescha Çpentas en door een groot aantal lagere geesten, de Yazatas; onder de Yazatas staan nog andere geesten of beschermengelen, die ieder voor een bijzonderen persoon hadden te zorgen. Deze geesten, Sa-fravashi genoemd, waren te gelukkiger naarmate zij hunne taak op aarde beter konden volbrengen.
Terzelfder tijd dat Ahoeramazda, wiens naam Alwetende Heer beteekent en die ook Çpenta Mainyoe genoemd wordt, de wereld schiep, vertoonde zich het beginsel des kwaads onder de gedaante van Angro Mainyoe of Ahriman. Angro Mainyoe schiep uit niets alles wat kwaad, verderfelijk en schadelijk was, zooals Ahoeramazda het licht, de schoonheid en het goede geschapen had. Ook de geest des kwaads had medehelpers noodig voor de vervulling zijner noodlottige taak; daarom schiep hij de deavas, die overal ellende, jammer en zonde moesten brengen. De zes machtigsten onder deze demonen waren de aangewezen tegenstanders van de Amescha Çpentas.
De maatschappelijke en zedelijke voorschriften van de Avesta munten uit door wijsheid. De wetgever heeft zich de vorming eener rustige, welvarende en gelukkige maatschappij voorgesteld. Tot grondslag van geheel zijn ekonomisch stelsel, dat van een zeldzame mate van doorzicht en zorgvuldige behartiging aller belangen getuigt, neemt hij den landbouw, den oudsten en eerwaardigsten menschelijken arbeid. De eigenlijke voorschriften der moraal en der godsdienst zijn eenvoudig; Zoroaster verlangt alleen dat de mensch de godheid met gebeden en offers zal eeren; voorts beveelt hij eenvoudigheid des harten, waarheidsliefde en eerlijkheid in handel en wandel aan.
Ahoeramazda had noch tempel, noch standbeeld, maar op de toppen van gewijde bergen en heuvels Bladzijde 283stonden altaren, waarop de priesters het eeuwige vuur moesten onderhouden. De Perzen offerden ter eere van den god ossen, paarden, geiten en schapen; het vleesch van die dieren werd voor het vuur geplaatst, maar niet in aanraking gebracht met de vlam zelve, die daardoor zou zijn verontreinigd geworden. De vrees om hetzij de aarde, hetzij het water, hetzij het vuur te verontreinigen, was dan ook de reden waarom de volgelingen van Zoroaster hunne dooden niet begroeven, niet in de rivier wierpen en ook niet verbrandden. Zij legden de lijken neder in eene soort van torens, die van boven onbedekt bleven, en waar zij door de roofvogels konden worden verslonden. Gedurende drie of vier dagen na het overlijden, vertoefde de ziel nog in de nabijheid van haar stoffelijk omhulsel; dan verscheen zij voor het goddelijk gericht. De engel Rashnoe plaatste in eene weegschaal hare goede en hare zondige handelingen, en bracht haar vervolgens naar eene smalle brug, die boven de hel was gebouwd. Hadden de zondige daden het overwicht boven de goede, dan stortte de ziel in den afgrond en werd de prooi van Ahriman; in het tegenovergestelde geval schreed zij ongedeerd over de brug en verscheen voor den aartsengel Vohoe-Mano, die haar naar Ahoeramazda geleidde.
De bedienaars van de eeredienst, doorgaans onder den naam van magiërs bekend, droegen den naam van atravan. Magiër was bij de Meden, zooals Levi bij de Joden, misschien den naam van den stam, waaruit de priesters, wier waardigheid van vader op zoon overging, genomen werden. Bij de Parsis in Hindostan is de priesterlijke waardigheid nog heden erfelijk in sommige geslachten. Het woord magiër, dat de oude schrijvers aan de Perzen ontleend hebben, was ongetwijfeld, in den mond van de godsdienstige vijanden der medische priesters, een scheldwoord, dat niet dan in ongunstigen zin werd gebruikt.
Wat hiervan zij, dit is zeker dat de magiërs Medië veroverd hadden en zich gereed maakten ook Perzië te onderwerpen, toen zij in de verdere volvoering hunner plannen werden gestuit door het mislukken van den aanslag van Gautama, die zich na den dood van Kambyses van den troon wilde meester maken. Darius, genoodzaakt om met kracht tegen de priesters op te treden, schijnt hen, gedurende zijne geheele regeering, met wantrouwen te hebben gadegeslagen. Onder Artaxerxes Ochus werd de eeredienst van Anahithra en Mithra in Perzië ingevoerd; later schijnen de Arsaciden, ook ten gevolge der overheersching van Alexander, nog meer tot het oorspronkelijk vreemde polytheïsme te zijn genaderd.
De Sassaniden herstelden de oude medische eeredienst in al hare zuiverheid en schonken aan de magiërs hun aloud gezag en hunne hooge waardigheid terug; toen kwamen, kort na Mohammed's dood, de Arabieren, die Perzië veroverden en met geweld van wapenen den Islam in de plaats stelden van de overoude godsdienst van Zoroaster.
Sedert eene week brengen wij onze hulde aan Ahoeramazda en leven in onafgebroken gemeenschap met de in steen uitgehouwen koningen van het oude Perzië. Wij hebben aanteekeningen en afbeeldingen gemaakt: het wordt nu tijd afscheid te nemen van de ruïnen der paleizen van de koningen der koningen en de plek te verlaten, waar eenmaal Persepolis stond. Alles is gereed: wij gaan op weg naar Shiraz, de nieuwe hoofdstad van de provincie Farsistan. Zal zij beantwoorden aan hetgeen Hafiz, de beroemdste harer zonen, van haar getuigt: “Wat is Kaïro en Damaskus, wat is de aarde en de zee? Dat zijn slechts dorpen. Shiraz alleen is eene stad.”
XXVI
8 October.—Tegen het vallen van den avond hebben de bedienden en de tsjarvadars, die altijd haast maken om te vertrekken, Kenareh verlaten.
“Wij gaan vooruit, zeiden zij tot mij toen zij het dorp uittrokken; gij hebt slechts de telegraafpalen te volgen, om zeker te zijn, niet te verdwalen.
—Het is goed, antwoordde ik.”
Omstreeks tien uren namen wij onze geweren en pistolen en begaven ons op weg, blijde van het vaak lastig gezelschap der toefantsjis ontslagen te zijn. Na verloop van een kwartier waren wij reeds het spoor bijster. Er was geen heirbaan te ontdekken, en evenmin zagen wij telegraafpalen; er schoot niet anders over, dan op onze schreden terug te keeren. De boer, bij wien wij onzen intrek genomen hadden, had de beleefdheid een eind weegs met ons te gaan en ons weer op het goede spoor terug te brengen.
“Volgt nu, zoo zeide hij, het spoor van de karavanen, en gij zult weldra uwe bedienden weder aantreffen, wanneer Allah zulks wil.”
Zoo lang wij over den zandigen, met keien bezaaiden grond reden, hebben wij het spoor trouw gevolgd, nmar weldra kwamen wij aan effen rotsplateaux, waarop het ten eenenmale onmogelijk was, eenig spoor te ontdekken. Na links en rechts omgedoold te hebben, waren wij zoo hopeloos verdwaald, dat wij voor- noch achterwaarts durfden te gaan. Nog eene hoop bleef ons over: dat wij de palen van de engelsche telegraaflijn in het oog zouden krijgen; maar het was stikdonker, en tenzij wij tegen de palen aanreden, was er geene kans op, dat wij ze gewaar zouden worden. Bij dien bedenkelijken stand van zaken, stegen wij van het paard om te zamen te overleggen wat ons te doen stond. Wrijving van denkbeelden geeft licht, zegt een spreekwoord, dat meer hoopgevend en opwekkend dan waar is. Gelukkig hield het in dit geval zijne reputatie op. Er werd besloten, dat de een onbewegelijk op de plaats zou blijven, terwijl de ander om dit middelpunt steeds grootere kringen zou beschrijven, tot hij een of ander teeken gevonden had, dat ons op het spoor zou kunnen brengen. Deze laatste taak werd aan Marcel opgedragen, waarschijnlijk omdat hij bijziende is.
Sedert een groot half uur liep mijn echtgenoot Bladzijde 284in het rond, mij telkens toeroepende om zich te overtuigen dat wij in gemeenschap waren gebleven; reeds keerde hij, zeer teleurgesteld, tot mij terug en raadde mij aan, in 's hemels naam op den grond te gaan liggen en den dag af te wachten, toen hij eensklaps luidkeels eureka! riep. De wind, die plotseling was opgestoken, had de telegraafdraden boven zijn hoofd doen trillen: vermoedelijk was hij reeds verscheidene malen onder de draden doorgegaan, zonder ze op te merken. Nu viel het niet moeilijk een paal te ontdekken. Geleid door het onwelluidend geruisch van de britsche aeolus-harp, trokken wij nu den ganschen nacht voort, over hoogten en door ravijnen, steenhoopen beklimmende, waarvoor wij bij dag waarschijnlijk zouden zijn teruggedeinsd, tot wij eindelijk het spoor terugvonden. Bij het aanbreken van den morgen bespeurde ik in de verte de karavaan en de toefantsjis.
Vrouwen van Shiraz.
Ik wilde onze bedienden, die zich, naar ik mij voorstelde, zeer ongerust hadden gemaakt, reeds gerust gaan stellen, toen ik bespeurde dat ons onverklaarbaar achterblijven hun in het minste niet gedeerd had. Ik meende hun nu eene geduchte berisping te moeten toedienen over hunne verregaande onverschilligheid.
“Excellentie, gij doet niet wel met ons aldus harde woorden toe te spreken; de zorg voor uw kostbaar leven is de hoogste taak van uwe slaven: wij ondervragen alle voorbijgangers en onderzoeken of het verblijf in deze streek voor uwe gezondheid schadelijk kan zijn. De berichten zijn zeer ongunstig: in dezen herfst hebben de inwoners van Zargoen zoo veel van de koorts te lijden gehad, dat alle kleine kinderen bezweken zijn en dat de volwassenen, voor zoo ver zij er het leven hebben afgebracht, besloten hebben het dorp te verlaten en hun kamp op den berg op te slaan.
—Zullen wij dan zonder pleisteren de twaalf farsaks moeten afleggen tusschen Persepolis en Shiraz?
—Ongetwijfeld. Mashallah! (bij God!) drie maanden geleden, toen de muilezeldrijvers van Shiraz naar Ispahan zijn gegaan, wilden eenige inwoners van het dorp nog achterblijven, om hun oogst binnen te halen; maar nu zouden wij op de pleisterplaats noch levensmiddelen voor de menschen, noch stroo voor de paarden vinden.”
Onze tsjarvadar-bashi is gansch niet in zijn schik, dat hij aldus genoodzaakt is, zijn paarden en muildieren een dubbele étappe te laten afleggen; onze rijpaarden hebben te Persepolis eene behoorlijken tijd van rust gehad en kunnen dus zonder bezwaar den tocht vervolgen, zonder te Zargoen op te houden.
Bazar te Shiraz.
De vervelende eentonigheid van het landschap, het branden van de stralen der middagzon, de langzame stap der paarden, hadden mij bijna al rijdende doen indommelen, toen ik eensklaps, door eene smalle opening tusschen de bergen, van roodachtige rotsen omlijst, eene breede vlakte bespeurde, te midden waarvan eene stad verrees door vestingwerken omringd en als het ware gekroond door bolronde koepels, met geëmailleerde tegels bekleed. Om den muur strekken zich cypressengaarden uit, niet minder schoon dan die der kerkhoven van Ejoeb en Scutari. Hier en daar, schilderachtig uitkomende tegen de donkere massa en de strenge lijnen der cypressen, verheffen zich eenige groepen Bladzijde 286van slanke, bevallige palmen. De Perzen, die een open oog hebben voor natuurschoon, roemen de aankomst te Shiraz als een der schoonste panorama's van hun land. Zij hebben zelfs aan den bergpas, waardoor men de stad voor de eerste maal gewaar wordt, den karakteristieken naam gegeven van Tang Allah Akbar (pas van “God is groot!”), doelende op den uitroep van bewondering, die, naar hunne schatting, aan de lippen van iederen vreemdeling moet ontsnappen, wanneer de nieuwere hoofdstad van Farsistan voor het eerst voor zijne oogen opdoemt.
Deze smalle bergpas, de eenige waarlangs men gemakkelijk in de vlakte kan afdalen, wordt op omstreeks een kilometer afstand van de stad, door een versterkt wachthuis verdedigd. In de balakhaneh boven de poort wordt met de grootste zorg een fraai handschrift bewaard van den Koran, dat geheel eigenhandig is geschreven door Sultan Ibrahim. De derwîsj, die met de bewaring van dezen schat is belast, schijnt maar niet te kunnen begrijpen dat wij ten zeerste naar ons logies verlangen, en dat een rit van twee-en-zestig kilometers onder eene brandende zon juist niet geschikt is om ons in de rechte stemming te brengen voor het bewonderen van oude handschriften. In het voorbijrijden werpen wij even een blik op een bas-relief, op den rotswand aan onze rechterhand uitgehouwen, en waarop Feth-Ali Shah is afgebeeld, omringd door eenigen van zijne zonen: welk bas-relief eene slechte navolging is van de beeldwerken uit den tijd der Sassaniden. Eindelijk dalen wij in de vallei af en bereiken het zoogenoemde Holle Perzië (Coele Persi), door de Perzen zelven zeer te recht het warme land genoemd, hoewel Shiraz nog vijftienhonderd-vijftig el boven de zee ligt.
Eene breede allée, waardig de toegang te zijn tot eene groote stad, loopt midden door fraaie tuinen tot aan de vestingwerken, bestaande uit grachten met vuilnis gevuld, uit bouwvallige torens en ontmantelde bolwerken. Binnen de poort begint een bazar, door een groen loofgewelf overschaduwd. In de handeldrijvende buurt heerscht weinig beweging. Langs de muren liggen op den grond een aantal mannen uitgestrekt, in hunne met bont gevoerde mantels gewikkeld, en rillende van koude ondanks het branden van de zon. Verder in de stad doordringende, treft het mij, dat er van de drie winkels in den regel twee gesloten zijn; somwijlen bespeur ik, tusschen de half geopende blinden, de kooplieden, te midden hunner waren, op den vloer uitgestrekt. De karavaan trekt langzaam voort door smalle, vuile, stinkende steegjes en bereikt ten slotte een groot plein, waarvan een der zijden wordt ingenomen door de bureaux van de telegraaf. Eenige dienaren, in de poort gezeten, staan bij onze nadering op, en verzoeken ons, uit naam van den directeur van het station, om onze reis te vervolgen naar zijn buitenverblijf op drie mijlen van de stad, waar wij, volgens hen, minder gevaar zullen loopen, door de koorts te worden aangetast, dan te Shiraz. Het is niet aangenaam, na dertien uren te paard gezeten te hebben, nog verder te moeten rijden; maar het is nog onaangenamer, met ijlende koorts te bed te liggen. Wij rijden dus op nieuw de poort uit, en komen eindelijk aan eene breede oprijlaan, die ons naar een grooten tuin brengt, waarin een huis staat, half op perzische, half op europeesche manier gebouwd. Rondom het huis zijn perken aangebracht met westersche bloemen; aan de rechterhand is een moestuin, waarin kool, artisjokken en augurken worden gekweekt, en waarin appel- en pereboomen zijn geplant, die er goed uitzien.
Wij zijn dus weer in de beschaafde wereld.
De heer Blackmaur, de onder-chef van het station, ontvangt ons zeer vriendelijk en stelt twee kamers tot onze beschikking, die van tafels en stoelen zijn voorzien. Vervolgens vraagt hij ons verlof, om weer naar bed te mogen gaan, want hij is door de malaria aangetast en kan ter nauwernood op zijne beenen staan.
“Er is nog een andere Farangui te Shiraz, zegt de ferash, die ons heeft binnengeleid. Doctor Odling, de geneesheer van het personeel der beambten van het engelsche telegraafstation, zal u zeker in den namiddag komen bezoeken, als hij niet door de koorts verhinderd wordt.”
9 October.—Ik was bezig met het ontpakken mijner photografietoestellen, toen ik eensklaps luide kreten in den tuin hoorde; een oogenblik later zag ik den kok, blootshoofds, met gescheurde kleeren, op het huis toeloopen.
“Recht! recht! çaheb! De tsjarvadar—moge zijn vader in de hel branden!—heeft de hand durven slaan aan den slaaf van Uwe Excellentie. Deze goddelooze hond heeft mij mijn bakshish ontstolen; toch had hij gezworen, mij eene fooi te zullen geven, als hij de huur van uwe paarden zou ontvangen. Tuchtig het galgenaas; door mij te bedriegen, heeft de schoft u beleedigd.”
Het gold hier weer de eeuwige kwestie van den madakhel (gift, geschenk.) Na al onze bagage, die wij aan de zorg van den tsjarvadar-bashi hadden toevertrouwd toen wij ons te Madereh Soleiman van zijne karavaan afscheidden, weder in ontvangst te hebben genomen en in orde bevonden, hebben wij met dien braven man afgerekend. Maar nauwelijks had hij ons verlaten, of Mohammed, de kok, is hem bij wijze van commissieloon, een deel komen vragen van het geld, dat hij van ons ontvangen had. De tsjarvadar antwoordde, dat hij te Ispahan genoeg geplunderd was, en dat hij vast voorgenomen had, hem geen stuiver meer te geven.
Groote woede van onzen trouwen dienaar! Hij schold den tsjarvadar uit voor dief, ongedierte, hond, schurk, jood enz. De muilezeldrijver antwoordde op die beleedigingen, door aan den kok eene geduchte dracht slagen toe te dienen en hem op die manier eene praktische les in de wellevendheid te geven. Mohammed, zich niet in staat gevoelende op die argumenten te antwoorden, nam daarop de vlucht en wierp zich luid jammerend en smeekend voor ons op de knieën.
Ik vind het niet onaardig, het tarief van den madakhel van Mohammed te kennen, en ik ga dus den tsjarvadar-bashi opzoeken, om hem te ondervragen. Bladzijde 287Ik zoek hem vergeefs in de keuken en in den stal, tot ik hem eensklaps, bij toeval, bemerk achter eenige boomen, bezig zich met de vuist op zijn neus te slaan. Ongerust over de gevolgen van zijne drift, is hij bang straf te zullen krijgen; hij heeft nu niets beters weten te bedenken, dan zelf zijn neus aan 't bloeden te slaan, ten einde zich het voorkomen te kunnen geven van het slachtoffer van de ruwheid van Mohammed.
“Spaar uw neus, mijn brave Ali!” riep ik hem toe, zoodra ik zijne bedoeling raadde; maar hij, tevreden met het bereids verkregen resultaat, liep op mij toe, het gelaat en de kleederen met bloed bevlekt.
“Çaheb, roept hij op zegevierenden toon, zie hoe erbarmelijk uw slechte dienaar mij mishandeld heeft. Ik had hem reeds zes tomans gegeven, toen hij mijne paarden gehuurd heeft; nu durft hij nog eens dezelfde som van mij te vorderen. Ik zou mij zelven ruïneeren, als ik al mijn winst aan hem moet afstaan.”
In plaats van een ernstig gezicht te zetten en mij boos te maken, barst ik in lachen uit. De tsjarvadar-bashi, verbaasd over de wijze waarop ik hem ontvang, staat mij met open mond aan te gapen en schijnt van zins op nieuw op zijn armen neus los te beuken. Ik maak een einde aan dit dwaze tooneel, door hem te kennen te geven, dat ik geen enkele grief tegen hem heb; maar dat ik integendeel den ontrouwen dienaar straffen zal; daarna geef ik hem den raad, zich zoo spoedig mogelijk te gaan wasschen. In het huis teruggekeerd, neem ik Mohammed duchtig onder handen en zeg hem, dat ik mij bij den gouverneur over hem zal beklagen.
“Ik geef niets niemendal om u en om den gouverneur, antwoordt hij op onverschilligen toon; ik ben hier in eene heilige stad; ik ga naar de mastsjed; en wie er mij van daan haalt, moet vroeg opstaan.”
Op dit terrein overgebracht, moest de discussie noodwendig in mijn nadeel uitvallen; ik haast mij dus, met dien schavuit af te rekenen.
“Ik jaag u weg; ga nu naar uw mastsjed.
—En mijn gescheurde kleeren; die moet ge mij vergoeden; antwoordt de onbeschaamde.
—Wend u tot den moesjteïd. Als hij logies verleent aan schavuiten zoo als gij zijt, zal hij ook wel de noodige middelen bezitten om u van kleeren te voorzien.”
10 October.—Ik heb gister nader kennis gemaakt met den heer Blackmaur en met doctor Odling.
Beiden zijn weduwnaars. Na verloop van zeer weinige jaren zijn de twee jonge vrouwen, die haar lot aan het hunne hadden willen verbinden, bezweken door de koortsen, de hitte, de doodelijke verveling en martelende eenzaamheid in het vreemde land. Dadelijk na hare aankomst te Shiraz hadden zij beiden getracht, paard te gaan rijden en met inspanning van alle krachten te worstelen tegen den invloed van het afmattende klimaat; maar, zoo als trouwens te voorzien was, deze methode bleek de ware niet. De verschijning van ongesluierde vrouwen op de openbare straat had zoo zeer de algemeene verontwaardiging opgewekt, dat de beide echtgenooten, door talrijke bedienden vergezeld, niet bij machte waren geweest, de dames tegen grove beleedigingen te beschermen. De gouverneur, bij wien de twee Engelschen zich beklaagden, had niet zonder recht geantwoord, dat het roekeloos was, op die wijze de publieke opinie te trotseeren en dat men zich naar de gewoonten des lands zooveel mogelijk schikken moest. Hij zelf kon de opgewonden menigte niet in bedwang houden. Mevrouw Blackmaur en haar vriendin zouden er misschien toe zijn overgegaan, de perzische kleederdracht aan te nemen, ten einde ongemoeid op straat te kunnen verschijnen; maar in dat geval zou het haar niet veroorloofd zijn geweest zich in het openbaar met Europeanen te vertoonen. Den strijd moede, sloten zij zich op in haar tuin, de afzondering verkiezende boven de beleedigingen van het gepeupel. Mevrouw Blackmaur is den afgeloopen zomer gestorven; mevrouw Odling bezweek voor ongeveer drie weken aan de koorts; er heerscht dus in dien kring eene alles behalve vroolijke stemming.
11 October.—Ik heb den morgen doorgebracht met het ontvangen van bezoeken. Een jong inlandsch geneesheer, dien doctor Tolozan ons te Têheran had voorgesteld, was de eerste; hij werd weldra gevold door een man, die zich aankondigde als Mirza Salih Khan, beschermer der vreemdelingen te Shiraz. Hij is langen tijd secretaris van legatie te Londen geweest; maar, vreemd genoeg, hij verstaat geen woord engelsch, terwijl hij het fransch vrij goed meester is. Ik onderstel dat hij wat al te dikwijls, van de nevelige Theemsboorden, uitstapjes heeft gemaakt naar de boulevards van Parijs. Hoewel zijn collega te Ispahan nu juist geene aangename herinnering had achtergelaten, willen wij de diensten van dezen beschermer der vreemdelingen niet weigeren. Voor hij heenging noodigde Mirza Salih Khan—die gedurende zijn verblijf in Europa een kok uit Shiraz liet overkomen en hem een jaar in de leer deed bij Bignon,—ons tegen overmorgen ten eten. Tevens nam hij op zich, ons bezoek aan te kondigen bij Çahabi Dinan, onder-gouverneur van Farsistan en voogd van den jongen zoon van den prins Zelleh Sultan.
Na zijn vertrek, zijn wij de stad gaan bezichtigen. O Shiraz! bakermat der dichters, rozengaarde, paradijs der lommerijke geurige boschjes, waarin steeds de nachtegaal zingt;—wat is er van u geworden! Binnen uw vervallen muren omdolende, heb ik niets gezien dan vuile, slecht onderhouden straten, bouwvallige door de aardbevingen gescheurde monumenten, vervallen slordige huizen, armoede en ellende overal. Toch is Shiraz, dat de plaats van Istakhar als hoofdstad van Farsistan innam, niet zoo oud. Volgens de arabische schrijvers in 695 gesticht, deelde zij in de lotgevallen van het door zoo vele omwentelingen en oorlogen geteisterde rijk, maar bereikte haar toppunt van bloei eerst onder het bestuur van Kerim-Khan, den beroemden Vakil (regent), Bladzijde 288die omstreeks het midden der vorige eeuw over Iran regeerde.
Kerim-Khan had Shiraz tot zijne residentie gekozen, ten einde meer in de nabijheid te zijn van de volksstammen, aan wie hij zijne verheffing op den troon te danken had. Hij omgaf de stad met muren en wallen, stichtte fraaie gebouwen, legde buiten de stad prachtige tuinen, cypressen- en oranjegaarden aan; bouwde in de wijk die nog zijn naam draagt een paleis, den overwelfden bazar, den schoonsten van de geheele stad, voorts nog een moskee, een badhuis en eene medresseh.
Medresseh van den Vakil.
Kerim-Khan is te Shiraz even beroemd en populair als Shah Abbas te Ispahan; als ik een of ander monumentaal gebouw in het oog krijg, vraag ik maar niet eens meer naar den naam van den stichter: op al dergelijke vragen krijg ik onveranderlijk hetzelfde antwoord: de Vakil. Ongelukkig zijn al deze gebouwen erg gescheurd door de herhaalde aardbevingen.
Kerim-Khan zorgde niet alleen voor de verfraaiing van zijne hoofdstad: hij trachtte ook het geluk van zijn volk te bevorderen; zijne goedheid is te Shiraz niet minder beroemd dan zijne prachtliefde.
Eens had hij rechtszitting gehouden en stond op het punt zich, zeer vermoeid, te verwijderen om wat rust te nemen, toen een man zich aanmeldde, die aanstonds verlangde gehoord te worden.
“Wie zijt gij? vraagt Kerim-Khan.
—Een koopman, die door dieven van alles wat hij had werd beroofd.
—En wat deedt gij terwijl zij u beroofden?
—Ik sliep.
—Waarom waart gij ingeslapen? vroeg de vorst op toornigen toon.
—Omdat ik meende onder uwe hoede veilig te zijn.
—Gij hebt gelijk, antwoordde Kerim-Khan, getroffen door dit stoutmoedige antwoord. Men brenge dien man bij mijn schatmeester en vergoede hem de waarde van het gestolene. Ik zal voor het opsporen der dieven zorgen.” Bladzijde 337