De mastsjed Djoema te Shiraz.
XXVII
18 October.—De eene dag volgt wel op den ander, maar gelukkig gelijken zij niet op elkaar. In gezelschap van dokter Odling en den heer Blackmaur, beiden althans tijdelijk van de koorts verlost, zijn wij bij het krieken van den dag te paard gestegen en een weg ingeslagen, die midden door de vlakte loopt. Gedurende een half uur voerde die weg door bouwland, waar boeren aan den arbeid waren; vervolgens moesten wij de helling beklimmen van den berg, die ter linkerhand de vallei omzoomt. Wij reden nu over een wijd veld, bezaaid met overblijfselen van baksteenen en aardewerk, en langs een rots, waarin een aantal kleine grafkamers waren geboord, en kwamen vervolgens aan de ruïnen van een paleis, dat zeer veel overeenkomst heeft met het paleis van Darius te Persepolis.
Het gebouw, op eene hoogte gelegen, bestaat uit eene vierkante zaal, die haar licht ontvangt door deuren, in het midden van elk der vier zijden. De openingen zijn gevat in fraai bewerkte lijsten; in de doorgangen zijn bas-reliefs, jachttafreelen voorstellende. Het gebouw is ongelukkig niet meer dan een ruïne. Eenige jaren geleden, liet een gouverneur van Shîraz een steen wegnemen, om dien als drempel bij den ingang van zijn tuin te gebruiken; bij toeval vond men oude muntstukken in de fondamenten onder dien steen. Door deze ontdekking werd zijn begeerlijkheid opgewekt, zoodat hij onder alle deuren opgravingen liet doen. Bij de eerste winterregens zakte de vochtige, omgewoelde aarde weg, zoodat een deel van het monument instortte.
Van het terras afdalende, waarop het paleis verrees, komen wij weldra aan eene kleine rivier, waarvan de kristalheldere wateren, door biezen en bloemen omzoomd, wemelen van fraaie donkerblauwe krabbetjes. Op den linker oever verrijst een bijna loodrechte rots, waarin drie bas-reliefs zijn uitgehouwen, die, wat de uitvoering betreft, de vergelijking Bladzijde 338met de beeldwerken van Nakshe-Roestem niet kunnen doorstaan, en eene zeer ongeoefende hand verraden. De figuren hebben zeer geleden, zoodat het niet meer mogelijk is de personen te onderscheiden. Alleen de koning is kenbaar aan zijn tiara en zijn lang gekruld haar.
Deze monumenten, de overblijfselen van oude vestingwerken op den berg, de ontdekking van twee rechthoekige putten, tweehonderd-twaalf el diep, op den top van een steilen heuvel, die zoowel den Tang Allah-Akbar als de vallei van Shîraz beheerscht:—dit een en ander versterkt mij in de meening dat men niet al te veel waarde moet hechten aan het verhaal der arabische schrijvers, die de stichting van Shîraz doen samenvallen met den ondergang van Istakhar.
De plek, die de Sassaniden hadden uitgekozen om hunne beeltenis te laten beitelen, is inderdaad bekoorlijk en verdient wel de warme hulde, die Hafiz haar in prachtige verzen heeft gebracht. Als men de rotsen bestijgt, ontrollen zich voor den blik schilderachtige, schoon gevormde bergketens, die de vallei omzoomen; den bochtigen loop van den Roku-Abâd volgende, ziet men in de verte de schitterende oppervlakte van een zoutmeer, dat door het van de bergen afdalende water is gevormd.
Tegen den avond keeren wij naar Shîraz terug; maar in plaats van mij rechtstreeks naar het telegraafstation te begeven, geef ik den wensch te kennen, de kleine kinderen van den dokter te mogen zien. In de verwachting van zulk een bezoek, heeft de noenoe (min) de beide kinderen netjes aangekleed en zelve ook haar beste spullen aangetrokken. Zij is eene muzelmansche, die dokter Odling bij den dood van zijne vrouw in huis heeft genomen. Dat heeft evenwel heel wat voeten in de aarde gehad. Uit aanmerking van de zoo groote diensten door den dokter bewezen, en uit vrees dat hij anders de stad verlaten zou, hebben de iman djoema en de moesjteïd eindelijk vergunning gegeven, dat eene vrouw haar intrek mocht nemen in het huis van een ongeloovige.
Maar daarmede waren de moeielijkheden nog verre van uit den weg geruimd: het kwam er nu op aan, den als het ware instinktmatigen tegenzin te overwinnen van de min zelve, die waarschijnlijk liever een aap of een jongen hond zou hebben gezoogd dan het kind van een Christen. Men kwam dus overeen dat zij maandelijks honderd krans als loon zou ontvangen, eene buitensporige hooge som in Farsistan; dat zij met ieder nieuw jaargetijde een zijden kleed zou krijgen, en dat eene dienstbode zou worden aangewezen om haar pijp aan te steken en in orde te houden. Volgens haar, is het gebruik van tabak van bijzonder gunstigen invloed op de hoeveelheid in de kwaliteit van het zog.
14 October.—Daar de heer Blackmaur nog vrij van koorts bleef, hebben wij heden morgen een nieuw uitstapje buiten de stad gemaakt en de graven van Hafiz en van Saadi bezocht, de twee beroemde dichters, die beiden te Shîraz het levenslicht zagen.
Het eerste van deze twee monumenten, onder den naam van Hafiziëh bekend, ligt aan den ingang eener vruchtbare vallei, die door een breed kanaal wordt besproeid, dat in de vlakte van Shîraz uitloopt. Een sarkophaag van agaatsteen, versierd met opschriften aan de werken van den afgestorvene ontleend, bevat het stoffelijk overschot van den dichter; daaromheen heeft zich mettertijd een kerkhof gevormd, waar de bewonderaars van den zanger, die gaarne in zijne nabijheid willen rusten, zich laten begraven.
Hafiz werd in de veertiende eeuw te Shîraz geboren. Hoewel in eene zeer nederige betrekking in de maatschappij geplaatst,—naar men zegt, was hij bakker,—wist hij zich door zijn talent al spoedig boven de lieden van zijn stand te verheffen en werd hij de gunsteling en dischgenoot van de machtigste vorsten.
Zijne werken bestaan uit vijfhonderd-negen-en-zestig ghazelen (eene soort van sonnetten), die nog zeer populair zijn, hoewel zeer dikwijls gezocht en gezwollen en vol vergelijkingen en hyperbolische beelden. Zijne verzen zijn zelfs somwijlen zoo duister en raadselachtig, dat zij, even als de Koran, bij wijze van orakel ondervraagd en geraadpleegd worden: men slaat het boek in den blinde open, om een antwoord te vinden op een wensch of geheime gedachte, somwijlen om een raad of aanwijzing te erlangen hoe men zich gedragen moet. Hafiz zelf was de eerste, die van dit geheimzinnig bovennatuurlijk vermogen zijner poëzie profiteerde. De godgeleerden en mollahs van Shîraz maakten namelijk groot bezwaar, om overeenkomstig den ritus de laatste eer te bewijzen aan een dichter, dien zij meenden te moeten beschouwen als een ongeloovige. Zijne vrienden wisten te verkrijgen, dat men zijne verzen zou raadplegen: tweemaal achtereen viel het boek open bij een passage, waarin hij onbewimpeld zijne fouten en misslagen bekende, maar toch de hoop uitsprak dat hem geene plaats in het paradijs zou worden ontzegd. Dit gelukkig toeval besliste, en de eer der begrafenis werd hem niet langer geweigerd.
Zijne ghazelen, die hem den bijnaam verwierven van den perzischen Anakreon, worden nu eens als liederen van aardsche minne en zinnelijk genot gezongen, en dan weer beschouwd als mystieke psalmen, bestemd om de volheid der goddelijke liefde te verheerlijken en te doen waardeeren. Deze dubbele verklaring is in den grond der zaak niet zoo tegenstrijdig als zij oppervlakkig wel schijnt; en de poëzie van Hafiz is niet de eenige, die zich tot zoo uiteenloopende interpretatie leent.
Ondanks de duisterheid en verwardheid van zijne gedichten en de schier grenzenlooze ongebondenheid van sommigen zijner ghazelen, kennen de Perzen aan de werken van Hafiz eene eerste plaats toe onder de voornaamste voortbrengselen hunner nationale litteratuur. De geletterden kennen zijne oden van buiten; ook de lieden uit de volksklasse reciteeren gaarne de meest bekende, en bijna iedereen weet u eene of andere anekdote te vertellen, waarvan Hafiz de held is.
“Hafiz woonde in Shîraz, toen die stad in handen Bladzijde 339viel van den emir Timoer” (Tamerlan), zoo verhaalde mij de oude derwisj, die ons door den tuin rondleidde; “de tartaarsche veroveraar liet aanstonds den dichter ontbieden, en sprak tot hem ongeveer als volgt:
“Ik heb het grootste gedeelte van de aarde veroverd; ik heb eene menigte steden en provinciën geplunderd en ontvolkt om de glorie en den rijkdom te vermeerderen van Samarkand en Bokhara, de twee bloeiende rozen, de twee oogen van mijn rijk; en gij, ellendige dichter, gij durft zeggen dat gij Samarkand en Bokhara zoudt willen geven voor het zwarte moesje, dat de blankheid van een schoon gelaat zoo goed doet uitkomen!
—Helaas! machtige vorst, juist deze buitensporige verkwisting heeft mij in de armoede gestort, waarin gij ziet dat ik verkeer.”
Timoer, verrukt over dit antwoord, verbond den dichter aan zijne dienst en overlaadde hem met gunstbewijzen.
Wij verlaten de graftombe van Hafiz en volgen een prachtigen weg, door tuinen omzoomd waarvan de muren met wilde rozen zijn begroeid, die den heerlijksten geur verspreiden. Aan het einde van dien weg staat het grafteeken van Saadi, den schrijver van den Bostan (Boomgaard) en van den Gulistan (Bloemperk.) Het graf van den dichter is in eene kleine kapel geplaatst; de grafsteen is met opschriften bedekt. Het tegenwoordige grafmonument dagteekent uit den tijd van Kerim-Khan, die het liet maken of herstellen.
Sheikh Moslih-oed-din Saadi, of kortweg de Sheikh, zoo als de Perzen hem noemen, werd in het jaar 1194 van onze jaartelling te Shîraz geboren. Hij doorreisde bijna geheel Azië, nam deel aan de krijgstochten tegen de kruisvaarders in Syrië, was gedurende eenigen tijd krijgsgevangene bij de Christenen, en vervaardigde na zijn terugkeer in het vaderland de gedichten, waaraan hij zijn roem dankt. Zijne werken in proza en poëzie zijn voel gemakkelijker te verstaan dan die van Hafiz: men vindt ze dan ook in aller handen; de kinderen leeren uit den Gulistan even goed lezen als uit den Koran.
De vertellingen van Saadi munten uit door duidelijkheid, beknoptheid en zuiverheid van stijl, en hebben daarbij de verdienste altijd te eindigen met korte opmerkingen en spreuken van zedekundigen aard, in verband met den aard van het onderwerp. Zijne ghazelen en zijne kacidas, die als modellen van smaakvolle klassieke taal worden beschouwd, zijn vrij van die gezwollenheid en overdrijving, die aan de meeste perzische dichters eigen zijn. Toch, ondanks de groote letterkundige waarde van den Bostan en den Gulistan, komen daarin verzen voor die ons, Westerlingen, ergeren, maar waaraan de Perzen—hierin aan de ouden gelijk—geen aanstoot nemen.
15 October.—De koorts is weder in ons midden verschenen: onze gastheer, de tuinman, twee stalknechts liggen sedert gister-avond te bed. Mijn echtgenoot is zoo straks ook door eene geweldige rilling aangetast en ligt op een stroozak te bibberen. Het gemis van schoon linnengoed is in zulke gevallen een ware ramp: de hevige transpiratie in de tweede periode van de koorts maakt de kleederen doornat, en toch moet de patiënt ze aan het lijf houden. Op mijn verzoek is dokter Odling gekomen: hij vond Marcel licht aangetast, den heer Blackmaur in zeer slechten staat en de bedienden in meerdere of mindere mate ziek. Ik heb ook een bezoek ontvangen van den jongen leerling van dokter Tolozan. Ondanks zijn vijf-en-twintig jaren, draagt deze jonge man het traditioneele kostuum der geneesheeren, want in Perzië—even als in Frankrijk ten tijde van Molière—is het voornamelijk het kleed dat den patiënt vertrouwen inboezemt. Met een grooten tulband van wit cachemire op het hoofd, gekleed in eene lange tuniek van grijze wol, waarover een violetkleurige zijden mantel hangt, heeft onze jonge vriend, vooral wanneer men hem van achteren ziet, een hoogst eerwaardig voorkomen. Hij komt in gezelschap van zijn vader, den deftigen opper-lijfarts van den gouverneur: eene waardigheid die sedert vele geslachten in zijne familie erfelijk is en waarin hij mettertijd zijn vader moet opvolgen.
Beiden komen ons uitnoodigen, den dag van morgen in hunne woning door te brengen. Dit bezoek belooft belangwekkend genoeg te zijn, want op het stuk van geneeskunde zijn de gewoonten en gebruiken der Perzen voor 't minst zeer eigenaardig en zonderling.
De perzische geneesheeren weten niets van anatomie, want het is hun uitdrukkelijk verboden, eene lijkopening te doen en zich daardoor te verontreinigen. Het is inderdaad te verwonderen, dat zij desondanks toch met goeden uitslag iemand van den steen kunnen opereeren. Over het algemeen geven zij aan hun patiënten een of ander huismiddeltje, waarvan de traditie van vader op zoon overgaat, of eenige artsenijen, voorgeschreven door Avicenna. Daar hunne volslagen onkunde hen tegenover hunne europeesche collega's in eene zeer ongunstige verhouding plaatst, trachten zij zoo lang mogelijk te beletten dat de raad van een vreemden dokter wordt ingeroepen; als dit eindelijk toch gebeurt, is de patiënt in den regel niet meer te redden, en draagt de europeesche dokter nog op den koop toe de verantwoordelijkheid voor den dood van den zieke.
Maar de zieken zelven hebben er een onoverwinlijken afkeer van om zich door een christelijk geneesheer te laten behandelen en onderzoeken. Als zij, uitgeput en afgemat door pijn en lijden en anders geen kans ziende om te kunnen genezen, er eindelijk toe komen om zich aan een onderzoek te onderwerpen, maakt de familie een ijselijk misbaar; men spreekt van goddeloosheid, van profanatie, en laat veelal liever den zieke sterven, dan de hulp in te roepen van een ongeloovige en zich daardoor den toorn van de geestelijkheid op den hals te halen.
De moeder van dokter Mohammed is het slachtoffer geworden van dit ongeloofelijk fanatisme. Ongeveer een jaar geleden werd dokter Odling bij de vrouw van zijn perzischen collega geroepen: de groote liefde, die de hakim-bashi voor zijne Bladzijde 340echtgenoote koesterde en de dringende beden van zijn zoon hadden hem, den eersten geneesheer des lands, er eindelijk toe gebracht, aan het prestige van zijn stand zulk een gevoeligen knak toe te brengen.
De zieke weigerde eerst om zich te laten onderzoeken; en de dokter stond op het punt zich te verwijderen, zeggende dat het hem onmogelijk was haar te behandelen, als hij haar niet mocht zien, toen zij eindelijk hare toestemming gaf om den Farangui bij zich te ontvangen. Zij had eene beklemde breuk; en na eenige vergeefsche pogingen tot genezing, bleek de operatie dringend noodig. Toen dat den echtgenoot werd medegedeeld, verklaarde hij dat hij daarvoor de verantwoordelijkheid niet op zich durfde nemen, en dat hij vooraf zijne familie en vooral de familie zijner vrouw moest waarschuwen. Nu werden de naastbij wonende bloedverwanten ontboden en hun het geval voorgelegd: zij beraadslaagden vier-en-dertig uren eer zij het eens konden worden, en toen dokter Odling eindelijk vergunning kreeg om tot de operatie over te gaan, was het te laat. Het koudvuur was er bij gekomen; er was niets meer aan te doen en men moest de ongelukkige vrouw laten sterven.
Een derwîsj.
Stelt men aan de perzische geneesheeren geen hooge wetenschappelijke eischen, hunne diensten worden ook vrij karig beloond. Na eene lange ziekte, door genezing gevolgd, betalen de welgestelde burgers ongeveer vijftig centimes voor elk bezoek; somwijlen wordt daarop nog zoo wat vijftig percent afgedongen. De hooggeplaatste geestelijken betalen niets, maar beloven den arts hunne bescherming en voorspraak. Toch zijn de geneesheeren zeer op zulke klanten gesteld, want zij trekken uit die praktijk altijd indirecte voordeelen, die niet te versmaden zijn.
16 October.—Gelukkig was mijn echtgenoot heden morgen vrij van koorts, zoodat wij aan de uitnoodiging van den hakim-bashi gevolg konden geven. Nadat ons een zorgvuldig toebereide lunch was aangeboden, liet de eerwaardige geneesheer pijpen brengen en gaf den bedienden last zich te verwijderen. Daarop deelde hij ons mede, dat Çahabi-Divan voortdurend met de koorts sukkelde, en dat dit de eenige reden was waarom hij zich het genoegen had moeten ontzeggen, ons te ontvangen. “Ik maak mij zeer ongerust over mijn patiënt,” vervolgde hij; “hij is oud en afgeleefd en kan de chinine niet goed verdragen; als de koorts blijft aanhouden, dan vrees ik dat wij spoedig een anderen gouverneur zullen krijgen. Het zou mij zeer spijten als Çahabi-Divan kwam te sterven, want hij is een waar vriend voor ons.
—Waarom beproeft gij niet hem arsenicum te geven?” zeide Marcel in het fransch.
Op het hooren van deze woorden verbleekte de jonge dokter. Zijn vader, ziende dat hij ontroerde, vroeg hem wat er gaande was.
“Zijne Excellencie stelt voor, om den gouverneur te genezen met marge moesh (rattenkruid, letterlijk rattendood.)
—Dat kan niet, dat is geen edel geneesmiddel,” zeide de hakim-bashi op deftigen, afgemeten toon.
Ieder zweeg, en een kwartier lang hoorde men niet anders dan het pruttelen van het water in de pijpen. Toen vroeg de oude man eensklaps, hoeveel arsenicum men iemand kon toedienen, zonder gevaar voor zijn leven. Toen hij hieromtrent was ingelicht, noodigde hij mij uit, hem in zijn anderoen te volgen.
De vrouwen van den vader en van den zoon, jonge meisjes en kinderen schijnen met elkander in de beste harmonie te leven: het is een echt aartsvaderlijk gezin. De dames bieden mij thee en koffie aan; inmiddels bekijken en betasten zij mijne zware lederen schoenen, maken de rijgveters los, zetten mijn vilten helmhoed op, doorzoeken mijn zakken en bewonderen elk voorwerp dat zij er uithalen en waarvan ik eene uitvoerige verklaring geven moet. Mijn zakdoek vooral, dien deze dames eerst voor een biddoekje hadden aangezien, wekt hare nieuwsgierigheid en belangstelling. Ik moest bij herhaling mijn neus snuiten, om het bewijs te leveren dat men dit doen kan zonder uitsluitend zijne vingers te gebruiken, zoo als in Perzië algemeen de gewoonte is.
Eene perzische min. (Blz. 338.)
XXVIII
18 October.—Zoo men de inwoners van Shîraz niet zonder recht van fanatisme mag beschuldigen, Bladzijde 342dan openbaart zich dat fanatisme toch vooral op eene wijze die geen geld kost, en is het ten eenemale buiten staat om van de burgers te verkrijgen dat zij hunne beurs ontsluiten ten behoeve van de godshuizen der stad. Met uitzondering van de moskee van den Vakil, die eerst in de vorige eeuw werd gebouwd, verkeeren alle bedehuizen in een staat van jammerlijk verval.
De oudste van alle moskeeën van Shîraz, en dus de meest bezienswaardige, werd in 875 gebouwd onder de regeering van Amer ben-Leis, niet minder bekend om zijne vroomheid, dan door zijne oorlogen tegen de opvolgers van den Profeet. Evenals zijn broeder Yakoeb, leefde hij eerst in goede verstandhouding met de khaliefen van Bagdad, wier vasal hij was, en bestuurde gedurende eenige jaren Irak, Farsistan, Khorassan, Seïstan en Tarbistan, onder den titel van: “Slaaf van den Beheerscher der geloovigen.” Zijne onderdanigheid was echter meer schijn dan wezen. Kort na zijne troonsbeklimming, zoo verhalen ons oude perzische kronieken, beval hij den bevelhebbers der ruiterbenden van duizend om voor hem te verschijnen, de handen met goud gevuld. Toen zij, ten getale van honderd, voor hem stonden, ontsnapte hem een kreet van smart: “O, waarom heeft de hemel mij niet vergund, met een leger als dit, Hassan en Hosein te komen helpen in de vlakte van Kerbela!” Eene edele en vrome verzuchting, zoo voegt de sjiïtische schrijver er bij, waardoor deze vorst zich eene schoone en eervolle plaats verwierf in de gewesten der eeuwige gelukzaligheid.
Amer ben-Leis was niet alleen een vurig geloovige, maar ook een wijsgeer. Overwonnen op een krijgstocht tegen een tartaarsch opperhoofd, die op aanstoken van den khalief van Bagdad tegen hem in opstand was gekomen, werd hij gevangen genomen. Toen het avond geworden was, zette hij zich neder op den grond en liet door een soldaat eene zeer eenvoudige spijs gereed maken in een dier koperen vaten met wijden buik en smalle opening, die gewoonlijk gebruikt worden om de paarden te drenken, toen een hond, die op den reuk was afgekomen, zijn kop in den hals stak. Gerucht hoorende, nam het dier haastig de vlucht, en daar hij zijn kop niet spoedig genoeg uit de opening kon terugtrekken, liep hij met het vat en de spijs weg.
De gevangen vorst begon luidkeels te lachen, en toen de soldaten hem naar de reden zijner vroolijkheid vroegen, die zoo weinig strookte met den ongelukkigen toestand waarin hij verkeerde, antwoordde hij hun: “Dezen morgen nog beklaagde zich de intendant van mijn huis, dat driehonderd kameelen niet voldoende waren om den voorraad mijner mondbehoeften te vervoeren. Zie nu eens, hoezeer mijne bediening heden avond vereenvoudigd is: een hond loopt met mijn diner en mijn geheele keukengereedschap te gelijk weg.”
Ondanks de zeer belangrijke schade, door herhaalde aardbevingen aan zijne muren, bogen en portieken toegebracht, ziet de oude tempel van Amer ben-Lois er nog statig en indrukwekkend genoeg uit. Midden op den voorhof, ter plaatse waar gewoonlijk het waschbekken staat, bespeur ik tot mijne groote verwondering een klein vierkant monument, van steen gebouwd, aan de vier hoeken voorzien van een lagen toren, dat, naar de verzekering van onze gidsen, eene kopie zou zijn van de Kaäba te Mekka. Het dak van dit gebouwtje, dat er over het algemeen zeer vervallen uitziet, is verdwenen. Boven aan de torens ziet men een fraaie inscriptie in blauwe letters, waaruit blijkt dat de stichting van het monumentje in het jaar 1450 plaats greep. Dit geldt uitsluitend van het kleine gebouwtje waarvan wij nu spreken; maar daaruit valt niets af te leiden omtrent den tijd der stichting van het monument, waarvoor dit gebouwtje in de plaats is gekomen. Onze gidsen wijzen ons, te midden van het puin, een grooten zwarten steen, die hier ongeveer dezelfde rol speelt als de beroemde zwarte steen in de Kaäba te Mekka. Tot mijne uiterste verbazing herken ik in dien steen een blok porfier, in vorm en versiering geheel gelijk aan de voetstukken der zuilen van Persepolis.
Waren wij niet de eerste Europeanen, die de mastsjed Djoema hebben bezocht, dan zou de legende, die Shîraz tot eene moderne stad maakt, reeds lang als onwaar zijn verworpen; want het schijnt mij niet mogelijk dat deze steen, waarvoor de bewoners van Shîraz van geslacht tot geslacht zoo hoogen eerbied koesteren, op een goeden dag en met opzet van Persepolis naar hier zou zijn gevoerd. Misschien bestond er, toen de muzelmansche veroveraars in Farsistan doordrongen, geen spoor meer van de oude stad; maar het is niet aannemelijk, dat de Achemeniden steenen paleizen, dat is dus koninklijke residentiën, zouden hebben gebouwd, verre van eenig centrum van bevolking; en dat in een landstreek waar vruchtbare en waterrijke vlakten zoo uiterst zeldzaam zijn, de vallei van Shîraz, juist in het bloeiendste en schoonste tijdperk der perzische monarchie, een verlaten wildernis zou zijn geweest, en dat nog wel onder de regeering van vorsten, die bij voorkeur in hun oorspronkelijk vaderland verblijf hielden.
Nadat wij het kleine gebouwtje, het Huis Gods genoemd, aan alle kanten hadden bekeken, richtte de mollah, die ons vergezelde, zijne schreden naar het oudste gedeelte van de moskee. Dit is eene smalle langwerpige zaal, aan het eene uiteinde versierd met een ouden, ruw bewerkten steenen mihrab, waarvan de twee zijden eene verschillende gedaante hebben. Boven dit werk van eene nog barbaarsche kunst ziet men een verrukkelijk schoon plafond van cederhout met ivoor ingelegd, een kunstwerk van hooge waarde, dat nog in goeden staat verkeert en slechts hier en daar met zorg en smaak is gerestaureerd. Mijn brave mollah schenkt mij overigens niets kwijt: hij laat mij iederen steen en ieder hoekje zien. Dicht bij den ingang, in eene zeer donkere nis, wijst hij mij een fraaie porfieren kuip. Deze kuip heeft den vorm van een regelmatigen polygoon met twaalf vakken; al de vakken zijn onderling gescheiden door zuiltjes, rustende op voetstukken in de gedaante van vazen.
Ondanks haar uiterst bouwvalligen toestand, Bladzijde 343en ondanks de talrijke misvormingen, die de eenheid van het geheel verloren hebben doen gaan, is de moskee Djoema nog een van de belangrijkste monumenten van het mohammedaansche Perzië. De aanwezigheid van eene Kaäba op het midden van den binnenhof; het oud-perzische voetstuk aan den voet der muren van het dusgenoemde Huis Gods; het oudste gedeelte van het heiligdom met zijn zonderlingen mihrab en zijn uitnemend fraai plafond; de porfieren kuip, misschien uit een antiek gebouw afkomstig:—al deze bijzonderheden zijn wel geschikt om de bijzondere aandacht van oudheidkenners en archeologen op deze moskee te vestigen.—De mastsjed Djoema schijnt overigens de type te zijn geweest, waarnaar alle andere moskeeën van Shiraz zijn gebouwd; met name de zoogenoemde nieuwe moskee, die echter reeds omstreeks het jaar 1300 werd gesticht. Dit zeer uitgestrekte gebouw schijnt weinig van de aardbevingen geleden te hebben: met uitzondering van enkele scheuren in de groote bogen, ziet het er nog vrij goed onderhouden uit, en onderscheidt zich vooral door zijne betrekkelijke zindelijkheid van de mastsjed Djoema.
De medresseh Khan zou vrij ver van deze moskee verwijderd zijn, indien men, zooals in de europeesche steden, om van het eene gebouw naar het andere te gaan, den beganen grond moest volgen; maar in het vaderland van Hafiz schiet iedereen vleugelen aan: althans wij beginnen onzen tocht naar de medresseh, met op de daken te klimmen. “Welken weg gaat gij ons nu voeren?” zeide ik tot mijn gids.
—Den kortsten weg, Çaheb; tuinen zijn in het hart der stad zeer zeldzaam; de straten zijn zeer smal en bovendien voor een deel overdekt; daarom nemen wij den weg over de daken, en ieder burger van Shiraz weet dien weg even goed als door de straten en bazars. Alleen wie te paard zit of op den middag uitgaat, volgt de straat.”
Zoo gingen wij dan op weg, en begaven ons over de daken van de nieuwe moskee naar de medresseh Khan, die midden op de groentenmarkt is gebouwd. De school is vierkant en beslaat eene aanzienlijke oppervlakte. Rondom de binnenplaats, die met prachtige boomen is beplant, bevinden zich de kamers der leerlingen, die op lange galerijen uitkomen. Al deze kamers zijn ledig; in de gangen liggen hoopen vuilnis; de porseleinen tegels, waarmede de muren van de binnenplaats bekleed waren, zijn op den grond gevallen; op sommige punten zijn de muren zelven ingestort ten gevolge van de aardbevingen.—Even als in de medresseh van den Vakil, luisteren enkele knapen, op hunne hurken gezeten, met een half oor naar den mollah, die hun iets voorleest, maar wiens aandacht zoo mogelijk nog minder bij zijn werk is. Het best bewaarde en belangwekkendste deel van het gebouw is de peristyl, die ouder schijnt dan de andere gedeelten van het monument. Vier groote bogen, afgewisseld door nissen van grijzen steen, dragen eene platte zoldering, versierd met een fraai mozaïek van tegels op blauwen grond. Deze dekoratie, die zeer smaakvol is uitgevoerd, is omlijst door eene fraaie inscriptie en maakt een zeer goed effect. Het geheele gebouw, met uitzondering van den peristyl en de minarets ter wederzijde van de poort, is, het behoeft nauwelijks gezegd, eene schepping van den vakil, even als de prachtige bazar, waardoor wij onzen terugweg nemen.
19 October.—Welk een afschuwelijk klimaat is dat van Shiraz, althans in dezen tijd des jaars. Marcel is nog steeds ziek; de heer Blackmaur. onze gastheer, heeft sedert onze komst bijna het bed niet verlaten; en sedert eergisteren heb ik alleen gegeten, bediend door den kok, den eenigen bediende, die nog op de been is: het telegraafkantoor is in een hospitaal herschapen.
De koortsen van Farsistan zijn zeer ernstig; zij gaan gepaard met delirium of althans met zeer afmattende hallucinaties en verzwakken den patiënt bovenmate. In deze omstandigheden valt het dubbel hard, een bed en vooral schoon linnengoed te moeten missen; ik heb naar den bazar van Shîraz gezonden, maar het is niet mogelijk linnen te vinden. De Perzen kleeden zich nooit uit, en kennen geen ander lijfgoed dan alleen een hemd. Marcel beklaagt zich echter niet; als hij niet ijlt, speelt hij met eenige muizen, die onder de gloeiende dekens hun verblijf hebben gevestigd en zich daar zeer wel schijnen te bevinden.
Ik zelve voel mij zeer afgemat en moedeloos en kan bijna niets uitvoeren. Toch heb ik den hakim-bashi, onzen vriend, ontvangen, die Marcel kwam uitnoodigen om den gouverneur der stad te gaan bezoeken. Çahabi-Divan is reeds bejaard; sedert het begin van den zomer lijdt hij bijna onafgebroken aan koorts, en hij voelt zich nu zoo zwak dat hij, na gehouden overleg met zijn lijfarts, besloten heeft, het uiterste te beproeven en in 's hemels naam de hulp van een Farangui in te roepen. Ik heb den hakim verzocht, den gouverneur te doen weten, dat mijn echtgenoot zelf ziek lag en onmogelijk tot hem komen kon, en er op aangedrongen dat het consult eenige dagen zou worden uitgesteld. De waardige lijfarts zou voor het oogenblik tevreden geweest zijn, als ik met hem had willen mede gaan; hij verzekerde mij, met eene voor mijne eigenliefde zeer streelende beleefdheid, dat hij evenveel vertrouwen stelde in mijne talenten als in die van mijn echtgenoot; maar ik heb gemeend, voor die eer te moeten bedanken. “Een gouverneur te behandelen is een zaak van gewicht, antwoordde ik op ernstigen toon; ik zou nimmer zulk eene zware verantwoordelijkheid op mij durven laden.”
De menschen zijn toch in den grond overal dezelfden: in het Oosten zoowel als in het Westen, even vol vooroordeelen, even belust op het onmogelijke, ongerijmde. Er is te Shîraz een zeer bekwaam geneesheer, dokter Odling; hij is sedert vijf jaren in het land gevestigd en is volkomen op de hoogte van de lokale ziekten: de gouverneur laat hem echter niet ontbieden. Maar daar komen twee vreemdelingen in de stad, twee geheel onbekende personen, die zichzelven niet genezen kunnen, maar toevallig enkele tsjarvadars hebben geholpen: en de gouverneur heeft geen rust voor zij hem Bladzijde 344willen behandelen, op het gevaar af dat hij sterven zal, indien die geïmproviseerde dokters onvoorzichtig genoeg zijn om hem er aan te wagen.
Ruïnen van Sarvistan.
23 October.—Sedert drie dagen heb ik mijn dagboek niet kunnen bijhouden. Toen Marcel beter werd, werd ik op mijne beurt aangetast. Daar ik mij dezen morgen beter gevoelde, heb ik mijn echtgenoot uitgenoodigd, overeenkomstig de aan den hakim gegeven belofte, zich naar den gouverneur te begeven.
Toen hij aan het paleis kwam, was er niemand om zijn paard vast te houden. Op de doorgaans zoo drukke voorhoven was het nu doodstil. Toen hij de vestibule betrad, waar de wacht verblijf houdt, werd dit raadsel aldra opgehelderd. Overal lagen soldaten, half gekleed, op den grond uitgestrekt; zelfs de concierge was te lusteloos en te uitgeput om zijn gewone backshish te vragen. De koorts woedde allerhevigst in het paleis van den gouverneur.
Op het binnenplein van het paleis van den gouverneur te Shîraz.
Çahabi Divan zat of liever lag op een hoop dekens, achter in den officieelen talar op den vloer uitgespreid; hij bibberde en klappertandde, niettegenstaande hij in een fraai violetkleurig satijnen kleed was gewikkeld, waartegen zijn bleek en gerimpeld gelaat akelig afstak. Zijn baard, die, zooals bij alle grijsaards, met henné was geverfd, toonde nog slechts in het onderste gedeelte een weinig rood, maar was overigens sneeuwwit. Die wonderlijke samenvoeging van kleuren gaf den zieke een terugstootend voorkomen, waarmede overigens zijn zwak en lijdend uitzicht niet strookte. Om den gouverneur zaten, naar rangorde, een aantal aanzienlijke, deftige personen; allen bewaarden een eerbiedig stilzwijgen, slechts afgebroken door het gekerm van den meester. Daar zat een in de stad Bladzijde 346zeer hoog geachte seyed, kenbaar aan zijn blauwen tulband; voorts de iman djoema, twee of drie mollahs; de generaal kommandant der artillerie—een oude slaapmuts, tot deze raadsvergadering geroepen uithoofde van zijn rang en van zijne hooge betrekking, die overigens eene zuivere sinecure is, daar er te Shîraz geen enkel kanon is te vinden;—verder, de beschermer der vreemdelingen, die ook nu niet volkomen nuchter was; eindelijk de barbier, een personage van gewicht, de hakim-bashi en zijn zoon, en nog drie of vier andere bejaarde en min of meer beroemde geneesheeren.
Zoodra Marcel binnentrad, deed de zieke een poging om op te staan, maar zonk weldra al zuchtend op de dekens neer. Mijn echtgenoot drukte eerst de hand van den iman djoema, met wien wij op den besten voet staan, en groette de overigen zonder zich in het minst te storen aan de woedende blikken van den seyed, wiens verontwaardiging geene grenzen kende nu het leven en de gezondheid van den gouverneur aan een Christen werden toevertrouwd, of aan de blijkbare ergernis van den barbier, die het niet kon verkroppen dat een Farangui in zijne functiën zou treden.
Er werd een pijp gebracht; ruim een kwartier verliep, gedurende hetwelk die pijp, met inachtneming van alle vormen der beleefdheid, van hand tot hand ging, zonder dat iemand acht scheen te geven op het zuchten en kermen van den patiënt; eindelijk nam de eerwaardige hakim-bashi, na zijn cachemiren tulband te hebben recht gezet en zijne handen op zijn borst gevouwen, aldus het woord:
“Onze geëerbiedigde Hakem—moge Allah hem geven meer dan honderd jaren deze provincie te besturen!—is sedert het begin der lente lijdende aan hevige aanvallen van koorts. Alle geneesmiddelen, voor dergelijke gevallen voorgeschreven, heeft men aangewend; wilgenbladeren in menigte zijn op het hoofd van Zijne Excellentie gelegd....
—En ik, valt de barbier in; ik, zijn onwaardige slaaf, heb Zijne Excellentie in de laatste maanden meer dan driemaal gelaten.
—De eerwaarde seyed, die deze vergadering wel met zijne gezegende tegenwoordigheid wil vereeren, heeft den hakem kostbare talimans ter hand gesteld en Koranteksten, die in mijne tegenwoordigheid op de lijdende lichaamsdeelen zijn gelegd. Wij hebben zelfs de toevlucht genomen tot de quinè quinè (chinine). Maar al deze geneesmiddelen hebben hoegenaamd niets uitgewerkt. Toch is het van het grootste gewicht, dat de gouverneur, aan wien wij de rust en den vrede van de provincie te danken hebben, weldra weder zijne plaats kunne innemen op het tapijt van den divan khané (huis der gerechtigheid). Doch zoo deze man, wiens rechtvaardigheid te vergelijken is bij die der beroemdste khaliefen, het volk zal blijven regeeren, dan is het noodig dat Allah hem de gezondheid terug geve. Mijn zoon, die schatten van wijsheid en wetenschap heeft verzameld bij de geneesheeren van Zijne Majesteit den Shâh—moge Allah dit licht der wereld nog lang op den troon sparen!—heeft mij aangeraden, den hakem een geneesmiddel toe te dienen, waarvan ik schroom den naam uit te spreken, om niet te kort te doen aan den eerbied, dien ik den doorluchtigen kranke verschuldigd ben en dezer eerwaardige vergadering, die wel naar mij wil luisteren. Dit geneesmiddel waartoe de Faranguis, die aan allerlei kwalen lijden, dikwijls hunne toevlucht moeten nemen, is niet edel. Had ik te doen met een gewonen patiënt, dan zou ik misschien niet geaarzeld hebben, het voor te schrijven; maar zonder de toestemming van de geestelijkheid en den steun mijner geleerde collega's zou ik het nimmer bij den gouverneur durven aanwenden.
—Spreek en vrees niets, heer dokter, antwoordde de seyed; deel ons uwe gedachte mede; gij zijt, het is ons allen bekend, een vroom muzelman. Wat is de zaak?
—Ik zou in overweging geven, aan den hakem, natuurlijk in eene zeer geringe hoeveelheid, een geneesmiddel toe te dienen, waarvan ik nog schroom den naam uit te spreken. Ik bedoel arsenicum, marge-moesj.
—Rattenkruid voor den gouverneur! zoo klinkt het eenstemmig uit aller mond, zelfs uit dien van den kranke, die vol schrik en ontzetting is opgerezen.
—Ja, ik dacht wel dat ik bij u tegenstand zou ontmoeten; maar toch zou ik gaarne de meening kennen van de vrome wetgeleerden, en van hen vernemen of de Koran het toedienen van dergelijke geneesmiddelen verbiedt.
—Neen, zeker niet, antwoordt de seyed; hoewel dit vergift, dat in Faranguistan bereid wordt, met de uiterste behoedzaamheid moet worden gebruikt.
—Wat mij betreft, herneemt een der oude geneesheeren, ik verklaar mij ten stelligste tegen het gebruik van rattenkruid, omdat de ziekte van den gouverneur tot de warme of heete aandoeningen behoort. De ouden hebben ons geleerd, dat men de kwalen waaraan de menschheid lijdt, in vier klassen verdeelt: de koude, de warme, de droge en de vochtige ziekten; zij loeren ons ook, dat men deze verschillende kwalen door eene behandeling van tegenovergestelden aard moet genezen. Zoo er nu eene ziekte is, die tot de warme of heete gerekend kan worden, is het wel de koorts: daarom moet zij genezen worden door aderlatingen of afkoelende middelen, en niet door droge vergiften, zooals het arsenicum. Het schijnt wel, eerwaarde hakim-bashi, dat gij de eerste grondbeginselen der geneeskunde vergeten hebt. Ik besluit dus, dat het gebruik van wilgenbladen een gewaagd middel is, en dat de quinè quinè verkeerd werkt; het gebruik van arsenicum acht ik bepaald duivelsch; daarom verklaar ik er mij ten sterkste tegen dat het den gouverneur worde toegediend.
—Wat mij aangaat—zegt de iman djoema, die gaarne een bewijs wil geven van zijn helder oordeel en tevens de verschillende partijen zooveel mogelijk tot elkander wil brengen;—wat mij aangaat, ik zou wel het gevoelen kunnen deelen van den hakim-bashi, als hij het niet volstrekt noodig oordeelt, den gouverneur het rattenkruid bij wijze van een drankje toe te dienen. Zou men, Bladzijde 347bij voorbeeld, geen kleine zakjes kunnen maken, die met arsenicum vullen en ze dan om den hals of de armen van Zijne Excellentie hangen? Om de schadelijke werking van het vergift te keeren, zou men er eenige teksten uit den Koran bij kunnen voegen.
—Zoo men naar mijn raad wilde luisteren, zegt nu de generaal der artillerie, zou men al die kwakzalversmiddelen op straat gooien; en met vergunning van den moesjteïd en van den iman djoema, zou men Zijne Excellentie alle dagen een paar flesschen goeden ouden wijn van Shiraz laten drinken. Hoewel ik zelf nooit de voorschriften van onze wet overtreden heb, zoo weet ik toch van hooren zeggen, dat er geen beter middel is tegen de koorts.
—Baricalla! baricalla! (bravo! bravo!), roept de beschermer der vreemdelingen, die op het hooren noemen van den ouden wijn van Shiraz uit zijne verdooving ontwaakt; dat is ten minste een verstandige raad. De generaal en ik, wij hebben steeds bevonden, dat dit het beste, of liever eenige middel is tegen de werking van het ongezonde klimaat dezer streek.
—Wilt gij den mond houden, zoon van een verdoemden dronkaard, herneemt de generaal, woedend dat hij aldus verraden wordt; gij....
—Çaheb, zegt haastig de hakim-bashi, den generaal in de rede vallende, wat denkt Uwe Excellentie van het voorstel van den iman djoema?”
De Excellentie—dat is mijn echtgenoot—, die in het minst geen vermoeden had, wat het gevolg zou zijn van zijn advies, om den gouverneur met arsenicum te genezen, haast zich, om aan de beraadslagingen een einde te maken.
“Ik houd mij overtuigd, dat de kracht der teksten uit den Koran den zieke eene groote verlichting zal bezorgen. Dit is in allen gevalle zeer wenschelijk; want wanneer men het arsenicum aanwendt op de wijze, als de eerwaarde iman djoema voorstelt, dan zal het vermoedelijk niet veel baten. Indien de raad tegen het gebruik van arsenicumhoudende dranken is, zou hij dan ook bezwaar maken, om den buik en de maag van den patiënt met dit geneesmiddel in te wrijven? Met Gods hulp zou dat misschien kunnen baten. Daarbij, hakim-bashi, waarom zoudt gij Zijne Excellentie niet naar de bergen zenden, waar de lucht zooveel gezonder is dan te Shîraz? Het zou altijd nog tijd zijn om het arsenicum te gebruiken, op de wijze als ik u eerst voorstelde, indien de algemeene gezondheidstoestand van den zieke minder werd.”
Met dit fraaie advies kunnen bijna alle leden der vergadering zich vereenigen, en men gaat tot stemming over. De raad besluit dat de gouverneur naar de bergen zal worden gevoerd, en dat hij, te beginnen met morgen, tweemaal daags, des ochtends en des avonds, op den buik en op de maagholte met arsenicum zal worden ingewreven. Elke wrijving mag niet minder dan drie kwartier duren.
Brengt de arme man bij deze behandeling er het leven af, nu..... dan is Allah groot!
XXIX
25 October.—Een van de rijkste bankiers van de stad is failliet gegaan: het passief bedraagt vijfhonderd-duizend krans, hier te lande eene kolossale som. Gelukkig zijn onze credietbrieven niet bij dien bankier betaalbaar gesteld. Maar voorzichtigheidshalve hebben wij toch dadelijk bij een zijner collega's de driehonderd tomans gehaald, die ons moeten ter hand gesteld worden. Het is, voorwaar, geene kleinigheid, drieduizend krans uit te betalen; na herhaald uitstel zou de afrekening eindelijk van daag plaats hebben. De heer Blackmaur heeft een agent van de telegraaf tot onze beschikking gesteld en hem opgedragen, het geld na te zien; de bankier heeft zijn expert afgevaardigd, en deze twee gemachtigden hebben te zamen een derden persoon benoemd, die eventueele geschillen en moeielijkheden uit den weg moet ruimen.
Papieren geld is hier onbekend; de gouden toraan wordt ten platten lande zeer zelden in ontvang genomen; wij zijn dus wel genoodzaakt ons van zilveren krans te voorzien, waarvan de waarde verschilt naar gelang van den titel, den datum der uitgifte, de provincie waar men ze ontvangt en die waar men ze in betaling geeft, en eindelijk naar gelang van de waardevermindering, die de verschillende bankiers, in wier handen de muntstukken zijn geweest, hen door snoeien of andere kunstjes hebben doen ondergaan.
De uitbetaler zet zich midden in een kamer op den grond, nadat hij zorgvuldig de deuren gesloten heeft, zoodat hij niet behoeft te letten op de gaanden en komenden; vervolgens stort hij een grooten zak met geld op het tapijt uit, en legt de stukken bij tientallen op stapeltjes, die hij zoo schikt dat hij ze gemakkelijk in de lengte en in de breedte tellen kan.—Is deze eerste operatie afgeloopen, dan begint de andere partij op hare beurt de krans te onderzoeken, laat ze op een steen klinken, schiet de twijfelachtige stukken uit en legt die afzonderlijk om ze aan een nader onderzoek te onderwerpen. De twee experts twisten, schreeuwen, schelden elkander uit, schrappen het metaal met een pennemes af, en zonderen eindelijk de stukken af, over welker waarde zij het niet eens kunnen worden. Die stukken worden aan den derden scheidsrechter ter hand gesteld, die beide partijen beurtelings in het gelijk stelt en hen eindelijk tot elkander brengt. Het geld wordt nu in een zak gedaan on naar den eigenaar gebracht. Deze moet het nu nog eens overtellen en het ten slotte wegbergen in een kistje, dat stevig genoeg is om zijne bedienden te doen afzien van elke poging om daaruit weg te nemen wat zij noodig hebben, en toch zoo klein dat hij het 's nachts, als de karavaan rust houdt, onder zijn hoofd kan plaatsen. Zoolang de bagage in handen is van de tsjarvadars, bijna zonder uitzondering eerlijke lieden, behoeft men zich niet ongerust te maken; tenzij de karavaan door roovers geplunderd wordt, krijgt ge uw eigendom ongeschonden terug; maar op de pleisterplaats geven de tsjarvadars aan ieder reiziger zijne eigene bagage in bewaring, en staan zij er niet langer voor in Bladzijde 348tot de goederen weer opgeladen worden. Dan is het zaak, uw geldkist, die ge telkens moet openen en waarop ge reeds daardoor van zelf de aandacht vestigt, geen oogenblik uit het oog te verliezen.
Wij moeten nu de verdere toebereidselen maken voor onze reis. Reeds sedert onze komst te Shîraz hebben wij ons bezig gehouden met de vraag, welken weg wij moesten volgen om de Perzische-golf te bereiken. Wij hadden te kiezen tusschen twee wegen, die beiden naar Boeshîr voeren: de een, die over Kaseroem en Shapoer loopt, wordt door alle karavanen, de post en genoegzaam alle reizigers gevolgd; de andere, die veel langer is, loopt naar Firoez-Abâd, maar ontleent een bijzonder gewicht aan de overwelfde gebouwen, welke men in de nabijheid van die stad vindt. Wanneer wij den weg van Firoez-Abâd kiezen, behoeven wij bovendien slechts een omweg van enkele dagen te maken om het paleis van Sarvistan te bezoeken, waarvan men ons reeds te Madereh Soleiman gesproken heeft, benevens de vlakte van Darab, dat wil zeggen geheel het oude Farsistan.
Wij hebben dus onze keus op dezen weg gevestigd, hoewel onze reis daardoor drie weken langer zal duren en wij buitengewone vermoeienissen zullen hebben te doorstaan, omdat wij de gebruikelijke en gebaande karavanenwegen gaan verlaten. Meen nu echter niet, als ik van een gebaanden weg spreek, dat ik daarmede een straatweg of eenig ander soort van kunstweg bedoel,—zulk een wonder bestaat in Perzië niet;—maar ik bedoel eenvoudig een heerbaan, waarlangs eenig verkeer plaats heeft.—Wij zijn dus genoodzaakt, om zelven een soort van karavaan te vormen, om paarden en muilezeldrijvers met den dag te huren, en het voor het overige op het gunstige toeval te laten aankomen. Uit vrees van bestolen te worden, heeft Marcel besloten, onze groote bagage aan den tsjarvadar-bashi toe te vertrouwen, die ze aan den gouverneur van Boeshîr ter hand zal stellen; wij zullen alleen bij ons houden wat wij voor dagelijksch gebruik noodig hebben.
27 October.—Na lang wachten zijn wij eindelijk gisteren van Shîraz vertrokken, gezeten op een paar paarden, die in niets geleken op de flinke krachtige rossen welke wij gehuurd hadden, en die nu, tot onze ergernis, vervangen werden door twee magere, afgesloofde knollen, twee wandelende geraamten, met afzichtelijke wonden bedekt. Daar er geene mogelijkheid bestond, andere paarden te krijgen en wij tot geen prijs nog langer in dit vaderland der koorts wilden vertoeven, hebben wij toch de reis aanvaard, nadat wij van den heer Blackmaur en dokter Odling afscheid genomen hadden. Twee gholams van den gouverneur vergezellen ons; zonder dat geleide zouden wij, als Christenen, groot gevaar loopen dat wij in geen enkel dorp van Farsistan een onderkomen vinden of levensmiddelen zouden kunnen koopen.
Daar wij, om Kerabad te bereiken, een langen weg hadden af te leggen, hadden wij met de tsjarvadars en de gholams afgesproken, dat wij te middernacht zouden vertrekken, om voor de hitte hinderlijk werd ter plaatse onzer bestemming te zijn. Maar tegen middernacht kwamen de tsjarvadars met de bewering voor den dag, dat zij in den donker den weg niet konden vinden; en ten einde ons, zoo mogelijk, van een bezoek aan Sarvistan terug te houden, verspilden zij zooveel tijd met de toebereidselen voor de reis, dat wij ons eerst tegen zes uren in den morgen op weg konden begeven. Nauwelijks hadden wij driehonderd schreden afgelegd, of mijn paard viel op den grond; gelukkig kwam ik met gescheurde kleederen vrij, zonder verder letsel. Toen het arme dier eindelijk, door eene dracht slagen, gedwongen was om weer op te staan, weigerde ik ten stelligste, de reis op dien jammerlijken knol voort te zetten, en maakte ik mij meester van den flinken muilezel van Arabet, zonder mij te storen aan de blijkbare ontevredenheid van dien trouwen dienaar, die beweerde dat een muilezel niet aan mijn rang voegde.
Na eene zeer lange en zeer vermoeiende reis, waarop het paard dat ik dezen morgen bereed voor goed bezweken was, kwamen wij eindelijk tegen zeven uur des avonds te Kerabad aan. Ik ben uitgeput, en aan eten valt niet te denken. Het vleesch dat wij mede genomen hebben, is door de hitte bedorven; het is te laat om nu nog een schaap te slachten; wij moeten ons vergenoegen met wat komkommers en eene groote kan zure melk. Een gelapte pantalon en jas zullen dienst doen als beddelakens; als hoofdkussen zal ik mijn vilten helmhoed gebruiken; de grond, waarop ik mij zal nedervlijen, is zoo hobbelig als de rug van een kameel; tusschen takkebossen in mijne onmiddellijke nabijheid huppelen gansche scharen van ratten, en reusachtige spinnen kruipen tegen den muur op. Maar aan dergelijke kleinigheden raakt men gewoon.
Sarvistan, 29 October.—Alle slagen vallen, naar het schijnt, op ons hoofd. Daar mijn echtgenoot zich zeer vermoeid gevoelde en voor een nieuwen aanval van koorts vreesde, heeft hij, voor ons vertrek meer dan een gram chinine ingenomen. Deze groote hoeveelheid, gevoegd bij de beweging van het paardrijden, veroorzaakte hem zulke hevige pijnen, dat hij zich als in wanhoop op den grond wierp en buiten staat was om verder te gaan.