WeRead Powered by ReaderPub
Perzië, Chaldea en Susiane / De Aarde en haar Volken, 1885-1887 cover

Perzië, Chaldea en Susiane / De Aarde en haar Volken, 1885-1887

Chapter 31: XXXI
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The narrative recounts the author's travels through Persia, Chaldea and Susiane as she accompanies her husband on a commission to study Sassanid-era monuments. Over fourteen months and several thousand kilometers traveled by horseback, she keeps a diary, makes photographs and documents archaeological sites alongside everyday scenes. Vivid attention is given to ruined architecture, enamelled tiles and reliefs as well as market life, food, lodging and encounters with local inhabitants. Practical difficulties of travel, administrative interactions and close field observation combine to produce a detailed, ground-level portrait of landscape and material culture.

Ruïne te Ferashbad.

Wij jagen onze paarden en muildieren zoo snel mogelijk voort en komen, drie uren later, in het fraaie dorp Aharam, waar wij in de woning van den ket khoda een geschikt logies vinden. Uit mijne vensters zie ik de hooge bergen, waarover wij getrokken zijn; in de vlakte groote palmbosschen; voor mijne voeten liggen de leemen woningen van het dorp, afgewisseld door boomgroepen. De dorpelingen, die zich op straat bewegen, zijn donkerbruin van kleur. Jammer slechts, dat het water van de bronnen te Aharam zoo brak is, dat zelfs de inboorlingen het niet drinken kunnen, en zij gedwongen zijn hun dorst te lesschen met regenwater, dat zij gedurende den winter opvangen, hetzij in bakken, hetzij in open kuilen, waarin het bederft. Toen ik het proefde, dacht ik inderdaad, dat men mij bij vergissing de petroleumkan had gegeven, zoo afschuwelijk was de smaak. Maar de kleur stelde mij gerust: petroleum is helder, het water van Aharam is bruin als een aftreksel van tabak.

XXXI

De afstand van Aharam tot Boeshir bedraagt niet meer dan acht farsaks, en toch hebben wij die niet in eene dagreis kunnen afleggen, zoo zeer hadden de paarden geleden door het drinken van het ongelukkige water, dat als een sterk purgatief werkte.

Eindelijk bereikten wij het dorp Goerek, waar wij gelukkig drinkbaar water vonden. Dit dorp bestaat uit hutten, die, zoo als alle woningen in zuidelijk Farsistan, van palmtakken en bladeren zijn gebouwd; de straten zijn opgevuld met mooie kinderen, gele honden en zwarte kippen, allen even schuw. Rondom het dorp strekt zich een vlakte uit, die met gras en struiken is begroeid. Toch is de bodem hier niet onvruchtbaar; ook getuigt het voorkomen en de kleeding der dorpelingen van betrekkelijke welvaart.

De levenswijze van den sheikh van Goerek laat zich het best vergelijken met die van de groote heeren uit den ouden feodalen tijd: hij kan naar welgevallen zich het genot gunnen van de jacht, hetzij drijfjacht, hetzij vederspel: een vermaak, waarop alle Perzen hoogen prijs stellen, maar dat alleen binnen het bereik valt van stamhoofden, die machtig en rijk genoeg zijn om er paarden, honden en valken op na te houden. Vooral de laatsten kosten veel geld. Een goed gedresseerde giervalk is zeer duur; hunne voeding, bestaande uit gevogelte en vleesch, vordert betrekkelijk aanzienlijke sommen; bovendien heeft men voor iederen vogel een valkenier noodig en voor elken valkenier een paard. Men berekent, dat het onderhoud van elken vogel, met zijn knecht en zijn paard, gemiddeld tusschen de achthonderd en duizend francs per jaar kost.

Valkenier van den sheikh van Goerek.

Een vogel, die op zulk een grooten voet Bladzijde 362leeft, verdient wel dat hij met zorg wordt opgekweekt: reeds vroegtijdig wordt hij dan ook ter schole gezonden. Zoodra de jonge valk vliegen kan, leert men hem om rauw vleesch te gaan weghalen uit de oogholten van een opgezette gazelle of trapgans. Naar gelang hij behagen begint te krijgen in dit spel, wordt het lokaas al verder en verder verwijderd, en eindelijk zoo geplaatst, dat de vogel het niet zien kan als hij op den grond blijft. Hij stijgt dan omhoog, zoekt met de oogen het opgezette dier en schiet er pijlsnel op neer. Volwassen zijnde, stort zich de valk volkomen op dezelfde wijze op het wild en pikt dat de oogen uit, om in de holte het voedsel te zoeken dat, naar hij meent, daar verborgen is.

Als een valk ter jacht zal gaan, laat men hem een dag vooraf vasten; op het oogenblik van het vertrek trekt men hem eene met edelgesteenten versierde kap over den kop en bindt een dunne lederen riem aan een zijner pooten. De valkenier voorziet zich van een ijzeren stang waaraan een lederen bal gevestigd is, van een spons en een trom, om den vogel terug te roepen als hij zich te ver verwijdert; dan zet hij den valk op zijne met een opgevulden handschoen bekleede vuist, kiest een vlug paard, en volgt zijn meester in het open veld. Zoo ontmoetten wij den sheikh van Goerek, aan het hoofd van een talrijken jachtstoet, op korten afstand van het dorp. Wel zocht ik te vergeefs naar schoone edelvrouwen op blanke hakkeneien, naar de dappere ridders, pages en lijfknechts in schitterende liverei; maar al ontbrak dit alles, de jacht zelve was er niet minder boeiend en belangwekkend om.

De obarè (eene soort van trapgans), tegen wie de valk was losgelaten, was zoo groot als eene groote kip. Zoodra zij den vijand gewaar werd, verhief zij zich moedig in de lucht, in plaats van te trachten zich op den grond te verbergen. Nu pogen de beide partijen, door steeds hooger te stijgen, elkander te ontwijken en de beten te ontgaan, die zij elkaar zoeken toe te brengen; weldra hadden wij de strijders uit het oog verloren. Maar, daar worden opnieuw twee stippen, hoog in de lucht, zichtbaar. De gevleugelde worstelaars vliegen naast elkander, snavel tegen snavel, klauwen tegen klauwen. Doch de strijd is te ongelijk; zij dalen en dalen; de trapgans is uitgeput, terwijl de valk nog in het bezit is van zijn volle kracht. Eensklaps omklemt hij zijne prooi, die eene laatste wanhopige poging doet om te ontsnappen; de beide vogels, een verwarde massa van opgezette vederen, strijken neder op den grond. De trapgans is overwonnen en blind.

Zoodra hij zich van zijne prooi heeft meester gemaakt, zou de valk die geheel verslinden, wanneer de jager hem die niet kwam ontrukken. Maar de overwinnaar heeft recht op den kop en de lever van elk stuk wild; en indien deze belooning hem onthouden werd, zou de vogel, die juist niet door onbaatzuchtigheid schijnt uit te munten, niet langer willen jagen.

De valk is gulzig, maar hij mist volharding. Overkomt het hem eenige malen achtereen, dat hij zijne prooi niet gewaar wordt of dat zij hem ontsnapt, dan keert hij in zeer onvriendelijke gemoedsstemming naar zijn meester terug, en blijft doof voor alle vermaningen en aansporingen. De uitkomst van de jacht hangt dus meestal af van de behendigheid, waarmede den valk de kap wordt afgenomen, en de vlugheid, waarmede hij losgelaten wordt.

Doch ook de sterkste, de best gedresseerde, de best bestuurde giervalk is nog niet altijd overwinnaar. De oude trapganzen, uitgeleerd in krijgslisten, maken hem dikwijls te schande. Wanneer zij te vergeefs beproefd hebben, den vijand onder zich te krijgen, veinzen zij soms eensklaps groote vermoeidheid, laten zich op haar vleugels drijven en bespieden het oogenblik, waarop de vijand, meenende dat zij geen weerstand kunnen bieden, zich op haar gaat werpen. Dan, plotseling eene wending makende, spuiten zij hem een straal drek tegen den kop, die hem verblindt en zoo van zijn stuk brengt, dat hij zich als een steen op den grond laat vallen. Gebeurt dit, dan moet de valkenier den vogel zoo spoedig mogelijk met de spons reinigen en hem naar huis brengen, want na zulk een ongeval wil hij dien dag niet meer den strijd aanbinden.

Men gebruikt den valk niet alleen om vogels of hazen te vangen; de grootere giervalken worden ook bij de jacht op groot wild, met name op de gazellen, gebezigd. De ruiters zetten eerst het wild na met zeer vlugge hazewinden, onder den naam van tazi bekend; beginnen de honden vermoeid te raken, dan ontkapt de valkenier zijn vogel. De valk schiet als een bliksemstraal neder op den kop der gazelle en pikt haar de oogen uit, zoodat zij den jagers in handen valt.

Boeshir, 16 November.—De vlakte van Goerek is van de zee gescheiden door duinen van los stuifzand, waarin onze ongelukkige paarden en muilezels schier tot de knieën wegzinken. Heeft men die duinen achter den rug, dan komt men aan een uitgestrekt moeras, dat met de grootste moeite moet doorwaad worden. Maar Boeshir rijst voor onze oogen uit de golven op, en dit gezicht geeft ons nieuwen moed.

Boven een met torens voorzienen muur vertoonen zich huizen van eenige verdiepingen en gekroond met eigenaardige toestellen, ik mag wel zeggen torens, bestemd om den wind op te vangen. Deze eigenaardige bouwtrant, in harmonie met het klimaat en de grondgesteldheid van de zuidkust van Perzië, geeft aan de stad een voorkomen, geheel afwijkende van dat der steden in het binnenland. Boeshir, tusschen de zee en lage moerassige gronden gelegen, is natuurlijk vochtig en ongezond. De inwoners bezigen dus de benedenverdieping hunner huizen als kelder, en gebruiken alleen de bovenkamers en vertrekken, die aan alle vier zijden groote openslaande vensters hebben. Om zooveel mogelijk de vochtige en zware lucht, die de hitte letterlijk ondragelijk maakt, buiten te sluiten, opent men alleen de vensters aan den kant van waar de wind komt.

Eer wij de stad zelve binnen gaan, rijden wij Bladzijde 363langs de haven, die ondiep is en waarin wij slechts hier en daar enkele visschersschuiten zien liggen. Nabij de poort der stad liggen op het strand vier booten, of liever vier onttakelde kielen zonder zeilen of tuigage. Brengt hun uw eerbiedigen groet: dit toch is de koninklijke vloot van Perzië, die hier sedert jaren ligt te rotten op het strand van Boeshir. Na een blik geworpen te hebben op deze eerwaardige overblijfselen eener marine, die nimmer de zeeën met haar glorie heeft vervuld, begeven wij ons rechtstreeks naar het paleis van den gouverneur Mirza Mohammed Moestafi Nizam, die zeer bevriend is met dokter Tolozan en aan wien wij dus zoo spoedig mogelijk onze introductiebrieven wenschen ter hand te stellen. Gedurende ons bezoek bij den hakem, zochten de gerechtsdienaars een onbewoond huis op en lieten onze bagage daarheen overbrengen; weldra gingen wij ook zelven bezit nemen van onze nieuwe woning.

Aan ruimte ontbreekt het ons niet: een geheel regiment zou in ons huis plaats kunnen vinden. Van het terras overziet men de stad, de vlakte van Goerek, de zee, en geheel aan den horizon, de schemerende masten van twee engelsche schepen. In werkelijkheid is er te Boeshir noch eene reede, noch eene haven; de stoombooten van grootere afmetingen kunnen voor de stad niet ankeren, maar moeten het anker uitwerpen op een afstand, dien de inlandsche zeil- of roeibooten in geen twee uren kunnen afleggen. Wanneer de wind tegen is, zijn de schepen dikwijls genoodzaakt zee te kiezen, zonder hunne lading geheel te kunnen innemen. De kustvaarders met een diepgang van drie of vier voet zouden zich in de kreek, die tot haven dient, kunnen wagen; maar daar er geen boeien zijn, zouden zij gevaar loopen bij harden wind uit het noordwesten op het strand geworpen te worden.

Naar de gouverneur mij mededeelde, zou de Shâh Zadeh Zelleh Sultan het voornemen hebben opgevat, om te Boeshir een hoofd en eene kaai te laten maken, waar kleinere vaartuigen zouden kunnen aanleggen, maar uit vrees, de achterdocht van den koning, zijn vader, op te wekken, heeft hij vooreerst daarvan afgezien. Ik vrees, dat er van de geheele zaak niets komen zal: en toch is Boeshir de eenige haven, waardoor Perzië in geregelde gemeenschap met Europa zou kunnen treden.

19 November.—Aanvankelijk verkeerden wij in groote ongerustheid over onze bagage, die wij te Shîraz hebben achtergelaten en die reeds lang hier had moeten zijn. De gouverneur heeft de vriendelijkheid gehad, voor ons een onderzoek in te stellen: daaruit is gebleken dat het vertrek der karavaan was vertraagd, omdat Çahabi-Divan, de ons welbekende hakem van Shîraz, beslag had gelegd op alle paarden der provincie, ten behoeve van zijne reis naar het gebergte, waar hij van de koorts genezen moet. De karavaan is thans echter vertrokken en weldra zullen wij in het bezit zijn van onze bagage.

Daardoor gerustgesteld konden wij met des te meer smaak aanzitten aan het prachtige, geheel naar europeesche wijze bereide diner, waarop de gouverneur ons genoodigd had en waaraan wij alle eer bewezen. Van tafel opgestaan, begaven wij ons naar den salon: de avonden zijn in dit jaargetijde te Boeshir te koud en te vochtig, om ze op de terrassen of platte daken te kunnen doorbrengen. Het gesprek liep voornamelijk over Frankrijk en over Parijs, waar de hakem eenigen tijd had gewoond en waarvan hij de aangenaamste herinneringen had medegebracht.

Toen wij ons gereed maakten te vertrekken, werd een telegram binnengebracht, dat van Teheran kwam en alleen deze woorden bevatte: “God heeft den çpâhcâlâr tot zich geroepen.”

De eeretitel van çpâhcâlâr, overeenkomende met dien van generalissimus der perzische legers, werd gevoerd door den voorlaatsten minister van staat, een van de voornaamste en krachtigste figuren aan het hof van Nasr ed-din. De onverwachte dood van dezen man maakte te meer indruk omdat de overledene, die van zeer geringe afkomst was, jaren lang een schier onbeperkt gezag had uitgeoefend.

Zoon van een badstoofhouder te Kazbin, verliet Hoesein-Khan reeds zeer vroeg de ouderlijke woning, en kreeg, in zeer ondergeschikte betrekking, eene aanstelling bij de hofhouding van den Shah. Dank zij zijn vlugheid van begrip, zijn helder verstand en overleg, wist hij zich al spoedig meer op den voorgrond te dringen en allengs de aandacht van den koning te trekken, bij wien hij zich zoo aangenaam wist te maken dat hij eerst tot minister van buitenlandsche zaken en eindelijk tot eersten minister werd benoemd.

De goede en aangename verstandhouding, waarin hij met de diplomatieke agenten stond, de sympathie die hij zich had weten te verwerven door te breken met den traditioneelen eindeloozen sleur en het eeuwig uitstellen van de oostersche politiek, bewogen den Shâh zijn eersten minister mede te nemen op zijne reis naar Europa en hem zijn vol vertrouwen te schenken. Gedurende die reis gebeurde er evenwel iets van groot gewicht aan het hof te Teheran. Eene zuster van den monarch, weduwe van den emir Nizam, trad in het huwelijk met Ya-Ya-Khan, den broeder van den çpâhcâlâr. Naar het schijnt, was de koning met deze echtverbindtenis ontevreden: althans van dat oogenblik af leende hij het oor aan de beschuldigingen en aanklachten, die zijne talrijke vijanden en benijders niet verzuimden tegen den almachtigen minister in te brengen.

Bij de troonsbeklimming van keizer Alexander III scheen de Shah zijne grieven tegen zijn dienaar vergeten te hebben, en droeg hij hem eene bijzondere zending op, om den nieuwen souverein te gaan gelukwenschen. De gezant moest tevens den Tsaar een degen ter hand stellen, waarvan de schede met smaragden was versierd; en aan de Tsarine een turkoois, waarvan de waarde op twintigduizend francs werd geschat. Hosein-Khan vroeg geen toelage of vergoeding; hij nam alle kosten voor zijne rekening; begaf zich met een talrijk gevolg naar Rusland, vertegenwoordigde op waardige wijze zijn meester, en keerde naar Perzië Bladzijde 364terug, in de stellige verwachting dat de Shâh hem nu weder in gunst zou aannemen.

Nog geen drie dagen waren sedert zijne aankomst te Teheran verloopen, of hij werd tot gouverneur van Khorassan benoemd en ontving den last om naar Meshed te vertrekken, vijf-en-twintig dagreizen van de hoofdstad verwijderd. Hoewel deze betrekking, eene der aanzienlijkste des rijks, in den regel aan een prins van den bloede wordt gegeven, begreep de çpâhcâlâr de bedoeling des konings: hij wist dat zijne benoeming met eene verbanning gelijk stond. Hopende nog de gunst van den Shâh te kunnen herwinnen, bood hij, naar men zegt, den monarch een millioen krans aan, indien het hem vergund werd te Teheran te blijven. Tot antwoord ontving hij het bevel, zich naar zijn post te begeven en binnen vier dagen de hoofdstad te verlaten. Naar het schijnt, heeft hij zijne ongenade niet kunnen verkroppen, en heeft het verdriet den reeds door rusteloozen arbeid en buitensporig genot verzwakten en uitgeputten man gedood.

Arabische opperhoofden te Boeshir.

Zooveel is zeker, dat zijn dood een diepen indruk maakt. Hosein-Khan had werkelijk groote diensten aan Perzië bewezen, zoowel door het aanknoopen van meer rechtstreeksche betrekkingen met Europa, als door het bevestigen en versterken van de innerlijke eenheid des rijks. Bladzijde 81

XXXII

19 November. De gezondheidstoestand te Boeshir laat veel te wenschen over: dit is trouwens geen wonder, want nog nimmer zag ik eene zoo verregaand onzindelijke stad. Dat pleinen tevens tot begraafplaats dienende, waar de lijken maar even onder den grond worden gestopt, nu niet juist een bloemengeur verspreiden, evenmin als straten opgevuld met onreinheden van allerlei aard, met krengen van dieren en rottende visschen, en doorsneden van open riolen tot afvoer van faecaliën:—nu dat is eene kleinigheid, die aan bijna alle oostersche steden eigen is; maar hier is de toestand nog vrij wat erger. Van de huizen worden alleen de bovenverdiepingen bewoond, en daar afvoerpijpen en buizen hier onbekend zijn, werpen de bewoners alle denkbare onreinheden, door middel van houten goten, naar buiten, zoo het heet naar het open riool in het midden der straat. Hoe ge u ook in acht neemt, ge moogt van geluk spreken, indien ge aan de volle laag ontsnapt en alleen maar bespat wordt door het vuil, dat op den grond uitvloeit. Boeshir is het overigens niet waard, dat ge u de moeite zoudt geven hare straten te betreden. De stad is van jonge dagteekening en bezit geen enkel monument dat aandacht verdient-, hare bazars echter zijn bijzonder levendig. Met groote voorzichtigheid en veel overleg kan men inderdaad sommige straten met een rijtuig berijden. Op een stevig gebouwde dogcart gezeten, zijn wij door Boeshir gereden, om den heer en mevrouw Ross een bezoek te brengen op hun buitenverblijf te Çabs Abad.

Wij reden aanvankelijk langs eene zandige en volstrekt kale kust. Op acht of tien kilometers afstands van de stad, zijn eenige kooplieden er met veel moeite in geslaagd, midden in de naakte zandduinen, armoedige ongelukkige tuintjes aan te leggen, te midden waarvan de zomerresidentie Bladzijde 82van den engelschen consul staat. Eenige beklagenswaardige boompjes in bakken, het uitzicht op de zee, en bovenal het comfort van een goed ingericht huis, moeten den consul-generaal vergoeden wat zijn winterresidentie treurigs en onaangenaams heeft.

Hoezeer wij getroffen waren door de hartelijke ontvangst van kolonel Ross en zijne echtgenoote, hebben wij toch de uitnoodiging om eenige dagen te Çabs Abad door te brengen moeten afslaan. De djeloedar van de karavaan is aangekomen; morgen zullen wij in het bezit zijn van onze bagage; de stoomboot, die in geregelde dienst tusschen Bombay en Bassorah vaart, wordt elk oogenblik verwacht: wij moeten ons dus voor de inscheping gereed maken.

21 November. Gister avond heeft de stoomsloep van het engelsche consulaat ons aan boord van de Pendjab gebracht. Deze boot, voor het vervoeren van Oosterlingen bestemd, mist het comfortable, dat men anders, bij zoo hoogen vrachtprijs, recht zou hebben te verlangen. In den loop van den nacht is een vrij hevige storm opgestoken; de Pendjab heeft hare volle lading niet kunnen innemen, en omstreeks twee uren in den morgen het anker gelicht.

Bij het aanbreken van den dag heb ik mij naar het dek begeven. Wij voeren nog steeds langs de vlakke, lage, zandige kust van Perzië, ten eenemale ontbloot van elk spoor van plantengroei en vaalgeel van kleur.

Omstreeks acht uren in den morgen stoomen wij een wijden riviermond, zoo breed als een zeearm, binnen: dat is de Shatt-el-Arab, gevormd door de samenvloeiing van den Tigris en den Euphraat; de oevers zijn zandig en vreeselijk eentonig. Een half uur later stoomt de boot met volle vaart gelukkig over een bank of drempel, die voor vaartuigen van meer dan achttien voet diepgang altijd gevaarlijk is. Voorbij die bank, beginnen de oevers meer tot elkander te naderen; en hoewel de rivier nog eene breedte heeft van meer dan zes kilometers, bespeurt men toch langs de zoomen eenigen plantengroei; dan vertoonen zich dwergachtige palmen, door den zeewind gekromd; straks groeien de eenzame boomen aan tot groepen, dan, naarmate wij dieper landwaarts indringen, tot geheele bosschen van palmen. Overigens geene enkele woning, nergens een spoor van de tegenwoordigheid des menschen. Men zou kunnen meenen dat de Shatt-el-Arab midden door eene woestijn stroomde, indien zich niet op de rivier talrijke booten bewogen, die zich in de vele besproeiingskanalen verliezen. De roeiers zijn gewapend met riemen, in grootte en vorm vrij wel met een soeplepel overeenkomend; bij wijze van zeil gebruiken zij hun mantel, dien zij aan een stok uitspannen.

Omstreeks een uur later varen wij langs een groot versterkt vlek, aan de uitmonding van den Karoen. Mohammerah, zoo heet dit stedeke, werd in 1856 door de Engelschen genomen, en vervolgens bij de regeling der grenzen tusschen Turkije en Perzië, aan dat laatste rijk teruggegeven. De ontmantelde aarden wallen vertoonen nog de sporen der engelsche bommen.

Een eind voorbij Mohammerah liet de gezagvoerder van de Pendjab, op ons verzoek, eene boot uitzetten, die ons naar het armoedige dorp Feliëh bracht, waar een sheikh woont, voor wien Çahabi-Divan ons bijzonder dringende aanbevelingsbrieven heeft mede gegeven. Op onze vraag of hier eene karavanserai was, bracht men ons rechtstreeks naar de woning van den sheikh.

Reeds dadelijk bij het binnentreden krijgt men den indruk van gastvrijheid: rondom eene reusachtige koffiekan, op de heete asch geplaatst, zitten en liggen zeelieden, soldaten en toefangtsjis; elke vreemdeling, die den drempel overschrijdt, ontvangt uit handen van een opzettelijk daartoe gestelden bediende, eene kop koffie. Al deze lieden onderscheiden zich door hun voorkomen, hunne kleeding en hunne taal van de Perzen: aan hunne lange gandoerah, hunne abba, aan hun hoofddoek met een dik koord van kemelshair omwonden, herkent men in hen onmiddellijk Arabieren van Hedjaz.

Uit dit voorhuis, dat altijd vol menschen is, komen wij op eene groote ruime binnenplaats, omringd door lage gebouwen uit aarde en palmtakken opgetrokken. Rechts zijn twintig of dertig bedienden bezig met het schoonmaken van groenten, het bereiden van vleesch en het koken van spijzen in acht reusachtige ketels, waardige genooten van de koffiekan. Trouwens, wanneer de arabische opperhoofden die onder eene galerij hunne pijp rooken, de derwisjen die te midden van een troep welgewapende soldaten staan te redeneeren, de slapers die in alle hoeken op den grond zijn uitgestrekt,—wanneer al deze lieden gevoed moeten worden, dan zullen de acht ketels nauwelijks voldoende zijn.

Een oude intendant brengt ons naar eene zeer zindelijke kamer.—“Zoodra de sheikh van de jacht zal zijn teruggekeerd, zal ik hem mededeelen dat Allah hem gasten gezonden heeft, zegt hij, gereed om heen te gaan.

—Is de sheikh dan niet krank? Is dan deze brief van den gouverneur niet aan hem gericht?

—Mijn arme meester is niet meer. Voor omstreeks veertien dagen heeft Allah hem tot zich geroepen; maar zijn zoon Moses zal ongetwijfeld handelen overeenkomstig hetgeen van zijn vader werd verwacht.”

Tegen zonsondergang komt het gansche huis in rep en roer: uit alle vertrekken komen haastig bedienden toeloopen. Derwisjen, toefangtsjis, soldaten, zeelieden, zij allen sluiten zich bij de bedienden aan, spoeden zich naar den ingang en scharen zich in twee rijen, om den heer des huizes te ontvangen. Een man in de kracht des levens, met een streng gebiedend voorkomen, treedt binnen; hij wordt gevolgd door een jonkman van zeventien of achttien jaren, wiens fijn besneden gelaatstrekken zijn arabisch bloed verraden; beiden dragen lange zwarte gewaden, benevens abbas (mantels) en tulbanden van dezelfde kleur, zonder eenig sieraad hoegenaamd. Dit is sheikh Moses Bladzijde 83en zijn jongste broeder, beiden in zwaren rouw over hun vader. Achter hem volgt een zeer schoone knaap, die met de zorg voor de kalyan (pijp) is belast.

Alvorens zich naar zijne vertrekken te begeven, richt de sheikh zijne schreden naar de kamer waar wij ons bevinden. Na wisseling van de gebruikelijke beleefdheden, neemt hij den brief, waarin Çahabi Divan hem, of eigenlijk zijn vader, verzoekt, mijn echtgenoot te helpen om naar Susiane te kunnen gaan. Hij deelt ons daarop mede, dat hij zoo gelukkig is, eene stoomsloep tot onze beschikking te kunnen stellen, waarmede wij den Karoen kunnen opvaren tot Ahvas, op vijf dagreizen afstands van Dissoel. Ongelukkig is de boot op het oogenblik niet goed bruikbaar; maar onze gastheer verklaart dat hij haar in orde zal laten brengen, en voegt er heengaande bij, dat hij hoopt dat wij langen tijd zijne gasten zullen zijn.

Zoo als ik, bij het binnentreden der woning, al dadelijk had vermoed, is sheikh Moses het hoofd van een der machtigste stammen van Arabistan. In minder dan veertien dagen kan hij tienduizend krijgslieden, met uitmuntende amerikaansche geweren gewapend, op de been brengen; ook bezit hij twee stoombooten, die de produkten van zijne uitgestrekte goederen naar Indië vervoeren. Eigenlijk had, naar mohammedaansch recht, niet hij de waardigheid en de fortuin van zijn vader moeten erven; maar de Shâh, in deze gebruik makende van zijn souverein recht, heeft hem al de rechten en privilegiën van den ouden sheikh verleend, ten nadeele van een ouderen broeder, die het raadzaam heeft geacht te vluchten. Al deze bijzonderheden worden mij medegedeeld door den onder-gouverneur van Arabistan, die, naar ik vermoed, hierheen is gekomen om te onderhandelen over den prijs van een firman, waarbij de positie van den nieuwen sheikh moet worden geregeld.

22 November.—Dezen morgen hadden wij een lang bezoek van sheikh Moses, die weldra zijn hart voor ons uitstortte. Hij heeft een waren hartstocht voor paarden en fraaie wapenen, die hij dan ook in overvloed bezit; maar zijn geluk wordt verstoord door de gedachte dat hij zijn laatsten broeder naar Teheran moet zenden. De Koning heeft den wensch te kennen gegeven, dat hij voor de toekomst van dien jonkman wilde zorgen; maar Moses begrijpt zeer goed, dat het den Shâh te doen is om een gijzelaar, ten einde zeker te zijn van de trouw van zijn vazal. De scheiding valt hem des te smartelijker, omdat het Allah niet heeft behaagd, zijne vele huwelijken te zegenen en hem een erfgenaam te schenken.

“Hoeveel vrouwen hebt gij dan wel? vroeg ik aan den sheikh, toen hij gereed stond afscheid van ons te nemen.

—Tien.

—Dat is niet veel; ik zou ten minste de twee dozijn vol maken, antwoordde ik lachende.

—Mijn anderoen is inderdaad onbeteekenend, in vergelijking met dien van mijn buurman, den sheikh van Kara Sala, welke honderd-veertig vrouwen van allerlei leeftijd en allerlei nationaliteit bevat; maar als ik aan de rust van mijn leven denk, is mijn anderoen toch talrijk genoeg.”

Nadat dit bezoek was afgeloopen, stelde de onder-intendant mij voor, den harem van zijn meester te gaan zien, welk voorstel ik mij haastte aan te nemen. Na eene wandeling over verscheidene terrassen van ongelijke hoogte, door verlaten kamers en zalen, kwam ik op eene kleine binnenplaats, door zeer armoedige kamers omgeven. In eene daarvan, welke noch gewit noch van tapijten voorzien was, lag eene in het zwart gekleede vrouw, de meest begunstigde echtgenoote van den overleden sheikh. Ter zake van den rouw, heeft zij het luchtige vertrek, dat zij gedurende het leven van haar gemaal bewoonde, verlaten, om zich in dit somber verblijf op te sluiten.—Na met enkele woorden te hebben gesproken van het ongeluk, dat haar getroffen had, rees Torkan-Khanoem op van haar bed van palmbladeren, en noodigde mij uit haar te volgen naar de vertrekken op de eerste verdieping, waar zij mij beter zou kunnen ontvangen, dan in dit aan smart en rouw gewijd verblijf. Dit gezegd hebbende, klapte zij in hare handen, waarop een aantal vrouwelijke bedienden verschenen, aan wie nu de last werd opgedragen, den harem van mijne komst te verwittigen.

De officieele salon is, als de receptiekamers in den biroen, gemeubeld met tapijten, kussens, pendules van nagemaakt brons, kunstbloemen onder glazen stolpen. Wij waren nauwelijks sedert vijf minuten gezeten, toen verschillende vrouwen achtervolgens binnenkwamen, op Torkan-Khanoem toetraden, haar op het voorhoofd kusten, en vrede, gezondheid en geluk toewenschten; vervolgens gingen zij, na elkander toegeknikt te hebben, op eene rij langs den muur op den grond zitten. De gemalinnen en bijzitten van sheikh Moses zijn gekleed met lange hemden van zwarte wol, die tot op de voeten afhangen, en wijde pantalons, die om de enkels zijn saamgesnoerd. Torkan-Khanoem draagt op het hoofd een doek van zwart gaas, die haar gelaat onbedekt laat en een paar malen om den hals is gewonden. De oudere dames hebben hetzelfde hoofddeksel, maar de mond en het benedenste gedeelte van het gelaat is bij haar door een sluier bedekt. De jonge dames hebben een zeer elegant voorkomen; zij zijn rijzig en welgemaakt van gestalte en weten zich met onvergelijkelijke kunst in haar leelijke jurken te drapeeren. De voeten, de handen en het voorhoofd zijn bedekt met blauw getatoeëerde figuren; de met edelgesteenten versierde neusringen hebben zij als teeken van rouw afgelegd.

De eigenaardige type van Torkan-Khanoem, haar ongeschonden neus, de gemakkelijkheid waarmede zij al wat ik zeg in het arabisch vertaalt, haar eerste vraag tot mij: “spreekt gij russisch?”—hadden mijne nieuwsgierigheid geprikkeld. Bij het terugkeeren uit den harem vroeg ik aan mijn geleider eenige nadere inlichtingen omtrent zijne beminnelijke meesteres. “Zij is eene Circassische, antwoordde hij; mijn meester kocht haar, omstreeks vijftien jaar geleden, te Constantinopel. Hij verhief Bladzijde 84haar tot den rang van favorite, en heeft haar steeds bewijzen van liefde en genegenheid gegeven, hoewel zij hem geen kinderen heeft geschonken. Torkan-Khanoem is zeer knap: zij heeft te Tiflis lezen en schrijven geleerd; zij spreekt met evenveel gemak perzisch en arabisch als turksch en russisch. Zij oefent een zeer machtigen invloed uit, niet alleen in den harem, maar op den geheelen stam; in alle belangrijke zaken wordt zij gekend; en dat de in een anderoen altijd zoo moeielijk te handhaven vrede in ons huis steeds bewaard bleef, is wel in de eerste plaats hieraan te danken, dat geene enkele vrouw ooit haar gezag durfde betwisten of de juistheid en billijkheid van haar oordeel miskennen.

Page van den sheikh van Feliëh.

Als eene merkwaardige bijzonderheid teeken ik op, dat hier de mannelijke bedienden toegang tot den harem hebben, zonder dat de khanoems zich daaraan ergeren of er aan denken, haar gelaat te bedekken.

23 November.—Ik ben nog geheel van mijn streek van mijn tweede bezoek bij Torkan-Khanoem. Ik deed mijn best om eene kolossale japon van prachtige zwarte zijde te bewonderen, die de favorite naar de laatste europeesche mode van Bagdad had laten maken, toen eensklaps een luid gebrul naast mij weerklonk; ik keer mij om en zie een prachtigen panter vlak voor mij.

“Kom hier, Oerida (Roosje)”, roept Torkan-Khanoem.

De panter richt zich op en legt zich langzaam neder voor de voeten zijner meesteres, maar blijft mij steeds met wantrouwende blikken aanstaren.

“Hij is een lam, eene duif”, zegt Torkan-Khanoem, terwijl zij het beest in hare armen neemt en op mijn schoot duwt, zooals zij het een katje zou doen. Roosje heeft echter blijkbaar weinig sympathie voor Christenen en beantwoordt mijne beschroomde en stellig zeer linksche liefkoozingen met een dof gebrom. Bij een blik op die ivoorwitte tanden bevangt mij een onwederstaanbare aandrang om weg te loopen en mijn arm weerloos persoontje in veiligheid te brengen tegen de kennismaking met de nagels of de tanden van dit vreemdsoortig huisdier; maar ik laat mijn angst niet merken en prijs, nauwelijks wetende wat ik zeg of doe, de veelzijdige talenten van Oerida. Dit lieve diertje kan pootjes geven, zich al brullende, met uitgestoken nagels over den grond rollen, dood liggen, de hand zijner meesteresse lekken, en eindelijk op een kussen gaan zitten, als wilde hij deel nemen aan het gesprek.

Oerida munt niet alleen uit door zijn verstand, onder zijn gevlekte huid klopt een gevoelig en dankbaar hart.—Ruim drie weken geleden, toen de oude sheikh zijn einde voelde naderen, wilde hij de tenten verlaten waar hij den zomer had doorgebracht en naar Feliëh terugkeeren. Men brak haastig op, in de verwachting spoedig weer in het kamp te zullen zijn: de panter bleef achter, onder de hoede van zijn oppasser. Aanvankelijk deed hij niets dan huilen en jammeren, vervolgens weigerde hij alle voedsel en liet den oppasser zijne tanden zien. Daar de toorn van het dier met den dag klom, deed de oppasser hem eindelijk eene ijzeren ketting om den hals en bracht hem naar Feliëh, waar de panter, bij het weerzien zijner meesteresse, uitgelaten van blijdschap was. Deze genegenheid van Oerida voor Torkan-Khanoem heeft overigens niets bijzonders: de panters van de oevers van den Karoen en den Shatt-el-Arab, zoo woest en gevaarlijk als zij in vrijheid rondzwerven, laten zich zeer gemakkelijk temmen, en hechten zich dan aan den mensch met al de trouw van een hond.

Voorhuis in de woning van den sheikh van Feliëh.

Maar ondanks de bewondering, die ik voor de edele hoedanigheden van Oerida mocht koesteren, was ik toch hartelijk blijde toen ik den anderoen mocht verlaten. Mijne schoone gastvrouw wilde Bladzijde 86mij in persoon naar den biroen terug brengen en mij tevens den tuin laten zien, die zich over de geheele breedte van het huis langs den Tigris uitstrekt. Toen wij door het dorp gingen, trof mij de houding der bevolking jegens de favorite, die hier als eene koningin te midden van haar hof leeft: mannen, vrouwen, kinderen, kwamen toeloopen om haar te groeten, den zoom van haar gewaad of haar hand te kussen. Torkan-Khanoem liet zich al deze huldeblijken met zekere trotsche onverschilligheid welgevallen, en wij bereikten den tuin. De bananen, palmen en oranjeboomen staan zoo dicht op elkaar en zijn zoo dicht saamgegroeid, dat men door hunne takken den hemel niet zien kan. Er is noch een grasperk, noch een laan of pad; de grond is bekleed met schraal en mager gras, dat kwijnt door gemis van licht en lucht; oranjeappelen van allerlei soort en grootte groeien in menigte boven uw hoofd en binnen het bereik uwer hand.

Na het ontbijt gingen wij ons dagelijksch bezoek brengen aan ons stoombootje: als naar gewoonte lag het eenzaam en verlaten. Van de wandeling teruggekeerd, ging Marcel zijne opwachting maken bij den sheikh, en vroeg hem, of hij er wel aan dacht, de boot in orde te laten brengen.

“Zoudt ge dan nu reeds willen vertrekken? vroeg hij met groote verbazing; ik had gehoopt, u hier nog eenige maanden te houden; daarom heb ik den timmerman van Bassorah nog niet gewaarschuwd.”

De verwondering van sheikh Moses is wel begrijpelijk: sommigen van zijne gasten, die zoowat een jaar geleden de gastvrije woning binnen gingen om een kop koffie te drinken, vonden de mokka zoo naar hun smaak, dat zij er nog niet van konden scheiden. En de gastheer denkt er natuurlijk niet aan, hen weg te zenden.

“Ik stel uwe vriendelijkheid zeer op prijs, maar ik kan en mag mijn verblijf onder uw dak niet langer rekken, antwoordde mijn echtgenoot, wien dit wachten begon te vervelen, hoewel hij zeer vriendschappelijke betrekkingen had aangeknoopt met een beroemd theoloog, den overste van de Aleakhs van Teheran, die sedert den vorigen winter bij den sheikh logeerde.—Indien de reparatie van de boot te lang moest duren, dan zou ik mij genoodzaakt zien, paarden te huren en de oevers van den Karoen te volgen.

—Ik zou nooit dulden, dat gij te paard naar Ahvas gingt; ik zou vreezen, dat gij door de rondzwervende stammen van Arabistan zoudt worden overvallen en geplunderd. Als zij in onze provincie eene razzia hebben gehouden, dan trekken zij over de grenzen; als zij in Turkije eene karavaan hebben geplunderd, nemen zij de wijk naar Perzië. Zij zijn zeer moeilijk te vangen, en zijn bijna altoos van straffeloosheid verzekerd. Gij kunt overigens gerust zijn: ik zal nog heden naar Bassorah schrijven en binnen weinige dagen zal mijne boot tot uwe beschikking zijn.”

De raad van onzen gastheer is goed: wij zullen ons daaraan houden.

24 November.—Toen ik dezen morgen bij Torkan-Khanoem kwam, vond ik haar in den salon alleen. Ik vroeg haar naar den welstand der andere dames.

“Al mijne verwanten zijn bij de lijkdienst, die heden gevierd wordt ter eere van de martelaars Hassan en Hosein.

—Zou ik daar ook bij tegenwoordig kunnen zijn?

—De plechtigheid zal u zeer lang vallen en u vervelen, antwoordde zij op luchtigen toon; maar zoo gij er op staat, volg mij dan en ga mede naar de masdjed.”

In de benedenverdieping van het huis bevindt zich eene kleine kapel, waar een geheimzinnige schemering heerscht. Langs den wand zitten vrouwen neergehurkt, terwijl een jong meisje, met schelle stem, eene episode voordraagt uit het verhaal van den marteldood der imams.

Torkan-Khanoem treedt binnen, zet zich in het midden van de kapel en wenkt mij, naast haar plaats te nemen. Ik gehoorzaam, en zit daar nu midden in eene sjiîtische moskee, tot groote verbazing en ergernis der hoorderessen, verontwaardigd over deze onbeschaamde ontwijding van het heiligdom. Rechts en links wordt hoorbaar gefluisterd en gemurmureerd; de dienst staat stil. Maar Torkan-Khanoem laat zich niet van haar stuk brengen; op hoogen toon gebiedt zij de lezeres voort te gaan, en het wordt weer stil.

Naarmate mijne oogen zich aan de duisternis gewennen, bespeur ik in de schemering een aantal vrouwen, die ik eerst niet gezien had. Allen hebben haar mantel over het hoofd geslagen, en haar borst en linker schouder ontbloot; zij slaan daarop, op de maat, met de palm van haar hand en begeleiden met dit geluid de klagende tonen van de lezeres. Bij de meest treffende passages, barsten alle toehoorderessen in luid gejammer uit, en herhalen, snikkend en klagend, in koor: “Hassan! Hassan! Hassan! Hosein! Hosein! Hosein!” daarbij zich steeds luider en heftiger op de borst slaande. De oudste vrouwen maken daarbij natuurlijk het meeste misbaar: eene oude tooverheks, die zeker niet meer op haar ontvleesde schouders durft slaan, heeft haar rechter voet op haar linker knie gelegd en trommelt nu met rusteloozen ijver op haar vereelte zool.

Onder al dat gejammer en gehuil gaat echter de kalyan rustig van hand tot hand en presenteert eene negerin aan alle aanwezigen een kop heerlijke koffie. Tusschen twee half gesmoorde zuchten, verklaarde een jong meisje dat de koffie niet goed warm was, en smeet den inhoud van haar kopje der negerin in het gezicht. Torkan-Khanoem bestrafte de nalatige schenkster, en onder al deze incidenten liep de dienst eindelijk ten einde.

De ontroering der vergadering scheen zoo groot en zoo ongeveinsd, dat het mij ten uiterste verbaasde, in het volle licht gekomen, op het gelaat der dames geen spoor van tranen of aandoening te ontdekken; zij waren allen volmaakt kalm en schenen zeer blijde dat zij haar gewoon gebabbel weer konden hervatten. Torkan-Khanoem zelve Bladzijde 87had de geheele dienst met de grootste onverschilligheid bijgewoond en zonder eenig teeken van smart of aandoening te geven: blijkbaar konden Hassan en Hosein haar niets schelen. Zij was trouwens ook geene echte Mohammedaansche.

XXXIII

25 November.—Wij zijn opgesloten in eene nauwe en kleine hut. Als wij dicht tegen elkander aanschuiven, raken wij aan de zijwanden; als wij gaan zitten, stooten wij met onze hoofden tegen de zoldering. Dit ruime vertrek is de slaap-, zit- en eetkamer aan boord van de stoomsloep, die de sheikh Moses welwillend tot onze beschikking heeft gesteld. De geheele sloep is van soortgelijke afmetingen. In het midden verrijst de hut of kajuit, waarvan het platte dak met kussens is belegd en van eene tent voorzien. De machine is in het achterschip, de provisiekamer in het voorschip aangebracht. De bemanning bestaat uit een reïs of kapitein; uit den machinist, een neger; uit vier goed gewapende toefangtsjis, die voor de veiligheid van het vaartuig moeten waken; en uit een intendant, aan het hoofd van het personeel geplaatst.

Wij verlaten het kanaal van Feliëh en komen op den Shatt-el-Arab. De snelheid van den stroom, gevoegd bij de werking der machine, laat ons niet den tijd om van het prachtige schouwspel te genieten, dat de geweldige rivier bij zonsondergang aanbiedt. Links en rechts zijn de donker purperkleurige wateren omzoomd door palmbosschen; groote buffels grazen in de weide of kijken met hunne groote verbaasde oogen naar de boot, die dicht langs den groenen oever houdt.—De zon nadert den horizon, maar alvorens te verdwijnen, overstroomt zij de rivier met zoo verblindenden gloed, dat de oogen de tinteling van het licht niet kunnen verdragen; dan verbleeken de stralende vlammen aan den blauwen hemel: de purperen wolken worden grauw; de toppen der palmen verliezen zich in de wazige schemering; de buffels verdwijnen te midden van kreupelhout en geboomte; enkele sterren schitteren aan het uitspansel; van oogenblik tot oogenblik groeit haar aantal en vermeerdert haar flonkerend licht, naarmate de laatste sporen van den dag verdwijnen. Eensklaps is het nacht, eene kalme, majestueuse nacht, vol rust en heilige stilte. Wij houden stil te Mohammerah.

Deze haven, die wij, van Boeshir komende, reeds langs zijn gevaren, ligt aan de uitmonding van den Karoen, eene niet onbelangrijke rivier, die van de bergen van Kurdistan afdaalt en een ongelukkig zeer weinig gebruikten gemeenschapsweg vormt tusschen Susiane en de Perzische-golf. De zeer steile oevers der rivier zijn als het ware door de natuur zelve gebouwde kaaien, waaraan al de vaartuigen aanleggen, die de granen van Arabistan te Mohammerah komen lossen.

Wij hebben het vloedgetij afgewacht, waarvan de werking zich tot meer dan dertig kilometers boven de haven doet gevoelen, en zijn eindelijk te middernacht de wateren van den Karoen opgestoomd. Bij het aanbreken van den dag zullen wij haverwege Ahvas zijn. Ik had mij daarmede niet durven vleien en er ook niet op gerekend. Nu geloof ik aan de stoomsloep van sheikh Moses; ik geloof aan het bestaan van eene stoommachine in Perzië; ik geloof zelfs in den zwarten machinist van Bassorah.

26 November. Zou ik te voorbarig zijn geweest in mijn lofrede op onze stoomsloep? Het is niet genoeg, met den haas in de fabel, hard van stal te loopen; men moet ook, met de schildpad, ter bestemder plaatse aankomen.

Bij het krieken van den dag ben ik uit mijn hok naar buiten getreden, en heb aan den machinist, gevraagd, hoe ver wij waren. De vraag scheen mij te minder ongepast, omdat ik, half slapende, half wakende, gemeend had, bij herhaling verdachte geluiden in de machinekamer te hooren.

“Wij hebben omstreeks tien farsaks afgelegd, antwoordde hij, terwijl hij den stoom liet ontsnappen en het vuur uitdoofde; de boot maakte zich gereed aan den oever aan te leggen en de toefangtsjis sprongen op den oever om haar vast te meeren.

—Waarom houden wij stil?

—Er is iets aan den ketel gebroken, zoodat de stoom ontsnapt; ik kan de machine niet op de vereischte drukking houden.”

Er moeten reparatiën gedaan worden, men heeft te Feliëh te vluchtig gewerkt. En zoo moeten wij hier dan stil houden, aan de verlaten, doodsche oevers van den Karoen, zonder eenige bescherming blootgesteld aan de zonnestralen, die op het midden van den dag nog hinderlijk genoeg zijn.—De equipage maakt van dit gedwongen oponthoud gebruik om brood te bakken. De oven is hoogst eenvoudig. De mannen snijden takken, bladeren en onkruid af, steken die in brand, begieten de brandende massa met rivierwater, en gebruiken de aldus verkregen kolen om daarop ijzeren platen, in de gedaante van paddestoelen, te leggen. Nu treedt de bakker vooruit, met een houten schotel in de hand, gevuld met meel met water aangelengd; welke pap hij op de gloeiend heete platen uitspreidt. Binnen weinige oogenblikken ziet het deeg er uit, als een stuk dik zwart krip. Het brood is klaar; men heeft niets verder te doen, dan het met een ijzeren haak weg te halen en in de zon te leggen, ten einde het water te laten verdampen, dat nog in het deeg kon zijn overgebleven.

27 November.—Tegen acht uur 's avonds hebben wij de reis hervat. Hoe ver hebben wij het gebracht? Ik weet het niet, want midden in den nacht heeft de voedingspomp opgehouden te werken. De boot gaat nog maar bij tusschenpoozen, met horten en stooten, vooruit; telkenmale als het water in de ketel zakt staat de machine stil; dan moet de ketel weer met emmers worden gevuld, waarna het vuur op nieuw wordt opgestookt; na verloop van een uur begint de machine weer te werken. De drukking neemt toe; de boot Bladzijde 89vaart met volle kracht; maar weldra, helaas! is het water weer gedaald en begint het spelletje op nieuw.—Wij vragen ons niet zonder bezorgdheid af, of niet misschien straks de ketel zal springen, en vaartuig en reizigers in de lucht geslingerd en vermorzeld zullen worden.