WeRead Powered by ReaderPub
Perzië, Chaldea en Susiane / De Aarde en haar Volken, 1885-1887 cover

Perzië, Chaldea en Susiane / De Aarde en haar Volken, 1885-1887

Chapter 34: XXXIV
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The narrative recounts the author's travels through Persia, Chaldea and Susiane as she accompanies her husband on a commission to study Sassanid-era monuments. Over fourteen months and several thousand kilometers traveled by horseback, she keeps a diary, makes photographs and documents archaeological sites alongside everyday scenes. Vivid attention is given to ruined architecture, enamelled tiles and reliefs as well as market life, food, lodging and encounters with local inhabitants. Practical difficulties of travel, administrative interactions and close field observation combine to produce a detailed, ground-level portrait of landscape and material culture.

De overste van het klooster der Aleakhs van Teheran.

Met veel moeite, inspanning en geduld is het ons gelukt, het vaartuig op de hoogte van een armoedig dorp te brengen, dat in de povere schaduw van eenige schrale palmen ligt. De machinist heeft zoo juist verklaard, dat de machine eene grondige reparatie moet ondergaan, en dat het beter is, daarmede niet langer te dralen. Hoeveel dagen zullen wij hier moeten blijven? De bemanning murmureert en wordt onrustig; ieder wil raad geven en zijn zin doordrijven. De een wil aanstonds naar Feliëh terugkeeren, ten einde zijn twee kijvende vrouwen in bedwang te houden, die, naar hij beweert, in staat zijn, in zijne afwezigheid den boel in brand te steken; een ander heeft er niet op gerekend, eenige dagen van huis te blijven, en heeft dus niet de noodige maatregelen genomen; een derde klaagt over koorts, een vierde over buikpijn. Allen razen en tieren tegen den machinist, die in de verwarring het beetje verstand verliest, dat hij van de natuur ontvangen heeft. Uit vrees dat de sheikh hem straffen zal, durft hij niet terugkeeren; hij blijft doof voor alle verwijten en raadgevingen, en hamert en vijlt en polijst aan zijne machine, naar ik onderstel, vrij wel in den blinde.

Het graf van Ezra.

30 November.—Wat zou ik niet geven voor een muilezel! Sedert drie dagen liggen wij stil voor dat ellendige palmboschje! De dagen zijn even vervelend en eentonig als het treurige landschap, dat zich voor onze oogen uitbreidt. De oevers van den Karoen verheffen zich loodrecht uit de rivier: zoo ver men zien kan, strekt zich de effen vlakte uit. Alleen de hier en daar zichtbare sporen van vroegere bevloeiingskanalen getuigen van de aloude vruchtbaarheid der streek. De velden met graan en suikerriet zijn, reeds sedert vele eeuwen, vervangen door een schrale flora van doornestruiken en distels; de tallooze dorpen met hunne welvarende inwoners hebben plaats gemaakt voor zwermen van pelikanen, wilde eenden en kraanvogels, die zich over dag tusschen de struiken verborgen houden, en des morgens en des avonds bij troepen op en langs de rivier neerstrijken. Zelfs is ons het genoegen niet gegund, op onze gevleugelde buren te schieten, want het wemelt in de vlakte van leeuwen en panters; en naar het zeggen van onze equipage, loeren de zwervende Arabieren, die nog meer te vreezen zijn dan het wild gedierte, op iederen reiziger, die onvoorzichtig genoeg zou zijn, zich van zijn boot te verwijderen. De vrees van onze manschappen is niet ongegrond; gedurende den geheelen dag houden de vier toefangtsjis, met repetitiegeweren gewapend, de wacht op den oever en gaan telkens een eind weegs op verkenning uit, ten einde wij niet overvallen zouden worden. Des nachts ankeren wij midden op stroom, om voor verrassingen veilig te zijn. Ik begeef mij dan naar de kleine bedompte hut, en luister naar het gehuil en gejank der jakhalzen en het gebrul van andere wilde dieren, die aan de rivier hunnen dorst komen lesschen.

Inmiddels werkt de machinist maar altijd voort! De toefangtsjis hebben ook niet stil gezeten: zij hebben te zamen een kran bijeengebracht, en dien aan een stokouden derwîsj gegeven, opdat hij voor eene spoedige reparatie zou bidden. Maar het gebed van den ouden derwîsj heeft niet veel uitgewerkt: nu de machine eindelijk klaar en weer opgesteld is, lekt zij als eene zeef! Dit ziende, geeft mijn echtgenoot last, onmiddellijk terug te keeren. Wij zullen ons met den stroom laten afdrijven, want de boot heeft noch riemen, noch zeilen, noch touwen om haar te trekken. Hoe lang de tocht duren zal, kunnen wij zelfs niet gissen, want wij weten volstrekt niet waar wij zijn.

2 December.—Mohammerah! Sedert twee dagen zakten wij, zeurig en traag, den Karoen af, met den vloed verliezende wat wij met de ebbe gewonnen hadden, tot eindelijk de wind opstak, en tegelijkertijd een korenschip ons van achteren kwam opzeilen. Aanstonds werden noodseinen gegeven: Bladzijde 90men wierp ons een sleeptros toe, dien onze matrozen weer lieten glippen; met wrevel en bitterheid in het hart, zagen wij de blanke zeilen van het schip snel uit ons oog verdwijnen. Nu wordt het vuur weer aangemaakt, en de machine in werking gebracht. Op het gevaar af dat zij zal springen, laat Marcel de veiligheidskleppen belasten; de drukking klimt; de boot spoedt zich voort, en haalt, ademloos van inspanning, het korenschip in, dat in eene kromming der rivier door tegenwind was tegengehouden. Wij worden nu op sleeptouw genomen, en komen met het aanbreken van den dag te Mohammerah.

De boot moet hier blijven, want zij kan onmogelijk den Tigris tot Feliëh opvaren. Wij hebben vooreerst genoeg van een tochtje op den Karoen; wij zullen naar Bassorah en Bagdad gaan, ten einde zoo mogelijk, van daaruit in Susiane door te dringen. Naar Bassorah te gaan schijnt zeer eenvoudig; een roeiboot heeft niet meer dan vier uur noodig om den afstand af te leggen die Mohammerah van Bassorah scheidt. Maar de reizigers en de goederen, die uit Perzië komen, moeten op den turkschen oever eene quarantaine van tien dagen ondergaan, zoo het heet als voorzorgsmaatregel tegen de pest. Het lazaret, waarin de reizigers dan worden opgesloten, bestaat uit eenige strooien hutten op een vochtigen, moerassigen grond. De inrichting en de voeding zijn zoo slecht, dat men groot gevaar loopt, door besmettelijke ziekten te worden aangetast, en er in ieder geval op rekenen kan, de koorts te krijgen en honger te lijden. Deze strenge maatregelen zijn te minder begrijpelijk, omdat sedert vele jaren de pest zich niet in Perzië heeft vertoond, terwijl zij in het vilayet (gouvernement) van Bagdad inheemsch is. Men verzekert ons dan ook, dat de quarantaine volstrekt niet het gevolg is van de teedere bezorgdheid van den sultan en zijne ministers voor de gezondheid zijner onderdanen. Zij heeft eene heel andere oorzaak en is vooral voordeelig voor de turksche ambtenaren, die in tijden van epidemie dubbele bezoldiging ontvangen, en bovendien op de onbeschaamdste wijze de gedwongen gasten afzetten. De voornaamste ambtenaren hebben zich het monopolie van de voeding toegekend; zij ontdoen zich op die manier, tegen hoogen prijs, van onbruikbare en bedorven eetwaren, die niemand zou willen koopen, maar die de ongelukkige verdachten wel moeten nemen, willen zij niet van honger sterven. De lagere beambten vergenoegen zich, met u van tijd tot tijd fooien af te persen, en tegen eene zeer ruime vergoeding de reizigers te laten ontsnappen, die onnoozel genoeg zijn om in de val te loopen, en daarbij rijk genoeg om een losprijs te betalen.—Wij hebben ons dan ook vast voorgenomen, om tot iederen prijs de quarantaine te ontduiken. In eene kleine boot verborgen, zullen wij den Shatt opvaren en, door de nachtelijke duisternis begunstigd het kanaal insluipen dat naar Bassorah voert, welke stad ruim twee farsaks verwijderd is van de haven, waar de schepen stilliggen.

3 December.—De onderneming is gelukt. Doornat en verstijfd zijn wij toch te Bassorah aangekomen. Zorgvuldig verborgen tusschen zakken en manden met dadels, zijn wij den Shatt opgevaren, beurtelings boomende en roeiende, en ons nauwelijks nu en dan veroorlovende een vluchtigen blik te werpen op de prachtige palmboomen langs de oevers, en op de malsche groene landerijen, door talrijke kanalen doorsneden.—Vier uren na ons vertrek van Mohammerah, verlaten wij den rechteroever, steken de rivier dwars over en leggen aan bij een dicht begroeid banaanboschje. Van hier bespeurt men in de verte de masten van verscheidene schepen, die in haven voor anker liggen.—Omstreeks middernacht wordt de tocht hervat; wij varen met de uiterste hehoedzaamheid langs enkele schepen en stevenen eindelijk het kanaal el-Asher binnen.—Nu komt het er op aan, dubbel voorzichtig te zijn; de riemen, die te veel beweging in het water zouden maken, worden binnengehaald, en het schip stillekens voortgeboomd: ongemerkt glijden wij midden door het gezondheidskordon heen!

Maar wij mogen nog geene overwinning roepen: onze luidjes, die er hoegenaamd geen bezwaar in hebben gevonden, de quarantaine te verbreken, komen ons nu vertellen, dat hun geweten hun verbiedt, de douane te ontduiken! Zonder op mijne tegenspraak te letten, springt een der negers op den oever en keert weldra met acht of tien gemeene kerels terug. Deze lieden bestormen het schip, em maken zich gereed om onze koffers en kisten open te breken, onder voorwendsel dat daarin geweren en ammunitie verborgen zouden zijn. Niet wetende met wie wij te doen hebben, verzetten wij ons tegen elk onderzoek.

“Brengt ze dan naar het lazaret!” beveelt het opperhoofd der bende.

Op het hooren van die bedreiging haasten wij ons, de touwen los te maken en, met een vriendelijken glimlach, den heeren de sleutels van onze koffers aan te bieden. Onze bereidwilligheid, nog verhoogd door eene goede fooi, bleef niet zonder uitwerking. Van het lazaret was verder geene sprake; enkele voorwerpen, die bijzonder de aandacht der tolbeambten getrokken hadden, werden hun ten geschenke gegeven; en blijde dat wij er dus waren afgekomen, voeren wij Bassorah binnen.

Daar nu verder geen gevaar te duchten is, kan ik al mijne aandacht wijden aan het tooverachtig schouwspel, dat zich bij het helder licht der volle maan, voor mijne blikken ontrolt.—Ik ben in Venetië, maar in een tropisch Venetië, met een onbewolkten hemel, en met huizen wegduikende in de schaduw van palmen, van rijk beladen oranjeboomen, van breed gebladerde bananen, van bloeiende geurende acacias. Nu eens rijzen de huizen uit het kanaal zelf op, dan weder strekt zich daartusschen eene smalle kaai uit; voor den ingang der fraaiste huizen liggen sierlijke bootjes vastgemeerd. Onder en rondom mij, kalme, heldere wateren, groen, vruchten, bloemen; boven mijn hoofd de diep-blauwe hemel, bezaaid met tintelende sterren.

Het schip ligt aan wal. Na door een soort van ruime open hal te zijn gegaan, waar groote hoopen Bladzijde 91graan liggen opgestapeld, onder de hoede van eenige met lantarens voorziene wachters, kloppen onze gidsen, nog voor het aanbreken van den morgen, aan de poort van het consulaat; en kort daarop kan ik mij ontdoen van mijne kleederen, zoo nat van den dauw als of ik in het kanaal el-Asher kopje onder had gedoken.

4 December.—Naar gelang men Bassorah bij hoog of bij laag water ziet, kan men het een lusthof of een labyrinth van stinkende riolen noemen. Toen ik heden avond uitging, waren de grachten nagenoeg droog; door het wegvloeien van het water, waren groote hoopen modder, vuil en onreinheden van allerlei aard bloot gekomen; de bootjes, die te midden van die vuiligheid aan den grond zaten, schenen welhaast wrakken in een modderpoel; een afschuwelijke stank verpestte den dampkring en maakte mij geheel ongevoelig voor de bekoorlijkheden van palmbosschen en oranjegaarden.

Deze stinkende grachten en het vochtige, zeer heete klimaat dragen voor een belangrijk deel de schuld van de ongezondheid der stad; maar bij deze twee oorzaken voegt zich nog eene derde, die het gevolg is van de onverantwoordelijke traagheid en zorgeloosheid der turksche overheden. Omstreeks zestig jaren geleden, braken de dijken langs den Tigris, boven de stad, door; het water verspreidde zich in de vlakte en vormde een uitgestrekt moeras, dat elk jaar, door de hooge waterstanden gedurende den winter, in omvang toeneemt, zonder dat iemand er aan denkt, het moeras droog te leggen, of maar de dijken te herstellen. Sedert dit ongeval heerscht de koorts het gansche jaar door, en richt te Bassorah en in de omliggende dorpen de schromelijkste verwoestingen aan.

De oudheidminnaar vindt te Bassorah niets van zijne gading, maar het oog van den schilder gaat te gast in het gewoel van de slecht en ruw gebouwde bazars, opgevuld met eene in de bontste en kleurrijkste kleederdracht gedoste schare. De turksche vrouwen hebben het sombere donker blauwe overkleed harer perzische zusters vervangen door de izza, een kleed van blauwe, rose, witte of gele zijde met gouden en zilveren strepen. Onder de izza bespeurt men soms het gazen hemdje, met zware bloemen geborduurd, het kleine ronde keurslijf en den zwaren gordel met twee halfronde gouden platen gesloten, die met edelgesteenten zijn versierd. Bijna alle vrouwen, met name de Christinnen, dragen lange sleepjaponnen, zoogenoemd naar fransch model, waarmede zij de vuile stoffige straten der stad aanvegen. Onverschillig tot welke kerk zij behooren, vertoonen zij zich nooit met onbedekt gelaat in het publiek; sommigen dragen een zwarten krippen sluier, anderen bedekken zich het aangezicht met een gekleurden zijden doek. Daarentegen zorgen zij wel, dat haar juweelen en andere sieraden, waarmede borst en armen prijken, zooveel maar eenigszins mogelijk, tusschen de plooien van de izza te voorschijn komen. Haar schoeisel is afschuwelijk: zij dragen voor het meerendeel blauwe of groene bottines, met koperen of glazen knoopjes: een smaakvol produkt van de britsche industrie!

Zoo de Christenvrouwen, zeer tot haar nadeel, een gedeelte van de nationale kleederdracht hebben opgeofferd, om de frankische mode na te volgen, hebben de mannen het nog veel erger gemaakt en het oostersche kostuum geheel en al afgelegd. Allen zijn gekleed in geelachtig grijze bijna paarsche pantalons en leelijke laken jasjes van nog onoogelijker kleur. In dit afschuwelijk, door en door vulgair kostuum, blijft hun niets meer over van dat prestige, dat statige en indrukwekkende, hetwelk nog steeds den Muzelmannen eigen is, gedrapeerd in hunne bruine, met gouddraad of zijde doorwerkte abbas, en het hoofd gedekt met veelkleurige tulbanden, omwoeld met een koord van kemelshaar of een wollen wrong, doorvlochten met zilverdraad.

Bassorah, op alluviaal-grond van latere vorming gebouwd, is betrekkelijk jong: het werd kort na den dood van Mohammed door Omar gesticht en werd weldra de groote stapelplaats der produkten van Chaldea en Mesopotamië. De geschiedenis der stad, althans sedert de laatste eeuwen, valt samen met die van de telkens hervatte oorlogen tusschen Turkije en Perzië, die haar beurtelings in hun macht hadden. Tegen het einde van de vorige eeuw werd zij dertien maanden lang door de Perzen belegerd en eindelijk genomen; zij bleef toen in handen der overwinnaars tot den dood van Kerim-Khan. Zijne opvolgers wisten haar niet te bewaren; zij hadden de handen meer dan vol om zich op den troon van Perzië te handhaven, en lieten het ver afgelegen Bassorah los, dat nu weder door de Ottomannen in bezit werd genomen. Hoewel sedert dien tijd de bevolking ongeveer met de helft is verminderd en nu nauwelijks vijftienduizend zielen telt, is Bassorah toch nog een belangrijk middelpunt van handel en verkeer gebleven, dat in geregelde betrekking staat met Indië. De graanhandel is van zeer groot gewicht; maar ook de dadels vormen een van de voornaamste rijkdommen des lands; zij worden in groote menigte naar het buitenland verzonden, gepakt in fijne en zeer buigzame manden van palmbladen gevlochten en met vezels van dien boom genaaid. Altijd weer de palmboom! alles leeft hier van en door den palmboom. Het is inderdaad niet te verwonderen, dat de Oosterlingen een godsdienstigen eerbied koesteren voor dien gezegenden boom, aan welken zij spijs en drank, timmerhout, tapijten, touwwerk en manden verschuldigd zijn. Heeft niet reeds de Profeet gezegd: “Eert den palmboom; hij is uwe moederlijke tante; hij is gevormd uit het overschot van het leem, waaruit het lichaam van Adam gekneed werd.”

XXXIV

8 December—Drie dagen lang heeft de koorts ons, indien al niet aan onze legerstede, dan toch aan ons huis geketend, en het voortzetten der reis belet. Zoodra wij evenwel weer een voet konden verzetten, zijn wij zoo spoedig mogelijk Bladzijde 92Bassorah met zijne ongezonde lucht en vochtig heete temperatuur ontvlucht. Twee stoombooten varen in geregelden dienst tusschen die stad en Bagdad. De eene stoombootdienst is van eene engelsche maatschappij en vaart geregeld iedere week. De vrij eenvoudig ingerichte booten worden zoo zindelijk gehouden als met de gewoonten der reizigers, die steeds op het dek hunne spijzen gereed maken, bestaanbaar is. De andere dienst is door het turksche bestuur georganiseerd; deze booten varen tweemaal in de maand. Wij hebben plaats genomen op de Mossoel, eene turksche boot, die heden morgen, eene maand te laat, afvoer.

Het gaat hier alles op zijn turksch! Do gezagvoerder en de bemanning, die zeer ongeregeld betaald worden, moeten wel, om te leven, hunne toevlucht nemen tot maatregelen, die juist niet aangenaam zijn voor de reizigers. Het dek van de eerste klasse is opgepropt met kooien en manden vol kippen, die de matrozen te Bassorah hebben gekocht en die zij te Bagdad weder verkoopen, met twee of drie stuivers winst per stuk. De officieren, wier eerzucht verder reikt, kunnen dit den matrozen moeilijk verbieden, want zij zelven nemen met hunne koffers en pakken het geheele ruim in beslag.

Onze reisgenooten zijn, vooreerst, een Engelschman, die pas uit Indië is teruggekeerd, en die op de Mossoel plaats heeft genomen, omdat de turksche booten de reputatie hebben, veel meer aan den grond te raken dan de engelsche: hij hoopt dan gelegenheid te kunnen vinden om aan zijn hartstocht voor de jacht te kunnen bot vieren. Onze tweede reisgenoot is een Corsicaan, kapitein Dominici, die zelf langen tijd het bevel heeft gevoerd op de Mossoel en nu, nadat hij uit zijne betrekking is ontslagen, te Bagdad woont. Men behoeft niet lang met hem in gezelschap te zijn, om deelgenoot te worden van zijne grieven. Ongeveer een jaar geleden, kwam de turksche regeering op de gedachte, dat zij haar leveranciers eigenlijk evenmin behoefde te betalen als haar ambtenaren. Een der eersten, verbitterd over een eindeloos uitstel, verloor zijn geduld, en verklaarde dat hij geen zak kolen meer zou leveren, zoolang zijne rekening niet betaald was. De Mossoel wachtte op brandstof, toen de kapitein bevel ontving, onmiddellijk te vertrekken.

“De bakken zijn bijna ledig; ik kan niet vertrekken zonder kolen, zeide hij tot den pâsja, met het opzicht over de stoombootdienst belast.

—Dan hebben wij uw diensten niet meer van noode! Varen, en dan nog kolen verbranden op den koop toe!

—Het woord “onmogelijk” bestaat in onze fransche taal niet,” antwoordde de kapitein, zijne hand in zijn vest stekende.

De trossen worden losgegooid en de Mossoel vaart statig op den Tigris. Na verloop van twee dagen was er geen stukje steenkool meer te vinden, maar onze Corsicaan wist raad. De lading van de boot bestond uit sesam, een peulgewas, uit welks zaad eene uitmuntende olie wordt bereid.

“Voor den dag met het sesam! gooi het in het vuur!” beveelt de kapitein. De machine snuift en stampt, en na verloop van acht dagen komt de Mossoel zegepralend te Bagdad, na eene lading ter waarde van ruim dertigduizend francs in rook te hebben doen opgaan. De kapitein boette met het verlies van zijne betrekking voor de stoutmoedigheid, waarmede hij het woord zijns grooten Keizers in toepassing had gebracht; terwijl de opzichter van de dienst nog een aardig voordeeltje trok uit dit zonderlinge avontuur. De pâsja, nu overtuigd dat het zaak was de rekening van de steenkolen te betalen, stelde het gouvernement voor, om, bij gebrek aan geld, den leverancier tevreden te stellen met achthonderd kameelen, aan een oproerigen stam ontroofd. De leverancier had daar niets tegen; en recht in zijn schik dat hij nu in natura ongeveer de dubbele waarde ontving van hetgeen hij te vorderen had, deed hij op zijn beurt twee- à driehonderd van de meest versleten dieren aan den pâsja cadeau.

Eenige uren na ons vertrek van Bassorah, voeren wij langs Qoernah, op eene smalle landtong gelegen, aan welker benedeneinde de Euphraat en de Tigris samenvloeien, om vereenigd den Shatt el-Arab te vormen. Het landschap is zeer onbeteekenend: lage, half overstroomde oevers; moerassige weilanden, waarin magere koeien loopen te grazen, die tot den ruggegraat met slijk zijn bespat; voorts enkele boomen—ziedaar alles.

9 December—De vaart op den Tigris is in de hoogste mate eentonig; de wederzijdsche oevers zijn zoo hoog, dat het is alsof men tusschen twee dijken vaart, die alle uitzicht onderscheppen. Dezen morgen voeren wij langs de uitmonding van eene fraaie rivier, en hielden eenige oogenblikken later stil te Amarah. Deze stad is van zeer jonge dagteekening en dankt hare welvaart aan de karavanen uit Kermansha en Shoester, die granen en indigo aanvoeren, welke vervolgens naar Bagdad worden gebracht.

Het kanaal el-Asher te Bassorah.

10 December.—Babel is niet meer dan een vormelooze puinhoop; en Ezra, die als balling in de beroemde wereldstad vertoefde en het voorrecht mocht smaken, zijne landgenooten naar Jeruzalem terug te voeren, slaapt, volgens de overlevering, nog altijd aan de boorden van den Tigris. Daar eenige Joden aan boord van de Mossoel moesten worden opgenomen, heb ik van de weinige oogenblikken van oponthoud gebruik gemaakt, om haastig eene photografie te nemen van het graf van den profeet. Het tegenwoordige gebouw, dat, te oordeelen naar den koepel van aardewerk, uit den tijd van Shâh Abbas schijnt te dagteekenen, is zeker de plaatsvervanger van een zeer veel ouder monument: immers, volgens de overlevering, is deze plek reeds sedert overoude tijden eene heilige bedevaartsplaats. Nog in onze dagen, komen de Joden, op de hooge feesten, in grooten getale een bezoek brengen aan de laatste rustplaats van Ezra. Als de stoombootmaatschappijen, die op den Tigris dienst doen, de opbrengst moesten missen, voortspruitende uit het vervoer van christelijke, joodsche en mohammedaansche pelgrims, Bladzijde 94die de graven der profeten of der imams willen bezoeken, dan zouden zij ongetwijfeld bankroet gaan.

Onze engelsche reisgenoot had zich al herhaaldelijk beklaagd, dat hij reeds drie dagen aan boord was en nog niet op pelikanen of wilde eenden had kunnen schieten. “Het doel mijner reis is geheel gemist, riep hij mistroostig uit.

—Ga te Koet-el-Amarah, waar wij stilhouden, aan land, antwoordde de kapitein. Gij kunt dan op uw gemak de geheele streek afjagen, en na een oponthoud van drie dagen, gaat gij weer aan boord van de engelsche stoomboot Khalifa, die ook te Amarah ophoudt. De vlakte is rijk aan wild; en gij zult ongetwijfeld een overvloedigen buit maken, eer ge den tocht naar Bagdad hervat.”

Onze vriend heeft zich gehaast, overeenkomstig den raad van den kapitein te handelen; sedert zijn vertrek hebben wij tot driemaal aan den grond gezeten. Deze incidenten hebben gelukkig geene ernstige gevolgen gehad; nauwelijks hadden de zeer talrijke reizigers die het dek en de salons vulden, voor het meerendeel de boot verlaten, of deze begon zich los te werken uit de modder en kliefde weldra weder de breede wateren van den Tigris.

Ik heb van het oponthoud gebruik gemaakt om een bezoek te brengen aan een kleinen arabischen stam, die niet ver van de rivier is gekampeerd, onder tenten van geitenhaar. De mannen, die er vrij woest uitzien, zijn gekleed met een donkerbruin of blauw wollen hemd; de doek om hun hoofd is met een koord van kemelshaar omsnoerd; hun gang is zeer fier; meestal hebben zij eene lange lans in de hand. De bruinkleurige vrouwen, forsch en gespierd en even als de mannen gekleed, zijn bijna allen kenbaar aan de zilveren of koperen ringen, die zij in den neus en om de polsen dragen.—Naar men mij zegt, behooren deze lieden tot den stam der Beni-Laams, die zich vooral op de paardenfokkerij toeleggen. Zuidwaarts van Amarah vindt men de Beni Aboe-Mohammed, die bepaaldelijk in buffels handel drijven; in de vlakte nabij Bagdad wonen de Shamars, de machtigste nomaden van Babylonië en de onverzoenlijke vijanden der Turken. Metterdaad leven de Beni-Laams, de Beni Aboe-Mohammed en de Shamars eenvoudig van roof en diefstal, en hebben zij elkander onder dat opzicht niets te verwijten.

Voor- en tegenspoed wisselen elkander in dit ondermaansche af: de stuurman is tot de ontdekking gekomen dat de boot niet meer naar het roer luisterde; toen wij het laatst aan den grond raakten, is het roer gebroken. Aan dit ongeval danken wij een oponthoud van eenige uren en eene zeer levendige woordenwisseling tusschen den vroegeren en den tegenwoordigen gezagvoerder van de Mossoel. De brave kapitein Dominici heeft met een vloed van woorden zijn tegenstander vernietigd, en breedvoerig uitgeweid over zijne talrijke schipbreuken en de schokkende avonturen van zijn zeemansleven; hij heeft aangetoond hoe hij steeds een middel wist te vinden om, ook zonder roer, toch een schip te besturen, en dat niet maar op zulk eene ellendige rivier als de Tigris, maar midden door de klippen en stormen der zeeën van Patagonië! Gelukkig behoefden wij met de toovermiddelen van den dapperen Corsicaan geene proef te nemen; tegen den avond kon de Mossoel haar reis hervatten.

Niet zonder wrevel en ergernis heeft de kapitein bemerkt, dat een zijner passagiers liever op de eendenjacht ging, dan stil aan boord te blijven; om ons voor onze trouw aan zijn vaartuig te beloonen, heeft hij gisteravond ons medegedeeld, dat hij ons bij den boog van Ktesiphon aan land zou zetten. De booten hebben vier uur noodig om het schiereiland om te varen, waarop eenmaal de hoofdstad van Khosroës verrees, terwijl men te land dien tocht in twintig minuten kan doen. Wij zullen dus den tijd hebben om een blik te werpen op de ruïnen van het paleis, eer wij weder aan boord moeten gaan. Bovendien zal de kapitein ons door seinen waarschuwen.

Overeenkomstig de belofte van den gezagvoerder bracht de sloep ons tegen den middag naar den wal, tegenover een kolossaal gebouw, dat reeds in den loop van den morgen mijne aandacht getrokken had.

De dusgenoemde boog van Ktesiphon, geheel uit zware baksteenen opgetrokken, is eigenlijk eene een-en-negentig meter lange en vijf-en-dertig meter hooge façade, in het midden waarvan zich eene gewelfde zaal opent, die eene breedte heeft van vijf-en-twintig el. Deze talar beslaat de geheele tegenwoordige hoogte van het gebouw: het paleis ontleent daaraan den naam van Tag-Kesra, waaronder het nog bij de omwonende bevolking bekend is. Rechts en links van deze groote zaal of hal bevonden zich zijgalerijen, ongetwijfeld bestemd voor de lijfwacht, de hovelingen en de koninklijke schrijvers. Dergelijke vertrekken waren toch niet geschikt om tot vrouwenverblijf te dienen; bovendien, de koningen uit de dynastie der Sassaniden verborgen hunne vrouwen met evenveel naijverige zorg, als in onze dagen de strengste volgelingen van Mohammed doen.

In gewijzigden vorm vinden wij dus te Ktesiphon het koninklijk paleis terug, dat wij te Persepolis leerden kennen; wij vinden hier dezelfde onderscheiding tusschen de officieele residentie van den monarch en de vertrekken voor het huiselijk en familieleven bestemd; en het is van te meer belang deze bijzonderheid te constateeren, omdat in de kasteelen van Sarvistan en Firoez-Abâd de biroen en de anderoen niet aldus gescheiden, maar binnen dezelfde muren begrepen zijn.—De zijvertrekken van het paleis van Ktesiphon zijn allen verdwenen; ter nauwernood kan men uit de weinige brokstukken der scheidingsmuren en de fondamenten hunne grootte opmaken. De vertrekken van den harem en die van het personeel der hofhouding, welke zeer waarschijnlijk van ongebakken steenen waren gebouwd, zijn natuurlijk verdwenen, of liever zij bestaan nog slechts in de gedaante van lage tumuli, waarin men tot dusver niets gevonden heeft, behalve enkele parthische muntstukken Bladzijde 95en scherven van aardewerk. De munten der Sassaniden zijn te Tag Kesra veel minder zeldzaam dan die der Parthen.

Behalve twee poorten en den kolossalen middenboog, heeft de voorgevel geene enkele opening; maar daarentegen is hij versierd met vier rijen van rondbogen boven elkander, die door een soort van pilasters worden gedragen. Deze zuilen of pilasters, die men op het eerste gezicht louter voor ornament zou aanzien, moeten mede dienen om den reusachtigen muur stevigheid te verleenen, zoodat hij zonder verderen steun aan de vernielende werking van den tijd en aan de schokken van aardbevingen weerstand kan bieden. Volgens het zeggen der kroniekschrijvers zouden deze zuilen met zilver bekleed zijn geweest. Dit is niet zeer waarschijnlijk; maar eene bekleeding met verzilverde koperen platen, als bij de koepels van Koem en Shâh Abdoel-Azim, acht ik zeer wel mogelijk. In ieder geval moeten zij overpleisterd of op eenige andere wijze bekleed zijn geweest, want de steenen waaruit zij bestaan zijn zeer slordig bewerkt, en steken daardoor zeer af bij de schoone en zorgvuldige bewerking van de vlakke gedeelten der muren.

Treedt men de groote zaal binnen, dan wordt men onwillekeurig getroffen door de majesteit van deze kolossale hal en de stoutheid van het gewelf. Een gedeelte van dit gewelf is, volgens de sage, ingestort op den dag der geboorte van Mohammed; het andere is nog zeer goed bewaard gebleven en op regelmatige afstanden voorzien van aarden buizen, volgens de Arabieren bestemd om de lampen te vullen, die aan de zoldering waren opgehangen. Door de deur achter in de hal, kon de koning uit zijne bijzondere vertrekken zich rechtsstreeks naar zijn troonzetel begeven. Dan werd het zware voorhangsel voor den grooten boog ten deele opgelicht, zoodat de stralen der morgenzon in de zaal konden doordringen: dat was voor de hovelingen het teeken, dat de monarch bereid was, de hulde zijner onderdanen te ontvangen en hunne beden aan te hooren. Daar zat hij dan, op zijn elpenbeenen troon, omstuwd door zijne lijfwachten en dienaren; de vloer van de indrukwekkende zaal was met fijne matten belegd, waarover prachtige, veelkleurige tapijten waren gespreid; langs de vermoedelijk met stuc bekleede wanden waren, bij wijze van draperieën, kostbare weefsels opgehangen; en dit alles, ten deele in half donker gehuld, slechts beschenen door de van buiten invallende zonnestralen, moet inderdaad een tooverachtigen aanblik hebben opgeleverd.

De tijd en de menschen hebben zich aangegord ter vernietiging van dezen kolossus; maar de massa van het monument was zoo stevig, dat noch de Romeinen, noch de Arabieren, noch de Turken het ontzaggelijk geraamte hebben kunnen sloopen, en zich hebben moeten vergenoegen, met stuksgewijze de ondergeschikte deelen, als het ware de ledematen van het reusachtig gebouw, te vernielen. De omwalling is verdwenen; de voorhof voor de groote zaal, de zalen en vertrekken ter wederzijde ondergingen hetzelfde lot; maar wat nog over is gebleven getuigt nog steeds van de macht en den rijkdom der koningen, die te Ktesiphon hun zetel hadden.

11 December.—Het beklimmen van torens en minarets heeft voor mij niets aanlokkelijks. Buiten adem en badende in zweet, komt ge eindelijk, na tegen een smalle, donkere, min of meer bouwvallige trap van vier- of vijfhonderd treden te hebben opgeklauterd, op een plat of galerij, waar een koude wind u om de ooren blaast en eene verkoudheid op den hals jaagt. Blazend, hijgend, rillend, laat ge uw blik dwalen over eene verzameling van daken en schoorsteenen, over grijsachtige velden en donkergroene massaas; in stille bewondering staart ge naar een wemelenden nevel aan den horizon, die nu eens de zee en dan weder een bergketen moet voorstellen; na dit verwarde, onharmonische tooneel een poosje te hebben aangegaapt, daalt ge weer, met groote stappen, de altijd draaiende trap af, die u bijna duizelig en zeeziek maakt, zoodat ge u moet vasthouden aan een vies, vettig, glimmend touw, en recht dankbaar zijt, als ge eindelijk weer onder uwe voeten den vasten grond gevoelt, waarop de natuur gewild heeft dat wij ons bewegen zouden. Het is dus voor mij een vaste regel, geen torens te beklimmen.

Dezen stelregel, waarnaar ik in alle landen en onder alle hemelsbreedten gehandeld heb, herinner ik mij te laat, zooals het meer het geval is, nu ik met handen en voeten, met ellebogen en knieën, omhoog klauter tegen den muur van het paleis van Ktesiphon. Ik kan niet meer en houd even op. Ik ben op omstreeks twintig ellen boven den grond, en hang bijna aan eene uitstekende kroonlijst, die eene geschikte zitplaats aanbiedt voor de vleermuizen en uilen, de gewone gasten van deze ruïnen. Hoe zou ik mij haasten, naar beneden te komen, indien niet de blikken van onze matrozen en van de in den omtrek zwervende nomaden, met spottende nieuwsgierigheid, op mij gevestigd waren!... Oef! De eer is gered: ik sta boven op den rug van het gewelf. Ik heb waarlijk duur genoeg het recht betaald, om het historische landschap te mogen bewonderen, dat zich voor mijne voeten uitbreidt en dat heugenis draagt van wie weet hoe vele eeuwen.

Ik sta thans zoo hoog boven de vlakte van den Tigris, dat ik, met behulp van een kijker, niet enkel de plek kan overzien waar eenmaal Ktesiphon stond, en waar nu de bruine tenten der Arabieren verspreid staan rondom het grafteeken van Salomon den Reine, den beroemden barbier van Mohammed; maar ook aan de overzijde van de blauwe wateren der rivier de lage heuveltjes of tumuli kan onderscheiden, de eenige overblijfselen van de stad Seleucia. Bij een blik op de povere ruïnen dezer beide steden, zoo dicht in elkanders nabijheid gelegen, begrijpt men aanstonds, dat zij bestemd waren wederkeerig elkander in bedwang te houden; mocht de eene een vooruitgeschoven post van het Westen worden genoemd, aan de andere was de taak toevertrouwd om de grenzen van Perzië te verdedigen.

De boog van Ktesiphon.

Bladzijde 97

Ktesiphon, door de Parthen, misschien zelfs reeds door de laatste Achemeniden gesticht, vergroot of herbouwd door Ardeshir, den zoon van Babek, vooral onder de Sassaniden machtig en bloeiend, kon op eene betrekkelijk hooge oudheid roemen; toch wist de door Seleukos I, een der opvolgers van Alexander, gestichte en naar hem genoemde nieuwe grieksche stad in weinige jaren haar mededingster naar de kroon te steken en te overvleugelen. Zij werd een der hoofdstapelplaatsen van den oosterschen handel en telde in haar bloeitijd eene bevolking van meer dan zeshonderdduizend zielen. Ook na den val van het syrische rijk en onder de heerschappij der Romeinen behield Seleucia eene groote mate van vrijheid en autonomie; zij was en bleef eene grieksche stad, waar westersche denkbeelden en gewoonten heerschten en de westersche beschaving den boventoon voerde. Ongelukkig had zij van de grieksche traditie ook de zeer kwade gewoonte overgenomen om steeds te politiseeren; en evenals de oude grieksche staten aan deze politieke manie hun ondergang te danken hadden, zoo ook Seleucia, en na Seleucia nog menige andere stad en staat. De heftigste partijschappen verdeelden het volk; en daar politieke partijen steeds en overal in de eerste plaats haar eigen belang, den triomf harer stellingen en theoriën beoogen en het algemeen belang daarvoor doen wijken, zoo schroomden ook de partijhoofden te Seleucia niet, de hulp van vreemden en van vijanden in te roepen. Zoo geraakte de stad onder de macht der parthische koningen, die hun winterresidentie in Ktesiphon hadden; en zoo had zij mede haar deel te dragen van de ellende, die de herhaalde oorlogen tusschen de Parthen en de Romeinen over deze gansche streek brachten. In 116 na Chr. bezette Trajanus de stad en legde haar, nadat de bevolking in roekeloozen overmoed in opstand was gekomen, voor een deel in de asch; nog zwaarder slag trof haar eenige tientallen jaren later, in 165, toen zij door Lucius Verus geheel werd verwoest. Sedert was haar kracht gebroken. Door Septimius Severus, te gelijkertijd met Ktesiphon, veroverd, viel zij later in handen der Sassaniden en zonk allengs in vergetelheid weg. Ktesiphon bleef eene der hoofdsteden van het perzische rijk, tot het in 637 door den Khalief Omar veroverd en verwoest werd.

Met uitzondering van de overblijfselen eener aarden omvalling is van de hoofdstad van Seleukos geen enkel monument, geen enkel spoor overgebleven; de eenmaal zoo vruchtbare bodem, waarop zij zich verhief, wordt tegenwoordig alleen nog maar betreden door zwervende Arabieren, door enkele geitenherders, en in den herfst door inwoners van Bagdad, die nadat de felle zomerhitte geweken is, hunne tenten komen opslaan in de vlakke velden van den Tigris, om in het dichte kreupelhout ter wilde-zwijnenjacht te gaan.

Vrouwen van Bagdad.

De avond valt. Wij moeten de nauwkeurige studie van het paleis tot eene latere gelegenheid uitstellen, en naar den oever terugkeeren, waar de Mossoel weldra verschijnen zal. Wij volgen een door herders of stroopers gebaand pad, dat ons midden door kreupelhout en dicht struikgewas, aan de rivier brengt. Nauwelijks is de korte avondschemering voorbij en door de nachtelijke duisternis vervangen, of de temperatuur daalt met buitengewone snelheid. Op den vrij hoogen oever neergezeten, zie ik vergeefs uit naar de lichten van de stoomboot; hoe scherp ik ook luister, geen enkel geluid verkondigt de nadering van het zoo vurig verwachte schip. Kapitein Dominici, die ons als gids heeft vergezeld, wordt ongeduldig en onrustig: hij loopt heen en weer, en zorgt zeer slecht voor het vuur, dat hij op ons dringend verzoek heeft doen aanleggen. Nadat er een vol uur verloopen was, kon hij zich niet langer bedwingen.

“Ziet gij, zoo zegt hij, die vurig gekleurde rookwolken, Bladzijde 98die uit de vlakte opstijgen? Dat zijn de kampementen der nomaden, wier aantal zeer groot is. Zij kunnen ongemerkt door het kreupelhout naderbij sluipen; en als zij zien, hoe weinig talrijk wij zijn, zullen zij ons aanvallen en naakt uitschudden. Dooft daarom het vuur zoo spoedig mogelijk uit; strooit zand over de asch, die ons zou kunnen verraden, en laat ons langs den oever der rivier vluchten.”

Dat is evenwel gemakkelijker gezegd dan gedaan. Rechts wordt het kreupelhout steeds dichter; links is de steile oever op vele plaatsen ingestort of afgebrokkeld; zoolang de maan ons niet te hulp komt, kunnen wij in den donker niet verder gaan, tenzij wij ons aan het bijna zekere gevaar willen blootstellen, in den Tigris te storten. De angst voor de nomaden, de vrees in eene hinderlaag te zullen vallen, gevoegd bij de kwellingen van honger en koude, maken dat de traag voortkruipende uren ons eene eeuwigheid schijnen. Nog altijd komt de boot niet, en wij gaan beraadslagen over hetgeen ons te doen staat—hetgeen altijd een veeg teeken is. Goddank! daar plast iets in het water! Het is een zeilschip, dat naar Koet el-Amarah bestemd is en langs den oever vaart, waar wij in zoo treurigen toestand vertoeven. De gezagvoerder van het vaartuig is bereid ons op te nemen; en nadat wij een uur gevaren hebben, zien wij in de verte de lichten van de Mossoel. Kort na ons vertrek was de ongelukkige boot weer op eene modderbank vastgeraakt: uren lang heeft men moeten arbeiden om haar weer vlot te krijgen: van daar de vertraging.

Middernacht is reeds voorbij, als ik de kajuit binnentreed, die tegelijk tot salon, tot eetzaal en tot kabinet voor den kommandant en de eerste-klasse passagiers dient; de tafel is gedekt; de lamp werpt een uitlokkend schijnsel op den schotel met pilau; ik heb geen hinder meer van den kouden nachtwind en heb geen onwelkom bezoek van nomaden meer te duchten. Einde goed al goed.

XXXV

12 December.—De matrozen loopen op een drafje door den salon, die behalve tot vele andere doeleinden, ook tot doorloop dient tusschen het voor- en het achterschip van de Mossoel; wij werpen het anker uit in de haven van Bagdad. Met den dageraad ben ik op de been; ik treed naar buiten en zie, tot mijne groote verwondering, op het dek en op de kooien met gevogelte, eene dunne laag ijzel. Dat is de eerste nachtvorst: het zou ons niet goed bekomen zijn, indien wij zonder mantels of dekens onder den blooten hemel hadden moeten overnachten.

Hoe heerlijk is toch, ondanks alles, het klimaat van het gezegende Oosten! Zelfs de winter vermag hier de eeuwig bloeiende natuur niet in eene akelige doodswade te hullen en alle leven tot stilstand te doemen; ter nauwernood wijzigt hij eenigszins het voorkomen van het landschap. Het vriest—en zie, daar ligt Bagdad in een krans van groene boomen, waarover de adem der lente schijnt te zweven.

Van oogenblik tot oogenblik wordt het lichter: weldra vertoonen zich op den rechter oever de gebouwen van het serail, de kazernen, de porseleinen koepels, waarop tallooze zwermen van duiven neerstrijken, om in de eerste stralen der morgenzon haar vleugelen te drogen; dan de minarets, in slankheid wedijverende met de palmen; de medresseh, de statige gebouwen van de douane, waarvoor zich reeds, in kleurige kleederdracht, Joden, Armeniërs en Arabieren verdringen; eindelijk, benedenwaarts van den aanlegsteiger, teekenen zich, half omsluierd door den wazigen nevel, die over de breede rivier zweeft, prachtige tuinen en in het midden van dien lusthof het sierlijke paviljoen van het engelsche consulaat.

De andere oever is nog rijker aan groen. De gelukkige bewoners van deze onder den lommer van palmen en allerlei geboomte als wegschuilende huizen moesten, zou men zoo zeggen, hun voorrecht te zeer waardeeren om zich bezig te houden met zoo alledaagsche dingen als handel en verkeer, en al dergelijke beslommeringen overlaten aan hunne buren van de overzijde. Toch schijnt dit volstrekt niet het geval, want het verkeer tusschen de beide stadsdoelen is zeer druk. Eene schipbrug, wonderlijk gedraaid en afwisselend in breedte en hoogte, buigt zich onder de voestappen van eene groote menigte van vrouwen, in roode, blauwe of groene izzas gehuld; van mannen in gele of witte kleederen; van kameelen, ezels, muildieren, die elkander verdringen en voortduwen, en op het niet van leuningen voorziene brugdek eene schilderachtige bontkleurige processie vormen.

De haven van Bagdad, of liever de rivier zelve, biedt een niet minder levendig schouwspel dan de brug, die de beide oevers verbindt; langs den kant en op de rivier liggen verschillende rijen van schepen van onderscheiden vorm en grootte, en die wel even onze aandacht verdienen.

Daar zijn vooreerst de belems, groote zeilvaartuigen, voornamelijk voor het vervoer van granen bestemd; zij zijn van palmhout getimmerd en van buiten met eene dikke laag aardpek bestreken; zeer zeewaardig en gemakkelijk weer in orde te brengen; gebeurt er een of ander ongeval, dan is het voldoende, ze op nieuw met aardpek te bestrijken, om ze weer te kunnen gebruiken. De belems maken zeer lange reizen tusschen Bagdad en Bassorah, en liggen bijna altijd beneden de schipbrug vastgemeerd; boven de brug liggen de keleks, die voornamelijk op de rivier boven de stad worden gebruikt.—Wanneer de schippers op den Boven-Tigris eene lading hebben te vervoeren, vullen zij een zeker aantal lederen zakken met lucht, en binden die in concentrische rijen aan elkander; vervolgens bevestigen zij daarop een planken vloer, dien zij met eene dikke laag gras en kruiden bedekken, om de lading tegen de aanraking met het water te beveiligen; zij stapelen hunne koopwaren op dit vlot, voorzien zich van de noodige boomen voor het besturen van hun vaartuig, en zakken de rivier af, wel niet zonder dat eenige Bladzijde 99zakken barsten, maar toch in den regel zonder ernstig ongeluk. Ter plaatste hunner bestemming gekomen, verkoopen de schippers de planken en de kruiden tegen vrij hoogen prijs, laten de lucht uit de zakken ontsnappen, laden die op den rug van ezels, en keeren naar hun land terug, om daar telkens hetzelfde bedrijf te hervatten. De huurprijs van de keleks verschilt in evenredigheid van het aantal zakken, waaruit zij zijn saamgesteld. Voor de vlotten, waarmede passagiers vervoerd worden, gebruikt men tachtig zakken; dan wordt ook op het vlot eene hut of eene tent geplaatst; vijftig zakken zijn daarentegen voldoende voor het vervoer van schapen of gevogelte, van vruchten, kaas of granen.—De keleks komen, uit verre landen, want voor hun bouw gebruikt men timmerhout, dat in Chaldea uiterst schaarsch is.

Voor kleine tochtjes tusschen Bagdad en de onmiddellijke omstreken, bedient men zich van zeer eigenaardige vaartuigjes, koeffehs (manden) genoemd. Overal op de rivier zie ik die ronde manden drijven, van palmbladen vervaardigd en met aardpek bestreken. Twee mannen brengen ze in eene draaiende beweging en bepalen tevens de richting. Zij gaan niet gauw, maar zijn zeer stevig, en verplaatsen eene vergelijkenderwijze zeer groote hoeveelheid water; zij kunnen niet kantelen, en scheppen geen water, hoewel sommigen, met meloenen en pasteken beladen, ter nauwernood vijftien duim boven het water uitsteken.

Onder welke van deze kategoriën moet ik nu de babylonische vaartuigen rangschikken, waarvan Herodotus spreekt? Gedurende ons watertochtje had ik alle gelegenheid om nog eens te lezen en te herlezen wat de vader der geschiedenis van de schepen der Babyloniërs zegt: en met de stukken voor oogen moet ik zonder aarzelen of voorbehoud elke gelijkstelling van de babylonische boot met den kelek verwerpen. Ik begrijp mij zelfs niet, hoe sommige schrijvers tot die zonderlinge opvatting zijn kunnen komen.

“De Babyloniërs, zoo zegt Herodotus, hebben geene andere vaartuigen, dan die den Euphraat afzakken tot aan de stad; zij zijn rond en geheel van leder, want nadat zij de kiel hebben getimmerd van het hout van wilgen, die in Armenië, ten noorden van Assyrië, groeien, bekleeden zij de buitenzijde met vellen, die het geheele vaartuig bedekken, zonder dat men daaraan een voor- en achtersteven onderscheiden kan. Deze booten zijn rond, naar de gedaante van een schild; zij bekleeden ze inwendig met biezen; dan steken zij van wal en laten zich met hunne vracht den stroom afzakken. Deze vracht bestaat uit verschillende koopwaren, vooral uit aarden potten met palmwijn gevuld. Twee mannen, ieder met een stok of riem gewapend, besturen staande het vaartuig en duwen het voort. Men maakt naar dit model groote en kleine vaartuigen; de grootsten kunnen eene lading bergen tot een gewicht van vijfduizend talenten. Wanneer zij aldus te Babyion zijn aangekomen en de lading is afgeleverd, verkoopen de bootslieden de biezen en de kiel; dan laden zij de huiden op hunne ezels en keeren naar Armenië terug, want uit aanmerking van den snellen stroom, is het onmogelijk de rivier op te varen. Daarom maken zij hunne booten niet van hout, maar van leder. Als de ezeldrijvers in Armenië zijn terug gekeerd, beginnen zij op nieuw, op dezelfde wijze, hunne vaartuigen te vervaardigen.”

Herodotus spreekt zeer stellig van vaartuigen of booten; hij voegt er bij, dat die booten noch voor- noch achtersteven hebben, en dat zij rond van vorm zijn als een schild. Mijn inziens, bedoelt en beschrijft hij dus een uitgehold voorwerp, dat veel overeenkomst had met eene gewone boot, maar daarvan verschilde door zijne ronde gedaante. Ten einde allen twijfel bij zijne lezers weg te nemen, voegt de schrijver er bij, dat de kiel is vervaardigd van wilgentakken, dat wil zeggen van hout, dat gemakkelijk gebogen kan worden, en van biezen, die hier dezelfde rol spelen als teenen of rijshout bij de vervaardiging van manden. De vorm van het vaartuig is, dunkt mij, beslissend: het schijnt mij buiten twijfel, dat Herodotus eene koeffeh bedoelt, geheel gelijk aan die, welke voor mijne oogen op het water tollen, en welke de assyrische beeldhouwers acht eeuwen voor onze jaartelling reeds op hunne bas-reliefs afbeeldden. Er is echter een zeker verschil tusschen de hedendaagsche koeffeh en de door Herodotus beschreven boot: de eerste is eenvoudig met aardpek besmeerd, de andere is met toebereide huiden bekleed. Maar uit het feit, dat die huiden, dadelijk na aankomst ter bestemder plaatse, werden weggenomen en weer naar het vaderland der booten teruggevoerd, mag men het besluit niet trekken, dat Herodotus een kelek heeft willen beschrijven. Geen enkele grieksche matroos zou hetzelfde woord hebben gebruikt om daarmede toebereide huiden en met lucht gevulde zakken aan te duiden; noch minder zou het hem zijn ingevallen, bij een vlot van een voor- en achtersteven te spreken. Kan men zich ook een rond vlot voorstellen van de gedaante van een schild? Waarom zou men zich de moeite geven, op deze zoo onnatuurlijke wijze de balken en planken te schikken, terwijl eene eenvoudige samenvoeging aan alle vereischten voldoet en de meeste waarborgen van stevigheid aanbiedt? Ik meen dus, dat men het best doet, zich aan de beschrijving van Herodotus te houden, zonder daaraan iets toe te voegen of daarvan iets af te nemen. De babylonische boot was buiten kijf eene koeffeh van meer of minder groote afmetingen, bekleed met aan elkander genaaide huiden, die zonder moeite aan het houten geraamte konden worden bevestigd en ook weer losgemaakt. De koeffeh der ninevitische bas-reliefs, waarop men zeer duidelijk de naden der huiden kan onderscheiden, stemt volkomen met die beschrijving overeen.

Mijne eerste kennismaking met dit antieke vaartuig was alles behalve aangenaam. Nauwelijks hadden wij naast onze bagage in de koeffeh plaats genomen, of wij begonnen zoo snel in het rond te draaien, dat ik een oogenblik een gevoel had, als ware ik in een tol veranderd. Toch bereikten wij zonder ongeval den oever. De roeiers sprongen in het water, trokken de boot op den kant en reikten mij de hand; ik sprong uit de mand Bladzijde 100en zette voor het eerst mijn voet op den bodem der stad van Haroen-er-Rashid. De fransche consul, van de aankomst der stoomboot onderricht, had een kawas gezonden om ons af te halen; gespierde dragers namen onze koffers op hun rug, en wij betraden achter hen de leelijke straten van de christelijke wijk.