WeRead Powered by ReaderPub
Perzië, Chaldea en Susiane / De Aarde en haar Volken, 1885-1887 cover

Perzië, Chaldea en Susiane / De Aarde en haar Volken, 1885-1887

Chapter 36: XXXVI
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The narrative recounts the author's travels through Persia, Chaldea and Susiane as she accompanies her husband on a commission to study Sassanid-era monuments. Over fourteen months and several thousand kilometers traveled by horseback, she keeps a diary, makes photographs and documents archaeological sites alongside everyday scenes. Vivid attention is given to ruined architecture, enamelled tiles and reliefs as well as market life, food, lodging and encounters with local inhabitants. Practical difficulties of travel, administrative interactions and close field observation combine to produce a detailed, ground-level portrait of landscape and material culture.

Eene koeffeh.

Consul van Frankrijk is thans de heer Péretié, zoon van den bekenden archeoloog; hij ontvangt ons, omringd door zijne vrouw en kinderen, en het is ons inderdaad een groot voorrecht, na zoo vele maanden van afzondering, weder in een familiekring, in eene huiselijke omgeving, te mogen vertoeven. Mevrouw Péretié wilde volstrekt dat ik de kamer harer dochters zou betrekken: ik zal dan heden nacht weer op een bed slapen, hetgeen mij niet gebeurd is sedert ons vertrek uit Teheran. Inmiddels zullen de jonge dames mij tot gids verstrekken en mij het huis laten zien.

Het consulaat, door en voor inboorlingen gebouwd, komt in inrichting geheel overeen met de andere huizen der stad. In eene zeer smalle straat ziet men een hoogen muur, zonder andere opening dan eene lage poort, waaronder een ruiter ter nauwernood kan doorgaan. Deze poort geeft toegang tot een vestibule, die tevens tot wachthuis dient voor de kawassen, die den consul, zoo noodig, moeten beschermen, hem op zijne wandelingen vergezellen en zijne boodschappen verrichten. Dit voorhuis voert met een hoek naar eene ruime binnenplaats, waarop de keukens, de stallen en andere bijgebouwen uitkomen. Eene poort in een der vleugels geeft toegang tot een tweeden binnenhof, die omgeven is door de eigenlijke woning met haar gebeeldhouwde balkons, haar vensters met fraai mozaïek van hout en glaswerk, en haar groote rood en witgestreepte zeilen, die de zonnestralen moeten keeren, wat ook in het hart van December niet overbodig; is.—Dit is de platte grond; laat ons nu de doorsnede eens bekijken. De groote afwisseling van temperatuur in den zomer en den winter noodzaakt de inwoners van Bagdad om hunne huiselijke inrichting dikwijls te veranderen; de huizen moeten dus zoo gebouwd zijn, dat vier malen in het jaar als het ware eene verhuizing binnenskamers kan plaats hebben.

Panorama van Bagdad.

Alle woningen rusten op overwelfde kelders, die eene diepte hebben van drie of vier meters onder den beganen grond. In de lente trekt de familie zich in deze souterrains, die den naam van serdab dragen, terug; zij neemt niet alleen alle voorwerpen van dagelijksch gebruik, maar ook haar meubelen naar die kelders mede; liet men de meubelen gedurende den zomer in de kamers van de eerste verdieping of zelfs maar van de benedenverdieping staan, dan zouden ze door de wormen en andere insekten worden verteerd en geheel vergaan. Zoodra de felle hitte begint, sluit men zich op in den serdab, die door een pijp of buis versche lucht ontvangt; eerst na zonsondergang komt men daaruit te voorschijn om op het platte dak heete lucht te gaan inademen, want—in tegenstelling met Perzië, waar de nachten koel zijn—daalt ook na zonsondergang de temperatuur te Bagdad maar weinig graden. De stad, die over dag als uitgestorven is, herleeft met de schemering; de dames leggen op de platte daken bij elkander bezoeken af, en brengen den nacht door met praten, rooken en het gebruiken van sorbets; maar daar zij, om de muskieten niet te lokken, geen licht durven opsteken, voeren zij den ganschen zomer niets uit. Bij het aanbreken van den dageraad keert ieder naar zijn serdab terug, en brengt daar, slapend, soezend, dommelend, den dag door. Zoodra de kou begint, begeeft men zich naar de vertrekken op de eerste verdieping; en hoewel daar geregeld Bladzijde 102gestookt wordt, zit men toch te rillen en te huiveren, want de schier ondragelijke warmte heeft alle zenuwen overprikkeld en verslapt.

Het leven van de dames van Bagdad is in den winter al even weinig benijdenswaardig als in den zomer: de bedompte straten zijn dan in den letterlijken zin modderpoelen, waarin men zich met europeesche kleederen moeilijk bewegen kan; bovendien worden zij al spoedig opgevuld met onreinheden van allerlei aard, die door pijpen worden afgevoerd naar open putten of bakken, welke voor ieder huis zijn aangebracht. Bij sterken of aanhoudenden regen raken deze putten al spoedig met water gevuld, en van dat oogenblik af stroomt de inhoud van de gootpijpen rechtstreeks over de straat. Zelfs de mannen kunnen des avonds niet uitgaan, zonder zich te laten voorafgaan door bedienden, die op twintig duim boven den grond lantarens houden. Ik verwonder er mij niet meer over, dat in het hart van den winter de pest uitbreekt, om hare verwoestingen aan te richten tot de maanden Mei en Juni. Dan wordt het zoo heet, dat zelfs de pest het niet harden kan, maar wegvlucht of zich schuil houdt.

De herfst is het eenige jaargetijde, waarvan de beklagenswaardige inwoners van Bagdad inderdaad genieten kunnen. Het weer is dan nog altijd zeer schoon; men heeft noch storm, noch regen te duchten; de vermogende familiën maken daarvan gebruik om haar tenten te gaan opslaan in de vlakken van Ktesiphon en Seleucia. De meest geliefkoosde uitspanning gedurende deze villeggiatura, welke twee a drie maanden duurt, is de wilde-zwijnenjacht. Deze jacht is niet zonder gevaar, vooral voor Europeanen: vooreerst is de lans, het eenige wapen dat hierbij gebruikt wordt, hun vreemd; en ten andere is het geheele terrein vol gaten en kuilen, ten gevolge van het woelen en graven van mollen en andere dieren.

13 December—Het bed is mij eene ongewone weelde geworden: ik kon met de kussens en lakens niet terecht, en had ten slotte een zeer slechten nacht. Bij het aanbreken van den dag begaf ik mij naar de binnenplaats; de kawassen van het consulaat trekken hunne schitterende uniformen aan, en maken zich gereed mij door de stad rond te leiden; ik verlangde er naar, kennis te maken met de stad van Zobeïde. Helaas! de sporen der vroegere heerlijkheid zijn geheel bedolven onder de massa ruïnen en puin, door belegeringen en vijandelijke invallen sedert eeuwen opgestapeld.

De westersche en oostersche schrijvers zijn het niet eens over de afleiding van den naam der stad; wij zullen ons in deze kwestie niet verdiepen en de heeren dit punt onder elkander laten uitmaken. De ontdekking van een monument, waarvan de steenen den stempel van Nebukadnezar dragen, heeft het bewijs geleverd, dat reeds in die oude tijden aan den linkeroever van den Tigris eene stad bestond. Vermoedelijk was van deze stad niets meer over, toen de khalief Aboe Djaffar Abdallah el-Mansoer, de tweede heerscher uit de dynastie der Abbassiden, in het jaar 145 van de hedsjra, zijne nieuwe hoofdstad stichtte. De khalief vestigde zijne residentie in de stad en schonk haar den bijnaam van Dar el-Salam (verblijf des heils of des vredes).

Terwijl de eigenlijke stad zich op den linkeroever verhief, werd de rechteroever met huizen en tuinen bedekt; volgens de kronieken werden de beide oevers weldra door twee of drie bruggen verbonden, en al spoedig werd Bagdad de rijke en machtige metropolis van de mohammedaansche wereld, het brandpunt van eene beschaving, die te schitterender glans verspreidde, omdat Europa toen eerst aanving, langzamerhand uit den nacht der barbaarschheid te ontwaken. De beschrijvingen, welke de oude arabische schrijvers ons van de stad geven, grenzen aan het wonderbare; het aantal paleizen, baden, scholen was niet te tellen; de bevolking was zoo talrijk, dat meer dan een millioen menschen tegenwoordig waren bij de begrafenis van den beroemden godgeleerde Ibn-Hanbal, den stichter van een der vier groote orthodoxe sekten. Maar die bevolking was twistziek, onrustig en oproerig van aard: drie khaliefen uit het huis der Abbassiden moesten hunne residentie overbrengen naar Samara, dat zij op tien mijlen afstands van hunne hoofdstad hadden laten bouwen, ten einde aan de woede der oproerige menigte te ontkomen.

Binnenlandsche twisten en beroerten, die weleer Seleucia te gronde hadden gericht, werkten ook nu krachtig mede tot ondermijning en verzwakking van de macht der khaliefen. In 945 werd Bagdad door de Boejiden, in 1055 door de Seldsjoeken veroverd; maar de vreeselijkste slag trof de trotsche khaliefenstad in het jaar 1258, toen Hoelagoe, de kleinzoon van Dsjenghis-Khan, de khan der Mongolen, haar innam en aan zijne mongoolsche en tartaarsche horden overleverde. De laatste khalief verloor met tachtigduizend zijner onderdanen het leven; voor de stad zelve was het tijdperk van welvaart en bloei voor immer vervlogen. In 1401, na heldhaftigen tegenweer, door Timoer veroverd, zag de oude khaliefenstad bijna alle monumenten verwoesten, waarmede de Abbassiden haar hadden versierd; de hoofden van negentig-duizend harer inwoners werden, naar mongoolsche zede, buiten haar poorten tot pyramiden opgestapeld. In 1406, na den dood van den geweldigen veroveraar, trachtte Bagdad haar muren te herbouwen, maar viel achtervolgens in handen van de verschillende Mongolen-vorsten, die elkander de nalatenschap van Timoer betwistten, tot zij eindelijk werd genomen door Shah Ismaïl, den stichter van het nieuw-perzische rijk. Langen tijd een twistappel tusschen de Perzen en de Osmanlis, werd Bagdad eindelijk de hoofdstad eener turksche provincie en de zetel van een pâsja, tot de agha der opgestane Janitsaren haar, in 1634, in handen leverde van Abbas den Groote.

De tijding van het verlies der tweede stad des rijks veroorzaakte groote ontroering te Constantinopel; bij herhaling werden troepen naar Mesopotamië gezonden, maar alle pogingen om Bagdad te herwinnen, bleven vruchteloos. Een derwîsj Bladzijde 103wist ten slotte aan den oorlog eene nieuwe wending te geven. Sultan Moerad verrichtte, op zekeren Vrijdag, zijn plechtig gebed in de moskee, toen een pelgrim vergunning verzocht, hem te mogen spreken. De reiziger kwam van Bagdad, en huiverde nog bij de gedachte dat de heilige stad der khaliefen in de macht was van de kettersche Perzen.—“Gij verbergt u in uw harem, onwaardige opvolger van den Profeet, terwijl onreine dieren uw erf verwoesten. Weet gij het, dat vervloekte Sjiîten het graf van Abd-el-Kader hebben verwoest?”—Door deze heftige toespraak ontroerd, zwoer de beheerscher der geloovigen dat hij de stad zou hernemen en het grafteeken van den heilige herstellen. Hij hield woord: in het volgende jaar trok hij te velde en verscheen onder de muren van Bagdad, volgens zijn lofredenaars, negentien dagen nadat hij Scutari verlaten had. Na eene reeks van schitterende gevechten gaf de stad zich aan hem over. Maar toen, den dag na de overgave, de inwoners weigerden om, overeenkomstig het gebod van den sultan, voor den middag hunne woningen te verlaten, gaf Moerad, verraad duchtende, zijn soldaten bevel, Bagdad binnen te dringen en de verdedigers te dooden. Dertigduizend Sjiîten vielen door de scherpte des zwaards. Tengevolge van dit beleg werd tusschen de beide rijken een verdrag gesloten: Perzië stond aan Turkije het geheele gebied van Bagdad af, en ontving in ruil daarvoor de provincie Erivan.

De belegeraars drongen de stad binnen door eene poort, die nog in wezen is, en waarop eene inscriptie is aangebracht, vermeldende de zegepraal des turkschen legers. Na den intocht van den sultan werd de poort toegemetseld, en is sedert niet weder geopend. Zij gaf toegang tot een prachtigen toren, uit baksteen opgetrokken, en met het naburige bolwerk verbonden door eene versterkte brug, die zelf door twee zijtorens verdedigd werd. Een fraaie fries, in het muurwerk van den toren ingemetseld, prijkt met een lang opschrift, beginnende met een vers uit den Korân.

“Te dien dage werden de grondslagen der huizen opgetrokken door Ibrahim en Ismaïl.

“Heer, verhoor onze gebeden: gij hoort en gij verstaat alles.

“Deze bouw geschiedde op bevel van onzen meester en heer, den Imam Aboe el-Abbas Ahmed el-Nasr ed-din Allah, emir der geloovigen, aan wien de gansche wereld gehoorzaamheid schuldig is; het sieraad van God, van het heelal; het bewijs van het bestaan van God, de emir, dien de geheele aarde moet volgen en helpen.

“Heil en zegen zij over hem en over zijne reine deugdzame voorvaderen! Dat zijne gebeden en vermaningen steeds voeren op den weg des heils en der gerechtigheid, waarop de geloovigen hem altijd moeten volgen en steunen.

“De toren werd voltooid in het jaar 628 (1230 van de christelijke jaartelling)”.

In de onmiddellijke nabijheid en binnen de vestingwerken ligt een uitgestrekt kerkhof, waarop het grafteeken van den Sheikh Omar voor alles de aandacht trekt. De richting naar de stad volgende, komt men langs eene betrekkelijk fraaie straat aan dat beroemde grafmonument van Abd-el-Kader, dat sultan Moerad zwoer te zullen laten herstellen, toen hij in de moskee te Constantinopel het besluit nam, met zijn leger naar Bagdad te trekken. Een afgeplatte koepel met een aantal kleine openingen dekt de bij het monument behoorende moskee. Nevens deze zware massa zie ik een anderen koepel van dergelijke gedaante, met gekleurde porseleinen tegels bekleed; deze koepel welft zich boven de eigenlijke grafkamer. De ruime voorhof is omgeven door arkaden, waaronder reizigers of derwîsjen hun leger hebben opgeslagen. Iets verder ziet men een médresseh. Deze beide gebouwen dagteekenen uit den laatsten tijd, even als de twee minarets aan de poort in den buitenmuur.

Op weinige schreden afstands van het monument van Abd-el-Kader, wijst men mij nog een ander grafteeken; aan onze rechterhand verrijzen de minarets van de moskee van Sheikh Yoessoef; aan onze linkerhand zien wij de poort van de masdjed Abd-el-Rahman. Maar het is volkomen onmogelijk, en ook ten eenemale overbodig, om al de gewijde gedenkteekenen en heiligdommen op te noemen, die ge hier bijna in iedere straat vindt, en waarvan ik de meesten met stilzwijgen moet voorbij gaan.

14 December.—Gaarne had ik van onze veelvuldige pelgrimages naar de moskeeën en graven partij getrokken om op de hoogte te komen van de verschilpunten tusschen de vier orthodoxe sonnitische sekten, maar mijne groote onbedrevenheid in het arabisch is mij daarbij een zeer lastige hinderpaal: te meer daar mijn tolk, als trouwe Sjiîet, weinig gezind is, mij bij mijne nasporingen behulpzaam te zijn.

Even als andere godsdiensten, had ook het Islamisme in den aanvang een tijdperk van crisis te doorworstelen. De gewijde tekst was nog niet vastgesteld, de overleveringen waren nog onzeker; en het voorname dogma, dat de hoeksteen van het mohammedaansche geloof worden zou, de goddelijke oorsprong en het onfeilbaar gezag van den Korân, vond onder de aanhangers van den Profeet nog geene algemeene instemming. De jonge kerk zou wellicht ernstig gevaar van ontbinding hebben geloopen, indien er niet achtervolgens vier beroemde schriftgeleerden waren opgestaan, door wier gezag de kanonieke tekst werd vastgesteld en tevens de nog min of meer zwevende overlevering in vasten vorm gegoten.

De eerste dezer muzelmansche godgeleerden, Aboe Hanifa, werd in 767 in Perzië geboren en vestigde zich reeds vroegtijdig te Bagdad. Vooral onder de Turken vond zijne leer grooten aanhang. De tweede, Malek, de wetgeleerde van Medina, werd in 795 geboren; Ash-Shafi, in 820 geboren, stamde, even als Mohammed zelf, uit den stam van Koraïsch en leefde te Medina; de jongste der vier wetgeleerden, Ibn-Hanbal, in 855 geboren, de schriftgeleerde van Bagdad, vond vooral grooten aanhang onder de Arabieren. Bladzijde 104

Hoewel de hoofden der vier orthodoxe hoofdsekten het in alle wezenlijke punten betreffende het dogma eens zijn, en het verschil tusschen hunne leeringen voornamelijk de uitlegging en vooral de praktische toepassing van sommige wettelijke of ritueele voorschriften loopt, onderscheiden hunne volgelingen zich toch van elkander door hunne algemeene geestesrichting. De jongste dezer sekten, die der Hanbaliten, kenmerkt zich door een strengen, starren geest van orthodoxisme en onverdraagzaam fanatisme, dat meermalen, onder de Abbassiden te Bagdad aanleiding gaf tot zeer gevaarlijke opstanden. De Hanafiten daarentegen onderscheiden zich door eene groote mate van verdraagzaamheid en vrijzinnigheid; de beide andere sekten, die der Malikiten en Shafiten, houden ongeveer het midden tusschen de uiterste rechter- en linkerzijde.

Minaret van Soek el-Gazel.

Hoewel de orthodoxie niet zonder groote moeite en telkens herhaalden kamp het veld behield, overwon zij ten laatste toch al hare tegenstanders, de kettersche sekten; tegenwoordig zal geen Sonniet, tenzij hij geheel met zijn geloof gebroken hebbe, den goddelijken oorsprong en het onfeilbaar gezag van den Korân betwisten.

De meest bekende van de nieuwere sekten is wel die der Wahabiten, die de geheele muzelmansche wereld in beroering heeft gebracht en aanleiding gegeven tot zeer ernstige burgeroorlogen en opstanden. De stichter dezer sekte, Wahab, die den Islam, naar het schijnt, in zijne oorspronkelijke zuiverheid, zoo als hij zich die voorstelde, wilde herstellen, begon zijne prediking in 1740. Hij vond zeer grooten bijval en een talrijken aanhang; zijne volgelingen voelden zich weldra sterk genoeg om naar de wapenen te grijpen en dwongen de vreedzame bewoners van Nedjd tot het aannemen der nieuwe leer. Hunne macht breidde zich, in Arabië, in die mate uit, dat zij in 1785 de pelgrimskaravanen durfden aantasten, die zich naar de Kaäba begaven; eenige jaren later veroverden zij zelfs de heilige steden Mekka en Medina, plunderden Kerbela, de heilige stad der Sjiîten, en beletten, tien jaren lang, het bezoeken der heilige plaatsen door de orthodoxe Moslemîn.

Geen wonder, dat schrik, ontsteltenis en rouw de geheele mohammedaansche wereld vervulden. Eindelijk, in 1813, kwam de sultan, de Padishâh, tusschenbeiden. Een egyptisch leger, onder aanvoering van Ibrahim-pâsja, den zoon van Mohammed-Ali, verdreef de kettersche Wahabiten uit Hedjaz; de uit den hemel gevallen zwarte steen en het graf van den Profeet kwamen weder in handen van de orthodoxe Sonniten.—Het aantal Wahabiten is in Chaldea nog vrij groot; zij worden door de overheid wel niet vervolgd, maar toch vrij streng in het oog gehouden. Bladzijde 209

XXXVI

18 December.—Gedurende mijn verblijf in Perzië heb ik voortdurend geprutteld tegen de wijze van regeeren en tegen de gebruiken des lands, al was ik niet blind voor de uitnemende geestesgaven en den kunstzin der Iraniërs. Nu ik de Turken heb leeren kennen, zijn de Perzen zeer hoog in mijne schatting gerezen; sedert den dag, waarop ik den voet op turksch gebied heb gezet, is het mij alsof ik uit het paradijs in de hel ben overgebracht.—En toch, zeide Marcel nog gisteren tot mij, toch hebben de snuggere staatslieden van Europa gemeend—of zich althans gehouden alsof zij het meenden—dat het voldoende was, onze politieke en administratieve inrichtingen naar het Oosten over te planten, om de Oosterlingen inderdaad ook onze beschaving deelachtig te maken. Voorwaar, niet door de europeesche instellingen en gebruiken in meerdere of mindere mate na te apen, zullen de mohammedaansche volken tot nieuw leven ontwaken; maar veeleer door op hun eigen weg, overeenkomstig hunne eigene traditiën, voort te gaan en zich te bewegen op de historische lijn hunner nationale ontwikkeling. Hoever staat het oude, half feodale Perzië nog boven het zoogenoemd naar europeesch model hervormde Turkije! Terwijl het gezag van den Sultan miskend en bespot wordt; terwijl de procureurs-generaal, hunne substituten en hunne zaptiëhs (gendarmen) onmachtig zijn om voor de veiligheid der vreemdelingen te waken, en het leven en de bezittingen der getrouwe rajahs te beschermen,—blijft Perzië, met zijne overoude staatsinrichting, het gezag van den Shâh eerbiedigen, en tevens dat van zijne plaatsvervangers, de satrapen of stadhouders, die machtig genoeg zijn om ook zonder gerechtshoven en zonder gendarmen, orde en rust en veiligheid van lijf en have te verzekeren.”

Lijkenkaravaan op weg naar Kerbela.

Ik moet bekennen, dat de antipathie van mijn echtgenoot tegen het officieele Turkije niet van grond ontbloot is; trouwens, om te kunnen beoordeelen, wat die zoogenaamde wedergeboorte Bladzijde 210van Turkije door den invloed der westersche denkbeelden te beteekenen heeft, moet men nog iets meer hebben gezien dan Constantinopel en de groote steden langs de kust der Middellandschezee, kosmopolitische karavanserais, waar het van Europeanen en Levantijnen wemelt en waar het eigenlijke turksche element meer en meer op den achtergrond gedrongen wordt. De vrees voor de westersche mogendheden; een zeker uiterlijk vernis van beschaving, dat de Oosterling in den omgang met Westerlingen spoedig overneemt; zekere buigzaamheid en plooibaarheid, welke vooral aan de officieele wereld, voor een deel uit zonen van tot den Islam bekeerde Armeniërs, Grieken, of Syriërs bestaande, eigen is: dit een en ander is wel geschikt om ook anders scherpzinnige lieden, maar die met den waren stand van zaken niet goed bekend zijn, te misleiden.

Wie de turksche regeering in al haar glorie wil leeren kennen en bewonderen, die moet zich niet tot Europa en de kustlanden bepalen, waar het oog der westersche dwarskijkers steeds geopend is, die moet dieper in Azië doordringen en zich bij voorbeeld naar Bagdad begeven, naar de tweede stad des rijks, en daar de gedragingen gadeslaan van dat heirleger van schaamtelooze dieven en afzetters, dat zich de turksche ambtenaarswereld noemt. Een paar staaltjes!—Een chaldeeuwsch bankier te Mossoel ging failliet. Onder de slachtoffers van deze ramp bevond zich ook een ambtenaar van de douane, die de kunst had verstaan om, ondanks zijn gering traktement, dat nog zeer ongeregeld werd uitbetaald, een kapitaal over te leggen van ruim zeshonderdduizend francs. Dit cijfer behoeft ons niet te verwonderen, wanneer wij ons herinneren hoe een ondergeschikt ambtenaar, met medeweten en medewerking van zijn chefs, een openbaar gebouw, waarvan de fondamenten nog niet eens waren gelegd, heeft laten bouwen, afbranden, herbouwen en nog eens afbranden, natuurlijk alles ten koste van de keizerlijke schatkist.—De militaire chefs hebben zich den palm niet willen laten ontrukken en er nog iets fraaiers op bedacht. Onlangs is, volgens hunne berichten, in eene hinderlaag een legerkorps vernield, dat geen voet buiten Bagdad had gezet. Deze verdichte nederlaag werd verzonnen om zekere fouten in het comptabel beheer goed te maken, om den onderhandschen verkoop van wapenen en krijgsvoorraad verborgen te kunnen houden, en om onder een of ander voorwendsel een aantal soldaten te kunnen doen verdwijnen, die geheel ten onrechte op de betalingslijsten waren gebracht, maar sinds lang naar huis gezonden.

De gouverneurs, die te Constantinopel met hunne liberale beginselen pronken en zich vrienden toonen van vooruitgang en verdraagzaamheid, de hoog geplaatste geestelijken, die door hunne vroomheid en hunne wetenschap achting afdwingen, huwen de dochters van oproerige sheikhs, verwittigen hunne schoonvaders van de bewegingen der troepen, waarschuwen hen als de groote karavanen zich op reis begeven, deelen hun mede welken weg zij volgen zullen, en zorgen steeds dat de roovers aan de tegen hen uitgezonden troepen ontsnappen en zonder gevaar de reizigers kunnen plunderen. De stam der Khamavend, die uit niet meer dan tweehonderd gezinnen bestaat, heeft op die wijze, sedert vijftig jaar, de macht van den Sultan getrotseerd, dank zij de medeplichtigheid der hooge ambtenaren, die daarvoor natuurlijk worden betaald.—De generaal, die zijne militaire opvoeding in Frankrijk heeft ontvangen en geene gelegenheid laat voorbijgaan om op zijne vaderlandsliefde en toewijding te stoffen, lokt een opstand bij de Sjamars uit, die hem de gelegenheid verschaft om eene expeditie tegen deze Arabieren op touw te zetten, waarbij honderden zijner soldaten doelloos zullen omkomen, maar waarbij hij zelf roem en wat nog beter is veel geld verdienen zal.

Dat zijn de Turken der nieuwere school: zij hebben al de gebreken en ondeugden hunner voorgangers, maar missen dezer oprechtheid; met den nieuwerwetschen rok en pantalon, hebben zij tevens de ondeugden van leugen en geveinsdheid aangenomen. Stel vooral geen vertrouwen in die vroolijke, aangename tafelgenooten, die zonder aarzelen uw fijnen wijn zullen drinken, en spottend met Mohammed en zijn Koran, varkensvleesch zullen eten en al de spijzen genieten, door de onreine handen der Franken toebereid;—ondanks hun liberalisme, waarmede zij weten dat zij de meeste Europeanen vangen kunnen, zouden zij de eersten zijn om de Christenen te vermoorden, als zij slechts zeker waren dat dit ongestraft geschieden kon. Want—en het hedendaagsche sceptische Europa vergeet dit maar al te zeer—wat ook in het gemoed van den Muzelman, en met name van den Turk, moge zijn uitgedoofd, het godsdienstig fanatisme leeft nog in volle kracht, en dat fanatisme openbaart zich in de eerste plaats in den wel onderdrukten, maar daarom des te felleren haat tegen den gevreesden en verfoeiden Christen. De Turk haat ons met een volkomen haat: hij haat ons omdat wij tot die ongeloovigen behooren, wier aanraking hem reeds ontreinigt; hij haat ons omdat wij hem de landen weer afnemen, die zijne krijgshaftige zegevierende voorvaderen op ons veroverd hadden; hij haat ons bovenal, omdat hij, ondanks zijne vooroordeelen en zijne opvoeding, dien verachten Christenhond als zijn meerdere en zijn meester erkennen en ontzien moet.

In hoeverre het ingeworteld fatalisme der Turken mede schuld heeft aan hun staatkundig en maatschappelijk verval, blijve in het midden gelaten; dit is zeker, dat hun geloof aan de absolute voorbeschikking, indien al niet de reden, dan toch het voorwendsel is voor eene onverantwoordelijke traagheid en zorgeloosheid, die hen onfeilbaar ten ondergang voert. Niet ten onrechte zegt het spreekwoord, dat overal waar een Turk den voet heeft gezet, de aarde geen kruid meer voortbrengt. Inderdaad, wat is er onder de turksche heerschappij geworden van de zoo gezegende landstreken langs den Tigris en den Euphraat? Deze landen, weleer de korenschuren van het Oosten, Bladzijde 211om wier vruchtbaarheid te roemen Herodotus schier geen woorden vinden kon, zijn thans niets meer dan onmetelijke moerassen, kweekplaatsen en brandpunten van de pest en van kwaadaardige koortsen, waarvan wij mede de noodlottige werking gevoelen. De landerijen zijn nog altijd vruchtbaar, maar bij gebrek aan behoorlijke irrigatie, kunnen zij niet in kultuur woorden gebracht en blijven zij braak liggen. Het getal der inwoners is in verband daarmede evenzeer verminderd. Bij het doorkruisen van de omstreken van Bagdad, die het grootste gedeelte van het jaar eene kale wildernis zijn, denkt men onwillekeurig terug aan die welbebouwde akkers van het oude Babylonië, waar het koren driehonderdvoudige vrucht voortbracht, waar het blad van de tarwe en van de gerst eene breedte had van vier vingers, en waar de maïs en de gierst zoo welig tierden, dat Herodotus maar liever niet zegt hoe hoog de stengel opschoot, uit vrees dat men hem niet gelooven zou. Is het mijne schuld, dat ik geen voet buiten het consulaat kan zetten, zonder telkens nieuwe bewijzen te vinden van de schromelijke verwaarlozing, waaraan Aziatisch Turkije ten prooi is? Te Bassorah zijnde, ging ik aan boord van een fregat, dat door een gebrek aan de schroef langzamerhand wegzinkt in de modder met al de millioenen welke het schip heeft gekost, zonder dat iemand eene hand uitsteekt om de ramp te voorkomen. Heden nog hebben wij op den rechteroever plaats genomen in een tramwagen, die ons, volgens het programma, in een kwartier of twintig minuten naar Kâzhemîne moest brengen; halverwege kwam men ons verzoeken om uit te stappen, omdat, zooals er met echt oostersch flegma werd bijgevoegd, de wagen zoo aanstonds zou derailleeren. De weg beschrijft namelijk op dat punt eene zeer scherpe bocht; de buitenste rail is nu zoo weggezakt, dat de wagen, als hij zijn rit vervolgde, omgeworpen zou worden. Deze toestand duurt nu reeds achttien maanden. Is het niet ongeloofelijk, dat de turksche administratie anderhalfjaar laat voorbijgaan, zonder den weg te herstellen? De maatschappij heeft bij het gevaarlijke punt eenige hamals (sjouwerlieden) geposteerd; als de wagen is ontspoord, stappen de reizigers uit en de hamals zetten met veel inspanning het rijtuig weer op de rails. Daar de afstand tusschen Kâzhemîne en Bagdad niet meer dan vier kilometers bedraagt en er met het in orde brengen van den wagen ongeveer een kwartier verloren gaat, maken de reizigers geen gebruik van den tramweg en doen als vroeger de reis te voet. Toch zou de herstelling van den weg niet meer dan een paar uren arbeid vorderen.

Ondanks den instinktmatigen afkeer der Turken van alles wat uit het Westen komt, zijn de inwoners van Bagdad toch niet weinig trotsch op hun tramweg, die eene schepping is van Midhat-Pâsja gedurende zijn kortstondig bestuur als stadhouder van Mesopotamië. Nooit koesterde eenig landvoogd zulke grootsche en verstrekkende hervormingsplannen; nooit won een vertegenwoordiger van het hof van Stamboel zich in Aziatisch Turkije zoo groote mate van populariteit. Midhat-Pâsja, met meer dan gewone verstandelijke gaven bedeeld, besefte wel wat eene goede administratie eigenlijk moest zijn, maar het haperde hem ten eenemale aan praktischen zin. Bij den aanleg van den tramweg van Bagdad naar Kâzhemîne, was het hem uitsluitend te doen, om aan de hoofdstad van zijn vilayet een volkomen rechten weg te schenken. De ingenieur, die het ontwerp moest maken, had de grootste moeite om hem aan het verstand te brengen, dat uithoofde van de vele scherpe krommingen van den Tigris, de weg onvermijdelijk de groote bochten van den oever wel moest volgen, wilde men niet telkens in de rivier zelve terecht komen. Hij gaf eindelijk toe; maar alleen de vrees, van eene uitgave te moeten doen, die door de inkomsten van zijne provincie niet kon worden gedekt, was in staat, hem van zijn oorspronkelijk denkbeeld te doen afzien, om in de lengte eene brug over den Tigris te laten bouwen.

De tramweg is dus op den rechteroever aangelegd, in de onmiddellijke nabijheid van een stoffigen weg, waaarop zich een aantal kooplieden en vrouwen bewegen. Tal van reizigers trekken heen en weer tusschen de beide steden, voor het meerendeel gezeten op kleine ezels, die onverschillig voortdraven langs den zoom van korenakkers, zeer onvoldoende beschut door eene reeks van palmen en oranjeboomen. De bebouwde zoom is echter zeer smal, en daarachter strekt zich de wijde onvruchtbare vlakte uit, slechts afgebroken door de ineengezakte en afgebrokkelde dijken van de oude kanalen. Aanstonds na het verlaten van Bagdad, waren mij de schitterende spitsen in het oog gevallen van de vier minarets van het grafteeken van den Imam Moessa; naderbij komende, onderscheidde ik tusschen het gebladerte twee sierlijke, vergulde koepels; maar van het gebouw zelf kon ik nog niets zien, daar liet achter de muren der stad verborgen bleef.

Voor de poort van Kâzhemîne stappen wij af, en gaan, onder geleide van onzen kawas, de stad in. Langs vrij zindelijke straten, althans in vergelijking met die van Bagdad, en door drukke bazars, komen wij op een groot plein, waarvan drie zijden door kraampjes en uitstallingen van groenten en allerlei levensmiddelen zijn ingenomen; aan de vierde zijde loopt een muur, waarin eene poort toegang geeft tot de moskee. Ik begeef mij onmiddellijk daarheen, niet vermoedende dat mij hier zou geweigerd worden, wat in alle moskeeën van Bagdad was vergund. Maar het bleek dat ik mij had vergist. In een oogenblik waren alle groenteboeren opgestaan, en versperden ons den toegang tot het heiligdom. Men beduidde ons, dat geen Christen in de grafmoskee van den Iman Moessa werd toegelaten; de menigte groeide van oogenblik tot oogenblik aan, en de opgewondenheid nam hand over hand toe. Wij kozen de wijste partij en verwijderden ons. Met den tramwagen keerden wij naar Bagdad terug; het was de laatste rit van den dag en de koetsier joeg zijn paarden zoo onbarmhartig voort, Bladzijde 212dat wij in den hotsenden en botsenden wagen letterlijk door elkander werden geworpen. Op de bepaalde plaats derailleerde de wagen en hadden wij een kwartiertje tijd om adem te scheppen.

19 December.—Ik heb een groot gedeelte van den dag besteed met een bezoek aan de begraafplaatsen en de grafteeken en op den linkeroever der rivier, op de plek waar eens het oude Bagdad stond. Eene uitgestorven stad, slechts door lijken bewoond, heeft niets uitlokkends. In Europa misschien niet, maar in Chaldea is dat anders: de groote toovenaar, de zon, schenkt aan alles leven en bekoring. De doodenakkers zijn hier nog minder somber en droevig dan zelfs te Stamboel of te Skutari; geene enkele afsluiting of omheining maakt scheiding tusschen de levenden en de dooden. De grootste van deze begraafplaatsen strekt zich uit rondom eene moskee, gebouwd op het graf van den broeder van Haroen ar-Rashîd. Eene prachtige laan van palmen voert naar het grafmonument. De graven zijn, naar gelang van de kunne der overledenen, overdekt met een zeer ruw bewerkten, min of meer platten of ronden koepel, waaraan niet de minste kunst is besteed.

Terwijl ik uit de verte mijne blikken vestigde op den blauwachtig grijzen toren van Akerkoef en op de vergulde minarets van Kâzhemîne, werd eensklaps mijne aandacht getrokken door sombere klaagtonen: een lijkstoet naderde met haastige schreden. Het lijk wordt op eene baar gedragen en is bedekt met een grooten shawl, waarop, aan het hoofdeneinde, eene soort van kroon is geplaatst. Eene vrouw werd grafwaarts gedragen. De stoet houdt stil bij een versch gedolven grafkuil; ik wil naderbij komen, maar de kawas houdt mij terug. Ik wil geen botsing uitlokken en blijf dus op een afstand, van waar ik toch kon zien wat er geschiedde. De baar werd vlak bij het graf neergezet; de naaste bloedverwanten schaarden zich in dichten kring daaromheen en hielden met opgeheven handen eene soort van gordijn vast, zoodat het lijk, bij het nederlaten in het graf, voor aller oogen verborgen was. Na verloop van weinige oogenblikken, had de aarde voor immer den sluier vervangen, dien de muzelmansche vrouw gedurende haar leven nooit mag afleggen, zoo vaak zij den kring der familie verlaat.

Nadat de schare zich verspreid had, verlieten wij op onze beurt het kerkhof en richtten onze schreden naar een monument, waarvan de koepels ter nauwernood boven den buitenmuur uitsteken. Wij kloppen; in eene met ijzer beslagen deur wordt een luik geopend; een deurwachter steekt de hand door de tralies, en vraagt een kran per persoon als fooi, alvorens de poort te openen. Marcel geeft hem het gevraagde, en wij betreden den voorhof van het graf van Jozua. Lange spreuken in hebreeuwsche letters zijn met lichtgroene kleur geschilderd boven de boog van eene tweede poort, die toegang geeft tot het inwendige van het gebouw. Weer wordt eene fooi gevraagd. Wij aarzelen een oogenblik, maar geven ook nu toe: men moet er iets voor over hebben om het graf te zien van iemand, die de zon heeft doen stilstaan. Wij treden het heiligdom binnen. De aanblik van eene met kalk gewitte zaal en van een blok ruw metselwerk is nooit bijzonder merkwaardig; maar wanneer men daarvoor een half uur heeft moeten onderhandelen en acht francs betalen, mag men met eenig recht beweeren, bestolen te zijn. Ondanks zijne meer dan buitengewone soberheid en kaalheid, staat het heiligdom zeer hoog aangeschreven bij de Joden, die op sommige tijden van het jaar in grooten getale ter bedevaart herwaarts trekken, niet alleen uit Bagdad, maar uit geheel Chaldea en Mesopotamië, waar hun aantal zeer groot is. De joodsche kolonie van Bagdad heeft den handel dier stad bijna geheel in handen en bestuurt alle geldelijke aangelegenheden van het vilayet, waarbij, het behoeft niet gezegd, niemand zich zoo wel bevindt als deze Joden zelven. De huizen van de joodsche wijk zien er minder terugstootend en gevangenisachtig uit dan de mohammedaansche huizen. Enkele vensters in de buitenmuren en getraliede balkons, die boven de straat uitsteken, geven aan de joodsche vrouwen de gelegenheid om, zonder zelven gezien te worden, toch te zien wat er op straat geschiedt. Deze vrouwen leiden een zeer afgezonderd en schijnbaar zeer eenvoudig leven; maar bij plechtige gelegenheden tooien zij zich met een schat van juweelen en edelgesteenten, die op zich zelven eene aanzienlijke fortuin vertegenwoordigen. Meermalen hoorde ik gewagen van de halssnoeren van zes rijen paarlen, waarmede de dochters van een rijken joodschen bankier pronkten, behalve de armbanden, broches, ringen, oorhangers van brillanten en de met edelgesteenten geborduurde mutsjes, waarmede deze Jodinnen, bij plechtige gelegenheden, de oogen verblinden.

Straat te Bagdad.

Om in het grafmonument van Zobeïde, de sultane-favorite van Haroen ar-Rashîd, door te dringen, zou men vleugels moeten hebben, en alzoo de openingen kunnen bereiken boven in de bevallige pyramide, welke het monument kroont: want de deur is toegemetseld. Dit is niet geschied om het graf der gemalin van een der machtigste monarchen van het Oosten voor ontwijding te bewaren, maar uit consideratie voor de dieven. Naar het schijnt, had eene rooverbende zich genesteld in dit monument, dat in de nabijheid staat van de karavanenwegen naar Hillah en naar Kerbela. De turksche regeering, die altijd een zeker zwak heeft voor bandieten en moordenaars, oordeelde het niet geraden, de bewoners van het monument met geweld te verjagen. In de verwarring zou men misschien een of anderen onhandigen roover hebben moeten gevangen nemen, en deze zou zijne makkers hebben kunnen verraden. De eene indiscretie lokt de andere uit, en wie weet, van welke onaangename zaken men op het spoor zou zijn gekomen. Er moest geen schandaal worden gemaakt! Daarom zond men, in plaats van gerechtsdienaars en gendarmen, op zekeren morgen toen men wist dat de roovers op expeditie waren, een troep metselaars, die onverwijld den eenigen toegang tot het Bladzijde 214graf moesten dicht metselen. De verdreven roovers, dankbaar voor de vriendelijke welwillendheid der regeering, braken nu ook den muur niet weer af, maar vestigden elders hun hoofdkwartier. Ik moet er echter bijvoegen, dat men in den muur een vierkant gat heeft gelaten, waardoor de vrome bezoekers het hoofd naar binnen kunnen steken.

De zaal is achthoekig en gedekt met een rijk versierd gewelf. De kale muren zijn met kalk gewit en van alle versiering ontbloot. Zobeïde rust niet alleen in het midden van het gebouw: de echtgenoote van een zeer machtigen arabischen sheikh heeft de gunst gevraagd en verkregen om nabij de sultane te mogen rusten, en is in hare nabijheid ter aarde besteld. De beide graven zijn van ruw metselwerk.

Van de bazars van Bagdad zal ik niet veel zeggen; men vindt daar de gewone voortbrengselen van de oostersche nijverheid: tapijten, zijden stoffen, borduursels, kleederen voor mannen en vrouwen, paardentuigen en dergelijke artikelen; maar ge zoudt hier vergeefs zoeken naar die kostbare wapenen, die geëmailleerde luxe-artikelen en die kostbare stoffen, die men te Kashar, te Ispahan en vooral te Constantinopel zoo vaak aantreft.

De rijkste bazars zijn niet de meest bezochte: voorwerpen van zekere waarde worden doorgaans bij den kooper aan huis bezorgd; maar daarentegen kan men zich moeilijk een denkbeeld maken van de drukte in de straten, waar engelsche katoentjes en russische snuisterijen worden verkocht, en vooral die heerlijke glazen ringen, welke zoo zeer de begeerlijkheid trekken van de arabische vrouwen, die met kippen-eieren of gevogelte ter markt komen.

XXXVII

21 December.—De paleizen van de assyrische koningen zijn te ver van Bagdad om ze te kunnen bezoeken. Daarentegen mogen wij de ruïnen van Babel niet voorbijgaan, de overblijfselen van die aloude wereldstad, van wier wonderen wij reeds als kinderen hoorden verhalen. De tocht daarheen is niet verre.

Ondanks mijn afkeer van het officieele Turkije, heb ik mij heden morgen aan de hoede toevertrouwd van vier zaptiëhs, die door den gouverneur van Bagdad tot onze beschikking waren gesteld; en gezeten op een mageren knol, dien zijn eigenaar, als voorbehoedmiddel tegen de booze geesten, op den schouder met eene roodgeschilderde hand heeft versierd, ben ik de schipbrug overgetrokken en den weg naar Babel ingeslagen.

Indien de straatjongens zich niet zoo buitensporig vermaakt hadden met mijn kanariekleurigen rosinant, dan had ik inderdaad fier kunnen zijn op onze kleine karavaan. Tegen de gewoonte, waren onze zaptiëhs met fraaie abba's bekleed en van behoorlijke hoofddeksels voorzien; zij waren gewapend met Snidergeweren, die zij telkens afschoten, middelerwijl eene wonderlijke fantasia uitvoerende; verder bestond ons gezelschap uit een geïmproviseerden kok, eenige muilezeldrijvers met hunne lastdieren, zwoegende onder de vracht onzer bagage en benoodigdheden. Een kolonel van het indische leger, die aan mijn echtgenoot vergunning gevraagd had de reis met ons mede te mogen maken, is niet op het appel verschenen.

De heerbaan loopt aanvankelijk tusschen korenakkers, welke door besproeiingskanalen zijn doorsneden, en richt zich dan naar de boorden van den Tigris. Een zeer bouwvallige schipbrug brengt ons over een arm van de rivier, en nu betreden wij de woestijn. Vroeger verspreidden talrijke kanalen hier overal leven en vruchtbaarheid; van die kanalen is niets meer over dan brokstukken van de dijken, die nog boven de kale vlakten uitsteken. Naar het schijnt, dagteekent het jammerlijk verval van deze weleer zoo bloeiende streek toch eerst van betrekkelijk lateren tijd. Immers, om nu niet van Herodotus te spreken, die Babylonië een der rijkste gewesten van het perzische rijk noemt, wordt de vruchtbaarheid van Chaldea nog in de twaalfde eeuw door de arabische geografen geprezen. “De weg van Hillah naar Babel, zegt Ibn Djobaïr, is een der schoonste en aangenaamste van de geheele wereld; de vruchtbare vlakte is bezaaid met gebouwen, die bijna aan elkander raken, en met steden, die links en rechts den weg omzoomen.” Van dit alles is geen spoor meer over: het land is thans eene huilende wildernis.

Met de gedachte aan de vergankelijkheid van al het aardsche vervuld, komen wij aan eenige armoedige huizen, rondom de karavanserai van Azad-Khan gegroept. Eenige manden met dadels, onder een luik uitgestald, een winkel, waarin men kokende koffie verkoopt, zijn voor ons onwederstaanbare aanlokselen. Een kop koffie wekt mijn eetlust op; en daar wij ons volstrekt niet behoeven te haasten, stijgen wij af en stillen onzen honger met een malsch kippeboutje. Maar wie mogen wel de ruiters zijn, die ik aan den horizon bespeur? Zij naderen zoo spoedig, als de zwaar beladen muilezels het veroorloven. De troep komt dichter bij, en weldra herken ik den reisgenoot, op wien wij vergeefs gewacht hadden. Hij draagt de uniform der engelsche officieren, die in Indië aan het hoofd van inlandsche troepen staan; zijn hoofd is gedekt met een soort van roode fez, waarom een blauwe doek is gewikkeld, die tevens over de schouders afhangt en den nek bedekt. Kolonel Gérard, afstammeling van eene fransche familie, die bij de herroeping van het edict van Nantes is uitgeweken, heeft zijn voornemen om Mesopotamië te bereizen niet opgegeven: dat hij op het appel mankeerde, was niet zijne schuld. Op een vurig jong paard gezeten, dat hij den vorigen dag in den omtrek van Ktesiphon gekocht had, verscheen hij dezen morgen aan de schipbrug over den Tigris. Het woei vrij sterk, en het dek van de niet al te stevige brug golfde op en neder. Ondanks alle inspanning, gelukte het den kolonel niet, zijn paard te dwingen om de brug te betreden; tot groote vreugde der omstanders, was hij genoodzaakt af te stijgen. De bedienden en de muilezeldrijvers poogden nu het weerspannig ros over de brug te trekken: het lukte niet; om Bladzijde 215een ongeluk te voorkomen, besloot de kolonel naar het consulaat terug te keeren en zoo spoedig mogelijk een handelbaarder dier te huren.

Nauwelijks had de kolonel ons zijn wedervaren medegedeeld, of andermaal verhief zich in de verte, in de richting van Bagdad, een nieuwe stofwolk, die haastig naderde, en waaruit ten slotte twee haveloos gekleede, slecht gewapende en onbeschrijfelijk vuile ruiters te voorschijn kwamen. De nieuw aangekomenen houden voor de uitstalling van de fruithandelaars stil en knoopen een praatje aan met onze zaptiëhs. Zouden die bandieten met ons mede willen reizen?

“Çaheb, zegt het hoofd van ons escorte, vergun mij, aan Uwe Excellentie de zaptiëhs voor te stellen, die u verder zullen begeleiden.

—Neemt ge dan nog twee manschappen er bij, om den roovers schrik aan te jagen?

—Wel neen! Bij uw vertrek uit de stad hebben u, op verzoek van den consul, de mooiste en de best gekleede zaptiëhs van geheel Bagdad uitgeleide gedaan, zoo als aan uw rang voegde; maar nu is onze taak afgeloopen. Zoo goed gekleede en uitgeruste gendarmen als wij, zijn niet bestemd om de karavanen te begeleiden. Geef ons de fooi, die ons toekomt, omdat wij tot uwe eer zooveel kruit hebben verschoten en onze mooie uniformen versleten; en moge Allah met u gaan op den weg!”

Dit gezegd hebbende, keeren de parade-gendarmen onmiddellijk terug naar de kazerne, waar zij zorgvuldig voor zon en stof bewaard worden, en laten ons over aan de hoede van de twee schooiers, die nu in onze dienst zijn getreden.

Wij reizen den geheelen dag midden door onbebouwde velden, uitgedroogde en ingezakte kanalen en baksteenen, die in groote menigte den grond bedekken. Bij het vallen van den avond vertoont zich aan den horizon, scherp uitkomend tegen den oranjekleurigen hemel, een groot steenen gebouw: dat is de prachtige karavanserai van Biroenoes, aldus genoemd naar een waterput halverwege tusschen Bagdad en Hillah. Door Perzen gebouwd en berekend voor het herbergen van de vele Sjîiten, die hier nachtverblijf komen zoeken, is dit gebouw eene kopie op groote schaal van de karavanserais van Iran. De poort, waarboven eene opperzaal is aangebracht, geeft toegang tot een door zuilengangen omringden binnenhof. Bij goed weer huizen de reizigers in deze open galerijen; des winters trekken zij zich terug in de gesloten zalen of galerijen daarachter. Daar het koud is, begeven ook wij ons in die gesloten galerijen. In onze nabijheid liggen in de nissen en tegen den muur, in onregelmatige hoopen, collis opgestapeld, die eene lengte hebben van ongeveer twee meter. Naar het schijnt behooren zij aan sjîitische pelgrims, die voor ons zijn aangekomen, en die blijkbaar groot vertrouwen stellen in onze eerlijkheid, want niemand is daar om op de bagage te passen. Maar weldra bespeuren wij, dat deze collis een afschuwelijken stank van zich geven, ik zou zeggen, eene lijklucht.... Ongerust geworden, sta ik op en betast de pakketten.... Ik bedrieg mij niet: het zijn lijken; sommigen in tapijten genaaid, anderen in kisten geborgen, waarvan de slecht saamgevoegde planken vergunnen een blik te werpen op den afschuwelijken inhoud! Uit geheel Perzië namelijk en zelfs uit Hindostan vervoeren de Sjîiten de lijken hunner afgestorvenen naar den heiligen grond in de nabijheid van de grafmoskee van Hosein, den zoon van Ali; ook mijne stille buren zijn daarheen op weg. Ondanks mijn eerbied voor de dooden, heb ik geen trek om den nacht in gezelschap van deze lijken door te brengen: wij hebben ons nachtleger naar de binnenplaats overgebracht, waar wij toch nog door den ondragelijken stank vervolgd worden.

Die gewoonte van de Sjîiten om zich te Kerbela te laten begraven—voor zoo verre althans hunne middelen hun deze vrij kostbare weelde veroorloven—klimt ongetwijfeld tot de eerste tijden van den Islam op, want zij hangt onmiddellijk samen met de onderlinge verdeeldheid tusschen de Moslims na den dood van den Profeet, waaruit ten slotte de groote scheuring der mohammedaansche wereld ontstond.