Grafmoskee van den Imam Moessa te Kâzhemine.
Bij den dood van Mohammed waren er onder zijne vrienden en verwanten vooral twee, die als zijn opvolger in aanmerking kwamen: Aboe-Bekr en Ali. Voor den eersten pleitte zijn rijper leeftijd en rijker ervaring, vooral ook zijne innige vriendschap met den Profeet, tot wiens allereerste bekeerlingen hij had behoord en die zijne dochter Aïsja had gehuwd; de ander, Ali, daarentegen was Mohammeds eigen neef, in zijn huis opgevoed en de echtgenoot van zijne eenig overgebleven dochter Fâtima. Volgens de verzekering der Sjîiten, had de Profeet hem ook werkelijk als Khalief (plaatsvervanger) aangewezen; maar wat hiervan zij, de oudsten en stamhoofden te Medina vergaderd, gaven de voorkeur aan den vriend van beproefde trouw en ervaring boven den jongeren bloedverwant: zij kozen Aboe-Bekr. Nog tweemaal moest Ali voor anderen wijken, toen na den dood van Aboe-Bekr, achtereenvolgens Omar en Othmân, beiden vrienden en medestanders van Mohammed, tot het khalifaat werden verheven. Maar gaandeweg was er tweedracht ontstaan tusschen de Moslims zelven. Met kwalijk verborgen wrevel en spijt zagen de oud-geloovigen allengs de macht overgaan in handen van lieden, wier familiën tot de bitterste vijanden van Mohammed hadden behoord, en wier eigen rechtzinnigheid en geloofsijver voor 't minst zeer verdacht was. Eene machtige partij verhief zich tegen den ouden en zwakken Khalief Othmân; even als zijn voorganger Omar, viel hij onder de dolken van sluipmoordenaars. Nu werd eindelijk Ali tot Khalief uitgeroepen; doch het twistvuur was daarmede niet gebluscht. Othmân's stamgenoot, Moâwiah, de stadhouder van Syrië, uit het geslacht der Omaijaden, verhief de vaan des opstands en der bloedwrake. Wederom woedde de broederkrijg: ook Ali werd vermoord, en Moâwiah behield de alleenheerschappij. Doch Ali had zonen nagelaten: om hen schaarde zich nu de partij, die hun vader ten troon had verheven en die onder den naam van Bladzijde 217Sjîiten bekend en welhaast geducht werd. Hassan, Ali's oudste zoon, die aan een gemakkelijk leven in zijn harem de voorkeur gaf boven de vermoeienissen en gevaren van den oorlog, stond voor een aanzienlijk jaargeld zijne aanspraken aan Moâwiah af, en vestigde zich te Medina, waar hij, volgens de Sjîiten, aan vergif stierf. Anders was het lot van zijn ridderlijken broeder Hosein. Na den dood van Moâwiah weigerde hij diens zoon Jezîd te erkennen en waagde eene poging om, met behulp zijner aanhangers in Irak, den troon voor zijn geslacht te herwinnen. De poging mislukte De in stilte voorbereide opstand werd ontdekt en in de kiem gesmoord; toen Hosein, met zijn gezin en eene kleine schaar getrouwen, in Irak aankwam, vond hij niemand tot zijne hulp en zijne vijanden oppermachtig. De edele emîr wilde zich niet door de vlucht aan het dreigende gevaar onttrekken en de zijnen aan de wraak van den overwinnaar prijs geven: met hen bereidde hij zich ter dood. Door de overmacht omsingeld, streed hij met heldenmoed; en de kleinzoon van Mohammed, de man die als kind aan de knieën van den Profeet had gestaan, viel in de vlakte van Kerbela onder de pijlen der Moslim.
Karavanserai te Kerbela.
Nabij het graf van Hosein in gewijden grond te rusten, is nu een der hoogste wenschen van den vromen Sjîiet. Maar om van het sterfhuis in het hart van Perzië of soms wel in Hindostan die heilige stede te bereiken, is meermalen eene reis van ettelijke maanden noodig. Daarom zijn niet allen, wier stoffelijk omhulsel de lange reis aanvaardt, zeker ook de eindpaal te zullen bereiken: uitgezonderd natuurlijk de rijken en aanzienlijken, die een eigen karavaan kunnen uitrusten en door hun gansche huisgezin gevolgd worden. Maar de minder vermogenden, die slechts op de hulp en hoede van de engelen Nekir en Monkir kunnen rekenen, en de reis moeten doen, vier aan vier op een paard gebonden, even netjes ingepakt als de krokodillen van Sioet: zij bereiken niet altijd de plaats hunner bestemming. Bezwijkt een of andere muilezel onder weg, dan zal de tsjarvadar niet aarzelen om zijne zoo moeielijk te vervoeren vracht aan de arenden of jakhalzen der woestijn ten prooi te laten.
23 December.—Ik ben door Babel gereden zonder het te merken: en toch, de hemel weet, dat niet de veelheid der huizen mij heeft belet de stad te zien!
Het was omstreeks twee uren in den namiddag, toen de hemel eensklaps bewolkt werd. De wind joeg geweldige zand- en stofwolken op, die ons geheel omhulden; de donder rommelde; bliksemstralen schoten door het donkere zwerk boven de oude hoofdstad van Chaldea; eindelijk begon de Bladzijde 218regen in dikke, loodrechte stralen neer te vallen. Dit was de eerste bui sedert de maand Maart. Doornat, rijden wij zonder er acht op te slaan langs den aardheuvel, dien wij reeds sedert ons vertrek van de karavanserai Iskanderiëh hadden gezien, en komen in bezaaide velden. Het is afschuwelijk weer; het duurde dan ook niet lang of onze gidsen waren ten eenemale het spoor bijster. Gelukkig brengen onze paarden ons welhaast bij een heuvel, van scherven en brokstukken van aardewerk gevormd en in alle richtingen door diepe voren doorsneden: nu kunnen wij het rechte spoor wedervinden, en houden eenige oogenblikken daarna, druipende van water, stil voor een huis, waarin de inlandsche beambte woont, met het opzicht over de opgravingen te Babylon belast.
Sedert ettelijke jaren reeds worden hier van wege de engelsche regeering op vrij groote schaal opgravingen gedaan. Eens in het jaar komt een conservator van het Britsch Museum den stand der werken opnemen en voor zooveel noodig daaraan een nieuwen stoot geven; maar het dagelijksch opzicht is toevertrouwd aan een Armeniër, bij wien onze gidsen ons gebracht hebben. De brave man laat mij de uitkomsten der jongste opgravingen zien. Sedert zes maanden heeft men weer een aantal tabletten van gebakken aarde gevonden, bedekt met inscripties in spijkerschrift, benevens stukken van huisdieren, die waarschijnlijk als kinderspeelgoed hebben gediend, vazen van gestreept agaat, en beeldjes van gebakken aarde in zuiver griekschen stijl. Daar het onweer inmiddels bedaard was, hervatte de karavaan de reis naar Hillah, waar zij nachtverblijf en voedsel vinden zal. Nauwelijks hebben wij de heuvels van puin en scherven achter ons, of wij komen op een weg, ter wederzijde door fraaie plantsoenen van palmen omzoomd. De regen schijnt de geheele natuur met nieuw leven te hebben bezield: het groen der boomen schittert met ongewonen glans; de zonnestralen weerspiegelen in de kristalheldere druppels, die trillend aan de bladeren hangen; duiven en tortels vliegen van tak tot tak, terwijl brutale kraaien over den weg fladderen en met schuin gebogen kop de reizigers aanstaren.
Na een rit van drie uren bespeuren wij blanke minarets; vervolgens vertoonen zich de eerste huizen der voorsteden van Hillah, dan de Euphraat, een schipbrug een weinig minder wrak dan die van Bagdad, eindelijk de stad zelve. De zaptiëhs, die vooruit zijn gezonden, hebben reeds logies voor ons gevonden: zij wachten ons op het plein en brengen ons naar de ledigstaande woning van een aanzienlijk man, die onlangs naar Mekka is vertrokken.
Hillah, dat in 1832 vreeselijk door de pest geteisterd werd, telt tegenwoordig ter nauwernood vijftienduizend zielen; de bevolking bestaat uit Arabieren, Chaldeeën, Joden die ook hier zeer rijk en machtig zijn, uit sjîitische Perzen en uit ambtenaren van de Verheven-Porte, die geesels van alle turksche steden. Daarbij komen dan nog de reizigers en de nomaden, die vooral in steden nabij beroemde bedevaartsplaatsen steeds zoo talrijk zijn. De huizen van Hillah, gedeeltelijk van antieke materialen gebouwd, zijn even hoog als die te Bagdad, maar dragen met hunne vensterlooze muren en platte daken toch een echt oostersch karakter. De weelderige rijkdom van den plantengroei tempert gelukkig de eentonigheid van deze aaneenschakeling van blinde muren. De stad bezit geene belangwekkende monumenten uit den muzelmanschen tijd; op den weg naar Kerbela staat echter eene kleine moskee, bekend onder den naam van Meshsjed es-Shems of moskee der zon. Volgens de overlevering zou zij gebouwd zijn op de plek, waar Ali, vreezende dat de invallende nacht hem eene zekere overwinning zou doen ontgaan, even als Josua, de zon op haar baan tegenhield. Intusschen schijnt uit eene oude inscriptie te blijken dat deze moskee de plaats vervangt van een door Nebukadnezar gebouwden of herbouwden tempel. “Ik heb, zoo zegt de groote koning van Babel; ik heb in Babel, van asphalt en tichels, ter eere van den god Samas, die mijn hart met liefde tot de gerechtigheid vervult, den Tempel van den Rechter der wereld, zijn tempel, gebouwd.”
Hillah, de tegenwoordige mohammedaansche stad, dagteekent uit de eerste helft der twaalfde eeuw. Toen was evenwel de oude heerlijkheid van Babyion reeds lang ondergegaan. Een nauwkeurig onderzoek van de omgeving der stad, zoowel als de richting van de sporen der ingezonken muren, welke de beide terpen of tumuli aan de uiteinden van Babel verbinden, schijnt grond op te leveren voor het vermoeden, dat Hillah ongeveer het middelpunt beslaat der oppervlakte van vijfhonderd-dertien vierkante kilometers, binnen de muren der aloude koningstad omsloten. Babylon was, onder Nebukadnezar, omgeven door een dubbelen muur, waarvan de buitenste, volgens Herodotus, een vierkant vormde van honderd-twintig stadiën. Deze muur was, van afstand tot afstand, ter wederzijde van torens of bolwerken voorzien, waartusschen voldoende ruimte overbleef om een met vier paarden bespannen wagen te doen keeren. In den muur bevonden zich honderd poorten van massief brons. De rivier, die midden door de stad stroomde, was ook ter wederzijde omgeven door muren, waarin aan het einde der straten kleine bronzen poorten waren aangebracht; over de rivier lag slechts eene enkele brug, waarvan het dek van cederhouten planken iederen avond werd weggenomen. De ontzaglijke oppervlakte binnen deze muren was echter slechts voor het kleinste gedeelte met huizen bezet: volgens Quintus Curtius besloeg het eigenlijk bebouwde gedeelte slechts eene oppervlakte van negentig stadiën. Daar het gezag van Quintus Curtius, die vele eeuwen later leefde, volstrekt niet boven bedenking is, mogen wij niet te zeer aan zijne opgave hechten. Niettemin is het zeker, dat de uitgestrekte ruimte, binnen de muren van Babel omsloten, voor het grootste gedeelte was ingenomen door velden en akkers, afgewisseld door hoeven, buurten, dorpen en kampen. De eigenlijke stad vormde het middelpunt dezer ommuurde vlakte. Bladzijde 219De velden en akkers leverden in voldoende mate graan en andere levensmiddelen op, om bij een beleg in de behoeften der bevolking te voorzien. Hoe groot die bevolking was, weten wij niet; wij mogen echter aannemen, dat zij zeer talrijk was, want volgens Herodotus waren de huizen drie of vier verdiepingen hoog. Zulk eene stad, wier gelijke, naar de getuigenis van Herodotus, niet te vinden was, kon alleen door honger, verraad of bij verrassing worden ingenomen. Zoo bemachtigde haar Koresh of Cyrus, de Koning der Perzen. Hij liet het water van den Euphraat door kanalen afvoeren naar een der groote kunstmatige binnenmeren; en toen nu de rivier genoegzaam gevallen was, dat men haar doorwaden kon, drongen de Perzen langs dezen weg, aan beide zijden de stad in. Maar zonder de zorgeloosheid der bewoners zou ook dit hun niet gebaat hebben. “Indien de Babyloniërs, zegt Herodotus, van het voornemen van Kyros geweten of iets daarvan gemerkt hadden, dan zouden zij de Perzen niet op die wijze in de stad hebben laten komen, maar hen veeleer schandelijk ten onder gebracht hebben. Want zij behoefden slechts de poorten, die naar de rivier leiden, te sluiten en de muren te bestijgen, die langs de beide oevers der rivier loopen, en zij zouden ze allen te zamen als in een kooi gevangen hebben. Nu echter drongen de Perzen binnen, zonder dat iemand iets vermoedde. De stad is echter zoo groot, dat, zooals de lieden des lands verhalen, de buitenwijken reeds in handen des vijands waren, eer zij die in het midden woonden, daarvan iets gewaar werden. Zij vierden juist feest; zij dansten en vermaakten zich op allerlei wijze, en gingen daarmede voort tot zij vernamen wat er geschied was.”
24 December.—Ik keer zoo juist terug van den Birs Nimroed, den zuidelijksten ruïnenheuvel op de vlakte van Babylon, en waarin men langen tijd de overblijfselen heeft gemeend te zien van den legendarischen Toren van Babel, die, volgens eene oude overlevering, door Nimrod zou zijn gebouwd. Reeds zoodra men Hillah door de poort van Meshsjed-Ali verlaat, valt deze onregelmatige ruïnenheuvel in het oog, die, naarmate men dichterbij komt, in omvang toeneemt. Onze paarden, nog vermoeid van het onweder van gisteren en van den snellen draf, waartoe wij hen sedert ons vertrek van Hillah hebben aangespoord, beklimmen met moeite de ruïnenheuvels, die elkander in wanorde opvolgen, en houden eindelijk stil bij een arabisch gebouw, waarvan de witte koepel, volgens de overlevering, het stoffelijk overschot bewaart van den aartsvader Abraham. Het graf van den patriarch, dat in Chaldea in niet minder hoog aanzien staat dan de beweerde graven van Ezra en Ezechiël in Mesopotamië, dient ook tot tijdelijke wijkplaats voor de dorpelingen, die de velden in de nabijheid van den Birs-Nimroed komen bebouwen. Eene ondiepe vallei scheidt dezen ruïnenheuvel van Tell-Ibrahim van de ontzagwekkende massa, waarin sommigen, op het voetspoor van joodsche rabbijnen, de overblijfselen hebben willen zien van den Toren van Babel, en waaraan de Arabieren den naam geven van Birs-Nimroed. Op den top van den Birs verrijst een massieve toren van baksteen, nagenoeg vierkant, elf meter hoog en aan het boveneinde gescheurd. Rondom dien steenklomp liggen reusachtige blokken van gebakken steen verspreid, waarvan de oppervlakte groen verglaasd is, en die met de verbindende asphalt eene ijzerharde massa vormen. Van hier gezien, schijnen alle andere ruïnenheuvels voor den Birs-Nimroed onder te doen. Men overziet een schier onmetelijk panorama: dank zij de helderheid der lucht, bespeurt men ten zuiden de minarets van Meshsjed-Ali, ten noordoosten de muren van Hillah, ten noorden de palmen van Kerbela, en meer in de nabijheid de vijver of lagune van Hindiah, op welker eilanden en langs wier zoom enkele arabische dorpen zijn gebouwd.
Na ons aldus georiënteerd te hebben, dalen wij van den tumulus af. De opgravingen en nasporingen, met name van Rawlinson, stellen ons in staat, met tamelijk groote zekerheid te bepalen wat deze ruïnenheuvel eenmaal was. Het staat genoegzaam vast dat wij hier de overblijfselen voor ons hebben van dien tempel van Bel, in de babylonische opschriften E-Zida genoemd, waarvan Herodotus ons de beschrijving heeft nagelaten. “Het is, zoo zegt hij, een regelmatig vierkant, dat aan iedere zijde twee stadiën (270 meter) lang is. In het midden ziet men een massieven toren, die een stadium (135 meter) lang en breed is; op dien toren verrijst een tweede, en op dien tweeden nog een derde, en zoo vervolgens tot acht toe. Men stijgt aan de buitenzijde omhoog, langs een hellend vlak, dat om alle verdiepingen heenloopt.” De onderbouw was vijf-en-zeventig voet hoog en elke volgende verdieping vijf-en-twintig voet, zoodat het geheele gebouw eene hoogte bereikte van tweehonderd-vijftig voet. De hoogte van den Birs-Nimroed bedraagt, zonder den toren, honderd-acht-en-negentig voet. Op het hoogste of zevende terras stond de eigenlijke kapel; de zeven verdiepingen waren aan de zeven planeten gewijd en de muren bekleed met geëmailleerde tegels, naar de symbolische kleuren der zeven gesternten. “In den bovensten toren, zoo gaat Herodotus voort, bevindt zich eene kapel; in die kapel staat een groot, rijk versierd bed, en daarnevens eene gouden tafel. Men ziet daar geen beeld; niemand brengt daar den nacht door, dan eene vrouw des lands, door den god zelven uit al hare gezellinnen aangewezen, zoo als de chaldeeuwsche priesters van den god beweren.... Beneden in dezen tempel bevindt zich nog eene andere kapel, waarin men een groot gouden beeld ziet van Zeus (Bel-Mardoek) in zittende houding. Bij dat beeld staat mede eene groote gouden tafel; daarnevens een troon en een voetbank van hetzelfde metaal. Buiten die kapel ziet men een gouden altaar, en nog een tweede altaar van groote afmetingen, waarop runderen geofferd worden. De Chaldeeën ontsteken ook op dit groote altaar, alle jaren, ter gelegenheid van het feest van den god, wierook Bladzijde 220tot een gewicht van duizend talenten.”—Van al deze pracht is niets meer over dan de indrukwekkende ruïnenheuvel, aan welks voet wij gezeten zijn.—Overigens, al moge de Birs-Nimroed niets uitstaande hebben met den legendarischen Toren van Babel, dit is toch zeker dat de tempel, waarvan Herodotus spreekt, een van de oudste godsdienstige monumenten van geheel Chaldea, misschien wel van de geheele wereld was. Het overoude heiligdom, door Hammoerabi, een der koningen van het oud-chaldeeuwsche rijk, gesticht, lag sedert eeuwen in puin, toen Nebukadnezar het weder, in vroeger nooit gekende pracht, liet herstellen. In eene door Rawlinson ontdekte inscriptie zegt deze koning, die met volle recht den naam van den tweeden stichter van Babylon voeren mag: “Borsippa is de stad van hen, die den god prijzen; ik heb haar versierd. In het midden van haar heb ik het E-Zida doen bouwen, het eeuwige huis. Ik heb het versierd met goud, zilver en andere metalen, met steenen, met geëmailleerde tichels, met timmerwerk van pijnboomen en cederhout. Ik heb de plaats der ruste van Neboe met goud bekleed..... Tot verbazing der menschen heb ik het wonder van Borsippa, den tempel der zeven sferen, herbouwd en vernieuwd ... De aardbevingen en de onweders hadden de rauwe steenen losgewoeld en de gebakken steenen der bekleedingen doen splijten. De god Mardoek heeft in mijn harte gegeven, den tempel te herbouwen. Ik heb de plaats niet veranderd; ik heb de fondamenten niet verlegd. In de maand des heils, op den welaangenamen dag, heb ik bogen gegen gemaakt in de massa van den rauwen steen en de gebakken tichelsteenen der bekleeding. Ik heb de rondloopende omgangen gemaakt; ik heb mijn naam geschreven op de fries der arkaden. Ik heb de hand geslagen aan den wederopbouw van het E-Zida; ik heb zijne tinne verhoogd, zoo als die eertijds geweest is; ik heb den tempel vernieuwd en herbouwd, zoo als hij geweest is in de oude dagen; ik heb zijn tinne verhoogd.”
Deze tempel der zeven sferen stond niet in het eigenlijke Babylon—de chaldeeuwsche naam der stad is Bab-Iloe, poort van (den god) Iloe;—maar in de voorstad Borsippa. Uit den ontzaglijken afstand, die de ruïnen van el-Kasr, den ouden koningsburcht, van den Birs scheidt, moet men echter niet afleiden dat Babylon en Borsippa twee afzonderlijke steden waren. Volgens Herodotus lag Borsippa nog binnen de buitenste door Nebukadnezar gebouwde omwalling; het is echter waarschijnlijk dat later, toen Babel in verval geraakte en hare reusachtige muren waren geslecht, Borsippa wel eene afzonderlijke stad is geweest.
25 December.—Van Borsippa teruggekeerd, hebben wij ons bivouak opgeslagen op den tumulus van Amran-ibn-Ali, dien wij reeds drie dagen vroeger betreden hadden, toen wij een onderkomen zochten. Heuvels van vergruizelde tichels en scherven, half gedempte grachten, die elkander in verschillende richtingen kruisen, afgebrokkelde dijken, maken dit gedeelte van Babylon tot een doolhof, waar men ronddwaalt zonder het spoor te kunnen vinden. Eenige zwarte klompen metselwerk, door ijzerharde asphalt saam verbonden, een zeer ruw bewerkte leeuw van bazalt, half onder het puin bedolven: ziedaar wat er is overgebleven van deze koninklijke woning, in welker nabijheid Alexander den adem uitblies.
Nog minder is er overgebleven van de dusgenoemde hangende tuinen, door Nebukadnezar aangelegd ten gevalle van zijne gemalin Amytis, de medische prinses, die in de vlakke velden van Babylonië de bergachtige streken van haar boschrijk vaderland niet vergeten kon. Deze hangende tuinen schijnen al spoedig in verval te zijn geraakt. Zoo als men weet, bestonden zij uit gemetselde, op bogen en zuilen rustende terrassen, waarop eene laag aarde was aangebracht van voldoende dikte dat daarin ook de grootste boomen konden wortelen. Na den dood van Alexander en de stichting van Seleucia zonk Bablyon al meer en meer; het verloor den rang van hoofdstad en koninklijke residentie; en het is zeer waarschijnlijk dat de fantastische schepping van Nebukadnezar, welke de bewondering der oude wereld had opgewekt, al meer en meer werd verwaarloosd. De werktuigen tot kunstmatige besproeiing, waarvoor het water uit de rivier werd opgevoerd, eischten veel zorg en kostbaar onderhoud; gebrek aan water deed de boomen en planten sterven; de zware muren scheurden en zakten in, en het paradijs van Amytis verdween langzamerhand van de aarde. Tijdens de heerschappij der Parthen was de grootsche aanleg reeds geheel verdwenen en was het terrein tot begraafplaats ingericht, zoo als blijkt uit de vele parthische graven, die de heer Oppert daar voor eenige jaren heeft ontdekt.
De opgravingen rondom den voormaligen koningsburcht, thans door de Arabieren el Kasr (het kasteel) genoemd, werden in den regel met gunstigen uitslag bekroond. Nog op dit oogenblik zijn aan dien tumulus omstreeks vierhonderd arbeiders bezig met het wegruimen der aarde tusschen geweldig dikke muren van gedroogde tichelsteenen, en met het blootleggen van hooge, lange en smalle zalen of galerijen. Voorwerpen van bijzondere kunstwaarde heeft men tot dusver hier niet gevonden, maar wel een aantal tabletten en cylinders, met inscripties in spijkerschrift bedekt; maar hoe dikwijls heeft men niet, met inspanning en geduld, massaas aarde moeten wegruimen, om ten slotte in een gebarsten pot niets anders te vinden dan de kaak van een paard of het schouderblad van een jakhals.
Herder en kudde in de ruïnen van Babylon.
Ongeveer twee kilometers ten noorden van den koningsburcht verheft zich, in de gedaante van eene afgeknotte pyramide, de reusachtige tumulus, dien wij te Iskanderiëh-khan hebben gezien, en die met den Birs-Nimroed de uiterste grenzen van het oude Babylon schijnt aan te wijzen. Deze kunstmatige heuvel, die veertig ellen hoog en meer dan honderd-tachtig ellen lang is, draagt in den omtrek den naam van Babil. Vermoedelijk hebben wij hier de overblijfselen voor ons van de groote pyramide, door de grieksche schrijvers het Bladzijde 222graf van Bel genoemd, zeer waarschijnlijk hetzelfde gebouw als de tempel van de grondslagen der aarde, ter eere van den god Bel-Merodach (Mardoek) gebouwd door Asarhaddon, koning van Assyrië. Door Nebukadnezar en Neriglissor (Nirgal-sar-oeçoer) vergroot en verfraaid, door Xerxes geplunderd en verwoest, op bevel van Alexander, die het voornemen schijnt te hebben opgevat om dit oude heiligdom der Babyloniërs te herstellen, van puin gezuiverd, eindelijk door de Grieken als onderbouw voor een fort benuttigd, is de tempel van Bel-Merodach tegenwoordig nog slechts een vormelooze aardhoop. Langs de vrij steile wanden naar boven klimmende, bereikt men zonder veel moeite het plat van de pyramide. In plaats van de gouden beelden, door Xerxes geroofd, zie ik niets dan steengruis en scherven, benevens een kuil of put, die, voor zoover ik zien kon, nergens heenvoert. Hier en daar bespeurt men, te midden van het puin, eenige brokstukken van grieksche of arameesche inscripties. Het panorama van deze hoogte is boven alle beschrijving somber en aangrijpend. Terwijl van den Birs het oog met welgevallen rust op de heldere wateren van de Hindiah met haar half drijvende dorpen en haar groene eilandjes; terwijl bij el-Kasr ettelijke honderden arabische werklieden aan het tooneel leven en beweging bijzetten en hun gezang over de vlakte klinkt, is de omtrek van Babil eene dorre doodsche heide, waar niets dan distels en wat schraal gras groeit en slechts een enkele herder zijne armelijke kudde van geiten rondvoert. Verder niets dan eene eenzame, onafzienbare, doodsche, kale wildernis. En hier stond eens de heerlijke wereldstad Babylon, de Koninginne van het Oosten, de stad van Nebukadnezar! In waarheid, het is als klinken zij ons nog tegen over de wijde vlakte, die vreeselijke woorden van den ouden ziener: “Alzoo zal Babel, het sieraad der koninkrijken, de heerlijkheid, de trots der Chaldeeën, zijn, gelijk als Jahve Sodom en Gomorrha omgekeerd heeft. Daar zal geene woonplaats zijn in der eeuwigheid; zij zal niet meer bewoond worden van geslachte tot geslachte; de Arabier zal daar geene tent spannen; de herders zullen er zich niet legeren. Maar daar zullen nederliggen de wilde dieren der woestijn; hare huizen zullen vervuld worden met schrikkelijke gedierten; daar zullen de jonge struizen wonen en de duivelen zullen er huppelen. De jakhalzen zullen elkander toeroepen uit hare paleizen; de vossen zullen sluipen door de lusthoven”..... Kon hij eens opstaan uit zijn graf, de oude ziener, hoe zou hij de letterlijke vervulling aanschouwen zijner profetie! Inderdaad, zij het dan ook niet zoo spoedig als hij het zich in zijn toorn en onverzoenlijken haat wel voorstelde, de trotsche wereldstad is dan toch geworden wat hij in zijn visioen aanschouwde: eene huilende wildernis.
XXXVIII
26 December.—Te Hillah hebben wij afscheid genomen van kolonel Gérard, die zich naar Kurdistan begeeft, terwijl wij een uitstapje zullen maken naar de heilige stad der Sjîiten, met haar beroemde school, waar de ijverige studenten somwijlen twintig jaren doorbrengen met theologische studiën. Wij volgden den oever van een kanaal, dat Hillah met Kerbela verbindt, en waarop talrijke zeilvaartuigen het kalme water klieven. Het met vele slooten doorsneden land is thans eentonig geel van kleur en herinnert door niets meer aan den overvloedigen oogst in de jongste lente. Zoo ver het oog reikt, is geen enkel huis of dorp te zien; maar op twee uren afstands van Babil komen wij aan de bruine tenten van een aan den oever van het kanaal gekampeerden stam. Eene dezer tenten onderscheidt zich van de andere door hare grootte, door de ruimte die rondom haar is vrijgelaten, en vooral door de aan een lange lans bevestigde vlag voor de voornaamste opening: dit laatste is het teeken van het opperhoofd van den stam; de sheikh alleen heeft het recht zulk eene vlag voor zijne woning te plaatsen.
Te vergeefs verhaast de karavaan haar tocht; de zon, achter wolken verscholen, daalt ter kimme, de duisternis neemt hand over hand toe, en wij zijn nog zeer verre van het palmboschje dat de gidsen ons sedert ons vertrek hebben aangewezen als het punt waar het pad van Hillah den weg naar Kerbela raakt. Van oogenblik tot oogenblik wordt de hemel donkerder; groote zwarte wolken, door den wind aangevoerd, drijven boven ons hoofd; een fijne regen daalt op ons neer; het wordt steeds moeilijker, den weg te volgen, en weldra dwalen wij in den blinde rond tusschen de half met water gevulde slooten en drassige, met gras en biezen begroeide poelen. Van onze bedienden hebben wij geen hulp te wachten: is een oostersche gids eenmaal het spoor bijster, dan is hij ook zijn hoofd kwijt en is veeleer tot last dan tot hulp. “De gewapenden moeten altijd aan de spits gaan van eene verdwaalde karavaan,” zeggen onze muilezeldrijvers; en naar dien regel handelende, scharen zij zich achter ons, en laten het aan ons over, een nachtverblijf op te sporen. Al hadden wij nu de oogen van een lynx bezeten, dan zouden wij nog niet in staat zijn geweest, de richting te onderscheiden van dat sedert vele uren gezochte palmboschje, indien niet eensklaps vier zwarte schimmen nevens ons waren opgedoemd. Wij hielden reeds onze geweren gereed, terwijl onze bedienden verschrikt de vlucht namen en zich in de booten verscholen; maar ons laatste uur had nog niet geslagen. De geheimzinnige gedaanten blijken houthakkers te zijn; de gidsen, van hun schrik bekomen, bewegen een dezer nomaden om ons naar het naaste dorp te geleiden, waar wij eindelijk aankomen. Een karavanserai, te midden van een door walmende lampen verlichten bazar, zal ons tot nachtverblijf dienen. Het was hoog tijd dat wij een onderkomen vonden, want de regen valt bij stroomen neer.
27 December.—Bij het opgaan der zon trokken wij over eene schipbrug, die de beide oevers Bladzijde 223van den Euphraat verbindt, en kwamen eindelijk op den weg naar Kerbela. Het karakter van het landschap verandert nu ten eenemale; de kale naakte vlakte wordt vervangen door prachtige tuinen, die door diepe slooten en muren tegen moedwil en balddadigheid zijn beschermd. De weg, door boschjes van palmen en oranjeboomen omzoomd, daalt voortdurend en slingert te midden van statig frisch geboomte. Het is druk genoeg op den weg, en de voorbijgangers bejegenen ons niet vriendelijk: toch komen wij zonder hinder aan de heilige stad van Hosein. Voor eene min of meer monumentale poort strekt zich eene ruime vlakte uit, schier geheel ingenomen door deels voltooide, deels half afgewerkte grafzerken. De steenhouwers, op hunne hurken gezeten, wachten de komst van een lijkstoet af en bieden dan hunne koopwaar aan. Na lang loven en bieden, als de koop eindelijk gesloten is, beitelen zij onverwijld den naam van den overledene en die zijner ouders en kinderen op den steen, opdat de ter aarde bestelling zoo spoedig mogelijk kunne plaats hebben.
Wij richten nu onze schreden naar de poort, maar worden tegengehouden door schildwachten, die onzen gidsen op norschen toon bevelen, terug te keeren en een andere minder volkrijke buurt te kiezen, ten einde de tegenwoordigheid van ongeloovigen de pelgrims niet ergere. Er heerscht eene buitengewone opschudding en verwarring bij de muren, omringd door tallooze bedevaartgangers, die geen onderkomen kunnen vinden in eene karavanserai. Wij trekken eindelijk door eene poort, die naar een ruim plein voert; onze gidsen brengen ons naar een armoedig huis, waarvan de kamers uitzien op eene modderige binnenplaats, door kakelende kippen bevolkt. Kerbela is eene stad, die door tal van vreemdelingen wordt bezocht: er is dus stellig eene betere karavanserai, maar onze gidsen oordeelen het raadzaam, ons niet in aanraking te brengen met de dweepzieke, door de toespraken der mollahs opgewonden pelgrims. Na bezit te hebben genomen van onze kleine kamers, begeef ik mij naar het platte dak, om een blik te werpen op de stad. Ter linkerhand verheffen zich de vergulde minarets en de koepel van de grafmoskee van Hosein; rechts zie ik een anderen koepel, met blauw, geëmailleerde tegels bekleed.
Zoo ooit, dan komt het er nu op aan, al ons diplomatiek talent te gebruiken, want het geldt niets minder dan de toelating in een heiligdom, dat door de Perzen nog hooger wordt vereerd dan zelfs de Kaäba te Mekka. Wij hebben ons dan ook gewapend met verschillende brieven van aanbeveling, aan de kerkelijke, burgerlijke en militaire overheden gericht, wier medewerking wij noodig kunnen hebben.—In de eerste plaats gaan wij een bezoek afleggen bij den consul van Perzië, een grijsaard van vier-en-tachtig jaar, die bij onze komst door een aantal mollahs en andere lieden is omringd. Hij zendt die allen weg, en nu met zijne huisgenooten en ons alleen gebleven, laat hij den klid dar, den bewaarder van den sleutel van het graf, van onze komst verwittigen. De bode keert terug met de tijding, dat de klid dar naar buiten is gegaan en niet voor het einde van de week in de stad terugkeert. Dat is een slecht voorteeken, want ieder begrijpt dat de afwezigheid van den sleutelbewaarder maar een praatje is: de consul stemt dan ook zijn toon wat lager en beklaagt zich over de moeilijke en onaangename positie van de Perzen in aziatisch Turkije, daar zij genoodzaakt zijn, zich aan de willekeur der turksche ambtenaren te onderwerpen. Hij eindigt met ons eenvoudig naar de turksche overheid te verwijzen. Hoe vreemd ons dit ook in de ooren klinke, daar er hier sprake is van eene sjîitische moskee, haalt mijn echtgenoot een brief uit zijn zak, door den gouverneur van Bagdad aan zijn plaatsvervanger te Kerbela gericht. De consul verzekert, dat nu niets meer de vervulling van onzen wensch in den weg kan staan: hij zal zelf de boodschap aan den klid dar overbrengen.—Welnu, wij hebben de moskee niet betreden. Het hoogste wat wij na lange onderhandelingen met de mollahs konden verkrijgen, was dat men ons zou vergunnen, van het platte dak van een naburig huis een blik te werpen op de binnenplaats der moskee. En ook die vergunning zou ons alleen gegeven worden, als wij ons met den turkschen tarboesj wilden dekken. Daar mijn echtgenoot deze voorwaarde niet wilde aannemen, kwamen de mollahs niet meer terug. Na eene wandeling over de uitgestrekte, lommerrijke begraafplaatsen dezer voor de Sjîiten zoo heilige stad, keerden wij naar Bagdad terug.
1. Januari 1882.—Op dezen dag ontwaakt in ons met dubbele kracht het heimwee naar het vaderland en naar de geliefden, die wij daar hebben achtergelaten. Gelukkig zijn wij de laatste periode van onze reis ingetreden en is de terugreis niet verre meer. Maar mijn echtgenoot houdt vast aan zijn voornemen om naar Susiane te gaan. Zullen wij ditmaal beter in onze pogingen slagen?
Daar wij voor ons vertrek uit Mesopotamië nog te Ktesiphon wilden vertoeven, zijn wij in den namiddag van den 28sten December van Bagdad vertrokken. Men was op het veld bezig met gerst te zaaien. Op het bebouwde land volgde weldra de woestijn, straks afgewisseld door eene met heesters en laag kreupelhout begroeide heide, waarin schapen en geiten ronddwaalden. Welhaast teekende de donkere massa van het paleis van Ktesiphon zich tegen den helderen avondhemel af. Wij brachten het grootste gedeelte van den volgenden dag door met het bezoeken der ruïnen, en gingen toen aan boord van de Khalifé, eene prachtige stoomboot van de maatschappij Linch, die op den Tigris vaart.
Den volgenden morgen hield de boot stil te Amara. Deze stad, eerst in den laatsten tijd gesticht, strekt zich uit langs den oever der rivier, die eene uitmuntende natuurlijke kaai vormt. Een boomstam vormt de verbinding tusschen de boot en den oever; nauwelijks is deze eigenaardige soort van brug gelegd, of de menigte overstroomt het dek van de Khalifé. Wij hadden ons in de Bladzijde 224kajuit begeven, om de drukte wat te laten bedaren, en gingen vervolgens aan wal. De stad, voor ongeveer dertig jaar gebouwd op het punt, waar de Tigris, in een zijner veelvuldige kronkelingen, het dichtst tot de perzische grens nadert, is schier van alles ontbloot, en wij zouden zeer verlegen zijn geweest, indien de consul van Bagdad ons niet aan een christelijk koopman had aanbevolen. Onze gastheer ontving ons zeer vriendelijk, en stelde de mooiste kamer van zijn huis tot onze beschikking; maar het is hem niet mogen gelukken, ons paarden te bezorgen. De weinige inwoners der stad, die ons paarden zouden kunnen verhuren, willen tot geen prijs hunne volbloed merriën ontwijden door haar vrachten te laten dragen, en nog minder de kans loopen om hunne kostbare paarden de prooi te zien worden van de Beni-Laam, die in de woestijn tusschen den Tigris en Dizfoel gekampeerd zijn.
Vrouw van den stam der Beni-Laam.
Er bestaat geen op velijn papier gedrukt arabisch paarden-stamboek, maar de genealogie hunner edele rossen staat geprent in de gedachtenis der nomaden: zij kennen die van buiten. Verliest een sheikh, tengevolge van eene razzia, de kudden, waarin zijn rijkdom bestaat, en heeft hij geld noodig, dan komt hij er toch niet licht toe, zijne merriën te verkoopen: hij verkoopt dan de helft of het vierde gedeelte van zijn paard met of zonder den teugel, dat wil zeggen met of zonder het recht om het paard te berijden. Eigenlijk neemt hij dus hypotheek op zijn paard, en behoudt zich daarbij het recht voor, om binnen een bepaalden tijd het verkochte gedeelte terug te koopen. Brengt de merrie een mannelijk veulen ter wereld, dan wordt dit verkocht, en de gezamenlijke eigenaars deelen den prijs; is het jong daarentegen een wijfje, dan moet de meester van den teugel het veulen gedurende een jaar opvoeden en daarna aan den mede-eigenaar de keus laten tusschen de helft der moeder en het veulen. Voor al dergelijke transactiën gelden bepaalde regelen, welke de arabische sheikhs allen kennen en met groote rechtvaardigheid toepassen. De nomaden verlangen van hunne paarden geene bijzondere snelheid: die hoedanigheid Bladzijde 225heeft ook weinig waarde in een land zonder wegen, met struikgewas en moerassen bedekt, en meestal ontbloot van drinkwater; maar daarentegen moeten hunne paarden tegen vermoeienissen en ontberingen bestand zijn, en groote afstanden kunnen afleggen, des noods zonder eten of drinken. Sommige algemeen bekende paarden hebben drie dagen en drie nachten achter elkander doorgeloopen, zonder daar hinder van te hebben.
Bibi-Dordoen.
4 Januari.—Gisteravond kwam onze gastheer ons vragen, of wij met hem mede wilden gaan naar de dienst, die door een chaldeeuwsch priester zou gevierd worden in eene kerk, welke door de christelijke kolonie van Amara is gebouwd. Bij het aanbreken van den dag treden wij een smalle zaal binnen, die ter nauwernood drie meter hoog is. Deze armoedige kapel, van leem en stroo gebouwd, heeft geene andere opening dan de deur. Ik ga tusschen een zestigtal geloovigen door, en zet mij, op aanwijzing van een koorknaap, neder voor een even armoedig altaar van aarde, dat door een kleed van gekleurd katoen ter nauwernood wordt bedekt; eene geschilderde houten doos of kist dient als tabernakel. Dadelijk bij onze komst heeft de koster zich gehaast, een twintigtal kaarsen te ontsteken: overvloed van licht is een noodzakelijk vereischte bij alle gewijde of profane ceremoniën in het Oosten. Kort daarop begon de chaldeeuwsche mis, nu eens door den priester, dan door de koorknapen gezongen, waarbij nu en dan de mannen achter in de kerk geschaard aan het gezang deel namen. Onwillekeurig voerde deze eenvoudige godsdienstoefening mij in gedachte eeuwen en eeuwen terug, in de dagen van vervolging, toen de eerste belijders van het Evangelie in het huis van een hunner samenkwamen Bladzijde 226om te bidden en avondmaal te houden, of wel in de diepte der duistere katakomben de heilige mysteriën werden gevierd. En heeft ook deze kleine christelijke kolonie niet, even als de jeugdige Kerk, met tallooze bezwaren te worstelen gehad? Nog geen jaar geleden, bezat zij zelfs geen priester. De kinderen konden niet worden gedoopt, de stervenden moesten den laatsten troost missen en daalden zonder zegenbede in het graf. Slechts met Paschen verscheen een Karmelieter monnik uit Moessoel of Bagdad, om zooveel mogelijk voor de geestelijke belangen der gemeente te zorgen. Gelukkig is dit thans veranderd en mag zij zich verheugen in het bezit van een eigen herder.
Na afloop van de mis noodigen de hoofden der christelijke kolonie ons uit, met hen naar de woning van den priester mede te gaan. Die woning is eene leemen hut, niet verre van de kerk; zij bevat slechts een enkel vertrek, dat tot spreek-, eet- en slaapkamer dient. Eenige dekens op eene estrade van riet geworpen; een kist, die beurtelings als kast en als stoel dienst moet doen; gebedenboeken, zorgvuldig op eene tafel gerangschikt: ziedaar het gansche ameublement. Inderdaad, de pastorie van Amara voegt wel bij de kerk.
5 Januari.—Den hemel zij dank: er is eene karavaan met indigo van Dizfoel aangekomen: wij vertrekken morgen. Wel heeft het veel moeite gekost, den tsjarvadar-bashi te bewegen, zes paarden en muildieren af te staan, maar dank zij de tusschenkomst van den perzischen consul, is de zaak toch geschikt. Ten einde alle ongerustheid bij onze muilezeldrijvers weg te nemen, heeft mijn echtgenoot zich naar den moetessaref (onder-prefect) begeven, om van hem een escorte van vier zaptiëhs te vragen. “Ik heb hoegenaamd geen lust, mij met uwe zaken te bemoeien,” antwoordde de onder-prefect. “Als u een ongeluk overkwam, zou men mij daarvoor aansprakelijk stellen. Door u integendeel de reis naar Dizfoel ten stelligste af te raden, handel ik als een goed vriend en een voorzichtig ambtenaar. Gij hebt het u zelven te wijten, als u op dien tocht eenig onheil overkomt.”—Dit bescheid was niet geschikt om onze ingenomenheid met de turksche administratie te verhoogen.
7 Januari.—Omstreeks den middag zijn wij van Amara vertrokken, met het oogmerk om in de tenten van Douéridj te overnachten. Bij een palmboschje gekomen, hield de karavaan halt. “Gij zult verder niet dan brak water vinden”, zeiden onze gidsen. De paarden worden dus naar de bron gevoerd, en wij gebruiken een eenvoudig ontbijt, met bezorgdheid de zwarte wolken gadeslaande, die zich boven ons hoofd samenpakken. Weldra voel ik eenige regendroppels. Haastig in het zadel nu, ten einde zoo spoedig mogelijk de tenten van Douéridj te bereiken! De karavaan waagt zich in eene lagune, waardoor de weg heet te loopen. Dit bekomt ons slecht: de regen neemt in hevigheid toe, de duisternis valt: en na links en rechts door de biezen te hebben gedwaald, verklaren de gidsen dat zij het spoor bijster zijn, en dat zij, daar geene enkele ster is te zien, niet voor het aanbreken van den dag de te volgen richting kunnen bepalen.
De muildieren worden afgeladen. Marcel laat de bagage opstapelen, zoodat wij hoog genoeg boven het water kunnen plaats nemen; wij zetten ons boven op eene kist, met het aangename vooruitzicht, den gansenen nacht aan wind en regen te zijn blootgesteld. Onze muilezeldrijvers liggen in het water en houden een wakend oog op de muildieren, uit vrees dat de in de nabijheid gelegerde stam ons kamp zal aanvallen. Het is ongeveer elf uur; de regen wordt een stortvloed; de wind steekt al heftiger op. Ondanks onze ellendige positie, viel ik toch van uitputting in slaap. Bij mijn ontwaken bemerkte ik dat Marcel alle beschikbare dekens over mij had uitgespreid en alle voorzorgen genomen om mij tegen het water te beveiligen; maar desniettemin gevoelde ik mij zoo stijf, zoo ziek en afgemat, dat ik vreesde niet te paard te kunnen stijgen. Wij moesten evenwel onze reis vervolgen. Ten acht uren was de zon nog niet boven de kim gerezen; het begon weer hoe langer hoe harder te regenen; de gidsen trokken weer door de rietbosschen heen en weder, en eindigden met te erkennen, dat zij gisteravond, in plaats van naar het oosten, naar het westen waren getrokken.—Eindelijk, een-en-dertig uren na ons vertrek van Amara, kwamen wij aan het kamp van Douéridj; men tilde mij van het paard en droeg mij in eene ruime tent, te midden van eene kudde lammeren. Er was geen denken aan, van kleederen te verwisselen, en onze dekens waren doornat: ik moest dus blijven zoo als ik was: zeer vermoedelijk heb ik het behoud van mijn leven aan den warmen koesterenden adem mijner aardige kamergenooten te danken.
10 Januari.—Nog eenige dagreizen als de laatste, en dan zal men ook voor mij een graf kunnen uitzoeken op de lommerrijke kerkhoven van Kerbela. Gisterochtend was de lucht opgehelderd; de muilezeldrijvers raadden ons van die beterschap aanstonds gebruik te maken, want in dit jaargetijde kan men ook hier niet op bestendig mooi weer rekenen. Ik had den ganschen nacht de koorts gehad; maar de zon scheen zoo helder, de lucht was zoo zuiver en zoo frisch, de vlakte zoo groen, dat ik in vredesnaam toch besloot op weg te gaan. Wij trokken door een smal kanaal en richtten toen onze schreden naar groote tumuli in de verte. Aan den horizon verhief zich een hooge bergketen, waarvan de toppen met sneeuw waren bedekt: aan den voet dier bergen lag eenmaal het oude Susa en staat nog de moderne stad Dizfoel. Ik had de koorts en gevoelde mij zoo ziek, dat ik niet langer in den zadel blijven kon. Men maakte een soort van bed van saâmgebonden dekens, waarop men mij neerlegde; zoo, zonder te weten wat er met mij gebeurde, heb ik zeven of acht uur te paard doorgebracht, tot wij eindelijk des avonds aan een kamp van nomaden kwamen, dat aan den voet van een hoogen tumulus was opgeslagen. Bladzijde 227
Ondanks mijne uitputting en uiterste zwakte, trof mij toch het echt aartsvaderlijk tooneel, dat mij aan de bijbelsche verhalen herinnerde, toen met zonsondergang de kudden schapen van het weiland terugkeerden en haar blatende lammeren te gemoet ijlden; toen de geiten, de runderen, de kameelen achtereenvolgens hunne plaats innamen in afzonderlijke parken, die slechts door eenig kreupelhout waren omtuind. Nadat de kudden rondom het kamp waren saâmgebracht, verzamelden de herders en herderinnen zich voor de tent, die men ons had afgestaan; zij zouden ons zeker geen ruimte overgelaten hebben, indien onze gastheer hen niet genoodzaakt had, hunne nieuwsgierigheid te temperen en op een betamelijken afstand te blijven. De vrouwen, voor het meerendeel schoon en statig van gang en houding, gekleed met lange hemden, welke op de borst en op den rug open zijn, het hoofd gedekt met lichte wollen tulbanden, versierd met oorhangers, glazen halskettingen en zilveren armbanden met turkoizen bezet; de vrouwen trokken zich toen op den achtergrond terug, terwijl de mannen neerhurkten rondom een groot bekken, waarin een houtskolenvuur brandde, dat ons zoowel licht als warmte schenken moest. Bij den rossen gloed der vlammen sla ik aandachtig het tooneel gade, en kan niet nalaten die Arabieren met hunne fijne en sprekende gelaatstrekken, hun sierlijken en krachtvollen lichaamsbouw, te bewonderen.
Buiten alle aanraking met de beschaafde wereld, aan zichzelven overgelaten, zonder priesters, ik zou bijna zeggen, haast zonder godsdienst, kennen deze nomaden geene andere wet, dan die de noodzakelijkheid hun oplegt en die door eeuwenlange overlevering is gewijd. Werkelijk georganiseerd is bij hen alleen de familie, de oorspronkelijke groep van elke maatschappij. De stam is niet anders dan eene vereeniging van zekere familiën, die door gemeenschappelijke afstamming en bloedverwantschap met elkander verbonden zijn; het nomadenleven is oorzaak, dat uit de familie zich geene hoogere maatschappelijke organisatie kan ontwikkelen. Deze zwervende stammen, die voor een goed deel van roof leven, onderscheiden zich voor het meerendeel door hunnen krijgshaftigen geest en hun moed, en de vrouwen doen daarin voor de mannen niet onder. Het is niet zeldzaam, dat zij aan het gevecht deelnemen of althans daarbij tegenwoordig zijn, en haar mannen, broeders en zonen door haar woeste kreten aanvuren tot den strijd.
De turksche regeering is er nooit in geslaagd, deze nomaden aan haar gezag te onderwerpen; zij mag al van geluk spreken als zij niet de toevlucht tot de wapenen behoeft te nemen om de schatting te innen. Weigeren de stammen het verschuldigde te betalen, dan zendt de gouverneur een kolonel met zijn regiment. De Arabieren, altijd intijds van het vertrek der troepen verwittigd, nemen de wijk in de moerassen, waarvan zij alleen de begaanbare paden kennen; de kolonel durft zich op dit gevaarlijk terrein niet wagen, marcheert wat heen en weer, en keert onverrichter zake naar Bagdad terug. Worden zij soms onverwachts overvallen, dan breken de nomaden haastig hun kamp op, verbergen hun geld en hunne kostbaarheden in het moeras, en vluchten naar het gebergte. Zoodra de troepen vertrokken zijn, keeren zij terug, slaan hun kamp weer op en brengen hunne schatten weer voor den dag. De talrijke en welgestelde stammen, die zich niet zoo licht verplaatsen kunnen, nemen hunne toevlucht tot een ander middel: zij huren, tegen eene jaarlijksche bezoldiging van twaalf- tot vijftienhonderd francs, een seyed (afstammeling van den Profeet), en bergen in zijne tent, welke onschendbaar is, al hun voorwerpen van waarde. Deze seyeds moeten ook met de onderprefecten in overleg treden omtrent alle zaken welke den stam betreffen en zijne belangen voorstaan. Zulke blauw of groen getulbande advokaten zijn, krachtens hunne doorluchtige afstamming, tegen alle geweldenarij beveiligd: de overheden moeten met aandacht naar hen luisteren, en zij oefenen een gezag en invloed uit, waarvan zij dikwijls misbruik maken.
De nomaden, wier gastvrijheid wij thans genieten, hebben zich noch om de turksche ontvangers, noch om de turksche soldaten te bekommeren; langs de grenzen van Turkije en Perzië rondzwervend, begeven zij zich beurtelings naar het eene en het andere land, naarmate men het hun hier of daar lastig maakt; feitelijk zijn zij volkomen onafhankelijk. De reizigers, wier weg door hun gebied loopt, zijn echter te beklagen: want om de waarheid te zeggen, zijn onze gastheeren de stoutmoedigste en de behendigste dieven van de geheele landstreek. Zij leven van roof, en maken onder dat opzicht geen onderscheid tusschen hunne eigen landgenooten en de Perzen. Wanneer men vooraf met hen in onderhandeling treedt en aan hun sheikh eene schatting wil betalen van tien francs per lastdier, dan kan men ongehinderd en zonder vrees voor plundering van Amara naar Dizfoel of omgekeerd reizen; maar wil men dien tocht beproeven, zonder deze schatting te betalen, dan loopt men groot gevaar uitgeplunderd en misschien wel vermoord te worden.
11 Januari.—Ik heb de helft van de laatste étappe afgelegd, uitgestrekt op mijn paard en half dommelend. Tegen den middag ontwaakte ik uit mijn sluimer, om een blik te werpen op twee ruïnen, die in de eenzame vlakte verrijzen: de eene een verlaten grafmonument, de andere misschien de overblijfselen van een paleis uit den tijd der Sassaniden. Kort nadat wij deze laatste ruïne hadden verlaten, kwamen wij aan den oever van de Kerkha, eene breede rivier, die wij moesten doorwaden. Voorzichtigheidshalve verzocht ik dat men mij zou los maken, en zette ik mij weer in den zadel: geen overtollige voorzorg. Nauwelijks zijn wij in den stroom, of de beesten worden uit hun baan gedrongen; het water reikt tot aan den schouder van mijn paard: ik ben genoodzaakt mijne beenen over den zadel te kruisen. Toch bereiken de ruiters zonder ongeval den oever: maar een der muildieren raakt van de been, wordt Bladzijde 228door den stroom medegevoerd en verliest in de worsteling al zijne bagage; eerst een eind verder kon het arme dier weer worden opgevischt. De gidsen deelen ons nu mede, dat wij nog geen victorie kunnen roepen: boven de voorde splitst de rivier zich in twee takken: wij bevinden ons nu op een eiland en moeten nog den anderen arm oversteken. Wij gaan op weg en staan na verloop van een kwartier weer aan den oever. De paarden, nog onder den indruk van het zooeven genomen bad, weigeren hardnekkig te water te gaan, en keeren zich telkens aan den oever om: sporen noch zweepslagen, geschreeuw noch scheldwoorden, niets helpt. Wij wisten werkelijk niet wat aan te vangen, toen wij, op den anderen oever vier of vijf ruiters gewaar werden, op prachtige paarden gezeten. Op het hooren van de kreten van onze tsjarvadars, en onze verlegenheid ziende, gingen zij zonder bedenken te water en stelden zich aan de spits der karavaan. Nu gelukte het; nog een paar stappen, en wij staan behouden op den oever. De Kerkha heeft het ons lastig gemaakt; maar bij eene zoo edele rivier, die heugenis heeft van een zoo roemrijk verleden, moet men wat door de vingers zien. Was het niet de Kerkha, die de muren van Susa bespoelde, eene van de oudste steden van Azië? Was het niet de Kerkha, wier kristalhelder water, in zilveren vazen medegevoerd, overal op de tafel van den Koning der koningen moest verschijnen? Wanneer de brandende zomerhitte den grond van Susiane heeft uitgedroogd en geblakerd, kan men nog op sommige punten zonder bezwaar de verzwakte rivier doorwaden; maar gedurende negen maanden van het jaar moet men zich van vaartuigen bedienen, overeenkomende met de keleks van den Euphraat.
|
Een seyed. |
Een onzer gidsen is de zoon van Kerim-Khan, het hoofd van een aanzienlijken stam, die, naar gelang van het jaargetijde, langs de oevers van de Kerkha of aan den voet der bergen nabij Dizfoel, zijne tenten opslaat. Op uitnoodiging van den jonkman, traden wij de tent zijns vaders binnen. Men bracht pijpen, thee, gestremde melk, en warme broodkoeken, door de mannen van den stam op gloeiend gemaakte koperen platen gebakken. In weinige oogenblikken waren wij de beste vrienden, en namen straks, onder hartelijke wenschen, afscheid van elkander.
Rondom het kamp strekken zich op grooten afstand korenakkers en weilanden uit; verder op, langs den weg naar Dizfoel, liggen een aantal dorpen door tuinen omringd, die bewijzen hoe vruchtbaar de bodem is, wanneer hij behoorlijk wordt bearbeid en voor de noodige besproeiing zorg wordt gedragen. Wij gaan van de eene oase tot de andere over, en weldra vertoont zich Dizfoel aan ons oog. De stad is langs den zeer steilen oever van de Ab-Dizfoel gebouwd, en maakt met haar tuinen, haar amphitheatersgewijze oploopende huizen en haar monumentale brug, eene zeer goede vertooning. Daar het reeds donker was, vonden wij de poort gesloten; aanvankelijk weigerde de poortwachter ons in te laten, maar de brief met het prinselijk zegel van Zelleh Sultan bracht hem spoedig tot andere gedachten. Door tusschenkomst van den gouverneur kregen wij een vrij ruime kamer, waarvan de vensters door luiken konden worden gesloten.