WeRead Powered by ReaderPub
Perzië, Chaldea en Susiane / De Aarde en haar Volken, 1885-1887 cover

Perzië, Chaldea en Susiane / De Aarde en haar Volken, 1885-1887

Chapter 5: IV
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The narrative recounts the author's travels through Persia, Chaldea and Susiane as she accompanies her husband on a commission to study Sassanid-era monuments. Over fourteen months and several thousand kilometers traveled by horseback, she keeps a diary, makes photographs and documents archaeological sites alongside everyday scenes. Vivid attention is given to ruined architecture, enamelled tiles and reliefs as well as market life, food, lodging and encounters with local inhabitants. Practical difficulties of travel, administrative interactions and close field observation combine to produce a detailed, ground-level portrait of landscape and material culture.

De moesjteïd en zijne vicarissen.

De valyat, de erfgenaam van den troon, is de tweede zoon des konings. Zijn onderwijzer, Mirza Nizam, een gewezen kweekeling van de Polytechnische-school te Parijs, regelde de opvoeding van den jongen prins met verstand en overleg. Hij verloor echter daarbij de nationale eigenaardigheden te veel uit het oog: de mohammedaansche geestelijkheid Bladzijde 46van Tauris beklaagde zich bij den Shâh, dat de prins, in strijd met de geboden van den Korân, europeesche kleederen droeg. De gouverneur werd ontslagen en de opvoeding van den jongen prins aan andere handen toevertrouwd. De goedhartige, maar zwakke valyat kwam nu geheel onder den invloed van de mollahs en van zijne moeder, eene dweepzieke mohammedaansche. Deze paleisrevolutie heeft hare gevolgen gehad: de prins verloor alle gezag en werd zelfs door zijne bedienden op de meest schaamtelooze wijze bedrogen en bestolen. Eindelijk heeft de Shâh, onderricht van den verwarden toestand, zijn zoon naar Teheran terug geroepen, waar hij zeer afgezonderd leeft, omringd door priesters en derwîsjen. Ten einde de provincie Azerbeïdsjan te zuiveren van de roovers en bandieten, wier aantal onder het zwakke, weifelende bestuur van den valyat buitengewoon was toegenomen, heeft de koning het bestuur over dit gewest voorloopig opgedragen aan zijn oom, die ook de orde in de administratie moet herstellen. De nieuwe gouverneur, die eerst voor ongeveer drie weken is aangekomen, heeft reeds menige bastonnade laten toedienen; verscheidene handen, en ook hoofden laten af houwen; onze tsjarvadars verzekerden ons dan ook, dat het weder veilig begon te worden in het land, dat nog onlangs zoo hoogst onveilig en gevaarlijk te bereizen was, en ook in de stad zelve, waar elken nacht ettelijke moorden werden gepleegd.

Onze consul, de heer Bernay, volkomen vertrouwd met de regelen der perzische étiquette, heeft Zijne Excellentie kennis gegeven van onze aankomst te Tauris, en overeenkomstig het perzisch gebruik, laten vragen, op welken dag en welk uur hij met mijn echtgenoot aan het paleis zou mogen verschijnen. De gewoonte brengt mede, dat aan de bezoekers een collation wordt aangeboden, overeenkomstig hun rang: van daar dat het noodig is, eenigen tijd vooruit dag en uur der receptie te bepalen. Ook de Europeanen houden zich aan dezen regel.

Na het advies te hebben ingewonnen van zijn waarzegger en den officieelen kalender der goede en kwade dagen te hebben geraadpleegd, zond de gouverneur een zeer beleefd antwoord op het verzoek van den consul.

Na het ontbijt stegen alzoo de consul en mijn echtgenoot te paard, om zich naar het paleis te begeven, voorafgegaan door een talrijken drom van soldaten met geweren en bedienden met stokken gewapend, die voor den stoet een weg moesten banen door de nauwe en drukke straten van den bazar.—De gouverneur was zeer vriendelijk; op het collation, hoofdzakelijk uit zeer gesuikerde gebakjes bestaande, volgde koffie en thee, die door een aantal bedienden werden gepresenteerd; daarop gingen de brandende kalyans van hand tot hand, te beginnen bij den gouverneur en zijne omgeving, om te eindigen bij de schare, die voor de deuren en vensters van de zaal stond saamgedrongen om getuige te zijn van de receptie.

Bij de voorname staatsambtenaren is de biroen of het vertrek voor de mannen geheel gescheiden van de anderoen, die bepaaldelijk voor de vrouwen is bestemd; het eerstgenoemde gedeelte der woning is in zekeren zin publiek domein en staat voor iedereen open. De armste schooier treedt zonder schroom of aarzeling het paleis van den gouverneur eener provincie binnen; hij verschijnt in het voorhuis, groet de aanwezigen, gaat op zijn hurken zitten na zijne knieën met de panden van zijn kleed bedekt te hebben, vouwt de handen samen, zwijgt of praat al naar de gelegenheid zich voordoet, gebruikt thee of koffie wanneer die hem wordt aangeboden, en gaat weer heen, zonder dat iemand er aan denkt, hem te ondervragen. Het publiek stroomt dan ook regelmatig naar de binnenplaatsen der paleizen, overtuigd dat het daar steeds iets vinden zal, zijner aandacht en belangstelling waardig. Nu eens zijn het de laatste geurige rookwolken uit een kalyan, die ook de meest havelooze straatjongen vrijelijk mag inademen; dan weder wordt er een kop koffie buit gemaakt, of kan men de bastonnade zien toedienen, zoowel aan den onhandigen dief, die gisteren in den bazar op heeter daad werd betrapt, als aan den generaal, dien men een paar dagen later de parade zal zien kommandeeren. Dan zijn er nog bijzondere plechtigheden: het uitdeelen der geschenken van den Noe-roez (nieuwjaarsdag); de receptie van een aanzienlijken Farangui (Frank, Europeaan); het afsnijden van den neus en de ooren van een of anderen bandiet, die met de wapens in de hand werd gegrepen. Het bijwonen van eene terechtstelling is een feest voor den Oosterling;—trouwens in het Westen toont het publiek zich van een dergelijk schouwspel evenmin afkeerig.

Ieder aanzienlijke is hier steeds omringd door een talrijken drom van lieden, die misschien het best met de cliënten der romeinsche patriciërs kunnen vergeleken worden. Dit maakt dat ook de hoogst geplaatsten zeer gemakkelijk te naderen zijn: zonder eenige formaliteit wordt men bij de gouverneurs en ministers toegelaten. Zelfs de koning is volstrekt niet ongenaakbaar: bijna iedereen kan bij hem recht of bescherming komen vragen, hem zijne hulde aanbieden, en uit zijn mond woorden der wijsheid opvangen. Deze gemakkelijke omgang met beschaafde en welopgevoede, of door 's konings gunst tot hoogen rang verheven mannen draagt er niet weinig toe bij, om zelfs aan lieden uit de geringe klasse die gemakkelijkheid van manieren, dien beschaafden toon, die natuurlijke waardigheid en distinctie te geven, die niet kan nalaten de verwondering van Westerlingen op te wekken, en waardoor de lagere standen in het Oosten zich zoo gunstig onderscheiden van de heffe des volks in onze zoogenoemd meer beschaafde landen. Dank zij deze deels aangeboren, deels aangeleerde distinctie, zijn de Perzen in den omgang alleraangenaamst en zoo voorkomend mogelijk.... totdat ge iets met hen te verhandelen hebt, waarbij hun eigenbelang betrokken is. Dan vertoont zich eensklaps hun bedriegelijke sluwe aard, hunne gierige winzucht; dan verandert de gentleman van zoo even in een inhaligen, listigen, schacherenden koopman, en voelt ge uwe achting en genegenheid voor hen nog sneller bekoelen, dan zij die door hun beminnelijkheid en geestig vernuft hadden verworven. Bladzijde 47

IV

16 April.—Wij hebben heden een bezoek afgelegd bij de weinige Europeanen, die door het noodlot gedwongen zijn, in Tauris verblijf te houden.

Indien men in Perzië, even als in Amerika, tentoonstellingen hield van zwaarlijvige lieden, dan zou buiten eenigen twijfel de eerste prijs met algemeene stemmen worden toegekend aan den turkschen consul. Zelden zag ik zulk een wandelende vetklomp in menschelijke gedaante. Zijne buitengewone corpulentie verhindert den effendi, op oostersche manier, dat wil zeggen met de beenen onder het lijf gevouwen, op kussens neergehurkt, te eten. Wordt hij ergens ter maaltijd genoodigd, dan zendt hij vooraf eene diep uitgeholde tafel, waaraan hij zich neerzet, en waarin zijn majestueuse buik juist past. Spotvogels beweren dat er tot dusver nog geen paard is gevonden, dat hem zonder rusten naar eene aangewezen plaats dragen kan; anderen houden staande, dat Zijne Excellentie zich van tijd tot tijd voor een grooten spiegel plaatst, om zich te vergewissen dat hij zijne voeten, die hij sinds lang uit het oog heeft verloren, nog bezit.

In het vorige jaar was diezelfde consul de held van een schitterend avontuur, waarmede men zich nog in de bazars van Tauris vermaakt. Hij had zich naar Constantinopel willen begeven, en wel over Trebizonde, welke weg in den winter gemakkelijker is dan die over den Kaukasus. Vergeefs hadden zijne collega's getracht, hem van dit voornemen terug te brengen, en hem gewezen op de gevaren van eene reis door Kurdistan.

“De Kurden, had hij geantwoord, zijn turksche onderdanen en zullen zich wel wachten, de hand te slaan aan den vertegenwoordiger van den beheerscher der geloovigen.”

De dappere consul, die zich door geene dreigende gevaren wou laten terughouden, vertrok, gevolgd door een veertigtal welgewapende bedienden, op prachtige paarden gezeten, die voor de dienst van het serail waren bestemd. Nauwelijks had het reisgezelschap de perzische grenzen overschreden, of de kleine karavaan werd door een dozijn bandieten overvallen; aan weerstand werd niet gedacht, en de Kurden maakten zich meester van de paarden en bagages, de wapenen en de kleederen der reizigers, die zij van alles beroofden. Maar toen zij op het punt stonden, Zijne Excellencie van zijn laatste kleedingstuk te ontdoen, schrikten zij zoo van de onmetelijke massa, die zich aan hunne blikken vertoonde, dat zij zich haastig uit de voeten maakten....... De effendi hield zich goed.

“Ik had het wel aan mijne collega's gezegd, zoo sprak hij, dat de majesteit van den vertegenwoordiger van den Padishah ook de stoutmoedigsten zou verschrikken en op de vlucht drijven.”

Wij maakten ook onze opwachting aan de consuls van Rusland en Engeland. De echtgenoote van dezen laatste gewaagt met veel geestdrift van de bekoorlijkheden, die het leven te Tauris voor eene europeesche dame oplevert. In het bekrompen armenische kwartier opgesloten, kan zij zich met ongesluierd gelaat niet in de muzelmansche stad vertoonen, zonder aanstonds door eene nieuwsgierige menigte omringd te worden, die haar met verbaasde blikken aangaapt. Het eenige middel om niet opgemerkt te worden en ongehinderd te komen en te gaan, is het aannemen van de oostersche, mohammedaansche kleederdracht: maar eene europeesche vrouw kan daartoe niet licht besluiten.

17 April.—De stad heeft weinig oude monumenten, maar die weinigen zijn ten volle de aandacht waard. Het allermerkwaardigste van deze monumenten is buiten kijf de Blauwe moskee, in de vijftiende eeuw gebouwd, onder de regeering van Djehan-Shâh uit de mongoolsche dynastie, die van 1393 tot 1505 over Perzië heerschte.

Dit schoone gebouw verdient wel de bewondering, waarmede de Perzen daarvan spreken, niet alleen om de algemeene ordonnantie en de indrukwekkende majesteit van den voorgevel, maar vooral ook om de smaakvolle sierlijkheid der vormen, en de heerlijke bekleeding met een prachtig mozaïek van fijne gekleurde porseleinen tegels. Ongelukkig zijn de koepels, ten gevolge van eene aarbeving, bijna geheel ingestort, in hun val de gespleten muren mede slepende en de binnenplaatsen met hoopen puin en scherven bedekkende. De inwoners van Tauris hebben ongehinderd van deze kostbare materialen gebruik gemaakt voor den bouw hunner woningen. Niemand deed iets om dit vernielingswerk te stuiten, want de moskee was door de Sonniten gebouwd, en de sjîitische Perzen zagen met vreugde den ondergang van een heiligdom, dat hen aan de heerschappij der gehate ketters herinnerde. Trouwens de haat tusschen deze beide groote afdeelingen der muzelmansche wereld is wederkeerig. “Het is verdienstelijker één sjîitischen Pers, dan zeventig Christenen te dooden,” zeggen van hun kant de orthodoxe sonnitische ulema's.

Voor de moskee bevond zich een ruim voorplein, door zuilengangen omringd, en in het midden versierd met eene fontein voor de voorgeschreven wasschingen. Van dit alles is tegenwoordig niets meer over; de ruimte van den voormaligen voorhof is door huizen bezet, en langs den voet der trappen, die naar de hoofdpoort geleidden, loopt een karavanenweg. Op het verhoogde terras verrijst een groote boog, omlijst door een breeden band van blauw porseleinen tegels.

De binnenzijden van deze portiek prijken met heerlijke mozaïeken van porselein, zoo zuiver bewerkt en zoo uitnemend saamgevoegd, dat zij één groote tegel of plaat schijnen te zijn. Het mozaïek verbeeldt kransen en bloemslingers en wijkt ten eenemale af van de ingewikkelde geometrische figuren, die zoo kenmerkend zijn voor de seldsjuksche en mongoolsche kunst. Verwonderlijk is ook de harmonie tusschen de licht-blauwe, donker-groene, bruin-gele en zwarte tinten der teekening en het donker-blauw van den grond, waarvan zij de eentonigheid breken, zonder daardoor schade te doen aan dien eigenaardigen kleurengloed, waaraan de moskee haar naam van de blauwe dankt.

Eene vrij lage deur, in den binnengevel van de portiek aangebracht, geeft toegang tot het bedehuis, bestaande uit twee ruime zalen, weleer met Bladzijde 48koepels gedekt en door galerijen omringd. De eerste is versierd met mozaïeken van verschillende kleur, die door hun stijl aan de mozaïeken van de poort herinneren. De tweede zaal, waarin zich de mihrab bevindt, is bekleed met blauw porseleinen platen, in den vorm van kleine zeshoeken. Het donkerblauw email, met gouden arabesken bezaaid, komt heerlijk uit tegen het ivoorblank der lambrizeringen van geaderd agaat, aan den bovenrand versierd met eene groote inscriptie in arabische letters, doorvlochten met fijne kransen van bloemen en bladeren. Deze prachtige platen van agaatsteen, uit de steengroeven nabij het meer Oermiah afkomstig, zijn nog heden ten dage volkomen gaaf, dank zij hun buitengewone hardheid en hun gewicht, waardoor zij tegen moedwillige schennis werden beveiligd.

Tsjarvadars.

Dit gedeelte van het gebouw maakt, niettegenstaande de rijke pracht der versiering, een ernstigen en statigen indruk, geheel passende bij de verheven bestemming van het heiligdom.

Rondom de moskee strekt zich, tot aan den buitenmuur, eene sonnitische begraafplaats uit, die reeds sedert lang verlaten werd.

18 April.—Wij hebben gisteren het middagmaal gebruikt met den kanselier van het fransche consulaat, den heer Audibert, en zeer gaarne van zijn vriendelijk aanbod gebruik gemaakt om ons door de bazars en de voorsteden rond te leiden; heden morgen komt hij ons afhalen om ons naar de citadel te brengen.

De Blauwe-moskee te Tauris.

Dit zware, massieve gebouw, vijf-en-twintig ellen hoog, dat bij het naderen van Tauris reeds van verre in het oog valt, verrijst in het midden van eene ruime esplanade, omgeven door een veelhoekigen wal, met torens en bolwerken voorzien en door breede en diepe grachten omringd, die tegenwoordig Bladzijde 50half met puin gevuld zijn. De citadel zelve is niet veel meer dan eene ruïne; rondom den steenen reus groepeeren zich militaire gebouwen uit later tijd, zooals eene kazerne voor het garnizoen van Tauris en eene geschutgieterij, waarin niet gewerkt wordt. Het platte dak, dat men langs een bouwvallige trap bereikt, is overdekt door twee loggia's, bestemd voor de wachters, die bij het uitbreken van brand alarm moeten maken.

Van deze hoogte heeft men een zeer schoon uitzicht. De reeds groene velden strekken zich uit, zoover de blik reikt, tot aan de eerste uitloopers der hooge, met sneeuw bedekte bergen; aan onze voeten schuilen de leemen woningen der stad weg onder de witte en rooskleurige bloesems der vruchtboomen; slechts de koepels der bazars, der karavanseraïs en moskeeën steken boven het wazige jonge groen uit. In de verte bespeur ik een uitgestrekten tumulus, door een paar dorpjes omgeven. De kanselier verhaalde mij, dat dit de ruïne was van de moskee van Gazan-Khan, die midden in het oude Tauris stond. Sedert zeshonderd jaar heeft de stad zich meer dan twaalf kilometers verder verplaatst; voortdurend nadert zij steeds dichter tot de rivier.

Het schromelijk verval der half verlaten voorsteden, de tumuli, de verlaten kerkhoven, zijn als het ware zoovele mijlpalen, die de opvolgende verplaatsing van Tauris aanwijzen.

Deze opschuivingen zijn eene eigenaardigheid van vele oostersche steden en een noodzakelijk gevolg van de zeden des lands: de wet, die de vrouwen verbiedt, zich ongesluierd in het openbaar te vertoonen en haar ook tehuis een afzonderlijk verblijf aanwijst, noodzaakt de muzelmannen tot het bouwen van zeer uitgestrekte woningen, waarvan de kamers op ruime binnenplaatsen uitkomen, en binnen wier omwalling men dikwijls ook nog groote tuinen vindt, waar de vrouwen en dochters ongestoord kunnen wandelen en de versche lucht inademen. Daar dit alles zeer veel ruimte eischt, blijft er voor de eigenlijke woning niet veel over: zij bevat dan ook doorgaans niet meer kamers dan voor één huisgezin volstrekt noodig zijn. Niets is meer onbestaanbaar met de oostersche zeden dan onze moderne kazernen van vier, vijf verdiepingen, waarin een aantal gezinnen naast elkander ingekwartierd zijn: wonen, kan men dit samenhokken ter nauwernood meer noemen. Hier woont ieder, bijna zelfs de armste, in zijn eigen huis. Als de zonen van het gezin huwen, verlaten zij de ouderlijke woning en laten zich een nieuw huis bouwen, veelal in eene nieuwerwetsche wijk; bij den dood der ouders verhuren zij, als zij kunnen, het oude huis; gelukt dit niet, dan wordt het houtwerk weggenomen, zoodat alleen de leemen muren overblijven, die, aan hun lot overgelaten, weldra ineenzakken en wegbrokkelen. Langzamerhand worden de aldus verlaten wijken weer tot bouwland gemaakt, terwijl nieuwe voorsteden de plaats innemen van vroegere akkers en tuinen.

Op onzen terugweg naar het consulaat komen wij langs een aantal ijskelders, waar gedurende het koude jaargetijde het ijs verzameld en bewaard wordt, dat 's zomers in de bazars te koop wordt geboden.

Om het noodige ijs te verkrijgen, wendt men een zeer eenvoudig en goedkoop middel aan. Des avonds leidt men het water van eene naburige beek naar een op het noorden gelegen vijver, die door een leemen muur tegen den zuidenwind gedekt is. Dat water bevriest des nachts; 's morgens wordt het ijs stuk geslagen en naar overwelfde kelders gebracht, waar het tot het einde van den zomer goed blijft. Hoewel dit ijs zeer goedkoop is, brengt iedere kelder aan den eigenaar jaarlijks tusschen de honderd en honderd-twintig tomans op (een toman staat ongeveer gelijk met negen en een halve franc.)

Wij komen nu op nieuw in den bazar, die bijna verlaten is; de laatste kooplieden bergen de uitgestalde waren weg en sluiten hun winkel. Toch is het van daag geen vrijdag, de rustdag der muzelmannen, noch een van de vele feestdagen van den perzischen kalender. Wat mag dan de reden zijn van dit plotseling ophouden van allen handel en verkeer in een zoo belangrijken en drukken bazar als die van Tauris? Een hooggeacht geestelijke, de moesjteïd of opperpriester, had, naar men ons verhaalde, zoo juist den adem uitgeblazen. Het was een eerbiedwaardige grijsaard, met een belangwekkend, geestvol gelaat en een gedistingeerd voorkomen. Evenals alle opperpriesters, droeg hij over zijn gewaad een witten mantel van zeer fijne wol, en op het hoofd den grooten blauwen tulband, die in Perzië het onderscheidingsteeken is van de ware of vermeende afstammelingen van den Profeet. Dit eenvoudig en deftig kostuum paste volkomen bij zijn statig voorkomen en majestueusen gang, en deed het scherp geteekende asceten-gelaat, dat wel geschikt was om ontzag in te boezemen, op het voordeeligst uitkomen.

Eenige dagen geleden had mijn echtgenoot dien geestelijken heer verzocht, zijne photografie te mogen maken; maar zonder eenige achterhoudendheid had hij bekend, waarom hij zich liever niet aan die proef blootstelde.

“Ik ben iemand van hoogen leeftijd, zoo sprak hij; en hoewel ik niet bijgeloovig ben, zooals de kettersche Sonniten, vrees ik toch, dat ik, door op die wijze mijn portret te laten maken, als het ware met eigen hand mijn doodvonnis zal onderteekenen. Ik weet niet, of de kunst, waardoor gij eensklaps iemands gelaat kunt afbeelden, u van God of van den duivel geopenbaard is; en bij die onzekerheid, wil ik liever geen aanstoot en slecht voorbeeld geven. Maar dewijl gij eene herinnering aan mij wenscht te bezitten, zal ik mijne vicarissen uitnoodigen, met mij eene groep te vormen, en dan kunt gij onze portretten teekenen: maar op voorwaarde, dat wij al uwe bewegingen kunnen volgen.”

Van achteren bezien, komt de weigering van den grijsaard om zich te laten photografeeren ons zeer te stade: had hij aan onzen wensch toegegeven, dan zou het fanatieke volk, bij hetwelk de priester in zoo hooge eere stond, gewisselijk niet hebben nagelaten, in ons de bewerkers van zijn plotselingen dood te zien, en getracht hebben zich daarover op ons te wreken. Bladzijde 51

De geestelijken, met den naam van moesjteïds aangeduid, bekleeden den hoogsten rang in de sjîitische hiërarchie, en hebben steeds in Perzië een zeer grooten invloed uitgeoefend. Zij bekleeden geen officieel ambt, ontvangen geene bezoldiging, en worden tot die hooge waardigheid aangewezen door de ondubbelzinnige uitspraak der publieke opinie van het volk, dat zij in de waarheden der godsdienst moeten onderrichten, en waarvan zij de verdedigers en beschermers zijn tegen de onderdrukking of het onrecht der grooten. De titel van moesjteïd kan niet door de regeering verleend worden. Zelden zijn er in Perzië meer dan drie of vier moesjteïds, die als zoodanig door het volk worden erkend; om dien titel te kunnen voeren, moet een mollah, gedurende een twintigjarig verblijf te Kerbela of te Nedjef, den hoogsten graad hebben verworven in zeventig vakken van wetenschap; bovendien moet hij aan het land eene talrijke nakomelingschap hebben geschonken. Om de achting en het vertrouwen van het volk te verwerven en te behouden, moeten deze geestelijke heeren eene reputatie genieten van onbesproken levenswandel, van groote matigheid en ingetogenheid; doorgaans leven zij zeer teruggetrokken en onttrekken zich aan alle eerbetooningen of gunstbewijzen van het hof. Hunne stichtelijke toespraken zijn vol zalving; hunne gebeden langer dan die der gewone geloovigen; naar hunne vermaningen luistert de schare met deemoed. Ook als uitleggers van de wet hebben zij groot gezag: in ernstige gevallen roepen de rechters hunne beslissing in en gedragen zich daarnaar.

Maar in den laatsten tijd toont het burgerlijk gezag al meer en meer de neiging om zich van deze geestelijke voogdij te ontslaan; en de tijd is voorbij, toen de doorluchtige moesjteïd van Ispahan, Hadji Seïd Mohammed Boghir, in de provincie Irâk een onbeperkt gezag uitoefende. De misdadigers, die hij ter dood veroordeeld had, werden in zijne tegenwoordigheid terecht gesteld; meer dan een verzocht als eene hooge gunst, door de hand van den priester zelven te mogen sterven. In dat geval werden de lijken op de binnenplaats van het paleis begraven; en de schuldigen ondergingen den dood in het vaste vertrouwen dat hunne zonden hun zouden vergeven en de toegang tot het paradijs voor hen ontsloten zou worden.

Over het algemeen verdient het gedrag en de houding van de hooge perzische geestelijkheid niets dan lof. De voorbeelden dat een der opperpriesters door zijn levenswandel stof tot ergernis geeft, zijn zeer zeldzaam. Trouwens, indien zulke gevallen dikwijls voorkwamen, zou, vooral bij de in Perzië op het stuk van godsdienst heerschende onverschilligheid, de bekoring spoedig verbroken zijn, en zou de hooge geestelijkheid weldra de achting en het ontzag verliezen, dat zij bij de massa der bevolking nog steeds geniet.—Ongelukkig kan men van de lagere geestelijkheid, de mollahs, niet zoo gunstige getuigenis afleggen. Daar zijn duizenden verhalen en anekdoten in omloop, waaruit hunne hebzucht, hunne kwade trouw of domheid moeten blijken. Nog gisteren vertelde men in den bazar het volgende: De mollah Nasr ed-Din preekte laatstleden vrijdag in de moskee van den Shâh Hosein, de schoenlapper uit den laatsten winkel in den lederbazar, in het heiligdom neergeknield, schreide bittere tranen; zijne buren, gesticht door zijne vroomheid en meenende dat de ernstige vermaningen van den prediker zijn gemoed zoo zeer bewogen hadden, vroegen met belangstelling naar de oorzaak zijner in het oog vallende droefheid.—“Mijn bok is gestorven,” antwoordde hij snikkende, “en de mollah heeft bij het preeken met zijn baard dezelfde beweging gemaakt als mijn overleden huisgenoot. Ach, de herinnering aan hem heeft mijne tranen doen vloeien!”

Het fanatisme der mollahs houdt gelijken tred met hunne onwetendheid en hun schraapzucht; zij verfoeien de Christenen; en wanneer, in het afgeloopen jaar (1880), de Kurden Tauris waren binnen getrokken,—waarvoor een oogenblik vrees bestond—dan zou het gepeupel, op aanstoken van de mollahs, ongetwijfeld gemeene zaak hebben gemaakt met de bandieten, om de armenische wijk, waar de Christenen wonen, te plunderen; waarschijnlijk om dan later onderling over de verdeeling van den buit te vechten.

In hunne vurige begeerlijkheid naar aardsche goederen gaan vele mollahs zoo ver, dat zij zelfs den plicht der weldadigheid verzuimen, waarop de Korân toch zoo grooten nadruk legt. Ik heb nimmer door een mollah een aalmoes zien uitreiken, hoewel het schouwspel der heerschende ellende inderdaad hartverscheurend was. Daarentegen was ik er wel getuige van, hoe een blinde, door een mollah berispt, omdat hij de barmhartigheid inriep van een ongeloovige, op bitteren toon antwoordde: “Geeft dan zelven aalmoezen, gij huichelaars en valsche geloovigen, en laat ons niet van honger en ellende omkomen!”

Overeenkomstig het gebruik, moet de begrafenis van den moesjteïd twee uren na zijn overlijden plaats hebben. De menigte stroomt van alle kanten naar het sterfhuis, om zich bij den lijkstoet aan te sluiten; ook ik wil gaarne bij de plechtigheid tegenwoordig zijn. Ik spoed mij dus zoo haastig mogelijk voort, maar word weldra door mijn gids tegen gehouden: hij heeft mijn voornemen geraden, tracht mij eerst onder allerlei voorwendsels daarvan terug te houden, maar bekent eindelijk dat hij geen Christenen mag laten stilstaan op den weg, waarlangs de lijkstoet komen zal. Ten einde den trouwen dienstknecht geen verdriet aan te doen en misschien ook den consul in moeilijkheden te brengen, neem ik het aanbod aan van een der soldaten der policie en begeef mij naar het platte dak van een huis, door een zijner bloedverwanten bewoond. Zonder zelve in het oog te vallen, zal ik van daar den stoet kunnen zien voorbij trekken. Nauwelijks ben ik op het dak aangekomen, of een verward gerucht en luide jammerkreten klinken mij uit de verte tegen: de lijkstoet is in aantocht.

Voorop, naar den voor alle landen en hemelstreken geldenden regel, een troep jongens, schreeuwende, gillende, springende, zoo als hunne kameraden overal de loffelijke gewoonte hebben te doen; Bladzijde 52onmiddellijk achter die rumoerige bende volgt het lijk, op eene baar uitgestrekt, die door vier mannen gedragen wordt. De doode is bedekt met een fraaien kashmiren shawl; aan het hoofdeneinde ligt de groote blauwe tulband; eene schier onafzienbare menigte, bestaande uit mannen van allerlei stand en leeftijd, loopt in ordelooze verwarring achter de baar, dringende en duwende om zich een weg te banen tot bij den doode, ten einde den shawl zoo mogelijk te kunnen kussen of althans aan te raken.

De stoet wordt gesloten door een aantal gesluierde vrouwen, die de lucht doen weergalmen van haar akelig gekrijsch en gillende jammerkreten. Vergeefs zie ik uit naar den gouverneur, de hooge beambten, de soldaten, wier tegenwoordigheid aan de begrafenisplechtigheid een officieel karakter zou geven. Maar nergens is een uniform te bespeuren: de rouwbetooning gaat van het volk zelf uit, en is eene laatste hulde aan de nagedachtenis van een man, die om zijn hoogen rang en nog meer om zijne deugden en zijn heiligen wandel de algemeene achting en sympathie genoot.

De gewoonte om de afgestorvenen zoo haastig te begraven geldt niet alleen voor de leden van de hooge geestelijkheid, maar voor iedereen. Dit gebruik, waarschijnlijk wel op overwegingen in het belang der gezondheid gegrond, heeft deze bedenkelijke zijde, dat het verborgen blijven van misdaden er door wordt in de hand gewerkt.

Is er in een gezin iemand overleden, dan worden de betrekkingen en vrienden onmiddellijk gewaarschuwd, en heeft binnen de twee uren de begrafenis plaats, zonder dat een geneesheer of andere deskundige geroepen wordt om het overlijden te constateeren of de oorzaak van den dood te onderzoeken, Om de mogelijkheid, dat iemand levend zou worden begrafen, schijnt men zich inderdaad niet zeer te bekommeren; de armen beschouwen den dood zeer dikwijls als eene verlossing uit hun lijden, en rekenen de afgestorvenen gelukkig; de rijken zenden hunne dooden naar Kerbela of naar Nedjef, en de reis daarheen duurt zoo lang, dat de schijndoode, die bovendien in geene gesloten kist wordt geborgen, overvloedig den tijd heeft om weer tot zich zelven te komen.

De toebereidselen voor de begrafenis zelve kunnen, bij zoo spoedige ter aarde bestelling, uit den aard der zaak niet veel beteekenen. Het lijk, in een doek of shawl gewikkeld, wordt in een ondiepen kuil gelegd, die in allerijl op de begraafplaats of ook wel elders gedolven wordt. De bloedverwanten beschouwen hun plicht als volbracht, wanneer zij het hoofd van den doode in de richting van Mekka hebben geplaatst, en onder zijne oksels twee kleine houten krukken gelegd, om zich daarmede op te richten, als ten dage van het jongste gericht de engel Azraël de dooden zal opwekken. Is de afgestorvene eene vrouw, dan wordt over het lijk, nadat het in het graf gelegd is, nog een dichten sluier uitgespreid, waardoor de vormen geheel onzichtbaar worden.

17 April.—De dood van den moesjteïd wordt blijkbaar als eene openbare ramp beschouwd: handel en verkeer staan bijna geheel stil. Ten teeken van rouw blijven de winkels in den bazar gesloten; de bakkers bakken geen brood en de slagers slachten geen vee: de inwoners van Tauris schijnen van daag aan geen eten te denken. Om ons eenige afleiding te bezorgen, besluiten wij met enkele Europeanen een uitstapje te gaan maken naar de ruïnen der moskee van Gazan-Khan.

Weldra is eene talrijke ruiterbende bijeenverzameld, en wij komen buiten de stad, na door de bazars en eene uitgestrekte voorstad te zijn gereden, waar de straatjeugd luidkeels liederen zong ter verheerlijking van de heldendaden van Moekhtar-Pasja in den russisch-turkschen oorlog.

Al spoedig bereiken wij de ruïnen der moskee van Grazan-Khan, den mongoolschen sultan, in de geschiedenis van Perzië beroemd om zijne wapenfeiten en zijne veroveringen.

Volgens de overlevering bezat deze koning velerlei bekwaamheden: hij was smid, kabinetwerker, kunstdraaier, gieter, sterrekundige, geneesheer, alchimist; zijn levensbeschrijver voegt er uitdrukkelijk bij, dat hij zelfs de geschiedenis van zijn volk kende. In zijn oorlog met Egypte zocht hij den steun van den Heiligen Stoel. Paus Bonifacius VIII sloot een verbond met den perzischen monarch en trachtte de Christenvorsten tot een nieuwen kruistocht over te halen, waarvoor de omstandigheden bijzonder gunstig schenen, nu de Sarracenen te gelijkertijd door de kruisvaarders en door de Perzen zouden worden aangevallen. Van dien kruistocht is evenwel niets gekomen. Gazan-Khan toonde zich, gedurende zijne geheele regeering, bijzonder welwillend jegens de Christenen, die hij meermalen boven de Muzelmannen voortrok: in die mate zelfs dat men hem verdacht, in het geheim de christelijke godsdienst te zijn toegedaan. Naar men zegt, behoorde tot zijn vertrouwelingen ook een monnik, die zich altijd aan zijn hof ophield. Desniettemin wordt hij door de perzische geschiedschrijvers geprezen als een der grootste vorsten, die ooit over Irân hebben geregeerd.

Gazan-Khan was klein van persoon en zeer leelijk; maar dit gemis van lichamelijke welgemaaktheid en schoonheid werd ruimschoots opgewogen door de uitmuntende gaven van zijn geest; hij had, in de geschriften van Firdoesi en andere perzische dichters en kroniekschrijvers, de geschiedenis bestudeerd der aloude, min of meer fabelachtige helden, en zich voorgenomen, hunne voetstappen te drukken: met name koos hij zich Cyrus en Alexander tot voorbeeld.

Een jong meisje uit Zendjan.

De onder zijne regeering gebouwde moskee is tegenwoordig niet meer dan een groote tumulus, aan alle kanten doorgraven en doorwoeld: uit het weinige dat er nog van is overgebleven, blijkt de groote overeenkomst tusschen de decoratie van dit monument en die van de moskee van Narshivan. Maar de wijze van bewerking der mozaïeken verschilt: de porseleinen tegels vormen groote platen, waarop de figuren met de stift zijn geteekend, zoodat op sommige plaatsen het email is verdwenen en de gebakken steen zichtbaar wordt. Het is in waarheid eene gravure, met bewonderenswaardige kunst en nog verwonderlijker geduld bearbeid.—Bladzijde 54De boeren uit den omtrek zoeken ijverig de nog ongeschonden tegels op, om die te gebruiken voor het bouwen of oplappen van hunne huizen, en zoo blijft er allengs van de groote schepping van Gazan-Khan niets meer over.

Na een bezoek te hebben gebracht aan de verschillende terpen of ruïnenheuvels van het oude Tauris, keeren wij naar de nieuwe stad terug. Onze weg loopt door heerlijke tuinen, van elkander gescheiden door goten, waardoor kristalhelder water stroomt; allerlei vruchtboomen spreiden hunne met bloesems overladen takken uit boven meloenen, komkommers, pasteken, en andere groenten, ordeloos door elkander geplant, maar uitmuntend opschietende.—Hier en daar gunt het ontluikende groen ons een aardig kijkje op het landschap. Nu is het eene karavaan van kleine, met hout beladen ezels, achter elkander over eene hoogst eenvoudige brug gaande; dan weder vrouwen, in blauwe sluiers gewikkeld, en zich haastig uit de voeten makende bij de nadering van Faranguis. Het is mij niet mogelijk geweest, van de moskee van Gazan-Khan eene photografie te maken, daar van het gebouw niets meer dan eene vormelooze masa over is; maar ik heb mijn toestel bij mij; ik stijg van het paard, en ondanks den hevigen wind en de donker bewolkte lucht, verkrijg ik een zeer goeden afdruk van den tuin en van de karavaan van ezels. Zoo spoedig mogelijk zit ik weder in het zadel, maar het is reeds te laat: donderslagen ratelen knetterend door de lucht; verblindende bliksemstralen doorklieven de zwarte wolken, en de regen valt in stroomen neder. Te vergeefs zoeken wij eene schuilplaats onder de boomen: hun gebladerte kan ons tegen deze bui niet beschermen. Ieder geeft zijn paard de sporen en rent zoo spoedig mogelijk naar de stad.

Toen wij de binnenplaats van het consulaat bereikten, waren wij tot op het hemd toe nat en dropen onze paarden van het zweet. Gelukkig is ons hier een goed logies bereid, waar wij droge kleederen en een lekker brandend vuur vinden. Weldra is het ongeval vergeten.

De wachtkamer voorbijgaande, meende ik de soldaten bezig te zien met het schoonmaken hunner wapenen; eene ongewone beweging heerscht in het geheele gebouw: van den salon tot de keuken is alles in de weer. Gedurende onze afwezigheid heeft de gouverneur een bezoek tegen den volgenden dag laten aankondigen, en de ontvangst van een zoo aanzienlijk personage is geene kleinigheid. Niet alleen loopt den kok van het consulaat het hoofd om: zijne verlegenheid komt nog niet in vergelijking met die van den mirza (den inlandschen secretaris), onzen leermeester in het perzisch, op wien de zware taak rust om tusschen nu en morgen een verheven gedicht saam te stellen ter verheerlijking van den gouverneur bij zijn komst in het consulaat van Frankrijk. Wij zullen er van daag onze les maar aan geven.

18 April.—Ik klim op het dak om getuige te zijn van de aankomst van den gouverneur met zijn gevolg. Policiesoldaten met stokken gewapend maken ruim baan in de straat, en deelen met loffelijke onpartijdigheid en onberispelijken ijver slagen uit, in evenredigheid tot den hoogen rang van den landvoogd. Eindelijk bespeur ik den oom des konings: hij is gekleed in eene wijde zwarte overjas, om het midden saamgeplooid, en draagt op het hoofd een kollah (muts) van zwart laken: welke dracht in de laatste jaren aan het hof in de mode is gekomen. De bonte muts wordt tegenwoordig nog maar alleen gedragen door lieden uit de provincie of door mannen van leeftijd.

De hooge geboorte en de macht van den gouverneur van Azerbeïdsjan zijn kenbaar aan den langzamen statigen gang, passende aan iemand van zoo doorluchtige afkomst. Zijne harde, scherp geteekende trekken, zijne bruine gelaatskleur herinneren, naar men mij zegt, aan den eigenaardigen type van den stam, van Kadjar, waaruit hij gesproten is. Mijne aandacht wordt voorts het meest getrokken door een prachtig turkomansch paard, bij den teugel geleid door den stalknecht, die, zoodra Zijne Excellencie in het consulaat is binnen gegaan, het paard met een kostbaar tapijt moet bedekken. Het edele, uitnemend schoone ros is rijk opgetuigd en schittert van fijn goud, waarvan ik niet kan nalaten de voortreffelijke bewerking te bewonderen.

Onmiddellijk achter het paard van den gouverneur volgt de beul, geheel in het rood gekleed. Deze dienaar der gerechtigheid wordt, uit aanmerking van het gewicht zijner betrekking, steeds met zekeren eerbied behandeld; maar toch mag hij nooit achter zijn meester in een bevriend huis binnentreden: hij blijft voor de deur zitten, waar hem koffie, thee, en een pijp wordt aangeboden. Op den beul volgen de officieren van lageren rang, hofbedienden en een drom ruiters, in lompen gehuld en het hoofd gedekt met een grijzen, bruinen of zwarten papash, naar den smaak van den eigenaar. Dit waren, naar men mij op eerbiedigen toon verzekerde, de kozakken van de koninklijke lijfwacht. Hoe mogen er dan wel de gewone soldaten uitzien, als de keurbende van het leger zulk eene armzalige vertooning maakt!

In de woning gekomen, heeft de gouverneur in den salon plaats genomen en met blijkbaar welgevallen geluisterd naar het gedicht van den mirza, waarin de burgerlijke en militaire deugden van den doorluchtigen bezoeker worden verheerlijkt in de uitgezochtste en verhevenste bewoordingen, aan Sadi en Firdoesi ontleend. Deze poëzie, die op een zingenden toon wordt voorgedragen, schijnt zeer in den smaak te vallen van de toehoorders, die nu en dan goedkeurend met het hoofd knikken.—Vervolgens worden ververschingen rondgediend, en een gesprek aangeknoopt, dat langer dan twee uren duurt, naar perzisch gebruik afgewisseld door vrij langdurige pausen, waarin niemand een woord spreekt.

Eindelijk neemt men afscheid van elkander in de beste stemming ter wereld. Na eene eindelooze wisseling van beleefdheden en complimenten, schaart de stoet zich weder in orde; de beul herneemt zijne eereplaats; en de straat, straks zoo druk en woelig, wordt weder ledig en doodsch.

Het begon tijd te worden. De armenische aartsbisschop Bladzijde 55van Tauris heeft den wensch te kennen gegeven, ons een bezoek te brengen en bij die gelegenheid tevens zijne photografie te laten maken: ik was reeds bang dat ik te laat zou komen. Dank zij onzen photografietoestel, worden anders gesloten deuren voor ons geopend.—Het aartsbisschoppelijk paleis, de nederige residentie van Zijne Doorluchtigheid, is van gebakken steenen gebouwd, maar aan alle kanten omringd door fraaie tuinen, die ook nog eene school bevatten, waarin armenische kinderen onderwijs ontvangen.

Wij worden met ongeduld verwacht en met de innemendste vriendelijkheid ontvangen. Op het gelaat van den kerkvoogd ligt eene uitdrukking van welwillende goedheid: twee levendige geestvolle oogen geven aan de regelmatige, breed geteekende trekken eene bijzondere beteekenis; het hair en de baard zijn gedeeltelijk grijs, maar de gestalte van den prelaat is nog krachtig en ongebogen. De schoone, indrukwekkende kop komt voortreffelijk uit onder de kap van zwarte zijde, zoogenoemd moiré antique, die met een punt boven het mutsje uitsteekt, bijna over de oogen valt en in breede plooien langs de schouders neergolft. Een wijd kleed van zwart satijn daalt tot op de voeten; om den hals hangt een gouden ketting, waaraan een groot, met edelgesteenten omzet medaillon is bevestigd, op hetwelk een Christuskop in émail is geschilderd.

De Armeniërs, die Zijne Doorluchtigheid omringen, zien er bijna geheel uit als fransche kapelaans, maar weten met zeer veel takt en gratie koffie en pijpen te presenteeren. Weldra waren wij met den aartsbisschop in druk gesprek gewikkeld.

“Het doet mij genoegen u te zien,” zeide de prelaat; “niet alleen omdat ik veel van de Franschen houd, maar ook omdat gij mij zonder twijfel bericht kunt geven aangaande den Katholikos. Gij zijt immers over den Kaukasus naar Tauris gekomen?

—Tot mijn leedwezen, Monseigneur, antwoordde mijn echtgenoot, kan ik de berichten, die gij verwacht, niet geven. Wij waren reeds op vier dagreizen van Erivan, toen men mij eerst sprak van de schatten van Etsjmiadzin; ik heb dus niet de eer gehad, den Katholikos te ontmoeten.

—Dat is zeer jammer, hernam de prelaat: een bezoek aan het klooster van Etsjmiadzin loont de moeite en ik durf u dat nog ten zeerste aanbevelen.”

Nadat wij het portret van den aartsbisschop in verschillende standen en met zeer goeden uitslag gemaakt hadden, namen wij afscheid. Maar aan zijne aanbeveling om het klooster van Etsjmiadzin te gaan zien, hebben wij geen gevolg gegeven. Wij zouden daartoe op onze schreden moeten terugkeeren en op nieuw de russische grenzen overschrijden, en daarin hebben wij geen zin: wij hebben voorloopig genoeg van het heilige Rusland, zijn posthuizen en zijn varkenspootjes met ingelegde pruimen!

Toch was het jammer, dat wij het klooster Etsjmiadzin hadden laten liggen; de kleine omweg, dien wij hadden moeten maken om dit beroemde heiligdom te bereiken, weegt niet op tegen de merkwaardigheden, die wij daar hadden kunnen bewonderen.

Het klooster Etsjmiadzin is de residentie van den Katholikos, het hoofd der schismatieke armenische kerk, aan wien de patriarchen te Jeruzalem en te Constantinopel ondergeschikt zijn. Men weet dat sedert het concilie van Florence in 1439, de armenische kerk in twee afdeelingen is gesplitst. Op dat concilie namelijk kwam de vereeniging van de armenische met de roomsch-katholieke kerk tot stand, waarbij de eerste haar ritus en andere eigenaardige gebruiken behield. Evenwel trad een deel van de armenische Christenheid niet tot deze vereeniging toe: en zoo ontstond, nevens de katholieke of geünieerde armenische kerk, ook eene afgescheidene of schismatieke, die het oude monophysitische dogma omtrent de natuur van Christus vasthoudt, en overigens in ritus en inrichting het meest tot de oude grieksche kerk nadert.

Het hoofd dezer schismatieke kerk nu, die hare aanhangers niet alleen in eigenlijk Armenië, maar ook in aziatisch Turkije, in Syrië, in Perzië en zelfs in Hindostan telt, is de patriarch van Etsjmiadzin, die den titel van Katholikos voert. Dit beroemde overoude klooster ligt op ongeveer twee-en-twintig mijlen afstands van Erivan, in eene vruchtbare met boomgaarden en tuinen prijkende vlakte, negenhonderd-tien el boven de zee verheven. In overouden tijd stond hier de stad Wagharsjabad. De patriarchale kerk, in de vierde eeuw na Christus gebouwd, kan hoegenaamd geen aanspraak op architektonische schoonheid maken, maar staat daarentegen in den roep van buitengewone heiligheid; de kloostergebouwcn dagteekenen uit den tijd van den patriarch Narses, uit de eerste helft der zesde eeuw. De kerk bevat een schat van kostbare relikwieën, zooals de lans, waarmede de Heiland aan het kruis doorboord werd; den rechterarm van Sint-Gregorius, en zeer vele anderen, meest allen in prachtige, rijk versierde relikwariën gevat. Voorts worden in de sakristie kostbare oude vaten en gereedschappen voor de heilige dienst, benevens kerkelijke gewaden bewaard. De grootste merkwaardigheid van het klooster is echter wel de bibliotheek, rijk aan oude zeldzame handschriften, hier sedert eeuwen bijeengebracht. De schatten van deze bibliotheek zijn, zoo ik mij niet bedrieg, nog maar zeer onvolledig bekend. Ook bezit het klooster eene drukkerij, waarop een aantal belangrijke werken in de armenische taal zijn gedrukt.

In de nabijheid van Etsjmiadzin, liggen nog twee andere, bij de Armeniërs in hoog aanzien staande kloosters, Kaiane en Hripsime, die als filiaalstichtingen tot het patriarchale klooster behooren: vandaar ook de bijnaam van dit laatste, Utsjkilissi, dat wil zeggen, Driekerken. De bevolking van Etsjmiadzin bedraagt, met inbegrip van de kweekelingen van het seminarie, ruim honderd personen, waaronder vele geestelijken van hoogen rang, die den Katholikos als raadslieden zijn toegevoegd.

19 April. Paschen.—Het is heden feestdag in alle consulaten. Nadat de receptie was afgeloopen, ben ik op het platte dak geklommen, om daar, in de schaduw van de fransche vlag, een weinig uit te rusten. De laatste stralen der ondergaande zon verlichtten de stad van Zobeïde, die als in Bladzijde 56vuurgloed scheen gedompeld. Ik was geheel verzonken in de beschouwing van dit tafreel, toen ik mij zachtkens hoorde roepen.

De troon van den Katholikos te Etsjmiadzin.

“Çaheb,” zeide op beschroomden toon eene chaldeesche vrouw uit het naburige huis, “laat mij de afbeeldingen eens kijken, die gij iederen morgen op het dak maakt.”—Ik had niet de minste gedachte, aldus bespied te worden, wanneer ik 's morgens eenige afdrukken naar mijne clichés maakte. Ik groette mijne nieuwe kennis, en stelde haar voor, ook eens voor haar portret te poseeren. Zij is daartoe bereid; de toestel is spoedig in orde; maar het begint donker te worden en ik kan geene photografie meer maken. Haastig roep ik mijn echtgenoot en verzoek hem zijn potlood mede te brengen want misschien zal de schoone Rakhy morgen van gedachte zijn veranderd. Na eerst eenige tegenwerpingen te hebben gemaakt, slaat zij toch haar sluier, die haar den mond bedekt, weg, en staat eenige oogenblikken onbewegelijk stil. Haar zwarte oogen zien ons met eene guitige uitdrukking aan; haar trekken zijn meer sprekend en forsch dan bevallig; in 't oog vallend is de afstand tusschen den neus en den mond. Zij draagt een rooden doek van chineesche zijde om het hoofd geknoopt; de haren, in een aantal kleine vlechten verdeeld, vallen op den rug, bedekt door een sluier van witte mousseline, die eenige malen om het hoofd wordt gewonden, het benedengedeelte van het gelaat tot boven den mond bedekt, en over de schouders wordt geworpen. Onder een wijde koledja (overkleed) van blauw laken, met zwart zijden passement afgezet, draagt zij eene japon van gekleurde stof.—Rakhy was met haar portret zeer ingenomen en betuigde bij herhaling haar dank. Bladzijde 121