WeRead Powered by ReaderPub
Perzië, Chaldea en Susiane / De Aarde en haar Volken, 1885-1887 cover

Perzië, Chaldea en Susiane / De Aarde en haar Volken, 1885-1887

Chapter 9: VIII
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The narrative recounts the author's travels through Persia, Chaldea and Susiane as she accompanies her husband on a commission to study Sassanid-era monuments. Over fourteen months and several thousand kilometers traveled by horseback, she keeps a diary, makes photographs and documents archaeological sites alongside everyday scenes. Vivid attention is given to ruined architecture, enamelled tiles and reliefs as well as market life, food, lodging and encounters with local inhabitants. Practical difficulties of travel, administrative interactions and close field observation combine to produce a detailed, ground-level portrait of landscape and material culture.

Het dochtertje van den postmeester te Rasmidj.

De stad is op een geheel effen terrein gebouwd; de huizen zijn allen even hoog en vormen bijkans eene massa: het is daarom niet gemakkelijk zich dadelijk rekenschap te geven van den omvang der stad. Maar te oordeelen naar het groot aantal ruiters die wij ontmoeten, moet Kazbin eene groote en volkrijke stad zijn. Tusschen de karavanen van ezels, paarden, muildieren en kameelen, bemerken wij prachtig gekleede jagers, op fraaie turkomansche paarden gezeten, wier tuig is versierd met fijn geciseleerde gouden en zilveren ornamenten en met edelgesteenten. Op hun schouder dragen zij eene mooie engelsche karabijn; in hun gordel steken groote pistolen, en op de linker heup hangen lange dolkmessen, in metalen of fluweelen scheden gevat.

Men herkent in deze schitterende fiere ruiters de afstammelingen dier kloeke mannen, die in 1723 het afghaansche leger, dat sedert zeven jaren Perzië overheerde, terugsloegen en daardoor het sein gaven voor het ontwaken van den nationalen geest en de verdrijving der overweldigers. De mannen van Kazbin worden als de dapperste soldaten van het perzische leger beschouwd, terwijl die van Ispahan als de lafhartigsten bekend staan.

“Onder de regeering van Mohammed-Shah, zoo verhaalt mij onze hadji, was een opstand uitgebarsten in Khorassan. De Shah zond een bode naar de troepen van Ispahan, met last om zich naar de hoofdstad te begeven tot versterking van de koninklijke lijfwacht.—Toen de tijd, voor de reis benoodigd, verstreken was, zonder dat eenig bericht van de komst der regimenten was ontvangen, zond de Shah, die zich daarover ongerust maakte, nogmaals een bode naar de hoofdstad van Irâk, om een onderzoek in te stellen naar de reden van dit oponthoud. De officieren antwoordden, dat de troepen niet op marsch waren gegaan, omdat zij een afdeeling soldaten uit Kazbin verwachtten, ten einde hen te beschermen bij den tocht door de woestijn van Koem, die door rooverbenden onveilig werd gemaakt. De koning, die hieruit kon opmaken wat die dappere krijgers, die hij ontboden had, waard waren, ontbond de regimenten van Ispahan, en gedurende een geruimen tijd telde het perzische leger geen enkelen inwoner van Irâk in zijne gelederen.”

De stad Kazbin dankt haar welvaart voor een deel aan hare ligging, juist aan het punt waar de wegen samenkomen, die van Tauris ten westen en van Resht en de Kaspische-zee ten noorden naar Teheran loopen. Deze laatste weg, die veel korter en veel gemakkelijker is dan de weg door Armenië, pleegt steeds gevolgd te worden door alle gezanten en diplomatieke agenten, die zich naar hun post begeven. Om den gezanten de gelegenheid te geven, eenige dagen uit te rusten eer zijn hun reis naar Teheran vervolgen, heeft de Shah te Kazbin een groot huis laten bouwen, de Mehman-Khaneh (het huis der gasten), dat door twee voormalige bedienden van Zijne Majesteit wordt bewoond en ter beschikking gesteld van alle aanzienlijke vreemdelingen.

Dramatische voorstelling in de open lucht. (Blz. 136.)

De Mehman-Khaneh is een groot gebouw met twee Bladzijde 134verdiepingen, omringd door eene portiek, die op zware gemetselde pilaren rust. Voor het huis bevindt zich een kleine ronde tuin, met een vijvertje in het midden, waarin eenige eenden rondzwemmen en talrijke waterdragers hunne zakken komen vullen. Eene groote poort in eene houten heining geeft toegang tot een pleintje, waarop in het rond eenige kramen staan, onder den beschuttenden lommer van een honderdjarigen plataan. Die kraampjes bevatten niets bijzonders en zijn uiterst eenvoudig; de kooplieden, op den grond neergehurkt, verkoopen versche en gedroogde vruchten, melkspijzen en andere lekkernijen.

10 Mei.—Wij hebben vergeefs getracht in de Mastsjed-Shah door te dringen: de mollahs weigeren aan Christenen hardnekkig den toegang tot dit heiligdom. Door tusschenkomst van den directeur van het telegraafkantoor, liet mijn echtgenoot audiëntie vragen, bij den gouverneur. Eenige oogenblikken daarna verschijnen een aantal bedienden in het kantoor en deelen ons mede, dat wij op het paleis gewacht worden; en daar, als een bijzonder bewijs van beleefdheid, de shah Zaddeh stoelen laat halen, waarop wij kunnen gaan zitten, wachten wij eenige oogenblikken en treden vervolgens de woning van den prins binnen door eene lange galerij, die toegang geeft tot eene zeer ruime binnenplaats, met zorgvuldig gesnoeide platanen beplant. Onder de schaduw dier boomen zitten of liggen op den grond een aantal lijfwachten en andere bedienden, ten deele in diepen slaap gedompeld. Een tweede galerij, donkerder dan de eerste, voert naar eene andere binnenplaats, door zuilengangen omringd en door een smallen gang in gemeenschap staande met de audiëntiezaal.

Aan het boveneinde dier zaal zit de broeder des Konings, op kussens neergehurkt. Hij is een man van eenigszins gevorderden leeftijd, met kleine zwarte oogen, een gebogen neus, en een mond waarom zekere uitdrukking van trotsche minachting zweeft, maar overigens met een vrij zachtzinnig en vriendelijk voorkomen.

De gouverneur rijst bij onze nadering op, reikt ons de hand, en noodigt ons plaats te nemen op de fauteuils van het telegraafkantoor, die men in het midden van de kamer heeft gezet. Er wordt koffie gepresenteerd in mikroskopische kopjes, rustende op verwonderlijk fijn bewerkte voetjes van filigraanzilver. Shah Zaddeh, het woord in het fransch nemende, verontschuldigt zich eerst over zijn gebrekkig spreken van eene taal, die hij vergeten heeft (eene bloote beleefdheidsformule, want de prins spreekt zeer zuiver fransch); vervolgens onderzoekt hij naar het doel onzer reis, en vraagt waarmede hij ons van dienst kan zijn.

“De mollahs, antwoordt mijn echtgenoot, maken zwarigheid om de Christenen in de moskeeën toe te laten, en ik kom Uwe Hoogheid verzoeken mij den toegang tot die gebouwen te verschaffen op de uren als er geen dienst is.

—Hetgeen gij daar vraagt is zeer moeilijk te verkrijgen, herneemt de gouverneur; ik ben, voor mijn persoon, een beschaafd man; ik bid zelfs niet meer, en in de drie maanden dat ik te Kazbin ben, heb ik nog geen voet in eene moskee gezet. Het is mij dus volmaakt onverschillig of gij de Mastsjed-Shah bezoekt; maar de iman Djoema is onverbiddelijk op dat stuk, en ik geloof dat gij wel zoudt doen, van uw voornemen af te zien.”

Na een vrij langdurig onderhoud nemen wij afscheid van Zijne Hoogheid, zeer teleurgesteld over den slechten uitslag van ons bezoek.—De prins meende van zijne beschaving blijk te geven door zich te beroemen op zijn ongeloof; maar, als alle Iraniërs, gelooft hij vastelijk aan de macht van bezweringen, van waarzeggerijen en van het booze oog, en is hij steeds geneigd om al hetgeen hij niet verklaren kan, aan tooverij toe te schrijven. De sterrenwichelarij, in de westersche wereld vergeten, bloeit nog in volle kracht in het Oosten. Om iemands horoskoop op te maken, worden nauwkeurige sterrekundige waarnemingen gedaan, waarvoor de astrologen dikwijls zeer kostbare instrumenten gebruiken. De Shah heeft zijne officieele toovenaars; zij zouden ongetwijfeld bij de geboorte der koninklijke kinderen tegenwoordig zijn, evenals de astroloog, die bij de geboorte van Lodewijk XIV in de kamer van koningin Anna verborgen was, indien de koninklijke anderoen voor gewone stervelingen toegankelijk was.

11 Mei.—“De gouverneur heeft u zeker geene vergunning gegeven om de moskee van den Shah te bezoeken, zeide ons gisteren, toen wij van de audiëntie terug kwamen, de huisbewaarder van de Mehman-Khaneh. Hij is te bang voor den toorn der mollahs; maar zoo gij op mij vertrouwen wilt, zal ik u toonen dat een dienaar van Zijne Majesteit slimmer en gewilliger voor de vreemden is, dan de gouverneurs en de prinsen. Tusschen het morgen- en het middaggebed is er doorgaans niemand in de moskee; de mollahs zitten aan tafel en de kooplieden zijn in den bazar; zoo gij mij belooft, op een gegeven teeken uit te gaan, maak ik mij sterk dat ik u, zonder dat gij eenig gevaar loopt, in ons oudste heiligdom zal binnen leiden.”

Dezen morgen begeeft onze vriend zich naar de moskee, om zich te overtuigen dat zij bijna geheel ledig is, en op een gegeven teeken, volgen wij hem van ver, vergezeld van drie of vier zijner vrienden.

Wij gaan eerst door een donker gewelf, vervolgens door eene open galerij, waarin ettelijke bedelaars zijn gezeten, die ons met verbaasde blikken aanstaren, maar niets zeggen. Een hoek omslaande, komen wij in eene vestibule, die naar eene overwelfde zaal voert, en bereiken eindelijk het binnenplein van de moskee. Dit zeer ruime plein is geplaveid met slecht onderhouden baksteenen, waartusschen het gras welig opschiet. In het midden bevindt zich een waterbekken voor de wasschingen, overschaduwd door eenige boomen. Langs de vier zijden van het plein loopt een portiek of zuilengang; in het midden van iederen vleugel ziet men eene groote poort, toegang gevende tot een zaal met een halfrond koepeldak; de poorten in de zijvleugels zijn kleiner van afmeting; de grootste geeft toegang tot de moskee zelve; boven de vierde verheffen zich twee minarets. Deze poort was vroeger Bladzijde 135de hoofdingang; zij is thans gesloten en vervangen door den zijingang, waardoor wij gekomen zijn.

De Mastsjed-Shah draagt de sporen van verschillende tijdperken. De vierkante zaal van den mihrab en haar plompe koepel herinneren aan de bouwwerken uit den tijd van Haroen-al-Rashid. De met stuc bekleede friesen en lijsten, kostbare overblijfsels van de perzische kunst der twaalfde eeuw, prijken met uitmuntend bewerkte bloemen en kunstige letters, op de smaakvolste wijze dooreen gevlochten. Deze decoratie, tijdens de regeering der Seldsjoeken voltooid, dagteekent uit denzelfden tijd toen het gebouw eene geheele herstelling moest ondergaan, ten gevolge van de aardbevingen, die in de elfde en de twaalfde eeuw de stad teisterden en verwoestten.

Den volgenden dag, Vrijdag, richten wij onze schreden naar een geëmailleerden koepel, die naar men zegt, het graf bedekt van een kind van twee jaren, een zoontje van den iman Hosein. Voor den ingang van het monument ligt een ruim kerkhof. Vrouwen, op de graven gezeten, praten met hare vriendinnen of eten bonbons. Op de eerst onlangs gelegde zerken hurken moeders of weduwen, die luid weeklagen en van tijd tot tijd een soort van klaagzang aanheffen, zonder dat haar geburinnen daar veel aandacht aan schenken. Zij dragen allen hetzelfde kostuum. Rijken en armen trekken, als zij uitgaan, een zeer wijden pantalon aan, die tot op de voeten afdaalt, en hullen zich in de plooien van een ruimen blauwen mantel, die over het hoofd wordt getrokken en daar vastgehouden door een breeden sluier van zware stof, die tot de knieën hangt. Op de hoogte van de oogen is in dien sluier eene smalle met gaas voorziene opening. Als eene vrouw aldus is ingepakt, is het voor ieder volstrekt onmogelijk haar te herkennen.

Naast de poort van het monument van den iman Zaddeh Hosein bespeuren wij een trap, die naar een terras voert. Derwaarts willen wij ons begeven om den afloop te zien van de godsdienstoefening. Eerst slaat niemand acht op ons; maar toen het gebed is afgeloopen, verschijnt een mollah met een streng uitzicht op de binnenplaats, en richt, op de aanwijzing van andere priesters, zijne oogen naar de plek, waar wij ons zoo goed mogelijk verscholen hebben. Aanstonds klimt de grijsaard de trap op; maar hoe groot is onze verbazing, toen hij, in plaats van ons te gelasten onverwijld heen te gaan, ons uitnoodigt om beneden de graftombe te komen bezichtigen. Het mausoleum is vierkant; aan de voorzijde bevindt zich een ruim, met prachtige mozaïeken versierd portaal, dat toegang tot het heiligdom geeft. In het midden van eene groote zaal, waarvan de met wit stuc bekleede wanden met ornamenten van geslepen glas zijn versierd, staat een groote sarkophaag, met goud bekleed; hij rust rechtstreeks op den grond en is omgeven door een zilveren hekwerk, aan de hoeken met vier groote zilveren ballen prijkende. Op den vloer gespreide tapijten, koperen lampen, eenige met fraaie letters geschreven teksten uit den Korân, aan het hek vastgemaakt, lappen van kleedingstukken, als ex-voto's op den sarkophaag neergelegd, vormen de verdere versiering van het bedehuis, waarin eene aandachtige schare vergaderd is. De geloovigen treden binnen, na hunne muilen voor de deur te hebben uitgetrokken; zij knielen neder, neigen hun aangezicht ter aarde, staan weer op, leggen hunne beide handen op het zilveren hek en gaan driemaal om den sarkophaag. Aan de hoeken kussen zij de zilveren ballen, na die met hun voorhoofd te hebben aangeraakt, onder het prevelen van arabische gebeden, die de meesten hunner niet verstaan; vervolgens verwijderen zij zich, achteruit gaande en bij iederen stap eene buiging makende.

Nabij het graf bevinden zich twee kleine zalen, voor de geestelijken van het heiligdom bestemd. De muren zijn verguld en prijken met prachtige arabesken in roode, groene en blauwe kleur, hetgeen een uitmuntend effekt maakt. In de richting van Mekka zien wij een mihrab, met een gordijn bedekt, waarachter de lijst van een schilderij zichtbaar is. Men schuift het gordijn weg, en wij zien eene schilderij van hoogst middelmatige uitvoering, voorstellende een mansportret met scherp geteekende gelaatstrekken, het hoofd gedekt met een haïk, door een koord van kemelshair bevestigd, en gekleed met een bruinen wollen mantel. Dit is volkomen de type van een arabischen sheikh. Men zeide ons dat het portret Mohammed moest voorstellen. Is dit zoo, dan is het zeker zeer vreemd, zulk eene afbeelding in eene moskee te vinden, daar toch de Korân uitdrukkelijk het weergeven van het menschenbeeld verbiedt.

Terwijl wij in de aanschouwing van deze schilderij verdiept zijn, keeren de mollahs, die hun gebed verricht hebben, langzamerhand in de zaal terug, en hurken zwijgend naast elkander, langs den muur neder. Den voornaamste onder hen wordt nu de kalyan gebracht; hij biedt de pijp aan de andere priesters aan, daarbij hunne hiërarchische rangorde streng in het oog houdende, en eerst nadat allen geweigerd hebben daarvan gebruik te maken, begint hij zelf te rooken. Na eenige trekken gedaan te hebben, biedt hij de pijp wederom den priester aan, wien hij die het eerst had gepresenteerd; de priester neemt haar thans aan en reikt haar op zijn beurt aan een ander over. Deze formaliteit wordt telkens herhaald, en duurt zoo lang, tot de kalyan, half uitgedoofd, weder in handen komt van den bediende, die voor het op nieuw vullen en aansteken zorgen moet. Nadat de pijp behoorlijk de ronde gedaan heeft, nemen eenige mollahs de boeken die in de nissen liggen; anderen halen uit de plooien van hun gewaad een kleinen verlakten inktkoker te voorschijn, alsmede een rol papier, en beginnen te schrijven. Het is voor ons tijd om te gaan.

Op onzen terugweg door een der voorsteden werd mijne aandacht getrokken door het geschetter van eene trompet. Op een pleintje, geheel buiten den karavanenweg, was eene vrij talrijke schare verzameld, om getuige te zijn van den dood der afstammelingen van Ali, Hassan en Hosein, op last van Khalief Omar om het leven gebracht. Deze dramatische voorstellingen zijn bij de Sjîieten zeer geliefd; en zoo vaak zij de droevige geschiedenis hooren Bladzijde 136verhalen van de martelaars van hun geloof, wordt op nieuw in hun gemoed de haat opgewekt tegen de Sonnieten, de bewerkers van den dood der rechtstreeksche afstammelingen van den Profeet.

Kazbin bezit niet, als Teheran, eene zaal, waar dergelijke voorstellingen met groote pracht kunnen worden gegeven: zij hebben hier in de open lucht plaats. De toeschouwers zitten neergehurkt rondom een open plek, waar zich de spelers bevinden; aan de eene zijde de gesluierde vrouwen, aan de andere de mannen met de ronde muts der landlieden op het hoofd. Op het open terrein ziet men een tapijt, waarop een sabel en een schenkkan; boven het tooneel welft zich de blauwe hemel, en de stralende zon zorgt voor de verlichting. Twee kinderen, met groote groene tulbanden op het hoofd, vervullen bij deze mysteriën de rol van het koor in het antieke treurspel en reciteeren op zangerigen toon klaagliederen, die aan aller oogen tranen ontlokken. Bij treffende, aangrijpende oogenblikken paren zich de snikken en tranen der spelers aan die der toeschouwers; de valsche verrader zelf, wiens gelaat met een kap bedekt is, jammert over zijn eigene verdorvenheid; de vrouwen snikken en jammeren luidkeels, en slaan zich met heftige gebaren op de borst. Deze uitbarstingen van toon en droefheid houden eenige minuten aan, waarna zij weer het afgebroken gesprek hervatten en vroolijk snappen en lachen. Het orchest, bestaande uit een trommel en een trompet, staat op een hoek van het tapijt en voegt zijn wanluidende tonen bij het geschreeuw en gejammer der toeschouwers. Niet verre van daar zit, op een houten stoel, een zwaarlijvig man, die met blijkbare zelfvoldoening het tooneel aanziet: misschien is hij wel de impressario, die voor het eerst met een uitgelezen troep voor het publiek optreedt. Bladzijde 209

VIII

1 Juni.—Sedert drie weken ben ik te Teheran, en nog ben ik niet verder gekomen dan in den tuin, waarop de vensters uitzien van de kamer, waarin mijn echtgenoot ziek ligt en langzamerhand in beterschap toeneemt. In welke droevige omstandigheden zijn wij te Teheran gekomen, en wat zou er van ons geworden zijn zonder de hulp en toewijding van dokter Tholozan, wiens goede diensten wij niet genoeg op prijs kunnen stellen. Deze bekwame geneeskundige, die vroeger een hoogen rang bekleedde bij het fransche leger, is sedert twee-en-twintig jaren de lijfarts des konings. In plaats van zich over te geven aan dat luie en gemakkelijke leven, dat voor de Europeanen in het Oosten zoo machtige bekoring heeft, heeft hij zich met grooten ijver toegelegd op de studie der lokale ziekten; en zijne werken over de cholera in Indië, over de pest in Mesopotamië en Perzië, en andere wetenschappelijke studiën zijn niet onopgemerkt gebleven bij de mannen van het vak. Dokter Tholozan is niet alleen de lijfarts, maar ook de vriend en vertrouwde raadsman des konings. Nasr ed-Din heeft inderdaad vriendschap voor hem opgevat, schenkt hem zijn vertrouwen en waardeert zijne kennis en zijne belangeloosheid; maar om aan het verlangen van het hof te voldoen, moest de koning zich ook omgeven door inlandsche geneesheeren, die het vertrouwen bezaten van de koninklijke familie, van de geestelijkheid en vooral van de dames uit den harem. Dit gaf soms aanleiding tot moeilijkheden en botsingen, die dokter Tholozan met zijn bedaard en gematigd karakter en verstandig overleg wist te boven te komen en uit den weg te ruimen, maar die bepaald nadeelig moeten zijn geweest voor de gezondheid des konings.

Nevens dokter Tholozan ben ik niet minder dank schuldig aan mijne buurvrouwen, de liefdezusters van Sint-Vincentius à Paulo, die mij in de ziekte van mijn echtgenoot trouw hebben bijgestaan. Zoodra zij mijne aankomst vernomen had, kwam de overste van het gesticht, zuster Caroline, mij aanbieden om mijn echtgenoot te laten overbrengen naar een paviljoen bij den ingang van het klooster, waar de hulpbehoevende, verlaten Christenen eene liefderijke verpleging vinden, die zij overal elders te vergeefs zouden zoeken; maar aangezien dokter Tholozan die verplaatsing niet raadzaam oordeelde, zijn wij gebleven in het huis, waar wij bij onze aankomst waren afgestapt.

Zoodra de zieke zoo ver hersteld was, dat ik hem alleen kon laten, ging ik een bezoek afleggen bij de zusters, om haar te bedanken voor de mij betoonde sympathie. Een blinde opende de deur; hij herkende mijne stem niet, en vroeg of ik de fransche dame was, onlangs van Tauris aangekomen. Op mijn bevestigend antwoord geleidt hij mij, langs vijvers, en met volkomen zekere schreden, naar de apotheek, waar zuster Caroline de geneesmiddelen laat bereiden voor de door haar ondersteunde armen. Het is van daag de dag der vrouwen, die in grooten getale zijn opgekomen en van de vrome edele zusters raad en hulp ontvangen. Bladzijde 210

Eerst voor weinige jaren hebben de liefdezusters te Teheran een klooster gesticht, waarin de kinderen van de weinige europeesche familiën, die in Perzië gevestigd zijn, hunne opvoeding kunnen ontvangen. De kloosterschool wordt ook bezocht door een aantal armenische meisjes; ook Muzelmannen hebben meer dan eens hunne dochters naar de school gezonden, maar onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat de zusters niet zouden pogen de meisjes van godsdienst te doen veranderen. De meisjes krijgen onderricht in het lezen, schrijven, naaien, strijken en alle andere huishoudelijke bezigheden, voorts in de fransche taal en in de eerste beginselen van geschiedenis en aardrijkskunde. Het voornaamste is wel, dat zij een huishouden leeren besturen, waarvan de perzische vrouwen schier zonder uitzondering niet het flauwste begrip hebben.

De prinsessen van den bloede toonen zich jegens de zusters zeer welwillend en edelmoedig. De koning zelf geeft aan het klooster, als bewijs zijner ingenomenheid, eene jaarlijksche toelage van tweeduizend-vijfhonderd francs; uit een financieel oogpunt, is dus de toestand der missie gansch niet ongunstig. Ongelukkig worden de krachten der edele en moedige zusters maar al te vaak uitgeput door de vermoeienissen en ontberingen van eene zeer bezwaarlijke reis, en nog meer door den invloed van het klimaat; koortsen en kwijnende ziekten ondermijnen hare krachten, en de meesten bezwijken, na verloop van ettelijke jaren, in het verre vreemde land. Vooral te Oermiah, waar zij van europeesche geneeskundige hulp verstoken zijn, en waar men niet dan over Erzeroem of Tauris kan komen, is de sterfte zeer groot.

Van negen zusters, die in het vorige jaar waren aangekomen, zijn er drie kort na de aankomst gestorven, ten gevolge van gevatte koude bij het te paard doorwaden van rivieren; drie anderen bezweken aan typheuse koortsen of kwaadaardige ontsteking. Maar dit verhindert niet, dat altijd andere zusters gereed staan om de open gevallen plaatsen in te nemen en op hare beurt haar leven ten offer te brengen, want de liefde die haar drijft is machtiger dan alle gevaar, dan ziekte en dood. Inderdaad, de Kerk telt ze nog bij menigte, die helden en martelaars, die hunne ziel en hun leven hebben overgegeven aan Christus, die voor hen gestorven is.

3 Juni.—De krachten van mijn echtgenoot nemen voortdurend toe. Morgen zullen wij te voet naar den dokter gaan; en is deze wandeling niet te vermoeiend, dan zullen wij overmorgen door den Shâh worden ontvangen, die ons aanstonds, met de meeste bereidwilligheid, eene audiëntie heeft toegestaan.

De stam Kadjar of Kadsjar waartoe Nasr ed-Din Shâh behoort, is van turksch-tartaarschen oorsprong en uit Centraal-Azië afkomstig. De Kadsjaren waren reeds om hunne dapperheid beroemd, toen zij het leger van Tamerlan naar Perzië volgden. In de zeventiende eeuw splitste Shâh Abbas den stam in drie afdeelingen en droeg hun de verdediging op van de meest bedreigde grenzen van zijn uitgestrekt rijk. De eene afdeeling vestigde zich in Georgië, om dat land te verdedigen tegen de invallen der Lesghiërs; de andere vestigde zich te Merw in Khorassan, om de invallen van de Oezbeken af te weren; de derde afdeeling eindelijk, waarvan de thans regeerende dynastie afstamt, sloeg hare tenten op aan de oevers van de Kaspische-zee, in de nabijheid van de turkomansche stammen. De familie Kadsjar van Asterabad had zich reeds in tweeën gesplitst, toen zij nog in Armenië gevestigd was. De oudste tak, die uitgestrekte weilanden in het gebergte bezat, gold als de voornaamste, tot een lid van den jongeren tak, Fath-Ali Khan, tot de hooge waardigheid opklom van opperbevelhebber der legers van den koning van Perzië, Tahmasp II. Van dien tijd, dat is van omstreeks 1730, bekleedden de leden van dezen tak van het Kadsjaren-geslacht de voornaamste militaire ambten in het rijk; na den dood van Kerim Khan, toen binnenlandsche beroerten het rijk verscheurden en verschillende pretendenten elkander den troon betwistten, gelukte het, in 1794, Aga-Mohammed Khan, uit den stam der Kadsjaren, zich van het gezag meester te maken. Hij werd de stichter der tegenwoordige dynastie en toonde zich een verstandig en beleidvol regent. Het was eene ramp voor Perzië, dat hij reeds drie jaren na zijne troonsbeklimming, in 1797, werd vermoord.

Zijn neef en opvolger Fath-Ali Shâh heeft, in het begin dezer eeuw, zijdelings ook eene rol gespeeld in onze eigene historie. Napoleon namelijk, in onverzoenlijken oorlog met Engeland gewikkeld, trachtte den Shâh te bewegen om een bondgenootschap met hem aan te gaan en troepen uit te rusten voor een inval in Indië. Hij zond wapenen en officieren naar Perzië, en koesterde het voornemen een leger daarheen te zenden, ten einde Engeland op de meest kwetsbare plek van zijn uitgestrekt gebied te treffen. De britsche regeering, van dit een en ander volkomen op de hoogte, zond generaal Malcolm naar Perzië, die door de toekenning van een zeer aanzienlijk jaargeld den Shâh voor zich wist te winnen. De onderhandelingen met Frankrijk werden slepende gehouden, en in 1809 moest de fransche gezant, generaal Gardanne, uit Teheran vertrekken, zonder iets verkregen te hebben.

Na den val van Napoleon, toen de Engelschen niets meer van Perzië te duchten hadden, werd de betaling van het toegekende jaargeld plotseling gestaakt. Fath-Ali Shâh, die aan het geregeld uitbetalen dezer som gewend was, klaagde in bittere bewoordingen over deze handelwijze. De engelsche regeering beweerde dat het jaargeld maar voorloopig en tijdelijk was toegekend; en toen de koning het officiëele stuk liet halen om den engelschen gezant met den tekst zelven te weerleggen, zou deze, naar men verhaalt, het traktaat hebben verscheurd en de stukken ingeslikt.

Fath-Ali, die in zijne oorlogen tegen Rusland zeer ongelukkig was, bracht het laatste gedeelte van zijn leven, hij stierf in 1834, bijna uitsluitend in den harem door. De koning had zevenhonderd vrouwen en, als het gerucht waarheid spreekt, zeshonderd kinderen. Naar men zegt, beloopt het aantal zijner nakomelingen tegenwoordig meer dan Bladzijde 211vijfduizend; en daar de financiën des lands niet toelaten, eene zoo buitengewoon talrijke koninklijke familie behoorlijk te onderhouden, verkeeren de meesten van deze prinsen in zeer kommerlijke omstandigheden. Sommigen hebben zich zelfs genoodzaakt gezien, in dienst te treden bij aanzienlijke familiën te Teheran, ten einde tegen gebrek gevrijwaard te zijn. Fath-Ali Shâh liet zich veel voorstaan op zijne kloeke forsche gestalte en op zijn prachtigen zwarten baard, die op zijne borst afhing; hij liet dan ook in al zijne paleizen zijn portret plaatsen. Een bezoek aan zijne residentie Negaristan is alleen uit dien hoofde reeds de moeite waard.

Eene monumentale poort, ter wederzijde door wachthuizen geflankeerd, geeft toegang tot een prachtig park, voornamelijk beplant met die op eigenaardige manier besnoeide platanen, die men alleen in de perzische tuinen vindt. Onder de hooge takken kan de wind des nachts vrijelijk spelen en zoo de temperatuur afkoelen, die anders onder het dichte en lage gebladerte ondragelijk heet zou zijn. Eene prachtige avenue, uit vijf lanen nevens elkander bestaande, door helder stroomend water gescheiden, brengt u naar een ruim paviljoen, in de gedaante van een grieksch kruis, waarvan de vier armen met gekleurde vensters prijken. De middelste zaal is met een koepel gedekt en versierd met gekleurde en vergulde ornamenten van pleister. Achter dit paviljoen liggen de tuinen van den harem, die door gordijnen voor de oogen van onbescheiden bezoekers verborgen zijn.

In dit gedeelte van het park bevindt zich ook de eigenlijke woning van den souverein. Het is een rechthoekig gebouw; de buitenmuren hebben geene enkele vensteropening, want alle kamers komen op eene binnenplaats uit, die men bereikt door eene smalle lage deur en een bochtigen, nauwen gang. Op die binnenplaats vindt men een prachtig bassin van wit marmer; daaromheen loopt eene breede galerij, waarop de kamers uitkomen van de favorites, die allen in dit gedeelte van het paleis zijn gehuisvest. Haar kleine appartementen bestaan regelmatig uit twee smalle kamers, die haar licht ontvangen door de deur, welke alzoo noodwendig geopend moet blijven.

Midden in een der zijden van het gebouw verrijst het koninklijk paviljoen, van binnen versierd met eene groote muurschildering, waarop Fath-Ali Shâh is afgebeeld, omringd door de twaalf oudsten zijner zonen. Hij zit op een gouden, met edelgesteenten bezaaiden troon, waarboven zich een op gedraaide kolommen rustende troonhemel verheft; tusschen die kolommen staan vazen met bloemen van smaragden en turkozen. De koning is gekleed met eene koledja, waarvan de panden zijne saamgevouwen beenen bedekken, en draagt op het hoofd de tiara, met robijnen en diamanten bezet; hij leunt op een met parelen bestikt kussen, en houdt zijn sabel en zijn kalyan (pijp) in de handen. Zijne zonen, in vier rijen, drie aan drie, gerangschikt, dragen lange tunica's, die zich naar onder toe verwijden; de naden en de zoomen van die kleederen zijn met eene rij groote parelen bezet. De prinsen dragen geen tiara, zooals hun vader, maar een met edelgesteenten versierden diadeem: hun houding, hunne gelaatstrekken en hun kostuum herinneren onwillekeurig aan de figuren op onze oudste speelkaarten.

Op de zijwanden van de zaal heeft de schilder de gezanten van Engeland en Frankrijk afgebeeld, den generaal Gardanne en Sir John Malcolm, met lange roode kousen aan de voeten, zooals de perzische etiquette destijds voorschreef, wanneer men in tegenwoordigheid des konings verscheen. Achter deze beide figuren begint, in twee rijen boven elkander, eene lange reeks van portretten van ministers, staatsdienaars, legerhoofden, gekleed in wijde staatsiekleederen van kashmîr of goudbrokaat met bont omzoomd, met groote tulbanden of hooge mutsen op het hoofd en schitterende van edelgesteenten.

Om zich een juist denkbeeld te vormen van de eigenaardige levenswijze van een oostersch vorst, moet men niet verzuimen in ditzelfde paleis de onderaardsche zaal te bezoeken, waar Fath-Ali Shâh zich des zomers gewoonlijk ophield. Een smalle gang daalt met zachte glooiing af naar een voorportaal, dat toegang geeft tot eene achtkantige zaal, met een koepel gedekt, waarvan het bovenste gedeelte van mat glas is voorzien, zoodat er in de zaal altijd zekere schemering heerscht. Het vertrek is geheel met marmer bekleed: aan de eene zijde bevindt zich eene vrij steile glijbaan, met zerken van gevlamd agaat belegd. De dames van den harem zetten zich geheel naakt op die helling, en gleden zoo af naar een met water gevuld bassin midden in de zaal. In zijn ouderdom bracht de koning den meesten tijd door in dit onderaardsch vertrek, waar eene aangename frissche temperatuur heerschte, en waar hij zich vermaakte met de akrobatische oefeningen en gymnastische kunsten, die hij door zijne vrouwen liet uitvoeren.

Daar de oudste zoon van Fath-Ali Shâh nog bij het leven van zijn vader gestorven was, werd de oude monarch opgevolgd door zijn kleinzoon Mehemed Shâh, een zwak en onbeteekenend man, die in October 1848 overleed. Zijn achttienjarige zoon, Nasr ed-Din, de tegenwoordige Shâh, beklom toen den troon van Perzië.

5 Juni.—Heden morgen ontvingen wij een brief van dokter Tholozan, waarin hij ons mededeelt, dat de audiëntie bij den Shâh is bepaald op twee uren voor zonsondergang. Met het rijtuig van den eersten minister afgehaald, komen wij, na langs verschillende wachthuizen te zijn gegaan, op een der binnenhoven van het koninklijk paleis. De residentie van den Shâh, in het midden der stad gelegen, bestaat uit een aantal vrij eenvoudige gebouwen, omgeven door een wijden ringmuur, aan de binnenzijde bekleed met porseleinen tegels, waarop wachthoudende soldaten zijn afgebeeld. Hun gevuld gelaat is rooskleurig, hunne oogen zijn in een zwarten kring gevat en hunne wenkbrauwen loopen met eene dikke streep ineen. Een rooskleurige koledja en een kanariegele broek passen volkomen bij het komisch uiterlijk dezer geduchte krijgers.

De voornaamste sieraden van het paleis zijn de Bladzijde 212met fraaie blauwe tegels bekleede bassins en de prachtige boomen. Men brengt ons eerst naar een paviljoen, door een der zoons van Fath-Ali Shâh gebouwd. Het bovenste gedeelte der muren is geheel bedekt met groene, gele en blauwe tapijten, waarvan de kleurenmengeling geen aangenamen indruk maakt; de met wit en goud papier beplakte lambrizeeringen worden hier en daar opgeluisterd door die afschuwelijke landschappen, die men nog wel aan sommige ouderwetsche schoorsteenen ziet. Verscheidene portretten van europeesche vorsten hangen in deze zaal, nevens eene perzische schilderij, waarop Nasr ed-Din te paard is afgebeeld; onder de portretten staan langs de wanden een aantal piano's, waarvan ik niet weet of zij ooit bespeeld worden.

Nasr ed-Din, koning van Perzië.

Verschillende hofbedienden komen den salon, waarin wij gezeten zijn, binnenloopen en deelen ons mede dat de Shâh in den tuin is, waar hij ons zal ontvangen, om op zijn gemak te kunnen praten en aan de voorstelling elk officieel karakter te ontnemen. Na onze hoeden stevig op het hoofd te hebben gedrukt, ten einde niet in verzoeking te komen, ze in tegenwoordigheid van den souverein af te nemen, hetgeen in strijd zou zijn met alle etiquette, gaan wij naar buiten. Aan het einde van eene laan bespeuren wij Zijne Majesteit, langzaam voortwandelende, vergezeld van een secretaris, die hem uit eene fransche courant voorleest. Achter den koning volgen, op eenigen afstand, enkele zeer eenvoudig gekleede dienaars zonder livrei. De koning is drie-en-vijftig jaren oud, maar schijnt jonger; zijn haar, dat aan zijne ooren zichtbaar is, is zwart; zijne oogen zijn groot en vol uitdrukking; zijn neus is gekromd, zijne wangen zijn ingevallen; de kleur van zijn gelaat is donker; de knevel is zwart, maar de vrij slordige baard begint reeds grijs te worden. De etiquette verbiedt, een Shâh van Perzië met een scheermes aan te raken: 's konings barbier is mitsdien verplicht de hairen van Zijner Majesteits baard met een schaar af te knippen: eene vervelende operatie, die veel tijd kost en toch nooit goed gelukt. Het kostuum van Nasr ed-Din is hoogst eenvoudig. Een kashmiren jas, met vergulde tressen gesloten, hangt tot op de knieën; de witte pantalon reikt tot aan de enkels; een militaire kapotjas van donkerblauw laken met loshangende mouwen is om den hals vastgemaakt. Op het hoofd draagt de koning eene eenvoudige, zwart laken kollah; zijn kraagje, naar europeesch model, is omstrikt door eene smalle blauw satijnen das. Zijne opengewerkte schoenen laten de witte sokken zichtbaar; aan zijne kleine handen draagt hij witte katoenen handschoenen.

Wij volgen het voorbeeld van dokter Tholozan en gaan ter zijde van de allee staan. Toen de koning tot op tien ellen afstands van ons genaderd was, maakten wij eene buiging; deze groet werd tot tweemaal toe herhaald. Nasr ed-Din trad daarop naderbij.

“Wil Uwe Majesteit mij veroorloven, sprak toen dokter Tholozan, haar den heer en mevrouw Dieulafoy voor te stellen, twee mijner landgenooten, onlangs te Teheran aangekomen en aan wie Uwe Majesteit eene audiëntie heeft willen verleenen?

—Hoe, hernam de koning in het perzisch, is die jonkman eene vrouw?

—Ja, Majesteit; de heer en mevrouw Dieulafoy zijn belast met het overbrengen van depêches voor het fransche gezantschap; zij zijn mij door onze vrienden ten dringendste aanbevolen.

—Waarom, mevrouw, vroeg de koning mij toen in het fransch, hebt gij de gewone kleeding der europeesche dames niet behouden?

De harem van Fath-Ali Shâh.

—Omdat ik zoo gemakkelijker reis en niet in het oog val. Uwe Majesteit weet, welke bezwaren er in mohammedaansche landen aan verbonden zijn, wanneer eene vrouw met ongesluierd gelaat in het openbaar wil verschijnen; het schijnt mij zelfs toe, Bladzijde 214dat op dit punt, de oude gewoonten en godsdienstige voorschriften in Perzië nog strenger worden in acht genomen dan elders.

—Welken weg hebt gij genomen om naar Teheran te gaan?

—Over Tauris.

—Gij hebt toch die lange reis niet te paard afgelegd?

—Uwe Majesteit gelieve te bedenken dat het mij onmogelijk zou zijn in een kadjaveh neergehurkt te zitten; deze onbewegelijke houding zou mij op den duur ziek maken.

—Waar gaat gij nu heen?

—Naar Ispahan, Shiraz, Firoezabad, en vandaar naar Bagdad, Babylon en Susa.

—Gij hebt jaren noodig voor het volbrengen van zulk een tocht. Zult gij de noodige kracht hebben om zulk eene reis ten einde te brengen? Dat schijnt mij zeer twijfelachtig voor eene vrouw; maar hebt gij reeds in het Oosten gereisd, voor gij in Perzië kwaamt?

—Ik heb Algerië, Egypte en Marokko bezocht.

—En hebt gij overal in dat kostuum gereisd?

—Neen, Sire; ik heb het eerst voor goed aangetrokken, toen wij naar Perzië op weg gingen.

—Gij hebt zeer goed gehandeld, zeide de koning. In ons land kan eene vrouw niet ongesluierd reizen of op straat verschijnen, zonder een oploop te veroorzaken. Schijnt u dat zoo vreemd? Meent gij dan, dat wanneer eene perzische vrouw, gesluierd en in haar nationale kleederdracht, langs de boulevards te Parijs ging wandelen, zij niet de aandacht zou trekken en al spoedig een drom volk achter zich krijgen? Toch zouden de Franschen minder te verontschuldigen zijn dan mijne onderdanen, want zeer velen hunner zien hun leven lang geene andere vrouwen dan die tot hunne naaste familie behooren.

—Kunt gij schilderen? vroeg mij daarop de koning.

—Neen, Sire.

—Dat spijt mij; ik wenschte mijn portret te paard te laten maken. Al mijne portretten zijn afschuwelijk; ik heb te Parijs mijn buste laten maken, maar de prinsen vinden het niet goed.

—Welke zijn uwe bezigheden in Frankrijk? vroeg Nasr ed-Din daarop eensklaps aan mijn echtgenoot; hebt gij bij den oorlog van 1870 in het leger gediend?

—Ja, Sire, in het Loire-leger.

—Zoo, onder den generaal d'Aurelles de Paladine, ging de koning voort, die zeer goed op de hoogte scheen te zijn van den veldtocht in Frankrijk. Wat komt gij nu in Perzië doen?

—De regeering heeft mij opgedragen om de ruïnen te bestudeeren der monumenten, door Kaï Kosio, Darab en Shapoer gesticht.

—Lees Firdoesi. In den Shâh Nameh zult gij een schat van wetenswaardigheden en allerlei inlichtingen vinden. Maar welk belang kan Frankrijk bij die gebouwen hebben. Hoe oud zijt gij?

—Zeven-en-dertig jaar.

—Gij ziet er veel ouder uit,” hernam de koning met de meeste openhartigheid.

Dokter Tholozan deelde daarop den Shâh mede dat mijn: echtgenoot ernstig ziek was geweest en dat hij eerst voor den tweeden keer uitging.

“In dat geval, haakim (geneesheer), behoort gij uw vriend te genezen: dat is u wel toevertrouwd.” Daarop zich tot ons wendende: “Het zal mij aangenaam zijn u weer te zien.”

De koning maakte daarop eene beweging met de hand, ten teeken dat de audiëntie was afgeloopen. Wij treden terug en maken driemaal achtereen eene buiging. Nasr ed-Din verwijdert zich langs eene zijlaan, en wij verlaten het paleis.

De hovelingen verklaarden dat de Shâh zich buitengewoon vriendelijk en welwillend had getoond. De koning ziet iemand flink in het gelaat, en als hij lacht vertoonen zich twee rijen mooie hagelwitte tanden. Hij spreekt vrij goed fransch en had, om met ons te praten, geen hulp noodig, noch van zijn eersten tolk, noch van dokter Tholozan. Als wij soms zijne eenigszins zonderling gebouwde zinnen niet spoedig genoeg verstonden en op zijne vragen niet onverwijld antwoord gaven, trok hij op eene eigenaardige manier zijne neusvleugels op, waardoor zijn gelaat eene zeer onaangename uitdrukking kreeg.

Op verzoek van den Shâh hebben wij de photografische portretten gemaakt van de beide kinderen van zijne zuster, een knaapje en een meisje, die er beiden zeer aardig uitzien, en reeds geheel het voorkomen hebben van perzische prinsen, trotsch en deftig.

IX

14 Juni.—Van ons voornemen om naar Damghan te gaan, hebben wij afgezien; uit berichten van karavanen blijkt dat de pest in hevige mate in die landstreek woedt en groote verwoestingen aanricht. Wij hebben daarom eene wijziging in ons reisplan gebracht en slaan de richting in naar Weramin, op omstreeks twaalf farsaks afstands van Teheran verwijderd.

Zoodra men de hoofdstad verlaten heeft, voert de weg door de muren en wallen van het oude Reï, tegenwoordig eenzaam en onbewoond, aan den voet van de Elbroez-keten gelegen. Ter rechterhand verrijst een fraaie toren uit den tijd der Seldsjoeken: links zien wij een kerkhof van de Parsis of aanhangers der oude leer van Zoroaster; de lijken worden daar ten prooi gelaten aan roofvogels, opdat niet de tot verrotting overgaande lichamen de aarde of het water zouden verontreinigen. Voorbij de oude vestingwerken van Reï beginnen fraaie tuinen, door hooge muren van leem omgeven en door prachtig geboomte overschaduwd: de vrouwen van de aanzienlijken te Teheran brengen in deze lusthoven meestal den zomer door. In de nabijheid bevindt zich het mausoleum van Shâh Abdoel-Azim, reeds van verre kenbaar door zijn vergulden koepel en de heerlijke bosschages van olmen en platanen, die het gebouw omringen. De aanblik van dit hoog vereerde heiligdom is voor onze tsjarvadars eene gereede aanleiding om zich te beklagen over de miskenning der rechten en privilegiën der godsdienst, die sedert de komst der Faranguis in Bladzijde 215Perzië hand over hand toeneemt. “Vroeger, zeiden zij, vond de misdadiger bij het graf van Shâh Abdoel-Azim eene onschendbare wijkplaats, waar hij zijn geheele verdere leven kon doorbrengen, terwijl uit de inkomsten der moskee in zijn onderhoud werd voorzien; thans is dat geheel veranderd. Wanneer de koning het beveelt, geven de mollahs geen voedsel aan den schuldige, die bij het graf eene wijkplaats zocht; door den honger gedreven, moet de ongelukkige zich dan wel overgeven.”

Terwijl onze tsjarvadars zoo met weemoed terugzien naar den goeden ouden tijd, naderen wij den berg en volgen de eerste uitloopers van den Damavend, waarvan de hooge besneeuwde top, door de ondergaande zon met purpergloed overgoten, zich heerlijk afteekent tegen den oranjekleurigen hemel en het blauwachtig grijze gesteente der bergen.

Op drie farsaks voorbij Teheran neemt het landschap eensklaps een ander karakter aan; ondanks de invallende duisternis bespeuren wij aan alle kanten, verloren tusschen het weelderige groen, een aantal dorpjes. Weldra giet de maan haar helder licht uit over de bloeiende vlakte, en flonkeren aan den hemel duizenden sterren, met een glans, waarvan wij ons in ons nevelig noorden, geen denkbeeld kunnen maken. Maaiers zijn overal aan den arbeid met het vellen der hooge halmen, die aanstonds door de vrouwen en kinderen tot schoven worden gebonden. Over dag is de hitte te sterk; het graan zou dan, bij het maaien, uit de halmen vallen; de nomaden, die in den oogsttijd hunne diensten aan de landeigenaars verhuren, brengen den geheelen dag slapende door onder een soort van matten afdakken, die op palen rusten. Eerst met den avond vangen zij hun arbeid aan, en gaan daarmede voort tot de zon weer boven de kimmen rijst.

De koelte van den avond schijnt het veld met nieuw leven te hebben bezield: de stilte van den middag wordt vervangen door honderden verschillende geluiden. Het gezang van de maaiers, het geblaf van de honden bij het voorbijtrekken van karavanen, het hinniken der paarden, het gepiep der duizenden krekels: al deze stemmen en geluiden bezielen en verlevendigen het open veld en vormen eene scherpe tegenstelling met de stilte, die thans in de steden heerscht.

Onze muilezeldrijvers, minder gevoelig voor de schoonheden der perzische nachten, zijn waarschijnlijk al voortgaande ingedommeld. Daar wij tegen een uur na middernacht nog niet ter plaatse onzer bestemming zijn gekomen, roepen wij hen ter verantwoording. Zij beweren dat zij een omweg hebben afgesneden, hetgeen zooveel zeggen wil, als dat zij verdwaald zijn. Inderdaad worden wij even daarna gestuit door een net van vrij smalle slooten, die elkander in alle richtingen kruisen. Vergeefs zoeken wij een uitweg of éene gelegenheid om de slooten te doorwaden; eindelijk, ziende hoe vermoeid onze paarden waren door dezen eindeloozen rit over een weeken, drassigen grond, besluiten wij stil te houden in een naburig gehucht, dat zijne ligging verraadt door het onophoudelijk geblaf der wachthonden.

Als wij het dorp binnentrekken, vertoonen zich boven de muren de toppen der katoenen slaapmutsen, die de landlieden gewoon zijn 's nachts te dragen; niet zonder ongerustheid ondervragen zij onze bedienden, om te vernemen wat ons reisgezelschap, door gewapende ruiters vooraf gegaan, op dit ongewone uur in het dorp komt doen.

“Wij zijn van den weg afgedwaald, antwoorden onze muilezeldrijvers; en uit vrees voor dieven zouden wij onze beesten gaarne onder dak brengen, in plaats van in het open veld te kampeeren.”

Aan de reizigers schenen de vriendelijke tsjarvadars niet eens te denken!

Men wijst ons nu het huis van den ket khoda, het grootste van het dorp, waar wij, naar het schijnt, een onderkomen zullen vinden. Een der tsjarvadars klopt aan de deur der woning; zij wordt geopend, en na eene vrij langdurige bespreking, treden wij in een donkeren gang, die naar den tuin loopt. Onder de boomen bevindt zich een ruime, met tegels geplaveide plaats, die thans voor slaapkamer dient. De bewoners van dit huis hebben hun nachtkwartier nog niet op het platte dak opgeslagen, waar men anders des zomers pleegt te slapen. Het is zoo helder, dat men al de slapers, naast elkander op hun saamgevouwen dekens uitgestrekt, herkennen kan.

Men biedt ons de beste plaatsen aan, tegen den muur van het huis; toen wij den wensch te kennen gaven om liever binnenshuis te mogen slapen, keek onze gastheer ons verwonderd aan; niettemin liet hij aanstonds een vertrek open sluiten. Ons nachtkwartier is spoedig gereed, en weldra was alles weer in diepe rust gedompeld, die slechts door onze aankomst voor eenige oogenblikken verstoord was geworden.

15 Juni.—Den volgenden morgen gingen wij om zes uur op weg, ten einde zooveel mogelijk de warmte te vermijden. De karavaan trekt eerst over de talrijke slooten, die ons den vorigen avond hebben tegen gehouden, en slaat den weg in naar eene roodachtige streep aan den horizon, die de grens der woestijn aanwijst. In dezen tijd des jaars toont het veld overal de bewijzen van eene zeldzame vruchtbaarheid; de zorgvuldig bebouwde akkers wisselen af met schilderachtige bosschages en boomgroepen, alom door de vlakte verspreid; zoo ver het oog reikt golft het goudgele koren en blinken de velden met witte papaverbloemen. Het is thans de tijd van de eerste inzameling van de opium. In de rijpe bollen maakt men van ter zijde, met een scherp snijdend werktuig, eene kleine opening; het daaruit vloeiende vocht wordt opgevangen in een kopje, dat aan den vinger van den landbouwer is vastgemaakt. Deze operatie wordt driemaal om de veertien dagen herhaald, waarna de plant al haar sap heeft verloren.

Na een moeilijken rit van vier uren midden door de akkers, waarbij wij, tot groot misnoegen van de dorpelingen, het te veld staande gewas moeten vertrappen, zie ik in de verte een hoogen toren met een kegelvormige spits en den geëmailleerden koepel eener moskee, oprijzende boven een uitgestrekt donkergroen bosch. Dat is het dorp Weramin. Bladzijde 216Weldra loopt nu onze weg midden door tuinen, waarvan de leemen muren elk uitzicht belemmeren.

Kersen-, abrikozen-, pruimen- en perzikenboomen staan in zoo groote menigte en zoo dicht op elkander, dat zij een ondoordringbaar bosch vormen: hunne takken zijn zoo overvloedig met vruchten beladen, dat het gebladerte daar ten deele onder verdwijnt. Een aantal knapen zijn bezig met het afplukken der roode en witte moerbeziën, zoo groot als duiveneieren, waarmede de reusachtige boomen bezaaid zijn; elders gloeien, onder het hooge geboomte, te midden van het donkere groen, de roode vruchten der granaten.