WeRead Powered by ReaderPub
Prometheus ontboeid: Een lyrisch drama in vier bedrijven cover

Prometheus ontboeid: Een lyrisch drama in vier bedrijven

Chapter 15: VERBETERINGEN.
Open in WeRead

About This Book

A lyrical four-act drama follows the titan Prometheus, enduring prolonged torment while refusing reconciliation with the ruling deity; through dialogues with spirits, ocean and mountain voices, and figures such as Asia, Panthea, Ione, Demogorgon and Hercules, the poem dramatizes the overthrow of cosmic tyranny, the moral resilience of compassion and imagination, and the renewal of human society. Shelley's verse transforms classical myth into a visionary meditation on liberation, love, and creative power, using rich imagery, shifting meters, and choruses of natural spirits to stage spiritual revolution and the promise of a more equal, joyous communal life.

HALFKOOR I.

    Wij drijven diep de hemelen door,—

HALFKOOR II.

Ons trekt de toover van 't aardrijk aan,—

HALFKOOR I.

Vurig en vrij, en rusteloos-ras,
    Met de Geesten die bouwen een nieuwe aarde en zee,
En een hemel waar nooit nog een hemel was.

HALFKOOR II.

    Plechtig en langzaam, vol helderen vreê,
Leidend den dag en ontsnellend den nacht,
    Met de machten van stralende wereld meê.

HALFKOOR I.

    Wij wervlen luid zingende rond den bol,
En zijn chaos verhelderd door liefde's macht,
En niet door vrees, vertoont zich in pracht,
    Van boomen en dieren en wolken vol.

HALFKOOR II.

Wij omcirklen de zee en de bergen der aard,
En de blijde gedaanten van wat zij baart
En gestorven weer tot zich neemt, wisselen bij de
Zoete muziek van ons innig verblijden.

KOOR VAN UREN EN GEESTEN.

Breekt den dans en verstrooit nu het koor,
    Laat enklen blijven en andren gaan.
Waar wij ook vlieden, wij leiden aldoor,
    Aan banden als stralen van sterrenschijn
    Die teeder maar onverbrekelijk zijn,
De wolken met liefderegen belaên.

PANTHEA.

Ach! zij zijn heen!

IONE.

Maar voelt gij toch geen vreugd
Door de voorbije zoetheid?

PANTHEA.

Als de naakte
En groene heuvel lacht met duizend droppen
Van zonnig water naar den open hemel,
Wanneer een zachte wolk verdwijnt in regen!

IONE.

Juist wijl wij spreken rijzen nieuwe noten.
Wat is dat machtige geluid?

PANTHEA.

De diepe
Muziek der wentelende wereld is 't,
Die in de snaren der gegolfde lucht
Aeolische geluidsschakeering wekt.

IONE.

Luister, hoe iedre rust ook is gevuld
Met onder-noten, klare, zilvren tonen,
IJzig en hel en die ontwaken doen,
Die door de zinnen boren naar de ziel,
En daarin leven; als de scherpe sterren
Boren door de kristallen winterlucht
En staren naar zichzelf in zee weerspiegeld.

PANTHEA.

Maar zie, waar door twee poorten van het woud,—
Hangende twijgen overwelven die,—
En waar twee aadren van een stroompje maakten
Tusschen het dichte mos, vol van viooltjes,
Hun zangrig pad (gelijk een zusterpaar,
Scheidend met zuchten, dat ze in lachjes weer
Vereenen mogen, makend tot een eiland
Van lieflijk leed, een woud van zoete, droeve
Gedachten, hun beminnelijke scheiding),—
Twee vizioenen, wonderbaar van straling,
Aandrijven op den zee-gelijken toover
Van machtgen klank, die nog geweldger, heller,
En dieper schijnt te stroomen onder de aard
En door de lucht waarin geen wind beweegt.

IONE.

Ik zie een wagen als die smalste boot,
Waarin der Maanden Moeder wordt gedragen
Bij ebbend schijnsel naar haar grot in 't Westen,
Als ze opspringt uit haar tusschen-maansche droomen;
Waarover buigt een cirkelend gewelf
Van teeder duister, en geboomte en heuvels,
Goed zichtbaar door dien donkren luchten sluier,
Lijken gedaanten uit een tooverspiegel.
Zijn raderen zijn vaste wolken, blauw
En goud,—de geesten van den donderstorm
Stapelen zulke op den verlichten zeevloer,
Wanneer de zon daaronder snelt; zij wentlen,
Bewegen, groeien aan, als door een wind
Die hen inwendig drijft. Er binnen in
Zit een gevleugeld kind, met wit gelaat
Gelijk de witheid van de heldre sneeuw.
Zijn wieken zijn als zonnig ijs-gevedert,
Zijn leden lichten blank door de op den wind
Golvende vouwen van zijn blank gewaad,
Weefsel van hemel-paarlen. Ook zijn haar
Is wit, de glinstring van wit licht verdeeld
In draden; maar zijn oogen zijn twee heemlen
Van vloeiend duister, dat zijn godlijkheid
Schijnt te doen stroomen, evenals een storm
Uit kartelige wolken wordt gestort,
Uit hun pijlvormige wimpers, temperend
De koude en stralende atmosfeer in 't rond
Met vuur, dat toch niet helder is. Zijn hand
Zwaait een trillenden manestraal, wiens punt
De macht heeft om den steven van den wagen
Te sturen op zijn wielgelijke wolken;
Die, wen zij wentlen over gras en bloemen
En waatren, klanken wekken, even zoet
Als zilvren dauw zijn zangerige regen.

PANTHEA.

En zie, uit de andere oopning in het woud
Snelt aan, met luide en wervlende muziek,
Een bol: duizenden bollen zijn 't in éen,
Vast als kristal, maar 'lijk een leedge ruimte
Geheel doorvloeid van melodie en licht:
Tienduizend cirkels vlechtend en vervlochten,
Purper, azuur en blank, gulden en groen,
Kring binnen kring; en ieder vakje ertusschen
Bevolkt met onverbeeldbare gestalten
Als geesten droomen in het lamploos diep,
Doch alle zijn doorzichtig. En zij wervlen
Over elkaar in duizendvoud bewegen,
Op duizenden onzichtbare assen wentlend;
En met de kracht van snelheid die zichzelf
Tegenstreeft, rollen zij, geweldig, langzaam,
En statig; zij ontsteken met een mengling
Van klank en meengen toon verstaanbre woorden
En wilde melodie. Met machtge wervling
Doorsnijdt, verstuift de wemelende bol
't Heldre riviertje in een azuren mist
Van opgeloste fijnheid, licht-gelijk;
En van het boschgebloemt de wilde geur,
Muziek van 't levend gras en van de lucht,
't Smaragden licht van stralen in 't gebladert
Vervlochten, schijnen om zijn machtgen spoed,
Die toch zichzelf bestrijdt, samengekneed
Tot éen etherische zelfstandigheid,
Waarin de zinnen zwijmen. In den bol,
Op zijn albasten armen, als een peluw,
Gelijk een kind door lieflijk werk vermoeid,
Ligt op zijn eigen toegevouwen vlerken
En golvig haar de Geest der Aard te slapen,
En gij kunt zien zijn lipjes die bewegen
In van hun eigen glimlach 't wisslend licht
Als een die droomend spreekt van wat hij liefheeft.

IONE.

Hij doet alleen uit scherts de melodie
Van zijn bol voertuig na.

PANTHEA.

En van een ster
Die op zijn voorhoofd schijnt schieten er stralen,
Als zwaarden van azuren vuur, goudsperen
Met loof van myrten, dat tyrannen temt,
Bevlochten als symbool dat aarde en hemel
Nu éen zijn; machtge stralen, die als spaken
Van een onzichtbaar wiel in 't ronde draaien,
Gelijk de bol draait, sneller dan gedachte,
Den afgrond vullend met hun zonnebliksems,—
En nu loodrecht, dan dwars, den donkren grond
Doorboren, en terwijl zij 't doen, ontblooten
Van 't diepe hart der aarde al de geheimen;—
Eindlooze mijn van diamant en goud,
Waardloos gesteent en onverbeeld juweel,
Holen gestut op kristallijnen zuilen,
Van een plantaardig zilver overspreid,
Bronnen van peilloos vuur, en waterwellen
De groote zee voedend gelijk een kind,
Wier dampen 't vorstelijk gebergt van de aard
Met prinslijk hermelijnen sneeuw omkleeden.
De stralen schieten voort, en doen verschijnen
Droeve ruïnen van verdwenen tijden;
Ankers, snebben van schepen, en in marmer
Verkeerde planken, pijlkokers en helmen,
Speren, en schilden met medusa-hoofden,
Wielen van zeisenwagens, en blazoenen
Van standaarden, trofeeën en heraldisch
Gedierte, waaromheen de lach des Doods klonk,
Begraven teekens van verwoesting, dood nu,
Verwoesting in verwoesting;—en ernaast
Bouwvallen van veel uitgestrekte steden,
Waar de bevolking, overgroeid door de aarde,
Sterfelijk, maar niet menschlijk was. O zie!
Daar liggen hun barbaarsche werken en
Lompe geraamten; beelden, huizen, tempels;
Monster-gedaanten door elkaar gesmeten
In kleurlooze vernietiging, gespleten,
Beklemd in 't harde zwarte diep; daarboven
Riffen van onbekende vleugelwezens,
Visschen: eens levende eilanden van schubben
En slangen, beenge ketens rond-omkrinklend
De ijzeren rotsen, of in hoopen stof:
De kronkelige kracht van hun laatst lijden
Vermorzelde tot stof de ijzeren rotsen;
Daarboven, de getande krokodil,
En 't machtig nijlpaard, dat eens de aarde schokte,
Voorheen monarchen van 't gediert, voortteelend
Op slijmige stranden, wildernis-begroeide
Vastlanden van deze aard, als zomerwormen
Op een verlaten lijk,—tot, als een mantel
De blauwe bol rond zich een zondvloed sloot,
En zij luid huilden, hijgden, en vergingen;
Of wel, een God, wiens troon in een komeet was,
Kwam de aard voorbij en riep tot hen: "Vergaat!"
En als mijn woorden, waren zij niet meer.

DE AARDE.

O vreugd, o zegepraal, o wellust, o verdwazen,
    O blijdschap grenzenloos, uitbarstend, overstroomend,
Niet te beperken juiching gelijk ijle wazen;
    Heil! heil! 't verheugen dat mijn ziel heeft ingenomen, 't
Omhult me: een atmosfeer van licht, en 't draagt gezwind
Mij voort, gelijk een wolk drijvend op eigen wind!

DE MAAN.

        Broeder, die reist in kalm genucht,
        Zalige bol van land en lucht,
Gelijk een straal schoot gij een Geest tot mij,
        Die mijn bevrozen lijf doorklieft
    Met warmte als van een vlam, en liefd'
    En geuren stuwt en diepe melodij,
Door mij, door mij!

DE AARDE.

    Heil! heil! hoe mijn gespleten vlammenkraatren,
    De holen van mijn hol gebergt, en jublende fonteinen,
Lachen met onbegrensd en onuitbluschbaar schaatren!
    De zeeën en de afgronden en woestijnen
    En van de diepe lucht de onmeetlijke domeinen,
Echoën 't na van al hun wolken, al hun waatren!

    Zij roepen luid als ik. Vloek, die den schepter tildet,
    Die heel ons groen en blauw heelal wel wildet
Met donkren ondergang omwikkelen rondom,
    Zendend een vaste wolk, om heete donderklooten
    Te reegnen, en 't gebeente van mijn kindren stuk te stooten,
Al wat ik baar kneedend en kneuzend tot éen massa, leeg en stom,—

    Tot iedere vermaarde zuil en toren rotsgelijk,
    Paleis en obelisk en tempel plechtig-rijk,
Mijn keizerlijk gebergt bekroond met wolken, vuur en gloeden,
    Mijn zee-gelijke wouden, ieder sprietje, en iedre bloesem,
    Die de eerste koestring en zijn graf vindt in mijn boezem,
Waren vertreên tot zielloos slijk door uw geweldge woede,—

    Hoe zijt gij nu gezonken, weg, bedekt, en opgezogen
    Door 't dorstig niets, gelijk de brakke togen
Gedronken door een karavaan--maar weinig voor elkeen!—
    En 't vullend van omlaag, omhoog, rondom, en binnenin
    Barst nu de liefde in 't Leêg van uw vernietiging,
Gelijk het licht in holen, die de bliksem spleet vaneen!

DE MAAN.

    De sneeuw smelt op mijn doode kruinen
    In stralend-levende fonteinen,
Mijn vaste zeeën vloeien in zang en schijn:
    Een geest springt uit mij op met kracht,
    Hij kleedt met schepping onverwacht
Mijn koude naakte borst; o het moet de uwe zijn
Op mijn', op mijn'!
    Starend naar u
voel en besef ik nu
Dat groene stengels rijzen, helle bloemen bloeien;—
    Levende wezens op mijn borst bewegen,
Zangen de zee, de lucht doorvloeien,
    Gewiekte wolken, donker van den regen
Waarvan de knoppen droomen, drijven wijd uiteen—
't Is liefde, liefde alleen!

DE AARDE.

    Hoe dringt door mijn granieten lichaam zij;
    Door wortels dicht-vervlochten en vertreden klei
Tot in het fijnst gebloemt en 't uiterste gebladert;
    Winden en wolken maakt zij tot haar woon,
    Een leven wekt ze in de vergeten doôn:
Een ziel wordt uit hun zwartste holen opgeädemd;

    En als een storm met wervelwind en donder
    Splijtend zijn wolkenkerker, rees ze—o wonder!—
Uit grotten onverlicht van ongedroomd bestaan;—
    Met schok of de aarde beeft en snelheid die den stillen
    Gedachte-chaos, steeds bewegingloos, doet trillen;
Tot haat en vrees en pijn als schaûw voor 't licht vergaan,

    Den Mensch verlatend, die een grilge spiegel was,
    't Waarachtig schoon heelal verminkend in zijn glas
Tot menig drogbeeld, nu een zee weerkaatsend liefde,
    Die over heel zijn ras—gelijk de hemel glijdt
    Op zuivren oceaan, rimpelloos uitgespreid—
Beweegt, en licht en leven schiet uit sterge diepten;

    Den Mensch verlatend—als een kindje dat melaatsch
    Verlaten wordt, en een ziek dier nagaat tot naar de plaats
Waar de geneeskracht van een bron door warm een rotskloof dringt,—
    Dan gaat het onbewust naar huis.... zijn moeder vreest
    Een oogwenk, om zijn rozigen glimlach: 't is een geest....
Maar dan herkent zij 't en zij schreit op haar herstelde kind.

    Den Mensch—o! niet de menschen! maar één keten van gedacht'
    Aaneengeschakeld, en onscheidbre liefde en macht,
Drijvend met diamanten sterkt' natuur haar krachten:
    Als met tyrannenblik de zon beheerscht
    De onrustge staat van de planeten, die om 't zeerst
Naar 's hemels vrije wildernis te worstlen trachten.

    Den Mensch, één harmonieuze ziel van vele zielen saam,
    Wier godlijke aard het is, zichzelve na te gaan,
Waar alles vliedt tot alles, als naar zee de stroomen;—
    Liefde vermooit het dagelijksche doen,
    Arbeid en pijn en leed, in 's levens groen plantsoen,
Spelen als tam gediert—wie kon zoo zacht hen droomen?

    Zijn wil,—met lagen hartstocht, slecht genot,
    En zelfsche zorgen, die hem dienen als een god,—
Een geest, slecht als hij heerscht, als hij gehoorzaamt machtig,
    Is als een stormgevleugeld schip, en Liefde stuurt het voort
    Door golven die niet durven breken overboord,—
De wildste levensstranden dwingt ze in haar regeering krachtig.

    Alles bekent zijn sterkte. Door het koude marmer gaan,
    En door de doffe kleur, zijn droomen: heldre draên,
Waarvan de moeders kleedren voor haar kindren weven;
    De taal is een oneindig Orfeus-lied:
    Beheerscht haar harmonie, de kunstge, niet
Ontelbre vormen en gedachten, anders zonder leven?

    De bliksem is zijn slaaf; 't diepst van den hemel
    Toont hem zijn sterren, langs zijn oog gaat hun gewemel
Gelijk een kudde schapen, en hij telt hen een voor een,
    De storm is als zijn paard; de luchten hij beschrijdt;
    En de afgrond roept ten hemel, uit zijn diepten, blootgeleid,
"Hebt gij nog éen geheim? De mensch ontfloerst me: ik heb er geen."—

DE MAAN.

        De schaduw van den witten dood,
        Die als een lijkkleed mij omsloot
    Van vaste vorst en slaap, week van mijn weg in 't eind;
        Door nieuw-geweven looverpaên
        Volzalige beminden gaan,—
    Zoo machtge niet, maar even zachte zijn 't,
Als zij wier schoonheid in uw diepre dalen schijnt.

DE AARDE.

Gelijk de warmte van den ochtendgloed
    Een half bevrozen dauw-bol smelten doet,
Kristal en groen en goud, tot, een gewiekte mist,
    Hij opzweeft in den blauwen dagezaal,
    Den noen doorleeft, en op den laatsten zonnestraal
Hangt boven zee, een vlies van vuur en amethyst.

DE MAAN.

    Gij ligt neer, omhuld in schijnen
    Van het licht dat niet zal kwijnen
Van uw vreugd en van den hemel die zoo godlijk lacht;
    Alle zonnen, alle sterren,
    Regenen op u van verre—
Uwen bol bekleedend,—leven, licht en macht.
    Maar úw schijnen regent gij
Op mij, op mij!

DE AARDE.

    Ik wentel voort onder mijn piramide
    Van duister, spitsend in de heemlen,—droomen bieden
Mij wellust, in mijn tooverslaap murmel ik zegepralend;
    Eevnals een jongling, in een liefdedroom gesust,
    Zacht zuchtend in den afglans van zijn schoonheid rust,
Gelijk een wacht van warmte en licht zijn sluimering omstralend.

DE MAAN.

        Als in de eclips, teeder en zoet
        Wanneer de ziel een ziel ontmoet
    Op lieve lippen, hooge harten stil
        En helderste oogen wazig zijn,—
        Zoo, valt uw schaduw op mijn schijn,
    Ook ik, gestild, niet spreken wil,
Door u bedekt, en van uw liefde, o schoonste Bol,
Vol, ál te vol!

Om de zonne spoedt ge u snel,
Helderste wereld van 't heelal,
Groen-en-blauwe bol die straalt
Met een licht waar geen bij haalt:
Geen der lampen die de heemlen
Licht en levensvol doorweemlen
Komt uw godlijkheid nabij.
Ik, gedreven aan uw zij—
Uw kristallen lief—door kracht
Als der minnaarsoogen macht:
Lokkende magneet-gewijs
Naar dien pool, dat paradijs;
Ik, een maagd verliefd zoozeer
Dat de liefdevreugd haar teer
Denken overlaadt, omstrijk u
Als van zinnen, en bekijk u—
Als een bruid die niet kan scheiden
Van 't genot, aan alle zijden
Haren bruigom te beschouwen;
Als verdwaasde Bacchus-vrouwen
Rond den beker, opgetild
Door Agave in Cadmus' wild
En betooverd woud. O broeder,
Waar ge ook henenzweeft, ik moet er
Volgen, haastig, wervelend,
Door de heemlen zonder end,
Voor het hongrig Leêg beschermd
Daar uw ziel mij warm omarmt.
'k Drink, wijl ik u voel en zie,
Majesteit, macht, harmonie,—
Als op dat waar zij naar kijken
Minnaar en kameleon lijken;
Als de teedere oogjes schouwen
Van viooltjes naar den blauwen
Hemel, tot hun kleuren zijn
Als 't azuur zoo puur en fijn;
Als een grijze vochtge mist
Gloeit gelijk vast amethyst
Tegen den berg in 't West dien hij omhult,
Wen de zonsondergang bleek-guld
Slaapt op zijn sneeuw, en 't teedre daglicht schreit
Om eigen eindigheid.

DE AARDE.

O teedre Maan, uw stem vol zaligheid
Valt op mij als uw licht dat klaar omspreidt,
Streelend en teer, den zeeman die doorglijdt,
            In zomernacht, eilanden eeuwig-vredig;
O teedre Maan, die uw kristallen zingen
In diepe holen van mijn trots doet dringen,
Temmend den tijger vreugd, wiens wilde trappelingen
            Mij wonden sloegen, die uw balsem lenig'.

PANTHEA.

Ik rijs—als uit een bad van schittrend water,
Een bad van blauwen schijn in donkre rotsen,—
Uit die rivier van klank.

IONE.

O! zoete Zuster,
De stroom van klank is van ons weggevloeid;
En uit zijn golven zegt gij op te rijzen,
Omdat uw woorden vallen als de dauw,
De heldre, zachte, die een woudnymf schudt,
Nadat zij baadde, van haar lijf en haar.

PANTHEA.

Stil! stil! Een machtge Geest, gelijk het duister,
Stijgt op uit de aarde, en regent van den hemel,
Als nacht en barst van binnen uit de lucht,
Als een eclips, verzameld in de poriën
Van 't zonlicht. En de heldere vizioenen
Waarin de Geesten die er zongen, dreven
En schenen, glimmen, bleeke meteoren
Door vochtgen nacht.

IONE.

Mijn oor voelt iets als woorden.

PANTHEA.

Een algemeen geluid als woorden. Luister!

DEMOGORGON.

Aard, van een zaalge ziel de kalme staat,
    Van godlijkste gedaante' en zangen vol,
    Verzamelend in 't wentlen, schoone bol,
De liefde die plaveit uw hemelstraat!

DE AARDE.

Ik hoor: ik ben een dauwdrup die vergaat.

DEMOGORGON.

Maan, die verbaasd de nachtlijke Aard bestaart,
    Gelijk hij u, terwijl gij beiden zijt
Voor menschen, dieren, vooglen die gij baart,
    Rust, kalmte, harmonie en lieflijkheid!

DE MAAN.

Ik hoor: ik ben een blad: doorsidder gij 't.

DEMOGORGON.

Vorsten van zonne' en sterren! Goôn, Demonen,
    Hemelsche Machten, die bezitters zijt
Van zaalge windlooze Elyseesche wonen,
    Voorbij des Hemels sterrige eenzaamheid!

EEN STEM VAN OMHOOG.

Ons Rijk hoort toe; zeegnend in zaligheid.

DEMOGORGON.

Gelukge Doôn, die 't stralendste gedicht
    Enkel bewolkt, nooit beeldt in schilderij,
Hetzij uw wezen in die wereld ligt
    Die gij eens zaagt en leedt—

EEN STEM VAN BENEDEN.

Hetzij we, als zij
Die levend zijn, verandrend gaan voorbij—

DEMOGORGON.

Geesten der elementen, die bewoont
    Van 's menschen hooge ziel tot zelfs van 't grijs,
Droef lood de kern; van 's hemels ster-gekroond
    Gewelf, tot het traag wier, een worm ten spijs!

EEN VERMENGDE STEM.

    Wij hooren: het vergeetne wekt uw wijs.

DEMOGORGON.

Geesten die huist in vleesch! vogels en dieren,
    Visschen en wormen; knoppen ook, en blaêren;
    Bliksem en wind! en gij, ontembre scharen,
Meteoren, misten, die de lucht doorzwieren!

EEN STEM.

Uw stem is ons als wind in woudrevieren.

DEMOGORGON.

Mensch, eens een wreed tyran of dienaar laf,
    Bedrieger of bedrogene, een vergaan,
Een reiziger, van de wieg tot aan het graf,
    In 't duister, door dees dag voorgoed verdaan!

ALLEN.

Spreek! uw sterk woord mag nimmer ondergaan.

DEMOGORGON.

Dit is de dag dat de leege afgrond wacht,
Op 's Aard-geboornen ban, 's Hemels tyrannenmacht,
    En de Overweldger wordt gesleurd aan band
Door 't opgesperde diep. Van haar geweldgen troon:
Geduldge macht in 't wijze hart; van het laatste uur van hoon,
    Duizling en lijdzaamheid; van smallen glibberkant,
Steil, van de rots-gelijke smart; springt nu de Liefde en sluit
De wereld in haar wiekenpaar: daar drupt genezing uit.

Zachtheid en Deugd, Wijsheid en Lijdzaamheid—
Dat zijn de zegels die met machtge zekerheid
    Boven Verwoestings kracht den afgrond sluiten;
En als met zwakke hand soms de Eeuwigheid,
Moeder van vele dade' en uren, weer bevrijdt
    De slang die met zijn heele lengt' haar wilde omsluiten—
Herovert gij de volle heerschappij
Over de' ontbonden doem door deze tooverij.

Smarten te lijden, wen de Hoop geen uitkomst wacht;
En onrecht te vergeven, donkerder dan nacht
    Of dood; Macht te trotseeren die almachtig schijnt;
    Te lijden, dulden, hopen, tot de Hoop in 't eind
Uit eigen bouwval schept wat ze in haar droom zich dacht;
Noch te verandren, noch door spijt en vreeze
    Te wanklen; dit gelijk des Titans glorie,
Is schoon en groot en blij en vrij en deugdzaam wezen,
    Slechts dit is Heerschappij, Vreugd, Leven en Victorie!

 
 
 

VERBETERINGEN.

Bladz.  1 r.   3 v. o.staatsmartleessmaad
"  7 na regel 11 v. b. is weggevallen:
      Ondelgbaar, giftig, en hun groeikracht zuigend,—
"22 r.   6 v. o.staatfolteringleesfoltring
"40 r.   3 v. o."wakker"wakker.
"60 r.   2 v. b."gruwbre"gruwbrer
"67 r. 13 v. o."bescheidenheid"verscheidenheid
"71 r.   4 v. o."klonk"klonk;

Nota: Bovenstaande verbeteringen zijn reeds aangebracht in de tekst.