ASIA.
Hoor! Geesten spreken! Vloeiende echo's klinken
Nog van hun hemelstemmen na.
PANTHEA.
Ik hoor.
ECHO'S.
Volg, o volg!
Wen ons lied dreigt te zwijgen,
Waar een grot ons verzwolg—
Waar wouden stijgen—
(meer verwijderd)
Volg, o volg,
Waar een grot ons verzwolg.
Ga ons na als 't lied versuist,
Waar de wilde bij nooit ruischt,
Door het diepe middagdonker,
Langs het nachtgebloemte loom,
Geuren aadmend in zijn droom,
Langs de golfjes, waar geflonker
Van een bron in holen blinkt,
Wijl onstuimig en toch zoet
Ons gezang speelt met uw voet
Die zoo zacht ter aarde zinkt,
Zeegeboorne!
ASIA.
Zullen wij 't zingen volgen? Zachter wordt het
En verder.
PANTHEA.
Hoor! het koor komt nader nu.
ECHO'S.
In het onbekende
Slaapt een ongesproken stem;
Slechts als gij u daarheen wendde,
Wekt gij hem;
Zeegeboorne!
ASIA.
Hoe op den wind die ebt de tonen zinken!
ECHO'S.
Volg, o volg,
Waar een grot ons verzwolg!
Ga ons na als 't lied verflauwt;
Door het dauwig middagwoud,
Langs de meren en fonteinen,
Bosschen door, en grilge lijnen
Van gebergten, naar de spleten,
Diepten, scheuren, waar 't vaneengereten
Lijf van de Aarde rustte van zijn lijden
Op den dag toen Hij en Gij
Zijt gescheiden—
Paar dat nu hereenigd zij;—
Zeegeboorne!
ASIA.
Mijn lieve Panthea, kom, geef mij uw hand,
En volgen we, eer de stemmen zijn verruischt.
TWEEDE TOONEEL.
Een bosch, afgewisseld door rotsen en holen. Asia en Panthea
gaan het in. Twee jonge faunen zitten luisterend op een rots.
HALFKOOR I VAN GEESTEN.
Het pad waarlangs dat lieflijk paar
Schreed onder ceder, taxis, pijn,
Al donkre boomen die er zijn,
Scheidt van den hemel wijd en klaar
Een ondoordringbaar loofgordijn
Wind, regen, zon- noch maneschijn
Vindt zich een weg door die geweven
Prieelen, slechts een wolk van dauw
Drijft somtijds langs de stammen grauw
Op winden mee die de aard bezweven,
Doet overal een parel beven
In bloesems bleek, opnieuw ontbloeid,
Van 't lauwergroen, en buigt de kroon
Van een teer-lieflijke anemoon,
Waarna ze stil vervloeit.
Of wen een ster, van velen een,
Die stijgt en drijft in steilen nacht,
De eenige kloof vond waardoorheen
Nog dalen kan der stralen pracht,—
Voordat zij vliedt voorbij, voorbij:
De heemlen, nimmer rusten zij,—
Sprenkelt zij droppend gouden schijnen
Als nooit vereenende regenlijnen:—
En 't heilig duister is in 't rond;
Omlaag is de bemoste grond.
HALFKOOR II.
Daar zijn den heelen heldren noen
Verliefde nachtegalen wakker.
Wen een bezwijmt van heil of smart
En zinkt door 't windloos klimopgroen
Stervend van zoete liefde op 't hart,
Het toon-doortrilde, van zijn makker;
Verheft een ander die daar wachtte,
In bloesems heen en weer bewogen,
Het kwijnende eind der laatste klachten
Om in te vallen, plots ten hoogen
De wieken van den weeken zang,—
Tot eigen lied uit nieuwen drang
Van voelen rijst,—en 't woud wordt stom;
Men hoort alleen door donkre lucht
Van vlerken 't ritselend gerucht,
En evenals fluiten, wen rondom
Een meer zich spreidt, bedwelmen 't brein
Klanken zoo zoet dat vreugde zweemt naar pijn.
HALFKOOR I.
Als tooverkolken spelen daar
Zoet-stemmige echo's en zij tijgen
Door Demogorgons machtge wet,
Smeltend verrukt of zoet ontzet,
Langs 't heimlijk pad een geestenschaar;
Als stroomen die van bergdooi stijgen
Schepen uit land naar zee toe voeren.
Tot wie door slaap of zacht gepraat
Geboeid zijn eerst een fluistren gaat;
't Wekt de verkoornen; zacht ontroeren
Trekt hen en stuwt hen voort. Ja, zwoeren
Niet zij die 't zagen dat een wind
Achter hen stoomt van de aadmende aard,
Die veedren optilt en wiens vaart
Hen verder drijft gezwind,
Terwijl zij denken dat hun voet
En eigen vleuglenpaar zoo snel
Gehoorzaamt aan hun wenschen zoet?
Zoo drijven zij—tot, lieflijk wel
Nog steeds, maar krachtiger en luid
De storm van klank zwelt voor hen uit,
Haastend, als opgeslorpt; zij volgen,
En weer verzaamlen zich zijn golven,
Die naar den berg van 't noodlot dragen
Als wolken de wijkende lucht doorjagen.
EERSTE FAUN.
Kunt ge u verbeelden waar die geesten leven,
Die in het woud zoo fijne melodieën
Doen klinken? In de minst bezochte holen
En dichtste lommerlegers wonen wij
En kennen deze wildernissen wél,
Doch hen ontmoeten nooit we, ofschoon wij vaak
Hen hooren: waar toch, denkt ge, schuilen zij?
TWEEDE FAUN.
't Is zwaar te weten. Wel heb ik gehoord,
Dat andren meer bekend met geesten zeiden:
De bellen die de zonnetoover zuigt
Uit bleeke, teere waterbloemen die
Den slijkgen bodem van de heldre meren
En plassen overspreiden, zijn de tenten
Waarin die wezens wonen en doorzweven
De groene en gouden atmosfeer, ontstoken
Door 't middaguur onder het blaadrenweefsel;
En wen die barsten en de dunne lucht,
De vuurge, die zij aêmden in die helle
Gewelven, stijgt om meteoorgelijk
Te vliegen door den nacht, rijden zij dáarop
En sturen hun onstuimge vaart en buigen
Hun flonkerende kuiven, en in vuur
Glijden zij weer onder der aarde waatren.
EERSTE FAUN.
Als zulke zoo bestaan, leven dan andre
Weer andre levens, onder anemonen,
Of in de klokjes van de weidebloemen,
In de gevouwen diepte van viooltjes,
Of op hun stervende zoetgeurigheid
Wanneer zij sterven, of in 't zonlicht van
De ronde dauw?
TWEEDE FAUN.
Ja, velen, wel te raden.—
Maar als wij praten bleven werd het middag,
En knorrige Silenus zou zijn geiten
Nog ongemolken vinden, en ons brommend
Die wijze en liefelijke zangen weigren,
Van Noodlot, Toeval, God, en ouden Chaos,
Liefde, en den droevgen doem van den geboeiden
Titan, en hoe die eens, bevrijd, heel de aard
Eén broederschap zal maken: schoone liedren,
Die onze eenzame schemers blij doen zijn,
En die tot luistrend zwijgen zelfs bekoren
De niet naijverige nachtegalen.
DERDE TOONEEL.
Een rotspunt tusschen bergen. ASIA en PANTHEA.
PANTHEA.
Hier droeg 't geluid ons heen, naar het gebied
Van Demogorgon, en de machtge poort,
Gelijk van een vulkaan de meteoor-
Aadmende spleet, waaruit de orakeldamp
Opwervelt, dien de eenzamen in hun jeugd
Rondzwervend drinken, en zij noemen hem
Waarheid of deugd, bezieling, liefde of vreugd,—
Die levenswijn die als ontzind doet zijn,
Wiens droesem zij tot diepe dronkenschap
Gansch leedgen, en dan heffen zij de stem,
Gelijk Maenaden luidkeels "Evoë!"
Uitgalmend, die de weerld besmetting dunkt.
ASIA.
Waardig een troon voor zulk een Macht! Hoe schoon!
Wat zijt gij grootsch, o Aarde! En als gij zijt
De schaduw van een geest, nog lieflijker,—
Schoon kwaad zijn werk bevlekke, en of ook hij,
Gelijk zijn schepping, zwak doch heerlijk zij,—
Dan zou ik kunnen knielen en u beiden
Vereeren! Ja, ook nu aanbidt mijn hart.
Hoe wonderbaar! Zie, Zuster, eer de damp
Uw brein beneevle. Omlaag is een wijd veld
Golvende mist, gelijk een meer, plaveiend
Onder de morgenlucht met blauwe golven,
Barstend in zilverschijn, een Indisch dal.
Zie hoe het rolt onder de stollende winden,
En hoe 't den bergtop waar we in 't midden staan
Aan alle zijden tot een eiland maakt,
Omkringd door wouden, donker en in bloei,
Scheemrige weiden, stroom-verlichte holen,
En zwerfsche mist-gestalten: winden-toover;
En ver omhoog werpen de scherpe bergen,
Den hemel splijtend, van hun ijzge spitsen,
Stralend als zonneschijn, den dageraad,
Als der geheven zee verblindend schuim
Omhooggespat tege' een Atlantisch eiland,
Den wind bestert met lamp-gelijke dropplen.
Het dal is door hun muren als omgordeld,
Gehuil van katarakten, uit ravijnen,
Door dooi gekliefd, verzaadt den wind die luistert,
Aanhoudend, wijd, geweldig als de stilte.
Hoor! 't stuwen van de sneeuw! de zon-ontwaakte
Lawine! wier drievoudig door den storm
Gezifte massa vlok bij vlok verzaêmd was,
Gelijk in geesten die den hemel tarten
Gedachte wordt gestapeld op gedachte,
Totdat een groote waarheid losraakt, rondom
Weergalmen dan de volken, tot hun wortels
Daavrend geschud, als thans de bergen doen.
PANTHEA.
Zie hoe de onstuimge zee van neevlen breekt
In purper schuim, en juist aan onzen voet!
Zij rijst als de oceaan bij manetoover
Rondom schipbreukelingen zonder voedsel
Op een laag, slijkig eiland.
ASIA.
De wolkflarden
Verspreiden zich naar boven. 'k Voel den wind
Die ze optilt warren in mijn haar; de golven
Drijven over mijn oogen nu, mijn brein
Duizelt; ziet gij gedaanten in de mist?
PANTHEA.
't Is een gelaat—zijn glimlach wenkt—er brandt
Azuren vuur in zijn goudlokken. Zie!
Nog een en nog een! Luister! zij gaan spreken!
ZANG VAN GEESTEN.
Naar omlaag, naar omlaag,
Daal, daal!
Door de schaduw vaag
Van den slaap, en de dampen
Waar de Dood en het Leven kampen;
Door den slagboom van 't zijnd'
En het waas van wat schijnt,
Naar de treden van troon in den versten zaal,
Daal, daal!
Wijl 't geluid kolkt in 't rond,
Daal, daal!
Als het hert trekt een hond,
Als den bliksem de damp,
Als een vlinder de lamp,
Wanhoop dood, liefde zorgen,
Tijd beî, heden morgen,
Als de geest van den steen doet gehoorzamen 't staal,
Daal, daal!
Door het grijs leeg ravijn,
Daal, daal!
Maan noch sterren er zijn,
Geen prisma de lucht is,
Om de rotsen geducht, is
Geen hemelsche luister
Noch aardeduister,—
Doordrongen van Een is het t'eenemaal—
Daal, daal!
Naar het diepst van den kolk,
Daal, daal!
Als bliksem in slaap in een wolk,
Als de in kolen gekoesterde vonk,
Als, door Liefde herdacht, een laatste lonk,
Als van een edelen steen de schijnen
Op den donkeren rijkdom der mijnen,
Wordt een toover gezwegen, die voor u zich vertaal'—
Daal, daal!
Wij bonden, wij leiden u,
Daal, daal!
Met de heldre gestalte bezijden u;
Schuw niet dat ge ontkracht zijt:
Zoo machtig is zachtheid,
Dat de Eeuwge, de Onsterflijke,
Door de poort van het Werklijke,
Moet loslaten den Doem, die beneên zijn troon slaapt in slange-spiraal,
Alleen om haar.
VIERDE TOONEEL.
De grot van Demogorgon. ASIA en PANTHEA.
PANTHEA.
Wat voor gesluierde gestalte zit
Ginds op dien ebben troon?
ASIA.
De sluier viel.
PANTHEA.
'k Zie een geweldig Donker, 't vult den zetel
Dier Macht; stralen van duister schieten rond
Als licht van middagzon, door geen bestaard,
En zonder vorm. Leden, gedaant' noch omtrek;
Toch voelen wij: het is een Geest die leeft.
DEMOGORGON.
Vraag wat gij weten wildet.
ASIA.
Maar wat kúnt
Gij openbaren?
DEMOGORGON.
Al wat gij durft vragen.
ASIA.
Wie schiep de weerld die leeft?
DEMOGORGON.
God.
ASIA.
Wie schiep al
Wat ze in zich sluit? gedachte, hartstocht, rede,
Wil en verbeelding?
DEMOGORGON.
God, de Almachtge God.
ASIA.
Wie schiep 't gevoel, dat bij het ongemeenst
Bezoek van Lentewind, of bij de stem
Van een beminde alleen in jeugd gehoord,
Tranen 't verflauwende oog ontwellen doet,
Die, vallend, van 't niet rouwende gebloemt
Den hellen blik verduistren,—dat deze aard,
De dicht-bevolkte, als eenzaam achterlaat,
Wen het niet weerkeert?
DEMOGORGON.
De barmhartge God.
ASIA.
En wie schiep schrik, waanzin, berouw en zonde,
Die, van de schakels van den grooten keten
Der dingen, tot de nietigste gedachte
In 's menschen geest, regeeren en zwaar sleepen,
En elkeen wankelt naar den kuil des doods
Onder dien druk; hoop die men opgaf; liefde
Verkeerd in haat; en zelfverachting, wranger
Een drank dan bloed; leed, wiens geluid, gemeenzaam,
Onopgemerkt, luid huilt en heftig krijt
Dag in dag uit; en Hel, of voor de Hel
De hevige angst?
DEMOGORGON.
Hij heerscht.
ASIA.
Zeg hoe hij heet!
Een weerld in pijn verkwijnend vraagt zijn naam
Alleen: haar vloek zal hem zijn troon af sleuren.
DEMOGORGON.
Hij heerscht.
ASIA.
Ik voel, ik weet het: wie?
DEMOGORGON.
Hij heerscht.
ASIA.
Wie heerscht? In 't eerst was er de Hemel, de Aarde,
Het Licht, de Liefde; dan Saturnus, van
Wiens troon, als een naijverige schaduw,
De Tijd viel. De eerste schepselen der aard
Leefden, toen hij regeerde, als in de vreugd,
De kalme, van gebloemt en levend loof,
Voordat de wind of zon het welken deed,
En half-levende wormen. Maar hij wilde
't Geboortrecht van hun wezen hun niet geven:
Kennis en macht, de kunst die de elementen
Handelbaar maakt, gedachte die als 't licht
Dit donker Al doordringt, zelfheerschappij,
En majesteit van liefde; en zij verkwijnden
Van dorst daarnaar. Toen schonk Prometheus wijsheid,
Dus kracht, aan Jupiter, en met deze eisch
Alleen: "Zij 't menschdom vrij," bekleedde hij
Hem met de macht over den wijden Hemel.
Te kennen trouw noch wet noch liefde, almachtig
Maar zonder vriend te zijn, is heerschappij.
Jupiter heerschte nu; want op 't geslacht
Des menschen viel eerst honger, toen gezwoeg,
Toen ziekte, strijd en wonden, en de dood,
Spookachtig, en voorheen nimmer aanschouwd;
De ontijdige getijden dreven toen
Met wisselende schichten: ijs en vuur,
Hun onbeschutte bleeke benden heen
Naar bergspelonken; in hun leege harten
Zond hij heevge begeerten, zinlooze onrust,
En ijdle schaduwen van onwerklijk goed,
Die onderlingen oorlog stichtten, 't leger
Verwoestend waar ze in raasden. Maar Prometheus
Zag het, en deed der Hoop legioenen rijzen,
Die in 't gevouwen elyseesch gebloemt,
Bloesems die nooit verwelken, Amarant,
Nepenthe en Moly, sluim'ren, dat hun dunne
Regenboog-wieken Doods gedaant' verborgen;
En Liefde zond hij dat zij binden zou
De uiteengescheurde ranken van dien wijnstok
Die 's levens wijn doet rijpen: 't menschenhart;
Hij temde 't vuur dat als een roofdier speelde,
Vreeslijk doch lieflijk, onder 's menschen frons;
En naar zijn wil martelde hij het ijzer
En 't goud, de slaven en 't symbool der Macht,
Juweelen en vergiften, al 't verfijndste
Dat onder bergen en in golven schuilt.
Hij gaf den Mensch de taal, taal schiep gedachte,
Die van 't heelal de maat is; kennis schokte
De tronen van den hemel en van de aard,
Die trilden maar niet stortten; en de ziel
Vol harmonie uitte zich al-profetisch
In zang; muziek hief, tot hij zorg-bevrijd,
Godgelijk schreed over de klare golven
Van zoet geluid, den luisterenden geest;
En menschenhanden bootsten na, bespotten
Ten laatste, met gestalten geboetseerd
Lieflijker dan hun eigne, 's menschen vorm,
Totdat het marmer godlijk werd, en moeders
Die het beschouwden er de liefde dronken
Die menschen in hun kroost weerspiegeld zien
En 't ziende sterven. Van gewas en bronnen
Zei hij wat kracht zij bergen, en de Ziekte
Dronk en vond slaap. De Dood werd slaapgelijk.
Hij onderwees de veel-vervlochten banen
Geweven door 't wijd-zwervende gestarnt,
En hoe de zon van plaats verandert, hoe
De bleeke maan, door een geheimen toover,
Wisselt van vorm, wen haar breed oog niet staart
Op de onverlichte zee. Ook leerde hij,
Als 't leven ledematen stuurt, te heerschen
Over de storm-gewiekte zeeëwagens,
En Kelt en Indiaan kenden elkaar.
Steden verrezen toen, en door hun sneeuw-
Gelijke zuilen vloeiden warme winden,
En scheen de azuren lucht en zag men 't blauw
Der zee en schaduwige heuvlen. Dit
Werd door Prometheus aan den mensch geschonken
Tot een verlichting van zijn toestand, daarvoor
Hangt hij en kwijnt in opgelegde pijn.
Maar wie regent het Kwaad neer, de ongeneesbre
Plaag, die wijl godgelijk de mensch zijn schepping
Beschouwt en ziet haar heerlijkheid, hem voortjaagt,
't Wrak van zijn eigen wil, de spot der Aarde,
De eenzame, de verlaten uitgestootne?
Niet Jupiter. Terwijk zijn frons den Hemel
Nog schokte,—en hem zijn tegenstander vloekte,
In diamant geketend, trilde hij
Gelijk een slaaf. Zeg mij, wie is zijn meester?
Is hij een slaaf, ook hij?
DEMOGORGON.
Al geesten zijn 't,
Die 't slechte dienen: en of Jupiter
Zoo'n geest is, ja of neen, dat weet gij zelf.
ASIA.
Wien noemt gij God?
DEMOGORGON.
Ik sprak slechts gelijk gij,
Want Jupiter is de opperste van al
Wat leeft.
ASIA.
Wie is de meester van den slaaf?
DEMOGORGON.
Als de afgrond zijn geheimen uit kon werpen....
Maar er ontbreekt een stem, de diepe waarheid
Is beeldloos; wat zou 't helpen of 'k u 't wentlen
Der weerld aanschouwen deed? of spreken liet
Lot, Toeval, Tijd, Kans en Verandering?
Aan deze is alles onderworpen, enkel
De eeuwige Liefde niet.
ASIA.
Zoo veel vroeg 'k reeds
Voorheen, en 't antwoord dat gij gaaft, gaf ook
Mijn hart; van zulke waarheden moet elk
Zichzelf 't orakel zijn. Nog éen ding vraag ik;
Antwoord gij mij gelijk mijn eigen ziel
Antwoorden zou, wist zij maar wat ik vraag.
Prometheus zal verrijzen en voortaan
De zon zijn van deze opgetogen wereld:
Wanneer zal de bestemde stond verschijnen?
DEMOGORGON.
Zie!
ASIA.
De rotsen spleten, door den purpren nacht
Zie 'k wagens, regenboog-gewiekte paarden
Trekken ze en treden op de duistre winden:
In iedren staat een voerman wild van blik,
Hun vlucht aanhitsend. Enklen zien naar achter,
Of duivels hen vervolgden, toch zie 'k niets
Dan 't schitterend gestarnt: met brandend oog
Buigen zich andren over, die den wind
Van de eigen vaart met greetge lippen drinken,
Alsof dat wat zij minden voor hen vlood
En nu, juist nu, zij 't grepen. Heldre lokken
Ontstroomen hun gelijk het flikkrend haar
Van een komeet: zij allen haasten verder.
DEMOGORGON.
Dit zijn de onsterflijke Uren waar ge om vroegt.
Eén wacht op u.
ASIA.
Een Geest, vreeslijk van aanblik,
Beteugelt bij de rotsge krocht zijn wagen,
De donkre. Uw broedren ongelijke voerman,
Spookachtige, wie zijt gij? Waarheen woudt gij
Mij dragen? Spreek!
GEEST.
Ik ben de schaduw van
Een vreeselijker noodlot dan mijn aanblik.
Eer gindsche ster verzonk, zal 't met mij stijgend
Duister des Hemels koningloozen troon
In eeuwgen nacht omwikklen.
ASIA.
Wat bedoelt gij?
PANTHEA.
Die vreeselijke Schaduw vliegt omhoog
Van zijn troonzetel, als de doodsche damp
Van steden die de aardbeving heeft verwoest
Over de zee. Zie! hij bestijgt den wagen;
De paarden rennen als ontzet! Aanschouw
Zijn pad tusschen de sterren, nacht-verduistrend!
ASIA.
Zoo word ik beantwoord: vreemd!
PANTHEA.
Zie, bij den zoom
Een andre wagen,—een ivoren schelp,
Doorvloeid van purper vuur dat komt en gaat
Binnen haar rand, gebeeldhouwd vreemd en fijn
Van lijnensier. De jonge Geest, haar sturend,
Heeft de oogen van de Hoop, de duif-gelijke.
Hoe haar zacht lachen lokt de ziel! als 't licht
Vliegende insecten door lamplooze lucht.
GEEST.
Mijn renpaarden voedde het weerlicht,
Zij drinken van 's wervelwinds vloed,
En zij baden in 't purperen meer zich, 't
Frisch meer van den morgenzon-gloed.
Hun sterkte volstaat voor hun spoed;—
Stijg dan op met mij, Zeegeboorne!
Ik verlang,—door den nacht vaart een lichtschijn;
Ik vrees,—zij ontvlieden de' orkaan;
Eer de wolken om de' Atlas gezwicht zijn,
Omcirklen wij de aarde en de maan.
Dat wij rusten wen 't werk is gedaan:—
Stijg dan op met mij, Zeegeboorne!
VIJFDE TOONEEL.
De wagen houdt stil in een wolk op den top van een sneeuwigen berg.
Asia, Panthea, en de Geest van het Uur.
GEEST.
Op de grens van den daagraad en 't duister
Zijn mijn paarden veraadming gewend;
Maar van de Aard hoorde ik juist een gefluister
Dat sneller dan 't vuur dient gerend:
Drinkt verlangen en vaart ongekend!
ASIA.
Op hun neusgaten blaast gij, maar mijn adem
Zou hun meer snelheid geven.
GEEST.
Kon dat maar!
PANTHEA.
O Geest! vertoef; zeg, waar is 't licht vandaan
Dat deze wolk vult? Nog verrees geen zon.
GEEST.
De zon zal niet verrijzen voor den noen.
Verwondring houdt Apollo in den hemel,
En 't licht dat dezen damp doorvloeit, niet anders
Dan van de rozen die een bron aanstaren
Doorzichtge tint het water vult, ontstroomt
Uw machtge Zuster.
PANTHEA.
Ja, ik voel 't—
ASIA.
Wat is er,
Zuster? Gij zijt zoo bleek.
PANTHEA.
O hoe veranderd
Zijt gij! 'k durf u niet aanzien, ik gevoel
Maar zie u niet. Ternauwernood doorsta ik
De straling van uw schoonheid. Zeekre goede
Verandring werkt in de elementen, die
Uw tegenwoordigheid ontsluierd dulden.
De Nereïden zeggen, op den dag
Toen 't heldre zeekristal bij uw verrijzen
Spleet, en gij stondt in een dooraarde schelp,
Die aandreef op den kalmen zeeëspiegel
Tusschen de Egeïsche eilanden en langs
Den oever die uw naam draagt,—barstte er liefde,
Als de atmosfeer van zonvuur 't levende Al
Vullend, uit u, dat aarde en hemel straalden,
De diepe zee en de zonlooze holen,
En al wat daarin woont; tot leed verduistring
Wierp op de ziel waaruit dat schijnsel kwam.
Zoo zijt gij thans; en ik ben 't niet alleen—
Uw zuster, gezellin, uwe uitverkoorne—
't Is heel de wereld, die uw liefde zoekt.
Hoort gij geen klanken in de lucht die uiten
Liefde van al wat stem heeft? Voelt gij niet
Hoe de onbezielde winde' op u verliefd zijn?
Luister!
(Muziek)
ASIA.
Uw woorden klinken zoeter mij
Dan wat ter wereld ook, behalve zijne,
Wier wederklank zij zijn: doch alle liefde
Is zoet, of men haar schenke of zelf ontvang'.
Liefde is als 't licht voor iedereen en al,
En haar vertrouwde stem verveelt niet, immer.
Gelijk de wijde hemel en de lucht
Die alles leven doet, maakt zij 't reptiel
Den God gelijk. Zij die haar 't meest doen voelen
Zijn zalig, gelijk ik thans, maar wie 't meest
Haar voelen, zijn nog zaalger, na lang lijden,—
Als ik gauw zijn zal.
PANTHEA.
Luister! Geesten spreken.
STEM IN DE LUCHT, DIE ZINGT.
Levens Leven! doen uw lippen
Niet van liefde uw adem gloeien?
Van uw lachjes, voor zij glippen,
Brandt de koude lucht,—dan vloeien
Ze in die blikken waar wie lazen
Zwijmen warrende in hun mazen.
Kind van Licht! Uw leden schijnen
Door de plooien die ze omspreiden,
Als de helle morgenlijnen
Door de wolken ongescheiden,
Deze hemelsch-teedre glans,
Waar ge ook blinkt, omhult u gansch.
Schoon zijn andren; geen aanschouwt u.
Maar uw stem zacht-lieflijk ruischt er
Als de schoonste,—hij onthoudt u
Aan 't gezicht, die vloeibre luister,—
Ieder voelt, maar ziet u nimmer,
Als thans ik, vergaan voor immer!
Lamp der Aarde! Uw stralen doopen
Oovral donkre vorme' in klaarte,
Zielen die gij liefhebt loopen
Op de winden zonder zwaarte.
Tot zij zwijme' als ik, verslagen,
Duizlig, zwijm, doch zonder klagen!
ASIA.
Mijn ziel is een bekoorde kaan,
Die als een sluimerende zwaan
Drijft op de zilverzee van uw zoet kweelen;
Engelgelijk zit de uwe daar
Neven het roer geleidend haar,
Wijl melodiên door alle winden spelen.
Zij drijft, naar 't schijnt, immer, voor immer:
De waatren staken 't kronklen nimmer
Tusschen ravijnen, bergen, wouden—
't Wildst paradijs dat 'k ooit aanschouwde!
Tot, als een die sluimring bond,
Naar de' oceaan gedragen 'k neerdrijf in het rond,
In diepe zee van klank die eindloos opwaarts bront.
Nu heft uw geest in reinste rijken
Van zang zijn vleuglen, en zij grijpen
Winden, die in dien zaalgen hemel beven;
Wij zeilen voort, ver weg, zoo ver,
Zonder een koers, zonder een ster,
Slechts door den drang van zoeten klank gedreven;
Tot ge eindelijk door eilandgaarden,
—O schoonste loods!—te schoon voor de aarde,
Waar nooit een sterflijk scheepje glijdt,
De boot van mijn begeerte leidt;
Liefde is wat we aadmen hier, liefde volkomen,
Bewegende in den wind en op de stroomen,
Makend deze aard gelijk aan 't geen we omhoog ons droomen.
Ouderdoms ijzge holen varen
Voorbij we, en ruwe donkre baren:
Volwassenheid; en de effen zee der Jeugd,
Glimlachend maar bedrieglijk; langs den spiegel
Der Kindsheid vlieden wij, vol schaûw-gewiegel,
Door Dood, Geboorte, naar volmaakter vreugd:—
Daar welven zich prieelen tot een Eden,
Verlicht door bloemen starend naar beneden,
En waterpaden die zich windend spoên
Door wildernissen kalm en groen,
Bevolkt door wezens, al te stralend klaar
Om aan te zien, onverontrust,—bijna als gij voorwaar—
Die schrijden op de zee, en zingen wonderbaar!
DERDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
De Hemel. Jupiter op zijn troon, Thetis en de andere Godheden verzameld.
JUPITER.
Gij hemelmachten hier verzaêmd, die deelt
De glorie en de kracht van wien gij dient,
Verblijdt u! want voortaan ben ik almachtig.
Ik onderwierp al 't andre, alleen de ziel
Des menschen, dat onuitgebluschte vuur,
Brandt nog den hemel tegen, fel verwijtend,
Twijflend, weeklagend, in gebed weerstrevend,
Ophuilend muiterij, die ons oud rijk
Wankelbaar maken kon, al is 't gebouwd
Op oudst geloof en vrees, hel's evenouder.
En schoon mijn vloeken, gelijk vlok bij vlok
De sneeuw op onbegroeide kruinen valt,
Dalen door zwevende atmosfeer en kleven
Aan haar,—schoon ze in het duister van mijn toorn
Stijgt op des levens rotsen stap na stap,
Gelijk het ijs den ongeschoeiden voet
Haar wondend,—tòch blijft zij de ellende meester,
Strevend, niet onderdrukt;—maar weldra valt zij.
Juist nu baarde ik een wonder, een vreemd wonder—
't Noodlottig kind, de schrik van de aard, slechts wachtend
Tot de bestemde stond verschijnen zal
(Dragend van Demogorgons leedgen troon
De vreeselijke macht van eeuwge leden,
Die ongezien dien schrikbren geest bekleedden)
Om, weer gedaald, dien sprankel te vertreden.
Pleng 's hemels wijn, o Ida's Ganymeed,
Doe hem als vuur de kunstge bekers vullen,
En van den bloem-doorweven godenvloer,
Verrijs, al-zegevierende muziek,
Als dauw van de aard onder der scheemring starren!
Drinkt! dat de nectar door uw aadren cirklend
De ziel der vreugde zij, gij eeuwge Goden,
Tot jublen uitbarst in één wijde stem,
Als melodie van de Elyseesche winden.
En gij, stijg naast me, omsluierd in het licht
Van het verlangen dat u eent met mij,
Thetis, o stralend beeld van de eeuwigheid!
Toen ge uitriept: "God, niet-te-verduren macht!
Spaar me! ik doorsta de snelle vlammen niet,
't Doordringend bijzijn; heel mijn wezen smolt,
Als dat van hem die tot een dauw vervloeide
Door 't gif van de Numidische haagdis,—
Zinkende door zijn grondvest;" toen juist maakten
Twee machtge geesten saâm vereend een derden,
Machtger dan bei, die onlichaamlijk nu
Tusschen ons zweeft, gevoeld schoon niet aanschouwd,
En de gestaltenis verbeidt die stijgt
(Hoort gij den donder van de vuurge wielen,
Snijdend den wind?) van Demogorgons troon.
Zegepraal! Zegepraal! Voelt gij niet, wereld!
De aardbeving van zijn wagen die de' Olympus
Opdondert?
(De Wagen van het Uur verschijnt. Demogorgon stijgt af,
en gaat naar den Troon van Jupiter).
Vreeslijk wezen, spreek! wat zijt gij?
DEMOGORGON.
De Eeuwigheid. Vraag niet een gruwbrer naam.
Daal van uw troon en volg me in d'afgrond neer.
Ik ben uw kind, als gij Saturnus' kind,
Machtger dan gij. En samen moeten wij
Voortaan in duister. Licht uw bliksems niet.
De dwinglandij des hemels moog' voortaan
Niet een zich nemen, krijgen of behouden
Na u: doch wilt ge—daar 't het noodlot is
Van wormen daar me' op treedt dat ze zich kronklen
Totdat ze dood zijn—toon wat ge vermoogt.
JUPITER.
Vloekbre misboorte! zóo dan treed ik u
Neer onder diepte van Titanen-holen—
Draalt ge nog?
O erbarmen! o erbarmen!
Geen deernis, geen bevrijding, geen respijt.
Maakte mijn vijand ge tot rechter mij,
Hemzelf, die hangende aan den Caucasus
Door mijn langduurge wraak verdord is—Hij
Zou mij niet zóo verdoemen. Is hij niet,
De zachte en vreeslooze en rechtvaardige,
De koning van de wereld? Wat zijt gìj dan?—
Geen toevlucht, geen verhooring!
Zink dan mét mij!
Verzinken beiden we in de wijde baren
Van ondergang, gelijk een gier en slang,
Ontkracht, in onontwarbren strijd vervlochten,
Neerstorten, in een strandlooze' oceaan.
De hel ontsluit' nu haar omwalde zeeën
Van stormend vuur, en overstelpe daar
In 't boômloos leeg deze verlaten wereld,
En u, en mij, verwinnaar en verslaagne,
En 't wrak van dat waarom zij streden.
Wee!
Wee! De elementen zijn mij niet gehoorzaam!
Duizelend zink ik neer, eeuwig, voor eeuwig!
En, als een wolk, verduistert met zijn zege
Mijn vijand van omhoog mijn val! Wee! Wee!
TWEEDE TOONEEL.
(De mond van een groote rivier in het eiland Atlantis. Oceanus
is zichtbaar rustend bij het strand, Apollo staat naast hem).
OCEANUS.
Hij viel onder den frons van zijn verwinnaar,
Zoo zegt ge?
APOLLO.
Ja, bij 't einde van den strijd,
Waardoor de bol dien ik bestuur verduisterd'
En 't vast gestarnte trilde, werd de hemel
Beschenen door de ontzetting van zijn oog
Met bloedrood licht, door dichten flardenzoom
Van 't zegepralend duister, wijl hij viel:
Gelijk de laatste glans van rooden doodsstrijd
Des daags, die door een spleet der vuurge wolken
Ver brandt over het storm-doorgroefde diep.
OCEANUS.
Zonk hij naar de' afgrond, naar het donker Leêg?
APOLLO.
Gelijk een aadlaar op den Caucasus
Gevangen in een wolk die splijt; zijn vlerken
Waarmee de donder spot, in wervelwind
Verward; zijn oogen die de zon aanstaarden
Zonder verblind te zijn, door 't witte weerlicht
Verbijsterd; wijl de zware hagel slaat
Zijn worstlende gestalt', die eindlijk zinkt
Voorover, en het hemelsche ijs omklemt haar.
OCEANUS.
Voortaan zal 't hemelspieglend zeeëveld—
Mijn rijk—opdeinen, door geen bloed bevlekt,
Onder de winden die het rijzen doen
Als 't graanveld golvende in de zomerlucht;
Mijn stroomen zullen rijkbevolkte kusten
Omvlieten en gelukkige eilandrijken.
En van hun glazen tronen zullen Proteus,
De zeeëblauwe, met zijn vochtge nymfen,
De schaduw zien van schoone schepen (zoo
Zien menschen, hoe de licht-beladen maan:
Drijvende bark, saam met die witte ster:
Kroon van onzichtbren loods, wordt meegedragen
Op zee die ebt: snelle zonsondergang—);
Volgend hun pad niet meer door bloed en klachten,
Verwoesting, en dooreengemengde stemmen
Van slaafschheid en bevel—maar door het licht
Van golf-weerkaatst gebloemt, drijvende geuren,
Zachte muziek, en vriendelijke en vrije,
Zachtmoedge stemmen: lieflijkste muziek,
Waarvan de geesten houden.
APOLLO.
En ik zal
Niet meer op daden staren die mijn geest
Verduisteren met smart, gelijk de eclips
Den bol dien 'k leid verdonkert.—Luister! 'k hoor
De kleine, klare, zilvren luit waarmee
De jonge Geest speelt in de Morgenster.
OCEANUS.
Nu moet gij gaan. Uw paarden zullen rusten
Vanavond—tot zoolang zeg 'k u vaarwel.
Het luide diep roept mij juist nu naar huis,
Om het te voeden met azuren kalmte
Uit de smaragden urnen, die voor eeuwig
Gevuld, neven mijn troon staan. Zie de Nymfen,
Onder de groene zee, 't beweeglijk lijf
Gedragen op den wind-gelijken vloed,
Haar armen blank boven haar stroomend haar
Getild, met kransen bont en sterge kronen
Van zeegebloemt, zich haastende om te sieren
De vreugde die haar machtge zuster beidt.
(Een geluid van golven wordt gehoord.)
't Is de ongeweide zee hongrend naar kalmte.
Monster, wees stil; ik kom. Vaarwel.
APOLLO.
Vaarwel.
DERDE TOONEEL.
(De Caucasus. Prometheus, Hercules, Ione, de Aarde, Geesten;
Asia en Panthea, in den wagen met de Geest van het Uur.)
HERCULES ontboeit PROMETHEUS die neerdaalt.
HERCULES.
Roemruchtigste der Geesten! zoo dient Kracht
Wijsheid en Moed en lang-duldende Liefde,
En u, die 't wezen zijt dat zij bezielen,—
Gelijk een slaaf.
PROMETHEUS.
Uw vriendelijke woorden
Zijn zoeter zelfs dan vrijheid, lang begeerd
En lang verschoven.
Asia, 's levens licht,
Afglans van onaanschouwde Schoonheid; gij ook,
Lieflijke zusternymfen die 't erinren
Dier lange jaren van ellende zoet maakt
Door liefde en zorg; nu scheiden wij niet meer.
Er is een grot, gansch overgroeid met geurge
Kruipende planten, die den dag afsluiten
Met blaadren en gebloemte, en geplaveid
Met aderig smaragd; en een fontein,
Wier klank ontwaken doet, springt middenin.
Van het gebogen dak hangen omneer
Bevrozen tranen van den berg, als zilver
Of sneeuw of lange diamanten spitsen,
Waaruit een twijfelachtig schijnsel stroomt.
Daar hoort men de altijd-door bewogen lucht,
Erbuiten fluisterend van boom tot boom,
Vogels en bijen, en in 't rond zijn zetels
Van mos; de ruwe wanden zijn bekleed
Met lang zacht gras:—'t is een eenvoudge woning,
Die de onze zijn zal; waar wij neergezeten
Veel zullen spreken over tijd en wissling,
Wanneer de wereld ebt en vloedt, doch wij
Dezelfden blijven. Want wat zou den Mensch
Kunnen vrijwaren voor verandering?—
En, wen gij zucht, zal ik glimlachen; gij,
Ione, zult zee-melodieën zingen,
Totdat ik ween,—dan zal uw glimlach drogen
De tranen die zij wekte, nochtans zoet.
Wij zullen knoppen, bloemen, en de stralen
Die fonklen aan den zoom van de fontein
Verwinden, en tot vreemde vormen vlechten
't Gewone, als kleine menschenkindren doen
In korte onschuldigheid. Wij zullen zoeken
Met blikken en met woorden onzer liefde
Naar schuilende gedachten, elke schooner
Dan de voorafgegane, in onze zielen,
Nooit uitgeput; en gelijk luiten bevend
Onder 't bespelen van verliefden wind,
Hemelsche harmonieën, altijd nieuw,
Uit lieflijke verscheidenheid, waar nooit
Oneenigheid kan zijn, tesamenweven.
En hierheen komen, op bekoorde winden
Die van elk hemeleind elkaar ontmoeten
(Als bijen die van iedre bloem, gevoed
Door 't hemelsche Enna, bij hun eigen huizen
Op 't eiland Himera tesamenkomen)
De echo's aansnellen van de menschenwereld,
Die spreken van de zachte stem der Liefde,
Schier ongehoord, en van 't gemurmeld leed
Van Medelij duif-oogig, en Muziek,
Zelf de echo van het hart,—al wat het leven
Des menschen, vrij nu, zachter, beter maakt.
En lieflijke verschijningen, eerst scheemrig,
Dan stralend,—als de geest, helder ontrijzend
Schoonheids omhelzing (daarvandaan de vormen
Waar deze 't schaduwbeeld van zijn) haar kleedt
In stralenbundels—die zijn werklijkheid,—
Zullen daar tot ons komen; het onsterflijk
Nakroost van Schilderschoon en Beeldhouwkunst
En opgetogen Poëzie, en andre,
Die zullen zijn, schoon wij niet weten hoe.
Zwervende stemmen zijn ze en schaduwen
Van al wat 't menschdom past, bemiddelaars
Van liefde—'t beste dat men eeren kan—
Door hen en ons geschonken en beantwoord;
Snelle gestalten en geluiden, schooner
En zachter naar de mensch wijs wordt en teeder,
En kwaad en dwaling storten, floers na floers.
Dat is 't vermogen van de grot en 't oord.
(Zich wendend tot de Geest van het Uur.)
Voor u, lieflijke Geest, rest nog éen arbeid,
Ione, geef haar die gebogen schelp,
Die de oude Proteus gaf als bruidsgeschenk
Aan Asia, ademend een stem daarin,
Die zal verwerklijkt worden,—en die gij
Verborgt in gras onder de holle rots.
IONE.
Gij van alle Uren meest begeerde, meer
Bemind en minnenswaard dan al uw zusters,
Dit is de tooverschelp. Zie 't bleek azuur
Dat overgaat in zilver, het bedekt haar
Inwendig met een zacht maar gloeiend licht:
Schijnt het geen zwijgende muziek daar sluimrend?
GEEST.
Waarlijk, het schijnt de mooiste schelp der zee;
Haar klank moet tegelijk zoet zijn en vreemd.
PROMETHEUS.
Ga, door uw wervelwind-voetige paarden
Over de steden van den mensch gedragen;
Snel nu nog eens rondom de ronde wereld
De zon voorbij, en blaas, terwijl uw wagen
De ontgloeide lucht klieft, in die bochtge schelp,
Zoodat haar machtige muziek bevrijd wordt:
't Zal zijn als donder, menglend met klare echo's.
Kom dan terug, en woon naast onze grot.
En gij, o Moeder Aarde!—
DE AARDE.
Ik hoor, ik voel.
Uw lippen raken mij, en hun beroering
Stroomt langs mijn zenuwen van marmer neer
Tot, middenin, het diamanten duister;
't Is leven, vreugd,—en door mijn oud, verwelkt
En ijzig lijf schiet nu in kringloop weer
De warmte van onsterfelijke jeugd.
Voortaan zullen de vele schoone kindren,
Omstrengeld in mijn leven-gevende armen,
Alle gewassen, kruipende gedaanten,
Insecten regenboog-gevleugeld, vogels,
Dieren, visschen en menschlijke gestalten,
Die ziekte en pijn mijn droge borst ontzogen
Drinkend het gif van wanhoop,—van mij krijgen
En onderling uitwisselen zoet voedsel.
Als zuster-antilopen zullen zij
Mij worden, die éen schoone moeder voedt,
Sneeuwblank en snel gelijk de wind, waar 't wemelt
Van lelies naast een boordevollen stroom.
De dauwge mist van mijn zonloozen slaap
Zal onder het gestarnt als balsem vlieten,
's Nachts opgevouwen bloemen zullen zuigen
Terwijl zij rusten onverwelkbre kleuren;
Wijl mensch en dier in blijden droom zal zaamlen
Kracht voor den dag die komt en al zijn vreugd.
Dood zal de laatste omhelzing zijn van haar
Die 't leven dat zij schonk herneemt: een moeder
Die spreekt, haar kind omarmend: "Blijf thans bij me."
ASIA.
O moeder! waartoe noemt den naam des doods gij?
Houden zij op te lieven, te bewegen,
Te ademen en te spreken, zij die sterven?
DE AARDE.
Wat zou het baten of 'k u antwoord gaf?
Gij zijt onsterflijk, en dees taal verstaan
Enkel de doôn die nooit iets mededeelen.
Dood is de sluier dien de levenden
Het leven noemen, en een slaap bevangt hen,
Dan wordt hij opgetild. En onderwijl
Zullen in lieflijke verscheidenheid
De lieflijke seizoenen, met hun buien
Van regenboge' omboord, en geurge winden;
En lange blauwe meteoren zuivrend
Den doffen nacht; en pijlen, die het leven
Ontbranden doen, van de al-klievende boog
Der helle zon; en dauw-vermengde regen
Van kalme manestralen, zacht van werking,—
De wouden en de velden kleeden—ja,
De rots-gebouwde woestenijen zelfs
Van 't naakte diep—met steeds-levende blaadren,
En vruchten, en gebloemt.—En gij! Er is
Een grot waaruit mijn ziel zich opwaarts zuchtte
In foltring, wijl uw pijn mijn hart verdwaasde.
Zij die haar aêmden werden ook verdwaasd,
En bouwden daar een tempel, en zij spraken
Orakeltaal, en lokten de misleide
Volken in 't rond tot wederkeergen krijg,
En trouweloosheid, gelijk Jupiter
U heeft betoond. Die adem rijst ook nu,
Maar als violengeur in het hooge onkruid,
Vullend met klaarder licht en roode lucht,
Hevig doch zacht, de rotsen en de wouden
In 't rond. Hij voedt den snel-groeienden wijnstok,
Slangachtig kronklend, en de donkre klimop,
Vast aan elkaar wild vlechtende, en de bloesems,
Knoppend, ontbloeid, of welkende van geur,
Die wen de wind erdoor stroomt hem besterren
Met stippen kleurig licht; en heldre gouden
Vruchtbollen, hangende in hun eigen hemel,
Die groen is; en, door aderige blaadren
En amberkleurge stengels, het gebloemt
Welks purpren en doorschijnge bekers altijd
Te schuimen staan van hemeldauw, den drank
Van geesten. En hij kringt in 't rond, gelijk
Van middagdroomen zacht-wuivende wieken,
Kalme en gelukkige gedachten wekkend,
Gelijk de mijne, nu ge in eer hersteld zijt.
Dees grot zal de uwe zijn.—Verrijs! Verschijn!
(Een Geest rijst op in de gedaante van een gevleugeld kind.)
Dit is mijn fakkeldrager, die zijn lamp
In ouden tijd liet uitgaan door te staren
Naar oogen, waar opnieuw hij haar ontstak
Aan liefde, die als vuur is, dochterlief,
Want die in de uwe is zoo.—Loop, koppige jongen,
Leid dit gezelschap langs den top van Nysa,
Den Bacchus-berg, waar de Maenaden huisden,
Voorbij den Indus en schatplichtge stroomen
Tredend de bergriviere' en glazige meren
Met voeten onbevochtigd, onvermoeid,
En nergens poozend; dan het groen ravijn op,
Dwars door het dal, naast den kristallen vijver,
Waarop geen wind waait en waar altijd stil
Het door geen golven uitgewischte beeld
Ligt van een tempel op den top gebouwd,
Duidelijk zichtbaar met zijn kapiteelen
Als palmen, architraven, zuilen, bogen,
En overal bewerkt en weemlend van
Het levendst beeldwerk, zoo Praxiteles
Eens schiep, wier marmeren geglimlach vult
Met eeuwge liefde de gestilde lucht.
Hij is verlaten nu, maar eenmaal droeg hij
Uw naam, Prometheus. Daar werd u tot eer
Door de naijverige jonglingschap
De lamp—uw zinnebeeld—door 't heilig duister
Gedragen; eevnals zij die door den nacht
Van 't leven naar het graf de toorts der hoop,
Die zij niet afstaan, torsen; eevnals gij
Die hebt gedragen—schoonste zegepraal!—
Naar dit ver doel der Tijden.—Gaat. Vaartwel.
De grot, voor u bestemd, ligt naast dien tempel.
VIERDE TOONEEL.
(Een bosch. Op den achtergrond een grot. Prometheus, Asia,
Panthea, Ione, en de Geest van de Aarde.)
IONE.
Zuster, hij is niet aardsch! Zie hoe hij glijdt
Onder de bladeren! hoe op zijn hoofd
Een lichtschijn brandt gelijk een groene ster
Wier stralen van smaragd vervlochten zijn
Met zijn blond haar! hoe, als hij gaat, de glans
In vlokken op het gras valt. Kent gij hem?
PANTHEA.
Het is de fijne geest, die de aard geleidt
Door 't hemelruim. De volkrijke gesternten
Noemen, van ver, dat licht het lieflijkste
Van de planeten;—en somwijlen ook
Vliegt over 't schuim hij van de zoute zee;
Of maakt zijn wagen van een mistge wolk;
Of wandelt door de velden of de steden
Terwijl het menschdom slaapt, of over toppen
Van bergen, of stroomafwaarts op rivieren,
Of door de groene, woeste wildernis,
Als thans, verbaasd om al wat hij aanschouwt.
Voor Jupiter regeerde, minde hij
Ons beider zuster Asia; elk vrij uur
Kwam hij om uit haar oogen 't vochtig licht
Te drinken, waar hij zóo naar dorstte, zei hij,
Als een die door een dipsas werd gebeten;
Hij schonk aan haar zijn kinderlijk vertrouwen
En al wat hij te weten kwam of zag
(Want hij zag veel, maar wat hij zag verklaarde
Hij vaak verkeerd) vertelde hij aan haar,
En noemde haar—want hij wist evenmin
Als ik zijn afkomst—"moeder, lieve moeder."
DE GEEST V. D. AARDE.
(op Asia toesnellend).
Moeder, o moederlief, mag 'k dan weer spreken
Met u, als ik gewend was? Mag 'k mijn oogen
In uw zachte armen bergen, als uw blikken
Ze moe van vreugde maakten? Mag 'k dan spelen
Naast u, den langen middag, wen geen werk
Te doen valt in de heldre stille lucht?
ASIA.
Ik min u, teederst wezen, en voortaan
Zal u te koestren mij niet éen misgunnen.
Toe, spreek: uw simple taal die eens mij troostte,
Vervult mij nu met blijdschap.
DE GEEST V. D. AARDE.
Ik ben wijzer
Geworden, moeder (schoon een kind niet zóo wijs
Kan zijn als gij) vandaag, en ook gelukger.
Gelukkiger en wijzer allebei.
Gij weet, dat padden, slangen, vieze wormen,
Vergiftige en kwaadaardige gedierten,
En takken, schadelijke bessen dragend,
In 't woud, mij altijd stoorden bij mijn tochten
Over de groene wereld, en dat ook,
Waar 't menschdom woont, mannen met hard gelaat,
Of trotsche en booze blikken, of met kouden
En starren gang, of valschen, hollen glimlach,
Of dommen grijns van ijdle onwetendheid,
Of andre leelke maskers waarmee slechte
Gedachten 't schoone wezen dat wij geesten
Mensch noemen, gansch verbergen,—en ook vrouwen,
Afzichtelijkst van al wat leelijk is
(Schoon lieflijk, in een wereld zelfs waar gij
Liefelijk zijt, wen zij oprecht en vrij,
Vriendlijk en goed zijn, dus op u gelijken),
Wanneer zij valsch of stuursch zijn,—als 'k voorbijging
Ofschoon zij sliepen en 'k onzichtbaar bleef—
Mijn hart ziek maakten.—Nu, mijn pad leidde onlangs
Dwars door een groote stad naar bosschige heuvels
Die haar omringden, en een schildwacht vond ik
Sluimerend aan de poort; toen er opeens
Een klank gehoord werd, zoo geweldig luid,
Dat in het manelicht de torens trilden,
Doch zoeter dan ooit stem, behalve de uwe,
Die 't allerzoetst is, klonk; een lang geluid,
Zoo lang, alsof het nimmer eindgen zou;
En al de inwoners sprongen plotseling
Op uit hun rust, bijeengaande in de straten,
Verwonderd opziend naar den hemel, wijl
Nog altijd de muziek voortgalmde. Ik borg mij
In een fontein op 't openbare plein,
Waar 'k lag als de weerspiegling van de maan
Gezien in 't water onder groene blaadren.
En weldra vloeiden die onschoone vormen
En aangezichten van de menschen heen,—
Waarvan ik zei dat zij mij leed aandeden—,
De lucht door, en verwelkend in de winden
Die ze verstrooiden, zij van wie zij weken
Schenen zachtmoedge, lieflijke gedaanten
Nadat een leelijke vermomming viel.
En allen waren eenigzsins veranderd,
En na kortstondige verwondering
En groeten blij-verbaasd, gingen zij allen
Weer slapen.—En, toen 't daagde,—kondt gij denken
Dat padden, slangen, salamanders, ooit
Schoon konden zijn? En toch waren zij schoon,—
Met weinig wijzging van hun vorm of kleur.
En alles had zijn slechten aard verloren.
Ik kan mijn vreugd niet zeggen, toen ik zag
Boven een meer, op een gebogen twijg
Omrankt van nachtschaduw, twee blauwe ijsvogels,
Hangende naar omlaag en etend van
Een heldre tros van amberkleurge bessen
Met snelle lange snavels, en in 't diep
Zag ik die lieflijke gestalten spieglen,
Als in een hemel. Zoo, met mijn gedachten
Vol van die heerlijke veranderingen,
Vinden we elkaar—zoetste verandring!—wêer.
ASIA.
En scheiden nimmer, tot uw kuische zuster,
Die de bevrozen, wisselende maan leidt,
Op uw gelijker, warmer licht zal zien
Totdat haar hart ontdooit, als vlokken van
Aprilsneeuw, en ze u liefheeft.
DE GEEST V. D. AARDE.
Wat, als Asia
Prometheus liefheeft?
ASIA.
Stil, lichtzinnige jongen,
Je bent nu nog niet oud genoeg. Wat denk je,
Door 't staren in elkanders oogenlicht,
Je lieve wezens te vermenigvuldgen
En den maanloozen hemel te doen weemlen
Van vuurge bollen?
DE GEEST V.D. AARDE.
Moeder, als mijn zuster
Haar uitgebrande lamp verzorgt, is 't dan
Niet hard dat 'k duister zijn moet?
ASIA.
Luister; zie!
(De Geest van het Uur verschijnt.)
PROMETHEUS.
Wij voelen wat gij hoorde en zaagt; maar spreek!
DE GEEST VAN HET UUR.
Na 't eindgen van den klank, wiens donder vulde
De afgronden van de lucht en de wijde aarde,
Was er weldra verandering: de ontastbre,
Dunne atmosfeer en 't al-omrondend zonlicht
Werden vervormd, alsof 't gevoel van liefde
Daar opgelost, zich om de ronde wereld
Gewikkeld had. Mijn oog werd helder toen,
En de heelal-geheimen kon 'k doorzien.
Duizelig als van wellust zweefde ik neer,
Waairend de heldre lucht met loome vlerken.
Mijn paarden zochten in de zon het oord
Van hun geboorte, waar zij voortaan vrij
Van arbeid zullen leven, bloemen grazend
Van een plantaardig vuur; en waar mijn wagen,
Gelijk de maan, zal staan binnen een tempel,
Bestaard door beelden, als van Phidias,—
Van u, en Asia, en van de Aarde, en mij,
En u, lieflijke nymfen, die de liefde
Die wij gevoelen in uw blikken draagt,—
Als een gedachtnis van de tijdingen
Die hij gedragen heeft,—onder een koepel,
Versierd met beitelwerk dat bloemen nabootst,
In evenwicht op twalef zuilen van
Schittrend gesteent, en open naar den hemel,
Die hel en lieflijk is. Daaraan geboeid
Door een aan beide zijden in een kop
Eindgenden slang, zal 't beeld dier vleugelpaarden
Den spoed waarvan zij rusten als bespotten.
Helaas! waarheen zwierf mijn eenzijdig praten,
Wijl al wat gij woudt hooren ongezegd blijft?
Zooals ik zeide, vloog ik neer naar de aard:
Het was, als 't nù nog is, de bijna pijn
Lijkende zaligheid van te bewegen,
Te aadmen, te zijn. En zwervend ging ik naar
De huizen en verblijven van het menschdom,
En was in 't eerst teleurgesteld, daar 'k nergens
Zoo machtgen omkeer zag als ik gevoeld had
Vanbinnen, uitgedrukt in het uitwendge.
Maar weldra zag 'k nauwlettender, en zie!
De tronen waren koningloos, en menschen
Zag 'k schrijden met elkaar als geesten doen.
Niet een die kroop, niet een die trapte; haat,
Minachting, vrees, zelf-liefde of zelf-versmading
Stonden op 't menschenhoofd niet meer geschreven,
Als op de hellepoort: "Laat alle hoop
Varen, gij die hier intreedt."—Geen was toornig,
Geen beefde, niemand staarde naar eens andren
Koud en bevelend oog met felle vrees,
Tot het slachtoffer van tyrannenwil
Veracht werd (erger noodlot!) door zijn eignen,
Die hem ter dood spoorde als een krachtloos paard.
Geen boog zijn mond in lijnen die de waarheid
Verstrikten en den leugen die zijn tong
Niet wilde spreken door een glimlach uitten.
Geen die met harden grijns in 't eigen hart
De sprankelen vertrad van liefde en hoop,
Tot daar die bittere asch bleef van een ziel
Die door zichzelf verteerd is, en de ellendge
Gelijk een vampier onder 't menschdom kroop,
Alles besmettend met zijn leelke kwaal.
Geen sprak die algemeene, valsche, koude,
Ledige praat die het hart ontkennen doet
Het ja dat 't ademt, en die nochtans maakt
Dat het die ongemeende huichlarij
Nog ondervraagt met naamloos zelfmistrouwen.
En vrouwen ook, oprecht, vriendlijk en schoon,
Gelijk de vrije hemel die frisch licht
En dauw op de wijde aarde regent, zag 'k
Voorbijgaan,—stralende, lieftalge wezens,
Gezuiverd, vrij, van der gewoonte smet,
De wijsheid die zij eens niet konden denken
Uitsprekend, en gevoelens die zij eens
Vreesden te voelen in haar blikken dragend,
Tot alles wat zij eens niet dorsten zijn
Veranderd,—nu zij 't waren, maakten zij
Van de aarde een hemel. Trots, naijver, nijd,
Noch valsche schaamte, bitterste dier droppen
Van opgespaarde gal, bedierven meer
Den zoeten smaak van de nepenthe, liefde.
Tronen, altaren, kerkers, rechterzetels,
Waarop, waarnaast, ellendelingen droegen
Schepters, tiara's, zwaarden, ketens, boeken
Beredeneerd onrecht, gevleid door domheid,—
Waren gelijk die monsterlijk-barbaarsche
Gestalten, geesten van vergeten roem,
Die van hun onversleten obelisken
Staren in zegepraal over paleizen
En tomben van wie hun verwinnaars waren,
Rondom vergaande. Die verbeeldden ook—
Hoogmoed van koningen en priesters wekkend—
Een donker, sterk geloof, een macht zoo wijd
Als het door haar verwoeste deel der wereld,
En wekken thans niets dan verbazing meer.
Zoo staan ook de symbolen en werktuigen
Der laatste slavernij van 't menschgeslacht
Tusschen de woningen der volkrijke aard,
Niet omgeworpen, maar door geen beschouwd.
En al die slechte wezens, god en mensch
Tot walging; onder meengen naam en vorm,
Vreemd, woest, spookachtig, duister en afschuwlijk,
Jupiter zijnde, de tyran der wereld,—
En die de volken, angst-geslagen, dienden
Met bloed en harten door langduurge hoop
Gebroken, en met liefde die zij sleurden
Voor hun bezoedelde, onversierde altaren
En moordden, waar de menschen tranen weenden
Niet weer-opeischend, vleiend wat zij vreesden—
Een vrees die haat was—, toornen, snel vergaand,
Over hun leedge heiligdommen thans.
't Gekleurde floers—leven genoemd door hen
Die wáren—dat al 't geen de mensch geloofde
Of hoopte, nabootste, als met ijdle kleuren,
Is weggescheurd. Het walglijk masker viel.
De mensch blijft over,—schepterloos en vrij,
Zonder beperking mensch: allen gelijk,
En niet verdeeld in klassen, stammen, volken,
Vrij van ontzag, vereering, stand, en koning
Over zichzelf, rechtvaardig, zacht en wijs,
Maar mensch. Hartstochteloos? dat niet,—maar vrij
Van schuld of leed—die wáren, want zijn wil
Schiep of verduurde ze; en nog niet bevrijd
Van kans, verandring, dood, ofschoon als slaven
Die trits beheerschend,—zware aanhangsels nog
Van dat wat anders hooger stijgen zou
Dan verste ster van de' onbeklommen hemel,
Torenend scheemrig in 't geweldig Leêg.
VIERDE BEDRIJF.
(Tooneel: een deel van het woud bij de grot van Prometheus.
Panthea en Ione slapen, zij ontwaken langzamerhand gedurende
den eersten zang.)
STEM VAN ONZICHTBARE GEESTEN.
De bleeke sterren (ontvluchtend
Hun herder vol ijver:
De zon die ze sture
Ten stal diep in de uchtend,
En aansnelt in praal meteoren-verduisterend) vlieden voorbij
Zijn woning, de azuren,
Als herten den tijger,—
Maar waar zijt gij?
(Een stoet van donkere vormen en schimmen gaat verward voorbij,
zingende).
Zwaar, o zwaar
Is de baar voorwaar
Van den Vader van menig verdwenen jaar,
Zie hier leit
Het lijk van den Tijd,
In de tombe der eeuwigheid zij het gevlijd
Door ons die gaan
Met die last belaên:
Ons, de schimmen der Uren vergaan.
Strooi, o strooi
Nu lokkentooi,
Geen taxisloof; en tranendooi
Bevloei', geen dauw,
Het doodskleed grauw;
En spreidt verwelkte bloemen tot rouw
Uit het ontbloot
Prieel van den Dood
Op het lijk van den Urenkoning groot!
Gauw, o gauw!
Als schaûwen grauw,
Verjaagd door den dag van het hemelblauw,
Smelten wij heen
Als schuim der zeên
Van de kindren van tijden zonder geween,
Wijl de wiegezang luidt
Van wind die ruischt uit,
Stervend op 't hart van zijn eigen geluid.
IONE.
Wat donkre vormen zongen die wijs?
PANTHEA.
De Uren die stierven, zwak en grijs,
En zij droegen den buit
Nog verzameld bijeen
Uit de zege gestuit
Door Een alleen.
IONE.
Zijn zij heen?
PANTHEA.
Zij zijn heen.
Zij ontsnelden den wind
Als een woord zoo gezwind.
IONE.
Doch waarheen, o waarheen?
PANTHEA.
Naar het donkere, doode verleên.
STEM VAN ONZICHTBARE GEESTEN.
Lichtwolke' in den hemel,
Dauwsterren op de aarde,
De zeeën vol baren;
En al dat gewemel
Drijft stormwind van wellust, verbijstering blij!
Vreugd trilt door hun scharen,
Ten reidans vergaarde,—
Maar waar zijt gij?
De pijnboomen suizen
't Oud lied met nieuw blij-zijn,
Fonteinen en waatren
Frisch-zangerig ruischen:
Als muziek van een geest rijst van 't land en de zee melodij;
De bergen beschaatren
Stormdonders die blij zijn,
Maar waar zijt gij?
IONE.
Wat wagenmenners zijn 't?
PANTHEA.
Waar zijn hun wagens?
HALFKOOR I VAN UREN.
Toen van Lucht- en Aardgeesten de stem ons riep
Is 't versierde gordijn van den slaap gescheurd
Dat ons wezen bedekte en ons worden ontkleurd'
In het diep.
EEN STEM.
In het diep?
HALFKOOR II.
O! onder het diep.
HALFKOOR I.
Wij waren gewiegd ontelbare jaren
In vizioenen van haat en naarheid,
En ieder die wakker werd vond de waarheid—
HALFKOOR II.
Wreeder dan zijn vizioenen waren!
HALFKOOR I.
Wij hoorden de luit van de Hoop, zoo zoet
En de stem van de Liefde in ons droomen zingen,
Wij voelden den staf van de Macht, en springen—
HALFKOOR II.
Als de golven springen in morgengloed.
KOOR.
Weeft den dans op den vloer van den wind,
Klieve ons gezang 't zwijgend licht van de lucht,
Betoovert den dag, die ontvliedt te gezwind,
Om vóor 't hol van den nacht te beteuglen zijn vlucht.
Eens waren de hongerige Uren honden,
Die jaagden den dag als een bloedend dier,
En hij hinkte en struikelde, vol van wonden,
Door van 't eenzame jaar het nachtlijk revier.
Maar thans—o! weeft de mystische maten
Van dans en muziek en gestalten van schijn!
Laat de Uren met geesten van macht en behagen
Als de wolken en 't zonlicht, vereenigd zijn.
EEN STEM.
Vereenigd zijn.
PANTHEA.
Zie waar de Geesten van de menscheziel
Naadren in zoet geluid als heldre sluiers.
KOOR VAN GEESTEN.
De zingende rei
Bereiken wij,
De wervling van blijdschap draagt ons nabij;
Als de vleugel-gevinden,
Die 't diep niet kan binden,
Zeevogels half-sluimrend in 't luchtruim vinden.
KOOR DER UREN.
Waarvandaan komt gij, zoo wild en met spoed?
Sandalen van weerlicht zijn aan uw voet,
Als gedachte uw gevedert is, zacht en snel,
En uw oogschijn als liefde, naakt en hel.
KOOR VAN GEESTEN.
Wij komen van 't hart
Van den mensch, eens zwart,
Onrein en blind, en gebukt onder smart;
Nu is 't een zee
Van bewogen vree,
Een heldere hemel,
Maar vol ontroering en machtig gewemel;—
Uit die wondere mijn
Van vreugden rein,
Wier holen kristallen paleizen zijn;
Van die torentransen,
Waar uwe dansen—
O zalige Uren!—
Gedachte's gekroonde machten beturen;
Uit verborgenheden
Vol teederheden,
Waar lievende paren
U poozen doen, grijpend uw losse haren;
't Blauw eilandrijk,
Waar Sirenen-gelijk
Zoete Wijsheid uw zeilen
Door een glimlach doet wijlen;
Van de tempels gesticht
Voor 't gehoor en 't gezicht
Van den Mensch, hoog bewelvend zoo Beeld als Gedicht;
Van de murmelingen
Van bronnen die springen,
Zonder dat zegel ze tegenhoudt:
Waar Kennis haar kunstige wieken bedauwt.
Jaren na jaren
Waadden we in scharen
Door bloed en tranen,
En een hel vol van haat en hoop en wanen;
O zeldzaam de streken,
Waar bloemen, bleeke,
In knop verschroeide,
Van het geluk, kortstondig bloeiden.
Thans schoeit onzen voet
De vrede zoet,
En de dauw onzer wieken is balsemvloed;
In ons oog is de schijn
Der mensch-liefde rein,
Die alles wat ze aanstaart een Eden doet zijn.
KOOR VAN GEESTEN EN UREN.
Weeft nu het web van de mystische maten,
Van de diepten des hemels en de einden der aard,
Komt, snelle geesten van macht en behagen,
Tot reidans en jubelzangen vergaard,—
Als de golven van duizend rivieren vliên
In een zee van geflonker en melodiên!
KOOR VAN GEESTEN.
Wij wonnen den buit,
Ons zwoegen is uit,
Nu mogen wij duiken of stijgen of zweven,
Waar wij ook wenschen
Tot in de grenzen
Die het heelal met duister omgeven.
Verder dan de oogen
Der sterren-bogen
Maken we in de' oerouden afgrond ons huis;
Chaos, Dood, Nacht,—
Als mist voor de macht
Van den storm,—zullen vliên voor ons wiekgeruisch.
En Aard, Licht en Lucht,
En de Geest, die de vlucht,
De vuurge, in het rond drijft der sterren tezamen,
Liefde, Adem, Gedachte—
Dood-temmende machten—
Zullen beneden ons oovral verzaêmen.
En ons zingen zal bouwen
In de ijle landouwen
Van 't Leêg, voor de Wijsheid een heilig domein,
Naar 't menschenrijk richten
We ons, 't nieuw-gestichte,
En ons werk zal genaamd naar Prometheus zijn.
KOOR DER UREN.
Breekt den dans en verstrooit nu het koor,
Laat enklen blijven, en andren gaan.