—„Nee.”
—„Overmorgen?”
—„Nee.”
—„Niet? Dan zal u me wel weêr kommen halen.”
Hij draafde weg, met het geld rammelend. In de verte van het pad hoorde ik hem nog aangaan tegen de kinderen met zijn luidruchtige jongensstem; maar in huis was het opnieuw stil.
En toen heb ik haar gedragen naar boven, en stil heb ik een laken genomen, een schoon linnen van mijn bed, en ik heb dat zorgvuldig gespreid, glad over het mousselien van het stoelkussen.
En zooals ze was in de strakke strekking van haar dood-zijn, heb ik haar nedergelegd, den staart hoog in de blanke plooien.
En op mijn veldstoeltje heb ik mij over haar gezet toen, en ik ben haar aan gaan zitten kijken zoo ze daar lag, wel wat weggezakt in het kussen, maar niet zoo klein meer als straks, zóo ze daar lag, mij aankijkend met het oog open en vol verwijt, uit het witte getreur van het armelui's lijkenlinnen.
Een Tango.
EEN TANGO.
Toen al het eetgerij van de tafel weg was, ging ze de stoelen één voor één zetten tegen den witten kalkmuur, de zaal was toch al niet groot, mopperde zij; ze wilde alles zelve beredderen, ze had het heel druk met haar zware spierronde armen die van onder uit haar opgestroopte mouwen puilden, rood en vol van bloed. En als ze aandribbelde en een oogenblik staan bleef onder den lichtkring der lamp, dan kwam haar welgedaan gezicht stralen en glimmen als was het besmeurd door de pomade die glansde op haar kapsel; jong zwart haar nog, sierlijk geplakt om haar voorhoofd en om haar slapen, in een reeks van kleine krulletjes, 's morgens zoo éen voor éen gemaakt met al de ijdele zorgvuldigheid die Spaansche vrouwen geven aan haar knutseligen haartooi. Dan was haar wangengezicht licht, een beetje gehit door de haastigheid, en daarin doesde een klein rond neusje lodderig weg, tusschen een paar prikkelende oogjes die er steenkoolzwart uit boorden en boven een breed bloeienden mond, een paar slurpende lippen, omgeschulpt in hun geplooi, krullend tot twee donkere groefjes naar de hoeken, vaag onder het donsje van een teêr knapenkneveltje.
Doch in haar kissebissige haast drentelde ze gauw weêr rond en snauwde ze tegen haar dochter Consuela die haar opgejaagd en verward in de voeten liep; van alle kanten te gelijk kwebde haar mond en zwermden en zwatelden haar hooge woorden; ze schold de oude dienstmeid die werkeloos stond te schemeren in het donker van de gangdeur, voor animala56), maar de meid bleef staan, de handen onder het blauwe keukenschort, eventjes geniepig lachend om haar dunne, ingevallen lippen.
En al maar pruttelend had de senora toen de zware pootige mesa57) dichtgeklapt, haar met een til naar achterover aangepakt en in haar armgespan genomen, het houten gevaarte tegen haar geweldigen buik opgebeurd, en zoo, met den bobbel op het tafelblad en de handen er stevig omgekromd, zeulde zij voetje voor voetje vooruit, stenend boven haar buik, schommelend met de tafel waarvan de vracht een donkeren spierslinger trok onder in haar arm. De tafel plompte neêr met een harden bonk, en de senora, doodaf, viel als een zwaar pak neêrgesmeten op den stoel die 't dichtst bij was.
Consuela stond met de lamp in de hand niet wetend wat te doen. 't Licht door de wit-steenen lampekap omlaag gestuurd, viel op de onderhelft van haar bakvischachtig meisjesgezicht, liet de oogen in schaduw, maar gleed afstroomend langs den sluiken rok van haar daagsch japonnetje. Doch de moeder schreeuwde haar toe de lamp op het buffet te zetten. Por Dios, ze kon daar toch niet eeuwig als een kerkkandelaar blijven staan; er moest nog zooveel gedaan worden. Zij was alweêr overeind; de brasero58) moest nog weg; was 't niet al warm genoeg na al dat eten. En met hetzelfde aangepak van haar machtige armen bukte ze naar den vloer, ze beurde den wichtigen houten ring met koperen bak vol gloênde asch den grond af en dribbelde er meê vooruit en gaf aan de kat, die er zich bij te koesteren zat, een schopje met haar zwart-gepantoffelden voet; schrikspringend en met den staart in de lucht, hoepte het beestje voor zijn sjouwende en blazende meesteres de gangdeur uit en de keuken in.
De senora bleef toen in de keuken, de comedor was in orde. De matte stoelen, alle vóor aan de zittingen vochtig donker geworden van het veel bezeten zijn en glimmend door het lange gerij der beenen, stonden langs de muren gedrongen, stijf, sportig en leêg, zielloos de gasten wachtend. Op het buffet, hoog zooals Consuela haar gezet had, in den hoek 't dichtst bij de deur, stond de lamp groengoud schitterend op het oude brons der fijn gefigureerde oliepeer; eenzaam brandde de vlam boven het stortbad van haar eigen licht. En 't was er omheen op de buffetplanken en waterglazen een stil en innig geglans, beweêrlicht door het snel opgeflikker der karaffen en waterglazen, die ondersteboven gekeerd om het stof, de planken vulden met het waterachtig donker van hun glaslichamen.
Aan den anderen kant doesde de lichtcirkel der lamp over het deurgat heen tot in de gang en daar verschemerend, kwam dan terugkrommend op de eerste stoelen, maar liet het groote kale veld van den witten kalkmuur in de dun uitgespreide schaduw van het goudene lampgeschijn. Zoo was de comedor weggevaagd achter het weinige licht. In een hoek tegenover het buffet aan den wand geschoven, schuilde de tafel, en daar stonden nog meer stoelen onder de geluikte ramen, die overdag uitzicht gaven in het patio59); twee schuine ijzeren bouten kruisten daar den wand, de luiken klemmend in het binnenzicht der kozijnen. De meid was even naar binnen komen sloffen; ze zette een karaf met glazen op een rood gelakt presenteerblad klaar op de tafel en slofte toen weêr heen, de handen dadelijk onder de schort. En in den wachtenden comedor was daar de klok het eenige levende ding, zooals zij zwart midden op den muur haar slinger heen en weêr stuurde, die dof-gloeiend glansde in zijn eeuwig gaan.
Van uit de keuken kwam in een wadem van warm water en lauwe etens-geuren, een door-elkander-slaan van vrouwenstemmen, tegen elkaâr oppratend, een holderdebolderachtig gekijf, verbrijzeld door het geklikklak van steen slaande tegen steen, kwaad bewogen borden in een vaatwerk, het onverschillig gedoe der meid die almaar krieuwende met de senora en Consuela, den etensboel wegwaschte. Dan klepten er deuren in de gang, voeten stapten er, en stemmen zeiën: „buen paseo, buenas noches.”60) Twee mannen gingen het deurgat voorbij, een er van pakte het licht op den witten handboord van zijn bewegenden arm. Ze bleven wat lachen in de keuken, kwamen weêr terug, zacht met elkaar pratend. En even daarna kwam de stem der padrona hun weggaan nagalmen: „Non llegad esta noche tanto tarde, caballeros, vienen muchas gentes.”61) Een jongensstem met den baard nog in zijn keel praatlachte wat terug; toen kwam de witgejakte padrona voor het deurgat staan; ze had de armen opgestoken als een wanhopende en almaar lachend riep ze: „Si, si.... o, estos perfidos muchachos, o. o.. o... o!”62) Ze deed een paar stappen vooruit om beter verstaan te worden: „Si... si.... mujures tambien, puedo asegurar a Ustedes!”...63) „Si.. si!” herhaalde ze met de hand als een roeper aan den mond. „Volved pronto Senor Juan y Frasquetito”64) toen met een: „Toma!”65) smeet ze haar laatste woorden hun achterna: „Carmela va bailar!”...66)
Laat in den avond kwam Frasquetito binnenstappen in het gebabbel dat uit de open deur van den schemerenden comedor feestelijk hem te gemoet kwam. De lamp was voor mogelijke ongelukken blijven staan in de hoogte op het buffet. Er waren nog niet veel menschen en er moesten er zooveel komen: el caballero de abajo67) nog en zijn vrouw, en de dokter, maar die zou wel laat komen, en dan Carmen nog die dansen zou, zeker, o, ademas muchos68). Zoo snoefde de padrona. Ze was nu deftig in het zwart. Prettig en zelfvoldaan blonk haar vet gezichtje in haar neêrgezegen zwart zijdene voornaamheid. Ze had al haar gouden ringen aan haar vingers en boven op den knoedel van het hoog opgekamde haar, met een rijkdom van krulletjes als een vlechtwerkje op haar voorhoofd geplakt, was de speldeknop voor de mantilla pronkend als een gouden knikkerbal. Ze zat achterover, met de hand steun zoekend aan de zitting van den stoel, om meteen zoo haar ongemakkelijk lichaam een beetje te helpen verzetten. Zoo keuvelde ze met een ouden, deftig uitzienden mijnheer, een rijken wijnkooper, die voorover gebogen, deed of hij erg luisterde, op haar knieën keek, speelde met zijn zwaar gouden horlogeketting, aldoor gewichtig knikkend met zijn kaal en glimmend hoofd.
—Mire69) daar was Frasquetito al... Caspita, hij had zijn guitarra bij zich,... en olé!... „musica y alegria!”70) jubelde de meisjesstem van Consuela uit een anderen hoek van den comedor.
't Was een lange slungel met een schonkigen jongenskop, een boersche verschijning, die met sloome beenen naar binnen kwam. Hij was geboortig uit Huelva en beproefde hier in Madrid zich bekwaam te maken voor Toledo, voor de militaire akademie; want hij zou eenmaal officier zijn. Omdat hij nog zoo jong was en al zoo veel praats had, werd hij door zijn tafelgenooten, plagend, Fransje genoemd in plaats van Frans. Maar wat zou dat? Zou je dan denken dat Napoleon geen praatsmaker geweest was? Hoe wou je anders in tijd van oorlog de soldaten aanvuren? Geen beter dan hij kon uren schetteren over de Carolinakwestie, en stokstijf hield hij vol dat geen Pruisisch soldaat het uithield tegen een Spaansch, die, matig, uren kon marcheeren met pak en zak, op water en brood, en die bovendien allen valiente71) waren. Hij zat bij 't comida72) naast Dr. Avilar, die echt Castiliaan, deftig, bijna nooit iets zei, geen wijn dronk—Frasquito beweerde uit armoe—een donker ernstig man, overtuigd revolutionair, die dadelijk na den eten zijn diario73) uit den zak haalde en begon te lezen.
Aan zijn andere zij zat 's middags een vreemdeling, een schilder, die in 't museum van het Prado copieën maakte naar Velasquez; hij noemde dien zijn amigo74) en probeerde zijn weinigje Fransch aan hem te luchten.
Overdag zat hij in zijn kamertje studentikoos sigaretten te rooken, waarvan hij er altijd een als een pennenhouder had zitten achter zijn oor en die 't vel van zijn rechterhandsduim hadden bruin gebrand, en tokkelde dan, lui met het hoofd tegen den muur, op zijn guitarra, de stores van het patio-venstertje neêr, zoo de uren doorlevend in het lommer der binnenkamer, soezerig in het gemurmel van zijn zwaarmoedige landsliederen. Maar soms leerde hij, en dan kon ieder in de gang van het kosthuis hem hooren leeren: „el padre.. le père. en... de las madres... des mères... à la hya... à la fille.. las hermanas... les soeurs”... of wel hij begon voor de zooveelste maal het begin van den „Télémaque” op te dreunen: „Calypso ne pouvait se consoler du départ d'Ulysse” omdat hij dat kennen moest voor zijn admissie.
In huis deed hij altijd zijn guttapercha-boord af, dat was luchtiger, en dien lei hij dan om weêr wit te weeken in zijn waschwaterkom.
Nu ook had hij het zich gemakkelijk gemaakt, thuis, zonder stijfheid aan zijn jongenshals kwam hij binnen, overdreven buigend met een gewilde snaakschheid. De senora vroeg hem of Don Juan nog niet kwam, hij bracht haar, „o, este perfido muchacho,” met een aardigheidje over vrouwen aan het lachen. Vervolgens maakte hij zijn compliment voor de dame die naast de padrona zat. Met zijn guitarra achteruit gestoken, langs de beenen strak gestrekt, stond hij, een troubadour op een oud prentje gelijk, zijn grimassen te maken voor de knieën der terugknikkende schoone. 't Was een mooie Andaluze, een jongere zuster der padrona, met de feestdagen over. Achteruit geleund zat ze op haar stoel, vol komend zoo met haar zwart glimmend corsage uit het mat-glanzende plooien- en krookengeschik der zwaar zijden japon, die overal over den stoel hing en bij elke beweging kraakte. Achter van haar hoofd, omdalend langs haar gave ronde wangen, vielen de plooien der uit de mode rakende mantilla; een gespin van kantrag omwolkte het ovaal van haar gezicht en een strooisel van fijne gaasbloempjes borduurde in de plooien en brokkelde over haar schouders. Ze bewoog de handen zacht in den schoot, wolkjes frischheid zoo opjagend naar boven met haar rooden, zacht wiegenden waaier, en kleintjes lachte haar mooie mond, terwijl ze verwonderd keek onder de loome oogleden vandaan naar den grappig doenden Frasquetito.
Allen hadden schik in hem; de dentiste die op de tweede piso75) woonde, een luidpratende, zich veel bewegende man, een blonde Arragonees met roode wijnwangen, een goede vent al zag hij er wat bar uit, vertelde Frasquetito, met een gezicht dat bijna enkel snor was (twee dikke wreedharige snorbossen van een koperdraadkleur had hij als een valsche karnevalsknevel geplakt zitten onder zijn neus) bulderde bravo en deed zijn lippenvlaggen wapperen en trillen en sprong en reed op zijn stoel alsof de zitting ervan betooverd was. Consuela giegelde en riep den geestigen Frasquito bij haar te komen, maar juist had de dentiste hem bij den knoop van zijn jasje vastgekregen, dus knikte hij maar even naar haar om, koddig, met de hand op de plaats waar zijn hart zat.
—„Buenas noches!” zei Arturo, de man der senora en kwam witgevest in het lamplicht binnen. Hij zag bleek en lijdend, vermoeid en schuw school het blauw van zijn oogen in den belangstelling-vragenden kop. Hij hield zijn zoontje aan de hand, een mooi aangedrild kereltje, vier jaar ongeveer, gestoken in een wit uitstaand gestreken jongenspakje, met een brandroode sjerp er over heen. Het ventje stond er stijf in, naast de knieën van zijn vader, heelemaal in de schaduw van een buitensporigen wandelhoed, die als een kolossaal boomblad schuttend zich omboog over zijn kleinheid. Hij werd bewonderd. Consuela sprong op en begon haar broertje te zoenen en te knuffelen, zoodat de vader riep: „Hombre! je verkneukelt hem heelemaal!” De kleine plakte zijn handje in het gezicht van zijn zuster, de gasten lachten om den bijdehanden Arturito.
Pruttelend ging Consuela naar haar plaats, de hand aan de wang, kijkend met zwarte oogen, donkerder nog van den toorn, haar broertje na, die in de laagte van stoel tot stoel ging op aanraden van zijn dikke mama. De vader was in zijn mooie houding bij de deur blijven staan, leunend op zijn wandelstok, wachtend om zijn jongen zelf naar bed te brengen.
Maar Frasquetito was naast den extrangero76) gaan zitten die ook gevraagd was. Hij vond dezen met zijn rug tegen de tafel, zeker in zijn hoek. 't Was een klein persoon, een beetje stevig, een beetje rossig, een bril op zijn neus, een man die zich blijkbaar vreemd voelde en stil in zich zelven voortleefde. De eerste dagen dat hij in de Casa was, hadden de studenten getracht een loopje met hem te nemen; 't scheen dat hij er niets van gemerkt had. Frasquetito voorop, deed zijn best; zij spraken vrijuit over hem, in de zekerheid dat hij 't wel niet verstaan zou. Hij gaf zich dan ook al heel weinig moeite; meestal bracht hij aan tafel een boek meê, lei het naast zijn bord en las er uit tusschen het kauwen door. De eenige met wien hij soms wat praatte, was Arturo, die wel Fransch sprak, maar die at meestal niet meê of kwam pas bij het dessert.
Arturo was telegrafist; hij was vroeger, evenals de studenten, slechts kostganger geweest, maar nu sinds eenige jaren leefde hij met de padrona die weduwe was. De kleine Arturo was uit hen geboren. Maar men nam in 't huis niet veel notitie van hem. Frasquito had den schilder al gauw verteld dat hij onder de plak zat, en dat hij een zwakke man was en dat die vrouw zijn geheele gestel had ondermijnd. Maar zonder die inlichting had de vreemdeling zelf veel kunnen zien; alle dagen hoorde hij het paar twisten en het stemmetje van den telegrafist ondergaan in het forsch-ademend gepraat der padrona. De heeren aan tafel maakten onder elkaâr gekheid om 't geval. Don Juan wist zeker dat zij van Arturo genoeg had, Doctor Avilar goed aankeek, maar die zou zich wel niet zoo gauw laten inpalmen... och wat, een vrouw was altijd sterker dan een man... en Consuela, haar dochter.... maar die was ook niet zoo onnoozel als ze er uitzag.... had Don Rafaël niet gezien dat ze zich door den brievenbesteller op den mond liet kussen, achter de deur. En ze vonden dien altijd lezenden schilder „demasiado franco,”77) niet beleefd genoeg, vervelend, en „bruto como todos los temperamentos del Norte.”78)
Doch op een goeien dag had de vreemdeling zich in eens met een kort gezegde in hun spreken gemengd; ze waren er beteuterd een oogenblik van, verlegen dat hij hun gesprek begreep, verbaasd, waar hij toch, caramba, que cabeza79) dat Spaansch vandaan gehaald had. Dr. Avilar had plots opgekeken toen boven zijn krant vandaan en geschaterd had hij van uit zijn zwarten snorbaard met een ongewoon kort harden lach. Na dien tijd werd de schilder ontzien en was het ijs gebroken; Frasquetito vooral, beschaamd geworden, noemde hem nu zijn „amigo”, vroeg de uitspraak van moeielijke Fransche woorden, deed zijn best te bevallen, was niet zoo snaaksch meer jegens den vreemdeling.
De gezelligheid in den comedor werd telkens grooter, er kwamen immer nog gasten bij. Zoo pas was het de mijnheer van beneden geweest, een nietige man, die achter zijn statige vrouw aanging, een bleeke Madrilena. Omdat ze toch de straat niet over behoefde te gaan, kwam ze zonder hoed, ongekleed in een havanabruin huiskostuum met een groote poef van achteren. Nu was het de huisgenoot Don Juan, die staakrecht door de deur kwam, in de puntjes verzorgd, zoo hij kwam van de paseo; 't was een Aranjuees, doctor in de rechten, die in Madrid zijn carrière zocht, royalist als Frasquetito en een politiek twistzoeker met Dr. Avilar. Maar zijn groote passie, dat waren de toros. Zondags aan tafel, na elke corrida, overstroomde hij de eters met zijn verrukt-zijn om een mooie overwinning of met zijn luidruchtige kwaadheid over het mislukken van zijn geliefd genot.
Hij groette beleefd, maakte zijn compliment voor de Andaluze, en, mooie man, praalde hij voor haar met zijn witte tanden, die aaneengesloten blonken als het gebit van een neger tusschen uit zijn zwarte en zuiver geknipte knevel en puntbaard. Frasquetito vertelde dat hij een vrouwengek was, die allerlei buitenkansjes had. Juan bleef bij de Andaluze zitten praten, almaar bevallig, spitsend aan het puntje van zijn baardje, of onder het causeeren dóor knipte hij met den langen nagel aan den pink van zijn witte rechterhand.
Bij den stoel van den dentiste was een kleine opschudding, de mijnheer van beneden weigerde met „muchisimas gracias”80) de hem aangeboden plaats, maar de senora gaf van uit haar hoek hard lachend raad; de dentiste liep weg, drentelend ging zijn rustelooze vroolijkheid van den eenen hoek naar den anderen.
Langzamerhand geraakten de gasten op hun gemak, de comedor begon te gonzen van gezelligheid. Frasquetito had herhaaldelijk willen praten met den extrangero, maar 't kon niet vlotten. Zijn buurman, afgezonderd in zijn hoek, bleef of hij iemand wachtte, stiller en stiller geworden in dat rondgezwerm van vreemde spraakgeluiden, van veel woorden, niet tot hem gezegd, aanspoelend in zijn ooren, veel woorden die hij niet verstond. Hij hoorde het lispelen om zich, rustloos als het gezwatel van bladeren in een boom, een gegons als een ruimtewind van geheimen vol, een loom lippengebabbel als van water dat eeuwig loopt, vertrouwelijk gezeur en geleuter, gaande van mond tot oor; maar opschietend als vinnige visschen uit 't vlakke water van 't gefluister, kwamen tot zijn bevatting de hooger gezegde woorden in het gehinnik van het gelach en het geklank der taal, wanneer een bedoeling natrilde in het levende geluid; hij hoorde het uitsissen en uitzeggen, hij zag de woorden aankomen van achter de gesloten tanden, het optillen van het lippenvleesch en buitjes van spathagelend geluid den mond uitgaan, scherp als een gezegden hoon uitgestooten, dan als met een beet afgeknapt, nijdig. En stemmengegrom kwam overal vandaan, klanken opdoemend als uit de diepte van den buik, een kelderachtig geknor gorgelend door de keel, wanneer uit een wijd opengeganen mond een woord kwam met de zware Arabische jota81), die als een stuk Noordsche ernst gromt door het gesuizel van de zuiderspraak.
Stil zat de vreemdeling, verloren in dat wonder van een gesproken spraak en meêdrijven liet hij zich op dat groote mysteriënmeer, dat hij om zich hoorde ebben en spoelen al breeder en zwoeler, een geluiddrang die de wanden zou uitzetten, te groot geworden voor den comedor. Een waas van vocht begon te nevelen in zijn dichte oogleden, als een vlies cirkelde het zich voor den oogbal; hij voelde de saâmdrukking der pupil en de rimpeling boven de brauw, als wanneer hij zich tot kijken moest inspannen, tot turen zijn oogen vernauwde. Toen was 't een oogenblik of alles wat hij om zich wist, schijnen kwam binnen in de luiken van zijn oogen, verinnigd en vereenvoudigd.
Maar Frasquetito begon zijn snaren aan te slaan en „musica, musica,” joolde de meisjesstem van Consuela uit een hoek van den comedor.
Hij keek op. Een valscherm van licht gelijk, sloeg de lamp in zijn oogenzien, hoog, als zwevend boven den vloer; en langs den witten schemerwand zag hij de donkere menschen zitten, zwarte spoken, vaal-lampzwart, met handen en koppen begloeid van een doovig rood; in het natte oogwit spritste het licht en er was naglimmend gefonk in hun gouden sieradiën.
Ze zaten allen stil, leunend naar elkaâr nog, half pratend naar elkaâr nog, in onbewuste spreekbewegingen gebleven, onderbroken in hun gesprek door de eerste akkoorden der guitarra.
Over den vloer, tusschen de stoelen vandaan, zag hij de poes sluipen, stil-donker levend op het strak wachtende plankenveld, dat tusschen hem en de menschenrij kaal en leêg lag, doorploegd met stijve naden en met de bloemen van het nervige hout.
Maar bij den ingang der deur was de lichtcirkel van de lamp rossig op den grond en daar midden-in stond op de voeten wijd vaneen geplant, maar hoogerop leunend tegen het buffet vol glazen, de dentiste in zijn leverkleurig pak, lachend uit zijn wijnrooien kop, met het licht brandend in zijn geel haar en in zijn vlamkleurige snorren.
—„Cantemos, cantemos!”82) daverde zijn stem.
—„Olé, olé,” schreeuwde Consuela dadelijk klaar; ze begon in de handen te slaan.
—„Quien sabe cantar el flamengo?”83)
—„La senorita.”84)
—„Don Juan.”85)
—„Excusame Usted.”86)
—„Si, si.”
—„Toca, toca, Frasquetito.”87)
Allen riepen tegelijk. In het gehaspel der stemmen stemde Frasquito zijn guitarra die hij als een kind op zijn schoot had, de hals stak hem hoog boven den schouder uit.
Arturo, die zijn zoontje had naar bed gebracht, kwam weêr binnen en nam den stoel naast Frasquetito.
—„Venga par aqui, caballero!”88) stoorde bevelend bijna de soldatenstem der padrona; „aqui, par aqui,” riep ze met de hand op de zitting van den stoel kloppend, die nu ledig was aan haar zij.
Boven het klankgat van zijn guitarra gebogen loopend, den jukbeenigen kop schuin, den jongensmond open, verstrooid door aandacht, luisterend naar het timbre van het geluid dat zijn hand uit de snaren tokkelde, zoo liep Frasquito over naar den stoel aan den anderen wand.
En de comedor was geheel stil geworden van menschengepraat; de klok tikketakte met klein droog geratel boven den jongen, die het zich gemakkelijk maakte, zoo hij dat in zijn kamertje gewoon was. Hij schuurde met zijn hoofd langs den muur om een goed plaatsje te vinden. De Andaluze, die zingen zou, kwam op uit haar behagelijke keuvelhouding met Don Juan, leunde naar den kant van den speler om beter met hem samen te gaan.
—„Un momento,”89) vroeg deze.
Hij wrong een paar der schroeven boven in het schopje aan den zwarten hals van zijn guitarra nog wat vaster, ze knerpten onder het weêrgestreef der snaren die wit voorbij het donkere klankgat zich spanden, vervolgens beproefde hij nog even met zijn duim, de toon zoemde, toen lei hij het hoofd achterover.
—„Pronto, que tocar?”90)
—„Un tango, un tango!” riepen drie, vier stemmen.
—„Bueno, un tango.”91)
En als het geluid van een gong in een oostersch huis begon het. Zijn hand, slap in het polsgewricht, flapte heen en weêr, met slierende vingers sloeg hij de snaren over. Het klaagklankte en trilde uit den hollen buik van zijn instrument, ernstig en zwaar, den toon van een violoncel nabijkomend was het snaargeluid, en het weende en zoemde na als het sterven van een gongslag in een oostersch huis.
En meteen daarop, hoogkeelde de Andaluze een aanroependen tweeklank uit, den verren kreet van een dwaler in de bergen geleek het, toen ze zong:
[MIDI]
—„Olé, olé!” blèrde Consuela weêr, ze sloeg de handen holklappend op elkaâr, hard bij de guitarra-tonenreeks beginnend, die dadelijk volgde op den aanroep. Joedelend neuriede de Andaluze er bij meê:
[MIDI]
De uitpsalmende klank zieltoogde, zwoel, veel geluid in zich dragend, donker, en ging toen dood.
't Was even stil, toen begon de guitarra opnieuw. Frasquetito's hand ging streelend nu over de snarenbaan, met loomen greep, gedachteloos, zooals een mannenhand streelt over vrouwenhaar. En onder het liefkoozen van zijn dwalende vingers, zwol weg een zwerm van week tonengebruis, soms met een klein waterhelder opgetokkel van de duimsnaar aan het einde; een groot rumoer van veel ver trillende peessnaren was het, vaag als vliegende insecten in heiren gonzend, treurig als het zwaarmoedig gestem van oosterlingen klaagzingend door hun neus. 't Was of de speler met zijn dichte oogen zichzelven er mede sussen wilde tot den slaap, zoo gedoofd was 't geluid en de rust die eruit op zich drong.
En voor dat achtergeluid van dommel en droomen, geluidjes aan elkaâr, zooals de gebronsde kleurtonen gebonden zijn in een oud wandbehang van arabesken vol, tjingde het hooge nootje van den duim als een goud zonvonkje op een hoogsel van het ornament en stemde het levende liedje dat de Andaluze met een zachte altstem zong:
Het gezang zweeg, uitsuizend in het geschemer van den comedor. De Andaluze zakte gemakziek in de plooien van haar japon terug, terwijl Frasquetito voorovergekomen, met grootere aandacht nog in de snaren greep, als een echo de laatste maten naämend van het gezongen lied. Stil stierf onder zijn handen het akkoord, sober als vaak het gebaar is waarmeê een mensch een droefheid besluit.
—„Brava, muy bien, bonita,”93) schreeuwden de gasten.
De dentiste draafde naar de tafel, schonk zich een glas water, draaide lollig de punten van zijn snor met het vocht op en ging naar den hoek waar de senora troonde.
Daar werd het druk. Don Juan maakte er complimentjes aan de senorita over haar mooie stem. De wijnkooper praatte bedaard en fatsoenlijk met de madrilena, terwijl haar man nietig en wezenloos op zijn stoel zat. Met halven toon tokkelde Frasquetito voor zichzelven.
—„Il joue très bien le flamengo94) ce garçon,” zei Arturo tot den schilder.
—„Si, si, ça sonne bien.”
—„Et ça vous plaît?”
—„Beaucoup.”
—„Savez-vous,” hernam Arturo in zijn nationaliteitsijdelheid geprikkeld, hij draaide op zijn stoel bij „savez-vouz, c'est absolument espagnole....e.” (Hij hield ervan, wanneer hij Fransch sprak, de woorden wat te liefkoozen.) „Ce sont des airs très antiques... d'origine arabe... ça nous est venu des Maures.”
—„Aha!”
—„Oui,” ging hij voort, met een fijn mondje, een weinig doceerend, een beetje van uit de hoogte pochend: „Oui, de chanter et de jouer le flamengo, c'est bien difficile... Ça ne s'apprend pas á l'école, comprenez-vous, cette musique est toute de tradition vocale.... C'est comme l'art de taureau, om naît avec cela... il faut avoir.... Cómo se llma,” hakkelde hij, het fransche woord in zijn hoofd zoekend, „como se llama?... il faut avoir... la gracia,95) comprenez-vous?”
—„Oui, monsieur, je comprends, le don.”
—„Preciso... le don... oh, comme j'aime le français.... Moi,” (hij zei dat, als had hij den mond vol aan het woordje) „moi, je voudrais vivre toujours à Paris.... oh, Paris, oui, monsieur, Paris.”
—„Vous connaissez Paris?” vroeg zijn buurman.
—„Pas encore.... mais, j'espère.... écoutez, monsieur,” vervolgde hij geheimzinnig, „je suis en train de faire une grande découverte.... une invention, vous comprenez?.... je rêve, oui, monsieur, je rêve un nouveau système télégrafique, ce sera pour la grande exposition!”....
De ander keek hem in de afgematte oogen en hij vond hem bijna onnoozel met zoo te bluffen, want in zich zag hij hem dadelijk terug, 's avonds laat nog, tot overmiddernacht, zittend aan de tafel in den comedor, in zijn witte hemdsmouwen onder de lamp, bezig met het calligrafeeren van statistieken voor zijn dienst om een sigarettenduitje te verdienen. Hij zag hem weêr knutselen met liniaal en pen, van allerlei soort lagen ze voor hem, pennen voor rondschrift, voor groot en klein, en voor de zwierige krulletters die door ieder in huis oprecht werden bewonderd; maar hij zei niets, naast hem wond de man zich al meer en meer op, met veel ah's en oh's.
—„Ah, si vous voulez, je vous montre demain tous mes préparatifs.... au bureau.... mes chefs me tiennent en grande considération, vous savez.... o, comme je serai heureux à la fin de quitter Madrid.... cette vilaine ville.... qui m'étouffe, qui m'ennuie.... soy cansado de Madrid, mucho.... mucho!”96)
Door zijn fatterig gepraat was een wrok komen trillen, en als een paard dat opmerkzaam de ooren spitst op het fluitje van zijn menner, begon de extrangero te luisteren naar dat levende geluid; want naast hem sprak Arturo al drukker, zijn borstlijdersgezicht gloeide op de koonen, af en toe moest hij kuchen en zijn weekblauw oog werd nat.
....... „Je voudrais vivre loin de Madrid, à Paris, ou.... n'importe où.... mais loin d'ici. Madrid me fait mourir. O, si j'étais riche.... j'irais vivre à la campagne, seul avec mon petit, loin, bien loin de cette vilaine maison. Voyez-vous, vivre dans un beau pays.... avec beaucoup d'arbres.... avec une grande verdure, toute peuplée d'oiseaux.... le matin nous chevauchons à travers bois, le petit et moi, nous mettons le fusil a l'épaule, ou nous pêchons à la ligne, si toutefois le désir ne nous prend de monter en l'air de gros cerfvolants,97) tout de papier d'or, brillants au soleil.... et despues98).... hij klakte met den mond.... bien manger et bien dormir dans notre petit château”....
—„En Espagne” moest de andere spotten.
Maar zijn buurman hoorde het niet, opgegaan als hij was in zijn luilekkerlandachtige fantasie.
—„Et en hiver.... j'irais m'amuser à Paris, passer mes jours au café à lire des journaux.... et mes soirs au théâtre ou mieux encore, avec de jolies femmes.... mon petit aura de bons instituteurs, ça sera parfait.”
—„Musica, musica!” 't Was Consuela weêr die uitjuichte boven 't gegons der menschen en boven het getokkel der guitarra waarin Arturo's stem zich wiegde; ze was opgesprongen en had den dentiste om het middel gepakt, klaar tot dansen.
Maar ze moest als gekastijd weêr naar haar plaats; want „'sta quieta, mujer!”99) galmde, bang voor te vroege drukte, de padrona van uit haar hoek. Als het geblaat van een geit sleepte ze de laatste lettergreep in haar mond na.
—„Comme elle crie cette femme,” minachtte Arturo, en even daarna: „ah! attention, nous allons chanter une ronde.”
Juan zat al naast de guitarra te wachten tot hij moest invallen. Hij sloeg de maat met zijn hand tegen den kant van zijn stoelzitting, bij gebrek aan een stokje. Beverig kwam de aanroep, toen 't olé, olé en het kletsende klappen van holle handen. Improviseerend begon hij, onderweg de woorden schikkende naar de melodie, almaar door bevallig zat hij, als een hond die mooi opzit, een zingende mooie man: