WeRead Powered by ReaderPub
Puck cover

Puck

Chapter 12: XI XI JAN WEER THUIS.
Open in WeRead

About This Book

A ten-year-old girl, Jootje van Vorden—called Puck—moves into a new household and alternates between impulsive mischief and sensitive sulks as she negotiates family life. Domestic episodes, including a kitchen mishap, clashes with household staff, teasing from siblings, and drifting school friendships, reveal how small grievances and misunderstandings shape her feelings and conduct. The narrative offers close, sympathetic scenes of everyday childhood, portraying both stubbornness and tenderness while adults respond with patience, and traces the gradual adjustments of a child seeking belonging amid routine family interactions.

[Inhoud]

XI XI JAN WEER THUIS.

Vader en moeder waren nu ook weer thuis gekomen, en hadden Jan meegebracht.

Dat was me een baas geworden, die Jan! Zoo groot en breed, met zoo’n heldere, vroolijke stem en drukke bewegelijkheid, dat hij ’t heele huis vulde. Voor iedereen had hij wat meegebracht, en zelfs Geertje niet vergeten. „Wat allemachies aardig is van dien jongen mijnheer met zijn lange beenen,” zei Geertje, „want kennen doet hij mij geen eens.” Ze was dan ook verbazend in haar schik met haar cadeau: een hertje van gepolijst metaal, dat er „echt” uitzag met zijn zware horens en mooie dunne pootjes. Het pronkte midden op haar tafeltje, en ’t hertebeest kreeg ’s Zaterdags [120]ook een beurt van wat blief je! ’t Werd gepoetst en opgewreven tot ’t blonk als zilver.

Jan zou nu over acht weken naar Indië vertrekken om te Soerabaia op vaders kantoor werkzaam te zijn. In die twee maanden moesten Mamp en Nel voor zijn uitzet zorgen, terwijl hij zelf ook nog heel wat te koopen en te beredderen had. Telkens bracht Jan wat mee uit de stad, bloemen voor Mamp, een lekker sigaartje voor vader, fijne odeur voor Nel, snoepgoed voor de meisjes, en voor tante Sjarlotje patiencekaartjes. Jan had er voor tante ook een boekje bij gekocht, daar stonden wel honderd verschillende patiencespelletjes in.

Tante Sjarlotje raakte al gauw verzot op patiencespelen en.… Lientien ook. Die was er bizonder vlug en wijs mee. Als tante een nieuw spel wilde leeren en uit de verklaring niet wijs kon worden, begreep Lientien deze in een oogenblik en leerde haar tante Sjarlotje, die ze, op deze manier, vlug begreep. Wat hadden tante en Lienepien een pret over de namen van de patiencespelletjes.

De moeilijke „Pad”, de „Zevenslapers” en de „Tweelingen” wilden van de tien keer negen maal niet uitkomen, maar de „Beeldengalerij” en de „schuchtere Louise” waren flauw gemakkelijk. Elken avond, vóór ’t naar bed gaan, speelde tante een uurtje, en daar sliep ze dubbel lekker op.

’t Werd een gezellige tijd met Jan thuis. Zelden of nooit ging hij alleen uit. „Ik zal mijn heerlijk thuisje nu al gauw jaren lang moeten missen,” zei Jan, „en wil er [121]dus nog zooveel mogelijk van profiteeren.” De jongen was bijna altijd naast Mamp te vinden, die hij „Mader” noemde. Dit was zijn lievelingsnaam voor zijn tweede moeder, die hij even liefhad, alsof zij zijn eigen was geweest.

Als hij op de bank naast haar zat, stak hij vertrouwelijk zijn arm door den haren.

„Nou niet naaien, Mader, maar gezellig babbelen.”

„Domme jongen, hoe komen je zakdoeken dan klaar?”

„Die wil Puckie wel voor mij naaien,” plaagde Jan, met een knipoogje naar deze jongejuffrouw. Hij wist wel, dat ze een broertje dood had aan naaien.

„’k Ben zoo graag voor je bezig, Jan,” zei mama, „als je je goed gebruikt daarginds, denk je nog eens extra aan me.”

„Of ik dat niet altijd zal doen, goeie, trouwe Mader mijn,” sprak Jan zacht. „Ik zal u wel erg missen en vader en Nel en lieve Lienepoes.… Maar als ’t te erg dreigt te worden, zeg ik, net als vroeger: „den kop er tegen in, Jaromir.”

„Juist Jan, en we hebben toch onze brieven over en weer, en ik heb nu zooveel tijd om aan jullie te schrijven. Van Dolf en Lous krijg ik voortdurend prijsjes.”

„En u schrijft zulke heerlijke, en heerlijk lange brieven,” betuigde Jan dankbaar. „Zorg dus Mader, dat ik u ook prijsjes geven kan.… Ons eigenlijk huis blijft toch altijd hier,” vervolgde Jan na eenige oogenblikken, „de duiventil, waar de kinderen steeds in en uit blijven vliegen, of liever ’t nestje, dat u pas zacht en warm voor ons gemaakt heeft. [122]Ik kom vast om de drie of vier jaar weer eens kijken; ’t is zoo goed als zeker, dat Lous en Dolf over een jaar of wat over komen wippen. U zal zien: tot in uw en vaders stokouderdom zal u van de kinderen Canneheuvel om u heen hebben.”

„Vader en ik hopen en wenschen niets liever, m’n jongen,” zei mama bewogen.—

Puck, die altijd met Frits kibbelde, zag tegen Jan op. Ze vond hem een echte „mijnheer”, en durfde geen bijdehante antwoorden geven, als hij haar plaagde.

Puckie voelde niets voor ’t patiencespelen van tante Sjarlotje en Lientien, maar ze werd steeds „doller” op lezen. Lientien geloofde, dat ze van de heele school boeken leende, want altijd had ze weer nieuwe.

„Tante Puck heeft de leeskoorts,” klaagde Lientien tegen haar eenig zoontje. „Ze is niks gezellig; wil nooit meer babbelen, maar zit eeuwig met haar neus in de boeken.”

„Trek je er niks van an, moeder,” troostte kleine Koo, „dat luwt wel, want lezen is vreeselijk vervelend op den duur.”

„Wat een ezel is die kleine Koo toch!” merkte tante Puck op, „zijn verstand is even klein als hij zelf is.” Daar kleine Koo, sinds zijn geboorte, nog geen sikkepitje gegroeid was, moest ’t arme wicht zijn mond wel houden.

Mevrouw Canneheuvel zei er maar niet veel van, dat Puck voortdurend las, zoolang haar schoolwerk er niet onder leed. Ze vermeed alles, wat den vrede zou kunnen [123]verstoren, den laatsten tijd, dat Jan nog thuis was.

Maar Jan had in zijn goedhartigheid bedacht Puckie eens aardig te verrassen. Hij nam haar mee naar zolder, en gaf haar een kist vol boeken cadeau, die hij van kleinen jongen af aan bewaard had. De meeste bevatten avontuurlijke verhalen, zooals jongens die gaarne lezen. Doch er waren ook mooie boeken bij over dieren en zoo, die Dolf indertijd aan Jan vereerd had.

Puck stond sprakeloos van vreugde over zulk een schat, en wist niet, hoe ze Jan zou bedanken. Overblij met dit prachtige cadeau, hief zij zich op haar teenen en gaf Jan een flinken klapzoen op zijn bruine wang. „Ze is toch wel een hartelijk kind,” dacht Jan.

Goeiige Lientien hielp Puck den boekenschat naar beneden dragen, en nu voelde Puck zich net zoo rijk als een veldmuis of een hamster, die voor den heelen winter voorraad in zijn hol heeft gesleept.

Jammer, dat oom voortdurend een oogje hield op ’t huiswerk, moeilijke lessen overhoorde en de sommen nakeek.

Puck moest er haar dierbaar lezen dus dikwijls aan geven, want, was ’t werk niet in orde, dan moest ’t overgeleerd en overgemaakt worden, daar hielp geen lieve moederen aan.

’t Beviel Puck dit keer heelemaal niet op school. Grace en Ellen gingen heelemaal op in de barones en lieten Puck links liggen. [124]

Het baronesje was een stil, zacht meisje met groote oogen, die altijd staarden. (Lientien vond, dat ze sprekend leek op haar oudste kind Francine, de oogen ten minste.) Men kon haar alles behalve vlug noemen, want ze kende nooit haar lessen, en gaf dikwijls zulke domme antwoorden, dat de andere kinderen er om lachten.

Maar dan werd de juffrouw boos, en knorde. Al gauw begrepen de meisjes, dat ze meelij moesten hebben met Leonore, in plaats van haar uit te lachen. Ze was zwaar ziek geweest, en kon nu niet zoo goed meer leeren als andere meisjes van haar leeftijd. Mettertijd zou ’t wel terecht komen, had de dokter gezegd, en ’t was ’t beste, als zij klasse-onderwijs kreeg, en veel met meisjes van haar jaren in gezelschap was.

Nu werd Leonore niet meer uitgelachen, doch, de goedhartige meisjes niet te na gesproken, die zich uit meelij met haar bemoeiden, lieten de klasgenootjes haar vrijwel links liggen. Behalve Ellen en Grace, die zich bepaald aan Leonore opdrongen.

’t Stak Puck, dat zij dat deden, en ze begreep ook niet best, hoe ze haar bij dit meisje achterstelden. Want Puck gooide zich zelf alles behalve weg, en wat had je nou in vredesnaam aan dat suffe wurm, al kon ze ’t niet helpen, dat ze ’t was.

Op een keer zei Puck ’t ronduit heel boos en driftig tegen Ellen. „Dat jullie niet meer vriendin met me wilt zijn, kan me geen zier schelen, maar dat je dat onnoozele [125]schaap van een Leonore nou zoo achterna loopt, dat vind ik bespottelijk.”

„Zoo!… vind je dat? smaalde Ellen. „Ze is in elk geval veel meer dan jij, want ze is een barones.”

„Zeg, ben je van Lotje getikt?” onderzocht Puck. „Die Leonore is geen steek meer dan jij of ik, omdat haar vader bij toeval baron is.…”

„Kind, hoe verzin je ’t? We moeten meelij met haar hebben, zegt de juffrouw, en dat is waar, maar jij lijkt wel mal.…”

„Je hoeft niet te denken, dat je ooit meer in onze auto mee mag,” schreeuwde Ellen.

„’k Zou niet eens willen,” gilde Puck weerom. „Jij en Grace stikken van verwaandheid. Hoepel op met je beiden, ik wil niet eens meer vriendin zijn met zulke bespottelijke mallooten.”

„Dat komt goed uit,” hoonde Ellen, „want …”

De rest hoorde Puck niet, want ze rende weg, nadat ze haar gewezen vriendin eerst nog een flinken stomp had toebedeeld.

Ziezoo, met de Grace- en Ellen-vriendschap was ’t dus voorgoed uit. Ze lieten Puck loopen, toen ze een voornamere vriendin konden krijgen, net precies als Frits voorspeld had.

Maar juist daarom vertelde Puck er thuis aan niemand van, behalve aan Lientien, die toch al zoo iets gemerkt had. Lientien had haar beloofd te zwijgen, en op Lientien kon je aan. [126]

Puck sloot nu nog inniger vriendschap met haar kostelijke boeken. Dat waren ten minste vrienden, die je nooit in den steek lieten.

’t Was de laatste weken aldoor prachtig herfstweer, eigenlijk veel te warm voor den tijd van ’t jaar. De juffrouw zag ’t een beetje door de vingers, als er eens minder goed werd opgelet, en ook ’t werk beter had kunnen zijn. Zij had ’t de meisjes gaarne gegund nu buiten te wezen in plaats van in de warme school.

Maar toch moest ze wel eens knorren, en ook Puck kreeg nog al eens te hooren: „Meisje, waar zijn je gedachten? Let toch wat beter op.”

Puck verlangde al maar dat de school uit was, en ze ’t boeiend verhaal zou kunnen vervolgen, waarbij aldoor haar gedachten waren in plaats van bij haar sommen, of de aardrijkskundige les.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Lientien moest met zwaar gevatte kou thuis blijven.

Niemand begreep, hoe ’t mogelijk was, met ’t warme weer, maar arme Lienepien had ’t dan toch zoo verbazend te pakken, dat mampie haar in bed stopte. Lientiens neusje zag rood van ’t snuiten, en ze bleef maar hoesten, in weerwil van al de ulevellen en boterbrokken, die haar van alle kanten werden toegestopt.

„Je moet Lientien nu liever niet zoenen, Puck,” waarschuwde tante, „anders krijg je ’t ook beet, en zou je de school moeten verzuimen, net als Lientien.” [127]

Deze argeloos gesproken woorden brachten ondeugende Puck op een onzalig denkbeeld.

„Waarom zou zij ook niet ziek kunnen worden, net als Lientien, en een dag of wat heerlijk vacantie nemen om.… volop te lezen?”

Diep in de Boschjes waren zulke stille plekjes tusschen ’t groen, waar nooit iemand kwam, of je stoorde …

Dien middag op school gaf Puck al een begin van uitvoering aan haar plan. Telkens moest ze verdacht hoesten en haar zakdoek gebruiken. Toen de juffrouw vroeg, wat of ze toch had, jokte Puck, dat ze zich niets prettig voelde; zoo zwaar in ’t hoofd en zoo suf, net of ze zwaar verkouden zou worden. En dat zou geen wonder zijn, omdat Lientien al een paar dagen te bed lag, ziek van verkoudheid.

Toen de school uit was, ging Puck naar de juffrouw toe. „Juffrouw, als ik er morgen niet ben, dan weet u wel waarom; ik voel mij niks goed.” En Puck huiverde, verbazend natuurlijk.

„Best kind. Beterschap hoor!” zei de juffrouw, wie ’t geen oogenblik in ’t hoofd opkwam, dat Puckie comedie speelde. [128]