WeRead Powered by ReaderPub
Puck cover

Puck

Chapter 16: XV XV BIJ TANTE JOHANNA.
Open in WeRead

About This Book

A ten-year-old girl, Jootje van Vorden—called Puck—moves into a new household and alternates between impulsive mischief and sensitive sulks as she negotiates family life. Domestic episodes, including a kitchen mishap, clashes with household staff, teasing from siblings, and drifting school friendships, reveal how small grievances and misunderstandings shape her feelings and conduct. The narrative offers close, sympathetic scenes of everyday childhood, portraying both stubbornness and tenderness while adults respond with patience, and traces the gradual adjustments of a child seeking belonging amid routine family interactions.

[Inhoud]

XV XV BIJ TANTE JOHANNA.

Tante Johanna had gevraagd, of Puck met de Kerstvacantie nu eindelijk eens bij haar kwam logeeren. Ze kende ’t kind van haar eenigen broer zoo goed als niet, en vroeg in haar brief, of Mevrouw Canneheuvel ’t niet natuurlijk vond, dat ze verlangde haar eigen nichtje een poosje bij zich te hebben.

Ja, dat kon Mevrouw Canneheuvel best begrijpen, en ze gunde ’t tante Johanna ook graag, al wist ze vooruit, dat ’t van weerskanten teleurstelling zou geven. Want tante Johanna was een stijf dametje met ouderwetsche begrippen, in ’t geheel niet gewend met kinderen om te gaan. Puck zou haar veel te druk en te vrij zijn; zij paste volstrekt niet in tante’s omgeving. ’t Was echter ook om een andere reden (dan tante’s verlangen naar nichtje) wenschelijk, dat Puck een poosje van huis zou wezen.

Al trachtte iedereen (op mama’s vriendelijk verzoek) gewoon te zijn tegen het meisje, haar niet te laten merken, dat men van haar schuldbekentenis afwist, Puck zelf meende telkens stil verwijt te lezen in de oogen, die haar aankeken. Toen ze op een keer erg veel haast had, en Geertje op zij [162]duwde, die haar in den weg stond, liet deze zich ontvallen: „Als ik uwes was, Puck, zou ik zoo’n drukte niet maken.”

Geertje zei dit zonder erg, maar de woorden klonken Puck schimpend in de ooren. Geertje had ze nooit durven zeggen, als ze niet op haar neerkeek vanwege de „Bommenbusjes-zonde”.

Mevrouw Canneheuvel, die juist de kamer uitkwam, zag hoe Puck verbleekte, en zich op de lippen beet, om niet heftig te antwoorden. ’t Verheugde mama, dat ’t kind zich wist te beheerschen.

Ze wenkte haar binnen en sprak: „Ik zocht je juist, Puck, om je te vertellen, dat tante Johanna je te logeeren heeft gevraagd voor de aanstaande vacantie. Ze wil je graag eens bij zich hebben, en dat is heel natuurlijk, want je bent haar eenige nichtje. Nu hoop ik maar, dat je ons geen schande zal aandoen, kind, en je lief en behoorlijk zal gedragen. Bedenk, dat tante niet jong meer is, nooit kinderen om zich heen heeft gehad, en wees dus niet te luidruchtig en te vrij.”

„Maar ik vind ’t niks prettig, om te gaan,” klaagde Puck, „tante lijkt me niks aardig; zoo stijf en stug!”

„Dat zal je heusch wel meevallen. Tante Johanna is een brave ziel, die zich haar leven lang voor anderen heeft opgeofferd.”

„Als ’t moet, als u denkt, dat ik ’t niet verdien om een prettige vacantie te hebben,” zuchtte Puck gedwee, „dan …” [163]

’t Is volstrekt niet als straf bedoeld,” viel mevrouw Canneheuvel in. „Tante Johanna moest je hooren!.… Je straf heb je al gehad in de weken eer je bij mij kwam, niet Puck?.… Kom, zet nu je beste beentje eens vóór in Voorburg. Wees een lief, gezellig, opgewekt kind, zooals je hier bent, dan gaat tante stellig veel van je houden.”

„En dan vraagt ze me nog maar met elke vacantie,” dacht Puck bij zich zelf. „Wat een heerlijk vooruitzicht!”


Maar ze durfde niets meer zeggen, en een paar dagen later bracht oom haar naar Voorburg. Op ’t reisje er heen praatte Puck toch zoo heerlijk met oom, precies als ze met haar paatje had kunnen doen. Uit zich zelf was ze begonnen over haar laatste verkeerde daad, en oom zeide, dat hij zich best kon begrijpen, hoe moeilijk ’t Puck was gevallen voor de waarheid uit te komen, en dat hij, even als tante, geloofde, dat ze haar daad goed had willen maken, en ’t haar ernst was met haar voornemen een beter kind te worden. Hij hoopte van harte, dat Puck haar goede voornemen getrouw zou blijven, en tante beloonen voor al haar liefderijk geduld en trouwe moederzorg.

Onder ’t praten was ’t reisje kort gevallen, en stonden ze voor tantes villa’tje, eer Puck er op verdacht was.

Oom bleef nog eventjes praten; toen had hij van tante Johanna afscheid genomen, en Puck zoo hartelijk vaarwel gekust, alsof ze zijn eigen Lientien was. [164]

Puck liet oom uit, en stond hem zoo lang mogelijk na te wuiven, terwijl ze intusschen bedacht, hoe lief en goed oom toch ook altijd voor haar was. Tusschen haar en Lientien maakte hij nooit ’t minste onderscheid. Stopte vader Lientien een extraatje toe, oom deed ’t Puck tegelijkertijd.…

„Komt u der nou eindelijk in, jongejuffrouw?” vroeg Saartje, tantes dienstbode, „we waaien temet nog weg, met die open deur. En veeg uwes voeten nog even af, ze zitten vol modder.”

„’k Zie der niks an,” beweerde Puck.

„Nou, ikke dan wel, en mijn gang is pas geschrobd.”

Puck haalde haar schouders op, en mompelde: „Loop rond, ouwe zanik,” maar ze veegde haar voeten toch nog maar eens op de mat, waar het kortaffe: „Voeten vegen,” den bezoeker nu niet bepaald beleefd hiertoe uitnoodigde.

„Wat een nauw gangetje en wat een kleine kamers,” dacht Puck, „’t lijkt wel een poppenvilla, net geschikt voor kleine Koo. Wat zal Lientien lachen, als ik ’t haar vertel.”

Maar dat kon vooreerst niet.… Puck onderdrukte een zucht, en ging de voorkamer binnen, waar tante in het serretje zat.

„Kom eens hier, meisje,” verzocht tante Johanna. „Wel, wel, ’t leek wel, of je oom naar een Noordpoolreis uitgeleide deed, zoolang bleef je nog praten en afscheid nemen. Maar een volgenden keer laat je me de voordeur niet zoolang open. ’k Voel de kou nog aan mijn beenen.—Je [165]haar is heelemaal verwaaid, net een ragebol. Ga met Saartje mee, die zal je de logeerkamer wijzen, dan kan je je daar wat opknappen.… heila kind, neem meteen je hoed en mantel mee, en berg ze netjes in de kast boven.…”

Vóór ze nog de trap op was, had Puck al bij zich zelf uitgemaakt, dat tante een zeur en Saartje een spook was. Lieve Hemel! wat zou ze zich hier vervelen!

Die eerste middag sleepte voorbij. ’t Begon dadelijk nà de koffie te regenen, dus van uitgaan was geen sprake.

Tante haalde haar breiwerk te voorschijn en, terwijl de naalden langzaam door haar vingers gleden, begon ze Puck een en ander te vertellen uit de kinderjaren van haar vader.

Maar dat dikke, stoute jongetje, dat appels van de boomen schudde, en zijn schoolwerk niet wou maken, en dan honderd maal moest schrijven: „Ik moet beter mijn plichten betrachten,” kon Puck onmogelijk vereenzelvigen met haar vadertje, en ze luisterde zonder de minste belangstelling toe.

’t Kon ook wel aan tantes manier van vertellen liggen, want die leek op niks. Tante hield er een suffe, preekerige manier van praten op na, ze haalde elk woord uit of ’t van elastiek was.—Toen tante zweeg, kon Puck niets bedenken, om over te babbelen; ze had er ook niets geen zin in. ’t Etensuurtje bracht een prettige afwisseling, want ’t „spook” kookte lekker, en er kwamen veel meer gerechten op tafel dan thuis. Toch smaakte ’t Puck lang zoo niet als anders. [166]

Zoo ongezellig ook, met je tweeën aan tafel. Tom, tantes ouwe hond, zat mee aan, wat Puck erg onsmakelijk vond, want „lieve Tom” slobberde en smakte en morste als een kind zonder manieren.

Na ’t eten ging tante een beetje stilzitten, en gaf Puck een boek.

„Dat zou haar wel bevallen,” verzekerde tante met een knipoogje.

„De ondeugende kinderen van J. Gouverneur,” las Puck op ’t titelblad.

’t Is vol aardige, gekleurde platen, zei tante, „die moet je maar eens goed bekijken. Je papa had, als kind, ook altijd erg veel schik in dit boek. Hij kende vele versjes er uit van buiten.”

Maar eigenwijze Puck dacht, dat haar vader toen zeker nog een verbazend klein jongetje moet geweest zijn, want zij vond de versjes en plaatjes dan al verbazend kinderachtig. Al gauw had ze haar bekomst van „De ondeugende kinderen”, en na de thee vroeg ze, of ze naar bed mocht. Ze had zoo’n slaap.

„Ga je thuis ook zoo vroeg naar bed?” vroeg tante verbaasd.

„Thuis! O nee, maar ’t is hier ook mijn thuis niet.…” ’t Woordje „gelukkig” slikte ze nog bijtijds in.

’t Kind voelde niet, dat ze haar gastvrouw pijn deed, en ’t kwam deze niet in de gedachte, Puck met een hartelijk woord of grapje te doen inzien, dat ze zich een beetje [167]schamen moest over haar onbeleefd antwoord. Tante werd boos.

„Je hebt slechte manieren, Johanna,” verweet ze ’t meisje kortaf. „Ga dan maar gauw, als je je zoo bij me verveelt.”

„Gunst tante, waarom zegt u toch „Johanna” tegen mij?” onderzocht Puck verwonderd. „Zoo noemt niemand mij ooit.”

„Waarom heb je zoo’n mallen bijnaam?” vroeg tante op haar beurt. „Je heet naar mijn lieve moeder, dus naar je grootmoeder, net als ik, Johanna, Magdalena. En Johanna is wat een mooie naam!”

„Ja maar, ik ben nou eenmaal aan „Puck” gewend. Paatje noemde mij nooit anders, en Johanna klinkt mij zoo vreemd en stijf, dat ik niks graag zoo genoemd word.”

„Zoo? Nou weet ik ’t wel,” zei tante strak. Ze stak Puck haar wang toe, en na een vluchtigen kus ging Puck met een: „nacht tante, slaap wel” naar boven.

In bed begon Puck te schreien. Ze wist niet, wat haar scheelde, maar nu brak ’t los, wat haar den heelen dag gekweld had: zoo’n heftig verlangen naar huis, dat ze ’t wel had kunnen uit gillen. ’t Leek haar, of ze al weken weg was in plaats van één dag.

Op eens moest ze denken aan een vreeselijk verhaal, dat Frits Lientien en haar, lang geleden, had voorgelezen. ’t Was de geschiedenis van een matroos, die oproer had willen maken aan boord van zijn schip. Zijn straf daarvoor was even wreed als verschrikkelijk. Men liet hem achter [168]op een onbewoond eiland met niets dan een vaatje water en wat brood.…

O! zij wist nu, hoe ’t dien rampzaligen zeeman te moede moest zijn geweest, toen hij de sloep zag wegvaren, die de laatste schakel vormde tusschen hem en de bewoonde wereld.

Zij voelde zich ook als een verlaten, ongelukkige schipbreukeling! Hoe zou ze ’t hier uithouden!

En Puck wond zich hoe langer hoe meer op, terwijl de tranen haar langs de wangen stroomden, tot ze, moe gehuild, eindelijk insliep.

’t Was tante Johanna niet ingevallen, nog eens naar haar nichtje te gaan zien, of haar een goedennachtkus te brengen.

Tante had in ’t geheel geen aardigen indruk van Puck gekregen. Ze leek haar een onhartelijk, bijdehand, verwend kind.

Den volgenden morgen kuste een helder zonnetje Puck wakker. De heele omgeving zag er nu op eens veel vroolijker en aantrekkelijker uit.

Puck voelde zich minder neerslachtig, toen ze beneden kwam.

Na ’t ontbijt stelde tante Puck voor een eindje te gaan wandelen. ’t Was nu mooi weer, en straks kon ’t wel weer regenen.

Noemde tante dit nu heusch „wandelen?” dacht Puck wanhopig. Slechts stapje voor stapje, voetje voor voetje ging ’t vooruit, want tante Johanna had last van asthma, [169]en Tom kon ook niet zoo goed meer mee. Hij was oud en aamborstig, maar daarom waren tante, en vooral Saartje, niet minder dol op hem.

Tante had Puck’s arm genomen, en ’t kind deed heusch haar best, om opgewekt te praten, zooals ze tante Canneheuvel beloofd had. Maar al gauw gaf ze ’t op. ’t Drukkend gevoel van gisteren kwam met kracht terug, en steeds erger werd ’t verlangen naar huis.

Tante kocht wat lekkers voor aan de koffie, straks, maar ’t kon Puck niet schelen. Ze kon niet gezellig en vroolijk wezen, en had wel willen huilen; de last op haar borst woog ál zwaarder.

’s Middags was tante Johanna gewend een paar uur te gaan rusten. Ze had dit den eersten dag van Puck’s bezoek niet gedaan, doch nu ging ze naar boven, na eerst, op Puck’s verzoek, een ander boek voor haar nichtje uit de boekenkast te hebben gezocht.

Tante Johanna had alleen verbazend ouderwetsche boeken, de meeste nog uit haar jeugd. Ze meende Puck een recht aardig verhaal in handen te hebben gegeven, „Roza van Tannenburg” getiteld. Puck begon er over te geeuwen, en vond het een „drakige” geschiedenis met al die zedelessen.

In ’t geheel niet benieuwd naar Roza’s verdere avonturen, sloot ze ’t boek, en wilde met Tom gaan spelen.

Doch deze ouwe heer waarschuwde haar met dreigend gebrom, dat ze liever niet te dicht bij zijn mand moest komen. [170]

Dadelijk kwam Saartje uit de keuken aanzetten, om te kijken waarom lieve Tom bromde. Ze vroeg Puck, of die hem soms aan ’t plagen was, want anders ging de lieverd nooit te keer.

„Och, loop rond,” verzocht Puck niet erg vriendelijk, „ik heb dat leelijke, vette beest met geen vinger aangeraakt.”

Saartje zette haar handen in haar zij. „Welzeker! Ik zou dat onschuldige dier maar uitschelden; als ik uwe was. ’t Staat je aardig, dat moet ik zeggen. Ik zeg dan maar, dat Tommie een heel wat liever en vrindelijker beest is dan sommige, die ik niet noemen zal.”

„Bedoel je mij soms?” vroeg Puck. „Ik ben anders een mensch en geen beest.”

„Een mensch van amper drie turven hoog,” hoonde Saartje, „laat naar je kijken, madam.”

Ze nam Tommie, die nu eerst verwoed gromde, onder den arm, en trok af naar de keuken.

„Bij die Saar vergeleken, is Bet heusch een engel,” overdacht Puck.

Ze ging in ’t serretje zitten, maar al gauw zag ze zelfs de enkele voorbijgangers niet meer, door de tranen heen die haar weer langs de wangen liepen. In de verte speelde een draaiorgel het melankolieke wijsje „Verdreven van huis.”

Puck huilde nog harder. Ach, ze was immers ook verdreven van huis! Wat zou Lientien nu doen? Zouden ze haar in ’t geheel niet missen? Zou ze met oudejaarsavond [172]ook hier moeten blijven?… Maar dat hield ze niet uit!… [171]

„Ik zeg dan maar, dat Tommie een heel wat liever en vriendelijker beest is dan sommige, die ik niet noemen zal”.

[172]

Tante was wel goeiïg, maar hoe verschrikkelijk vervelend was ’t hier met die twee ouwe menschen en dat ouwe beest! En toen voelde Puck, dat ’t dàt niet alleen was. Al was ’t huis vol vroolijke kinderen geweest, ze had ’t hier toch akelig gevonden, omdat ze naar haar eigen thuis verlangde, en verging van heimwee.

Ze snakte naar tante’s lief gezicht, naar ooms vriendelijke stem, naar Lientiens aanhaligheid en Nels hartelijke zorg, zelfs naar ’t kibbelen met Frits. Kon ze maar even om ’t hoekje kijken bij tante Sjarlotje.…

Bet was aardig en goeiïg naast „spokige” Saar. Hoe dolgraag had ze Geertje met haar dikke rokken door de gang zien schommelen.

De derde dag ging voorbij als de eerste, met het ongelukkige wandelingetje, ’t wanhopig pogen van Puck om tegen haar heimwee te strijden, en tante’s stille ergernis over ’t vervelende, saaie nichtje. Tante Johanna deed haar best, maar ze kon Puck niet opwekken. Bij ’t spelletje dammen, na ’t eten, speelde ’t meisje zoo lusteloos en onverschillig, dat tante Johanna verdrietig voorstelde er maar liever mee uit te scheiden.…

Puck viel haar dan al verbazend tegen. Was dat nu het vroolijke, leuke kind, van wie mevrouw Canneheuvel zoo hoog had opgegeven?

’t Kwam tante Johanna geen oogenblik in de gedachten, dat haar logéetje aan heimwee leed. [173]

Toen Puck dien avond in bed lag, kwam ze, na veel getob en gehuil, tot het besluit, dat ze hier niet langer bleef, en naar huis terug ging. Of tante haar dit nu kwalijk nam of niet, dat kon haar niet schelen.

Ze kon ’t niet langer uithouden.