WeRead Powered by ReaderPub
Puck cover

Puck

Chapter 17: XVI XVI NAAR HUIS TERUG.
Open in WeRead

About This Book

A ten-year-old girl, Jootje van Vorden—called Puck—moves into a new household and alternates between impulsive mischief and sensitive sulks as she negotiates family life. Domestic episodes, including a kitchen mishap, clashes with household staff, teasing from siblings, and drifting school friendships, reveal how small grievances and misunderstandings shape her feelings and conduct. The narrative offers close, sympathetic scenes of everyday childhood, portraying both stubbornness and tenderness while adults respond with patience, and traces the gradual adjustments of a child seeking belonging amid routine family interactions.

[Inhoud]

XVI XVI NAAR HUIS TERUG.

’t Was nog maar nauwelijks licht, toen Puck, na een bijna slapeloozen nacht, uit haar bed gleed. Doodstil en voorzichtig kleedde zij zich aan, haalde haar bed af, en ruimde de kamer netjes op. Tante Johanna hoefde naderhand niet te zeggen, dat ze een slordigen boel had achtergelaten. Toen schreef Puck, bij ’t licht van haar kaarsje, ’t volgend briefje.

Lieve tante Johanna,

’k Dank U wel voor al ’t plezier, maar ik kan niet langer blijven. Ik heb zoo’n verlangen naar huis, dat ik aldoor huilen moet, en ik heb zoo’n prop in mijn keel en net een ijsklomp op mijn borst.

Dank U nog eens wel, en wees U als ’t u belieft niet boos op uw liefhebbend nichtje Puck.

Dit briefje legde het meisje in ’t midden op tafel, zoodat het goed in ’t oog viel. Puckie was slim genoeg, als [174]het er op aankwam, en, terwijl ze toch niet slapen kon van verdriet en zenuwachtigheid had ze alles goed overlegd.

Toen Saartje tante Johanna om half acht een kopje thee op de kamer bracht, sloop Puck naar beneden en stil de deur uit. Ze paste er op, dat de klink van het tuinhekje heel zacht toeviel, en snelde daarop voort, of de vijand haar op de hielen zat.

Geld had Puck niet, want van de bespaarde veertig cents zou en wou ze niets afnemen, zelfs niet in den grootsten nood. Ze had ’t tante op haar eerewoord beloofd! Het juffertje moest ’t dus met den wagen van „Voeteling” doen. ’t Was wel een vreeselijk eind naar de Groot-Hertoginnelaan, maar ’t kon nu eenmaal niet anders. Den weg wist ze wel drie kwart, en ze had ook gelukkig een mond om te vragen.

Eerst liep ze verbazend vlug het dorp uit, den Voorburgschen weg af, naar Rijswijk. Maar al gauw moest ze haar tred matigen. Ze kreeg pijn in haar borst bij ’t haastig adem halen (hoe kwam ze daar nu aan?), voelde zich flauw en moe door gebrek aan slaap en voedsel. Want ze had de laatste dagen bijna niet kunnen eten, en was nu ook nuchter ’t huis uitgegaan. Trek had ze overigens in ’t geheel niet; ’t lekkerste hapje had ze nu niet door de keel kunnen krijgen.

Haar roode wangetjes leken smal en bleek, en haar groote oogen nog grooter en donkerder door de kringen er om heen van al ’t huilen en niet slapen. [175]

Toen ze een half uur had geloopen, voelde Puck zich dood op. Ze was nu op den Rijswijkschen weg waar, over de open velden aan weerszijden de koude wind meedogenloos op haar aanviel.

’t Kind zwoegde er tegenop, belemmerd in het voortgaan door haar kleeren, die de storm stijf tegen haar lichaam aandrukte. De zwarte krullen dansten om Puck’s hoofd, het elastiek van haar hoed sprong kapot, tegelijkertijd vloog deze over de sloot, en huppelde het weiland op.

’t Kon Puck niet schelen, ze bond haar zakdoek om haar krullen, en verder ging ’t weer. Maar ’t gaan viel haar hoe langer hoe zwaarder.… Als ze die stekende pijn in haar borst maar niet had gehad! Dat was nog ’t ergste.…

De afstand tusschen de twee bruggetjes leek haar eindeloos. Nu begon ’t wat minder fel te waaien, doch daar ging het regenen, eerst niet erg, maar al gauw bij stralen. Gelukkig had Puck een dikken, warmen mantel aan; met te meer plezier viel de booze regen op haar onbeschermd hoofd neer. Ze had haar krullen wel kunnen uitwringen; als een wit vodje flapperde de zakdoek in haar nek.

Wind en regen deden met haar arm hoofd wat zij wilden. Haar natte rokken zweepten tegen haar beenen, zoodat kousen en laarsjes ook al gauw drijfnat werden.

Wanneer de gedachte aan thuis Puck niet telkens nieuwen moed had gegeven, was ze zeker aan den berm van den weg neergevallen, geheel onverschillig voor wat er nu verder met haar zou gebeuren. Telkens had ’t kind gedacht: [176]„Komt er nu nooit eens een wagen langs dezen weg, die mij misschien wel een eindje mee zal willen nemen?”

De Rijswijksche weg was echter in dien tijd nog bijna niet bebouwd, en behalve de tram naar Delft, had Puck tot dusver geen enkel vervoermiddel gezien.

Eindelijk hoorde ze toch het „klik, klak” van paardenhoeven en ’t gerommel van een vrachtwagen achter zich. Ze keerde zich om, en zag een wagen van Van Gend en Loos, die haar achterop reed.

Toen de koetsier dat kleine, verwaaide, ongelukkige hoopje mensch op den eenzamen weg zag staan en wenken, hield hij dadelijk zijn paard in. En, eer Puck haar verzoek om mee te mogen rijden had kunnen doen, was ze door den goedhartigen man al opgenomen, en werd haar tusschen de manden een plaatsje ingeruimd door den maat van den voerman.

„Maar jongejuffrouw,” vroeg deze, „hoe komt uwe nou toch met zulk weer alleen op weg? Menscheziele, wat ben je koud en nat!”

„Wacht, ik zal de paardendeken om haar heenslaan,” sprak de koetsier, de daad bij het woord voegend. „Zie zoo, juffertje, nou brengen we je thuis als een pakkie met Van Gend en Loos,” schertste hij. Puck begon te lachen, maar daarop onbedaarlijk te schreien.

„Bedaar maar, juffie, je komt nou makkelijk thuis,” troostte de koetsier. „Waar moet uwes wezen?”

„Groot Hertoginnelaan, twee en veertig,” hakkelde Puck. Haar tanden klapperden tegen elkaar. [177]

Toen de koetsier dat kleine, verwaaide, ongelukkige hoopje mensch op den eenzamen weg zag staan en wenken, hield hij dadelijk zijn paard in.

[178]

„Dat is nou juist niet naast de deur, maar uwe treft ’t, dat ik in die buurt moet wezen, al heb ik er een eindje voor om te rijden. Vooruit Bles.” Hij zwaaide zijn zweep over Bles zijn rug, die er dadelijk een vluggen stap in zette.

Puck bleef huiveren en klappertanden in haar natte kleeren. Na een poosje hield dit op, en begon ze te gloeien onder de deken. De pijn in haar borst hield echter aan. Ze hoorde maar half, wat de mannen haar vroegen, die wilden weten, waar ze vandaan kwam, en hoe ze in dit hondenweer op dien eenzamen weg verdwaald raakte.… Daarop was ze zeker aan ’t suffen en soezen gegaan, want ze kwam pas tot besef van den toestand, toen de wagen stilstond. Met een „we bennen er” van den koetsier voelde zij zich opgebeurd, en nu stond ze in de gang: thuis. ’t Kostte Puck moeite haar loodzware oogleden op te slaan. Als in een waas zag ze lieve, vertrouwde gezichten om zich heen, die erg verschrikt keken. Achter uit de lange gang, kwam een gestalte toeloopen: „Tante”.

Met een schreeuw wilde Puck op haar toevliegen, maar zij kon niet, en zakte ineen. Toen hoorde ze vragen: „Frits?”.… voelde zich opgenomen en naar boven gedragen. Iemand kleedde haar uit, kuste haar koude wangen, wreef haar ijskoude handen. Nu lag ze in haar eigen bed, dat verwarmd aanvoelde en wist niets meer.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Dien nacht kreeg Puck hard de koorts, en was twee weken lang zoo zwaar ziek, dat de dokter zich ernstig [179]ongerust maakte. ’t Bleek al spoedig, dat ’t kind longontsteking had, terwijl haar zenuwgestel bovendien geheel van streek was. Puck genoot de meest denkbare, zorgvolle, liefderijke oppassing. Mevrouw Canneheuvel met Nel en de pleegzuster, waren voortdurend om haar heen, en dokters voorschriften werden zoo nauwkeurig opgevolgd, als deze maar verlangen kon. Eindelijk kwam de crisis, die ’t zieke kind gelukkig doorstond, en daarop, heel, heel langzaam, de beterschap. Ruim twee maanden ná haar vlucht uit Voorburg, lag een bleeke, stille Puck in de kussens, die zich o zoo wonderlijk, zwak en moede voelde.

Ze kon nu echter weer geregeld denken, en zich alles herinneren van vóór haar ziek worden. Die tijd zelf was als een verwarde droom, waaruit zij zich slechts enkele bizonderheden herinnerde: tantes hand op haar voorhoofd, oom naast haar bed, die haar langs de wangen streek, zooals paatje vroeger deed, wanneer ze ziek was. Ze kon in ’t geheel niet praten, en als ze ’t wilde probeeren, boog iemand zich over haar heen, en fluisterde: „Niet doen, kindje, later.” Dikwijls had ze angstige droomen gehad, maar dan was er altijd iemand geweest, die haar kalmeerend toesprak, en zacht neervlijde in de kussens.

Nu genoot ze van een droomloozen slaap, uren en uren achtereen, doch ze bleef maar moe, en moest nog bij alles geholpen worden. De pleegzuster was weer vertrokken en, als oom het niet deed, kwam Bet boven, om bij het verbedden te helpen. [180]

Puck kon niet weten, dat Bet hier uit zich zelf om gevraagd had.

Eerst wist de zieke niet, dat ’t Bet was, die haar zoo zacht en voorzichtig opnam en droeg. Op een keer herkende ze haar, doch sloot onmiddellijk de moede oogen weer, om haar tranen binnen te houden. Want Bet knikte haar toch zoo hartelijk en vol meelij toe, dat Puck moeite had niet te gaan schreien.

Niet alleen Bet, ook Kee en Geertje hadden verbazend met Puck te doen. Alle ergernis over ondeugende, brutale Puck had plaats gemaakt voor innig meelij met ’t doodzieke kind, en bange zorg om haar leven, dat dagen achtereen aan een zijden draad hing. In de keuken dacht men niet anders, of Puck zou er niet meer van boven op komen. „Betjesmoe”, die telkens kwam hooren, meende dit ook, al wou ze niet gelooven, dat ze ’t „schatteboutje” nooit terug zou zien. Maar die ijlende koortsen en dan longontsteking er bij.…

Geertje was verbaasd, dat je van heimwee zóó ziek kon worden.

Doch Betjesmoe zei: „daar kan een mensch wel aan sterven.”

En Bet voegde er bij: „’t Schaap was nog bovendien drijfnat, en ze had fel de koorts, zei Juffrouw Nel, toen ze naar der bed werd gebracht. Geen wonder, dat ze doodziek is geworden. Hoe dat nog af moet loopen!”.… en Bet schudde meewarig het hoofd. [181]

’t Had een verbazende consternatie gegeven, toen Puck als een pakje natte ellende, uit den wagen van Van Gend en Loos werd binnen gebracht. Den eersten tijd, terwijl dokter steeds ernstiger keek, en geen enkel geruststellend woord durfde spreken, dan dat Puck’s jeugd en gezond gestel ’t hem doen moesten, werd alles vergeten en op zijde gezet door de familie Canneheuvel, wat met Puck’s wegloopen samenhing, in de angstige zorg om het meisje te behouden.

Tante Johanna kwam over. De arme ziel was eerst heel boos geweest na ’t lezen van Pucks briefje, doch daarop ernstig ongerust geworden. Een pak viel haar van ’t hart bij de ontvangst van het telegram uit Den Haag, dat haar Pucks behouden thuiskomst meldde.

Zoo gauw ze dacht, dat ze Puck zou mogen zien, was ze naar Den Haag gespoord en hartelijk door mevrouw Canneheuvel ontvangen, die dadelijk beneden kwam, om tante Johanna te woord te staan. Tot haar spijt kon ze deze echter nog niet bij de zieke brengen; dokter had alle bezoek streng verboden.

„’t Was mijn schuld toch niet, dat Johanna ’t niet bij mij kon schikken,” klaagde Juffrouw Van Vorden. „’k Heb er u al uitvoerig over geschreven, maar wil nu nog eens zeggen, ik heb gedaan, wat ik kon om het kind te plezieren. Het lekkerste eten bedacht, met haar uitgegaan, spelletjes gespeeld en.…”

„U moet zich de zaak heusch niet aantrekken, Juffrouw [182]Van Vorden,” troostte Mevrouw Canneheuvel. „’t Is niemands schuld. Puck verging van heimwee, en wist eigenlijk niet goed, wat ze deed, toen ze weg vluchtte; ’t kind was ontoerekenbaar, en is van àf ’t oogenblik, dat ze bij u was, niet recht in orde geweest. Ik ben overtuigd, dat het een volgenden keer veel beter zal gaan tusschen u en haar.… Waren wij maar zoo ver,.… daarnaar ziet ’t helaas nog in ’t geheel niet uit.”

Mevrouw Canneheuvel vertelde maar niet aan tante Johanna, dat Puck ’t in haar koortsdroomen steeds had gehad over een verlaten eiland, waar tante Johanna haar had heengebracht en achtergelaten, en dat ze ’t vaatje water niet had kunnen open krijgen, terwijl ze versmachtte van dorst.

Tante Johanna had zich op haar manier wel moeite gegeven om Puck’s dorst te lesschen, doch haar manier was de ware niet, en dat kon de oude dame ook al weer niet helpen.

„Zoo gauw Puck weer uit mag, kom ik dadelijk met haar bij u,” beloofde Mevrouw Canneheuvel tante Johanna bij ’t afscheidnemen, „en we zullen u intusschen goed op de hoogte houden van haar toestand. Er is nu, God zij dank, geen kwestie meer van gevaar.”

Tante Johanna ging heusch erg opgelucht naar Voorburg terug, en vertelde haar wedervaren aan Saartje en Tom.

Tommie gromde maar zoowat, en Saartje zei: „daar het ’t stomme beest gelijk in, want wij beiden motten niks van die Puck hebben, hè lieverd?” [183]