I I EEN SLECHT BEGREPEN KIND.
Jootje van Vorden, bijgenaamd Puck, stond voor ’t raam in de huiskamer, en trok allerlei figuurtjes op de zwaar beslagen ruiten. Dit deed ze misschien wel om een beetje kalmer te worden, want de jonge juffrouw was hevig verontwaardigd. Zoo even had Bet „de meid”, haar de keuken uitgejaagd, verbeeld je!
Omdat de sinaasappels nog zoo zuur waren, hadden Lientien en zij verzonnen de partjes in suiker te leggen. Maar de suiker moest eerst gesmolten worden, anders drong ’t zoet niet door. Dus waren beide meisjes naar de keuken gegaan, en hadden een leelijken morsboel gemaakt, toen Bet, juist op ’t ongelukkigste oogenblik, dat ze kiezen kon, binnen kwam.
„Neen maar, wat voeren jullie uit?” riep ze boos.
„Had je dat niet eerst kunnen vragen, Lientien? En jij moest je schamen, Puck, de vuile rommel, die je gemaakt hebt, met mijn schoonen bordendoek op te soppen.” En tegelijk wilde Bet Puck den doek afgrijpen. Maar Puck hield stevig vast. Bet’s blauwe en Puck’s zwarte oogen keken elkaar woedend aan,
„Wil je wel dadelijk loslaten, kwaie meid, pas op, of je [6]krijgt er een om je ooren,” waarschuwde Bet. Puck trok nog harder, en liet toen op eens los, zoodat Bet zeker zou gevallen zijn, als ze zich niet net bijtijds aan de tafel had kunnen vastgrijpen.
„En nou is ’t genoeg,” riep ze rood van drift. „Denk je soms, Puck, dat.…”
„Hoor eens Bet,” viel Puck haar heel kalm in de rede, „ik vind, dat je nou wel eens: „jongejuffrouw” kon zeggen in plaats van „Puck”, ’t komt niet te pas van een m.…” Verder kwam ze niet. Bet pakte haar bij den arm, en schudde de rest van haar woorden weg.
„Heb ’k van mijn leven. Moet je nog wat?.… Vort, mijn keuken uit, en heb ’t hart niet, dat je hier weer komt knoeien.”
Met een dreun sloeg de keukendeur achter Puckie dicht. Lientien was al van te voren weggeslopen met de in den haast aangebrande suikerstroop. Ze legde er voorzichtig de sinaasappelpartjes in, doch Puck trok er haar neus voor op. Ze was dan al verschrikkelijk kwaad. Vroeger, op Soerabaia, had niemand der bedienden haar ooit bij den naam durven noemen, en nou ze tien was geworden, wilde ze ’t ook niet langer verdragen van de dienstboden hier.
„Wat kan ’t je eigenlijk toch schelen, Puckie, of ze je in de keuken bij je naam noemen,” vroeg Lientien. „We zijn toch maar kinderen,” voegde ze er eenvoudig bij. „Grace en Ellen hebben je zeker opgestookt, om zoo groote-menscherig te doen, hé Puck?” Doch Puck duwde Lientien [7]weg, en wilde in ’t geheel niet kijken naar de rose schijfjes in het zwart bruine sap. Ze teekende ’t eene sterretje vóór, ’t andere ná op de beslagen ruiten.
Waldi kwam van de wandeling thuis, maar zijn onstuimig vriendelijke begroeting werd door Puck met een koel „weg vervelend beest,” beantwoord. Lientien wilde ’t bij Waldi goed maken, doch dat behoefde niet eens: Waldi nam ’t nooit kwalijk, wanneer de menschen onvriendelijk tegen hem waren. Dat begreep hij niet, of hij nam de zaak even wijsgeerig kalm op als Socrates, de kater.
Nel kwam binnen, even later Frits, die Puck aan haar krullen trok, omdat ze hem niet behoorlijk goeden dag zeide.
„Wat scheelt er aan Puckie Muckie?” vroeg hij. „Heb je weer kuurtjes, kruidje-roer-mij-niet?”
Puck haalde nijdig haar schouders op en gaf geen antwoord.
„Plaag haar toch niet, Frits,” verzocht Nel.
„Toe, Puckekind, help me eens gauw. ’k Moet de sla nog aanmaken. Wil jij vast de eieren pellen?”
Jootje keerde zich half om, doch toen Frits haar vaderlijk goedkeurend toeknikte: „Toe maar Puckie,” werd ze wéér woedend, en vloog de kamer uit.
„Och hemel! wat een lastig humeur heeft Puck tegenwoordig toch,” zuchtte Nel. „De Haagsche lucht bekomt haar bepaald slecht.”
„Nee,” verkondigde Lientien wijs, „’t komt door haar vriendinnen op school. Die kinderen stoken haar van alles op.”
„Jou ook, Lienepien?” vroeg Frits. [8]
„Ze noemen mij een „zuigelingkind”, en ze hebben altijd geheimen voor me met hun drieën.… ’k Wou, dat ’k Annie en Wimpie hier had, die houden ook van poppen en zoo.… Daar trekken Ellen en Grace haar neus voor op.”
„Maar in Den Haag is ’t toch heel wat leuker wonen dan in Utrecht,” meende Frits. „Die heerlijke duinen en Scheveningen en de Boschjes en ’t Bosch.… Zou jij terug willen, Nel?”
„Ik vind ’t overal prettig, waar we allemaal samen zijn, vent. ’t Spijt me genoeg, dat Lous en de jongens zoo ver weg zitten.”
Op ’t allerlaatste nippertje kwam Puck pas aan tafel, haar booze bui scheen nog niets gezakt. Maar van slechte humeurtjes werd aan tafel nooit notitie genomen. Mama keek Puckie wel even onderzoekend aan, doch vroeg niets. Iedereen praatte gewoon en prettig zooals altijd op ’t gezellig etensuur, wanneer al de familieleden bijeen waren.
Doch ná tafel nam mevrouw Canneheuvel haar pleegdochtertje apart.
Eerst had mama gemeend en gehoopt, dat zij ’t zich verbeeldde (of, dat dit een voorbijgaand verschijnsel zou zijn), toen Puck zoo in haar nadeel veranderde sinds de familie in Den Haag woonde. Doch, daar Jootje’s humeur eer erger dan beter werd, moest ze dit vermoeden opgeven. Met ’t meisje, dat nu sinds drie jaar hun huisgenootje was, had mevrouw Canneheuvel in ’t begin veel last gehad. ’t Kleine, verwende ding snoepte, jokte en was verbazend [9]koppig. Snoepen deed Jootje nu zelden of nooit meer, en ook in andere opzichten was ze wel in haar voordeel veranderd.
Wat ’t kind echter de laatste maanden was gaan bezielen, dat begreep niemand.
Altijd achtte zij zich verongelijkt, en riep dan: „Niemand begrijpt mij ook” (net of ze een raadseltje was, zei Lientien). Vaak liep ze uren aaneen te mokken, en wist eigenlijk zelf niet waarom. Over ieder plagerijtje werd ze boos, en had eens twee dagen lang niet tegen Frits willen spreken, omdat hij haar de „reuzin” had genoemd toen ze klaagde, dat iedereen haar als een klein kind behandelde.
Mama sloeg Puckie opmerkzaam gade, en deed telkens weer haar best ’t meisje van haar ongelijk te overtuigen; dit gelukte haar echter steeds moeilijker.
Ook nu weer kon tante Puck niet aan ’t verstand brengen, dat ’t al heel bespottelijk en grievend tegenover Kee en Bet zou zijn, wanneer haar gelast werd om de kleintjes op eens „jongejuffrouw” te noemen.
„Maar kindje,” sprak tante, „de meisjes in de keuken noemen Frits nog altijd bij zijn naam, en die is bijna zestien. Bet vergeet zelfs meestal „Juffrouw” tegen Nel te zeggen.
„Nou, ik vind, dat het niet te pas komt,” hield Puck vol, „Ellen en Grace zeggen ’t ook.”
„Frits en Nel maken daar nooit een aanmerking over, omdat we Bet en Kee al zoo lang hebben, en ze ons zoo trouw en eerlijk dienen.” [10]
„Ellen en Grace hebben hier in huis niets te vertellen, Puckie … Kom, vrouwtje, zet je mooie-weer mutsje toch weer op. Zoo gauw je achttien bent mag je „juffrouw” zijn. Tot zoolang blijf je onze „Puckie” binnen en in de keuken.”
„Mijn paatje”… begon Puck, snikkend. Tante zag ’t kleine meisje heel ernstig aan.
„Kijk me eens in de oogen Puck … geloof je, dat je vadertje zou meenen, dat je hier niet goed bezorgd was, en geen prettig tehuis hebt?… Heusch, Puck, als je niet tevreê en vroolijk bent, is dat alleen je eigen schuld. Strijd toch tegen dat verkeerde gevoel in je hart. Wees niet hoogmoedig, en heb niet zoo’n groot idee van je zelf. Je bent net als Lientien, nog maar een kind. En wanneer je eenvoudig en voorkomend bent, houdt iedereen van je, en voel je je zelf ook gelukkig … Geef mij nu maar een zoen, en beloof me je best te willen doen.”
Puck gaf tante wèl een zoen, doch voldaan was ze niet. Bij zich zelf dacht ze: „Wat kan ’t tante nou toch eigenlijk schelen, of Bet en Kee mij jongejuffrouw noemen, als ik ’t zoo graag heb. En nou kan ik Ellen en Grace ook niet vertellen, dat ze ’t moeten doen voortaan, en ik heb nogal zoo gebluft, dat tante ’t dadelijk goed zou vinden.”
Toen ze in bed was, en Lientien al lang sliep, lag Puck nog een heele poos over haar moeilijkheden na te denken.
’t Was of ze tegenwoordig veel meer naar Indië terug verlangde dan vroeger. Ze zag haar lief geboorteland in de schoonste kleuren; alles was er heerlijk en veel beter [11]dan in dat nare Holland, waar ’t bijna aldoor regende. Ralima zou ’t wel uit haar hoofd hebben gelaten om haar af te snauwen als die nare Bet deed … Tante was wel lief en de anderen ook, behalve Frits, die aap van een jongen, met al zijn verbeelding … Maar waarom lieten groote menschen kinderen bijna nooit hun zin doen? Ach, waarom was haar paatje er niet meer? Van hem mocht ze alles. Hier moest je altijd gehoorzamen, en, wat je prettig vond, mocht juist niet. Grace en Ellen van Bergen deden thuis net wat ze wilden. Ze hadden geen vader meer, en haar moeder gaf de meisjes in alles toe. Wanneer ze een enkelen keer wat verbood, en Ellen en Grace deden ’t toch, dan kregen ze nooit straf, maar mevrouw begon te schreien. „En,” zei Grace, „zoo’n regenbuitje dreef van zelf voorbij…”
Als zij dat toch ook maar durfde, iets te doen wat eigenlijk niet mocht, maar dan zou tante vast niet huilen en roepen van: „hoe kan je toch zoo ongehoorzaam zijn?”
Ze zou flink straf krijgen, van oom ook … Die Lientien was toch zoo’n flauw kind; ze kreeg al een kleur van schrik bij de gedachte, dat ze iets uitvoerde wat mampie niet goed zou vinden. Grace vond ’t ook zoo flauw, dat dat kind nog zoo graag met poppen speelde. „Poppen zijn maar dooie dingen,” zei ze.
Grace was al dertien en Ellen twaalf, maar zij wilden toch vriendin met haar zijn.
Daarmee voelde Puckie zich erg vereerd; ook, doch dit had ze voor geen geld willen bekennen, omdat ze erg rijk [12]waren. Mevrouw Van Bergen had een auto en, als je er op een partijtje was, kreeg je allerlei moois mee naar huis. Dat vond tante overdreven, en ’t gebeurde bij de familie Canneheuvel dan ook nooit.