WeRead Powered by ReaderPub
Puck cover

Puck

Chapter 5: IV IV „MAMA!”
Open in WeRead

About This Book

A ten-year-old girl, Jootje van Vorden—called Puck—moves into a new household and alternates between impulsive mischief and sensitive sulks as she negotiates family life. Domestic episodes, including a kitchen mishap, clashes with household staff, teasing from siblings, and drifting school friendships, reveal how small grievances and misunderstandings shape her feelings and conduct. The narrative offers close, sympathetic scenes of everyday childhood, portraying both stubbornness and tenderness while adults respond with patience, and traces the gradual adjustments of a child seeking belonging amid routine family interactions.

[Inhoud]

IV IV „MAMA!”

Mevrouw Canneheuvel had, kort na den hevigen influenza-aanval, dien zij eenige jaren geleden ternauwernood te boven was gekomen, wel gemerkt, dat haar linkeroog daardoor geleden had, want ze kon er niet meer zoo goed mede zien als vroeger. Dit was langen tijd zoo gebleven, en mama meende, dat ’t niet verergeren zou. Doch den laatsten tijd bleek dit wel ’t geval, en in zoo hooge mate, dat vooral papa zich ernstig ongerust begon te maken, en den dokter liet komen. Deze onderzocht mama’s oogen zeer nauwkeurig, en raadde haar aan, te Utrecht professor Snellen te raadplegen.

En nu waren papa en mama zoo even uit Utrecht thuis gekomen. Nel had best gezien, dat vader alles behalve opgewekt keek, toen hij naar boven ging, en haar met mama alleen liet. Mama trok Nel naast zich op den divan, en Nel streelde zachtjes haar hand, doch ze durfde mama niet aankijken, want ze had moeite haar tranen te bedwingen.

„Luister nu eens, kind,” sprak mama met haar vriendelijke, opgewekte stem, „nu moet je niet zoo wanhopig doen en zoo erg bedroefd zijn, want daar is in ’t geheel geen reden toe. Wat denk je toch eigenlijk, Nel?”

„Nou,” antwoordde Nel, terwijl ze moeite deed het beven van haar stem te bedwingen, „als dokter toch zegt, dat U vreeselijk voorzichtig moet zijn, en U voor alles in acht [36]moet nemen, omdat U anders … omdat Uw andere oog anders …”

Gevoelige Nel kon zich niet langer goedhouden, en snikte ’t uit, terwijl zij haar hoofd tegen mamp’s schouder drukte.

Doch mamp hief Nel’s gebogen hoofd op, en keek haar vast in de oogen. „Niet zóó Nel, kalm toch, m’n lieve kind … Hoe kan ik met je praten, als je je zelf zoo toegeeft? Kom! kom! vroeger hielp ik jou met alles voort, nu moet ik een steuntje krijgen van mijn oudste dochter, is dat nou zoo erg?”

Nel veegde haar tranen af, en gaf mama’s hand een extra drukje.

„Vertel U mij alles uitvoerig wat de professor gezegd heeft, wil U?” verzocht ze. „U heeft gelijk, ik ben echt kinderachtig, let U er als ’t U belieft maar niet op.”

„Je bent mijn eigen, hartelijke Nel … Wel kind, professor was ’t in hoofdzaak met onzen dokter eens, maar hij zag ’t geval toch lichter in. Volgens hem kan ik, net als ieder ander mensch, goed blijven zien met mijn rechteroog als ik voorzichtig ben, alle opwinding vermijd, en mij, ook lichamelijk, zeer in acht neem. „U moogt nooit meer op een stoel klimmen of boven Uw macht reiken, moet heel langzaam en voorzichtig trappen loopen, en U vooral nooit en met niets overhaasten … Als U zich aan dien raad houdt, kan U het licht in Uw gezonde oog even lang behouden als anders ’t geval geweest zou zijn …” Zie je wel, Nel, dat ’t lang zoo erg niet is als je dacht? Er zijn honderden [37]menschen, die maar met één oog zien. ’t Moet verbazend gauw wennen met lezen, handwerken en zoo.”

„Kan U niets meer zien met uw ééne oog, mampie?” vroeg Nel bekommerd.

„Zoo goed als niets, lieverd; van verre alles en iedereen slechts in wazige omtrekken, en dichtbij niet veel beter.”

„Maar ik zie in ’t geheel geen verschil tusschen uw oogen. Ze zijn allebei even helder en … Kunnen die geleerde heeren zich niet vergissen? ’t Is misschien iets tijdelijks, iets …”

„Neen Nel; als ’k dat geloofde zou ik mij met ijdele hoop vleien. Ik zal precies leven als de professor mij heeft aangeraden. En nou gaat moeder eens ernstig met je overleggen, kind.

Hoe veel ’t mij ook kost, ik moet de zorg voor ’t huishouden zoo goed als geheel uit handen geven. Je weet wel, Nel, hoe graag ik tot nu toe alles zelf deed, en ’t is dus wel een groote beproeving voor me niet meer voor jullie en in mijn huishouden bezig te kunnen zijn … Maar ’k zal mijn best doen daar niet over te tobben, en mij op mijn wenken laten bedienen voortaan, zooals papa dat wenscht.”

„Was papoes niet vreeselijk bedroefd, toen hij ’t hoorde?” viel Nel in.

„’k Geloof, dat vader ’t veel erger vond dan ik zelf, kind, maar nu we de zaak eens van alle kanten bekeken hebben, doet papa ook zijn best ’t vele goede, dat overblijft, niet [38]voorbij te zien. ’k Behoef niet hulpbehoevend te worden, Nel, als … ik heel voorzichtig ben.”

Nel begon weer te huilen. Drukke, bedrijvige mamp, die ’t gezin altijd zoo verwende met haar aan alles denken, voor alles zorgen …

„O mampie, ik kan mij U niet voorstellen stil in een hoekje,” snikte Nel.

„Maar kindje lief, ik ben heelemaal niet van plan stil in een hoekje te zitten,” glimlachte mama. „’k Zal nu tijd hebben voor allerlei prettige dingen: veel met vader wandelen, arme tante Sjarlotje gezelschap houden, dan volop lezen en … weet je wat ik bedacht heb, poes: ik ga weer aan ’t pianospelen, jij ook Nel. Dan broddelen we samen zoo’n beetje makkelijke quatre-mains. Maar alleen als er geen schepsel in huis is, want vader en Frits zouden zich van wanhoop de ooren dichthouden, en dat mogen wij hun niet aandoen.”

Nu moest Nel toch lachen, en mamp lachte mee. „Maar,” vervolgde mevrouw Canneheuvel, „er moet nu natuurlijk iemand zijn, die mijn werk overneemt. Als papa maar niet zoo’n hekel had aan juffrouwen. Papa vergeet, hoeveel brave, degelijke juffrouwen er zijn, omdat hij ’t er in der tijd zelf zoo slecht mee heeft getroffen.”

„En òf,” viel op dit oogenblik Frits, die de laatste woorden gehoord had, met nadruk in.

Mama en Nel hadden hem op ’t dikke tapijt niet aanhooren komen. [39]

„Mag ik blijven, mamp, of heeft U met Nel wat apart te bepraten?” vroeg Frits bescheiden, en haastig voegde hij er bij: „wat heeft de prof gezegd?”

„Kom maar eens mee overleggen, Frits,” antwoordde mamp, en trok haar jongen in de breede vensterbank naast zich.

Nu vertelde zij hem in enkele woorden, zoo blijmoedig mogelijk, wat zij zoo even aan Nel had meegedeeld. Frits zat heel stil en ernstig toe te luisteren, en wisselde veelzeggende blikken met Nel.

Toen mama zweeg, sloeg hij zijn arm om haar schouder, en kuste haar op beide wangen. Want Frits schaamde zich nog evenmin als vroeger om te toonen wat hij voelde, en zijn opgewekten kijk op de dingen had hij gelukkig ook niet verloren. „We zullen U er wel door helpen, mamp,” verzekerde hij hoopvol, „en dat gezonde oogje van U dubbel in eere houden. Natuurlijk zullen we nu aan zoo’n juffrouw voor ’t huishouden moeten gelooven.”

Daar richtte onze Nel zich flink rechtop, en sprak met vastberaden stem: „Als U ’t mij durft toevertrouwen, wil ik dol graag uw plaats vervullen, mamp. ’k Weet wel, dat ik ’t niet zoo goed zal kunnen, maar ik wil zoo graag, en ik zou ’t zoo nàar vinden als er een vreemde in huis moest komen, en …”

Mama en Frits zagen elkaar beduusd aan. Ja, natuurlijk, een meisje van een en twintig is volwassen, doch in de oogen van al de haren was Nel dat eigenlijk alleen in [40]jaren. Frits keek haar een beetje verwonderd aan, maar uit zijn blik sprak ook stille trots: „wat een lieve, flinke meid was Nel toch.”

En wat mamp wel bij zich zelf dacht?…

„’k Vind je voorstel echt lief en zelfopofferend Nel,” sprak zij eindelijk. „Maar kindje, ik ben een beetje bang het aan te nemen. Wat in ’t huishouden meehelpen als je er juist zin in hebt, is zoo heel anders dan aan ’t hoofd er van staan, en er al je tijd en denken aan te geven. Er zijn naast de groote zoo veel kleine plichten voor de huisvrouw. ’k Ben bang dat je een beetje overdrijven zal, en daardoor menig pleziertje opofferen, dat je als jong meisje toekomt, en dat papa en ik je zoo van harte gunnen. Bovendien denk je er immers nog altijd over om naar Leiden te gaan, en aan de studie te beginnen?”

„Och, moezepoes, daar krijg ik hoe langer hoe minder zin in, en vader zei laatst, dat U en hij mij graag thuishouden als ik dit liever doe.”

„Natuurlijk vrouwtje, als ’t je er heusch ernst mee is,” meende mama, en Frits verklaarde wijs: „’t Is tegenwoordig zoo’n modetje onder de meisjes om, met de jongelui mee, aan ’t studeeren te gaan; ik ben blij, dat Nel er niet aan mee wil doen.”

„Nou Frits, ook daar is, als bij alle andere zaken, veel vóór en tegen te zeggen,” oordeelde mama. „Maar, daar zullen we ’t later nog wel eens over hebben. Zooals ik al zei, Nel, we laten je geheel vrij, lieve kind, maar ik wil niet, [41]dat je een deftige huismusch zult worden, terwijl je nog een jonge spring-in-’t-veld bent. Je moet gewoon je jongemeisjespleziertjes aanhouden en …”

„Nou ja, ik kan toch ook wel wat mee helpen als Nel tennissen gaat, of uit wil,” viel Frits in. „Ik kan best thee zetten en schenken ook. U zal eens zien, hoe lekker ik voor de koffietafel zorg, als ik er op mag zetten wat lekker is …”

„Neen maar,” lachte mama, „als alles nou niet op rolletjes gaat, weet ik ’t niet …

We moesten Nel’s plan dan maar eens probeeren, en zien, of we ’t kunnen stellen zonder een juffrouw, die natuurlijk steeds in den huiselijken kring zou moeten zijn. In de eerste plaats, omdat vader ’t niet best kan hebben een vreemde op mijn plaats te zien. Maar een kleine verandering moet er toch komen. Nu heb ik gedacht ’t zóó ongeveer in te richten. Nel wordt, zooals we afspraken, moeders rechter- en linkerhand, en leent mij ook haar vlugge voeten als ’t noodig is.

’k Heb er al lang over gedacht een vaste verzorgster voor tante Sjarlotje te nemen, want eigenlijk moest tante voortdurend iemand bij zich hebben, nu ze steeds hulpbehoevender wordt. Maar tante wil ook al niet van vreemde hulp weten. Ik mag haar nu niet meer helpen bij ’t aan- en uitkleeden, en wil Kee voorstellen tante’s pleegzuster te worden. Tante mag Kee heel graag, en ’t is Kee nooit te veel iets voor tante te doen. ’k Neem er dan een aankomend meisje bij [42]om Betje beneden te helpen. Wat zeggen jullie daarvan, jongens? Mij dunkt, zoo zal alles zoo goed mogelijk geschikt wezen, en vader zal maar wàt in zijn schik zijn, dat we, binnen, onder ons blijven.”

„En als tante Sjarlotje slaapt, wat ze hoe langer hoe meer doet,” merkte Frits aan—„want midden op den dag hoor ik erg verdachte geluiden uit haar kamer komen—kan Kee toch ook wel meehelpen, hé mamp?”

„Juist, mijn practische zoon,” stemde mama toe. „En nou ga ik papa opzoeken om de nieuwe regeling verder met hem te bespreken.”

„Dank u vreeselijk, mamp, dat u mij uw werk wil toevertrouwen,” zei Nel, „en als ik ’t niet goed doe, dan neemt u mijn partij, en laten we de anderen mopperen, hé?”

„Behalve als je de thee te slap zet, want thee zetten moet je nog leeren, of als je mijn goed vergeet na te kijken, met de knoopen en zóó,” vond Frits noodig op te merken.

„Ja,” gaf Nel toe, „ik zal zeker nog al eens wat vergeten, maar je moet mij ook niet met mamp vergelijken. Die denkt altijd aan alles.”

„We zullen voor Frits een „jonggezellenvriend” koopen,” plaagde mama, „dan kan hij zijn knoopen zelf aanzetten.” En toen mama Frits had uitgelegd, dat dit een soort knoop was, die je, zonder naald of draad te gebruiken, aan je kleeren kon bevestigen, toonde het jongmensch zich hoogelijk ingenomen met deze practische uitvinding.

„Ik houd mij aanbevolen voor zoo’n „vriend”,” zei Frits, [43]„mijn schoenen onderhoud ik toch ook zelf, en heb daardoor altijd piekfijne voeten.”

Toen mama weg was bleven Nel en Frits nog lang ná praten over ’t ongeluk, dat die lieve mamp getroffen had, en hoe „eenig” zij het droeg.

„Er is geen tweede vrouw op de heele wereld, geloof ik, als onze mamp,” verklaarde Nel. „Zij houdt zich natuurlijk zoo flink voor pa en voor ons. Mamp denkt nou letterlijk nooit aan zich zelf.”

„Daarom moeten wij ’t, nu vooral, des te meer doen,” vond Frits. „Al was ’t alleen maar omdat we alles aan mamp te danken hebben, zouden we haar nooit in den steek kunnen laten. ’t Is echt flink van je, Nel, de nieuwe „Juf” hier in huis te willen worden.”

„Ja, plaag maar, leelijkerd,” lachte Nel, „ik ben onderwijl maar blij, dat dat studeeren van mij nu voorgoed van de baan is. ’k Had er hoe langer hoe minder lust in, en ’t huishouden besturen lijkt mij echt leuk. Jullie zult een veel strengere huismoeder aan mij hebben dan aan mamp, dàt waarschuw ik vooruit.”

„Als je maar begrijpt,” deelde Frits haar kalm mee, „dat je over mij geen steek te zeggen krijgt. Je zult je moeten vergenoegen met de gehoorzaamheid van de kinderkamer, en je moogt Puck, Lientien, Socrates en Waldi naar hartelust bedrillen.”

„Hoor mij zoo’n verwaande jongen eens aan!” riep Nel verontwaardigd. „Je bent en blijft zes jaar jonger dan ik, [44]ventje, en behoort, ook nog drie kwart tot de kinderkamer.”

„Dat denk je maar, mejuffrouw. Een Hoogere Burger, die volgend jaar eindexamen hoopt te doen, staat minstens gelijk met een meisje van twintig.”

„Eén en twintig, als je belieft.”

„Pas geworden, en je ziet er uit, of je nog geen zeventien bent. In de winkels zeggen ze meest altijd „jongejuffrouw” tegen je.”

„Zóó, ouwe heer.”

„Ja, en hoe jij ’t er af zal brengen om Bet’s en Kee’s werk na te gaan, en in alles mamp te vervangen … nou, ik heb er een zwaar hoofd in.…”

Nel wist wel, dat Frits haar maar zoo’n beetje plaagde, en trok zich dus niets aan van zijn laatste woorden.

Frits had verbazend veel op met zijn zuster, en vond eigenlijk alles goed en best wat Nel deed omdat.… zij het deed. Al waren ze nu te groot om nog „parkieten” te heeten, ze bleven dezelfde trouwe kameraden als in hun kinderjaren, en hingen elkander veel meer aan dan de andere kinderen onderling.

Nu de groote jongens ’t huis uit waren, voelde Frits zich eigenlijk gelijk op met Nel. Met ieder jaar werd ’t verschil in leeftijd tusschen hen kleiner, redeneerde hij. En Nel zag er heusch uit als een meisje van zeventien, wàs ’t eigenlijk ook nog wat graag. Ze speelde en schaterde tusschenbeide met de kinderkamer mee, of ze zelf nog een kind was. [45]

Een groot geluk, dacht Frits wijs, dat zijn lievelingszuster zoo in ’t geheel geen nuf of nest was. Hij kende er genoeg op de H. B. S.: van die vervelende, aanstellerige wichten met een verbeelding en een idee van zich zelf!.… Omdat een meisje één zat in hun klas (en dat was nog de aardigste en eenvoudigste van allemaal), dachten de andere meisjes, dat ze veel vlugger waren dan de jongens, maar dat zàt nog.… De meesten van die meisjes wilden naderhand gaan studeeren, net of dit van zelf sprak. Echt prettig, dat hun Nel gezellig thuis bleef. En, in zijn behoefte zijn zuster iets hartelijks te zeggen, sprak Frits: „Zooals je weet, Nel, zorg ik voor je als papa en ma ’t niet meer kunnen doen. Dat heb ik mij vast voorgenomen. Maak je dus maar niet ongerust, dat je niet altijd een boterham (en met wat er op ook) hebben zult.”

„Heerlijk, lieverd, daar vertrouw ik vast op,” antwoordde Nel.

Ze zwegen even, toen hervatte Frits: „Weet je wat vader verleden aan mij vroeg? Of ik er nog niet eens over had nagedacht, wat ik later zou willen worden. Ik kon nog heelemaal niet tot een besluit komen, maar nou weet ik het, Nel. Ik wil dokter worden naderhand oogarts. En ik ga mij met hart en ziel op de „oogen” toeleggen. Misschien is ’t toch mogelijk, dat ik iets ontdek, dat mamp kan genezen. ’k Zeg ’t alleen maar tegen jou, Nel, want ’t klinkt natuurlijk reuzen-pedant, terwijl er zulke knappe oogendokters zijn als professor Snellen bijvoorbeeld.” [46]

„’k Weet wel, vent,” zei Nel, „dat je ’t heelemaal niet uit verwaandheid zegt.”

„Nee, natuurlijk niet; ’k zou bij toeval een geneesmethode kunnen ontdekken, zie je, en dat kan natuurlijk alleen als je er in gestudeerd hebt, en wat meer weet van de zaak dan een ander.… ’k Hoop wel, dat ik niet pedant ben,” vervolgde Frits, „maar ik gooi me zelf toch ook niet weg, hoor! Naar Indië ga ik vast niet, dan leuteren ze me daar altijd om me ooren: „Is U soms de broer van den knappen dokter Canneheuvel?” Dan zou ik zeker den een of anderen keer nog eens antwoorden: „Neen, die knappe is een broer van mij! of zoo iets.”

„Misschien word jij ook reuzen-knap, Frits.”

„Naast Dolf zal ik altijd àfvallen, dat is vast. En Lous overdrijft niet in haar brieven, ik hoor telkens over Dolf, en dat hij zoo prachtig opereert, en de Chineezen er om vechten door hem geholpen te worden.”

„Ja,” zei Nel, „Lous is dan ook maar wat trotsch op haar man.”

„Misschien,” hoopte Frits, „kan jij ’t naderhand een beetje op mij zijn. In elk geval blijf ik in Holland en word oogarts en anders niet. Maar voorloopig, Nel, blijft dit tusschen ons, vooral de „kinderkamer” heeft met mijn plannen voor later geen steek te maken.” [47]