VI VI „GEERTJE”.
De keuze uit de vele meisjes, die zich kwamen aanbieden op de advertentie van Mevrouw Canneheuvel (de meesten met een piekerig vlechtje in den hals en een schraal, bleek snoetje), viel op een zekere Geertje Bom, wie het niet aan de noodige vrijmoedigheid ontbrak, toen zij zich kwam aanmelden.
Doch, hieraan gepaard ging iets bepaald trouwhartigs in het optreden van het veertienjarig ding, dat Mevrouw Canneheuvel erg voor haar innam.
„’k Wou zoo dolgraag hooger op, ziet U,” zei Geertje, „en U doet er een weldaad mee als U mij neemt, want moeder heeft zoo’n groot gezin, en ik moet verdienen. Nou is zoo’n diensie as ’k nou heb, zonder middageten, niks niet gedaan. Toe Mevrouw, neem U mij nou, U zal er geen [54]spijt van hebben, ikke kan werken als een paardje.”—
De helder blauwe oogen smeekten mee met de overredende stem, en Geertjes lief, frisch gezichtje sprak ook in haar voordeel. ’t Kind droeg de Scheveningsche muts met ’t hoofdijzer (door Geertje „beugel” genoemd), ze had een helder blauw boezelaar vóór, en maakte een properen indruk. De Juffrouw in den winkel, bij wie ’t meisje gediend had (van zeven uur ’s morgens tot drie uur ’s middags), gaf vrij gunstige getuigen.
Geertje plaste wel wat veel met water, en ze had meer weg van een ouwelijk vrouwtje dan van een kind. Ze moest nog veel leeren, en, of ze nou precies paste in een deftigen dienst?.… Maar eerlijk en werkzaam, dat was zij, en eten kon ze voor tien.
Van dit laatste vooral bleek de Juffrouw goed op de hoogte. Toen Geertje dien eersten avond uit haar nieuwen dienst om acht uur naar huis ging, raakten Kee en Bet er den heelen verderen avond niet over uitgepraat, zooals dat kind met haar vork terecht had gekund. „’t Leek wel,” zei Bet, „of ze aan ’t hooi laaien was, zoo schoof ze der eten naar binnen, en der vingers werkten flink met der vork mee.”
De groote meiden waren nog niet halfweg met haar eerste portie, toen Geertjes bord al schoon leeg was, en ze gluurde zoo begeerig naar de aardappels en lekkere jus, of ze nog niks gehad had.
Groente, daar gaf ze niet veel om, en ’t tapiocaschoteltje [55]toe, was een kossie, dat ze niet kende, en waaraan zij zich dien eersten keer maar niet zou wagen. „Nou,” vond Bet, „wonderen doet ’t me niet, ’t kind had zich te.…. (en hier gebruikte Bet geen net woord) gegeten aan vleesch met aardappels en vette jus. Haar bord leek wel een kerktoren, zoo hoog als ik ’t had opgestapeld.”
Aan dikke boterhammen met vleesch of koek, liet Geertje zich ook niet onbetuigd. „’t Was te merken,” zei Bet, „dat er eentje bij was in de kost.” Doch mevrouw Canneheuvel gunde ’t Geertje graag, dat ze nu eens volop kreeg, te meer daar ze wel haar best deed, en flink aanpakte.
Bet en Kee sprak Geertje heel beleefd, met „U” aan, en deed steeds alles wat beiden haar opdroegen, zonder ooit tegen te stribbelen. (Moeder had immers gezegd: „houd de groote meiden te vrind, dan heb je ’t goed.”) Heel gedienstig nam het Scheveningstertje Bet dikwijls wat werk uit de hand, wanneer die ’t wat drukker had dan anders met haar „pot”, en bleef dan wat later als er dan veel vaten waren te wasschen. De slimmerd wist wel, dat ze voor haar gedienstigheid den volgenden dag een belooning kreeg in den vorm van een kopje extra zoete, heete koffie. Volgens Geertje was dit de heerlijkste drank der wereld. Met haar voeten op de stoelsport, en de roode handjes om de kom gevlijd, en de oogen half dichtgeknepen van zoet genot, slurpte ze met kleine teugjes haar kommetje leeg. Ze had dat van huis meegebracht, en er ging veel meer in dan in een kopje. Maar, was dit leeg, dan sprong [56]ze ook vlug op, en ging met zulk een ijver aan ’t messen slijpen, dat de vonken er afsprongen, terwijl ze haar voorhoofd vol rimpels trok van de inspanning. Of ze gaf ’t tegelplaatsje bij den tuin een extra beurt, want daar mocht ze naar hartelust met water kletsen. In de keuken moest Bet daar niets van hebben.
Lientien had Geertje graag als een soort kameraadje behandeld, maar dat viel tegen. Want Geertje maakte ’t zich veel te druk met werken om voor iets anders tijd te hebben, en bovendien voelde ze niets voor Lientiens spelletjes; daarvoor was ze veel te oud-vrouwtjesachtig.
Tot Lientiens groote verontwaardiging had Geertje ook niets op met Socrates. ’t Was bepaald vijandschap tusschen die twee. Geertje joeg poes weg van haar pas geschrobd plaatsje met een: „Vort kat,” waarover deftige Socrates zich, met recht, zeer gekrenkt voelde. Aan zulk ruw toespreken was hij volstrekt niet gewend. Waldi nam ’t misschien wel op voor Socrates, want hij blafte Geertje in ’t begin altijd aan, als ze in zijn buurt kwam. Langzamerhand leerde hij haar bijzijn verdragen, doch toonde zich nooit aanhalig tegen ’t meisje. Geertje droeg deze ramp zeer wijsgeerig. „’t Komt zeker van mijn mussie, daar kan ’t stomme beest niet aan wennen,” meende zij.
Puck en Geertje kibbelden heel wat af. Dat kind had absoluut geen manieren, volgens Puck, en wat was ze mal aangekleed! „Waarom draag je geen katoenen jurk in plaats van die hoop rokken en dat leelijke jak?” informeerde [57]ze smadelijk. Waarop Geertje haar afbonjourde met de verzekering, dat die hoop rokken haar „drach” was, en die liet ze niet.
Wanneer Puck Geertje verweet, dat ze haar expres lang voor de deur liet staan en twee maal schellen, onderzocht Geertje, of Puck altijd zoo heet gebakerd was, of ze zei kortaf: „loop heen.” Geertje verkoos ook geen jongejuffrouw meer te zeggen tegen de kleine meisjes, zooals ze de paar eerste dagen gedaan had. Ze mompelde zoowat van: „ja hum,” „nee hum,” wat alles behalve beleefd kon worden genoemd.
Nel verbood Puck mama lastig te vallen met haar klachten. Ze moest zich maar niet met Geertje bemoeien en bedenken, dat Geertjes moeder geen tijd zou hebben gehad om haar dochtertje goede manieren te leeren.—Puck en Lientien maakten onder elkaar uit, dat het nieuwe meisje zoo’n raar kind was, omdat ze tusschen bokking en scharretjes was opgegroeid. (Haar vader dreef, voornamelijk in deze vischsoorten, een handeltje.) Eens, toen Puck weer kwaad op haar was, wilde ze Geertje ergeren met te zeggen: „’t Komt zeker van de bokking bij jullie, dat je weer zoo bokkig bent.” Waarop Geertje gevat antwoordde: „Dat ben jij dan zonder bokking.” Puck bleef sprakeloos van woede, maar ze hield der complimenten voortaan vóór zich, vertelde Geertje in de keuken.—
Puck had echter, niet minder dan de andere kinderen, toch wel erg met Geertje te doen, toen zij (op een morgen [58]thuis geroepen, omdat moeder zoo náár lag) ’s avonds kwam vertellen, dat deze gestorven was.
’t Arme kind huilde erbarmelijk. Hoe moest dat nu met die zes kleintjes thuis? Moeder was toch zoo goed geweest; ze sloeg nooit hard, en was altijd voor hen bezig. Vader wist niet wat hij moest beginnen!.…
In overleg met vader Bom, werd er nu bepaald, dat Geertje voor een week of langer naar huis zou gaan om voor ’t huishouden te zorgen. Vader wilde zijn oude moeder uit Zeeland laten overkomen om hem te helpen, want Geertjes verdiensten konden niet lang gemist worden, en zoo’n puiken dienst als bij „Mevrouw” vond ze ook zoo gauw niet weerom.
Nel liep met Puck en Lientien in den tuin ’t geval te bepraten. Ze hadden allen toch zoo’n meelij met de familie Bom.
„En moet Geertje nou alleen voor al die wormen bij haar thuis zorgen en eten koken, en de boel aan kant houden?” vroeg Puck. „Maar Nel, dat kan ze immers niet?”
„’t Zal maar moeten gaan, zooals ’t gaat,” zei Nel.
„Je begrijpt: mamp zal Geertje niet in den steek laten. ’t Is net iets voor mamp, om die stumperds in den nood bij te staan, en Geertje mag al vast hier elken avond komen halen, wat er aan brood en middageten over is. Ik heb met Bet moeten afspreken, dat ze wat meer overhoudt dan anders. Koken hoeft Geertje dan alvast niet.”
„En ze kunnen dan tenminste met hun buikje vol naar bed gaan,” merkte Lientien tevreden op. Ze zweeg een [59]poosje, en vervolgde toen: „Wat hebben die kinderen een heel ander leven dan wij, hé Nel? Geertje is toch eigenlijk ook nog maar een kind, en nou moet ze al zoo tobben en zorgen in plaats van te spelen en pret te maken. Toch wel zielig, dat er zoo’n verschil moet zijn in de wereld, en je kan er zoo niks aan doen.”
„Neen, lieve schat, dat kunnen we nou eenmaal niet, maar weet je, wat mamp van morgen zei? We kunnen wel ons best doen, naar ons vermogen menschen, die ’t noodig hebben, bij te staan en te steunen. Niet alleen met ons meelij aankomen, maar echt helpen.”
Lientien dacht een poosje nà, en stelde toen voor: „We moesten van onze centjes sparen om hun met St. Nicolaas wat te geven, zullen we, Puck? Als we elke week vijf centen op zij leggen houden we nog twintig over; dat kan best. ’t Is nou pas Juni, dus wat een weken hebben we nog!! Misschien doe jij ook wel mee, Nel?”
„Met liefde hoor, en ik geef een dubbeltje, omdat ik zooveel meer zakgeld heb!”
„Zou Frits ook willen?” onderzocht Lientien, die vond, dat de zaak flink moest worden aangepakt.
„Secuur,” besliste Nel.
„Nou maar ik vind vijf cent veel te veel,” zei Puck. „Ik heb nog schuld ook; ’t geef er maar twee.”
„Ieder centje is welkom,” meende Lientien vriendelijk.
Na drie weken kwam Geertje terug. In plaats van grootmoeder, was tante Heintje gekomen om te helpen. Tante [60]Heintje was weduwvrouw, en had zelf geen kinderen. Geertje vond tante een goeie, ouwe zeur, die den jongens stellig geen baas zou blijven.
Aan Geertje kon je niet merken, dat ze zich moeders dood erg aantrok. Ze was niet stiller dan anders, en schreien deed ze evenmin. Onder haar werk neuriede ze, als vroeger, dezelfde eentonige liedjes.
„Hoe kan Geertje toch weer zoo gewoon zijn; haar moeder is nog geen maand dood,” zeiden de kleintjes.
Doch mama wees hen terecht; de kinderen moesten niet zoo naar ’t uiterlijke oordeelen. In haar hart was Geertje zeker nog wel bedroefd, al toonde zij dit niet naar buiten.
„’t Komt zeker van die weeë vischlucht,” zei Puck tegen Lientien. „’t Is me ook wat lekkers om te moeten slapen in gezelschap van gerookte visch. Geertje zegt, dat ze er nooit wat van ruikt; natuurlijk is haar reuk afgestompt en de rest zal wel „navenant” wezen.” Puck wist dit alles zoo precies van Frits. Die had een poosje geleden een pakje aangereikt, namens Mevrouw Canneheuvel, bij de familie Bom, en was toen even in de huis- tevens slaapkamer geweest. Er waren wel drie bedsteden tegen de wanden. De kamer zag er zindelijk uit, maar ’t riekte er alles behalve aangenaam, van wege de bokkings en scharretjes, die in rissen tegen de zoldering hingen.
„We hebben nog wel een plekkie op zolder,” had vrouw Bom gezegd, „maar daar vreten de muizen er aan; dus moeten we de visch wel hier bergen. Och, Jongeheer, wij [61]menschen moeten maar niet kieskeurig zijn, en ons weten te behelpen. Als de kinderen maar gezond bennen, en elken dag ’t hunne krijgen, ben ’k al meer dan tevrêe.”—
Arme ziel! nou hoefde zij zich niet meer te behelpen. Ze was heengegaan, en had de zorg voor haar kleine stumperds aan anderen moeten overgeven.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Op den duur vond mevrouw Canneheuvel ’t toch wel wat te ver voor Geertje om twee keer per dag dat lange eind tusschen Scheveningen en de Groot Hertoginnelaan af te leggen. Er was op zolder een klein kamertje met plaats voor een bed, waschtafeltje, stoel en tafel. Dit vertrekje werd nu voor Geertje ingericht. Door een flink raam had je „’t mooiste uitzicht van heel ’t huis,” zei Frits, want je zag de duinen in de verte en, als je goed keek, zelf den vuurtoren.
De kinderen hadden er schik in Geertjes kamertje aardig aan te kleeden. Lientien spelde haar mooiste prentbriefkaarten met punaises tegen de beschadigde plekjes van ’t behang. Nel hing er een groote plaat op (welke lange jaren de kinderkamer had versierd), een muizenfamilie voorstellend, die een bal geeft, en haar gasten heerlijk onthaalt op spek, stukjes kaars, en andere lekkernijen.
Puck versierde de waschtafel met twee bloemenvaasjes, één was nogal kapot, maar stond met ’t stuk er uit tegen de plank, dus dat hinderde niets. Frits wou ook wat doen, [62]en had twee vuurroode papieren rozen tegen de gordijntjes bevestigd. Deze versiering kleedde, volgens hem, niet alleen ’t raam, doch ’t heele kamertje aan.
Frits wou echter voor Geertje niet weten, dat hij haar met deze schatten had begiftigd, want hij vond zich zelf te oud en te groot voor zoo iets. ’t Was omdat hij die rozen nou had, zie je, en Geertje ze zoo prachtig vond, toen zij ze eens bij toeval had gezien.—
Toen mama Geertje vroeg, of ze niet liever bij hen wilde blijven slapen, had ’t meisje onbeholpen van „ja” geknikt. Nu ze echter haar vriendelijk, keurig kamertje zag, was ze echt blij, en huppelde tusschen het ledikantje en de andere meubeltjes rond of ze vijf inplaats van veertien was. Alles vond ze prachtig tot de beddesprei, die Bet nog gevonden en over haar bed had gelegd, en den nachtzak van Kee toe, waarop met rood verschoten letters: „Wel te rusten” was geborduurd. „En, dat dat nou mijn kamertje is, van mijn eigens,” zuchtte Geertje innig voldaan. „’t Is niet te gelooven.”
Geertje was heel netjes op haar slaapsalet. Haar grootste plezier bestond er in ’s Zaterdags ’t zeil met zeepsop op te nemen, en de „heele kamer” een goede beurt te geven. Ze had dan een bereddering voor tien, droeg alle meubeltjes op den zolder, en boende, poetste en wreef alles wat hiervoor maar eenigszins in aanmerking kwam, tot haar ijzeren bedje toe.
En Bet liet ’t schaap goedig begaan, want het gebeurde [63]maar eens in de week, en maakte Geertjes grootste plezier uit.… op één na. Dàt was ’t poetsen van haar hoofdijzer, waaraan ze menig kwartiertje besteedde, maar dat blonk dan ook altijd als de zon. „Een zilveren zon, waarin je je spiegelen kon,” zei Lientien.