WeRead Powered by ReaderPub
Puck cover

Puck

Chapter 9: VIII VIII NEL ALS HUISMOEDER.
Open in WeRead

About This Book

A ten-year-old girl, Jootje van Vorden—called Puck—moves into a new household and alternates between impulsive mischief and sensitive sulks as she negotiates family life. Domestic episodes, including a kitchen mishap, clashes with household staff, teasing from siblings, and drifting school friendships, reveal how small grievances and misunderstandings shape her feelings and conduct. The narrative offers close, sympathetic scenes of everyday childhood, portraying both stubbornness and tenderness while adults respond with patience, and traces the gradual adjustments of a child seeking belonging amid routine family interactions.

[Inhoud]

VIII VIII NEL ALS HUISMOEDER.

Niemand was bang geweest, dat Frits niet naar de 5de klasse zou overgaan met zijn mooie rapporten. En hij kwam er dan ook met glans, en kreeg van vader en Mamp een nieuwe prachtfiets, want de oude stond al lang op stal. Die was alleen nog maar wat waard voor den lorrenkoopman.

Puck en Lientien vonden haar overgaan naar de 6de en 5de klasse minstens even belangrijk als Frits’ slagen voor de 5de H. B. S. [82]

Mevrouw Canneheuvel had de kleine meisjes ieder een gulden beloofd, als zij verhoogd werden. Heel trotsch kwamen Puck en Lientien met ’t bericht thuis, dat ze ’t best hadden gemaakt, en dus, na de groote vacantie, een klasse hooger kwamen. Puck had verwacht, dat tante minstens met den gulden klaar zou staan, maar dit leek er niet naar. Wel werden ze hartelijk gefeliciteerd en gekust, doch toen gauw weg gestuurd. Want mama had ’t veel te druk met Nel, zij waren bezig voor de koffers te zorgen. Nel pakte, en mama wees aan, wat er al zoo mee moest.

„’k Wou, dat ik mijn „pop” al had,” zei Puck tegen Lientien; „tante heeft hem toch eerlijk beloofd.” (Frits zei altijd „pop” in plaats van gulden; ’t klonk veel leuker, dus praatten de meisjes hem na).

„Wacht je beurt toch af,” moederde Lientien, „natuurlijk krijgen wij hem.” Doch ’t werd bedtijd, de kinderen zeiden goeden nacht, en van den gulden werd niet meer gerept.

’t Lag Puck wel op de tong, om er tante aan te herinneren, maar dat durfde ze toch niet best. Tante scheen haar belofte glad vergeten door al ’t bedenken en met Nel overleggen, dien middag, voor de vacantiedagen.

Op haar kamer hadden Puck en Lientien nog heel wat te beredderen. Puck zanikte altijd maar door over haar gulden, en dit begon Lientien zóó te vervelen, dat ze haar door de poppen de les liet lezen.

„Hoor die tante Puck toch eens, Francine,” zei kleine Koo. „Heb je ooit zoo’n zeurkous meer bijgewoond.” [83]

„Och,” antwoordde Francine, „dat mensch is altijd zoo ongeduldig en oproerderig. Als wij poppen ’t nou nog eens druk hadden over die ééne „pop”… Maar hou nou je mond, ik ga slapen, en ik mag bij moeder in bed, want ’t is mijn beurt.”

„Nou, dan kan je nog lekker een poosje wachten, ondeugend, brutaal wicht,” riep tante Puck, zeer verontwaardigd. „Je moeder en ik gaan nog eerst onze kas opmaken.”

„Hé ja,” stemde Lientien in, „natuurlijk! Alles moet in orde zijn vóór Annie en Wimpie komen. Hè, dat vind ik nou toch zoo echt heerlijk!”

Puck trok haar neus op. Ze hield net even weinig van Lientiens vriendinnen als Lientien van de hare. Maar ze had toch ook in ’t geheel geen lust gehad de uitnoodiging van tante Johanna aan te nemen, en gesmeekt, om als je belieft niet naar Voorburg te hoeven in de vacantie. Want ze kon niet zoo lang buiten „thuis”, dat wist ze zeker, en dan bij die saaie tante, ajakkes!

Tante Johanna van Vorden die, na den dood van haar zenuwzieke zuster Cato, alleen was gebleven in haar villa’tje te Voorburg, ontmoette de familie Canneheuvel, nu deze in Den Haag woonde, zoo af en toe. Zij vond ’t haar plicht, zich, nu de omstandigheden dit toelieten, wat meer gelegen te laten liggen aan het dochtertje van haar eenigen broer, en had Puck dus te logeeren gevraagd. In haar hart was ze misschien wel blij, dat ’t kind voor de eer en ’t genoegen bedankte. Want tante Johanna hield niet van kinderen, en [84]kon dus ook niet veel van hen verdragen. Maar Johanna had dan ook haar leven lang niet anders gedaan dan zieke familieleden verpleegd, en steeds in verdriet en zorg gezeten. Geen wonder dus, dat zij met de jaren steeds stiller en droefgeestiger was geworden. Puck wist vooruit, dat ze zich bij tante gruwelijk zou vervelen; dan veel liever wat gekibbel met Annie en Wimpie.

Een poosje later zaten Puck en Lientien in haar nachtponnen aan de tafel, aan ’t rekenen van belang. Ze hadden al lang in bed moeten liggen, doch ’t kas opmaken kon niet worden uitgesteld.

Puck was er ’t eerst mee klaar. „’k Kom vijf centen te kort,” zei ze, „maar met tantes „pop” houd ik nog een massa over.” Lientien had ’t te druk, om te antwoorden. Zij telde op haar vingers, en zag niet, dat Puck de kamer uitging.

Vader stond op ’t punt de lamp uit te doen, toen daar op eens een wit nachtjaponnetje binnenkwam.

„Maar Puckie, wat kom je doen?” vroeg mama verbaasd.

„Tante, wil u zoo lief zijn, en ons dien gulden geven?” verzocht Puck. „Want we zijn bezig onze kas op te maken, ziet u, en die gulden moet er nou nog bij, anders klopt ’t niet.

Mevrouw Canneheuvel schoot in den lach, en zei er maar niets van, dat er een groote inktmop op Puck’s nachtpon zat.

Met twee blinkende guldens in haar hand geklemd, [85]stapte Puck even later vergenoegd naar boven. Als ze nu niet dadelijk naar bed gingen, mochten ze ’t geld niet houden, had oom haar nog nageroepen. Verbeeld je zoo iets!

In een oogenblik lagen de peuzels er in met den nieuwen gulden onder ’t hoofdkussen, om die ’s morgens dadelijk weer te kunnen bekijken; zulk een reuzensom had geen van beiden nog ooit bij elkaar gehad. Maar elk centje zou hun te pas komen, dacht Lientien, want als je logée’s krijgt, moet je wel eens trakteeren. Wimpie was dol op apennootjes en Annie op zuurtjes. Ze wilde Nel vragen van haar geld ook wat snoepcentjes te mogen afnemen. Eigenlijk moest er nu al een beetje aan ’t sparen worden begonnen van „Meester”, voor de Sinterklaaspresentjes. Zoo heerlijk, die gulden van Mamp.… Of ze er niet wat van in ’t busje zou doen voor de familie Bom? „Puck,” riep Lientien uit haar bed naar den overkant, „willen we van onzen gulden ieder tien cent in ’t busje doen?”

„’k Denk er niet aan,” riep Puck terug, „enkel van ons weekgeld, dat is afgesproken.”

(Puckie kwam altijd geld te kort, en zat meestal in de schuld bovendien.)

Lientien dacht aan Puck’s twee centen iedere week, en drong niet verder aan. Ze zou er met Nel over praten. Zij en Puck moesten Nel in de vacantie als mama beschouwen, had zij Mamp beloofd, en lief en gehoorzaam zijn. Die belofte had Lientien graag gegeven, zij was zelden lastig [86]en ongezeggelijk. Maar Puck had een „oproerderigen” aard, en dus veel strijd en moeite, als zij haar wil wou doordrijven, en dit niet mocht. Erg naar en lastig voor Puck, peinsde Lientien.

De heer en mevrouw Canneheuvel zouden eerst naar Hamburg gaan om Jan te bezoeken, en met hem een reisje door Holstein te maken. Daarna wilde Grootma in Haarlem haar zoon en schoondochter een poosje bij zich hebben.

Nel had net zoo lang gepraat en overreed, tot Mamp er in had toegestemd de geheele vacantie uit te blijven, en Nel niet alleen het bestier over het huishouden, maar ook alle drukten en zorgen over te laten, welke deze vacantie ruimschoots beloofde.

„Juist daarom,” zei Nel. Want, nu de kinderen den heelen dag thuis zouden zijn, en er bovendien twee drukke logéetjes kwamen, moest Mamp daar nu eens in ’t geheel geen last van hebben.

„Maar kind! wat heb jij dan?” vroeg mama. „Je weet wel, dat ik ’t niet prettig vind …”

„Maar domme Mamp, ik heb nu immers altijd vacantie? Als tante Greet (dat was moeders beste vriendin) in September komt logeeren, zou ik immers twee weken naar Haarlem gaan?”

Daar papa het geheel met Nel eens was en haar woorden de noodige klem bijzette, gaf mama zich gewonnen.

Vader en Nel waren in geheim complot, steeds bezorgd, [87]dat mama zich ook maar met ’t geringste zou inspannen. In ’t begin had mevrouw Canneheuvel zich nog wel eens zwak verzet, en viel ’t haar moeilijk ook die bezigheden niet meer te verrichten, die ze eigenlijk nog wel doen mocht. Maar haar man kon dan zoo angstig zeggen: „Lieve Suus, waar is de grens? Op een goeien dag ga je daar over heen, zonder dat je er aan denkt.”

Dus leerde mama zich onderwerpen aan het strenge toezicht van haar man en dochter. Ze wist wel, dat alles uit overgroote bezorgdheid, tot haar bestwil, was bedoeld. Maar mevrouw Canneheuvel wist ’t toch wel zóó in te richten, dat Nel geen saaie huismusch hoefde te wezen. Altijd was er iemand, die haar kon vervangen, wanneer Nel werd uitgenoodigd voor een of anderen uitgang, waar zij bizonder veel lust in had. Ze bleef tennissen en fietstochtjes mee maken, behoefde van haar jongemeisjespleziertjes niet meer op te offeren dan zij zelf wilde.

Nel voelde zich wel gewichtig als Mamps huishoudster. Zij stelde er een eer in in alle opzichten moeders plaatsvervangster te zijn, haar eigen „ikje” niet te tellen. Ze had tijd genoeg gehad dit van Mamp te leeren. Als mama zoo innig kon zeggen: „Wat zou ik toch beginnen, als ik jou niet had, kind,” voelde Nel zich overbeloond.

Nu hadden moeder en dochter natuurlijk allerlei plannetjes te bespreken, om de kinderen een prettige vacantie te geven, en overigens liet mama, met een gerust hart, alles aan Nel over. [88]

„Pas maar op,” waarschuwde Frits, „dat je de bengels de baas blijft, want die Annie en Wimpie kunnen meedoen, en gooi Puck, als je belieft, ook niet weg.”

Frits zou er met Frans van Delden op uitgaan naar een boerderij onder Alkmaar. Deze behoorde aan Frans’ vader, en elke vacantie ging Frans er heen, en hielp, als een echte boer, met alles mee. ’t Was een uitstekende kuur voor tengeren, een beetje uit zijn kracht gegroeiden Frans, zei de dokter, veel beter dan de duurste badplaats. Frits vond het echt leuk, ’t boerenleven ook eens mee te maken voor een week of wat, en had Nel graag meegenomen. Doch, behalve dat Nel maar matig werd aangetrokken tot dit soort landelijke genoegens, was er nu in geen geval sprake van, dat zij had kunnen gaan.

Den dag, na het vertrek van vader, moeder en Frits, kwamen Annie en Wimpie. Ze waren niet veel gegroeid, en nog even druk, lacherig en stoeierig als vroeger. Wimpie had, als ’t kon, nog meer bereddering dan Annie, volgens Puck, en alle twee maakten bespottelijk veel drukte over hun malle poppen. Ze hadden er liefst zes meegebracht, waarvoor ze gelukkig in den trein niet hoefden te betalen, want dat zou anders niet zuinig zijn opgeloopen. De Juffrouw, die de meisjes gebracht had, werd door Nel gastvrij uitgenoodigd dien dag te blijven. Met veel vermaningen, luide en zachte wenken, aan ’t adres van Annie en Wimpie, nam ze den volgenden morgen afscheid, en.… „nou kan de pret beginnen,” zei Wimpie, want met Juf was dat [89]altijd maar half. Die verbood en vitte van den ochtend tot den avond.

’t Viel Nel toch niet mee nu voor alles alleen te staan. Ze overdreef natuurlijk een beetje als nieuwbakken huismoeder. Haar woelige kuikens gunde ze graag elk pleziertje, waar ze om vroegen, maar vond noodig, als waakzame moeder, hen steeds op de hielen te blijven, geen oogenblik uit het oog te verliezen.

Met drie ongezeggelijke bengels (Lientien telde niet mee) den geheelen dag de duinen in, was voor Nel zelf alles behalve een pretje. Ze kwam dan doodmoe thuis van ’t woeste spelletjes meedoen, ’t duinen op en neer sjouwen, en het haar kiekens achterna vliegen.

Maar de bengels hadden dolle pret gehad, en moeder Nel was dankbaar, dat ze haar troepje, zonder ongelukken, veilig thuis had gebracht.

Zoo’n enkelen regendag er tusschen, als er kamerspelletjes werden gedaan, en de poppen ’t grootste woord hadden, vond Nel bizonder genoegelijk. Er werd dan nog wel al eens gekibbeld, want Puck kon niet veel van de logéetjes verdragen, en dezen lieten niets op zich zitten, maar Lientien hielp Nel vrede stichten en dezen zoo lang mogelijk bewaren.

Goedig stond Nel ’s morgens in de keuken de lievelingskostjes klaar te maken, en wist Bet over te halen de kinderen mee te laten helpen. Bet schudde haar hoofd over dat gemors in haar keuken. Alles zag er heerlijk! uit, als de bende weg was. De vloer en de aanrecht, tot de bordendoeken [90]toe, alles vuil en vet. Doch tegen Nel zei Bet nooit „neen”. Ze moest dus maar een oogje toedoen, als de kinderen aan ’t knoeien waren.

Ze hadden verbazend veel plezier in de kokerij, en de ochtend was altijd veel te gauw om naar hun zin.

Met platen kijken, maar vooral met vertellen, kon Nel de meisjes uren bezig houden, en altijd vertelde ze vóór ’t naar bed gaan een half uurtje, of langer, als belooning voor de belofte van het viertal, om dan ook dadelijk te gaan slapen, niet meer te babbelen en rumoerig te wezen.

Was ’t eindelijk kalm om haar heen, dan had Nel nog heel wat te beredderen, ook voor den volgenden dag. Er waren altijd nog glazen en kopjes af te wasschen, al namen Bet en Geertje de juffrouw veel uit de hand.

Dan moest er met Bet overlegd, wat er den volgenden dag zou gegeten worden, en met Geertje moesten de boodschappen besproken.

Tante Sjarlotje lag meestal al te bed, wanneer Nel eindelijk tijd vond een praatje bij haar te gaan maken. Want hoe druk haar dag ook geweest was, dit sloeg ze nooit over.

Dikwijls moest Nel terug denken aan dien influenza-winter, jaren geleden, toen ze ook voor iedereen en alles zorgen moest. Maar toen had die goeie Frits haar zoo heerlijk bijgestaan in den nood. Nou leek ’t wel, of hij zijn oude Nel heelemaal vergat, ze kreeg zelfs geen briefkaart meer van hem, sinds dagen al.

Maar, dat Frits zijn zuster vergeten had, daarin vergiste [91]Nel zich toch. Op een middag stond hij onverwacht vóór haar.

Frits had zijn bekomst van het om vijf uur opstaan, met de beesten naar ’t land gaan, ’t wieden, maaien, melken. Meer dan genoeg van het onder de balken slapen met den geur van de mestvaalt voor niets toe. Dus daar was hij dan terug, had geen lust om nog ergens anders heen te gaan, en wilde Nel een handje helpen in haar zorgen voor de kleine rakkers. Als ’t noodig was zou hij ze wel met een hartig woordje in ’t goeie spoor houden.

„Och jongen, dat hoeft niet,” lachte Nel. „Ze zijn heusch vrij gehoorzaam, en zoo aardig en leuk.… Maar ik ben toch dol blij, dat je er weer bent, vadertje. Nou heb ik amper tijd om vader en moeder te schrijven. Eeuwig is de bende om mij heen. Als ik niet meespeel, is de pret maar half, dat begrijp je.”

„Je hebt ze verwend, jongejuffrouw, je weet wel van den vinger en de heele hand.…

Maar waar zijn ze nu? ’t Is verdacht stil.”

„Bij tante Sjarlotje op visite. Die was vandaag bizonder wel, en heeft, heel deftig, door Kee laten vragen: „Of de jonge dames: Annie, Wimpie, Puck en Lientien (met haar kinderen) plezier hadden te komen theedrinken bij tante Sjarlotje, en verder den middag te passeeren.” Alle vier hebben ze haar beste jurken aangetrokken met de gekleurde zijden ceintuurs. ’k Hoorde er Lientien en Wimpie ernstig over beraadslagen, hoeveel poppen ze konden meebrengen [92]zonder onbescheiden te zijn, en weet al vast, dat Francine en kleine Koo ook van de partij zijn.”

„’k Ga eens kijken,” zei Frits, en hij klom, als altijd, de trap met vier treden tegelijk op.

Tante Sjarlotje had zich ook mooi gemaakt voor haar gasten, en haar kanten mutsje met lila lint opgezet, dat Lientien steeds uitbundig bewonderde. Tante trakteerde op wafels met aardbeien, bovendien waren er koekjes en bonbons. En alles wat overbleef, mocht verdeeld en naar beneden meegenomen worden.

Lientien vloog Frits om den hals, en de anderen joelden zóó om hem heen, dat Frits moeite had tante Sjarlotje te begroeten, temeer daar Waldi met oorverdoovend lawaai tegen den baas opsprong. Natuurlijk was Waldi ook op de partij, want je zocht hem nooit tevergeefs, waar wat te halen viel. Frits kwam in ’t geheel niet tot vertellen toe, hoe hij ’t daarginds gehad had; de visite had het hoogste woord. Kee hield er nog al goed de orde onder, en ze zorgde er ook uitstekend voor, dat de glazen en bordjes steeds voorzien bleven. Wat had die tante Sjarlotje een goeden dag! Ze speelde met zooveel lust en pleizer ganzenbord mee, of ze even oud was als Lientien, die vlak naast haar zat, en Sjarlotje, als een moedertje, met alles voorthielp. Frits schoof ook in den kring, en een luid gejuich ging op, toen hij dadelijk in „de put” kwam. Wimpie verloste hem, en daar ging me die Frits even later met een reuzenpot (van bonbons) strijken. Heel edelmoedig liet [93]Frits den pot staan, en begrijp dus eens, wat voor een pot dàt geworden was, toen Wimpie dien eindelijk won. Kee moest er wel twee zakjes voor geven.

Daar kwam Bet eens kijken. Haar eten was zoo goed als klaar, maar of daar dadelijk veel eer aan zou worden bewezen? Lientien stopte Bet dadelijk drie groote pralines toe, „en straks krijg je nog meer, hoor Bet!” beloofde ze gul.

„Dankje hartje!” zei Bet. „’k Heb niet op u gerekend met eten, Jongeheer Frits, maar er zal wel genoeg zijn, willen we hopen,” vervolgde zij, terwijl Kee, die ’t nu welletjes vond, den kinderen aan ’t verstand bracht, dat de visite nou maar moest bedanken en afscheid nemen van de gastvrouw.

Bet zou helpen met handen wasschen en de daagsche jurken weer aantrekken.

Even later ging Frits ook heen. Kee had de Juffrouw naar de rustbank gebracht en gemakkelijk in de kussens neer gevlijd. Terwijl Frits nog vertelde, was tante al heerlijk ingedut.

„Geen wonder,” zei Kee, „want de Juffrouw het der eigen uitgesloofd.”

’s Avonds, toen de kinderen, moegestoeid, naar bed waren, zaten Nel en Frits innig genoegelijk na te babbelen.

En terwijl Nel nog eens betuigde, hoe heerlijk Frits haar toch verrast had door zijn vervroegd thuiskomen, bedacht ze, dat ’t voor Frans toch wel erg saai was alleen achter te blijven. [94]

„’t Is nog de vraag, of hij me missen zal,” twijfelde Frits. „Frans gaat met hart en ziel op in ’t boerenbedrijf. Vieze luchtjes ruikt hij niet en zijn handen spaart hij niet. Hoe vroeger op, hoe liever. En een wagen met hooi opladen en naar huis rijden is voor hem bepaald een genot. ’k Geloof dat hij mij in zijn hart beklaagde, omdat ik hoe langer hoe minder ging voelen voor de genoegens van het buitenleven.

Maar, dat ’t Frans goed doet, dàt is zeker. Hij ziet er best uit, en had nog beteren eetlust dan ik. En nou, goeie nacht, Nel, ik ben voor dag en dauw op geweest, en verlang naar mijn mandje.… Wat ben je van plan morgen met de snuiters uit te gaan voeren?”

„Morgen, mijnheer, gaan we boonen afhalen voor de winterinmaak. Al de kinderen doen mee, ze hebben er om gebedeld. Maak jij dus maar, dat je uit de voeten blijft, want wij „vrouwen” zullen ’t reuze-druk hebben.”

„’k Moet mijn viool laten nazien,” vertelde Frits, „en dan wil ik Daan Hilgers opzoeken. Die stakkerd heeft herexamen en moest thuisblijven. En nou echt goeienacht, huismoeder.”

Toen Frits op de bovenste tree van de trap was, riep Nel van beneden, „Frits, luister eens.…”

Hij keek over de balustrade naar omlaag. Zijn zuster knikte hem toe. „Innig gezellig, dat je weer thuis bent, vent.” [95]