The Project Gutenberg eBook of Reis in Nepal
Title: Reis in Nepal
Author: Gustave Le Bon
Release date: June 22, 2005 [eBook #16102]
Most recently updated: December 11, 2020
Language: Dutch
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team
Reis in Nepâl.
Steenen tempel te Khatmandoe.
De zending in het belang der archeologische studiën, mij door den minister van Openbaar Onderwijs opgedragen, bracht van zelve mede, dat de minst bekende streken van Indië achtereenvolgens door mij werden bezocht. Geen dezer landstreken wekte in hoogere mate mijne nieuwsgierige belangstelling dan het geheimzinnige Nepâl. Ik wist dat dit oude rijk, door de reusachtige bergketenen van de Himalaya van alle omringende landen afgesloten, tot de schilderachtigste en indrukwekkendste streken der wereld mag worden gerekend; dat men daar allermerkwaardigste steden vindt, welker fantastische architectuur hemelsbreed verschilt van al wat het Westen ons te aanschouwen geeft. Maar ik wist ook dat de toegang tot dit land bij uitstek moeilijk is, en dat een streng verbod, door de britsch-indische regeering stipt geëerbiedigd, aan elken Europeaan, met uitzondering van den britschen gezant, dien toegang ontzegt, zonder eene uitdrukkelijke vergunning van den koning: welke vergunning niet dan bij hooge uitzondering wordt verleend. Jaquemont had in der tijd van zijn voorgenomen bezoek aan Nepâl moeten afzien, en tot dus ver was nog geen enkele Franschman in dat land doorgedrongen. Eerst na langdurige diplomatieke onderhandelingen en dan nog slechts ten gevolge van de tusschenkomst der invloedrijkste personages, was het, nu eenige jaren geleden, den duitschen reiziger Schlagintweit gelukt, de grenzen te overschrijden. Natuurlijk werd mijne begeerte om dat merkwaardige land te leeren kennen, door al deze moeilijkheden nog te meer geprikkeld.
Ik zal de lezers niet vermoeien met het verhaal, hoe al deze bezwaren achtervolgens werden uit den weg geruimd, dank zij de tusschenkomst van verschillende hoog geplaatste personen. De regeering van den onderkoning verleende mij bij deze gelegenheid dezelfde bereidwillige medewerking, die ik gedurende mijn geheele verblijf in Hindostan van haar mocht ondervinden; de onderhandelingen met het hof van Nepal werden door haar gevoerd.
De laatste engelsche stad van Hindostan, in de nabijheid van de grens van Nepal, is Motihari; ik was van Patna derwaarts gegaan. Daar moest ik de noodige toebereidselen voor de reis maken en de veertig dragers bijeen zien te brengen, die ik noodig had, om de onmisbare bagage en mondbehoeften over de Himalaya te brengen. Motihari is eene kleine stad, voornamelijk bewoond door rijke indigoplanters. Een hunner, de heer Edwards, dien ik bij toeval ontmoet had, ontving mij met die vorstelijke gastvrijheid, die aan alle aanzienlijke Engelschen in Indië eigen is.
De Europeanen, die slechts de groote hoofdsteden van Indië, Bombay, Delhi, Calcutta en andere, aan de groote spoorweglijnen gelegen, bezocht hebben, kunnen zich geen denkbeeld vormen van de moeilijkheden en bezwaren, aan een ontdekkingstocht in Hindostan verbonden. De belangrijkste monumenten liggen voor het meerendeel te midden van woeste jungles, waar het wemelt van wild gedierte en waar hoegenaamd niets te vinden is van hetgeen men voor zijn onderhoud behoeft. Ge moet dus alles zelf medenemen: van het meel om uw brood te bakken tot alle benodigdheden voor het kamp. Om al deze bagage te vervoeren, staat u geen ander middel ten dienste dan de olifanten of de paarden, die de inlandsche vorsten of de gouverneurs der provinciën alleen in staat zijn u te bezorgen. Den aan zich zelven overgelaten reiziger is feitelijk de mogelijkheid afgesneden om zich van de aangewezen banen der groote wegen of der spoorlijnen te verwijderen. Dit is mede een van de redenen, waarom de oude monumenten van Indië zoo weinig bekend zijn, zelfs bij de in het land gevestigde Europeanen. De monumenten van Ajoenta en Kharoejao, om alleen maar van de beroemdste te spreken, worden hoogstens door een enkel reiziger per jaar bezocht. Oedeypoer, eene van de merkwaardigste hoofdsteden der indische vorstenlanden, ziet ongeveer om de drie jaar een Europeaan binnen hare muren verschijnen.
Door de afwezigheid van den engelschen gezagvoerder te Motihari, kon ik niet dan met moeite een veertigtal ellendige kerels bijeenbrengen, die mij als dragers zouden dienen. Zeker had ik niet gaarne in Europa, op een eenzamen weg een dier lieden ontmoet, in wier gezelschap ik nu vele dagen en nachten zou moeten doorbrengen te midden der wildernissen van de Himalaya. Maar op mijne verre zwerftochten had de ondervinding mij geleerd, dat zekere fatalistische berusting nog de beste wijsbegeerte is: ik nam dus nu ook genoegen met mijn onpleizierig gevolg.
In de eerste dagen van Januari 1885 vertrok ik van Motihari. De afstand van deze stad tot Khatmandoe bedraagt ongeveer honderd-drie-en-zestig kilometers; de weg loopt voor verre het grootste gedeelte over de takken van de Himalayaketen, die de vallei van Nepâl ten zuiden begrenzen. Men doet de reis gedeeltelijk in een palankijn, gedeeltelijk in eene soort van hangmat, dandy genaamd, welke door vier mannen gedragen wordt, die op smalle paden, zoo noodig, op eene rij achter elkander kunnen gaan. Het aantal dragers, dat men voor de geheele reis noodig heeft, bedraagt zoowat veertig, want men moet alle behoeften medenemen, aangezien onderweg niets te bekomen is. Zij loopen voortdurend op een draf en wisselen, al loopende, elkander om de vijf minuten af.
Het gevaarlijkste gedeelte van de reis is buiten kijf het dichte, zeer vochtige en moerassige woud van Teraï, aan den voet van de Himalaya. Wanneer men des nachts door dit woud trekt, steekt men een aantal flambouwen aan, om de wilde dieren, die hier buitengemeen talrijk zijn, op een afstand te houden. Het woud begint bij het dorp Semelbasa. Mijne dragers, voorgevende dat zij flambouwen gingen koopen, lieten mij een ganschen nacht in het bosch alleen: zeker in de hoop dat de tijgers en panters den reiziger zouden verslinden, maar de zakken met roepijen, die hij bij zich had, ongedeerd zouden laten. Ik stak een aantal kaarsen op, en stelde mij daardoor in veiligheid tegen het verscheurend gedierte. Mijn beschermengel behoedde mij voor de kwaadaardige miasmen, waarvoor ik banger was dan voor tijgers. Ik gebruikte den palankijn als lessenaar en bracht den nacht schrijvende en lezende door, om toe te zien dat de kaarsen niet uitgingen; en toen tegen den morgen mijne vriendelijke dragers terugkwamen om te zien of er nog eenige kluifjes van den Europeaan waren overgebleven, bracht ik hun met korte maar krachtige woorden aan het verstand, dat een revolver een uitmuntend middel is om onwillige koelies tot hun plicht te brengen.
De twee passen van de Himalaya, die men moet overtrekken om de vallei van Nepâl te bereiken, de passen van Sisaghiri en Sjandragari, zijn buitengewoon lastig en moeilijk. Bij herhaling voert de tocht over uiterst smalle paden, in de steile bergwanden uitgehouwen, en waarnevens diepe afgronden gapen. Het prachtig panorama echter, dat zich op deze hoogten voor het oog ontrolt, gaat alle beschrijving te boven. De half in wolken gehulde, schemerende toppen van de Himalaya, waarboven de reusachtige massa van den Gaurisankar oprijst, vormen in het rond eene stralende kroon van smettelooze sneeuw, terwijl beneden groene wouden en bloeiende valleien zich uitstrekken. Bij dit ontzaglijk grootsche tooneel vergeleken, schijnen de schoonste landschappen van Zwitserland welhaast eene theaterdekoratie.
Na de laatste bergketen te zijn overgetrokken, zagen wij voor onze voeten de vallei, waar, binnen een betrekkelijk klein bestek, de hoofdstad en de voornaamste steden van het land schier naast elkander zijn gelegen. Deze vallei is bij uitnemendheid vruchtbaar. De berghellingen waarlangs wij afdaalden, nu en dan snelvlietende beken doorwadende, waren met de schoonste boomen bedekt. Tusschen dit weelderig groen verscholen zich een aantal dorpen, die met hunne kleine tempeltjes, hunne fraai gesneden houten huisjes, bijna den indruk maakten van eene verzameling van pagoden.
Wij hielden onzen intocht in Khatmandoe, begeleid door het eskorte, dat de engelsche resident had afgezonden om ons te ontvangen. Eene talrijke menigte stond in de straten opeengepakt, wachtende op onze aankomst, die lang vooruit bekend en blijkbaar eene zaak van buitengewone beteekenis was. Om de woning van den resident te bereiken, moesten wij de geheele stad doortrekken; de lieden van ons eskorte deden hun uiterste best om de nieuwsgierigen, die ons schier verdrongen, op eenigen afstand te houden; maar vermaningen, bedreigingen en stokslagen baatten al even weinig.
Na mijne opwachting bij den engelschen gezant te hebben gemaakt, nam ik mijn intrek in eene tent, die ik buiten, op eenigen afstand van de stad, had laten opslaan. Ik zou daar goed gehuisvest zijn geweest, indien ik geen hinder had gehad van de koude nachten, en van de herhaalde bezoeken der jakhalzen, die mijn voorraad van eetwaren kwamen verslinden. Ik leefde hoofdzakelijk van hetgeen mijn bediende machtig kon worden, ondanks den weerzin der Nepaleezen om iets, hoe gering ook, aan een Europeaan te verkoopen. Van tijd tot tijd werden mij van het engelsche gezantschap levensmiddelen gezonden.
Geen enkel Europeaan, ook de engelsche gezant niet, mag in eene stad van Nepâl op straat verschijnen, zonder begeleid te worden door minstens twee soldaten van de keizerlijke lijfwacht, die u als uwe schaduw volgen en u, onder geen voorwendsel, een oogenblik uit het oog mogen verliezen. Naar het heet, moeten zij den Europeaan beschermen tegen de vijandelijke gezindheid der bevolking, maar inderdaad is het hun taak hem te bewaken. De soldaten die mij waren toegevoegd, waren mij intusschen van groote dienst, om de menigte op een afstand te houden, die mij aanstonds omringde, zoodra ik een of ander monument wilde onderzoeken, en waarvan sommigen tot op de daken der huizen klommen om mij gade te slaan. De soldaten hadden de handen meer dan vol om de nieuwsgierigen, die zich zelfs niet lieten afschrikken door de mildelijk uitgedeelde stokslagen, terug te dringen.
Die nieuwsgierigheid bepaalde zich ook niet tot de lagere volksklasse, te oordeelen althans naar de vele personen van allerlei stand, die ik telkens op mijn weg ontmoette. Om den engelschen gezant, die niet volkomen overtuigd scheen van het uitsluitend wetenschappelijk doel mijner reis, niet te kwetsen, had ik opzettelijk geen bezoek afgelegd bij den koning en zijne ministers; maar nu kon ik bijna geen voet meer op straat zetten, zonder dat een heer van het hof mij aansprak en mij, steeds op den meest beleefden toon, dezelfde vragen deed. De chineesche aangelegenheden wekten vooral de belangstelling der Nepaleezen, die meermalen met hunne geduchte naburen oorlog hebben moeten voeren. Ieder wist nu dat een machtige rajah van het Westen in een krijg met China was gewikkeld; het lag dus voor de hand dat wanneer een onderdaan van dien rajah in Nepâl kwam, dit met geen ander doel kon zijn dan om de regeering te bewegen, insgelijks aan China den oorlog te verklaren. Natuurlijk zou het vergeefsche moeite zijn geweest, een Nepalees te willen overtuigen dat een Europeaan zulk eene verre reis had gemaakt en over de gevaarlijke passen van de Himalaya was getrokken, met geen ander doel dan om de monumenten van zijn land te bestudeeren. Zelfs een statisticus van beroep—en zij zijn anders voor geen kleintje vervaard—zou geen antwoord hebben kunnen geven op al de vragen, die mij aangaande den rajah der Franschen werden gedaan. Hoeveel soldaten had hij in zijne dienst? Bezat hij veel olifanten? Hoeveel tijgers had hij gedood? Hoe groot was het getal zijner vrouwen? Niet zonder moeite kon ik dezen braven lieden aan het verstand brengen, dat Frankrijk niet van Engeland afhankelijk was. Het spijt mij nog, dat ik hun niet heb verteld dat de rajah van Frankrijk des noods zelf de hoofden van zijn wederspannige ministers afslaat, met evenveel gemak als de beroemde nepaleesche minister Jang Bahadoer dit deed. De zwierige gemakkelijkheid, waarmede deze minister met eigen hand de lieden, die hem in den weg stonden, onthoofdde, verwierf hem in Nepal eene even groote populariteit als in Frankrijk aan Napoleon ten deel viel, hoewel het getal van 's ministers slachtoffers oneindig veel minder was. Maar het zekerste middel om zich populair te maken en ontzag in te boezemen, is nog altijd, in Europa zoowel als in Nepal, met strenge hand te regeeren en niet terug te deinzen voor het opofferen van menschenlevens.
Ten besluite wil ik mededeelen dat een gelukkig toeval mij, op mijne terugreis, te Bhimpedi den souverein van Nepal zelven heeft doen ontmoeten, bij wien ik mijne opwachting niet had gemaakt. De jonge rajah keerde naar Khatmandoe terug, vergezeld door zijne ministers en de heeren en dames van zijn hof. Op een wit paard gezeten en met een violetten mantel omhangen, zag hij er inderdaad vorstelijk uit, onder den violetten parasol, dien slaven boven zijn hoofd hielden. De dames volgden in palankijns of hangmatten, zorgvuldig achter zijden gordijnen verborgen. Maar de vrouwelijke nieuwsgierigheid, die in Nepâl niet minder sterk ontwikkeld is dan bij ons in het Westen, was machtiger dan de voorschriften der hofetiquette: geene enkele dezer bevallige dochters van Eva kon wederstand bieden aan de verzoeking om het hoofd naar buiten te steken en den vreemdeling op te nemen, van wien men in de laatste dagen zooveel had gehoord. Ik kan er bijvoegen, dat ondanks de vermenging met geel bloed en het tatoeëersel op haar voorhoofd, de vrouwen uit den koninklijken harem van Nepal met recht schoon mogen worden genoemd.
II
Zoo als men weet, wordt Indië van het overige Azië gescheiden door den reusachtigen muur van het Himalaya-gebergte, dat van den Brahmapoetra tot den Indus een onafgebroken keten vormt. Tusschen de bergketenen, waaruit deze ontzaglijke muur bestaat, strekken zich valleien uit, die kleine koninkrijken vormen of door krijgshaftige onafhankelijke stammen worden bewoond. Het meest bekende en beroemde van deze koninkrijken is Kashmir; het belangwekkendste, het machtigste en tevens het minst bekende is Nepâl.
De lengte van het rijk van Nepâl bedraagt ongeveer zevenhonderd kilometers, dat is een derde minder dan de lengte van Frankrijk; de breedte is niet veel meer dan honderd-vijftig kilometers. Men schat de oppervlakte bij benadering op omstreeks honderd-zeven-en-veertigduizend vierkante kilometers. Nepâl is de eenige indische staat, die tot dusver zijne volkomen onafhankelijkheid heeft weten te bewaren en nooit door een vreemden veroveraar werd onderworpen; de eenige ook, die aan de mohammedaansche overweldiging ontkwam. Zoowel de Engelschen als de Chineezen hebben te vergeefs getracht, zich van dit land meester te maken.
De natuur heeft aan Nepâl verdedigingsmiddelen geschonken, vrij wat meer afdoende dan alles wat menschelijke kunst kan uitvinden. Langs den voet der bergen, die het land aan de zuidzijde omgorden, strekt zich een breede moerassige woudstrook uit, de Teraï, waarvan de miasmen gedurende het grootste gedeelte van het jaar voor de menschen doodelijk zijn. Aan gene zijde van dit noodlottig moeras verrijzen de geweldige bergmassaas van de Himalaya, die op sommige plaatsen een loodrechten muur vormen, welken men alleen kan overklimmen langs zeer steile paden van ettelijke duimen breedte, die in den bergwand zijn uitgehouwen. Aan de noordzijde, aan den kant van Thibet, is de toegang niet minder moeilijk.
Al de voornaamste steden van Nepâl, en daaronder de hoofdstad Khatmandoe, liggen bij elkander in eene vallei, die men het best vergelijken kan bij eene reusachtige badkuip, waarvan de wanden door het Himalaya-gebergte worden gevormd. De lengte dier vallei bedraagt dertig, en hare breedte twintig kilometer; deze streek wordt door de inwoners bij voorkeur de vallei van Nepâl genoemd. Zij is het eenige beschaafde en regelmatig bebouwde gedeelte des lands. De bergen die haar omringen en als een diadeem van sneeuwtoppen om haar vlechten, zijn de hoogste van de geheele Himalayaketen; daaronder behoort ook de Gaurisankar of Mount-Everest, die eene hoogte bereikt van achtduizend-achthonderd-veertig el: dat is ongeveer dubbel de hoogte van den Mont-Blanc. Waar ge u in de vallei bevindt, overal wordt uw oog getrokken door dien reuzenberg, nog nimmer door eens menschen voet betreden.—Waarschijnlijk was de vallei van Nepâl in vroeger tijd een meer. De bovenste aardlaag bestaat uit alluvium, gevormd door het puin van de omringende rotsen en voor een deel samengesteld uit zandsteen en graniet. De hypothese dat de vallei weleer met water was bedekt, vindt hare bevestiging in de overoude traditie, volgens welke zich vroeger hier een meer bevond. Een god kloofde met zijn zwaard den berg, die aan de zuidzijde de afstrooming van liet water tegenhield, en zoo werd de kom droog.
Plein te Khatmandoe.
De vallei van Nepâl is ook het eenige gedeelte van het land, dat ons bekend is. Geen enkel Europeaan, de engelsche gezant te Khatmandoe zoo min als een ander, mag de grenzen dezer vallei overschrijden. Toen de engelsche generale staf, voor de voltooiing van den atlas van Indië, kaarten van Nepâl wilde laten maken, was men verplicht, hindoesche pandits daarheen te zenden, die onder verschillende vermommingen het land doortrokken; maar de uitkomsten van hun onderzoek waren vrij onbevredigend, en de met die gegevens vervaardigde kaart is dan ook alles behalve volledig.
Uithoofde van hare hooge ligging, op ongeveer dertienhonderd meter, en van de geweldige bergen die haar als een wal omringen, heeft de vallei een heerlijk gematigd klimaat en een zeer weelderigen plantengroei. De zachte verkwikkende temperatuur, de schoonheid van het land, het schilderachtig voorkomen der steden maken Nepâl tot een van de aangenaamste, uitlokkendste streken van Hindostan. Men heeft hier geen hinder van die geweldige overgangen van temperatuur, die afwisselingen van hitte, regen en droogte, die het verblijf in de andere indische landen voor Europeanen zoo onaangenaam en zoo ongezond maken. De zomer is nooit overmatig warm, en de winter nooit erg koud. In de maand Januari heb ik, hoewel in een tent verblijf houdende, alleen des nachts een weinig van koude te lijden gehad.
Aan dit zachte klimaat dankt Nepâl ook zijne rijke, altijd bloeiende en groeiende plantenwereld, ik heb hier, in Januari, sommige rozensoorten in de open lucht zien bloeien. Orchideeën, begonias, rhododendrons verkwikken overal het oog van den wandelaar. De berghellingen zijn ter halver hoogte met dichte bosschen van prachtig naaldhout bekleed. De bewoners verbouwen koren, gierst, rijst, mosterd, safraan, ananassen, gember, aardappelen, suikerriet, enz. Vruchtboomen vindt men hier in groote menigte, met name citroenen, appelen, abrikozen, perziken, oranjeappelen, die geheele bosschages vormen, waartusschen de dorpen schilderachtig wegschuilen.—De fauna van Nepâl is niet minder rijk dan zijne flora, maar zij is vooral rijk in schadelijk gedierte. In geen enkel ander land van Indië vindt men zooveel verscheurende dieren. Luipaarden, tijgers, rhinocerossen en slangen zijn buitengemeen talrijk. De eersten bevolken de jungles op alle bergen en aarzelen niet, een mensch aan te vallen, maar richten toch voornamelijk groote verwoestingen onder het vee aan. De Nepaleezen zijn overigens niet bang voor deze gevaarlijke gasten: wanneer zij hen op klaar lichten dag ontmoeten, gaan zij hun soms met een eenvoudig jachtmes te lijf. Wilde olifanten huizen in grooten getale in den Teraï, aan den voet van de Himalaya. De meeste olifanten, die men in elders in Hindostan voor verschillende diensten gebruikt, zijn van hier afkomstig. Ten gevolge van de schaarschte aan weilanden, heeft de veestapel in Nepâl niet veel te beteekenen. Buffels, schapen, geiten, worden uit Thibet ingevoerd. Daarentegen is het land zeer rijk aan gevogelte, dat men over dag vrij door de rijstvelden laat omdolen om zijn voedsel te zoeken, en tegen den avond naar huis drijft.
Zoodra ik mij behoorlijk had geïnstalleerd in de tent, die de engelsche gezant voor mij had laten opslaan, maakte ik een begin met mijne archeologische studiën en nasporingen, en wel, zoo als voor de hand lag, te Khatmandoe.
Khatmandoe, de tegenwoordige hoofdstad van Nepal, telt ongeveer zestigduizend inwoners. Volgens de overlevering werd zij in het jaar 723 van onze jaartelling gesticht. Zoowel uit het oogpunt van zindelijkheid als van architectuur, doet zij verre onder voor de twee andere groote steden des lands, Patan en Bhatgaon. Het paleis van den rajah heeft hoegenaamd niets te beteekenen. De beroemde minister Jang Bahadoer liet dit paleis bouwen in eene soort van bastaard italiaanschen stijl. De verschillende deelen van dit gebouw, van gehouwen steen, van baksteen of van hout, passen hoegenaamd niet bij elkander.—Maar in de stad zelve vindt men eenige oude paleizen van rijke, adellijke familiën, waarvan de prachtig gebeeldhouwde voorgevels aanstonds de aandacht trekken. Sommige aanzienlijke huizen zijn naar europeesche wijze gemeubeld; maar die meubelen, welke met groote kosten uit engelsch Indië worden ingevoerd, zijn meestal op de zonderlingste manier geplaatst. Meestal weten de eigenaars niet, waarvoor deze meubelen moeten dienen; naar de sage meldt, is het gebeurd, dat inlanders zich te slapen legden op een piano, dien zij voor een kanapé aanzagen, waarin een speeldoos verborgen was.
Khatmandoe verdient bovenal de aandacht om zijne heiligdommen, zijne kerkelijke bouwkunst. Men schat het aantal der tempels in deze stad op niet minder dan zeshonderd. Hun stijl komt geheel overeen met dien der pagoden, waarvan wij nader zullen hebben te spreken. De voornaamste tempels staan bij elkaar op een groot vierkant plein, tegenover het paleis; de grootste werd omstreeks 1550 gebouwd. Ten einde noodelooze herhalingen te voorkomen, die onvermijdelijk zouden zijn wanneer ik alle monumenten, die zoo zeer op elkander gelijken, afzonderlijk wilde beschrijven, zal ik liever dadelijk een algemeen overzicht geven van de verschillende groepen van monumenten in Nepâl, en beknoptelijk de uitkomsten mededeelen van mijne nasporingen en onderzoekingen betreffende de architectuur van dit land.
Indien het zedelijk gehalte van een volk kon worden afgemeten naar de ontwikkeling van zijne godsdienstige denkbeelden, en indien de talrijkheid der tempels en heiligdommen mocht gelden als een afdoend bewijs voor de levendigheid en innigheid van het godsdienstig geloof, dan zouden de Nepaleezen welhaast aanspraak mogen maken op den roem, het godsdienstigste en het deugdzaamste volk der aarde zijn. Zeer waarschijnlijk toch vindt men in geen ander land der wereld zooveel tempels in zoo kort bestek bij elkaar. In de zeer eng begrensde streek, die meer bepaald den naam van de vallei van Nepâl draagt, treft men ruim tweeduizend tempels aan; Khatmandoe en Patan hebben er ieder zeshonderd; Bhatgaon tweehonderd-vijftig. Deze tempels zijn aan boeddhistische of brahmaansche godheden gewijd; of wel ter herinnering gebouwd op eene of andere merkwaardige plek; ook bevatten zij soms het overschot van een of ander beroemd persoon en zijn dan eigenlijk grafmonumenten. De bouworde van deze tempels vertoont drie wezenlijk verschillende typen, welke wij achtereenvolgens zullen beschrijven.
De eerste en in chronologische orde de oudste dezer typen wordt vertegenwoordigd door groote half-bolvormige gebouwen, uit aarde en baksteen opgetrokken en overeenkomende met de tôpen of stoepas van centraal Hindostan, behoudens enkele afwijkingen. Naar elk der vier windstreken bevindt zich, bij deze tôpen, een klein heiligdom, bestaande uit eene nis met beeldwerken.—Boven het halfronde gebouw verheft zich een vierkante toren, die zelf door eene pyramide of een kegel gekroond is. De tempel is omringd door een grooter of kleiner aantal van kleinere heiligdommen, kapellen, beelden, enz.
Deze soort van tempels behoort uitsluitend aan de boeddhistische eeredienst; maar in Nepal zijn het Boeddhisme en het Brahmanisme zoodanig vermengd en als het ware saamgesmolten, dat de symbolen en teekenen der beide eerediensten evengoed in de tempels worden aangetroffen, onverschillig tot welke kerk dezen eigenlijk behooren. In de boeddhistische tempels zijn de afbeeldingen van den Boeddha en van zijne vroegere incarnaties natuurlijk het talrijkst, maar ook de goden van het brahmaansche pantheon, Vishnoe, Ganesa en anderen, vinden er evenzeer eene plaats.
De tweede type der tempels van Nepâl wordt vertegenwoordigd door gebouwen van baksteen en hout, volgens een zeer karakteristiek plan ontworpen en in voorkomen veel meer gelijkenis vertoonende met de thibetaansche of chineesche, dan met de indische kunst. Deze tempels zijn rechthoekige gebouwen, uit verscheidene verdiepingen bestaande, die naar boven toe in omvang afnemen en elk van een eigen dak zijn voorzien. Ook deze daken worden steeds kleiner, zoodat het geheele monument het voorkomen heeft eener pyramide. Elk dak is aan de hoeken eenigszins omgebogen, even als bij de chineesche pagoden, en met een aantal klokjes versierd. Gebeeldhouwde houten balken dragen het vooruitspringend gedeelte van het dak. Elke tempel is omringd door eene veranda, die op fijn gebeeldhouwde houten pijlers rust. Het geheele monument staat op een steenen onderbouw, die weder in verschillende terrassen is verdeeld. Aan een der zijden van dien onderbouw is een trap aangebracht, die toegang geeft tot den tempel, en die ter wederzijde met beelden van goden, helden of fabelachtige monsters is versierd.
Als voorbeelden van den derden type noemen wij de steenen tempels, die door hunne gedaante geheel afwijken van de beide vorige groepen, en die den stempel dragen eener merkwaardige oorspronkelijkheid. De chineesche invloed is hier bijkans onmerkbaar, de indische daarentegen onmiskenbaar, maar toch niet in die mate overheerschend dat de oorspronkelijkheid verloren gaat. Deze tempels zijn de eenigen, waarin men somwijlen eenige sporen kan ontdekken van muzelmanschen invloed, en wel bepaaldelijk door de aanwezigheid van koepels. Men kan bij deze tempels bezwaarlijk van een bepaalden stijl spreken, volgens welken zij zouden zijn gebouwd. Het eenige wat zij allen gemeen hebben, is dat zij rusten op een onderbouw van ettelijke verdiepingen, waarvan de trap overeenkomt met die van de hierboven beschreven tempels en ook met beelden is versierd. Deze steenen tempels staan overigens als kunstgewrochten veel hooger dan de nog min of meer barbaarsche pagoden, waarvan wij zoo straks spraken. De tempel te Patan, tegenover het koninklijk paleis, mag met recht onder de belangrijkste monumenten van Indië worden geteld, en zou zelfs in eene europeesche hoofdstad bewondering wekken.
Buiten kijf is de architectuur van Nepâl uit Indië afkomstig; maar in eene andere omgeving overgebracht, is zij spoedig van karakter veranderd. Dit is een nieuw bewijs voor de stelling, dat het verschil van ras op de ontwikkeling der bouwkunst grooter invloed uitoefent dan de overeenkomst in godsdienstige begrippen en overtuigingen.
Het is bij uitstek moeilijk, ook maar bij benadering, den ouderdom te bepalen van de verschillende tempels van Nepâl. In het algemeen gesproken, kan men van sommigen hunner zeggen, dat zij zeer oud zijn, dat wil zeggen uit de eerste eeuwen onzer jaartelling afkomstig; sommige anderen zijn betrekkelijk modern, dat wil zeggen, jonger dan de vijftiende eeuw. Maar daar zijn er wellicht nog anderen, hoewel ik zeer geneigd ben daaraan te twijfelen, wier stichting tusschen de twee genoemde tijdperken ligt en omtrent wier ouderdom wij dan geheel in het onzekere verkeeren. De oudste tempels zijn de halfbolvormige tôpen van aarde en baksteen, waarvan wij boven gesproken hebben. In aanmerking nemende dat het Boeddhisme omstreeks de eerste eeuw van onze tijdrekening in Nepâl is ingevoerd, en lettende op de groote overeenkomst van deze monumenten mot de tôpen van centraal Indië, zou ik geneigd zijn de stichting dezer heiligdommen, althans in hunne hoofdbestanddeelen, terug te voeren tot de tweede eeuw na Christus.—De tempels van baksteen en hout zijn daarentegen zeer jong; van de voornaamsten hunner is de dagteekening der stichting bekend, en deze klimt doorgaans niet hooger op dan het jaar 1700.—De steenen tempels zouden ongetwijfeld veel ouder kunnen zijn, maar verschillende teekenen leiden mij tot het besluit dat zulks niet het geval is; ik geloof niet dat een dier tempels, die ik bezocht heb, ouder is dan het jaar 1500.
De bouwstijl der paleizen en huizen komt het meest overeen met dien der baksteenen tempels. Ook zij zijn van baksteen en hout opgetrokken, en hebben verschillende verdiepingen, maar die verdiepingen springen niet in, en het geheele gebouw wordt door één dak gedekt. Wat deze gebouwen vooral onderscheidt, is de menigte der beeldwerken, waarmede zij overdekt zijn. De pilaren der verandas, de lijsten der deuren en vensters, de balken waarop het uitspringende gedeelte van het dak rust, zijn met het fraaiste beeld- en snijwerk versierd. De vensters zijn doorgaans met houten traliewerk voorzien, daar het gebruik van glas in Nepal zoo goed als onbekend is; behalve in het koninklijk paleis te Khatmandoe, ziet men haast nergens glasruiten.
Het midden van het huis wordt gewoonlijk ingenomen door eene binnenplaats, omgeven door eene veranda, waaronder de bedienden verblijven. De kamers zijn klein en slecht verlicht. De vertrekken der verschillende verdiepingen hebbon alleen door luiken met elkander gemeenschap; hetgeen in geval van nood de verdediging mogelijk maakt van elke verdieping afzonderlijk.
Na de stad Khatmandoe in alle richtingen doorkruist en haar tempels bestudeerd te hebben, moest ik de andere steden in de vallei van Nepâl bezoeken. Zij liggen meest allen in de nabijheid der hoofdstad; de wegen, die deze steden onderling en met de talrijke dorpen verbinden, zijn ter nauwernood gebaande voetpaden; alleen aan het onderhoud van den weg van Khatmandoe naar Bhatgaon wordt eenige zorg besteed. Het vlakke, hier en daar heuvelachtige, rijk bebouwde land herinnert aan de vlakten van noordelijk Italië, maar met weelderiger plantengroei en een meer zuidelijk karakter.
Mijn eerste bezoek gold het dorp Samboenath. De weg naar dit dorp loopt over eene groote rivier, de Vishnoemati, die veel breeder is dan de Seine te Parijs. De brug over deze rivier laat wel iets te wenschen over. Verbeeld u eene rij kleine, smalle plankjes, vastgespijkerd op palen, die in de bedding der gelukkig niet diepe rivier zijn geslagen. Daar ik geen koorddanser van beroep ben, liet ik een mijner dragers door het water waden, en op zijn schouder steunende, waagde ik den tocht over de smalle brug.
De tempels van Samboenath of Swayambhoe—een bijnaam van Boeddha, beteekenende “hij die door zich zelven bestaat”;—staan op den top van een heuvel, die eene hoogte bereikt van omstreeks honderd el en geheel met boomen is beplant. Een steenen trap van ruim vijfhonderd treden voert naar den top van den heuvel. Aan den opgang van de trap prijkt een kolossaal beeld van den Boeddha, in 1637 opgericht. Zoodra ge den top des heuvels bereikt hebt, ziet ge voor u een piedestal van gehouwen steen, met figuren versierd, waarop een soort van bronzen staaf, anderhalve meter lang, de zoogenaamde “bliksem van Indra”, is geplaatst. Dit symbool is voor de Boeddhisten van Nepal even heilig als het kruis voor de Christenen; men vindt het onder de beeldwerken van bijna alle nepaleesche tempels.
De vlakke top van den heuvel is bedekt met kapellen en talrijke beelden; maar het grootste gedeelte der ruimte wordt ingenomen door den grooten tempel, die door bedevaartgangers uit alle deelen des lands en zelfs uit de verwijderdste streken van Thibet wordt bezocht. De tempel heeft de gedaante van een halfronden bol, uit aarde en baksteen opgetrokken, geheel overeenkomende met den tôpe van Sanshi, maar bovendien gekroond met een vierkanten toren, waarboven een kegel oprijst uit smalle ronde schijven saamgesteld. Op de vier zijden van den toren is, met roode, witte en zwarte verwen, het oog van den Boeddha afgebeeld. De voet van den tôpe is rond; hij steekt een weinig vooruit en is met steenen zerken bekleed.—Om den tôpe staan, naar de vier windstreken gekeerd, vier kleine kapellen, waarvan de voorzijden met geciseleerd brons zijn bedekt, en waarin zich een gebeeldhouwde zerk bevindt. De kapelletjes, de toren op den tôpe en verreweg de meeste gebouwen op den heuvel zijn zeker niet ouder dan ruim tweehonderd jaren; het oudste is van 1593. Maar zoo de bijgebouwen en de toevoegsels van betrekkelijk jongen datum zijn, met den tempel zelven is dit niet het geval. Op de boven aangegeven gronden mogen wij veilig aannemen, dat hij tot de eerste eeuwen onzer jaartelling opklimt. In een der huizen in de nabijheid van den grooten tôpe woont eene familie van thibetaansche lamas, die sedert onheugelijke tijden belast is met zorg voor het onderhouden van het heilige vuur, het zinnebeeld der godheid. Al de tempels van Samboenath worden trouwens door thibetaansche lamas bediend.
Boedhatempel te Samboenath.
III
De bevolking van Nepâl bestaat uit een zeer groot aantal stammen, die elkander vreemd zijn en verschillende dialekten spreken. Sommigen zijn van thibetaanschen oorsprong; anderen zijn ontstaan uit de vermenging van Thibetanen en de oorspronkelijke bewoners des lands met immigranten uit verschillende deelen van Hindostan. Van deze immigranten zouden sommigen hebben behoord tot de Radjpoets, dat wil zeggen tot de edelste en zuiverste vertegenwoordigers van het indische ras; anderen daarentegen zouden half wilde stammen zijn geweest, zoo als de Kohls in Shota Nagpore en de provincie Orissa. De groote massa der bevolking in de eigenlijke vallei van Nepâl bestaat uit twee zeer scherp onderscheiden groepen: de Newars, de afstammelingen der oude bewoners, en de Gorkhas, die tegen het einde der vorige eeuw Nepâl veroverden en de bevolking aan zich onderwierpen. Deze Gorkhas waren tot op dien tijd een der vele krijgshaftige stammen, die binnen het gebied van Nepâl zijn gevestigd; zij beweeren de afstammelingen te zijn van de Radjpoets, die weleer naar deze afgelegen streken emigreerden om zich aan de mohammedaansche overheersching te onttrekken. Buiten kijf zijn zij van hindoeschen oorsprong, doch ik heb er maar weinigen ontmoet, die niet de teekenen droegen van vermenging met thibetaansch bloed.
De “bliksem van Indra”
Het woord Gorkha is, overigens niet de naam van een bepaald ras. In Nepâl verstaat men daaronder de nakomelingen der lieden van allerlei stand en van zeer verschillende afkomst, die in de vorige eeuw de nepaleesche provincie Gorkha verlieten en geheel Nepâl aan hunne macht onderwierpen. Naar gelang van hunne afkomst vormen zij verschillende kasten. De hoogste dezer kasten, die der kshatryas, is gesproten uit de verbintenis van de bovengenoemde Radjpoets met de vrouwen van een oorspronkelijk inlandschen stam, die den naam draagt van Khoes. De Gorkhas vormen de kern der krijgshaftige bevolking van Nepâl, waartoe verder nog verschillende stammen behooren, bij wie de mongoolsche type veel meer op den voorgrond treedt dan bij de Gorkhas. De vereeniging van Nepâl onder het gezag van één souverein is het werk der Gorkhas, die zich door hunne groote dapperheid en militaire bekwaamheden boven alle anderen onderscheiden. Deze krijgshaftige aristokratie acht alle andere bezigheden buiten den wapenhandel beneden hare waardigheid: zij bemoeit zich noch met handel, noch met industrie, noch met landbouw, en is ook ten eenemale ontbloot van zin en smaak voor kunst. Hunne godsdienst is het Brahmanisme; hunne taal is een dialekt van het sanskriet, vermengd met thibetaansche woorden; zij gebruiken het sanskrietsche letterschrift.
De Newars vormen de groote meerderheid der bevolking van de vallei van Nepâl; zij werden eeuwenlang door hunne eigene rajahs geregeerd, onder wier bestuur in de steden van Nepâl vele belangrijke monumenten werden gesticht. Even als de Gorkhas, zijn ook de Newars gesproten uit de vermenging van Hindoes en Thibetanen; maar het thibetaansche element heeft bij hen veel meer de overhand. Toen ik de vallei van Nepâl betrad, had ik onder mijn gevolg ook een bediende, die met mij de verschillende deelen van Indië had doorreisd, zonder eenig begrip te hebben van de landstreken, waarheen onze weg voerde. Maar ter nauwernood waren wij in het eerste grensdorp van Nepâl aangekomen, of hij vroeg mij, of wij ons niet in China bevonden. Volgens hem hadden de inlanders eene zeer sterke overeenkomst met de Chineezen, die hij te Bombay had gezien. De taal der Newars, het newari, verschilt zeer van die der Gorkhas, hoewel zij evenzeer een mengsel is van sanskriet en thibetaansch. Het newari is de eenige taal van Nepâl, die eene letterkunde heeft.
De Newars zijn ten eenemale ontbloot van den krijgshaftigen geest en de militaire bekwaamheden der Gorkhas, maar bezitten daarentegen een zeer opmerkelijken aanleg voor landbouw, handel en nijverheid. Zij zijn de bouwmeesters der met prachtig beeld werk versierde, merkwaardige tempels, waarmede de vallei als bezaaid is. De kunst om het hout te bewerken en te snijden heeft bij hen eene hoogte bereikt, die, naar mijn oordeel, door geen enkel volk van het hedendaagsch Europa wordt geëvenaard. Maar het thans heerschende ras, de Gorkhas, doet volstrekt niets om de kunst aan te moedigen; zij gaat dan ook sterk achteruit; de bekwame kunstenaars zoeken elders een goed heenkomen; en tegenwoordig vindt men in de geheele vallei ter nauwernood een dozijn lieden, die inderdaad de kunst van houtsnijden verstaan. Wanneer de laatste van deze kunstenaars verdwenen zal zijn, zal ook de kunst van houtsnijden zelve in Nepâl ten onder zijn gegaan, zoo als de kunst van het brons te bewerken hier reeds zoo goed als vergeten is. Ook de architectuur is in verval; bijna al de merkwaardige monumenten dagteekenen van vóór den tijd der heerschappij van de Gorkhas.
Een derde gedeelte der Newars belijdt de hindoesche godsdienst: zij zijn volgelingen van Siva; de anderen zijn Boeddhisten. Zoowel Brahmanisten als Boeddhisten hebben het kastenstelsel in stand gehouden.
Twee sprekende karaktertrekken zijn aan alle Nepaleezen, Gorkhas zoowel als Newars, gemeen: hunne groote godsdienstigheid en hun onafhankelijkheidsgevoel. De Nepaleezen zijn misschien het godsdienstigste volk der wereld. Mij is geen ander land bekend, waar, naar verhouding, het getal der tempels en der priesters zoo groot is. Godsdienstige feesten en plechtigheden nemen het grootste gedeelte van den tijd der bevolking in beslag. De astrologen, die doorgaans onder de priesters worden gekozen, spelen bij alle handelingen van het leven eene gewichtige rol; en evenmin als de oude Romeinen, zullen de Nepaleezen eene onderneming op touw zetten of eene reis aanvaarden, zonder vooraf het lot te hebben geraadpleegd en een gunstigen dag uitgekozen. Jammer maar dat, ondanks hunne godsdienstigheid, hunne zedelijkheid zoo veel te wenschen overlaat; vooral is hun volkomen gemis van waarheidszin zeer opmerkelijk. Een Hindoe zegt nog somtijds de waarheid, een Nepalees nooit.
Wat de bewoners van Nepâl zeer beslist van de Hindoes onderscheidt, is hunne vaderlandsliefde en hun onafhankelijkheidsgevoel. Deze beide eigenschappen, waarvan men elders in Indië geen spoor vindt, zijn bij de geheele bevolking van Nepâl in zeer hooge mate ontwikkeld. In die gezindheid wortelt hun onbedwingbaar wantrouwen jegens alle vreemdelingen; zij is het ook die hen tot het besluit heeft gebracht om den toegang tot hun land aan alle Europeanen te ontzeggen.
De mythische geschiedenis van Nepâl begint met de helden van de Mahabharata, maar van de werkelijke geschiedenis des lands weten wij al even weinig als van die van het overige Indië. Voor het jaar 1300 van onze jaartelling is ons met zekerheid eigenlijk niets van de historie des lands bekend, dan alleen dat het Boeddhisme er omstreeks de eerste eeuw werd ingevoerd. Ongetwijfeld was eertijds de bevolking hoofdzakelijk thibetaansch. Na de inneming van Shittor, door Ala-oed-din, in 1306, namen een aantal Radjpoets, die zich aan de muzelmansche heerschappij niet wilden onderwerpen, de wijk naar de bergen van Nepâl. Zij werden in 1336 gevolgd door andere Radjpoets uit de koninkrijken Oudhe en Kanoeje, die insgelijks voor de nieuwe veroveraars vluchtten. Uit deze emigratie van Radjpoets zouden de Gorkhas gesproten zijn, die in Nepâl een klein zelfstandig vorstendom vormden, dat eeuwenlang zijne onafhankelijkheid wist te handhaven. In 1765 vatten de Gorkhas het plan op om geheel Nepâl onder één gezag te vereenigen. Na een vierjarigen oorlog gelukte het hun, de drie koninkrijken te onderwerpen, waarvan Bhatgaon, Patan en Khatmandoe de hoofdsteden waren, en die sedert het begin van de veertiende eeuw werden geregeerd door dynastieën van rajahs, die van een gemeenschappelijken stamvader afstamden en tot het ras der Newars behoorden, dat van mongoolschen oorsprong is en nog de massa der bevolking vormt. Na zich aldus van de drie hoofdsteden te hebben meester gemaakt, vernietigden de Gorkhas de talrijke kleine vorstendommen, het best te vergelijken met onze oude leenen, waarin het land destijds was verdeeld. Sedert dien tijd is geheel Nepâl onderworpen aan het gezag van een enkelen souverein, en heeft slechts eene hoofdstad, Khatmandoe.
Bij herhaling werd de onafhankelijkheid van Nepâl bedreigd door zijne twee machtige buren, de Engelschen en de Chineezen, en heeft het rijk tegen hen bloedige oorlogen moeten voeren; maar zoo de Nepaleezen soms werden overwonnen, is het toch nog aan geen vreemde legermacht gelukt, hunne hoofdstad te bereiken, en ondanks alles bleef de onafhankelijkheid des lands gehandhaafd. De zwaarste aanval, dien Nepâl te verduren had, was de oorlog met Engeland in de eerste jaren dezer eeuw. In 1814 door de Engelschen aangevallen, brachten de Nepaleezen hun een bloedige nederlaag toe, en doodden hun generaal Gillespie; maar toen in 1816 de Engelschen met een leger van zes-en-veertigduizend man, tot op drie dagreizen afstands van Khatmandoe waren doorgedrongen, moest de kleine staat, die een heldhaftigen tegenstand had geboden, den ongelijken strijd opgeven en zich de vredesvoorwaarden van den overwinnaar laten welgevallen. Een van de voornaamste bepalingen van het vredesverdrag was, dat de regeering van Nepâl een engelsch gezant in hare hoofdstad zou ontvangen. Deze voorwaarde, hoe hard ook voor de Nepaleezen, bracht hen echter feitelijk in geen anderen toestand, dan waarin alle europeesche mogendheden tegenover elkander verkeeren, want de engelsche gezant is niets meer dan een diplomatiek vertegenwoordiger en heeft hoegenaamd geen recht, zich met de regeering des lands te bemoeien. “De engelsche minister”, zegt doctor Wright, gewezen geneesheer bij het gezantschap te Khatmandoe, “heeft in het minst geen recht of bevoegdheid zich te mengen in de regeering des lands. Metterdaad vervult hij geene andere functiën dan die van consul, geheel overeenkomende met die van een engelsch consul in eene of andere europeesche stad. De Nepaleezen zijn in hooge mate trotsch en naijverig op hunne onafhankelijkheid, en dulden niet dat een vreemde zich met hunne zaken bemoeie.”
De positie van engelsch gezant in Nepal is dan ook verre van benijdenswaardig. Zijn eenige metgezel gedurende de vele jaren, die hij soms in deze ballingschap moet doorbrengen, is een geneesheer, de eenige Europeaan aan wien het vergund is, met hem in Nepal te vertoeven. Hij kan officieel geen voet buiten zijne woning zetten dan onder het geleide van soldaten der lijfwacht, die, zoo als het heet, voor zijne veiligheid moeten zorgen, maar wier eigenlijke taak het is, hem te bewaken en onverwijld aan het hof bericht te geven van al zijne handelingen. De engelsche gezant woont in een door een zijner voorgangers gebouwd huis, op eenige mijlen afstands van de stad. Dit huis bevat alles wat voor het levensonderhoud noodig is, met inbegrip van eene bakkerij en eene slagerij. Een wacht van sipayers moet, des noods, vijandelijke aanvallen der inlanders afslaan. Daar is wel al de zwijgende vastberadenheid en zelfgenoegzame energie van de engelsche ambtenaren toe noodig, om bij zulk eene manier van leven niet van verveling te sterven. Trouwens niet enkel in Nepal treft men Engelschen aan, die jaren lang geheel alleen leven te midden eener onverschillige of zelfs vijandig gezinde bevolking. In deze eenzaamheid blijven zij onveranderlijk trouw aan de gewoonten en de levenswijze van hun vaderland: in die mate zelfs, dat zij zich nooit dan zwartgerokt en witgedast aan tafel zetten, hoewel hun eenige dischgenoot hun eigen beeld is, dat door den spiegel wordt weerkaatst. Maar deze zwijgende metgezel is voor hen genoeg; ik heb Engelschen gekend, die sedert vijf-en-twintig jaren op deze wijze hun leven doorbrachten en met smart dachten aan het oogenblik, waarop zij verplicht zouden zijn hun ontslag te vragen en in de maatschappij terug te keeren.
Sedert de vereeniging van alle koninkrijken en vorstendommen van Nepal onder een zelfden scepter, ten gevolge van de overwinningen der Gorkhas, is het land eene absolute monarchie; maar in werkelijkheid is de staatsinrichting toch niet zoo eenvoudig als zij op het eerste gezicht schijnt. Zij omvat velerlei vormen, verschillende naar gelang van de afzonderlijke landstreken, te beginnen bij den eenvoudigsten vorm van politieke organisatie, de stamordening, die nog in de meeste bergvalleien geldt. Bovendien verschilt het begrip van souvereiniteit aanmerkelijk van de moderne europeesche opvatting, maar komt daarentegen veel meer overeen met die onzer middeleeuwsche feodaliteit. Nooit toch zou het in het brein van een europeesch monarch opkomen, om een deel van zijn rijk, in vrij en onafhankelijk bezit, met den titel van koning, aan een onderdaan weg te geven. Toch deed dit de koning van Nepal, in 1855, toen hij twee provinciën aan zijn minister Jang Bahadoer en diens erfgenamen ten geschenke gaf, met onbeperkte macht van leven en dood over al de bewoners.
De koning van Nepal is overigens slechts in naam almachtig; het hoogste gezag berust feitelijk in handen van een soort van majordomus of eersten minister, die bijgestaan wordt door een raad, bestaande uit de aanzienlijkste edelen des rijks. Deze eerste minister is welhaast alvermogend, maar zijne almacht waarborgt hem niet tegen het bijna onontkoombaar lot, van vroeger of later door een mededinger vermoord te worden. Jang Bahadoer wist aan dit noodlot te ontsnappen, door onverbiddelijk het hoofd te laten afslaan van ieder, in wien hij een mededinger kon vermoeden. Ongelukkig zijn de Nepaleezen zeer achterdochtig en wantrouwend; en in den wedstrijd wie het eerst zijne tegenpartij treffen zal, kan een minister alleen door buitengewone behendigheid de zege wegdragen. Jang Bahadoer aarzelde nooit een oogenblik, kort en haastig recht te doen, des noods met eigen hand; en daaraan had hij het te danken dat hij ruim dertig jaren lang met onbeperkte macht over Nepal regeerde en eerst voor eenige jaren zijn natuurlijken dood stierf. Hij was inderdaad een van de merkwaardigste typen van een aziatisch despoot. Met buitengewone geestesgaven toegerust, bewees hij aan zijn land de belangrijkste diensten. Hij was geheel op de hoogte van de westersche toestanden; hij had Londen en Parijs bezocht, en voerde allerlei nuttige hervormingen in. Zijne spierkracht was niet minder buitengewoon dan zijn verstand: hij legde een afstand van vijf-en-zestig kilometers in zestien uren te paard af, en kloofde met een enkelen sabelhouw een panter in tweeën. Ook vond hij er geen bezwaar in, zonder veel woorden te verspillen, met eigen hand de groote heeren te onthoofden die hij gevaarlijk achtte voor den staat. De belangrijkste openbare betrekkingen werden bekleed door leden zijner familie, die trouwens talrijk genoeg was, want hij had ruim honderd zonen. Gedurende zijne lange regeering genoot het land eene hooge mate van welvaart en nam de algemeene rijkdom belangrijk toe. Hij wist elken oorlog met zijne naburen te vermijden; en deze oostersche Richelieu, die tijdens den opstand der sipayers, hulptroepen naar de Engelschen zond en tegelijker tijd eene schuilplaats verzekerde aan Nana-Sahib, wordt nog heden in Nepâl als een van de grootste mannen van zijn tijd beschouwd.
Hoewel Nepâl er een leger van twee-en-dertig-duizend man op nahoudt, bedragen de staatsinkomsten toch niet meer dan omstreeks twintig millioen francs. Maar deze som vertegenwoordigt een zeer belangrijk cijfer in een land, waar dertig centimes per dag ruimschoots voldoende zijn voor het levensonderhoud van een persoon. De hoofdbronnen van inkomst zijn de grondbelasting, de douanen en verschillende monopoliën; het grootste gedeelte der staatsinkomsten wordt ook voor militaire doeleinden gebruikt.
Het staande leger telt ongeveer zestien-duizend man, in zes-en-twintig regimenten verdeeld. De onregelmatige troepen zijn omstreeks even sterk. De kavalerie telt niet meer dan honderd manschappen, voldoende voor een zoo bergachtig land. De kleur van de uniform is blauw; een kleine tulband dekt het hoofd. De bewapening is eenigszins zonderling en onstelselmatig. Even als alle bewoners van Nepâl, is elke soldaat gewapend met de klassieke koekhri, een groot breed mes van eigenaardigen vorm. De artillerie bezit een vrij groot aantal stukken berggeschut, die in het land zelf vervaardigd worden.
De kracht van het nepalsche leger kan echter niet uitsluitend naar het cijfer der legersterkte worden berekend. Het is namelijk den soldaten vergund, het land te verlaten en dienst te nemen bij de engelsche regimenten in Hindostan, waar zij naar europeesche manier gedrild en geoefend worden. Zij behooren tot de beste soldaten, die Engeland in Hindostan bezit. Wanneer zij, na volbrachten diensttijd, in Nepâl terugkeeren, vormen zij daar eene reserve, die volkomen geoefend en elk oogenblik gereed is om de wapenen te voeren. In de bergpassen zou dit leger voor den vijand geducht kunnen worden en in staat zijn om elken aanval af te slaan. In een tijd, toen deze kostbare reserve nog niet bestond, heeft het nepalsche leger aan de engelsche troepen reeds gevoelige nederlagen toegebracht. In aanmerking nemende de bijna volstrekte onmogelijkheid om met een legerkorps over de passen van de Himalaya te trekken, die naar de hoofdstad voeren, de dapperheid en bekwaamheid der soldaten die dagelijks geoefend worden, en vooral de vaderlandsliefde en het zeer levendig onafhankelijkheidsgevoel der inlanders, komt het mij voor, dat Nepâl inderdaad niets te vreezen heeft van zijn machtigen nabuur. Alleen door eene binnenlandsche omwenteling zou het land zijne onafhankelijkheid kunnen verliezen, wanneer namelijk een der hoofden de tusschenkomst der Engelschen inriep en hun den weg opende naar de hoofdstad.—Het leger bestaat uitsluitend uit vrijwilligers; bijna alle manschappen behooren tot de krijgshaftige stammen der Gorkhas. De Newars hebben een afschuw van den militairen dienst. De bevordering der officieren is geheel aan het goedvinden der regeering overgelaten. Er zijn hier generaals van vijf-en-twintig en kolonels van veertig jaar, zelfs luitenants met grijze haren; zonen van aanzienlijken ontvangen soms reeds in hun prilste jeugd den titel van generaal.
IV
De derde plaats, die ik na Khatmandoe en Samboenath bezocht, was Patan, eene der voormalige hoofdsteden van Nepal, en zeker eene der merkwaardigste steden van Azië. Hoewel ik gansch Europa, van Londen tot Moskou, en geheel het klassieke Oosten, van Marokko tot Egypte en Palestina, heb doorreisd, had ik nog nooit iets gezien, dat kon vergeleken worden met de hoofdstraat van Patan. Ongetwijfeld zijn de details van deze fantastische architectuur somwijlen barbaarsch, maar het geheel is schitterend, overweldigend. Onze afbeeldingen kunnen daarvan slechts een zeer onvolledig denkbeeld geven, want zij missen de kleur, die zoo ontzaglijk veel bijdraagt tot het tooverachtig effect van deze monumenten. Die vuurroode paleizen, waarvan de steenen en koperen daken worden gedragen door duizenden beelden van goden en godinnen, stralende in de bontste kleurenpracht, en waarvan de bronzen deuren, door steenen monsters bewaakt, schitteren in het verblindende zonnelicht, zijn niet te beschrijven, haast niet af te beelden.
Patan is eene stad met veertigduizend inwoners, ten zuidoosten van Khatmandoe gelegen; naar het schijnt, werd zij omstreeks het jaar 300 na Chr. gesticht. Het is eene der voormalige hoofdsteden van de koninkrijken of vorstendommen, waaruit Nepal vroeger bestond. Hare huizen zijn in den regel van baksteen en hout opgetrokken; de kolommen en de lijsten van deuren en vensters zijn met bewonderenswaardige kunst gebeeldhouwd. Het groote plein, waarop het koninklijk paleis en eenige tempels staan, levert zeer zeker een aanblik op, die in schilderachtigheid niet licht overtroffen wordt. Het paleis is een zeer merkwaardig monument; de groote bronzen deur, die den hoofdingang vormt, verdient vooral de aandacht. Sedert de inneming en de plundering van Patan door de Gorkhas, heeft de stad veel van haar vroegere beteekenis verloren; onderscheidene monumenten verkeeren in jammerlijk vervallen staat. De tempels zijn hier nog talrijker dan te Bhatgaon. Aan die tempels waren onderscheidene kloosters verbonden, die echter sinds lang hunne oorspronkelijke bestemming verloren hebben en in winkels zijn herschapen.