Campêche.
Het weer is prachtig, de grond is droog, de weg gemakkelijk; alles gaat naar wensch; en na door eene uitgestrekte savane te zijn gereden, volgen wij, in de schaduw van het geboomte, den oever der rivier tot aan de monding van de Chacamas, die wij doorwaden. Toen kwamen wij in het woud; onze paarden, die op eene zeer onaangename Bladzijde 150manier draven, vliegen, zoo hard zij kunnen. Onze gids, die aan deze manier van reizen gewoon is, wil ons zeker in één stuk de twintig mijlen laten afleggen, die ons van Ténosiqué scheiden; daarom maakt hij zooveel mogelijk spoed. Wij hebben moeite om hem te volgen, en de weg dunkt ons minder fraai. Op het nauwe pad, dat wij volgen, struikelen onze paarden telkens over rotsblokken en stukken hout; de takken der boomen slaan ons in het gezicht: en links en rechts, van achteren en van voren, omstrengelen ons de lianen, dreigende ons van het paard te sleuren of te worgen. Welk een afschuwelijke weg! De gids rent maar altijd door, zonder zich in het minst om ons te bekommeren; wij verliezen hem uit het oog, en, uitgeput van vermoeienis, laten wij onze paarden voortstappen, min of meer in den blinde het half gebaande pad volgende.
Een rit van zes uren had onzen honger geprikkeld: en toen wij eindelijk den gids weder vonden, die ons aan den oever eener beek wachtte, was de eerste vraag:
“Waar zijn onze levensmiddelen?
—Welke levensmiddelen?
—Wel, het ontbijt, dat men heden morgen voor ons heeft gereed gemaakt.”
De ongelukkige had het vergeten; en om onzen honger te stillen, moesten wij ons tevreden stellen met wat rhum en water.
Hoe ook afgemat, hervatten wij den tocht, om tegen drie uren eene der krommingen van de Usumacinta te bereiken, waar zich de hut van den veerman bevond. Daar waren kippen, dus ook eieren: wij plunderen de arme hut en besproeien ons zeer eenvoudig maal met groote plassen posolé, een mengsel van gemalen maïs en water, maar zonder onzen brandenden dorst te lesschen.
Wij steken over naar den anderen oever, en komen, na een rit van twee uren te Cabecera, een armoedig dorp, op drie mijlen afstands van Ténosiqué. Onze gids wil doorrijden, maar wij weigeren volstandig, en worden gastvrij ontvangen door twee oude dames, die ons kippensoep en gebakken visch voorzetten, welke ons heerlijk smaken. Na een vrij rustigen nacht kwamen wij den volgenden morgen vroeg te Ténosiqué.
IX
Ténosiqué is het laatste dorp in de vlakte; de eerste heuvelen van de Cordillera verheffen zich op twee mijlen afstands; de Usumacinta komt daar, van de steilte nederdalend, met zeer sterk verval, tusschen twee bergen te voorschijn. Een weinig verder begint de sierra met haar doolhof van onbekende valleien, waarin de Lacandons hun verblijf hebben gevestigd. Dat is de plaats onzer bestemming; maar om er te komen, hebben wij vele moeilijkheden te overwinnen.
Ténosiqué ligt op eene hoogte, waardoor het tegen periodieke overstroomingen beveiligd is; maar even als alle van de hoofdplaatsen verwijderde dorpen, bestaat het uit armzalige hutten, en leidt men er een vrij ellendig leven. Men bezorgt ons een hut, waarvan het rieten dak rust op vier wanden van biezen met aarde besmeerd; ondanks wij dit lokaal herhaalde malen laten aanvegen, worden wij toch opgegeten door het ongedierte en gemarteld door de muskieten. Natuurlijk is er geen enkel meubel: gelukkig hebben wij onze hangmatten en veldbedden bij ons. Dit ellendige nest dagteekent niettemin uit de eerste tijden na de verovering, en bestond zeer waarschijnlijk reeds voor dien tijd als indiaansch dorp. In den laatsten tijd heeft dit vergeten dorp eene zekere bekendheid verworven. Ten gevolge van de toenemende zeldzaamheid van het mahoniehout in de bosschen van Tabasco, zijn de handelaars in deze kostbare houtsoort gedwongen geworden, hunne agenten tot naar de onbekende valleien van den staat Chiapas, naar de oevers van de Usumacinta, en zelfs naar Guatemala te zenden. Ténosiqué is daardoor de stapelplaats geworden voor alle produkten van dien aard, die uit Guatemala komen, en de woonplaats van de geëmploieerden der beide huizen, die tot dusver dezen handel gemonopoliseerd hebben.
De geschiedenis van een blok mahoniehout is merkwaardig genoeg: ik zal mij de vrijheid veroorloven, ze aan mijn lezer te vertellen.
Niet iedereen kan zulk eene exploitatie op touw zetten; daartoe behoort een aanzienlijk kapitaal en eene volledige kennis van de plaatselijke gesteldheid, benevens de geschiktheid om met de menschen, met wie men in aanraking komt, om te gaan. Meer dan een, verlokt door het vooruitzicht der buitensporige winst, heeft zich, door gebrek aan kennis en ondervinding, geruïneerd.
Het mahoniehout zelf kost niets; de boomen staan daar in dichte gelederen, recht als dennen, hoog en prachtig; de staat legt u slechts eene zeer geringe belasting op van vijf francs per stuk. Gij hebt ze voor het nemen: maar juist daar ligt de moeilijkheid. Vooreerst moet een plek opgespoord worden, waar mahonieboomen in menigte te vinden zijn. De handelaar heeft daarvoor speciale agenten, monteros genoemd. De montero is een ondernemend, moedig, energiek man, gewend aan het wilde leven in de bosschen en bestand tegen alle vermoeienissen; hij begeeft zich op weg, gevolgd door twee Indianen en een muilezel, die de mondbehoeften draagt; hij neemt zijn revolver en zijn geweer mede, niet zoo zeer als veiligheidsmaatregel, maar om te kunnen jagen, want als de levensmiddelen zijn opgeteerd, moet hij op die wijze in het onderhoud van drie menschen voorzien. Hij verlaat de bekende paden, en trekt het oerwoud in, waar hij zich met behulp van zijn sabel, een smallen doortocht moet banen, die zich achter hem aanstonds weer sluit; somwijlen blijft hij twee of drie maanden lang in deze onbekende wildernis, telken avond een hut van takken en bladeren bouwende, als schuilplaats tegen de tropische stortregens, vechtende tegen de wilde dieren, dagen achtereen rondzwervende door moerassige streken, waar de vochtige grond verpestende dampen uitwasemt, bezwangerd met koortsmiasmen. Steeds zoekt hij overal naar het kostbare hout; hij telt de boomen, hij merkt ze, en geeft, als hij terug keert, aan zijn chef het juiste getal op. Bladzijde 151
Hij heeft nu de lokaliteit bestudeerd, heeft zich rekenschap gegeven van de bezwaren, aan de exploitatie verbonden, en de kosten van transport berekend; er moet eene keus gedaan worden, want hij kan niet alles medenemen. Hoe vele prachtige boomen heeft hij niet op zijn zwerftochten ontmoet; welke schatten heeft zijn oog niet aanschouwd, die toch voor hem onbereikbaar zijn! Volslagen gemis van wegen, een zeer ongelijk, bergachtig terrein, een allesoverweldigende plantengroei, ziedaar de bezwaren, die men moet overwinnen, om den schat meester te worden. Hoe zal men dat aanleggen? De weg is te maken; maar er moet noodzakelijk eene rivier in de onmiddellijke nabijheid zijn, want zoodra de afstand meer dan twee mijlen bedraagt, wordt de exploitatie, met het oog op de kosten, onmogelijk. De rivier is de steeds bereidvaardige helpster, die zich kosteloos met het vervoer belast: zij voert de kostbare blokken mede en brengt ze, ondanks alle hinderpalen, rotsen, watervallen en stroomversnellingen, ongedeerd voor uwe deur.
Het vellen der mahonieboomen. (Blz. 151.)
Het terrein is nu verkend; een beëedigd landmeter gaat er heen om de grenzen te bepalen: en de houthakkers kunnen nu aan het werk gaan. Neen, zoover zijn wij nog niet: er is gebrek aan handen; de arbeiders zijn schaarsch, en allen zijn gehuurd—dat wil zeggen, moeten werken om hunne schuld af te doen bij de ondernemers, die zonder dit van ouds in zwang zijnde stelsel, niemamd zouden kunnen vinden om voor hen te werken. Zij leggen het dus zoo aan, dat de Indianen bij hen in schuld komen; en is het eenmaal zoo ver, dan zijn zij de slaven van hunne schuldeischers. Daar de Indiaan zwak van karakter is, zorgeloos en op drank verzot, raakt hij telkens meer in de schuld, en zoo is hij feitelijk veroordeeld tot levenslangen dwangarbeid. Komt hij te sterven, dan is de zoon verantwoordelijk voor de schuld van den vader en treedt in diens plaats; dat is nog de aloude wet der Mayas, die nog steeds van kracht is. Zonder deze wet zouden wij, ondanks hooge werkloonen, geen mahoniehout hebben; want evenmin als de bewoners van welk ander tropisch gewest ook, werkt de Indiaan vrijwillig, en het geld heeft voor hem weinig bekoring. Daar de Indiaan zijn meester niet verlaten kan, zoolang zijn schuld niet aangezuiverd is, betaalt de nieuwe ondernemer die ten einde zich werklieden te verschaffen; zoo kost iedere arbeider twee-, drie- tot vijfduizend francs; en somwijlen heeft men twee- tot driehonderd man noodig. Ge ziet dus, dat de ondernemer over kapitaal moet kunnen beschikken.
De arbeiders begeven zich op weg, en worden door den montero naar de bepaalde plaats geleid. Daar, midden in het woud, op dertig, veertig, zestig mijlen van iedere menschelijke woning, worden de ranchos opgeslagen, en rusteloos heen en weer trekkende konvooien voorzien de nieuwe kolonie van de noodige werktuigen en levensmiddelen. Dat is nog niet alles; de boomen worden geveld; men ontdoet ze van het spint—het zachte hout onder de schors—; men zaagt ze in blokken, en de kostbare waar groeit tot stapels: maar de rivier is verre, en de stammen staan op vrij grooten afstand van elkander: bijna voor iederen stam moet een pad gebaand worden! En wie zal ze vervoeren? Ossen; maar ossen zijn in de provincie nog zeldzamer dan mannen; men moet ze dus gaan halen aan gene zijde van de Cordillera, in de vlakten van Chiapas, op honderd-vijftig mijlen afstands. Zij zijn daar niet duur: voor twintig piasters (honderd francs), kan men zeer goede beesten hebben; maar de afstand, de bezwaren van de reis, het onvoldoende voedsel doen de kudde dikwijls tot op een vierde slinken; het woud ligt bezaaid met lijken, en de weinige ossen, die eindelijk behouden ter bestemder plaatse aankomen, verkeeren in een zeer ellendigen toestand en kosten ieder meer dan vierhonderd francs.
Maar ook nu houdt de sterfte nog aan: vele dieren bezwijken ten gevolge van vermoeienis en het ongewone, ontoereikende voedsel, dat hoofdzakelijk uit bladeren en ramon bestaat. Bovendien maken de arbeiders, die hun honger naar versch vleesch moeilijk kunnen bedwingen, dikwijls met opzet dat er een ongeluk gebeurt, zoodat een os moet worden gedood. Telkens moeten nieuwe dieren worden aangevoerd, en het blok mahoniehout wordt aardig duur.
Lacandons. (Blz. 159 vg.)
Eindelijk is de oever der rivier bereikt. Daar wordt elk blok aan de zes kanten met een cijfer gemerkt, en van den hoogen oever in de bedding geworpen. Bij den eerstvolgenden was zal het water al die blokken medevoeren; blijft er bij ongeluk een hier en daar, op een rots of in een bocht van den oever vastzitten, dan wordt het toch in het volgende jaar medegevoerd.
In den tijd als de wateren der rivier zwellen, begeven de Indianen van Ténosiqué zich met lichte kanos naar de plaats, waar de Usumacinta uit de bergen te voorschijn treedt, naar de zoogenaamde Boca del rio, om daar de mahonie blokken op te wachten, die de rivier bij honderden medevoert; zij krijgen twee-en-een halve franc per blok, en het is onder hen een hartstochtelijke wedstrijd, wie de moeste blokken machtig zal worden. Daar elk blok gemerkt is, rangschikken zij ze naar de eigenaars, binden ze tot vlotten en voeren ze zoo naar het dorp. Al die arbeid, al die moeiten en gevaren, al die uitgaven zijn noodig, waarde lezers, om u van mahoniehout te voorzien; en nu heb ik nog niet gesproken van de epidemieën, die het vee doen sterven, van de koortsen, waaraan de arbeiders bezwijken, van monteros, die met het geld op den loop gaan of het verspillen, en van andere kwade kansen meer.
Intusschen heb ik zelf met allerlei moeielijkheden te worstelen, die mijn vertrek vertragen. Ik ontvang zulke tegenstrijdige berichten omtrent de ruïnen, wier ontdekking ik mij ten doel heb gesteld, dat ik soms geneigd ben aan eene algemeene samenspanning, eene onverklaarbare mystificatie te gelooven. De ruïnen bestaan; de persoon zelf, die ze voor het eerst zag, geeft mij daarvan de uitdrukkelijke verzekering. Zij zijn ver verwijderd, vijftig mijlen ver, aan de andere zijde van de sierra, op den linker oever van de Usumacinta; een weg Bladzijde 154is er niet, maar de richting, die ik volgen moet, is bekend. Ik houd mij dan ook onledig met de toebereidselen voor den tocht, maar mijne handen zijn gebonden.
Daar ik aanbevelingsbrieven bij mij had voor de beide handelshuizen in het dorp, had men mij, bij mijne komst, alle mogelijke beloften gedaan, maar geene enkele daarvan gehouden. Ik had op zijn minst vijftien manschappen noodig, benevens veertien muildieren en drie paarden; er waren noch paarden, noch muilezels, noch manschappen. Om de laatsten te verkrijgen, liet ik twintig mijlen in het rond nasporingen doen, onder aanbieding van dubbel loon; wat de muildieren betreft, gaf men mij te kennen, dat er eerlang een konvooi uit Peten verwacht werd: na eenige dagen rust, zouden de muildieren wel weer voor den tocht geschikt zijn. Ik had levensmiddelen: rijst, bonen en beschuit, maar geen vleesch. Met moeite kon ik twee stieren machtig worden, die geslacht werden en wier vleesch in lange reepen werd gesneden, gezouten en gedurende drie dagen in de zon gedroogd. Dit vleesch, tasajo genoemd, kan zoo lang bewaard worden als men wil.
Inmiddels had men eenige manschappen bij elkander gebracht, en men verzekerde mij, dat de anderen zouden volgen; maar de zoo vurig verlangde muildieren kwamen niet opdagen. Eindelijk, op een avond, den achtsten dag van onze gedwongen gevangenschap, hooren wij kreten en het getrappel van hoeven. Wij ijlen naar buiten: dat waren de muildieren! Ik tel ze haastig: daar zijn er twaalf; wij zijn gered! Neen, nog niet; want den volgenden morgen ontwaarde ik, tot mijn schrik, in welken rampzaligen toestand de arme dieren verkeerden. Zij waren bijkans levende geraamten, overdekt met afzichtelijke, stinkende wonden, half dood, en ten eenemale buiten staat om eene zoo langdurige en bezwaarlijke reis te ondernemen.
De eigenaar verzekerde mij evenwel, dat zij na acht dagen rust weder zouden kunnen vertrekken, mits zij slechts de helft van de gewone vracht hadden te dragen. De schurk kon met des te meer gerustheid die verzekering geven, daar hij er vast op rekende dat de meeste muilezels onderweg zouden bezwijken, in welk geval ik ze hem, tegen den prijs van nieuwe dieren, zou moeten vergoeden: hetgeen later ook inderdaad gebeurde. Maar ik vermoedde niets van deze sluwe berekening, en wij hielden ons onledig met onze laatste toebereidselen.
De manschappen verschenen; voor de muildieren werden nieuwe pakzadels en tuigen gemaakt, omdat de oude geheel versleten waren; men verdeelde de vrachten onder het opzicht van den chef der muilezeldrijvers, die het bestuur der karavaan op zich zou nemen, en ik moest een gedeelte van mijn materieel achterlaten. Dit was niet alles; de montero, die ons als gids zou dienen, verzekerde mij dat wij niet rechtstreeks naar de ruïnen konden gaan: op een zeker punt aan den rechteroever van de rivier gekomen, moesten wij de Usumacinta ongeveer vijf mijlen ver afzakken, om dan aan den linkeroever, vlak tegenover de monumenten, aan land te gaan. Het was dus noodig, eenige manschappen vooruit te zenden, om een weg door het woud te banen en ook eene groote kano te timmeren, die ons naar de puinhoopen der oude stad brengen zou.
Den volgenden dag gingen dan ook zes man op weg, met het beste muildier, dat de noodige levensmiddelen droeg en de gereedschappen voor het maken der boot; wij zelven zouden later volgen. Na velerlei getob en oponthoud konden wij dan toch eindelijk den vijftienden Maart 1882 vertrekken. De muildieren zijn niet genezen: men heeft hunne wonden gewasschen, dat is alles; en onder den druk der nieuwe vrachten zullen deze wonden op schrikbarende wijze verergeren: ik ben overtuigd, dat enkele dieren bezwijken zullen. Maar wat te doen? Ons rest geen keus: reeds bij het vertrek, en hoe wel slechts eene halve vracht te dragen hebbende, schijnen de arme dieren onder den last te bezwijken.
Wij zijn midden in het woud; de weg is afschuwelijk, of liever, er is in het geheel geen weg: doornstruiken, lianen, kreupelhout, omgevallen boomen houden ons elk oogenblik tegen; het pad is zoo smal, dat de muilezels telkens tegen de takken stooten, waardoor hunne vracht wordt verschoven, en zoo weinig gebaand, dat men zeer oplettend moet zijn om het spoor niet geheel bijster te raken. Wij komen slechts zeer langzaam vooruit: de eerste dag der reis is altijd de moeilijkste; men moet de muildieren, die zeer onwillig zijn, voortsleepen en daarbij zeer streng in het oog houden, want zij peinzen voortdurend op een middel om te ontsnappen. Omstreeks het midden van den dag zijn er twee muildieren verdwenen; na een uur zoeken worden zij terug gevonden.
Wij hebben nu de vlakte verlaten en trekken in zuidoostelijke richting voort, naar den voet van de Cordillera. Het woud wordt prachtig: reusachtige stammen, door lianen als kabeltouwen omstrengeld, palmen van meer dan honderd voeten hoogte, pandanussen met kolossale bladeren, vermengd met slanke ceders en mahonieboomen, wier ruwe schors aan onze eiken herinnert, vormen een schilderachtig, grootsch en indrukwekkend geheel. Men wordt des bewonderens niet moede, en men zou wenschen, in deze bosschen zijn leven te slijten, indien men niet zoo schrikkelijk te lijden had van allerlei ongedierte, met name van muskieten en van onze oude vijanden, de garrapaten.
De chef der karavaan regelt de dagreizen en bepaalt telkens de plaats, waar men voor den nacht kampeeren zal; hij moet volkomen met het woud bekend zijn, want men kan alleen daar ophouden, waar water voor onze muildieren te vinden is en ook dien boom, ramon genaamd, waarvan de bladeren gedurende de reis hun eenig voedsel zijn. Doorgaans kampeert men op eene kleine hoogte, te midden van eene ruime open plek, waar reeds anderen hun kamp hebben opgeslagen, en waar de grond van boomen en kreupelhout gezuiverd is. De hooge boomen blijven alleen staan, en hunne machtige takken beveiligen ons tegen den killen nachtelijken dauw. Deze kampementen dragen op de kaart een naam, Bladzijde 155hoewel er noch eene hut, noch eene levende ziel te vinden is; maar zij dienen den muilezeldrijvers als rust- en verkenningspunten op hunne tochten van Peten naar Ténosiqué. Bij onze aankomst aan de bepaalde halt, worden de beesten ontladen; de bagage wordt met de pakzadels op rijen geplaatst; daarna begint men de arme dieren te verbinden. Deze eerste dag heeft hunne wonden op schromelijke wijze verergerd. De mannen gaan het bosch in om ramon te zoeken; men hoort hunne bijlslagen tegen den stam, vervolgens, het gekraak van den neervallenden boom, overstemd door hunne vreugdekreten. Kort daarna keeren zij terug, gebogen onder eene geweldige vracht van groenende takken, die onder de hongerige muildieren worden verdeeld. Inmiddels maakt Julien onze veldbedden gereed, en de kok van den troep legt zijn vuur aan om ons souper te bereiden. Het menu is steeds hetzelfde: een groote ketel met tasajo, rijst of bonen met eene portie beschuit, en tot toegift een kop koffie. Toch is er soms eenige afwisseling, naarmate wij op de jacht gelukkig zijn geweest: apen, wilde kalkoenen, pécaris, alles is ons welkom.
De avond valt; de manschappen, rondom de vuren gezeten, rooken en praten; dan wordt het nacht, en ieder vlijt zich neer op een bed van groene bladeren, beveiligd door een muskietenscherm. Onze slaap is niet vast, en wordt telkens gestoord door zonderlinge geluiden: het brullen of knorren van wilde dieren, het schreeuwen van nachtvogels en het verschrikkelijk gehuil der brulapen.—Voor het aanbreken van den dag zijn wij weer op de been; met het ontbijt, het optuigen der muildieren en het verdeelen der bagage zijn ruim twee uren gemoeid, en de zon staat reeds hoog aan den hemel, als de karavaan zich op weg begeeft.
De eene dag gelijkt volkomen op den anderen, behoudens de uiterst zeldzame ontmoeting van een uit Peten terugkeerenden reiziger. Deze geheele streek is rijk aan ruïnen, en alles bewijst dat zij vroeger, voor de komst der Spanjaarden, bebouwd en bevolkt was; te midden van deze uitgestrekte eenzame wouden vindt men nog de sporen van groote steden, waarvan de geschiedschrijvers der verovering nog melding maken. Die steden, die dorpen en tempels zijn van de aarde verdwenen, en de eens zoo talrijke bevolking is geslonken tot enkele familiën, in de wouden verloren: de verbasterde en diep gezonken afstammelingen van het ongelukkige ras.
Onze tocht wordt met den dag moeilijker, want wij hebben reeds twee muildieren verloren, die waarschijnlijk wel de prooi der jaguars zullen zijn geworden. Hunne vrachten zijn tusschen de anderen verdeeld moeten worden; en om onze dieren zoo veel mogelijk te verlichten, gaan wij beurtelings te voet.
Op den zevenden dag van onze reis, des morgens vroeg, begonnen wij te voet de berghellingen te beklimmen. Hoewel deze bergen niet hooger waren dan omstreeks vierhonderd-vijftig el, was de bestijging toch een zeer zwaar en moeilijk werk, dat groote inspanning vorderde. Kort daarna bereikten wij de vlakte en sloegen ons kamp op aan de oevers van de rio Chotal, die zich in de Usumacinta uitstort. Het woud is hier verwonderlijk schoon, en rijk aan allerlei wild; papegaaien en aras doen de lucht weergalmen van hunne snijdende kreten; geelgekuifde hoccos bewegen zich zwijgend in de hoogste takken, van waar groote brulapen ons met nieuwsgierige blikken gadeslaan; een troep wilde zwijnen rent in dolle vaart langs ons heen.
Wij bevinden ons in het land der Lacandons: hier en daar ontdekken wij sporen van vroegere bebouwing, vruchtboomen en overblijfselen van verlaten hutten. De Lacandons hebben zich uit deze streek teruggetrokken bij de komst der houthakkers. Des avonds komen wij eindelijk ter plaatse onzer bestemming, aan den paso Yalchilan, en slaan wij ons kamp op aan den rechteroever van de Usumacinta.
X
Het was reeds laat, toen wij op deze plek, waar geene hut of spoor van menschelijke woning te vinden is, aankwamen; wij waren allen uitgeput van vermoeienis, en de tijd ontbrak om ons bivouak in behoorlijke orde te brengen. Tot mijne verwondering vonden wij geen spoor van de mannen, die vooruit waren gezonden en die ons hier moesten afwachten met de door hen getimmerde boot; hunne afwezigheid boezemde mij eenige ongerustheid in. Den volgenden morgen maakten de manschappen voor ons eene soort van woning gereed; anderen gingen weer het bosch in, om een muilezel op te zoeken, die achter gebleven was. Zij vonden het arme dier, ruim twee mijlen verder op den grond liggende, half dood van vermoeienis, honger en dorst. De mannen ontdeden den ezel van zijne vracht, dien zij onderling verdeelden; maar het ongelukkige dier had niet lang genot van die welwillendheid, want de jager die den troep vergezelde, doodde een prachtig zwijn, dat de muilezel nu naar het kamp moest dragen, en dat daar met groot gejuich ontvangen werd.
Tegen den middag verschenen eindelijk de canoëros; aanstonds vroeg ik hun, hoe ver zij met hun arbeid waren gevorderd. De timmerman antwoordde met zekere verlegenheid, dat de kano nog niet klaar was; dat zij verschillende boomen hadden omgehakt, die later bij de bewerking bleken ongeschikt te zijn voor de vervaardiging van de canoa: dat was een ongeluk, en niet hunne schuld; maar binnen eenige dagen zouden zij met hun werk gereed zijn. Ik volgde hen naar hunne werkplaats, omstreeks een mijl stroomafwaarts: ik vond daar inderdaad twee boomen op den grond liggen, waarvan de een, in ruwe omtrekken, de gedaante van eene kano vertoonde, maar nog geheel uitgehold moest worden. Hadden de werklieden zes dagen noodig gehad, om het zoover te brengen, dan hadden zij er minstens nog acht noodig, om het werk te voltooien. Blijkbaar hadden zij hun tijd verbeuzeld met jagen en visschen en luieren, en hadden zij zich niet om mij bekommerd.
Maar een oponthoud van acht dagen was onmogelijk, Bladzijde 156want de levensmiddelen slonken ziender oog, en hoewel ik den voorraad voor veertig dagen had berekend, zou hij ter nauwernood voor twintig toereikend zijn. In alles behalve opgewekte stemming keerde ik naar het kamp terug, niet wetende wat te doen. Ik kon wel den oever der rivier volgen tot tegenover de ruïnen, die aan de overzijde lagen: daartoe moest een pad van omstreeks twintig kilometers lengte door het woud worden gebaand en vervolgens een vlot getimmerd om de rivier over te steken. Maar ik kon dan slechts een gedeelte van mijn materieel medenemen; en bovendien, zouden de manschappen mij willen volgen? Zij en de muilezels waren slechts gehuurd tot den paso Yalchilan, en zeer vermoedelijk zouden zij weigeren verder te gaan, want zij zijn van niets zoo afkeerig als van arbeid, meer dan strikt noodig is.
Terwijl mijne blikken daar over die breede, snelvlietende rivier dwaalden, ontdekte ik, stroomopwaarts, een vaartuigje, waarin een onbekende zat. Hij was gekleed met een lang hemd en liet zich met den stroom afdrijven, terwijl hij zich met een palmblad tegen de zonnestralen beschermde. Maar niet zoodra had de Lacandon—want het was een Lacandon—ons bespeurd, of hij greep zijne pagaai en wendde zijne boot. Gelukkig verstond een mijner manschappen zijne taal; hij riep den cayuco toe, en beloofde hem allerlei moois, als hij bij ons wilde komen. De Indiaan kwam: het was een grijsaard, gehuld in eene lange tuniek of hemd met wijde mouwen; hij drukte mij glimlachend de hand en ging mede naar het kamp, schuw rechts en links omziende. Behalve zijne van grof katoen gemaakte tuniek, droeg hij om het hoofd een doek van dezelfde stof; om zijn hals hing eene reusachtige ketting, bestaande uit twintig rijen zaden, glaskralen, tanden van dieren en eenige muntstukken; in de hand hield hij zijn boog en pijlen.
De grijsaard was gelukkig een opperhoofd: ik liet hem de geschenken zien, die ik voor hem en de zijnen had medegebracht: bijlen, sabels, katoenen stoffen, messen, zout en vischtuig. De oude man was geheel verbluft, en verzekerde dat hij zijne onderdanen met mij in aanraking zou brengen. Mijn tolk vroeg hem, of hij ons kanos kon leenen: hij had er twee, en de tolk ging dadelijk met hem mede, om de booten te halen. Het was niet veel, maar toch altijd beter dan niets.
Den volgenden morgen had ik eene vreemde ontmoeting. Ik stond aan den oever der rivier, uitziende naar de kanos, toen ik eensklaps eene vrij groote boot zag verschijnen, waarin drie mannen, die geen Indianen waren. Van waar kwamen zij, en waar gingen zij heen? Een bittere gedachte schoot mij eensklaps door de ziel: deze mannen behoorden tot eene andere expeditie, die mij vóór was geweest. Dat was het gevolg van mijn lang oponthoud te Ténosiqué!
Ik riep de boot aan, die aan den oever kwam, en ik vernam van die onbekenden, dat zij levensmiddelen hadden gevraagd bij de Lacandons, maar niets hadden kunnen krijgen dan tomaten, en verder dat zij naar de ruïnen terugkeerden, waar zich een zekere don Alfredo bevond.
“Wie is don Alfredo? vroeg ik aan een der mannen.
—Wel, antwoordde hij, dat is don Alfredo.
—Heel goed: maar wat voert hij daar in de ruïnen uit?
—Hij wandelt.
—Met u hoevelen zijt gij?
—Wij zijn met ons zestienen, en wij hebben geen levensmiddelen meer.
—Hebt gij nog eene andere kano?
—Ja, wij hebben er nog een groote.
—Welnu, zeide ik, ik heb levensmiddelen.” Daarop mijne manschappen roepende, liet ik naar de kano de helft van een wild zwijn, een zak met tasajo, rijst en beschuit brengen.
“Ziedaar levensmiddelen voor u en voor uw meester: gij zult drie lieden van mijn volk medenemen, en don Alfredo verzoeken, dat hij mij morgen zijne groote kano zende. Hier is mijn kaartje, dat gij hem moet ter hand stellen. Gaat nu en keert zoo spoedig mogelijk terug!”
Ik begon nu dadelijk toebereidselen voor mijn vertrek te maken; maar ik had niet gerekend op de koorts, die mij juist des morgens aantastte. De aanval was zeer hevig; ik ijlde en was geheel machteloos. Zoodra de crisis voorbij was, nam ik eene goede dosis quinine en ging een paar uren rusten. De kano kwam; en hoe ziek ik ook was, liet ik mij toch aan boord dragen; zes onzer Indianen met Lucien gingen mede. De anderen bleven achter onder de hoede van Julien. Mijn hoofd gloeide; slechts met groote moeite kon ik blijven zitten; alles werd mij groen en geel voor de oogen. De sterke stroom voerde ons mede, en na eene vaart van drie uren kwamen wij aan een grooten steenhoop, die op de rotsen aan den linkeroever der rivier was opgericht. Wij waren ter plaatse onzer bestemming. Met een kloppend hart ging ik aan wal; een der Indianen, die wij daar aantroffen, was bereid mij als gids te vergezellen; wij togen het bosch in, om don Alfredo op te zoeken.
Wij hadden nauwelijks driehonderd ellen afgelegd, toen ik een rijzig jonkman naar mij toe zag komen, in wien ik aanstonds een Engelschman herkende. Wij gaven elkander de hand; hij had op mijn kaartje mijn naam gelezen, dien hij kende; hij noemt mij den zijnen: “Alfred Maudsley, van Londen”; en ziende dat ik van mijne verbazing nog niet bekomen was, voegde hij er aanstonds bij:
“Maak u niet ongerust over mijne tegenwoordigheid: een bloot toeval heeft mij eer dan u naar deze ruïnen geleid; het omgekeerde had evengoed kunnen gebeuren; ik ben geen mededinger, en gij hebt niets te vreezen. Ik reis eenvoudig voor mijn pleizier; gij zijt een geleerde, en de stad komt u toe; geef haar een naam; onderzoek, maak teekeningen en kopieën, zoo veel ge wilt; gij zijt hier te huis. Ik ben niet van plan, iets te schrijven of uit te geven; maak des noods geene melding van mij, en behoud uwe ontdekking geheel voor u zelven. En laat mij u nu tot gids mogen verstrekken; ik heb een paleis laten gereed maken, en uwe woning wacht u.”
Bas-relief te Lorillard.
Deze kieschheid trof mij zeer; maar ik mocht Bladzijde 158het voorstel van mijn nieuwen vriend niet aannemen: aan ons beiden komt de eer toe der ontdekking van deze nieuwe stad, waar wij te zamen hebben gearbeid, en waaraan ik den naam heb gegeven van Lorillard, ter eere van den edelmoedigen man, die voor een deel de kosten mijner expeditie wilde dragen. De stad ligt op den linkeroever van de Usumacinta, in een soort van neutraal terrein tusschen Guatemala en de twee mexikaansche provinciën Chiapas en Tabasco. Zij werd voor omstreeks twaalf jaren ontdekt door een zekeren Suarez en sedert bij herhaling door de monteros bezocht.
Het is zeer moeilijk, zich rekenschap te geven van den juisten omvang der stad en van het aantal gebouwen; de bodem is zoo dicht begroeid, dat een nauwkeurig onderzoek onmogelijk is, althans met de gebrekkige middelen, waarover men ter plaatse beschikken kan. Maar voor zoo ver men naar vergelijking mag oordeelen, moet de stad Lorillard, als alle indiaansche steden, waarvan wij reeds gesproken hebben, hebben bestaan uit een vijftien- of twintigtal verschillende monumenten, tempels en paleizen, woningen van den cacique en de voornaamste hoofden, omgeven door de hutten van de lieden uit de volksklasse en de slaven. Deze monumenten verrijzen op terrassen, ongeveer twintig ellen van de rivier verwijderd, en verheffen zich vervolgens, amphitheatersgewijze, op natuurlijke heuvelen, die de bouwmeesters benuttigd hebben, en die zij in esplanaden hebben verdeeld, welke door muren worden gesteund en van trappen zijn voorzien.
De schikking is geheel dezelfde als te Palenqué; de tempels en paleizen zijn minder talrijk en minder aanzienlijk; zij zijn ook ruwer bewerkt, schoon men over dit laatste misschien niet juist kan oordeelen, omdat de geheele uitwendige dekoratie, die uit cement bestond, is verdwenen.—Het eerste monument dat wij bestudeeren is een tempel, die op eene pyramide van ongeveer honderd-twintig voet hoogte is gebouwd. Ik noem dit gebouw een tempel, omdat het een groot steenen afgodsbeeld bevat, benevens verscheidene nissen, waarin kleinere beelden moeten gestaan hebben, want de wanden zijn zwart van den rook der offeranden.
Het hoofd van het beeld is van den romp gescheiden en het gelaat is deerlijk geschonden, maar toch behoort het beeld tot het schoonste, wat wij tot dusver in Tabasco en Yucatan gezien hebben. Het stelt een mannelijk wezen voor, zittende op oostersche wijze, met de beenen onder het lijf gevouwen en de handen rustende op de knieën; de kalme, waardige houding doet u onwillekeurig aan Boeddha denken. Op het hoofd draagt het beeld een reusachtig, monsterachtig kapsel, dat de gansche figuur verplettert. De kleeding is rijk versierd met kralen en parelen en drie groote medaillons, twee op de schouders en een op de borst.
Rondom het beeld en in ieder vertrek van den tempel vindt men eene menigte vazen van grof aardewerk en in vorm meest overeenkomende met ondiepe kommen; de randen zijn met gedrochtelijke menschenhoofden versierd. Deze vazen werden gebruikt voor het ontsteken van reukwerk; wij vinden ze terug in alle gebouwen die voor de eeredienst bestemd schijnen geweest te zijn.
Achter dien tempel en op eene veel hoogere pyramide, vindt men het belangrijkste monument van de stad Lorillard. Op eene ruime esplanade stonden daar, in een rechthoek, zes paleizen, waarvan er nog maar een gedeeltelijk in wezen is. De andere gebouwen zijn niet meer dan vormelooze puinhoopen. Dit paleis was misschien de woning van den vorst of eene soort van vesting; in ieder geval was het prachtig gelegen. Van het terras of de esplanade had men een heerlijk uitzicht; en op nieuw bewonderde ik den praktischen zin van deze bouwmeesters. De pyramiden, waarop zij hunne paleizen plaatsten, waren eene werkelijke behoefte in dit heete en ongezonde land: deze manier van bouwen bezorgde frissche lucht en was tevens eene verdediging tegen de muskieten en andere insekten; en bovendien, welk een prachtig panorama ontplooide zich voor de oogen, bij morgen en avond, over de omringende heuvelen, over de rivier, over de tuinen en plantages aan de overzijde, en aan den anderen kant, naar het zuiden, over de wijde vlakte, aan den horizon begrensd door de schemerende lijnen van de Cordillera.
Het paleis, dat wij bewonen, ligt lager en dichter bij de rivier. Het was meer vervallen en geschonden dan de tempel en droeg sporen van dezelfde versiering; maar de constructie scheen slordiger. De deuren zijn van verschillende afmetingen, en de posten zijn nu eens, zonder schijnbare reden, recht, dan weer scheef geplaatst; ook is de verdeeling der openingen en der nissen zeer onregelmatig. Van binnen is dit paleis een ware doolhof van smalle gangen en kleine vertrekken; in het achterste gedeelte, in een donker souterrain, waarheen een sterk glooiende gang afdaalt, bevinden zich twee smalle zalen, die tot aan de zoldering met steen en gruis gevuld zijn; naar ik vermoed, zijn dit graven. Althans te Palenqué vond ik in dergelijke vertrekken, geraamten en vazen. Het gebouw is twintig ellen breed en zestien diep.
Ik heb reeds vroeger gesproken over de gebeeldhouwde deurposten, in steen of in hout, die ik in de meeste steden van Yucatan, onder andere ook te Chichen, heb aangetroffen; maar de schoonsten vond ik te Lorillard. Mijne lezers mogen zich daarvan overtuigen door de afbeeldingen van twee dezer kleine monumenten op bladz. 157 en 160.
Het kleinste maakt deel uit van den bovendrempel van de middelste poort des tempels; het paneel heeft een lengte van een el twaalf duim bij eene breedte van twee-en-tachtig duim. In het midden zien wij twee figuren, beiden het hoofd gedekt met hooge myters met vederen versierd; evenals bij het afgodsbeeld, waarvan ik hierboven sprak, zijn hunne schouderen bekleed met een korten mantel met paarlen en medaillons en lange franjes getooid; een rijk versierde maxtli omgordt hunne heupen en hunne voeten zijn in laarzen gestoken, met lederen riemen bezet.—Deze twee figuren, van verschillende grootte, schijnen een man en eene Bladzijde 159vrouw te moeten voorstellen; uit hunne houding zou men moeten opmaken, dat zij eene godsdienstige handeling verrichten. De grootste heeft in iedere hand een kruis, de kleinste alleen in de rechterhand. Het zijn gewone, zoogenaamde latijnsche kruisen, waarvan de armen met bloemen zijn versierd en die van boven zijn gekroond met een symbolieken vogel. Ik meen in deze voorstelling den god Tlaloc te herkennen, den god van den regen en de vruchtbaarheid, wiens symbool een kruis was; te Palenqué vinden wij dien god op dezelfde wijze voorgesteld.
Het tweede bas-relief (bladz. 157) is buiten kijf het merkwaardigste monument, dat wij in Amerika hebben aangetroffen, en dat inderdaad kunstwaarde heeft. Afgezien van het onmogelijk gelaatsprofiel der beide figuren—dat trouwens zuiver conventioneel is—zijn de twee beelden voortreffelijk van bewerking. De voorstelling draagt een godsdienstig karakter: wij zijn getuigen van eene offerplechtigheid. Een der personen, die in knielende houding, ongetwijfeld een priester, heeft zich een met doornen bezet touw door de tong gestoken. De staande figuur is evenzeer een priester, die, met een grooten palmtak in de hand, den martelaar schijnt aan te moedigen. Nu weten wij dat de Mexikanen zich zelven op de gruwelijkste manier pijnigden; dag en nacht vergoten zij hun bloed in de tempels, ter eere der goden. Torquemada deelt ons daaromtrent het volgende mede, sprekende over de martelingen, die de priesters van Quetzalcoatl zich zelven aandeden:
“Ziehier de martelingen, die de priesters van Camaxtli te Tlascala en die van Quetzalcoatl te Cholula zich zelven oplegden. De priesters kwamen bijeen onder het voorzitterschap van den oudste hunner, achcantli genoemd; en na een vijfdaagsche vasten, met verschillende boetedoeningen gepaard, sloot men hen op in den voornaamsten tempel van Camaxtli, waar zij eene menigte stokken met zich namen, zoo lang als een arm en zoo dik als een vuist ongeveer; dan kwamen timmerlieden, die vijf dagen gevast en gebeden hadden, om deze stokken, volgens aanwijzing, tot zeer dunne staafjes te maken, waarna men hun buiten den tempel te eten gaf; vervolgens kwamen de werklieden, die messen van obsidiaan moesten maken, en zij vervaardigden een aantal messen, waarmede de tongen der priesters moesten worden doorboord, en zij legden die neder op een witten doek.
“Daarna volgden gebeden; en als de oude en de jonge priesters te zaam gekomen waren en gereed voor de offerande, boorde de bekwaamste onder de werkmeesters hun met een mes een groot gat in de tong.
“Aanstonds stak nu de voornaamste achcantli in zijne doorboorde tong meer dan vier- of vijfhonderd van die staafjes, die de timmerlieden gemaakt hadden; de andere oude priesters deden desgelijks, en diegenen onder de jongeren, die den meesten moed hadden, volgden hun voorbeeld na.
“Als deze afschuwelijke operatie volbracht was, trachtte de oudste, die als hoofd gold, ondanks de duldelooze pijn, te zingen, om de jongeren aan te moedigen tot het volbrengen der ceremonie.”
Ons bas-relief stelt ons dus zulk eene offerande aan Quetzalcoatl of Cuculcan voor, en de tempel, die met deze beeldwerken prijkte, was aan dien god gewijd.
Eene bijzonderheid, die de geschiedschrijver aan het slot van hetzelfde hoofdstuk vermeldt, geeft ons de verdere verklaring van het bas-relief.
“Gedurende dien vastentijd—zegt Torquemada—begaf de voornaamste achcantli zich naar de steden en de dorpen, om de lieden te vermanen tot de voorbereiding van het groote offerfeest; en tot teeken droeg hij in de hand een grooten groenen tak.
Dit is duidelijk genoeg. Daar staat de priester met den palmtak in de hand, waarvan de bladeren rusten op het symbolische teeken van den wind, waarmede Quetzalcoatl zoo dikwijls wordt afgebeeld. Wij vinden dus te Lorillard de eeredienst van Tlaloc en van Quetzalcoatl, de godheden der Tolteken, ook door de Azteken vereerd, en wier dienst in de veroverde landen werd ingevoerd.
Ons bezoek aan de stad Lorillard, waarvan de indiaansche naam mij onbekend is, was hiermede afgeloopen. Niet dan met spijt verliet ik deze nieuwe stad, waar ik mij gaarne langer had opgehouden, want ik was er zeker van, dat er nog vele nieuwe en misschien belangrijke ontdekkingen waren te doen. Anderen, in gunstiger omstandigheden verkeerende, zullen de aangevangen taak, naar ik vertrouw, voltooien en ook de monumenten op den rechter oever opsporen, van welker bestaan ik mij verzekerd houde, maar die ik niet heb kunnen vinden.
Wij gaan weer aan boord, en hebben bijna een ganschen dag noodig, om stroomopwaarts den afstand af te leggen, dien wij, de rivier afzakkende, in drie uren hadden afgelegd. De stroom is zoo sterk, dat somwijlen onze manschappen, die de kano voorttrekken, worden meegesleept; echter komen wij toch vooruit.
Ik hoopte te Yalchilan de Lacandons te vinden, die men mij had beloofd; zij waren er echter niet, maar het oude opperhoofd had iederen dag een bode gezonden om te vernemen of wij reeds waren teruggekeerd; de geschenken, die ik hem had toegezegd, hadden te zeer zijne begeerlijkheid opgewekt, dan dat ik vreesde dat hij zijn woord niet zou houden. Den volgenden morgen verscheen hij ook in het kamp met zijne twee vrouwen en vier jongelieden. Zij waren allen op dezelfde wijze gekleed: zij droegen een soort van lang wijd hemd of tuniek met korte mouwen; dit kleedingstuk van grof katoen is zeer plooibaar en wordt door de vrouwen geweven. Deze tunieken vertoonden roode vlekken, die ik eerst voor slijkspatten hield; later bleek mij, dat zij bij wijze van versiering moesten dienen, en dat de verfstof, waarmede deze ornamenten worden aangebracht, uit de beziën van een struik wordt getrokken, waarvan de naam mij onbekend is. Daar zij de kunst niet verstaan, om het geheele kleedingstuk te verven, maken de Lacandons er deze roode vlekken op; ik vermoed dat dit een bijzonder privilege is van het opperhoofd en zijne vrouwen, want de hemden van de jongelieden vertoonen geen spoor van de versiering. Bladzijde 160
Mannen en vrouwen dragen om den hals zware kettingen, vervaardigd van verschillende zaden, tanden van apen en wilde zwijnen, nagels van vogels en muntstukken. Hunne lange, ongekamde ruwe haren hangen in wanorde om hun hoofd en hals; de vrouwen steken daar een paar arendsvederen in. Zoowel aan de hemden als aan de halskettingen schijnen zij bijzondere waarde te hechten, want al mijne pogingen om een dezer voorwerpen machtig te worden, waren vruchteloos; daarentegen waren zij aanstonds bereid, mij hunne pijlen en bogen af te staan.
De Lacandons bedienen zich nog van steenen bijlen, waarmede zij de boomen omhakken, als zij in het bosch een plek willen bebouwen. Met de grootste dankbaarheid namen zij evenwel de stalen bijlen, de sabels en messen aan, die ik hun ten geschenke gaf, benevens zout, waaraan zij gebrek hebben en dat zij zeer gebrekkig vervangen door de asch van eene zekere houtsoort.
Bas-relief te Lorillard.
De Lacandons zijn baardeloos, van middelbare gestalte en welgemaakt; eene van de vrouwen is zelfs mooi te noemen: maar te oordeelen naar hunne fletsche kleur en bleeke lippen, schijnen allen aan bloedarmoede te lijden, hetgeen mede een gevolg kan zijn van hun leven in de donkere, vochtige bosschen. Zij spreken de oude taal der Mayas, en leven van de jacht, de vischvangst en het bebouwen hunner kleine akkers. Hunne hutten zijn zindelijk, en men vindt er altijd een voorraad van tabak en katoen, van maïs en vruchten; zij hebben geen aardewerk, maar behelpen zich met kalebassen. Hunne voorvaderen stonden, voor den ondergang van hun volk, op vrij wat hooger trap van beschaving. Bladzijde 301
Tempel vau Tikal.