WeRead Powered by ReaderPub
Reisbrieven uit Afrika en Azië / benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen cover

Reisbrieven uit Afrika en Azië / benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen

Chapter 67: Op Java.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of travel letters documents extended journeys through Scandinavia, southern and eastern Africa, the Middle East, South and Southeast Asia, and East Asia, offering on-the-spot descriptions of landscapes, cities, transport and everyday encounters. The accounts combine reportage of itineraries and quarantine episodes with reflective observations on social customs and public life, repeatedly focusing on the situation and emerging activism of women across diverse regions. Entries also record meetings at international suffrage gatherings and visits to notable local figures, producing a chronological mosaic of impressions, practical travel detail, and commentary on cultural and institutional conditions.

Aan boord van de “Van Noort” en aankomst te Batavia.

Door een groote groep vrienden werd ons Woensdagmorgen in Deli uitgeleide gedaan, vrienden, die werkelijk niet noodig hadden door bloemen en souvenirs hun aandenken bij ons levendig te houden. Onze gedachten zullen zeker nog menigmaal naar Sumatra’s Oostkust teruggevoerd worden en met de grootste sympathie zullen wij gedenken allen, die wij daar ontmoet hebben. Mrs. Catt benijdt mijne, in dit opzicht, begunstigde positie, omdat ik mag hopen en verwachten allen vroeg of laat in het vaderland terug te zullen zien; maar op hare verzuchting: “where and when shall I meet them again”, kon ik moeilijk het juiste antwoord geven.

De Koninklijke Paketvaartmaatschappij had juist deze week niet haar beste schuit in de vaart; wij moesten ons met de “Van Noort” tevreden stellen, een boot, die ik het best kan definieeren door de mededeeling, dat zij weldra aan de vaart, ten minste op deze zijlijn, zal worden onttrokken; en dat is goed ook. Deze boot strekt de maatschappij niet tot eer; het is niets te vroeg, dat er een andere voor in de plaats komt. Laat ik hopen, voor de reizigers, die na mij komen, dat dan op de keuken en wat daaruit te voorschijn komt, een ander toezicht wordt uitgeoefend. Het lijkt nu allemaal te veel op de menage van een welgestelde burgerhuishouding uit Groningen’s of Friesland’s achterhoek, in plaats van op de tafel van een eerste-rangshotel, waarop men als eerste klasse-passagier toch min of meer aanspraak mag maken. Zuurkool met spek, snijboonen met worst, hutspot met wortelen en uien, dikke erwtensoep met varkenskluifjes en zulke schotels meer, mogen onze Hollandsche kelen strelen als wij ’s winters een flinken tocht op schaatsen achter den rug hebben en bij onze Hollandsche oud-Indische gasten een aangename herinnering wekken aan moeders pappot, maar bij een temperatuur van 90 gr. Fahrenheit en hooger en dan voor Fransche, Engelsche, Amerikaansche en andere toeristen, die aan zulk eten heelemaal niet gewend zijn, is zulk een menu, middag na middag, eenvoudig ongenietbaar en onverteerbaar. Als mede-passagier hoort men de gegronde klachten daarover in den regel meer en krachtiger uiten dan de directie van de maatschappij, of de hoofdpersonen op het schip. Om die reden wil ik er hier melding van maken.

De reis tusschen Deli en Batavia is een zeer aangename, omdat die vol afwisseling is. Men is op zee, doch men ziet nog iets anders dan lucht en water. Onophoudelijk gaat men links en rechts tusschen de vele eilandjes door, die in de straat Singapore, in de Chineesche Zee, de straat Banka en andere straten voorkomen en die met het bloote oog zeer duidelijk te zien zijn. Met een goeden kijker kan men zelfs de vegetatie op de meeste dier eilandjes zeer goed vaststellen., Ook biedt het oponthoud in Singapore een interessante afleiding. Wij kwamen daar Donderdag tegen den avond aan en gingen direct na het eten met den kapitein en een ander heer als geleiders eenige uren aan wal. De stad lag echter zoo in het duister, dat er niet veel te zien viel. Alleen een rijtoer langs de haven, met de tallooze schepen van heinde en ver, alle voorzien van de noodige lichten, bood een mooi gezicht. Vrijdagmorgen gingen wij, met de drie andere dames, die met ons de reis van Deli gemaakt hadden, reeds om zeven uur aan wal om gezamenlijk de stad te doorkruisen. Vijf rickshaws waren spoedig genomen en toen gingen wij in gezelligen optocht alle bijzonderheden van de stad zien, een bezoek brengen aan de botanische tuinen, die in deze tropische steden altijd een bezoek overwaard zijn, de Singapore’sche waterwerken bewonderen en toen naar den weg, die naar het Chineesche kerkhof leidt. Het was voor de Chineezen een soort heilige dag, een dag, die aan de dooden gewijd wordt. Het kerkhof was te ver af, dat konden wij niet meer bereiken, doch op den grooten weg daarheen zagen wij onophoudelijk een dichten drom Chineezen, mannen, vrouwen en kinderen, in automobielen, eigen rijtuigen, gharries of rickshaws gezeten, allen voorzien van de vele verschillende offeranden, die ter eere der dooden op hun graf verbrand zouden worden. Wat wij daar hebben zien heendragen, zou genoeg zijn om een geheel dorp weken lang te onderhouden. Speenvarkens of dieren, die er heel veel op gelijken, zagen wij geheel gevild en met een rijstrand en andere ingrediënten voorzien, keurig opgemaakt, herhaalde malen ons voorbij trekken. Taarten, vruchten, groenten, visch, vleesch, doch ook stukken huisraad, doeken en shawls, en vooral tallooze bundels goud- en zilverpapier met spreuken, aan de dooden gewijd, waren alle bestemd om verbrand te worden, om de geesten der lieve afgestorvenen van stoffelijk en geestelijk voedsel te voorzien.

Singapore maakt bij avond en bij dag geen bijzonder aangenamen indruk. In de stad treedt het Chineezen-element sterk op den voorgrond en men voelt als bij intuïtie, dat men China en de Chineezen niet mag beoordeelen naar de exemplaren, die men in deze havenstad ziet. Vooral niet naar hetgeen spreekt uit de tronies der mannen en vrouwen, die in de straten nabij de haven wonen en die leven van hetgeen zij bemachtigen kunnen van de op zee verdiende centen van het lagere scheepsvolk. Opmerkelijk was het, hoe in Singapore bijna alle Chineezen hun staart hebben verloren, een bewijs, dat geen hunner meer twijfelt aan het voortbestaan der republiek, anders zouden zij wel wat voorzichtiger met dat kenteeken zijn geweest. Zonder staart hebben zij uiterlijk alle aantrekkelijkheid verloren en hebben vervelende, domme gezichten.

Toen wij om twaalf uur op het schip terugkwamen, leverde het dek van de boot een voor ons geheel nieuw gezicht. Wij hadden in Singapore tal van medereizigers verkregen, zoodat elke hut geheel gevuld was, en alle scheepsofficieren zelfs hunne hutten hadden moeten afstaan. Ons gezelschap, dat eerst hoofdzakelijk Hollandsch was, was nu opeens zoo cosmopolitisch mogelijk geworden. Heeren en dames van alle natiën zouden de 36 uren, die ons nog van Batavia scheiden, de boot met ons deelen. Ik kwam al ras tot de ontdekking, dat het toch wel goed was, dat er een gedrukt voorschrift, in drie talen, in een van de salons hing, hoe men zich op het schip heeft te kleeden en te gedragen. Toen ik dat voor het eerst zag, kon ik een glimlach niet onderdrukken, maar nu begon ik het toch te apprecieeren. Een Hollandsche gravin, die Fransch sprak, en Hollandsch vloekte; eene Fransche baronne, samen met een Belg, die zich voor Franschman uitgaf; eenige Engelsche jockey’s op weg naar Australië; en nog vele van die interessante typen meer, die ik niet nader wil aanduiden, vormden den groep nieuwe eerste klasse passagiers.

Op Banka legden wij even aan, om de mail aan boord te nemen, een paar koelies aan wal te laten gaan en om een geëmployeerde van Muntok even gelegenheid te geven, eenige formaliteiten uit te voeren. Het was jammer dat dit alles slechts minuten duurde en er van een aan wal gaan geen sprake kon zijn. Ik had zoo graag even een kijkje genomen op het eiland, dat ons zoo braaf van tin voorziet.

De vier dagen aan boord van de “Van Noort” gingen snel, veel te snel om, want niet alleen dat de reis gezellig en vol afwisseling was, maar ook de frissche zeelucht koelde de temperatuur genoegzaam af, om het ons des daags op het dek en des nachts in de hut héél aangenaam te maken.

In plaats van Zondagmorgen bij het ochtendgloren in Tandjong Priok vastgemeerd te liggen, zooals ons voorspeld was, hadden de goedgeloovigen, die al om 6 uur klaar stonden, om aan wal te gaan, nu gelegenheid eerst te genieten van het mooie gezicht op de Duizend Eilanden, waarvan vooral Edam, met zijn grooten vuurtoren, en met een zee van geel morgenlicht overgoten, heerlijk groen tegen den blauwen horizon afstak. Het eene eilandje voor, het andere na, dook uit de zee op, tot wij eindelijk de haven van Priok in het gezicht kregen. Het was werkelijk niet alleen mijn Hollandsch hart, dat sprak, het waren de frisch groene oevers, groen in velerlei kleurschakeering en frisch door de pas afgeloopen plasregens, die met het rood en zwart van de nieuw geverfde schepen in de haven een zoo vroolijk en vriendelijk geheel vormden, dat zij mij van verre reeds den indruk gaven, alsof Batavia ons tegenlachte en die ons den vriendelijksten welkomstgroet boden, die ons tot nog toe uit een van de vele havens die wij reeds op onzen reis aandeden, gewerd. “O, kijk eens, hoe heerlijk frisch en vriendelijk de haven er uit ziet,” riep ik mijn reisgezellin, die minder vertrouwend op de voorspellingen van aankomst eener boot haar morgenslaap niet te vroeg had onderbroken, door het hutvenster toe. Zij lachte even; zij plaagt mij reeds lang, dat ik in Java alles van te voren reeds naar mijn hart vindt, doch toen zij eindelijk toch bovenkwam, moest ook zij toegeven, dat dit de vriendelijkste haven was, die wij tot nog toe aandeden.

Maar toen gebeurde iets, dat een schaduw goot over mijn trotsch Hollandsch hart. Toen wij ten slotte vastgemeerd aan den steiger lagen, klonk het kapiteinlijk bevel, dat niemand van boord mocht gaan en niemand aan boord mocht worden toegelaten, vóór dat alle eerste- en tweede-klasse passagiers voorzien waren van “een toelatingskaart in Java”. Dat is wat nieuws, en eerst met 1 April 1912 ingevoerd. Niemand mag een schip verlaten, om in Java aan land te gaan, zonder voorzien te zijn van een bewijs, dat hij of zij.... ja, wat eigenlijk is. Als men in Indië geboren of Nederlander is, dan krijgt men zoo’n bewijs voor niets, alle anderen hebben voor dat papiertje ƒ 25 te betalen. Dit geld kunnen zij weder terug ontvangen, als zij binnen zes maanden Java verlaten.

Op mijne aan verschillende personen, die het konden weten, gestelde vraag, wat deze maatregel beteekende, kreeg ik steeds ten antwoord, “om minder gewenschte elementen te weren”. Maar dat kan toch onmogelijk de reden zijn, want “minder gewenschte elementen”, die eerste en tweede klasse reizen, kunnen immers voor ƒ 25 een toelatingsbewijs koopen. Wil de regeering weten, nu de toeloop van toeristen in Java wat begint toe te nemen, wie de personen zijn, die het eiland doorkruisen, dan kan zij elken nieuweling een vragenlijst laten invullen, zoodat men alle bijzonderheden (als zij ten minste naar waarheid zijn ingevuld) van de tijdelijke of blijvende gasten kent, maar om een sommetje van ƒ 25 te vragen van elken niet-Nederlander, die Java binnentreedt, lijkt mij een regeeringsmaatregel, die toont, “dat een klein land in kleine zaken heel klein kan zijn.” Bovendien veroorzaakt deze maatregel een oponthoud van vele uren, uren, die men daar op het schip wachtende moet doorbrengen, totdat allen zoo’n toelatingsbewijs ontvangen hebben, en dat op een oogenblik, dat naaste familieleden daar beneden aan wal staan te wachten, hunkerend naar het oogenblik van wederzien; uren, die mannen van zaken ontstolen worden van hun duren tijd, die dikwijls met zoovele malen vijf en twintig gulden niet te betalen zijn. Was het wonder, dat elkeen mopperde over dezen maatregel en elkeen overtuigd was, dat het onmogelijk is, dien op den duur te handhaven. Wij, op dit betrekkelijk kleine schip, hadden daardoor reeds een zoo lang oponthoud, maar hoe zal dat zijn als de groote schepen met een paar honderd passagiers aan boord binnenkomen! En al die last en moeite voor een imaginair voordeel!

Toen wij eindelijk verlof kregen om het schip te verlaten, vonden mrs. Catt en ik daar beneden aan den steiger een vijftal dames, bestuursleden van de ledengroep in Ned.-Indië, om ons te verwelkomen. Drie lieve hoogere burgerscholiertjes, evenals de dames bestuursleden in wit gekleed, en met strikjes van de vrouwenkiesrechtkleuren getooid, boden mrs. Catt en mij elk een bouquet aan van witte chrysantemums en goudgele bloemen, ook daarin zich strikt houdende aan onze eigen kleuren. Een heer, de heer Nittel, was zoo vriendelijk geweest de dames te vergezellen en ons in alles, maar voornamelijk met de bezorging van onze bagage, van grooten dienst te zijn. Eenmaal in Tandjong Priok aan wal gestapt, waren alle zorgen ons ontnomen, voor alle gebeurlijkheden had men voorbereidende maatregelen getroffen, wij hadden slechts in den gereedstaanden trein te stappen om met het heele gezelschap in een gereserveerden waggon, naar Batavia te sporen.

Ook daar was reeds voor alles gezorgd. In het Hotel der Nederlanden was een mooi paviljoen voor ons afgehuurd en daar vonden wij een grooten standaard van witte en goudgele bloemen van de bestuursleden, een groote mand bloemen in dezelfde kleuren van de presidente en bovendien nog een zeer mooie mand bloemen van eenige oude vrienden uit het vaderland. Een baboe, die ons gedurende ons verblijf hier is toegevoegd, zorgde voor de ontpakking onzer koffers; wij konden ons in de koele voorgalerij nederzetten om even van onze bewondering en verwondering te bekomen. Want lang liet men ons niet met rust. Reeds spoedig kwamen de reporters van verschillende couranten ons interviewen om van onze reiservaringen te vernemen en over onze reisplannen in Java het nadere te hooren. Maar ’t was gelukkig de eerste Paaschdag en er viel daarom voor ons op dien en den volgenden dag niet veel te doen. Om half zes ’s avonds kwam mijne zuster, de apothekeres Charlotte Jacobs, die reeds bijna 30 jaren in Batavia woont, ons afhalen voor een rijtoer, die echter na korten tijd onderbroken moest worden door de hevige stortbuien, die ons plotseling overvielen. Den kalmen Maandag, die ons nog van de zeer drukke voor ons liggende week scheidde, gebruikten wij om het Museum van Batavia te bezichtigen. Wij vertoefden er van ’s morgens half tien tot twaalf uur en zijn nog lang niet half dit buitengewoon belangrijk museum van Indische kunst en oudheden door. Wij hopen er nog een anderen heelen morgen heen te gaan.

Op onze geheele reis hebben wij nergens verzuimd de musea te bezoeken, doch eene zoo belangrijke, leerrijke en kostbare verzameling als in het museum te Batavia, hebben wij nergens aangetroffen. De dochter van den directeur, mej. Tine Prange, had de goedheid ons dit interessant gebouw rond te leiden en ons op alle bijzonderheden opmerkzaam te maken. Zij was wel de meest gewenschte persoon, die wij voor dat doel konden treffen, want niet alleen is zij in het museum, waar haar vader de scepter voert, geheel tehuis, maar zij is zelf de bezitster van eene zoo belangrijke en kostbare verzameling van oud-Indische kunst, dat men ook aan hare particuliere collectie eenige interessante uren kan besteden. Deze veelzijdig ontwikkelde vrouw, die met zeer veel verstand en overleg een eigen verzameling opbouwt, is haar vader in zijn veel omvattend werk een groote steun.

Allerzonderlingst keek ik op, toen ik vernam, dat het museum in Batavia, met zijn kostbaren en belangrijken inhoud, geen nationaal bezit is, doch dat het opgebouwd en in stand gehouden wordt door eene vereeniging, wier leden eene jaarlijksche bijdrage leveren of een contributie betalen. Van het al of niet voortbestaan van zoo’n vereeniging, van het al of niet in kas hebben van veel of weinig geld, hangt dus de in standhouding en den verderen opbouw van dit belangrijke museum af. Wordt het niet tijd, dat de regeering er toe overgaat deze kostbare verzameling te annexeeren en de in standhouding en uitbreiding te verzekeren, onafhankelijk van den wisselvalligen kasinhoud eener particuliere vereeniging?

Morgen begint ons werk hier en daar alles door de ledengroep van Batavia uitstekend is voorbereid, hopen wij op groote belangstelling.

Batavia, 9 April 1912.

Op Java.

I.

Laat mij eerst vertellen, hoe wij hier in Batavia gehuisvest zijn, want het hotelleven hier is in vele opzichten anders dan in Europa. Wij zitten dan met ons beidjes in een eigen huisje, een paviljoen genaamd. Daarin hebben wij een groote, luchtige slaapkamer met wat daarbij behoort, een binnenkamer en een voorgalerij. Van de voorgalerij hebben wij een ruim uitzicht over het Koningsplein. Denk niet, dat dit plein eenige overeenkomst biedt met dat in Amsterdam. Hier is het een onafzienbaar groote, groene weide met koeien en ander gedierte er in. Over den drukken en breeden grintweg, die ons van het plein scheidt, defileert Batavia’s bevolking voor onze oogen. Door kalmpjes in een luien stoel in de voorgalerij te gaan zitten, zien wij genoeg om onze gedachten bezig te houden en op een gemakkelijke manier het leven hier te bestudeeren. Twee keer daags, voor de hoofdmaaltijden, moeten wij eene wandeling van zoowat een halve mijl maken om naar het hoofdgebouw te komen, het overige van den dag merken wij van het hotelleven niets en zitten wij samen knusjes in ons eigen huis.

Nu eens deze, dan gene van de dames hier stelt zichzelf met haar auto voor een deel van den dag te onzer beschikking, zoodat wij in korten tijd veel hebben kunnen zien. Ik zal mij echter niet wagen aan eene beschrijving van Batavia, nu in den laatsten tijd zoovele literair hoog staande personen hunne pennen in dienst hebben gesteld van dit doel. Alleen wil ik deze opmerking maken. Hoe vele mooie lanen, hoe vele verrukkelijke plekjes, hoe vele belangrijke gebouwen Batavia ook bezit en hoe welvarend de geheele stad er ook uitziet, men krijgt toch telkens den indruk, dat Batavia nog niet af, nog in wording is. In dat opzicht verwekt Medan een beteren indruk.

Wij zijn thans een week in Batavia en hebben nu, om het zoo maar eens te noemen, de werkweek achter den rug. Wij blijven nog een week hier om verschillende inrichtingen van onderwijs te bezoeken, eenige sociale instellingen te zien en nog een avond te gaan spreken in Buitenzorg.

De werkweek, die achter ons ligt, vergde geen hard werk van ons en werd door heele prettige bijeenkomsten onderbroken, maar in een land zóó heet en in een klimaat, waaraan wij nog niet gewend zijn, en in een week, waarin ik familieleden en ook vrienden wederzag, die ik in vele jaren niet had ontmoet en in een stad, waar ik bij aankomst een groot pakket correspondentie uit Nederland op mij wachtende vond, twee avonden in de eerste week te vullen met spreken over vrouwenkiesrecht, deed ons toch wel een beetje opzien tegen dien plicht. Zij ligt nu gelukkig goed en wel achter ons.

Direct Dinsdag na de Paaschdagen, was er in Maison Versteegh een thee georganiseerd, waarop de heeren- en damesleden van de Vereeniging van Vrouwenkiesrecht alhier met ons en wij met hen konden kennismaken. De dames, die zich tot een feestcommissie of tot eene commissie van ontvangst geformeerd hadden, hadden voor dit doel de mooie bovenzaal artistiek versierd met groene en witte en goudgele bloemen en linten, zoodat alles in den toon was van onze vrouwenkiesrechtkleuren. Een groot aantal heeren en dames werd ons voorgesteld, vele van hen voor mij oude vrienden of bekenden uit het vaderland. Mrs. Catt won stormenderhand de harten van de aanwezigen en heeft in deze eene week in Batavia tal van warme vrienden gemaakt. Door de presidente van de ledengroep in Batavia, de apothekeres mej. Charlotte Jacobs, werd ons uit naam van de Nederl.-Indische leden een hartelijk welkom toegeroepen, waarop eerst mrs. Catt en daarna ik een korte toespraak hielden. Dat was het eenige officieele van dien dag, maar onofficieel in gezellige gesprekken, waarin wij dikwijls zeer wetenswaardige bijzonderheden vernamen van het leven op Java en van de verhoudingen tusschen de verschillende rassen, die hier leven, bleven wij zóó lang bijeen, dat het etensuur, dat hier zeer laat is, het ligt tusschen 8 en 9 uur ’s avonds, reeds verstreken was vóór allen uiteen gingen.

Woensdagavond was de groote voordrachtsavond. Daarvoor was de groote schouwburgzaal afgehuurd, die zich tegen 9 uur, niettegenstaande de bijna ondragelijke hitte, met heeren en dames uit alle rangen der hier levende Nederlanders zoo goed als geheel vulde. Behoorde er voor ons doorzetting en kracht toe om in die heete atmosfeer te spreken, niet minder energie werd er aan den dag gelegd door al die toehoorders, die tot aan het eind van den avond bleven zitten luisteren naar de bespreking van een zoo droog en nu langzamerhand zoo afgezaagd onderwerp als vrouwenkiesrecht. Door mej. Haarman, vice-presidente van de ledengroep alhier, werd deze vergadering geleid en werden wij tweeën aan het publiek voorgesteld. Mrs. Catt sprak over de internationale beteekenis van den strijd voor vrouwenkiesrecht en hoe door, of gepaard gaande met de nu ruim een halve eeuw bestaande beweging voor vrouwenkiesrecht, de positie van de vrouw in de maatschappij overal gaandeweg een andere, een betere is geworden. Dat zij met hare gloedvolle voordracht, hare klankvolle stem en hare sympathieke persoonlijkheid, elkeen voor zich innam en allen twijfel aan het goed recht van onze zaak overwon, behoeft voor wie haar kennen eigenlijk niet meer gezegd te worden.

Het is niet aanmoedigend en het vereischt eene groote mate van overtuiging, dat het moet, om na zoo’n spreekster te durven opstaan en voor dezelfde zaak op andere wijze een lans te breken. Ik gevoel dat telkens zeer sterk, als ik na Mrs. Catt het woord moet nemen om met andere argumenten ons goed recht te bepleiten. Voortgaande op hetgeen Mrs. Catt in groote, breede trekken begonnen was, schetste ik de evolutie der menschheid met betrekking tot de veranderde positie der vrouw, vooral met het oog op de Nederlandsche vrouw en toonde aan, dat onze verouderde wetten, die met deze evolutie geen gelijken tred hebben gehouden, den toestand in Nederland thans voor menige vrouw onhoudbaar hebben gemaakt. Nadat ik gesproken had, was er eenige oogenblikken pauze, waarvan vele aanwezigen gebruik maakten om de lijsten, die in eene bijzaal ter teekening waren neergelegd, voor hen, die als lid tot de vereeniging wenschten toe te treden, te teekenen.

Na de pauze werd gelegenheid tot debat gegeven, waarvan zoo goed als geen gebruik werd gemaakt. Toen werd geannonceerd, dat zij, die na langer nadenken toch nog bedenkingen hadden, deze schriftelijk konden indienen, en dat Mrs. Catt en ik genegen waren, die dan alsnog des Vrijdagsavonds te bespreken. Voor Vrijdagavond was een openbaar debat uitgeschreven, waar ieder met bedenkingen tegen de invoering van vrouwenkiesrecht voor den dag kon komen, waarop wij hadden te antwoorden. Van de gelegenheid om schriftelijke bedenkingen te mogen indienen, werd een ruim gebruik gemaakt, zoodat wij Vrijdagavond in de prachtig met bloemen en vlaggen versierde logezaal ruimschoots gelegenheid hadden, de ook bij ons bekende en eigenlijk overal gehoorde argumenten tegen vrouwenkiesrecht te weerleggen.

Mrs. Catt nam voor haar deel de drie bezwaren, die min of meer een internationaal karakter droegen en die daarop neer kwamen, dat vrouwen geen dienstplicht vervullen en daarom geen kiesrecht moeten hebben, dat vrouwenkiesrecht, waar het is ingevoerd, de vrouwen ook geen hemel op aarde gebracht heeft en dat de militante strijdsters voor vrouwenkiesrecht in Engeland deze zaak voor de vrouwen overal bederven. Hoog en breed vatte zij de weerlegging dezer argumenten op, wees aan, dat oorlogvoeren in den regel beteekent huis en haard beschermen tegen de indringing van vreemden en om de maatschappij, waarin wij leven gaande en staande te houden. Evenals in tijden van vrede, bestaat er ook in tijden van oorlog verdeeling van arbeid. De mannen trekken met het zwaard in de vuist ten strijde, de vrouwen blijven tehuis om huis en haard te beschermen en de productie in den staat voort te zetten, deze niet te doen stilstaan. Zouden in een land de vrouwen met de mannen uittrekken ten strijde, dan zou spoedig in zoo’n land alle voortbrenging stil staan en het voortbestaan van den oorlog onmogelijk maken. Zij wees er op, hoe Engeland onbewust dit de wereld heeft getoond door in den onrechtvaardigen Zuid-Afrikaanschen oorlog de vrouwen in de concentratiekampen op te sluiten en haar zoodoende te verhinderen verder te produceeren. Uit den mond van president Stein hadden wij vernomen, dat de Zuid-Afrikaansche vrouwen in één jaar tijds zooveel hadden voortgebracht, dat daarmede de oorlog drie jaren door de mannen kon worden staande gehouden, “maar”, zoo zeide de heer Steijn, “toen eenmaal onzen vrouwen de handen gebonden waren, moesten wij den strijd opgeven, was verder strijden nutteloos en noodeloos.” Dat vrouwen strijden kunnen en als het noodig is ook strijden willen, dat hebben zij in zoo menige episode in de wereldgeschiedenis bewezen; het komt er maar op aan, en dat houden zij steeds voor oogen, waar zij in een gegeven tijd en onder gegeven omstandigheden het meeste nut kunnen stichten.

Het tweede bezwaar, dat vrouwenkiesrecht nog nergens voor de vrouwen een hemel op aarde getooverd had, gaf zij grifweg toe, doch het had wel overal eene menigte andere goede zaken tengevolge gehad. De voornaamste gevolgen, gevolgen, die direct de geheele menschheid ten goede komen, gevolgen, die overal geconstateerd kunnen worden, waar vrouwenkiesrecht reeds eenigen tijd heeft bestaan, zijn in de eerste plaats het verhoogd zelfrespect der vrouwen, en eene verhoogde waardeering van den man, grooter belangstelling in de zaken van algemeen belang en de instaatstelling der vrouw om hare private en huiselijke belangen zelve te behartigen en zichzelf en haar gezin te beschermen op eene wijze, zooals alleen een politiek ontvoogde vrouw kan doen. Met enkele gegevens lichtte zij deze voordeelen toe.

Op de suffragette vraag antwoordde spreekster, dat deze vrouwen ongetwijfeld het vrouwenkiesrecht-vraagstuk hebben gediend en bevorderd, overal in het buitenland; dat het door haar optreden is, dat de aandacht op deze zaak overal gevestigd werd en het nu “het alles overheerschende vraagstuk” is geworden. Door haar gewelddadig optreden hebben zij de wereld wakker geschud en, ofschoon Mrs. Catt persoonlijk tegen geweld is en gelooft in een vredige oplossing van dit vraagstuk, meende zij toch de suffragettes niet te mogen onthouden de waardeering, waarop elk aanspraak heeft, die den moed zijner overtuiging niet alleen durft uitspreken, doch er ook voor wil strijden en lijden.

Ik had toen nog de beantwoording der vragen voor mijne rekening, of de vrouwen wel kiesrecht noodig hebben, nu toch langzamerhand wordt ingezien, dat de grieven der vrouwen gegrond zijn en er in den loop van den tijd wel gaandeweg betere wetten zullen komen.

“Geduld” werd ons van dien kant toegeroepen. Verder kwam het afgezaagde bezwaar van oneenigheid in de gezinnen, als de gehuwde vrouw ook kiesrecht zal hebben; de vrees, dat de vrouw, die kiesrecht heeft, hare huiselijke en moederplichten zal verwaarloozen; dat er op een schip geen twee kapiteins kunnen zijn, voorafgegaan door een vergelijking van het huwelijk met een schip; het argument, dat de vrouw geen belasting betaalt en als zij het doet, dan is het van het geld van haar man en wie geen belasting betaalt, mag ook geen invloed hebben op de besteding der belastingsommen; dat er meer vrouwen dan mannen in de meeste landen zijn en bij invoering van vrouwenkiesrecht de mannen overstemd zullen worden en nog enkele andere dergelijke argumenten, die wij ook kennen van de vergaderingen in Holland. Bij de beantwoording dier bezwaren zal ik niet stilstaan; wie er belang in stelt, ga naar de eerste de beste vrouwenkiesrechtvereeniging in Holland en hoore naar de weerlegging er van.

De vergadering, die weder zeer druk was bezocht door personen van beiderlei geslacht, hield ons weder van kwart over negen tot na middernacht bezig en droeg een bijzonder vriendschappelijk en sympathiek karakter.

Zaterdagavond werd ons door tal van heeren en dames een diner aangeboden, weder bij Versteegh. De tafelversiering, die bijzonder aantrekkelijk voor ons was, omdat weder wit en goud de hoofdtonen waren, was door eenige dames zelf tot stand gebracht. Vroolijke muziek luisterde het bijzijn op, doch die bleek niet bepaald noodig te zijn om eene vroolijke, gezellige, prettige stemming gaande te houden. De nacht was reeds voor een goed deel verstreken toen wij uiteengingen; wij met den wensch in het hart, dat wij de aanzittenden nog menigmaal, ook hier in Indië, zullen mogen ontmoeten.

De ochtenden werden door ons telkens besteed om met een der dames een autotocht te maken en het een of ander van Batavia te zien, zoodat wij met een gevoel van zelfvoldoening kunnen terugzien op deze welbestede week. Wel vragen wij ons telkens af, “hoe lang zullen wij dit drukke leven in zulk een heet klimaat volhouden” en gevoelen wij, dat wij tot beperking van ons arbeidsveld moeten overgaan. Ik heb dan ook reeds moeten bedanken voor vele aanvragen om voor vereenigingen of debatingclubs te komen spreken, die niet regelrecht de bevordering van de belangstelling in het vrouwenkiesrechtvraagstuk beoogen.

Ik wil dezen brief niet eindigen, alvorens nog eens terug te komen op de allerdwaaste maatregel door de Nederlandsche regeering hier ingevoerd om het binnenkomen in Java voor landgenooten en vreemdelingen te bemoeilijken. Wij waren er met het ons op het schip verstrekte toegangsbewijs, waarvoor Mrs. Catt vijf-en-twintig gulden moest betalen, nog niet af, want het bleek, dat wij dat bewijs nog eerst in Tandjong Priok voor een ander hadden moeten inwisselen. Daarvan was met geen enkel woord op de boot melding gemaakt, geen der passagiers was gewaarschuwd dat men eerst na inwisseling van het op het schip ontvangen bewijs, tegen een definitieve toelatingskaart, die op Tandjong Priok werd afgegeven, Java verder mocht binnentrekken. Daar kwamen al die menschen na een uur sporen in Batavia aan om daar te vernemen, dat het bewijs, dat zij hadden, eigenlijk niets waard was en zij naar Priok terug moesten, om een nieuwe, ’n andere kaart te halen. Heeft men ooit van zoo’n onbesuisden maatregel meer gehoord? En is het wonder, dat vreemdeling en Nederlander vragen, of wij in een land van gekken in plaats van in eene der koloniën van het verlichte en beschaafde Nederland zijn aangekomen?

Door middel van het Toeristenverkeer-Bureau en met hulp van den Resident werd het ons gespaard naar Priok terug te keeren en werden ons een paar dagen later de toegangsbewijzen overhandigd, nadat wij beiden daarvoor, of voor wat anders, ƒ 1.50 hebben moeten betalen. In welk land is Nederland ter schole gegaan, om zulk een maatregel te leeren nemen? Mij is geen enkel land bekend, waar men vreemdelingen en wat meer zegt, eigen landgenooten, het reizen zoo bemoeilijkt. Zelfs Turkije, en dat was op het oogenblik, toen wij er kwamen, in oorlog, ontvangt vreemdelingen gastvrijer.

Ik heb van de vreemdelingen gehoord, dat zij bij de ontscheping voor de groote moeilijkheid stonden geen vijf en twintig Hollandsche guldens te bezitten en dat de ambtenaar, belast met de inning dier gelden, geen vreemd geld in ontvangst nam. Zelfs op vertoon van een credietbrief, die over ettelijke duizenden guldens liep, kon men de vijf en twintig gulden niet geborgd krijgen en moest men ten slotte door een mede-passagier geholpen worden.

Hoe spoediger deze zotte maatregel wordt opgeheven, hoe beter, wij hebben er ons nu reeds in het buitenland belachelijk door gemaakt. Laat het spoedig blijken, dat de regeering zich in dezen vergist heeft en haar fout ongedaan wenscht te maken. De Nederlandsche regeering is de eenige niet die wel eens fouten maakt; het strekt den feministen alleen ten bewijs, dat eene regeering, uitsluitend uit mannen bestaande, wel eens zeer onverstandig kan doen en dat de logica, die alleen uit mannenbrein zou kunnen voortspruiten, wel eens ver te zoeken is in de handelingen, die van de logische overwegingen het resultaat zijn.

Als vrouwen zoo eens handelden?

II.

In den regel begin ik mijn volgenden brief voor de courant, alvorens ik mijn voorgaanden verzend, om te voorkomen in herhalingen te treden; maar den laatsten brief sloot ik af en verzond dien, toen ik op het punt stond een kijkje te gaan nemen in Concordia, waar de Batavische jeugd zich vermaakte, met op de maat van de muziek, op een marmeren terras rolschaatsen te rijden. Eens in de veertien dagen wordt hun daartoe gelegenheid gegeven en de hitte, die mijne metgezellin en mij het leven hier heel zwaar maakt, verhindert de jongens en meisjes van Batavia niet om daar uren achtereen rond te tollen op een heel klein baantje. Ik zou die kinderen gaarne even een lesje in het rolschaatsen rijden willen laten nemen bij onze straatjongens op het Leidscheplein of voor het Paleis van Volksvlijt, waar men zulke mooie draaiers ziet maken en zulke verrukkelijke kunstjes ziet doen op het slechte materiaal, waarover de meesten hunner beschikken, jongens die mij altijd een genot verschaften als ik ’n poosje naar hun kunstig gedoe kon blijven kijken. De kinderen hier hebben geene leiding gehad bij het leeren rijden, zij rollen allen in groote snelheid voort, alsof zij verplicht zijn in een minimum van tijd een maximum aantal malen het kringetje rond te komen, geen enkele er onder, die ook maar een poging doet er wat sierlijks, wat oogenstreelends van te maken.

Maar nu ben ik op eene ontboezeming over het rolschaatsen rijden gekomen, terwijl ik eigenlijk had willen zeggen, dat ik, na een week niet meer tot schrijven te zijn gekomen, niet meer weet, waarmede ik mijn laatsten brief afsloot en waarmede ik dezen zou moeten beginnen. Dat is nu wel niet zoo erg, want na ’n week van zooveel afwisseling en na zooveel wetenswaardige dingen te hebben gezien en te hebben leeren kennen, kan ik er gerust een greep in doen en van het een en ander melding maken.

Het eerst wil ik vertellen van onzen tocht naar Buitenzorg. Van drie kanten waren wij aangezocht om daar eene lezing te komen houden. Eerstens van eenige dames, leden van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht en verder door een heeren-debatingclub. Beide uitnoodigingen golden natuurlijk het vrouwenkiesrecht-vraagstuk. De derde uitnoodiging was persoonlijk tot mij gericht en kwam van eene afdeeling van het Nederl. Taalverbond en met de bedoeling, dat ik zou spreken over de toestanden in Zuid-Afrika, in betrekking tot de Nederlandsche taal. Daar wij echter deze week maar één dag in Buitenzorg kunnen vertoeven, hadden wij geantwoord, dat de drie groepen zich maar met elkander in contact moesten stellen en gezamenlijk eene vergadering uitschrijven, waar wij over vrouwenkiesrecht zouden komen spreken.

Op Donderdag den 18en April was die vergadering uitgeschreven en op dienzelfden dag was ons ook een particulier onderhoud met Z. Exc. den gouverneur-generaal toegestaan. Reeds vóór acht uur ’s morgens stonden de heer en mevrouw Wevers Bettink met hun auto voor de deur om ons naar Buitenzorg te brengen, waar wij even vóór tien uur aankwamen. Ik heb reeds geschreven dat ik over Java’s natuurschoon niet uitweiden zal, omdat daarvoor vroeger en ook thans nog bevoegder pennen dan de mijne, in beweging zijn gezet; alleen wil ik even aanstippen, dat de ongeveer 66 kilometer lange weg, die Batavia van Buitenzorg scheidt, zooveel mooie gezichtspunten levert, dat de autotocht in elk opzicht eene genotvolle was. Bij onze aankomst in Buitenzorg werden wij door eenige dames en heeren vandaar opgewacht en verwelkomd, maar ons oponthoud kon slechts kort zijn, omdat de gouverneur-generaal ons om tien uur wachtte. Met de grootste voorkomendheid werden wij beide door Z. Exc. ontvangen en werden ons alle gegevens verstrekt, die wij noodig hadden om een goed inzicht in vele toestanden hier te verkrijgen. Het was ons een waar genoegen te vernemen, dat Z. Exc. in zeer vele opzichten onze gevoelens deelt, omtrent de opvoeding en het onderwijs van het Javaansche meisje en omtrent de opleiding van eenige dezer meisjes tot onderwijzeres. Ook bij de bespreking van vrouwelijke doctoren voor de inlandsche vrouwen en voor hospitalen voor deze vrouwen, met uitsluitend vrouwelijke medische hulp en de opleiding van vrouwelijke doctor djawas, stond Z. Exc. veel dichter bij ons dan menige zijner ambtenaren met wie wij deze kwesties reeds vroeger bespraken. Tot dusver worden nog alle inlandsche meisjes, die zich aanmelden voor de doctor djawa-school, teruggewezen, altijd onder een of ander voorwendsel, doch eenvoudig omdat de machthebbenden bij dat departement de moeilijkheid van het gezamenlijk met de jonge mannen te ontvangen medisch onderwijs te zwaar inzien en de wenschelijkheid van het hebben van vrouwelijke doctoren voor de inlandsche vrouwen niet genoeg voelen. Ik hoop en vertrouw evenwel, dat daarin spoedig verbetering komt, dat men het Javaansche meisje, dat die moeilijke studie en die latere zware taak aanvaarden wil, steunen zal in plaats van moeilijkheden op haar weg te plaatsen, dat men ook in Nederlandsch-Indië eindelijk zal gaan inzien, dat voor de inlandsche vrouwen, die door godsdienst, zeden en gewoonten geen mannelijke doctor aan haar ziekbed kunnen toelaten, het verschaffen van vrouwelijke medische hulp eene noodzakelijkheid is. In dat opzicht is Britsch-Indië ons een reuzensprong voor, daar kan elke inlandsche vrouw, in tijd van ziekte, door een vrouwelijke doctor behandeld worden.

Het komt mij voor, dat de Nederlandsche vrouwen in Nederlandsch-Indië, enkele zeer gunstige, niet genoeg te prijzen, uitzonderingen daargelaten, haar maatschappelijke taak in dit opzicht geheel verwaarloosd hebben, dat zij niet gevoeld hebben, dat de zedelijke verplichting op haar rustte, beter voor hare native-sisters te zorgen. Als zij wat dieper in het leven van de inlandsche vrouw waren doorgedrongen, het vertrouwen van hen hadden weten te verwerven en de spreekbuis waren geweest, die hunne nooden en behoeften aan de regeering of aan het groote publiek had geopenbaard, dan, ik ben er zeker van, zouden ook in onze koloniën voor de inlandsche vrouwen betere toestanden reeds bestaan. Was het niet een man, dr. H. van Buuren, die een noodkreet heeft geuit om betere verloskundige hulp voor de inlandsche vrouw te verkrijgen, een noodkreet, die nog lang niet hard genoeg is geweest om de regeering ten volle de verplichting te laten gevoelen, die zij in dezen tegenover de inlandsche vrouwen te vervullen heeft? In Britsch-Indië was het eene vrouw, Lady Dufferin, die hare stem over deze kwestie luide deed klinken, en toen de Britsche regeering niet spoedig genoeg handelend optrad, zelve de handen aan den ploeg sloeg en een fonds bijeenbracht, dat na haar dood het Lady-Dufferinfonds werd genoemd, waaruit zij al vast begon vrouwelijke doctoren aan te stellen en kleine hospitaaltjes te stichten. Deze hospitalen zijn nu allen door de Engelsche regeering overgenomen, de vrouwelijke doctoren daaraan werkzaam, regeeringsambtenaren geworden en in alle steden van eenige beteekenis kan nu de Engelsche inlandsche vrouw goede geneeskundige hulp van vrouwen ontvangen. Ook de vorming van inlandsche vrouwelijke doctoren wordt daar gesteund en in de hand gewerkt.

Wij bezochten in Buitenzorg verder een inlandsche school van jongens en meisjes en maakten er met een achttal Soendaneesche en Javaansche meisjes kennis, die allen in den loop van dit jaar haar diploma voor onderwijzeres zullen halen, doch thans nog als kweekeling op die school werkzaam waren. Het is bedroevend te zien, hoe weinig meisjes nog aan het onderwijs deel nemen; in alle scholen, die wij tot dusver bezochten, zitten er in elke klasse van ongeveer twintig of vijf-en-twintig leerlingen niet meer dan een of twee meisjes. In sommige aanvangklassen zaten er drie of vier, maar dikwijls worden deze meisjes door de ouders weder van school genomen, zoodra zij een paar klassen doorloopen hebben. Voor een deel moet dat worden toegeschreven aan de zeden der inlanders, waardoor het niet welvoegelijk gevonden wordt, dat een meisje na de puberteitsjaren, en die treden in dit warme klimaat reeds op tien à twaalfjarigen leeftijd in, met jongens of mannen in aanraking komt.

Ook maakten wij in Buitenzorg kennis met de zeer interessante familie Motman, waarvan moeder en dochter een school in het weven en batikken voor inlandsche meisjes hebben. Met de grootste belangstelling sloegen wij de verschillende procedé’s gade, die zoo’n lap katoen heeft te ondergaan, alvorens het in mooie harmonieerende kleuren en met artistieke figuren kan worden afgeleverd, maar brengt men den tijd, die zulk werk kost, en de vele vrij kostbare benoodigdheden om het geheele proces ten einde te brengen in rekening, dan is zulk werk niet te betalen en daardoor voor de markt ongeschikt en voor meisjes, die in eigen onderhoud willen of moeten voorzien, geen geschikte levenstaak. Het is heel mooi, dat wij nog eens in de gelegenheid waren, dat kunstige werk te zien verrichten, te weten, dat vrouwen en meisjes zoo uit het hoofd die aardige figuren met hare wasstaafjes op het doek kunnen tooveren, maar in den tegenwoordigen tijd, nu al meer en meer de tijd van de vrouw ook geld waard wordt, nu is deze kunst gedoemd van de aarde te verdwijnen, omdat zij te tijdroovend en daardoor te kostbaar wordt. Het gaat er mede als met onze mooie oude gobelins, over afzienbaren tijd zullen wij de uit de hand gebatikte doeken nog alleen in onze musea kunnen bewonderen.

Dien middag om half zeven was de vergadering voor vrouwenkiesrecht uitgeschreven en toen wij in de smaakvol met bloemen en groen versierde zaal van de Buitenzorgsche Sociëteit kwamen, werden wij aldaar door verschillende dames en heeren, die de vergadering hadden georganiseerd, opgewacht en werd ons ieder door een paar kleine, schattige meisjes een mooie bouquet, die van Mrs. Catt met de Amerikaansche, de mijne met de Nederlandsche vlag, geoffreerd. Op het podium prijkten een paar manden met witte lotusbloemen, lotusbloemen van zulk eene enorme afmeting en zoo fluweelig en vol, als ik nooit te voren gezien heb. De president van de debatingclub leidde deze vergadering, waarin ook de acht inlandsche onderwijzeressen en tal van inlandsche onderwijzers aanwezig waren. Mrs. Catt sprak slechts kort, omdat vele der aanwezigen haar niet verstonden, ik moest toen de lange speech houden en daarna gelegenheid geven tot debat. Het is te begrijpen, dat een debatingclub de gelegenheid gebruikte om te debatteeren en toen er om 9 uur nog vele strijdlustigen bleken te zijn en wij nog moesten eten en naar Batavia terug autoën, kon ik niet anders doen dan aan aller wensch toegeven om bij ons volgend bezoek aan Buitenzorg, waar wij nog de botanische tuinen en tal van andere bijzonderheden hebben te zien, opnieuw een avond te geven voor debat. Dat zal in ’t midden van Mei zijn. Ruim twintig leden hadden zich onderwijl reeds als lid van de vereeniging voor Vrouwenkiesrecht opgegeven en den wensch geuit eene afzonderlijke afdeeling Buitenzorg te vormen, waaraan dan ook in Mei zal worden voldaan.

Om half een ’s nachts bracht de heer Wevers Bettink ons veilig tehuis, een kunststukje van chauffeurs accuratesse, want de weg is over ’t geheel genomen veel te smal en heeft tal van zeer gevaarlijke bochten.

Eene instelling, waarvoor de regeering aller dank toekomt, leerden wij in Batavia kennen. Het zijn de regeeringspandhuizen. De heer Nittel, onder-directeur dier instelling, liet ons deze in alle finesses zien en bracht ons met de geheele instelling op de hoogte. In aanmerking genomen, dat de inlander gaarne zijne bezittingen beleent, hetzij om in tijdelijke extra uitgaven, voor een ziekte, een begrafenis, een bruiloft etc. te voorzien, hetzij om dingen van waarde veilig opgeborgen te hebben, of om tal van andere redenen, is het goed gezien van de regeering om daarin den kleinen man te helpen en hem uit de handen der Chineezen—de vroegere pandhuishouders—te houden, Als men bedenkt, dat in één pandhuis in Batavia, er zijn er aldaar acht, dagelijks gemiddeld 800 à 1000 panden ingebracht en even zoovele uitgehaald worden en dat de gemiddelde waarde van de ingebrachte panden niet meer dan ƒ 1.75 bedraagt, dan komt men tot de conclusie, dat deze instelling in eene behoefte voorziet, die vooral voor den kleinen man zeer groot is. Het is verblijdend, dat na 1913 heel Java deze van regeeringswege opgerichte huizen zal tellen en dat daarmede een einde is gemaakt aan de afpersing, die in dit bedrijf voorheen door de Chineezen werd gedreven. Ik durf in een dagbladartikel niet in détails treden over het pandhuisbedrijf in Nederlandsch-Indië, doch de wijze, waarop die is ingericht, de kalmte, die er in deze huizen heerscht, de vlugge en regelmatige wijze, waarop die stroom van publiek bediend wordt en de contrôle, die over alles wordt uitgeoefend, is boven allen lof verheven. Men voelt hier, dat de goedaardige, eenvoudige Javaan beschermd wordt tegen uitzuigerij, eene bescherming, die hij maar al te zeer behoeft. Dat de regeering met dit bedrijf nog een kleine winst maakt, vermindert m.i. den lof niet, die er haar voor toekomt, als die winst maar op de een of andere wijze ten bate van den Javaan wordt aangewend.

Ook de inrichting en de werking van het instituut Pasteur is iets, waarop wij met rechtmatigen trots kunnen wijzen. Dat wij met zooveel meer veiligheid, voor zoover het onze gezondheid betreft, in onze koloniën dan in Britsch-Indië kunnen reizen, danken wij voor een goed deel aan deze instelling. Onder de kundige leiding van den bekwamen directeur, dr. Nijland, heeft dit instituut zich ontwikkeld tot het zich ver verheft boven de meeste dier inrichtingen in het buitenland. Dat pest, cholera en pokken niet meer zoo de verschrikkingen hier zijn als in andere tropische landen, is zeker waard om dankbaar vermeld te worden.

Ik zou willen, dat ik met even groote nationalen trots kon schrijven over een andere regeeringsinstelling, waarvan ik ook met de grootste belangstelling kennis nam, de opiumfabrieken en de opiumregie. Wij zagen daar de bollen, zooals die uit Britsch-Indië worden ingevoerd, waaruit de opium bereid moet worden en gingen met den directeur alle stadia door, die de inhoud van deze bollen doorloopt, alvorens de daaruit verkregen opiumsiroop in nette, tinnen buisjes verzameld en als geschikt voor het gebruik afgeleverd kan worden.

Maar op dat gebruik, daarop komt het aan. Al die glinsterende tinnen buisjes, honderdduizenden in aantal, die daar door tal van inlanders met behulp van prachtige machines, in regeeringsdienst bereid worden, zijn uitsluitend bestemd om door inlanders en Chineezen gerookt, of, zooals die term luidt, “geschoven” te worden. Onze regeering, leverancier en fabrikant van een zoo verderfelijk genotmiddel, omdat..... ja, om geen andere reden, dan dat zij er jaarlijks zoovele millioenen op verdient. Hoe beschamend! Niettegenstaande de herhaalde en besliste verzekeringen van den directeur, dat het opiumschuiven, mits er onvervalschte opium wordt gebruikt, niet nadeelig voor de gezondheid is, kan ik dit toch niet aannemen. De toestand, waarin de opiumschuiver na zijn pijpje geschoven te hebben, verkeert, de begeerte naar een volgende pijp, het niet meer er zonder kunnen leven, zoo hij er eenmaal aan gewend is, toonen genoeg aan, dat het opiumschuiven niet zoo’n onschuldig vermaak is, als men ons wel wilde doen gelooven.

In één opzicht kan ik vrede hebben met onze opiumregie. Door de wijze, waarop de verkoop is geregeld en door, nu reeds, over geheel Java en Sumatra de Chineezen uit dit bedrijf gestooten en de geheele verkoop in eigen handen genomen te hebben, kan de regeering de verdere uitbreiding van dit kwaad tegengaan en zoodra zij het wil, geheel uitroeien. Zoo wij eens eenmaal het voorrecht mogen hebben een regeering te bezitten, die haar taak ethischer opvat, die in plaats van jaarlijks millioenen te besteden voor leger en vloot, millioenen, die voor een deel verkregen worden uit die opiumfabricage, de gelden der schatkist besteedt tot opvoeding van het volk, ook het Indische volk, dan is het bij de tegenwoordige regeling mogelijk, binnen betrekkelijk korten tijd aan dit mensch-bedervend en mensch-onteerend opiumschuiven in onze koloniën een einde te maken. Dat dit nu gemakkelijker gaat dan wanneer de handel in handen van gewetenlooze Chineezen is, daarvan getuigt het volgende staaltje, dat wij in Medan vernamen en op Java bevestigd vonden. In een kampong boven Medan kende de bevolking het opiumschuiven niet. Op zekeren dag ontvingen de bewoners aldaar, huis aan huis, een eenvoudig toestel om opium te schuiven met een buisje opium en de gebruiksaanwijzing van een Chinees ten geschenke, en binnen geen tijd waren tal van dorpelingen daar opiumschuivers geworden en daarmede tevens trouwe koopers van opium bij den goedgeefschen Chinees. Den 1en April van dit jaar verloor ook die Chinees het recht tot verkoop van opium en wordt ook in Medan dit kostbaar en kostelijk stroopje door onze regeering geleverd. Aan zulke praktijken om met opzet nieuwe ongelukkigen te kweeken, zal natuurlijk de regeering zich niet schuldig maken, en met groot ongeduld zie ik den tijd tegemoet, waarop een regeering aan ’t bewind komt, die den moed heeft de sluiting van de opiumfabriek voor te bereiden en binnen niet al te langen tijd te bewerkstelligen. De overweging dat degene, die eens aan het schuiven verslaafd is er niet meer zonder kan leven, is m.i. de moeite van een discussie niet waard. Laten er daardoor, als dat waar is, eenige duizenden opiumschuivers, voor de maatschappij halfwaardige of nietswaardige individuen, ten gronde gaan of vroeger dan anders sterven, dit verlies weegt niet op tegen de millioenen uit deze en de volgende geslachten, die dit verderfelijk kwaad dan niet zullen leeren kennen en daardoor een hooger en beter leven kunnen leiden.

Nog op een ander beschamend feit moet ik wijzen. In de opiumfabriek zagen wij niet alleen Indische mannen en opgeschoten jongens aan het werk, maar ook tal van jongens, die zeker en gewis nog geen tien jaar oud waren. Met bevreemding vernam ik, dat onze wetten, die kinderarbeid beneden den 12-jarigen leeftijd verbieden, voor Indië niet gelden en dat in dit zonnige land, zelfs door onze regeering kleine jongens in een fabriekslokaal dagelijks uren en uren achtereen voor eenige centen aan het werk worden gezet.

Dat de lokaliteit waarin de kinderen werken, ruim en luchtig is, dat de jongens als hun kistje volgepakt is, van hun plaats opstaan om zelf een nieuw kistje te halen en daardoor nu en dan eens een verzetje hebben, dat er in Java nog lang en lang niet genoeg scholen zijn om de kinderen te onderwijzen en die jongens dus, als zij niet in de fabriek werken, zich bij den weg zouden vervelen en kattekwaad uitrichten en nog meer zulke overwegingen, verminderen in mijn oog het kwaad niet, dat daar door de overheid bedreven wordt. Niet alleen werken die jonge kinderen daar dagelijks 7 uren onafgebroken aan dat machinale werk, een veel te lange dagtaak voor zulke nietige wezentjes, maar ook moet het spoedig tot hen doordringen, dat opiumschuiven niet kwaad is en heel prettig moet zijn, als de fabricage en verkoop door de regeering geschiedt en als er dagelijks zooveel moet afgeleverd worden om aan de aanvraag te kunnen voldoen.

Ik was blijde, dat wij de opiumfabriek zagen, nadat wij reeds met het Instituut Pasteur en met den pandhuisdienst hadden kennis gemaakt, zoodat mijn Amerikaansche medereizigster geen al te slechten indruk van onze overheidszorg voor den Javaan krijgt en er toch ook wel wat te prijzen valt.